CConstaterende datKaag en Braassem
Koppel je AI →
Document · PDF

20210819 t_NL.IMRO.1884.BPDEKOLK-VAS2

Gemeenteraad 20 september 2021, gemeente Kaag en BraassemBij agendapunt: Bestemmingsplan De Kolk Oud Ade15.369 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

De Kolk, Oud Ade Gemeente Kaag en Braassem

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.1884.BPDEKOLK-VAS2

Datum:

10 augustus 2021

Contactpersoon Buro SRO:

H.J.M. (Henk) van Arendonk | L. Toppen

Kenmerk Buro SRO:

SR180209

Opdrachtgever:

MeerWonen

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:

NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 5 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6 1.5 Addendum........................................................................................................................................................... 7

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 8 2.2 Beoogde ontwikkeling ....................................................................................................................................... 10

3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Nationaal beleid ................................................................................................................................................ 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 19 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 21

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 24 4.1 Milieueffectenrapportage ................................................................................................................................. 24 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 25 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 26 4.4 Milieuzonering .................................................................................................................................................. 27 4.5 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 30 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 31 4.7 Ecologie .............................................................................................................................................................

32 4.8 Archeologie en cultuurhistorie .......................................................................................................................... 34 4.9 Waterhuishouding............................................................................................................................................. 35 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 39

5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 41 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 41 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 41 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 41 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 41 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 42

6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 43 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 44 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 44 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 44 7.3 Vooroverleg ....................................................................................................................................................... 45 7.4 Zienswijzen ........................................................................................................................................................ 45

3

4

1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om ter plaatse van de reeds gesloopte woningen aan De Kolk 14 t/m 20, in de kern Oud Ade, 20 sociale huurwoningen te realiseren. De sociale woningbouw bevat 5 levensloopbestendige grondgebonden woningen en 15 kleine appartementen. Binnen het vigerend bestemmingsplan 'Oud Ade en Rijpwetering' zijn de gronden reeds bestemd ten behoeve van wonen en groen. De beoogde nieuwe stedenbouwkundige opzet sluit hier echter niet geheel op aan: de woningen vallen grotendeels buiten de bestaande bouwvlakken. De beoogde ontwikkeling is daarmee in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Om de ontwikkeling mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan vereist. Voorliggend bestemmingsplan voorziet daar in.

1.2 Ligging plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan De Kolk 14 tot en met 20 in de kern Oud Ade, gemeente Kaag en Braassem. Oud Ade is een dorp in de Vrouw Vennepolder en de Akkerslootpolder. De polder wordt gekenmerkt door de karakteristieke strokenverkaveling, welke duidelijk zichtbaar is. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

Globale ligging plangebied (witte omkadering). Bron: google maps

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Oud Ade en Rijpwetering'. De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft het bestemmingsplan op 18 december 2017 vastgesteld. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het vigerend plan.

Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan, plangebied in witte kader

De planlocatie heeft in het geldende bestemmingsplan de bestemmingen 'Wonen - 1', 'Groen', 'Tuin' en 'Verkeer'. Binnen de bestemming 'Wonen - 1' zijn enkel hoofdgebouwen binnen de bouwvlakken toegestaan. De beoogde woningbouw valt deels buiten de woon- en tuinbestemmingen en binnen de groenbestemming. Tevens is een strook aan de Leidseweg meegenomen met de bestemming 'Verkeer' en 'Groen'. Dit houdt verband met de eventueel benodigde watercompensatie, danwel voor parkeren. Voorts gelden voor een deel van het plangebied de dubbelbestemmingen 'Waterstaat - Waterkering' en 'Waarde - Archeologie 1'. In verband met de ligging nabij de rivier Oude Ade dient er rekening te worden gehouden met de waterkering van deze watergang. In verband met de archeologische dubbelbestemming, die slechts voor een zeer klein gedeelte van het plangebied geldig is, dient er bij ontwikkelingen groter dan 150 m² en dieper dan 30 cm archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd. De beoogde ontwikkeling is vanwege de ligging van woningen binnen de groen- en tuinbestemming en buiten de woningbouwvlakken in strijd met het vigerend bestemmingsplan. Middels voorliggend bestemmingsplan wordt de beoogde ontwikkeling planologisch mogelijk gemaakt.

1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en hoofdstuk 6 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan.

6

1.5 Addendum Bij besluit van 15 juli 2019 heeft de gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem het bestemmingsplan 'De Kolk, Oud Ade' vastgesteld. Tegen het besluit van 15 juli 2019 is beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling). De Afdeling oordeelt in haar tussenuitspraak 201906981/1/R3 van 31 maart 2021 dat besluit van 15 juli 2019 in strijd is met de artikelen 3:2 en 3:46 van de Awb niet zorgvuldig tot stand is gekomen. De gebreken die onder rechtsoverweging 7.5 en 9.3 van de uitspraak zijn geconstateerd zijn voor de Afdeling reden geweest om de gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem op te dragen om binnen 20 weken na de verzending van de uitspraak de omgeschreven gebreken te herstellen. Onder rechtsoverweging 7.5 oordeelt de Afdeling te onderbouwen waarom een kortere afstand dan 50 m is aangehouden tussen de uiterste grens van gronden met de bestemming 'Wonen' binnen het plangebied waar woningen kunnen komen en de grens van het agrarische bouwvlak op het perceel aan de Akkerslootpolder 1a en te bezien of het besluit van 15 juli 2019 in het licht hiervan al dan niet in stand kan blijven.

Onder rechtsoverweging 9.3 oordeelt de Afdeling alsnog in het plan te borgen, bijvoorbeeld door middel van een voorwaardelijke verplichting, dat gronden met de bestemming 'Wonen' niet eerder in gebruik genomen mogen worden dan nadat is voorzien in voldoende ruimte voor waterberging. Op basis van de tussenuitspraak van de Afdeling is het bestemmingsplan gewijzigd op de volgende punten:

•

In toelichting paragraaf 4.4 is nader onderbouwd waarom er een kleinere afstand dan 50 m is aangehouden tussen de uiterste grens van gronden met de bestemming 'Wonen' en de grens van het agrarisch bouwvlak. Hieruit blijkt dat het agrarisch bedrijf aan de Akkerslootpolder 1a niet onevenredig gehinderd wordt in zijn uitbreidingsmogelijkheden en dat ter plaatse van de beoogde woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat.

•

In toelichting paragraaf 4.9.3 is aanvullend onderbouwd op welke wijze wordt voorzien in voldoende ruimte voor waterberging. Daarnaast is in artikel 6 lid 4.3 van de regels van het voorliggende bestemmingsplan een voorwaardelijk verplichting opgenomen. Hierin is bepaald dat gronden met de bestemming 'Wonen' niet eerder in gebruik genomen mogen worden dan nadat is voorzien in voldoende ruimte voor waterberging.

Met de wijzigingen geeft de gemeenteraad gevolg aan de tussenuitspraak van de Afdeling van 31 maart 2021 met zaaknummer 201906981/1/R3. Het voorliggende bestemmingsplan is voorgelegd aan de personen die in beroep zijn gegaan tegen het besluit tot vaststelling van het vorige bestemmingsplan.

7

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie Het plangebied bevindt zich aan de oostelijke rand van de kern Oud Ade. Aan de noordzijde wordt het plangebied begrensd door de Leidseweg/Oud Adeseweg. Aan de westkant bevindt zich de weg De Kolk, die overgaat in de doodlopende Akerslootpolder. Direct ten westen van het voorliggende gebied bevindt zich de herstructureringslocatie 'Achter de Kolk', waar bedrijfsbebouwing plaats maakt voor in totaal 10 vrijstaande, twee-onder-een-kap- en rijwoningen. Het betreffen koopwoningen; de bouw start in 2018. De navolgende afbeeldingen tonen de situatie binnen het plangebied tot medio 2017. Het gaat hierbij om zeven zogenaamde 'Oostenrijkse woningen' met kleine voortuinen, aan een groene ruimte. Deze eengezinswoningen zijn in 1950 als noodwoningen gebouwd. Het gaat hierbij om woningen in houtsysteembouw. In het plangebied waren tevens een vrijstaande woning aan de Oud Adeseweg en een vrijstaande woning aan de zuidoostkant aanwezig. In totaal waren binnen het plangebied negen woningen aanwezig/toegelaten. Inmiddels is alle bebouwing binnen het plangebied gesloopt en wordt het plangebied bouwrijp gemaakt.

Voormalige situatie (bron: Bing Maps)

8

Voormalige situatie (bron: FARO Architecten)

9

2.2 Beoogde ontwikkeling Initiatiefnemer is voornemens ter plaatse van de reeds gesloopte woningen in de kern Oud Ade, 20 sociale huurwoningen te realiseren. De hoofdlijnen van het voorstel van FARO Architecten (d.d. 8 juni 2018) zijn middels een TOP-aanpak (Traject OmgevingsParticipatie) tot stand gekomen (zie ook toelichting paragraaf 7.2. Dat betreft:

•

De nieuwe ontwikkeling dient vormgegeven te worden als een in één hand ontworpen ‘buurtje’ rondom een (publiek toegankelijke) groene ruimte.

• •

Bebouwing bestaat uit meerdere volumes die architectonisch sterk familie van elkaar zijn. Lage bebouwing, maximaal twee bouwlagen waarvan de bovenste laag de uitstraling heeft van een kap.

• •

Architectonisch eigentijds maar met een duidelijke verwijzing naar de inmiddels gesloopte bebouwing.

• • •

Materialisering van de bebouwing in baksteen / hout en keramische dakpannen in rood-oranjebruintinten. Kozijnen overwegend wit uitgevoerd. Programmatisch een mix tussen eengezinswoningen en appartementen met een groter aantal appartementen voor een oudere doelgroep. Eengezinswoningen levensloopbestendig en appartementen rolstoeltoegankelijk. Parkeren zoveel mogelijk oplossen onafhankelijk van het (relatief) krappe toegangsweggetje naar de Kolk en Akkerslootpolder erachter.

Het voorstel van FARO Architecten (d.d. 8 juni 2018) omvat 5 levensloopbestendige grondgebonden woningen; een dubbele woning aan de Oud Adeseweg en een rijtje van drie woningen aan de Kolk (blokken 1 en 2 op onderstaande afbeelding). Tevens worden aan de Kolk twee blokjes met appartementen voorgesteld: 7 appartementen op de begane grond, 8 op de verdieping (blokken 3 en 4). De appartementen op de verdieping worden via een galerij ontsloten. De grondgebonden woningen hebben één laag met een kap, de appartementen krijgen twee lagen met een kap. Het voorstel omvat ook een (gezamenlijke) verblijfsruimte. Deze wordt wellicht later omgezet in een (kleine) woonruimte/studio. De stedenbouwkundige opzet en bouwstijl is mede ingegeven door de oorspronkelijk situatie: een U-vorm met een groentje in het midden, waarbij de bebouwing verwijst naar de Oostenrijkse noodwoningen. Het project is opgezet als een ensemble waarbij de verschillende blokken zijn ontworpen als 'familie' van elkaar. De twee woningen aan de noordzijde hebben om die reden dezelfde beukmaat als het rijtje van drie eengezinswoningen aan het groentje. De beukmaat voor de eengezinswoningen is bepaald door de wens om levensloopbestendige woningen te maken. Ook de wens om één laag met een kap te maken, verwijzend naar de oorspronkelijke bebouwing, is bepalend voor de beukmaat en hoogte van de eengezinswoningen.

Het plan voorziet in een parkeerterrein dat vanaf de Oud Adeseweg bereikt kan worden. Daarnaast wordt voorzien in een parkeerstrook aan De Kolk, met de intentie om deze ruimte flexibel te reserveren voor parkeren. In aanvulling daar op worden nog vier parkeerplaatsen aan de zijde van de Leidseweg gerealiseerd. Bij de inrichting van het openbare gebied zal rekening worden gehouden met de eisen die de gemeente Kaag en Braasem daar aan stelt (LIOR). Verder is er aandacht voor de benodigde watercompensatie, die plaats moet hebben.

10

De navolgende afbeeldingen tonen de beoogde nieuwe situatie en impressies van de beoogde woningbouw.

Beoogde nieuwe situatie (bron: FARO Architecten, d.d. 31-07-2018)

11

Impressie beoogde woningbouw vanaf Leidseweg (bron: FARO Architecten, d.d. 08-06-2018)

Impressie beoogde hofje (bron: FARO Architecten, d.d. 08-06-2018)

12

3 Beleidskader 3.1 Nationaal beleid 3.1.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is op 13 maart 2012 in werking getreden. In deze visie schetst het Rijk de ambities tot 2040 en de doelen, belangen en opgaven tot 2028. Daarmee moet Nederland concurrerend, bereikbaar en veilig worden. Anders dan in de Nota Ruimte gaat de structuurvisie uit van het adagium 'decentraal, tenzij'. Het rijk kiest voor een selectievere inzet van rijksbeleid op slechts 13 nationale belangen. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 13 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Afspraken over verstedelijking, groene ruimte en landschap laat het Rijk over aan de provincies en gemeenten. Gemeenten krijgen ruimte voor kleinschalige natuurlijke groei en voor het bouwen van huizen die aansluiten bij de woonwensen van mensen. Bij het beheren en ontwikkelen van natuur krijgen boeren en particulieren in het landelijk gebied een grotere rol. Om zorgvuldig ruimtegebruik te bevorderen heeft het Rijk enkel nog een 'ladder voor duurzame verstedelijking’ opgenomen. Hierdoor neemt de bestuurlijke drukte af en ontstaat er ruimte voor regionaal maatwerk. Planspecifiek toelichting paragraaf 3.1.3 gaat in op de Ladder voor duurzame verstedelijking.

De SVIR is verder niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan heeft de wetgever in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro vloeien dan ook geen specifieke randvoorwaarden voort voor onderhavig plan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede

13

4.

lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De voorgenomen herontwikkeling maakt 20 wooneenheden mogelijk op een locatie waar reeds 9 wooneenheden zijn toegestaan. Er worden netto 11 woningen toegevoegd, waarmee de ontwikkeling in dit geval wordt benaderd als stedelijke ontwikkeling. Het plangebied is reeds bestemd als woongebied en maakt daarmee onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied, zoals tevens aangegeven in de Visie Ruimte en Mobiliteit (zie toelichting paragraaf 3.2.1). Voorts blijkt uit de regionale woonagenda (toelichting paragraaf 3.3.2) dat de nieuwe woningen in kwalitatieve en kwantitatieve zin passen binnen de actuele regionale behoefte aan woningen voor ouderen en kleine huishoudens. Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.

14

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Visie Ruimte en Mobiliteit Provinciale Staten van de provincie Zuid-Holland hebben op 30 mei 2018 Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) Actualisering 2018 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is de geconsolideerde versie in werking getreden. In deze visie signaleert de provincie de structurele veranderingen in samenleving, economie en milieu. De voorspelbaarheid van nieuwe ontwikkelingen vermindert, demografische ontwikkelingen verschillen en de regionale economie internationaliseert en is kwetsbaar voor externe schokken. Tegelijkertijd gaan technologische innovaties snel en kunnen oplossingen in beeld brengen die nu nog onhaalbaar lijken. Deze tijd vraagt om maatwerk, flexibiliteit en aanpassingsvermogen. De economische, technologische en demografische ontwikkelingen werken door in de wijze waarop mensen en bedrijven de ruimte en het mobiliteitsnetwerk gebruiken. De provincie wil aansluiten op de bestaande en toekomstige dynamiek door waar mogelijk flexibiliteit in regelgeving te bieden. De Visie Ruimte en Mobiliteit is opgesteld vanuit de gedachte dat regels en kaders van de overheid nodig blijven, maar niet nodeloos mogen knellen. De Visie Ruimte en Mobiliteit biedt geen vastomlijnd ruimtelijk eindbeeld, maar wel een perspectief voor de gewenste ontwikkeling van Zuid-Holland als geheel. De gewenste ontwikkeling is verwoord in vier rode draden:

• • • •

beter benutten en opwaarderen van wat er is; vergroten van de agglomeratiekracht; verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit; bevorderen van een water- en energie-efficiënte samenleving.

Voor de bebouwde ruimte streeft de provincie naar een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied. Onder 'bebouwde ruimte' wordt het stelsel verstaan van de stedelijke agglomeratie, het systeem van kernen en linten en het logistiek-industrieel systeem. De provincie zet ten eerste in op verdichting, concentratie en specialisatie binnen het bestaand stads- en dorpsgebied en ten tweede op een hiërarchie van knooppunten en centra met een goede onderlinge bereikbaarheid. Tegelijkertijd is er het streven om de leefkwaliteit in die bebouwde ruimte te verbeteren. Dit beleid voorziet in de maatschappelijke vraag naar betaalbare woningen nabij (stedelijke) voorzieningen, waaronder hoogwaardig openbaar vervoer. In gebieden met een eenzijdige samenstelling van functies en bevolking, vormen herstructurering, stedelijke transformatie en functiemenging een belangrijke opgave. Zo wil de provincie sociaal-ruimtelijke segregatie tegengaan. De provincie wil op verschillende manieren bijdragen aan het beter benutten van de bebouwde ruimte. Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening hanteren gemeenten de 'ladder voor duurzame verstedelijking' om de keuze voor en situering van nieuwe woon- en werklocaties te verantwoorden.

De provincie bevordert de consequente toepassing van de ladder door deze op te nemen in de Verordening ruimte en daarbij een aantal begrippen te verhelderen. Een van die begrippen is het 'bestaand stads- en dorpsgebied' (BSD). De provincie verstaat daaronder: ‘het bestaand stedenbouwkundig stelsel van bebouwing, met inbegrip van daartoe bouwrijp gemaakte terreinen, ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid (uitgezonderd glastuinbouw), detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. Volgens de ladder voor duurzame verstedelijking moet nieuwe stedelijke ontwikkeling primair plaatsvinden binnen het BSD. Het plangebied ligt binnen het BSD. Vanuit het besef dat stad en land één leefomgeving vormen met elkaar aanvullende kwaliteiten, kent deze Visie Ruimte en Mobiliteit een indeling in functionele hoofdstukken. Het hoofdstuk 'Mobiliteit en bebouwde ruimte' geeft uitwerking aan de eerste en tweede rode draad. Het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit (derde rode draad) komt hoofdzakelijk tot uiting in het hoofdstuk 'Kwaliteit van landschap, groen en erfgoed’ en het bevorderen van de transitie naar een water- en energie-efficiënte samenleving hoofdzakelijk bij ‘Water, bodem en energie’.

15

De verschillende onderdelen zijn samengevat weergegeven op een kaart met de volgende vier kaartlagen:

• • • •

laag van de ondergrond; laag van de cultuur- en natuurlandschappen; laag van de stedelijke occupatie; laag van de beleving.

Planspecifiek Met betrekking tot het plangebied zijn de kaartlagen 'Laag van de ondergrond', 'Laag van de cultuur- en natuurlandschappen' en 'Laag van de stedelijke occupatie' van belang. Navolgend wordt op deze lagen nader ingegaan. Laag van de ondergrond Uit raadpleging van de kaartlaag van de ondergrond blijkt dat het plangebied in een veengebied ligt. De ondergrond (eerste laag) wordt gevormd door veen. Het veen kent een geringe draagkracht en is daarnaast zeer gevoelig voor bodemdaling. Ontwikkelingen in het veenlandschap dragen zorg voor het behoud van het veen en zijn gericht op het beperken van bodemdaling. De voorgenomen ontwikkeling betreft een dermate kleinschalige ontwikkeling - in feite wordt de bestaande bebouwing opnieuw opgericht - dat deze geen nadelige invloed zal hebben op het veengebied of zal zorgen voor extra bodemdaling. Het plangebied valt tevens binnen gronden met de aanduidingen 'Bijzonder reliëf' en 'Oude stroomgordels en geulafzettingen' vanwege de ligging binnen de beschermingszone van de rivier de Oude Aa. In dit kader heeft er overleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap van Rijnland, toelichting paragraaf 4.9 gaat hier nader op in. Laag van de cultuur- en natuurlandschappen Onderhavig plangebied valt binnen het 'Droogmakerijlandschap' en ligt aan de dijk van de Oude Aa.

Gezien de stedelijke ligging van het plangebied en de herstructurering van bebouwd gebied doet de voorgenomen ontwikkeling geen afbreuk aan de kenmerken van het landschap. Laag van de stedelijke occupatie De planlocatie valt binnen een gebied aangeduid als 'steden en dorpen'. Bij ruimtelijke ontwikkelingen in dit gebied wordt aandacht gevraagd voor het behouden of versterken van de identiteit en gebruikswaarde van stads- en dorpsgebied. De voorgenomen ontwikkeling levert een bijdrage aan een vitale kern door ter plaatse van de verouderde woningbouw, nieuwbouw te realiseren. De binnenstedelijke ontwikkeling doet geenszins een afbreuk aan de identiteit van de kern Oude Ade. 3.2.2 Verordening Ruimte Tegelijk met de Visie Ruimte en Mobiliteit (VRM) hebben Provinciale Staten van Zuid-Holland ook de Verordening Ruimte 2014 vastgesteld. Op 29 juni 2018 is een geactualiseerde versie van de verordening in werking getreden. In de verordening stelt de provincie regels aan ruimtelijke ontwikkelingen. De Verordening ruimte draagt bij aan het realiseren van de provinciaal ruimtelijke beleid zoals dat benoemd is in de VRM. De verordening omvat in aanvulling op de VRM toetsbare criteria waaraan planvorming moet voldoen. Uitgangspunt van de strategie voor de bebouwde ruimte is betere benutting van het bestaand stads- en dorpsgebied (BSD).

Stedelijke ontwikkeling vindt daarom primair plaats binnen BSD. Niet alle vraag naar wonen en werken kan en hoeft te worden opgevangen binnen BSD. De ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) bevat het handelingskader. De provincie heeft in artikel 2.1.1 een verwijzing naar de ladder voor duurzame verstelijking opgenomen in de verordening, om het provinciaal belang bij toepassing van deze ladder te benadrukken.

16

Lid 1 Stedelijke ontwikkeling 'Een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, voldoet aan de volgende eisen: a.

b.

de toelichting van het bestemmingsplan gaat in op de toepassing van de ladder voor duurzame verstedelijking overeenkomstig artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening; indien in de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling niet binnen bestaand stads- en dorpsgebied kan worden voorzien en voor zover daarvoor een locatie groter dan 3 hectare nodig is, wordt gebruik gemaakt van locaties die zijn opgenomen in het Programma ruimte.'

Planspecifiek Artikel 2.1.1 lid 1 van de Verordening Ruimte stelt dat een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt aan een tweetal eisen moet voldoen. Dat betreft de zogenaamde ladder voor duurzame verstedelijking, waarbij verwezen wordt naar artikel 3.1.6, tweede, derde en vierde lid van het Besluit ruimtelijke ordening. In toelichting paragraaf 3.1.3 is de voorgenomen ontwikkeling reeds getoetst aan de betreffende ladder. Tevens valt de onderhavige ontwikkeling niet onder bepaling b. Voorts zijn in dit kader de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit, waarop in toelichting paragraaf 3.2.3 nader wordt ingegaan, van belang. Gesteld kan worden dat het initiatief past binnen de doelstellingen van de Verordening Ruimte, 3.2.3 Gebiedsprofiel Hollands Plassengebied Het gebiedsprofiel staat tussen de kwaliteitskaart van de structuurvisie en bijvoorbeeld een beeldkwaliteitplan van de gemeente. Begin 2012 is het gebiedsprofiel ‘Hollands Plassengebied’ vastgesteld door Gedeputeerde Staten en vormt een handreiking om de ruimtelijke kwaliteit mee te nemen in de ruimtelijke planvorming. Het profiel is een gezamenlijk vertrekpunt ten aanzien van de karakteristiek, de ruimtelijke kwaliteit en de ambitie voor dit specifieke gebied.

Het profiel verbeeldt en beschrijft wat wordt verstaan onder ‘ruimtelijke kwaliteit’, welke elementen aan die kwaliteit ten grondslag liggen in relatie tot de kwaliteitskaart en hoe sturing gegeven kan worden aan behoud en ontwikkeling van ruimtelijke kwaliteit. Het gebiedsprofiel is opgebouwd uit 13 elementen. Voor het plangebied zijn met name de elementen 'droogmakerij met veen in de ondergrond', 'kwaliteit van stads- en dorpsgebied' en 'Water als structuurdrager' van belang. Droogmakerij met veen in de ondergrond De droogmakerijen met veen in de ondergrond zijn droogmakerijen van veenplassen waar het veen niet geheel was afgegraven en waar nog veen in de ondergrond aanwezig is (het zogenaamde restveen). Bij ontwikkelingen gelden de volgende ambities:

•

De droogmakerij blijft herkenbaar als een polderentiteit met een rationele opzet, begrensd door hooggelegen dijken.

•

Openheid, maat, schaal, kavelrichting en structuur van de polder dienen herkenbaar aanwezig te blijven.

•

Het waterrijke, meer kleinschalige karakter en de minder draagkrachtige bodem vragen om een terughoudende en subtielere omgang met de landschappelijke kenmerken (in vergelijking met de droogmakerijen zonder restveen). Schaalvergroting ligt hier minder voor de hand.

•

Watergangen dienen waar mogelijk te worden voorzien van ecologisch interessante oevers om de biodiversiteit te verhogen.

•

Nieuwe eenvoudige recreatieve verbindingen door het gebied zijn gewenst.

Water als structuurdrager Het plangebied is deels gelegen op de dijk van de Oude Aa, een provinciale waterweg. Kenmerkend voor de Hollandse Plassen zijn de vele oude vaarwegen in dit gebied, die ook nu nog een belangrijke functie voor de beroepsvaart en recreatieve vaart kennen. De ambities die worden genoemd zijn echter niet direct van toepassing op het plangebied omdat deze niet aan het water ligt.

17

Kwaliteit van stads- en dorpsgebied - Dorp De dorpen in het Hollands Plassengebied verschillen in oorsprong, stedenbouwkundige opzet en grootte. Deze verscheidenheid is nog herkenbaar. Het grootste oppervlak van de dorpen bestaat uit uitbreidingen die na 1950 zijn gerealiseerd. Bij ontwikkelingen gelden de volgende (relevante) ambities:

•

het ontwikkelen van een heldere overgang en voorkomen van onduidelijke situaties aan de randen (verrommeling);

•

het ontwikkelen van zorgvuldig vormgegeven markante punten bij de entree, passend bij de identiteit, schaal en karakter van zowel het landschap als van het dorp;

•

cultuurhistorisch waardevolle gebouwen worden behouden door ze waar mogelijk een functie te geven die aansluit bij de behoeften van deze tijd.

Planspecifiek Met de herstructurering van het gebied wordt een impuls gegeven aan de kwaliteit. Ter plaatse van de reeds gesloopte woningen komen nieuwe appartementen en woningen geschikt voor ouderen. Deze bebouwing sluit beter aan op de actuele lokale woningbehoefte. De gebouwen krijgen de karakteristieken die passen in het dorp; één tot twee lagen met kap, waarbij de structuur aan de Oud Adeseweg wordt aangeheeld met twee grondgebonden woningen in één laag met een kap. De overige grondgebonden woningen en de appartementen zijn gegroepeerd rondom een groene ruimte, waarbij de appartementen ook buitenruimten aan het open landschap hebben. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling een bijdrage levert aan de ambities die gesteld worden in het gebiedsprofiel Hollands Plassengebied.

18

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Regionale Structuurvisie Holland Rijnland 2020 De kern Hoogmade maakt onderdeel uit van de regio Holland Rijnland, waarvoor de betrokken gemeente gezamenlijk een visie hebben ontwikkeld om te werken aan de toekomst van deze regio. De regio wil op de scharnierplek tussen de Noord- en Zuidvleugel van de Randstad een gebied zijn waar wordt gewerkt aan kwaliteit en waar het goed wonen, werken en recreëren is, met een uitstraling die verder gaat dan de regio- of landsgrenzen. De Regionale Structuurvisie geeft de grote lijnen weer van de door gewenste richting en duidt de grote projecten aan waar de deelnemende gemeenten aan willen werken. De Regionale Structuurvisie is een product van intensieve samenwerking van de vijftien gemeenten in Holland Rijnland. Ze laat zien hoe sterk de gezamenlijke gemeenten kunnen zijn en hoe belangrijk het is dat deze met elkaar de toekomst ingaan. De visie levert een bijdrage aan het denken over de toekomst van de Randstad. In deze Regionale Structuurvisie van Holland Rijnland wordt inzicht gegeven in de ruimtelijke ontwikkelingen tot 2020 (met doorkijk naar 2030). Op basis van deze visie worden de onderstaande zeven kernbeslissingen geformuleerd. Deze kernbeslissingen geven de belangrijkste keuzes weer: a. b. c. d. e. f. g.

Holland Rijnland is een top woonregio; Leiden vervult een regionale centrumfunctie; Concentratie stedelijke ontwikkeling; Groen-blauwe kwaliteit staat centraal; Het Groene Hart, de Bollenstreek en Duin, Horst en Weide blijven open; Twee speerpunten voor economische ontwikkeling: kennis en Greenports; Verbetering van de regionale bereikbaarheid.

Planspecifiek Voorliggend ruimtelijk plan is gerelateerd aan de punten a en c en past binnen deze kernbeslissingen. 3.3.2 Regionale woonagenda Holland Rijnland 2017 In de Regionale Woon Agenda 2017 'Kwaliteit voor kwantiteit' voor de regio Holland Rijnland (vastgesteld op 14 maart 2018) is de kwalitatieve koers voor woningmarkt op regionaal, subregionaal en lokaal niveau geschetst. De regionale woonagenda helpt gemeenten bij de afstemming van woningbouw op de ruimtelijke ontwikkeling van de regio en vormt een onderbouwing voor plannen in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking. In de regio Holland Rijnland is snel vraag naar meer woningen die kwalitatief aansluiten bij de veranderende bevolkingssamenstelling. Om aan deze ambitie te kunnen voldoen en tegelijkertijd de woonaantrekkelijkheid van de regio te behouden heeft de regio Holland Rijnland de volgende keuzes gemaakt: 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9.

tempoversnelling noodzakelijk, zeker voor de korte termijn; groei vraagt goede ruimtelijke ordening, balans tussen inbreiding en uitbreiding met prioriteit voor inbreiding; een kwalitatief programma dat borgt dat verdringing beperkt is; bevorderen doorstroming voor een betere werking van de woningmarkt; een programma dat recht doet aan de behoefte aan verschillende woonmilieus, centrumstedelijk, suburbaan en dorps/landelijk; groeien met aandacht voor duurzaamheid en bodemdaling; langer zelfstandig wonen met zorg faciliteren; bereikbaar bouwen; solidariteit.

19

Planspecifiek Het voorgenomen plan heeft hoofdzakelijk een positieve invloed op de keuzes 1, 2, 4, 5, 6, 7 en 9. Het plan draagt bij aan (1) de kwantitatieve behoefte. Daarbij levert het een bijdrage aan de (4) doorstroming. De ontwikkeling betreft tevens een (2) inbreidingsmogelijkheid, waarmee de druk op het landschap afneemt. De (5) kleinschaligheid van de bebouwing, één laag met een kap tot twee lagen, sluit aan op de omgeving. Voorts wordt aangesloten op punt 6. De woningen worden gasloos gerealiseerd en voorzien van zonnepanelen. Daarnaast wordt dankzij de keuze voor levensloopbestendige woningen aangesloten op de punten 7 en 9. Er is volgens de regionale woonagenda in de periode 2017-2030 vraag naar circa 1.000 extra woningen. Het toevoegen van sociale woningbouw voor kleine huishoudens en ouderen wordt letterlijk genoemd als ambitie in de woonagenda. Het volgende wordt gesteld: door de vergrijzing 'ontstaat behoefte aan een nieuw segment in de woningvoorraad; klein, slim, toekomstgericht en comfortabel wonen, overigens niet alleen voor ouderen maar ook voor andere gemaksgerichte kleine huishoudens'. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in kwalitatieve en kwantitatieve zin voorziet in de woningbehoefte.

20

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie 2025 De gemeenteraad van de gemeente Kaag en Braassem heeft op 12 december 2011 de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV) vastgesteld. De MRSV is de gemeentelijke visie op de maatschappelijke en ruimtelijke ontwikkeling in het jaar 2025. Op 18 december 2017 heeft de gemeenteraad de actualisatie van de Maatschappelijk Ruimtelijke Structuurvisie (MRSV 2017) vastgesteld. Per thema is de voorgaande visie aangepast op het meest actuele beleid. Ook de dorpsperspectieven zijn, op basis van bijeenkomsten in de dorpen, opnieuw in uitgebreidere vorm opgesteld. De geactualiseerde MRSV gaat uit van een horizon van acht jaar; de toekomstige ontwikkelingen tot 2025. De MRSV integreert het beleid vanuit verschillende beleidssectoren tot een logisch en samenhangend geheel. De MRSV biedt een beleidslijn op hoofdlijnen vanuit de gedachte dat de gemeente zich niet (meer) tot in detail met alles gaat bemoeien. Voor zaken en activiteiten waar de gemeente de komende jaren nog wel een duidelijke verantwoordelijkheid heeft of wil hebben, moet aanvullend beleid worden ontwikkeld. Voor dit aanvullende beleid geldt de MRSV als basis. De MRSV is in lijn gebracht met de beleidsdoelen van het Rijk en de provincie. Op regionale schaal zijn de beleidsdoelen van Holland Rijnland in deze MRSV geïntegreerd.

Ook het Hoogheemraadschap van Rijnland staat de komende jaren voor enkele grote opgaven, met name op het gebied van waterberging, waarbij zij nauw samenwerkt met de gemeente. De gemeente maakt in de MRSV vier strategische keuzes: 1. 2. 3.

4.

delen verantwoordelijkheid; de gemeente neemt niet meer zelf initiatief, maar faciliteert. wonen in alle kernen; aandacht voor de samenstelling van de woningmarkt door diverse veranderingen, met oog voor de eigen kracht en karakter van elke kern. ruimtelijke kwaliteit belangrijk, maar staat niet altijd voorop; sturing op een goede ruimtelijke ordening met aandacht voor kwetsbare gebieden, duurzaamheid en een goede afweging per potentiële ruimtelijke ontwikkeling. ontwikkelen door beheer; de focus komt steeds meer te liggen op de ontwikkeling van kleinschalige herstructureringen binnen de bestaande woonomgeving.

Planspecifiek Het plangebied ligt in de kern Oud Ade. Deze kern is aangewezen aan inbreidingslocatie. Onderhavige herontwikkeling wordt concreet benoemd als woningbouwinitiatief. Wat betreft de invulling van het gebied wordt het volgende gesteld: 'Het is van belang dat alle doelgroepen die een huis zoeken worden bediend. De woningmarktanalyse en de Woonagenda geven de behoefte aan, met speciale aandacht voor het bevorderen van doorstroming'. De beoogde ontwikkeling sluit aan op de Woonagenda zoals beschreven in toelichting paragraaf 3.3.2 en levert een bijdrage aan doorstroming. Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met het gestelde in de MRSV.

21

3.4.2 Nota Inbreidingslocaties

Op 7 februari 2011 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem de Nota Inbreidingslocaties vastgesteld. De ‘nota Inbreidingslocaties’ heeft als doel om een ruimtelijk beleidskader te bieden aan woningbouwinitiatieven binnen de rode contour. Hierdoor worden deze uniform en transparant beoordeeld. Er wordt in de nota een beschrijving gegeven van de bestaande stedenbouwkundige situatie en kwaliteiten binnen elke kern. Uitgangspunt is om nieuwe initiatieven aansluiting te laten vinden bij deze bestaande situatie en kwaliteiten. Hiervoor wordt een afwegingskader gegeven, waardoor ruimtelijke beslissingen gemotiveerd kunnen worden genomen. Dit leidt tot een duurzame ruimtelijk/functionele ontwikkeling van de locaties zelf en de kern als geheel. De nota geeft geen kant en klaar antwoord op de wenselijkheid van een initiatief. De beschreven gebiedskenmerken en samenhangende waardeoordelen gelden als basis voor het verdere onderhandelings- en ontwerptraject bij ruimtelijke ontwikkelingen. Het kader biedt de gemeente enerzijds houvast om te kunnen sturen op kwaliteit, maar zorgt anderzijds ook voor flexibiliteit om in te kunnen spelen op (markt)ontwikkelingen. Planspecifiek Het plangebied valt onder het lint Leidseweg/De Kolk. Belangrijk bij ontwikkelingen in dit gebied is dat er meer samenhang ontstaat met de omgeving en de rivier de Oude Ade.

Onder voorbehoud van deze samenhang zijn richtlijnen gegeven voor ontwikkelingen aan de Kolk: Bij het ontwerp wordt aangesloten op onder andere de gestelde nokrichting en situering op de kavel. Voorts sluit de beoogde massa van de bebouwing aan op de omgeving. Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling, voor zover relevant, aansluit op de gebiedsspecifieke eisen zoals benoemd in de Nota Inbreidingslocaties.

22

3.4.3 Welstandsnota Op 6 september 2010 heeft de gemeenteraad van Kaag en Braassem een nieuwe welstandsnota vastgesteld. De welstandsnota bevat de basisvoorwaarden waaraan bouwaanvragen op welstandsaspecten getoetst zullen worden en het legt voor bepaalde gebieden beoordelingskaders vast. Dit is opgesteld vanuit een visie op de toekomst van het gebied en vanuit een beeld van aanwezige waarden. Er zijn criteria benoemd die bijdragen dat de toekomstige bebouwing past in de omgeving. De gemeentelijke welstandsnota richt zich daarmee op bestaande karakteristieken. In het welstandsbeleid heeft de initiatiefnemer veel vrijheid. Dit betekent dat er in principe geen welstandstoets wordt gedaan, met uitzondering van de monumenten en beschermde dorpsgezichten. Uitgangspunt voor het welstandsbeleid is dat de cultuurhistorisch waardevolle gebouwen en gebieden beschermd worden. Alle bouwwerken aan- of bij (het perceel van) een monument of in een beschermd dorpsgezicht zijn vergunningsplichtig. Deze vergunningsplichtige gebieden zijn weergegeven op de welstandskaart. Planspecifiek Het plangebied is gelegen in welstandsluw gebied en is geen onderdeel van een beschermd dorpsgezicht. Ook behoren de bestaande panden binnen het plangebied niet tot de gemeentelijke- of rijksmonumenten. Een nadere toetsing aan het welstandsbeleid is dan ook niet nodig.

Uiteraard zal bij de verdere uitwerkingen wel aandacht zijn voor de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing, zoals ook omschreven in toelichting paragraaf 2.2.

23

4 Milieu- en omgevingsaspecten In een bestemmingsplan moet aandacht worden besteed aan milieu- en omgevingsaspecten. Van belang is te weten of een planvoornemen in overeenstemming is met wettelijke normen. Er wordt aandacht besteed aan de volgende thema's: 1. Milieueffectenrapportage; 2. bodem; 3. geluid; 4. milieuzonering; 5. luchtkwaliteit; 6. externe veiligheid; 7. flora en fauna; 8. archeologie en cultuurhistorie; 9. waterhuishouding; 10. verkeer en parkeren.

4.1 Milieueffectenrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

•

De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

24

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. Onderhavig plan maakt slechts de (netto) toevoeging van 11 wooneenheden mogelijk. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r.. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent voorliggend bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het bestemmingsplan.

Op basis van deze plantoelichting, welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. De Omgevingsdienst zal hiertoe een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen.

4.2 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Het plangebied heeft in het vigerend bestemmingsplan reeds een woonbestemming. De beoogde ontwikkeling betreft daarmee geen wijziging naar een strenger bodemgebruik. Desondanks is er in het kader van een goede ruimtelijke ordening ter plaatse van de bestaande woningen een bodemonderzoek uitgevoerd (SGSSearch, d.d. 23 november 2017, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1). Uit het onderzoek blijkt dat de bovengrond licht verontreinigd is met koper, molybdeen, kwik en lood. In de ondergrond zijn lichte verontreinigingen met koper en lood aangetroffen.

Verder zijn in het grondwater licht verhoogde gehaltes aan barium en kwik gemeten.

25

Op basis van de resultaten van het onderzoek wordt geconcludeerd dat de opgestelde hypothese “niet verdachte locatie” strikt genomen niet juist is. Gezien de relatief lage gehalten en de huidige c.q. toekomstige bestemming van de locatie is er echter geen aanleiding tot het verrichten van vervolgonderzoek met een aangepaste hypothese. Op basis van de uitkomsten van het onderzoek hoeven er vanuit milieuhygiënisch oogpunt gezien, ter plaatse van de bestaande bebouwing, geen beperkingen te worden gesteld aan de voorgenomen herontwikkeling van de locatie. De gronden die in het geldende bestemmingsplan de bestemming 'Groen' hebben en waar nu deels gebouwd gaat worden, zijn niet in het hiervoor genoemde onderzoek meegenomen. Omdat deze gronden niet verdacht zijn op de aanwezigheid van bodemverontreiniging is het uitvoeren van een bodemonderzoek in het kader van het bestemmingsplan niet nodig. In het kader van de aanvraag Omgevingsvergunning voor de nieuwbouw van de woningen zal nog een aanvullend bodemonderzoek uitgevoerd worden ter plaatse van de nog niet onderzochte percelen.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);

•

andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. De meest voorkomende vorm van geluidhinder is degene die wordt veroorzaakt door het wegverkeer. Zo stelt de wet dat in principe de geluidsbelasting op woningen de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet mag overschrijden. De voorkeursgrenswaarden is de waarde die zonder meer kan worden toegestaan. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wet geluidhinder de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van alle wegen, met uitzondering van 30 km/uur wegen, op een bepaalde afstand van de geluidsgevoelige functie(s). Indien na akoestisch onderzoek blijkt dat de grenswaarden van de gevelbelasting worden overschreden dient er een ontheffing te worden verkregen via een hogere voorkeursgrenswaarde procedure. De maximale ontheffingswaarde voor nieuw te bouwen woningen in stedelijk gebied is 63 dB. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling gaat uit van het netto toevoegen van 11 wooneenheden (9 sloop, 20 nieuwbouw).

De toe te voegen wooneenheden zijn in het kader van de Wet geluidhinder aan te merken als gevoelig object. Het plangebied is gelegen aan de wegen De Kolk en de Leidseweg/Oud Adeseweg. Ter hoogte van het plangebied is de rijsnelheid van De Kolk en Oud Adeseweg 30 km/uur. Buiten de bebouwde kom bedraagt de rijsnelheid van de Oud Adeseweg eerst 50 km/uur en daarna 60 km/uur. Omdat de geluidzone niet direct eindigt bij de overgang van 50 naar 30 km/uur weggedeelte, maar nog over een gelijke afstand doorloopt, ligt een aantal nieuwe woningen binnen de geluidzone van de Oud Adeseweg. Dit houdt in dat getoetst moet worden aan de Wet geluidhinder. De Omgevingsdienst West-Holland heeft een indicatieve berekening gemaakt van de geluidbelasting op de gevel als gevolg van het verkeer op het 50 en 60 km/uur-weggedeelte van de Oud Adeseweg. Uit deze

26

berekening blijkt dat de geluidbelasting niet meer dan 48 dB bedraagt. Dit betekent dat voldaan wordt aan de voorkeurswaarde van de Wet geluidhinder. Bovendien was in de bestaande situatie reeds sprake van een woonbestemming aan de Leidseweg/Oud Adeseweg. Eveneens blijkt dat de totale geluidbelasting (inclusief 30 km/uur wegen) niet meer zal bedragen dan circa 51 dB zodat hiermee sprake is van aanvaardbaar woon- en leefklimaat in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Gelet op de uitkomsten van deze indicatieve berekeningen is een verdere toetsing aan de Wet geluidhinder niet nodig. In de omgeving van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen of spoorwegen gelegen. Geconcludeerd kan worden dat er geen belemmeringen zijn wat betreft geluid.

4.4 Milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

•

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=KaagenBraassem&id=0b808eb8-0a95-499a-b9ff-649662ddf383