CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210819 t_NL.IMRO.1884.BPDEKOLK-VAS2

Gemeenteraad 20 september 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan De Kolk Oud Ade15.369 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

•

het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek Door de ligging van het plangebied in de bebouwde kom met voornamelijk sociale voorzieningen/activiteiten (kerk, volkstuinen) ten behoeve van de bewoners van Oud Ade, is sprake van een 'rustige woonwijk'. In de directe omgeving van de locatie liggen de volgende bedrijven: adres, bedrijf

afstand (m)

richtafstand woonwijk (m)

Akkerslootpolder 1a, veehouderij 3.2

79*

100

0142

Leidseweg 6, kerk

2

75

30

9491

40, 2

30

30

011

H.P. van volkstuin

milieucategorie

der

Poellaan

*De afstand is gemeten vanaf de grens van het woningbouwvlak tot aan de agrarische opstallen

27

rustige SBIcode

Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling, met uitzondering van de veehouderij Akerslootpolder 1a, voldoet aan de richtafstanden voor gemengd gebied uit de VNG uitgave Bedrijven en milieuzonering editie 2009. Veehouderij Akkerslootpolder 1a Ter plaatse van de Akkerslootpolder 1a geldt volgens het bestemmingsplan 'Buitengebied West', de bestemming 'Agrarisch met waarden - Natuur- en landschapswaarden' waarbij de locatie is voorzien van een agrarisch bouwvlak. De gronden zijn in gebruik ten behoeve van een melkveehouderij. In het kader van de VNGpublicatie 'Bedrijven en milieuzonering' is een melkveehouderij aan te merken als het 'fokken en houden van rundvee' (SBI: 0141, 0142). Dit valt in milieucategorie 3.2 met een maatgevende richtafstand van 100 m voor het aspect 'geur'. Voor het aspect geur kan, in afwijking van de richtafstanden uit de VNG-publicatie, uitgegaan worden de minimale afstanden uit de Wet geurhinder een veehouderij en het Activiteitenbesluit milieubeheer. Vanuit de Wet geurhinder en veehouderij en de ‘Verordening geurhinder en veehouderij Kaag en Braassem 2012’ is deze afstand voor geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom teruggebracht tot 50 m. Voor opslag van vaste mest geldt een afstand van 100 m. Inzichtelijk moet worden gemaakt of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen binnen het plangebied.

Daarnaast moet beschouwd worden of de beoogde woningen een beperking vormen voor de bedrijfsvoering van de melkveehouderij aan de Akkerslootpolder 1a. Het geldende bestemmingsplan 'Oud Ade en Rijpwetering' maakt binnen het plangebied reeds woningbouw binnen 50 m van het agrarisch bouwvlak mogelijk. Uit de onderstaande afbeelding blijkt dat binnen de 50 m contour reeds woningen mogelijk zijn. Met het voorgenomen plan wordt eveneens woningbouw binnen de 50 m contour van het agrarisch bouwvlak mogelijk gemaakt, waarbij de toekomstige woningen ca. 7 à 8 m dichterbij de rand van het agrarisch bouwvlak zijn beoogd (zie de navolgende afbeelding). De navolgende afbeeldingen tonen een uitsnede van de 50 m contour in de huidige en toekomstige planologische situatie.

Uitsnede 50 m contour in de huidige planologische situatie (bron: Buro SRO, d.d. 09-08-2021)

28

Uitsnede 50 m contour in de toekomstige planologische situatie (bron: Buro SRO, d.d. 09-08-2021)

De eigenaar van de gronden aan de Akkerslootpolder 1a wordt in geringe mate extra beperkt in zijn uitbreidingsmogelijkheden. De gronden binnen de 50 m contour zijn echter in gebruik als tuin met bedrijfswoning. Het ligt niet in de lijn der verwachting dat de gronden in gebruik worden genomen ten behoeve van de agrarisch bedrijfsvoering. Het is aannemelijker dat het agrarisch bedrijf aan de oostzijde zal uitbreiden, mede omdat de gronden binnen de 50 m contour gelegen zijn binnen de kernzone en de beschermingszone van een regionale waterkering. In een dergelijke zone is het verboden om zonder vergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Aan de hand hiervan kan worden geconcludeerd dat de eigenaar van de gronden aan de Akkerslootpolder 1a vanuit planologisch oogpunt wordt beperkt in zijn bedrijfsvoering, echter zal er geen sprake zijn van een onevenredige verhindering voor de uitbreidingsmogelijkheden. Bovendien maakt het geldende bestemmingsplan op een afstand van minder dan 50 m reeds woningbouw mogelijk, waardoor er in de huidige situatie al sprake was van een beperking van de planologische mogelijkheden.

Verder dient er inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. De beoogde woningen zijn op een afstand van ca. 79,1 m gelegen van het meest nabijgelegen dierenverblijf. Hiermee wordt er voldaan aan de 50 m, waardoor er sprake van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen binnen het plangebied. Vanuit het oogpunt van goede ruimtelijke ordening is de situering van de beoogde woningen in het plangebied derhalve aanvaardbaar. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Ook kan geconcludeerd worden dat het bestaande agrarische bedrijf aan de Akkerslootpolder 1a niet onevenredig gehinderd wordt in de bedrijfsvoering.

29

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren.

Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening. Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 meter aan weerszijden van rijkswegen en 50 meter langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:

• • •

scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.

Het gaat hierbij niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 20 woningen gerealiseerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als 'niet in betekende mate'. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Desalniettemin is in het kader van een goede ruimtelijke ordening met behulp van NSL-monitoring (o.a.

ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de

30

achtergrondconcentraties over 2016 van fijnstof (PM10) (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse van de locatie ruim voldoende is. De concentratie hebben ter plaatse van het plangebied de volgende waarden 18,4 μg/m³ NO2, 18,4 μg/m³ PM10 en 10,7 µg/m³ PM2,5. Deze concentraties liggen ruim onder de wettelijke grenswaarden. Er is daarom geen belemmering voor dit project met betrekking tot de luchtkwaliteit. Met betrekking tot de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied kan geconcludeerd worden dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken.

Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.

31

Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied (zwarte kader)

Bevi-inrichting Op circa 850 meter ten oosten van het plangebied, aan het Achterpad 40 te Rijpwetering, is een Bevi-inrichting gelegen. Ter plaatse is een bovengrondse tank met vloeibaar gemaakt gas aanwezig. Er geldt een risicocontour van 9 meter. Daarnaast is op circa 900 meter ten oosten van het plangebied, aan de Koppoellaan 5, een groothandel in granen en zaden aanwezig. In verband met de aanwezigheid van een chlooropslag is er sprake van een plaatsgebonden risico, zonder risicocontour. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek In het kader van de beoogde woningbouwontwikkeling heeft er ecologisch onderzoek plaatsgevonden (Van der Goes en Groot, d.d. 13 november 2018, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 2) om negatieve effecten op eventueel aanwezige beschermde soorten te kunnen voorkomen. In het onderzoek wordt geconcludeerd dat het onderzoeksgebied in potentie geschikt is voor beschermde soorten amfibieën, vogels, grondgebonden zoogdieren en vleermuizen. Gezien het aanwezige biotoop, het oppervlak, de geografische ligging en informatie uit de vakliteratuur over waarnemingen en populaties in de omgeving, zullen van de amfibieën en grondgebonden zoogdieren alleen ‘vrijgestelde’ soorten aanwezig zijn. Voor deze aangetroffen of verwachte ‘vrijgestelde’ soorten gelden geen verbodsbepalingen als werkzaamheden

32

worden verricht in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting, zoals het besproken plan. Een ontheffing is dan niet nodig. In het plangebied kunnen broedvogels met niet-jaarrond beschermde nesten voorkomen. Voor de verwachte aanwezige broedvogels dienen werkzaamheden waarbij nesten vernield of verstoord kunnen worden, buiten het broedseizoen plaats te vinden. Het broedseizoen loopt ruwweg van half maart tot half juli. Voor het mogelijk incidentele terreingebruik van het plangebied door vogels met jaarrond beschermde nesten (huismus en sperwer) wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter leefgebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vogels kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Voor de mogelijk aanwezige foeragerende vleermuizen in het plangebied wordt geen negatief effect verwacht van de ingreep omdat het plangebied slechts een klein deel uitmaakt van een veel groter foerageergebied en in de naaste omgeving veel vergelijkbaar of beter biotoop aanwezig is. De vleermuizen kunnen derhalve gemakkelijk uitwijken. Om verstoringen op belangrijk weidevogelgebied in het broedseizoen te voorkomen dienen alle aanlegwerkzaamheden in het hele plangebied te worden uitgevoerd buiten het broedseizoen en bij daglicht.

Eventueel nieuw aan te brengen buitenverlichting dient zodanig te worden aangebracht dat deze het weidevogelgebied niet verlichten. Dit betekent dat de verlichting niet omhooggericht moet zijn. Buiten deze restrictie wordt, gezien de aard van de plannen, de reikwijdte daarvan en de locatie van het plangebied ten opzichte van beschermde gebieden op voorhand uitgesloten dat andere natuurwetgeving dan de beschermde soorten Wnb, aan de orde is. Maatregelen Voor alle in het wild levende soorten en hun leefomgeving geldt de zorgplicht. Teneinde de zorgplicht na te leven kan men voorafgaand aan de werkzaamheden de volgende praktische richtlijnen hanteren:

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) kan gefaseerd verwijderd worden. Dit geeft bodembewonende dieren de kans om in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten;

•

Bij ecologisch gevoelige werkzaamheden kan zodanig worden gewerkt dat richting te behouden leefgebied van aanwezig fauna wordt gewerkt en dieren niet ingesloten raken en (meer) kans hebben te vluchten; Om schade aan vissen en amfibieën te beperken moeten de werkzaamheden aan wateren en oevers zoveel mogelijk worden uitgevoerd in de periode augustus tot en met oktober in verband met de perioden van voortplanting en overwintering;

•

•

Uit de te dempen wateren kunnen amfibieën (alle stadia) of vissen verdreven worden door van ‘dicht’ naar ‘open’ te werken en geen dieren in te sluiten. Als dit niet mogelijk is kunnen de dieren weggevangen worden door de wateren af te dammen en het waterniveau te verlagen. Deze dieren kunnen vervolgens worden overgebracht naar een geschikt water in de nabije omgeving;

•

Bij de werkzaamheden moet voorkomen worden dat ’s nachts met sterke bouwverlichting wordt gewerkt.

Conclusie Geconcludeerd wordt dat, rekening houdend met voorgaande maatregelen, de beoogde ontwikkeling in het kader van de Wnb uitvoerbaar is.

33

4.8 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Gemeentelijk archeologiebeleid Om de gemeentelijke rol als beslissend bestuursorgaan adequaat te kunnen vervullen, is gemeentelijk archeologiebeleid (ADC Heritage, augustus 2011) met een eigen (inhoudelijk en bestuurlijk) afwegingskader opgesteld. De bij het beleid horende archeologische verwachtingskaart geeft op perceelsniveau inzicht in het voorkomen van bekende en te verwachten archeologische waarden. Daarnaast bevat de kaart een informatielaag met mogelijke diepteligging van de te verwachten archeologie en bodemverstoring. De archeologische verwachtingskaart vormt de basis voor een archeologische beleidsadvieskaart (The Missing Link, maart 2013): aan de verwachtingen worden voorschriften gekoppeld die inzichtelijk maken waar geen onderzoek nodig is, waar wel, en zo ja, wat voor onderzoek.

Deze beleidsadvieskaart vormt op zijn beurt de basis voor het aanpassen van bestemmingsplannen en bij de verlening van omgevingsvergunningen. Erfgoedverordening De gemeenteraad van Kaag en Braassem heeft op 8 november 2016 de gemeentelijke Erfgoedverordening vastgesteld. In de Erfgoedverordening zijn de lokale regels en procedures voor de omgang met monumenten en archeologie vastgelegd. De gemeente is als bevoegd gezag voor (rijks-)monumenten en archeologie het eerste aanspreekpunt voor vraagstukken over gebouwd en ondergronds erfgoed. Planspecifiek Archeologie De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de gemeentelijke Archeologische beleidskaart van de gemeente Kaag en Braassem.

Uitsnede Archeologische Maatregelenkaart, plangebied in zwarte kader

Zoals zichtbaar op voorgaande kaart valt het plangebied deels binnen de historische kern, deels binnen een gebied met een middelhoge verwachting en grotendeels binnen een gebied met een lage verwachting. Binnen het geldende bestemmingsplan 'Oud Ade en Rijpwetering' geldt slechts voor een klein deel van het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Bij bouwwerken met een oppervlakte boven de 150 m² en dieper van 30 cm dient archeologisch onderzoek plaats te vinden.

34

Het gedeelte waar de beoogde woningen komen is, zoals zichtbaar op navolgende afbeelding, tijdens de bouw en de sloop van de voormalige woningen flink geroerd en afgegraven. Daarnaast wordt er niet meer dan 150 m² aan oppervlakte gebouwd binnen de archeologische dubbelbestemming. Archeologisch onderzoek wordt niet noodzakelijk geacht. Eventuele toevalsvondsten dienen te worden gemeld bij gemeente Kaag en Braassem. Cultuurhistorie Voorheen bevonden zich in het plangebied zeven zogenaamde Oostenrijkse noodwoningen. Deze woningen uit 1950 waren onderdeel van in totaal 60 Oostenrijkse woningen in de gemeente Kaag en Braassem. Het meest opvallende kenmerk van deze woningen is hun opzet in houtsysteembouw. De betreffende woningen waren niet beschermd als monument en dus is de Erfgoedverordening hierop niet van toepassing. Inmiddels zijn de woningen gesloopt. Voorliggende initiatief maakt de bouw van woningen mogelijk. In fysieke zin worden hiermee geen cultuurhistorische kwaliteiten in de omgeving aangetast.

4.9 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam

35

waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.9.2 Hoogheemraadschap van Rijnland Taken en bevoegdheden van Rijnland als waterbeheerder Het Hoogheemraadschap van Rijnland is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en (ondiep) grondwater. De drie hoofddoelen van dit beheer zijn veiligheid tegen overstromingen, voldoende water en gezond water. Wat betreft veiligheid is cruciaal dat de waterkeringen voldoende hoog en stevig zijn én blijven en dat rekening wordt gehouden met mogelijk toekomstige dijkverbeteringen. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten en te beheren. Daarbij wil Rijnland dat watergangen en kunstwerken zoals gemalen op orde en toekomstvast worden gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Rijnlands taken en bevoegdheden op het gebied van gezond water betreffen het zuiveren van afvalwater en het reguleren van lozingen op oppervlaktewater. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend.

Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert Rijnland rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Aan de hand van het Waterbeheersplan werkt Rijnland aan zijn ambities. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft Rijnland een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft Rijnland een regelgevende rol. Keur en uitvoeringsregels Op grond van de Waterwet is Rijnland als waterschap bevoegd via een eigen verordening, de Keur, regels te stellen aan handelingen die het watersysteem beïnvloeden. Denk hierbij aan handelingen in of nabij: • waterkeringen (onder andere duinen, dijken en kaden),

• • •

watergangen (onder andere kanalen, rivieren, sloten, beken),

• •

Onttrekken en lozen van grondwater Het aanbrengen van verhard oppervlak

andere waterstaatswerken (o.a. bruggen, duikers, stuwen, sluizen en gemalen)

de bodem van kwelgevoelige gebieden Maar ook aan:

De Keur vermeldt expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. Wie bv. op een waterkering wil bouwen, moet een watervergunning aanvragen bij Rijnland (én een omgevingsvergunning bij de gemeente). In de uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Riolering en afkoppelen Voor zover het bestemmingsplan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt, is het van belang dat er met Rijnland afstemming plaatsvindt over het omgaan met afvalwater en hemelwater. Overeenkomstig het rijksbeleid gaat Rijnland uit van een voorkeursvolgorde voor de omgang met deze waterstromen. Deze houdt in dat allereerst geprobeerd moet worden het ontstaan van (verontreinigd) afvalwater te voorkomen, bijvoorbeeld door het toepassen van niet uitlogende bouwmaterialen en het vermijden van vervuilende activiteiten op straat zoals auto’s wassen en chemische onkruidbestrijding. Vervolgens is het streven vuil water te scheiden van schoon water, bijvoorbeeld door het afkoppelen van hemelwaterafvoeren van gemengde rioolstelsels. De laatste stap in de voorkeursvolgorde is het zuiveren van het afvalwater. De doelmatigheid daarvan wordt vergroot door het scheiden van de schone en de vuile stromen.

De gemeente kan gebruik maken van deze voorkeursvolgorde bij de totstandkoming van het gemeentelijk rioleringsplan (GRP), waarin de uiteindelijke afweging wordt gemaakt en waarbij doelmatigheid van de oplossing centraal staat.

36

4.9.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Ten behoeve van dit initiatief is De Digitale Watertoets ingevuld en heeft veelvuldig overleg met het Hoogheemraadschap van Rijnland plaats gehad. Watercompensatie Bij een toename aan verharding van meer dan 500 m² dient, volgens de regels van het Hoogheemraadschap Rijnland, 15% te worden gecompenseerd. Een toename aan verharding zorgt er namelijk voor dat het regenwater sneller op het oppervlaktewater zal afstromen. Het uitgangspunt bij ruimtelijke ontwikkelingen is dat er geen verslechtering van de huidige situatie mag optreden. In de bestaande situatie was er circa 1.460 m² aan verharding op het terrein aanwezig.

In de beoogde situatie (2.119 m² verharding) zal er sprake zijn van een toename van 659 m² aan verharding, met name vanwege de toevoeging van parkeerplaatsen. Dat betekent dat (659 * 0.15) 98,85 m² aan watercompensatie vereist is. De initiatiefnemer is voornemens om aan de oostzijde, net buiten de grens van het plangebied te voorzien in een waterberging van 163 m². De compensatie zal binnen het peilgebied Dr. akkersloot-, Hertogs- en Blijverpolder worden gerealiseerd. De navolgende afbeelding toont de beoogde terreininrichting met de waterberging aan de oostzijde van het plangebied.

Terreininrichting plangebied (Infravisie, d.d. 08-04-2020)

37

Daarnaast is in artikel 6 lid 4.3 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijk verplichting opgenomen. Hierin is bepaald dat gronden met de bestemming 'Wonen' niet eerder in gebruik genomen mogen worden dan nadat is voorzien in voldoende ruimte voor waterberging. Watergangen De volgende afbeelding toont een fragment van de Legger Regionale Keringen van het Hoogheemraadschap Rijnland.

Fragment legger hoogheemraadschap van Rijnland

Uit voorgaande afbeelding blijkt het plangebied binnen de kernzone en beschermingszone ligt van de regionale waterkering van de watergang de Oude Ade. In een dergelijke zone is het verboden om zonder vergunning bepaalde werkzaamheden uit te voeren. Voor het uitvoeren van handelingen binnen de kern- en beschermingszone van de regionale waterkering heeft overleg plaatsgevonden met het hoogheemraadschap van Rijnland. Tijdens het overleg tussen initiatiefnemer en het waterschap (d.d. 17 april 2018), welke plaatsvond op locatie, is geconstateerd dat de sloop van de voormalige woningen binnen het plangebied geen invloed heeft gehad op het dijklichaam. De navolgende afbeelding toont de beoogde situatie ten opzichte van het dijklichaam. In het grijs is de beoogde woningbouw zichtbaar, in het zwart de eerder bestaande en reeds gesloopte woningen.

Beoogde situatie ten opzichte van dijklichaam

Naar aanleiding van het bezoek ter plaatse in combinatie met voorgaande tekening is geconstateerd dat de beoogde ontwikkeling geen negatief effect heeft op het dijklichaam.

38

Waterafvoer Naar aanleiding van het overleg met het waterschap is besloten dat de riolering gescheiden dient te worden aangelegd. Hemelwater dient richting de aangrenzende sloten te worden afgevoerd. De navolgende afbeelding toont een ontwerp van de beoogde riolering.

Schetsontwerp inrit en riolering (Infravisie, d.d. 31 juli 2018)

4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De ontsluiting van het plangebied zal, gelijk aan de bestaande situatie, plaats vinden via de bestaande ontsluitingswegen De Kolk en Leidseweg/Oud Adeseweg. Wel is in het plan de doorgang over de bestaande weg De Kolk iets verbeterd.

Zo zijn de woningen en appartementen verder van de weg af gesitueerd en is de toegangsweg naar de parkeerplaatsen verplaatst. De afbeelding in toelichting paragraaf 4.9.3 toont de beoogde verkeerssituatie inclusief ontsluiting via de Leidseweg.

39

Conform de CROW publicatie zal de beoogde woningbouw circa 70 voertuigbewegingen per etmaal genereren. Ten opzichte van de bestaande situatie is dat iets meer dan een verdubbeling van de verkeersgeneratie. De verwachting is dat deze voldoende kan worden opgevangen binnen het bestaande verkeersnetwerk. Ontwikkeling

CROW aansluiting

Verkeersgeneratie Totaal per woning

15 appartementen

huur, etage, goedkoop - matig stedelijk, 3,6 rest bebouwde kom 5 levensloopbestendige grondgebonden huurhuis, sociale huur 4,9 woningen

45 24,5 69,5

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeente Kaag en Braassem heeft haar eigen parkeerbeleid vastgelegd in de Nota parkeernormen (2018). Bovengenoemde CROW kencijfers dienen als uitgangspunt voor de nota, waarmee de normen hetzelfde zijn. In de nota wordt echter meer specifiek ingegaan op de toepassing van deze normen binnen de gemeente. Voorts is een kaart met gebiedsindeling opgenomen.

Onderhavig plangebied valt op deze kaart binnen de zone 'rest bebouwde kom'. Planspecifiek Conform het parkeerbeleid van de gemeente Kaag en Braassem zijn 29 parkeerplaatsen benodigd ten behoeve van de beoogde woningbouw: Ontwikkeling

CROW aansluiting

15 appartementen

huur, etage, goedkoop stedelijk, rest bebouwde kom huurhuis, sociale huur

5 levensloopbestendige grondgebonden woningen

Parkeerplaatsen per Totaal woning - matig 1,4 21 1,6

8 29

Zoals zichtbaar op de afbeeldingen in toelichting paragraaf 2.2 en toelichting paragraaf 4.9.3 voorziet het plan in 30 parkeerplaatsen. Afhankelijk van de keuze voor de watercompensatie binnen of buiten het plangebied zullen er 2 of 4 parkeerplaatsen worden gerealiseerd aan de Leidseweg. Geconcludeerd wordt dat het aspect parkeren geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Bovendien bevat het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting parkeren, waarmee blijvend veiliggesteld is dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid.

40

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk);

41

•

Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen, waarbij inhoudelijk aangesloten is bij de mogelijkheden uit het geldende bestemmingsplan Oud Ade en Rijpwetering: Groen De beoogde stedenbouwkundige opzet voorziet in openbaar groen aan de randen en binnen het hofje. Om het gebruik als openbaar groen te waarborgen is deze bestemming opgenomen in voorliggend bestemmingsplan. Het bouwen van gebouwen en overkappingen is binnen deze bestemming niet toegestaan. Er zijn slechts bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, zoals lichtmasten. Voorts zijn binnen deze bestemming waterlopen en waterpartijen toegestaan, bijvoorbeeld als dat nodig is vanwege de watercompensatie. Tuin Bij de woning aan de Leidseweg, is voor het gebied vanaf 1 meter achter de voorgevel, de bestemming 'Tuin' toegepast. Er worden o.a. mogelijkheden geboden om erkers te realiseren. Verkeer Binnen deze bestemming zijn openbare wegen en parkeerplaatsen voorzien. Middels een Voorwaardelijke verplichting Parkeren is veiliggesteld dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid, ook bij toekomstige veranderingen. Wonen - 1 De woonbestemming en bijbehorende bouwvlakken zijn opgenomen ten behoeve van de beoogde woningen en de private tuinen behorende bij de woningen. Op de verbeelding zijn de maximaal toegelaten goot- en bouwhoogten weergegeven. Ook is de woningtypologie aangeduid.

In navolging van het bestemmingsplan Oud Ade en Rijpwetering zijn uitsluitend de aanduiding 'twee-aaneen' (voor twee-aaneengebouwde, geschakelde en vrijstaande woningen) of 'gestapeld' (voor gestapelde woningen) gehanteerd. Waar in een bouwvlak geen aanduiding is opgenomen zijn rijenwoningen toegelaten. Ook is het maximum aantal wooneenheden (20) geregeld. Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van dit maximum aantal wooneenheden, binnen het toegestane bouwvolume . Voorts gelden de in de gemeente gebruikelijke mogelijkheden voor bijbehorende bouwwerken. Dat geldt ook voor aan-huis-verbonden beroepen, aan-huis-verbonden (bedrijfs)activiteiten en bed&breakfast. Verder is in de Algemene regels een voorwaardelijke verplichting parkeren opgenomen, om veilig te stellen dat voorzien wordt in voldoende parkeergelegenheid. Dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering Voor waterkeringen, waterbergingen, primaire watergebied en waterhuishouding, is de functie tot uitdrukking gebracht in de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad.

Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken.

42

6 Economische uitvoerbaarheid Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst gesloten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. In deze overeenkomst wordt onder andere de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De economische uitvoerbaarheid van het plan is derhalve verzekerd. Planspecifiek De gemeente Kaag en Braassem zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een overeenkomst sluiten. In deze overeenkomst wordt de betaling van de eventuele tegemoetkoming in de planschade, die het nieuwe planologisch kader kan veroorzaken, geregeld.

43

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van rijk en provincie die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie De beoogde ontwikkeling is tot stand gekomen middels een zgn. TOP-aanpak. De afkorting staat voor ‘Traject OmgevingsParticipatie’, afspraken tussen woningcorporaties en gemeente Kaag en Braassem over bewoners- / omwonendenparticipatie bij nieuwe sociale huurlocaties. In dit proces is in meerdere gesprekken / inloopavonden gesproken met zittende en potentiële bewoners, waaronder een woongroep, (direct) omwonenden / buren en inwoners Oud Ade. En daarnaast is uiteraard intensief overleg gevoerd met de gemeente Kaag en Braasem. De stedenbouwkundige opzet en bouwstijl is mede ingegeven door de oorspronkelijk situatie: een U-vorm met een groentje in het midden, waarbij de bebouwing verwijst naar de Oostenrijkse noodwoningen. Er zijn alternatieven bedacht maar deze zijn om meerdere redenen afgevallen. Een belangrijke reden is de waardering die de huidige opzet heeft gekregen van omwonende en geïnteresseerden tijdens de inspraakavonden. Samengevat is hier het volgende proces doorlopen: Op 12 juni 2017 is in het Dorpshuis een inloopavond georganiseerd als aftrap voor de ontwikkeling van het plan. Doel van die bijeenkomst was om te informeren over mogelijke ideeën voor de invulling van De Kolk en om ideeën en suggesties te krijgen. Er waren zo'n 70-80 geïnteresseerden aanwezig.

Met bewoners / omwonenden zijn de bestaande karakteristieken van de locatie onderzocht en gepresenteerd. Hieruit zijn uitgangspunten gedestilleerd voor de nieuwe ontwikkeling daar waar het gaat over karakteristiek van het buurtje, karakter van de bebouwing / architectonische uitgangspunten en uitstraling naar de buitenranden. Vervolgens zijn omwonenden middels nieuwsbrieven (29 juni 2017, 27 oktober 2017, 19 januari 2018, 21 maart 2018 en 12 juli 2018) op de hoogte gehouden. Op 5 oktober 2017 is tijdens de tweede bijeenkomst de planopzet gepresenteerd. Op 13 februari 2018 is wederom een bijeenkomst georganiseerd voor omwonenden en geïnteresseerden, waartoe ook een oproep in het lokaal nieuwsblad was gedaan. Om de mogelijkheden voor de toekomstige woningen en appartementen te bespreken waren door FARO Architecten verschillende indelingen uitgewerkt en voor de buitenruimtes waren voorstellen gemaakt met balkons, galerijen op afstand en combinaties van beide. Om de sfeer tastbaar te

44

maken waren bovendien vier schetsen van de afwerking van de woningen gemaakt met ‘de sfeer van toen en de kwaliteit van nu’. Met behulp van referentiebeelden en een aantal geschetste varianten is het architectonisch beeld van het wijkje met inspraak van bewoners / omwonenden ontworpen. Om alle reacties van de belangstellenden op een goede manier te kunnen verwerken in het plan werd aan het eind van de bijeenkomst gevraagd een vragenformulier in te vullen. Daarop kon van alle gepresenteerde opties aangegeven worden waar ieders voorkeur naar uitgaat. En wat er mogelijk anders of beter kan. Op 21 maart 2018 is vervolgens de vierde nieuwbrief verzonden, waarin de stand van zaken wordt toegelicht. De meest recente nieuwsbrief omtrent de beoogde ontwikkeling is in de week van 9 juli 2018 verspreid in de buurt. Daarnaast hebben er keukentafelgesprekken plaatsgevonden met twee families van nabijgelegen woningen.

7.3 Vooroverleg Het bestemmingsplan is in het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro toegezonden aan het hoogheemraadschap van Rijnland, de provincie Zuid-Holland en de Omgevingsdienst West-Holland. Deze instanties zijn akkoord.

7.4 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan 'De Kolk, Oud Ade' heeft van 14 maart tot en met 24 april 2019 voor een ieder ter inzage gelegen. In deze periode zijn in totaal 3 zienswijzen ontvangen. De zienswijzen zijn verwoord en beantwoord in de 'Nota van beantwoording zienswijzen' (zie bijlagen bij toelichting, bijlage 3). De zienswijzen hebben niet geleid tot een aanpassing/aanvulling van het bestemmingsplan.

45

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=0b808eb8-0a95-499a-b9ff-649662ddf383