2021.07.22 BP Achterwetering 8 Oud Ade incl. bijlagen
Tekst van het document
Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
Gemeente Kaag en Braassem
Planstatus:
vastgesteld
Identificatiecode:
NL.IMRO.1884.BPAchterwetering8-VAS1
Datum:
26 april 2021
Contactpersoon Plannen-makers:
Dhr. C. Vaartjes en mevr. H.N.E. de Roos
Kenmerk Plannen-makers:
PM20017
Opdrachtgever:
Stal Zwetsloot
Plannen-makers Europalaan 500 3526 KS Utrecht www.plannen-makers.nl BTW id: NL002150639B90 KvK nummer: 59112751
Pagina 2 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
Inhoudsopgave 1
Inleiding ........................................................................................................................................... 4 Aanleiding en doelstelling ........................................................................................................ 4 Leeswijzer ................................................................................................................................ 4
2
Het plan ........................................................................................................................................... 5 Ligging van het plangebied ...................................................................................................... 5 Beschrijving plan...................................................................................................................... 6
3
Beleidsmatige onderbouwing .......................................................................................................... 9 Inleiding ................................................................................................................................... 9 Rijksbeleid ............................................................................................................................... 9 Provinciaal en Regionaal beleid ............................................................................................ 11 Gemeentelijk beleid ............................................................................................................... 15
4
Milieutechnische uitvoerbaarheid .................................................................................................. 18 Milieueffectrapportage ........................................................................................................... 18 Bedrijven en milieuzonering .................................................................................................. 19 Geurhinder ............................................................................................................................. 20 Geluidhinder .......................................................................................................................... 20 Ecologie ................................................................................................................................. 21 Bodemkwaliteit....................................................................................................................... 23 Luchtkwaliteit ......................................................................................................................... 23 Externe Veiligheid .................................................................................................................. 24 Archeologie en cultuurhistorie ...............................................................................................
26 Waterhuishouding .................................................................................................................. 28 Verkeer en Parkeren ............................................................................................................. 30
5
Juridische planbeschrijving ............................................................................................................ 31 Plansystematiek..................................................................................................................... 31 Opzet van de regels .............................................................................................................. 31 De bestemmingen.................................................................................................................. 32
6
Maatschappelijke en economische uitvoerbaarheid...................................................................... 33 Economische uitvoerbaarheid ............................................................................................... 33 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ......................................................................................... 33
7
Bijlage ............................................................................................................................................ 34
Pagina 3 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
1 Inleiding Aanleiding en doelstelling Aan de Achterwetering 8 te Oud Ade ligt paardenhouderij Stal Zwetsloot. De eigenaar wil een nieuwe schuur realiseren achter de bestaande bebouwing op het perceel ten behoeve van een efficiëntere bedrijfsvoering. Deze nieuwbouw valt echter buiten de grenzen van het huidige bouwvlak. In overleg met de gemeente is bepaald dat de beoogde schuur planologisch enkel toegestaan wordt als het bouwvlak aangepast wordt, waarbij vergroting van het bouwvlak niet toegestaan wordt. Het planvoorstel houdt daarom de aanpassing van het bouwvlak in zodat de nieuwbouw binnen het bouwvlak valt. De totale oppervlakte van het bouwvlak blijft even groot, alleen wordt de vorm dusdanig aangepast dat de gewenste kapschuur te realiseren is binnen dit nieuwe bouwvlak. Het niet-bebouwde deel in het oude bouwvlak is verplaatst naar de achterzijde van het perceel waar de nieuwbouw gerealiseerd wordt. De gemeente heeft in de brief, met kenmerk 15481, aangegeven positief te staan tegenover het verzoek om de vorm van het bouwvlak te wijzigen. Daarnaast is het feitelijk gebruik niet in overeenstemming met het vigerende bestemmingsplan. De afgelopen jaren is er een omschakeling gemaakt van fokpaarden naar meer rusthuispaarden vanwege het vermoeden van de aanwezigheid van grass sickness.
Een volwaardige paardenhouderij als zodanig is niet als een bestemming in het bestemmingsplan opgenomen en de definitie van volwaardig agrarisch bedrijf zoals vastgesteld in 2013 is niet toereikend voor de huidige situatie. In overeenstemming met het agrarisch advies van Adviesbureau Clevin wordt daarom uitgegaan van een verruimde agrarische bestemming in navolging van een productiegerichte paardenhouderij. In het bestemmingsplan wordt een productiegerichte paardenhouderij, in het specifiek een paardenfokkerij, als agrarisch bedrijf gedefinieerd. Het gebruik betreffende pensionstalling en paardenrusthuis is een planologische vervolgfunctie van het agrarisch bedrijf. Om het huidige gebruik planologisch correct te regelen is daarom de huidige bestemming uit het vigerende bestemmingsplan overgenomen en in voorliggend bestemmingsplan is deze bestemming uitgebreid met het gebruik van paardenpension/paardenstalling en paardenhouderij. Resumerend, voorliggend plan voorziet in een bestemmingsplan om het bouwvlak in vorm te wijzigingen en het gebruik uit te breiden met een pensionstalling.
Leeswijzer Onderhavig bestemmingsplan bestaat naast deze inleiding uit een beschrijving van het beoogde plan in hoofdstuk 2. In hoofdstuk 3 wordt verantwoord waarom het plan past binnen het beleid van de gemeente. In hoofdstuk 4 wordt de milieutechnische uitvoerbaarheid van het plan toegelicht. Hoofdstuk 5 bevat de juridische planbeschrijving. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 de maatschappelijk en economische uitvoerbaarheid toegelicht. Na de toelichting volgen de regels inclusief de bijlagen en de verbeelding van het bestemmingsplan.
Pagina 4 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
2 Het plan Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen in de polders ten noordoosten van de stad Leiden in de provincie ZuidHolland. Het perceel is gelegen aan de Achterwetering 8 ten zuiden van de kern Oud Ade en ten noordwesten van Hoogmade. Op ca. 500 meter afstand loopt ten noorden de provinciale weg N445 en ten zuiden de snelweg A4. Aan de zuidoostzijde grenst het perceel aan de Achterwetering die langs een wetering loopt. Aan de overige zijden van het perceel liggen agrarische gronden. Aan de noordoostzijde ligt 100 meter verderop een agrarisch bedrijf. Aan de zuidwestzijde ligt 250 meter verderop eveneens een agrarisch bedrijf.
Figuur 1. Luchtfoto met plangebied in omgeving. Plangebied in rode cirkel. (Bron: Google Earth)
Figuur 2. Luchtfoto plangebied met in rood globaal de perceelgrens en in blauw de plangrens. (Bron: Google Earth)
Pagina 5 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
Beschrijving plan Wijziging bedrijfsactiviteiten Ten eerste wordt het vastgelegde gebruik van paardenfokkerij aangepast naar paardenpension/paardenstalling en paardenhouderij om het huidige gebruik en de planologische mogelijkheden in overeenstemming met elkaar te brengen. In 2011 is er een vergunning afgegeven voor een paardenfokkerij met 80 veulens, 20 paarden en 10 pony’s, in totaal 110 dieren. De afgelopen jaren is het aantal opfokveulens vrijwel geminimaliseerd terwijl het aantal zogenaamde rusthuispaarden of bejaarde paarden sterk is gegroeid. Een belangrijke reden voor de omschakeling naar rusthuispaarden wordt in de toekomstvisie van het bedrijf vermeld. Het bedrijf geeft aan dat de opfokpaarden regelmatig last hadden van grass sickness, wat in 95% van de gevallen tot de dood van het dier leidt. Dit treft met name jonge paarden tot 5 jaar. De laatste jaren heeft er daarom een verschuiving in bedrijfsactiviteiten plaatsvonden, mede in het kader van dierenwelzijn, naar meer oudere paarden en dan met name bejaarde paarden die niet meer geschikt zijn voor gebruik in de sport of productie. In een zogenaamd ‘paardenrusthuis’ kunnen oude en geblesseerde paarden genieten van ‘hun pensioen’. De eigenaar van het dier blijft eigenaar, maar geeft de volledige zorg voor zijn of haar paard uit handen. De medewerkers van het rusthuis nemen dus de gehele zorg over.
De eigenaar kan zijn of haar paard blijven opzoeken, echter gelden er soms vaste bezoektijden of afspraken. Een paardenrusthuis valt dan ook niet onder gebruiksgerichte paardenhouderij waar het rijden/mennen met paarden primair gericht is op de ruiter/menner, maar ligt meer in het verlengde van een productiegerichte paardenhouderij waar in hoofdzaak handelingen aan en/of met paarden worden verricht die primair gericht zijn op het voortbrengen, africhten, trainen en verhandelen van paarden. De Paardenhouderij in Omgevingsrecht stelt volgens het agrarisch advies van Adviesbureau Clevin (zie bijlage 1) dat “in de huidige praktijk de hedendaagse paardenhouderij een mengvorm is van activiteiten, hetgeen betekent, dat wanneer vastgehouden blijft worden aan het onderscheiden tussen agrarische en niet-agrarische paardenhouderijen, er aan de paardenhouderij onvoldoende ruimte wordt geboden.” De conclusie van het adviesbureau is: “het [Stal Zwetsloot] is een volwaardig agrarisch bedrijf of een volwaardige paardenhouderij met een voldoende inkomen, voltijdse arbeid en er is ruim voldoende kennis aanwezig. Het punt is dat een volwaardige paardenhouderij als zodanig niet als een bestemming in het bestemmingsplan is opgenomen en dat de definitie van volwaardig agrarisch bedrijf in 2013 vastgesteld niet toereikend is voor de huidige situatie.
We adviseren in deze situatie om, zoals ook is geadviseerd in het handboek ‘Paardenhouderij in Omgevingsrecht, Handreiking voor de praktijk, VNG en Sectorraad Paarden, 2014’, de mogelijkheid van ‘maatwerk’ te onderzoeken. Het huidige gebruik betreft paardenpension en -stalling voor revaliderende of gepensioneerde paarden (paardenrusthuis) en paarden die komen voor gedragstrainingen. Verder worden er nog enkele paarden (merries en veulens) gehouden door de eigenaars voor de fokkerij. Het aantal veulens is afgenomen van 80 naar 6 veulens. Het aantal volwassen paarden en pony’s is van 30 toegenomen naar 85, waarvan 32 paarden en 53 pony’s. In totaal worden er 91 dieren gehouden. In hoofdstuk 4 wordt in de paragrafen over milieuzonering en ecologie de milieutechnische haalbaarheid onderbouwd. Bouw veldschuur Verder wordt met voorliggend plan een vormwijziging van het bouwvlak planologisch geregeld waardoor een schuur op het vernieuwde bouwvlak kan worden gerealiseerd. Het bouwvlak blijft in oppervlakte gelijk. Voor de vormwijziging van het bouwvlak wordt onbebouwde oppervlakte aan weerszijden van het erf verwijderd en ten noorden aan het bouwvlak toegevoegd. Het bouwvlak loopt zodoende in de nieuwe situatie 47,5 m verder naar achteren door. Pagina 6 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
De te realiseren schuur (kapschuur) is 30 bij 40 meter en heeft daarmee een oppervlakte van 1.200 m2. In de schuur is ruimte voor opslag van o.a. materieel en stro, een werkplaats en een loopstal met vrije uitloop. De noodzaak van dit bedrijfsgebouw buiten de huidige agrarische bouwkavel wordt om een aantal redenen onderschreven in het onderzoek van Adviesbureau Clevin (zie bijlage 1), zoals uit oogpunt van continuïteit en brandveiligheid.
Figuur 3. Bestaande situatie met in geel het bestaande bouwvlak. In kruisvlak de geplande schuur. (Bron: Verbij)
Pagina 7 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
Figuur 4. Beoogde situatie met in geel het in vorm gewijzigde bouwvlak. (Bron: Verbij)
Figuur 5. Zoom op schuur. (Bron: Verbij)
Pagina 8 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
3 Beleidsmatige onderbouwing Inleiding Op 1 juli 2008 is de nieuwe Wet ruimtelijke ordening (Wro) in werking getreden. Deze gaat uit van een scheiding tussen beleid en normstelling (juridische verankering). Het beleid wordt opgenomen in structuurvisies. Normstelling vindt plaats in het bestemmingsplan en/of in algemene regels die overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Streekplannen en planologische kernbeslissingen zijn vanaf 1 juli 2008 gelijkgesteld aan structuurvisies. Het overgangsrecht van de Wro regelt dat concrete beleidsbeslissingen van Rijk en provincie overgenomen moeten worden in bestemmingsplannen. Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet in werking. De Omgevingswet staat voor een goede balans tussen het benutten en beschermen van de fysieke omgeving. De Omgevingswet bundelt wetgeving en regels voor ruimte, wonen, infrastructuur, milieu, natuur en water. De nieuwe wet zorgt voor minder en overzichtelijkere regels, een samenhangende benadering van de leefomgeving, ruimte voor lokaal maatwerk en betere en snellere besluitvorming. In anticipatie op de nieuwe wet worden bestaande ruimtelijke plannen omgezet naar omgevingsplannen. Wanneer mogelijk zal in dit beleidshoofdstuk alvast gebruik gemaakt worden van (ontwerp) omgevingsplannen. In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het geldende beleidskader dat relevant is voor het plangebied.
Paragraaf 3.2 belicht het rijksbeleid. Het provinciaal/regionaal beleid wordt weergegeven in paragraaf 3.3 en het gemeentelijk beleid in paragraaf 3.4.
Rijksbeleid 3.2.1 Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. De structuurvisie is de opvolger van de Nota Ruimte en de Nota mobiliteit. Het Rijk kiest daarin een aantal doelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): • vergroten van de concurrentiekracht van Nederland door het versterken van de ruimtelijkeconomische structuur van Nederland; • verbeteren en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat; • waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn. Voorts benoemt het Rijk 13 nationale belangen. Deze belangen zijn gelijkwaardig aan elkaar en beïnvloeden elkaar onderling. In de SVIR is een eerste integrale afweging gemaakt van deze belangen. Dit heeft als gevolg dat het Rijk in gebieden of projecten een gebieds- of project specifieke afweging zal maken. Indien nodig maakt het Rijk duidelijk welke nationale belangen voorgaan. Nationale Omgevingsvisie De omgevingsvisie is een instrument van de Omgevingswet. Met de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland.
De ontwerp-NOVI heeft als toekomstperspectief een duurzame leefomgeving waarbij de kwaliteiten van de omgeving worden behouden en versterkt. Daarnaast bestaan de Nederlandse uitdagingen van de ruimtelijke inrichting in een klimaatbestendige delta en zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte in Nederland. Dit kan worden bereikt door goede samenwerking tussen de verschillende betrokken instanties. Pagina 9 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
De opgaven die voort komen uit de nationale belangen van het Rijk zijn vertaald in vier integrale prioriteiten: - Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie - Duurzaam economisch groeipotentieel - Sterke en gezonde steden en regio’s - Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Binnen deze prioriteiten zal aandacht zijn voor de onderlinge verwevenheden en spanningen daartussen en voor thema’s en opgaven die daar dwars doorheen lopen, zoals leefomgevingskwaliteit, gezondheid, cultureel erfgoed, water, bodem en (nationale) veiligheid. Binnen de prioriteiten hanteert het Rijk drie afwegingsprincipes die helpen om beleidskeuzes te maken: 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal 3. Afwentelen wordt voorkomen Planspecifiek Het plan betreft het realiseren van een schuur buiten een bouwvlak en het uitbreiden van het toegestane gebruik met paardenpension. Hiervoor wordt het bouwvlak gewijzigd qua vorm en een aanvullende functie opgenomen in de planregels. Het plan is dermate kleinschalig dat de relatie met het nationale beleid nihil is. De SVIR vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig plan.
3.2.2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) en Ladder voor duurzame verstedelijking Op 1 oktober 2012 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd en is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ hieraan toegevoegd. Overheden dienen op grond van het gewijzigde Bro nieuwe stedelijke ontwikkelingen te motiveren om tot een zorgvuldige ruimtelijke afweging en inpassing van die nieuwe ontwikkeling te komen. Een zorgvuldige benutting van de beschikbare ruimte voor verschillende functies vraagt om een goede onderbouwing van nut en noodzaak van een nieuwe stedelijke ruimtevraag en een zorgvuldige ruimtelijke inpassing van de nieuwe ontwikkeling. De ladder voor duurzame verstedelijking is verankerd in artikel 3.1.6 van het Bro. Op 1 juli 2017 is het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gewijzigd, waarbij een nieuwe Laddersystematiek geldt. In de nieuwe systematiek worden de huidige definities niet gewijzigd. Ten aanzien van de “treden” van de Ladder zijn er wel wijzigingen: in de nieuwe Ladder zijn de treden 1 en 2 samengevoegd en trede 3 is geschrapt, waardoor er geen sprake meer is van verschillende treden. Planspecifiek Voorliggend plan houdt de toevoeging in van agrarische bedrijfsruimte met een oppervlakte van 1200 m2. Deze bedrijfsruimte wordt voorzien buiten het bestaande bouwvlak. Om de schuur mogelijk te maken dient het bouwvlak aangepast te worden.
Het plangebied bevindt zich in de ‘Groene buffer’ (zie paragraaf 3.3.2), die van belang is voor de identiteit, geleding en leefkwaliteit van het stedelijk gebied. De provincie wil in alle overgangsgebieden van stedelijk gebied naar open landschap de contrastkwaliteit van stedelijke dynamiek en luwte van de groene ruimte behouden. In de groene buffer zijn ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. Om vast te stellen of de Ladder toegepast dient te worden moet vastgesteld worden of er sprake is van een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’. Het ruimtebeslag van de nieuwe ontwikkeling is groter dan 500 m 2 en kan daarmee benoemd worden als bedrijfsmatige ‘stedelijke ontwikkeling’. De gemeente is niet akkoord gegaan met een uitbreiding van het bouwvlak. Daarom is gekozen om het bouwvlak van vorm Pagina 10 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
te wijzigen terwijl het oppervlakte gelijk blijft. Op deze manier vindt er geen nieuw beslag op de ruimte plaats. Er is daarom geen sprake van een ‘nieuwe’ stedelijke ontwikkeling. De bedrijfsactiviteiten op het perceel zijn gewijzigd van hoofdzakelijk fokkerij naar pensionstalling en paardenrusthuis. De omliggende weidegronden bleken niet geschikt voor het fokken van paarden, daarom was een wijziging in bedrijfsactiviteiten nodig. De voorgenomen ontwikkeling van de schuur is nodig om de nieuwe activiteiten de noodzakelijke ruimte te bieden. De nieuwe invulling ‘paardenpension/paardenstalling’ is een toegestane vervolgfunctie van een volwaardig agrarisch bedrijf en sluit daarmee aan op de bestemming Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden (zie artikel 4.7.2 in het vigerende bestemmingsplan). De voorgenomen planontwikkeling vindt plaats buiten stedelijk gebied. Het betreft een toevoeging van een schuur aan een paardenhouderij. Vanwege milieutechnische redenen is het niet wenselijk dat deze ontwikkeling binnen stedelijk gebied plaatsvindt. Het plan betreft geen nieuw beslag op de ruimte, voorziet in een reële behoefte en vindt redelijkerwijs plaats buiten bestaand stedelijk gebied. Het plan voldoet hiermee aan de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Provinciaal en Regionaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie en -beleid Zuid-Holland De provincie heeft op 1 april 2019 de omgevingsvisie vastgesteld. De nieuwe omgevingswet die naar verwachting in 2021 defintief vastgesteld wordt schrijft voor dat een provincie één omgevingsvisie en één omgevingsverordening heeft. De omgevingsvisie is de opvolger van de provinciale Visie Ruimte en Mobiliteit. In de omgevingsvisie zijn meerdere beleidsvisies gebundeld. Het gaat om de volgende plannen: de provinciale ruimtelijke structuurvisie, artikel 2.2 van de Wet ruimtelijke ordening (Wro), het milieubeleidsplan, artikel 4.9 van de Wet milieubeheer (Wm), het regionale waterplan, artikel 4.4 van de Waterwet (Ww), het verkeers- en vervoersplan, artikel 5 van de Planwet verkeer en vervoer, de natuurvisie, artikel 1.7 van de Wet natuurbescherming (Wnb). De omgevingsvisie omvat inhoudelijk geen grote wijzigingen ten opzichte van het voorgaande beleid. Ook is de digitale beschikbaarheid van het beleid via de digitaal raadpleegbare kaarten weer een wezenlijk onderdeel van het beleid. In de Omgevingsvisie zijn zes ambities gedefinieerd. Het zijn zes richtinggevende ambities in de fysieke leefomgeving. Het zijn abstracte ambities die bij specifieke opgaven ook tot conflicterende belangen kunnen leiden.
Juist de confrontatie in opgave zal leiden tot knelpunten maar ook tot kansen om de opgaven verder te helpen. De zes ambities zijn: • • • • • •
Naar een klimaatbestendige delta Naar een nieuwe economie: the next level Naar een levendige meerkernige metropool Energievernieuwing Best bereikbare provincie Gezonde en aantrekkelijke leefomgeving
Naast de ambities is het algemene doel van de omgevingsvisie het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit in provincie. Onder ‘omgevingskwaliteit’ wordt het geheel aan kwaliteiten die de waarde van de fysieke leefomgeving bepalen verstaan. Het bestaande beleid is hiervoor gebundeld in de Omgevingsvisie. Vervolgens wordt met het oog op de omgevingswet dit verder ontwikkeld. Er komt een omschrijving van de unieke kwaliteiten van Zuid-Holland. Hierbij wordt een onderverdeling gemaakt in de drie Deltalandschappen, de Zuid-Hollandse steden en de strategische ligging in het internationale netwerk. Daarnaast komt er een leefomgevingstoets. De leefomgevingstoets is agenderend voor Pagina 11 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
verdere beleidsontwikkeling. Tot slot wordt een concrete uitwerking van het beleid opgesteld om de ruimtelijke kwaliteit te verbeteren. De Omgevingsvisie maakt gebruik van de reeds bestaande integrale kwaliteitskaart opgebouwd uit vier onderliggende kaarten. Dit instrument wordt verder gebruikt in zowel de visie als de verordening. Vanuit de kaart volgen onder andere bepalingen in de verordening (‘handelingskader ruimtelijke kwaliteit’). Voor ontwikkelingen blijft het ‘ja, mits-beleid’ gelden: ruimtelijke ontwikkelingen zijn mogelijk, met behoud of versterking van de ruimtelijke kwaliteit (waarborg ruimtelijke kwaliteit). Zoals aangegeven is in de Omgevingsvisie veel beleid overgenomen en samengevoegd. Het beleid zal met het daarvoor opgesteld instrumentarium, Monitor en Evaluatie Omgevingskwaliteit geactualiseerd worden. Hierbij is het uitgangspunt dat niet al het beleid in één keer geactualiseerd wordt maar op basis van specifieke aanleidingen. Het samenvoegen van het beleid heeft tot een opsomming van twaalf beleidskeuzes geleid: • • • • • • • • • • • •
Beschermen, versterken en beleefbaar maken van de kwaliteit van het landschap, cultuurhistorische waarden en natuurlijke karakteristieken van de leefomgeving; Behouden en versterken van natuurwaarden en het ontwikkelen van voldoende, aantrekkelijk en beleefbaar groen en water, waar mensen met plezier recreëren; Versterken van een vitale, innovatieve en toekomstbestendige regionale economie; Bevorderen van een betrouwbare, duurzame en efficiënte energievoorziening met een minimale uitstoot van broeikasgassen; Zorgen voor een gezonde en veilige leefomgeving en het beperken van hinder; Bevorderen van een leefomgeving die de gevolgen van klimaatverandering en weersextremen kan opvangen; Duurzaam voorzien in de behoefte aan zoetwater en waarborgen van de beschikbaarheid van voldoende drinkwater; Zorgen voor een duurzaam, veilig en efficiënt gebruik van bodem en ondergrond; Bevorderen van de beschikbaarheid van voldoende passende woningen in een aantrekkelijke leefomgeving, aansluitend op de behoeften van verschillende doelgroepen; Bevorderen van een goede en veilige bereikbaarheid, met een mobiliteitsnetwerk dat keuzevrijheid biedt en aansluit op de behoeften van reizigers en vervoerders; Zorgen voor een zorgvuldig ruimtegebruik en een compact, samenhangend en kwalitatief hoogwaardig bebouwd gebied; Ondersteunen van cultuurparticipatie en bibliotheken.
Van alle beleidskeuzes is aangegeven op basis van welke specifieke beleidsdocumenten die gebasseerd zijn. Deze beleidsdocumenten zijn allemaal apart digitaal beschikbaar gesteld. Ruimtelijke kwaliteit speelt op verschillende niveaus: veelal plekgebonden, maar ook op het niveau van de gehele provincie. Nu de ruimtelijke ontwikkeling sterker wordt bepaald door maatschappelijke, veelal kleinschalige initiatieven, is een gedeeld beeld van de ruimtelijke kwaliteit op regionale schaal van belang. De provincie stelt met het handelingskader ruimtelijke kwaliteit spelregels vast die het bovenlokale, algemene belang borgen en heeft samen met partijen in de regio een kwaliteitsbeeld voor het betreffende gebied geformuleerd (de gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit). De gebiedsprofielen ruimtelijke kwaliteit bieden handvatten om te bepalen hoe groot de ruimtelijke impact in specifieke gevallen is. In dit licht wordt onderscheid gemaakt in drie soorten ontwikkeling: inpassing, aanpassing en transformatie.
Pagina 12 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
Planspecifiek Voorliggend plan voegt zich in de bestaande gebiedsidentiteit en de bestaande structuur en betreft dan ook een ontwikkeling die beoordeeld kan worden als een inpassing. “Inpassing betreft een ontwikkeling die sterk aansluit bij de bestaande identiteit en structuur van het landschap, dorp of stad. De ontwikkeling is gebiedseigen, passend bij de schaal en aard van het landschap. Een voorbeeld hiervan is de uitbreiding van een agrarisch bedrijf in het buitengebied, een toevoeging van een woning in een lint of de opknapbeurt van een woonbuurt. Bij inpassing veranderen bestaande structuren en kwaliteiten niet tot nauwelijks. De rol van de provincie is hier in principe beperkt, behalve in gebieden met bijzondere kwaliteit. Uitgangspunt is dat bij inpassing een ontwikkeling volledig past binnen de relevante richtpunten.” Voorliggend plan betreft de wijziging van een bouwvlak en de toevoeging van een schuur aan een agrarisch perceel aan de Achterwetering 8. De bestaande structuren en kwaliteiten hoeven hiervoor niet gewijzigd te worden. De beeldkwaliteit van de schuur sluit aan op het heersende polderbeeld en daarmee de Natuur- en Landschapswaarden van de polder. Daarnaast sluit het bestaande gebruik als paardenpension/paardenstalling aan bij het agrarische gebruik van het landschap.
3.3.2 Omgevingsverordening Zuid-Holland De omgevingsverordening is gelijk met de omgevingsvisie op 1 april 2019 vastgesteld. De verordening bevat bindende ruimtelijke regels waar de provincie en gemeenten in Zuid-Holland zich aan moeten houden. De doorwerking van de regels is uitgewerkt doordat bestemmingsplannen en daarmee gelijkgestelde ruimtelijke plannen niet in strijd mogen zijn met de verordening. De verordening wordt met een digitale kaart beschikbaar gesteld om per locatie direct inzichtelijk te krijgen welke beleidsregels van toepassing zijn op de specifieke locatie. Ruimtelijke kwaliteit in de groene ruimte (VRM 3.2) Veenlandschap van het Groene Hart (VRM 3.2.1) In het veenlandschap zet de provincie in op behoud en versterking van het waterrijke en open karakter. Daarnaast is behoud van de kenmerkende afwisseling van veenweidelandschap, rivieren, boezems, plassen en droogmakerijen van groot belang. De veenlandschappen combineren een agrarische economie met cultuurhistorische en ecologische waarden. Het veenlandschap valt voor een belangrijk deel samen met het Groene Hart. Zuid-Holland werkt samen met de andere Groene Hart-provincies en overige betrokken partners.
Belangrijke opgaven zijn de aanpak van bodemdaling, behoud van de karakteristieken van het veenweidelandschap, herstructurering van de greenport Boskoop, verbetering van de waterkwaliteit en instandhouding en ontwikkeling van de bijzondere natuurwaarden. Het accent wordt gelegd op innovatiemaatregelen voor de grondgebonden landbouw en alternatieve realisatiestrategieën voor natuurontwikkeling. Het behoud van de belangrijke weidevogelgebieden vraagt om een specifieke vorm van verweving van landbouw en natuur. Met name het waternetwerk en de cultuurhistorische kwaliteiten lenen zich voor verdere
Pagina 13 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
ontwikkeling van de mogelijkheden voor recreatie en toerisme. Binnen het veenlandschap laten zich gebieden onderscheiden met een eigen gebiedskarakteristiek en daarbij passende opgave. Beschermingscategorieën (VRM 3.2.2) De provincie geeft richting en ruimte aan een optimale wisselwerking tussen ruimtelijke ontwikkelingen en gebiedskwaliteit. Om te kunnen bepalen of een ontwikkeling past bij de gebiedskwaliteit, waardeert de provincie de kwaliteit van gebieden in categorieën en onderscheidt ze ruimtelijke ontwikkelingen naar hun mate van impact op de omgeving. Er wordt een tweetal beschermingscategorieën onderscheiden, waar ook onder voorwaarden van ruimtelijke kwaliteit ontwikkelingen mogelijk zijn. In gebieden met beschermingscategorie 2 zijn ontwikkelingen die een inpassing of aanpassing zijn op het gebiedsprofiel mogelijk. Maar vanwege de kwetsbaarheid of bijzonderheid zijn extra voorwaarden van toepassing in deze gebieden. De provincie wil in een aantal gebieden specifieke waarden in stand houden omdat ze landschappelijk, ecologisch of qua gebruikswaarde bijzonder en kwetsbaar zijn. De instandhouding van deze waarden vraagt om toegespitste vormen van bescherming en ontwikkeling. Ruimtelijke ontwikkelingen in deze gebieden zijn mogelijk, maar met inachtneming van de specifieke waarden naast de generieke bijdragen aan de ruimtelijke kwaliteit.
De volgende gebieden hebben specifieke waarden: • belangrijke weidevogelgebieden, gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland, vanwege de specifieke maatschappelijke verantwoordelijkheid voor deze karakteristieke en kwetsbare vogels • openbare recreatiegebieden , vanwege hun onmisbare bijdrage aan de leef- en vestigingskwaliteit in zowel het stedelijk als het landelijk gebied • groene buffers, vanwege hun belang voor de identiteit, geleding en leefkwaliteit van het stedelijk gebied Compensatie Natuur, Recreatie en Landschap (VRM 3.2.4) In een dynamische omgeving is het onvermijdelijk dat plannen ontwikkeld worden die inbreuk maken op de te beschermen waarden. In het algemeen is het handelingskader voor ruimtelijke kwaliteit gericht op een goede landschappelijke inpassing en mitigatie van de negatieve effecten bij nieuwe plannen, projecten of initiatieven. In een aantal gevallen wordt compensatie geëist als specifieke natuur-, recreatie- of landschapswaarden verloren gaan. De aangetaste waarden moeten elders worden hersteld. GS hebben hiertoe de Beleidsregel compensatie natuur, recreatie en landschap Zuid-Holland 2013 vastgesteld.
Compensatie moet plaatsvinden bij ingrepen in de volgende - in de bij deze paragraaf behorende kaarten aangeduide - gebieden: het Natuurnetwerk Nederland, belangrijk weidevogelgebied, recreatiegebied om de stad en strategische reservering natuur, alsmede bij ingrepen in karakteristieke landschapselementen, zoals bedoeld in de genoemde beleidsregel. Stad en land beter verbonden (VRM 3.6) Groene buffers (VRM 3.6.1) Het contrast tussen de dynamiek en dichtheid van de stad en de luwte van de aangrenzende groene ruimte is een belangrijke kwaliteit. De provincie wil in alle overgangsgebieden van stedelijk gebied naar open landschap deze contrastkwaliteit behouden. Het accent in de groene ruimte rond het stedelijk gebied ligt op een betere verweving van recreatie, natuur, water en landbouw. Deze opgave heeft extra urgentie in relatief kleine open ruimten grenzend aan stedelijk gebied en in de groene ruimten tussen de stedelijke gebieden. Omdat de stedelijke invloed hier verhoudingsgewijs groot is en soms van meerdere kanten komt, is extra zorgvuldigheid bij ruimtelijke ontwikkelingen geboden. Behoud van deze ruimten is van belang voor de identiteit en leefkwaliteit van het stedelijk gebied, aangezien ze op de schaal van de provincie een onmisbare tegenhanger vormen van de stedelijke Pagina 14 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
dynamiek en verdichting. Voor een aantal gebieden nabij de stad, blijft de provincie kiezen voor behoud van en verdere ontwikkeling tot robuuste groene buffers, die vanuit hun gebiedskwaliteit en gebruikswaarde verstedelijkingsdruk kunnen en moeten weerstaan. Dit betreft Midden-Delfland, IJsselmonde, het Kaaggebied, het Eiland van Dordrecht en Duin, Horst en Weide / Wijk en Wouden. Deze groene buffers vallen in categorie 2 van het handelingskader ruimtelijke kwaliteit, ‘gebieden met een specifieke kwaliteit’ (VRM 3.2.2). Ruimtelijke ontwikkelingen zijn hier mogelijk, maar extra bescherming tegen (grootschalige) stedelijke ontwikkeling is van belang om de schaal en het karakter van deze gebieden in stand te houden. Stabiele en aantrekkelijke stadsranden en goede inpassing van infrastructuur dragen hieraan bij. Planspecifiek Volgens kaart 7 Beschermingscategorieën Ruimtelijke Kwaliteit (Verordening) valt het plangebied in beschermingscategorie 2 als belangrijk weidevogelgebied. Daarnaast wordt het aangemerkt als groene buffer die in dezelfde beschermingscategorie valt. Verder ligt volgens kaart 5 Deltalandschappen (VRM) het plangebied in het veenlandschap van het Groene Hart.
Figuur 6. Uitsnede kaart 7 Beschermingscategorieën Ruimtelijke Kwaliteit. Plangebied nabij rode cirkel.
Ontwikkelingen in beschermingscategorie 2 (Verordening) Zoals in paragraaf 3.2.1 vermeldt werkt de provincie met gebiedsprofielen waarbij een ruimtelijke ontwikkeling als inpassing, aanpassing of transformatie van het gebied wordt gezien. De ruimtelijke verordening stelt in Artikel 2.2.1, lid 1 en 2 dat in gebieden met een beschermingscategorie 2 er geen ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden uit de transformatie-categorie. Inpassing en aanpassing is in beschermingscategorie 2 wel toegestaan. Zoals in vorige paragraaf beredeneerd betreft het in voorgenomen planontwikkeling een inpassing doordat het plan enkel een wijziging en niet vergroting van het bouwvlak betreft. Daarnaast wordt het huidig agrarisch gebruik aangevuld met paardenpension. Op de locatie is al een paardenfokkerij toegestaan. Het gaat dus om een inpassing met minimale effecten op de groene buffer. Om te beoordelen wat de effecten zijn op de weidevogels is op locatie een onderzoek uitgevoerd. Voor de resultaten wordt verwezen naar paragraaf 4.5 over ecologie. Gesteld kan worden dat aan de voorwaarden in de verordening voldaan wordt.
Gemeentelijk beleid 3.4.1 Omgevingsvisie Op 26 oktober 2020 is de omgevingsvisie vastgesteld. Deze omgevingsvisie vervangt de Maatschappelijke ruimtelijke structuurvisie ‘Kaag en Braassem’. In de omgevingsvisie beschrijft de gemeente wat de kernkwaliteiten zijn van de gemeente, wat de ambities zijn voor de lange termijn en welke kaders er zijn voor toekomstige ontwikkelingen in de fysieke leefomgeving.
Pagina 15 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
De omgevingsvisie is opgedeeld in acht grote thema’s, namelijk (1) Samenwerken, (2) Energie & Grondstoffen, (3) Natuur, water en lucht, (4) Wonen, (5) Gezonde economische ontwikkeling, (6) Sociaal, (7) Mobiliteit en (8) Veiligheid. Verder is de gemeente ingedeeld in vier gebiedstypen waarvoor bepaalde kenmerken en waarden zijn bepaald, namelijk buitengebied, glastuinbouwgebieden, bedrijventerreinen en de kernen. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling valt in het gebiedstype ‘Buitengebied – Veenweide’. Deze veenweidegebieden hebben een rijke natuurwaarde doordat er een aantal unieke soort leven en broeden. Daarnaast heeft cultuurhistorische waarden vanwege het nog duidelijk zichtbare verkavelingspatroon. Belangrijke doelen zijn het behouden van de bestaande landschappelijke structuur en kwaliteit en het tegengaan van bodemdaling veroorzaakt door veenoxidatie. Voorliggend plan schaadt de bestaande langschappelijke structuur en kwaliteit niet. De (neven)activiteiten van het bedrijf als pensionstalling, paardenrusthuis, paardenfokkerij en paardentraining sluiten aan op agrarisch gebruik. Deze activiteiten versnellen de bodemdaling niet en hebben geen negatieve impact op de gekozen doelsoorten in het veenweidegebied en de voor het gebied kenmerkende biodiversiteit (zoals ook beschreven in paragraaf 4.5 Ecologie). Daarnaast betreft de ontwikkeling het realiseren van een schuur.
Dit betreft een kleine wijziging die in overeenstemming met het gemeentelijk en provinciaal beleid uitgewerkt kan worden. Het plan is dan ook in overeenstemming met de omgevingsvisie. 3.4.2 Vigerende bestemming Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan ‘Buitengebied West’ (vastgesteld 17-62013). Voor de locatie geldt de bestemming Agrarisch met waarden – Natuur- en landschapswaarden. De dubbelbestemming is Waarde – Archeologie-1 en aan de weteringskant van het perceel Waterstaat – Waterkering.
Figuur 7. Vigerend bestemmingsplan Buitengebied West (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Pagina 16 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
De beoogde ontwikkeling van een schuur past niet binnen het bouwvlak, zoals ook al aangegeven in paragraaf 2.2 met bijbehorende figuren. Op basis van de bestemming Agrarisch met Waarden – Natuur- en landschapswaarden zijn de gronden bestemd voor het uitoefenen van een volwaardig agrarisch bedrijf (artikel 4.1.a), waaronder verstaan wordt een grondgebonden veehouderij. In dit geval gaat het over het houden van paarden ten behoeve van de fokkerij waarbij het africhten van en de handel in paarden in ondergeschikte mate is toegestaan. Planspecifiek De beoogde schuur en de huidige activiteiten passen niet in het vigerende bestemmingsplan. Om het bouwvlak en de gewijzigde activiteit mogelijk te maken is dus een nieuw planologisch kader nodig. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hier in. Het voorliggende bestemmingsplan is gebaseerd op het vigerende bestemmingsplan Buitengebied West. Het plan is identiek met twee wijzigingen. Het bouwvlak is aangepast zoals beschreven in hoofdstuk 2. Ten tweede is de activiteit paardenpension/paardenstalling toegevoegd. De huidige activiteiten van Stal Zwetsloot betreffen een pensionstalling en paardenrusthuis en daarnaast training/instructie voor ruiter/trainer en paard, zoals bijvoorbeeld schriktraining. Naast deze activiteiten wordt er hobbymatig gefokt met twee merries.
De huidige activiteiten sluiten beter aan bij de paardenpension/paardenstalling en 1.87 paardenhouderij. •
•
begrippen
zoals
genoemd
in
1.88
1.88 paardenpension/paardenstalling: het houden van paarden en pony's ten behoeve van verhuur en eigen gebruik, alsmede het bieden van gelegenheid aan derden om hun paarden en pony's in pension te stallen, te berijden en te weiden; onder paardenpension/paardenstalling worden geen maneges verstaan. 1.87 paardenhouderij: een bedrijf dat uitsluitend is gericht op het houden, stallen of africhten van paarden, alsmede de handel in paarden.
Deze begrippen zijn toegevoegd aan de bestemming agrarisch in het bestemmingsplan.
Pagina 17 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
4 Milieutechnische uitvoerbaarheid Een bestemmingsplan moet voorzien in een goede ruimtelijke ordening, zoals de Wro ex art 3.1 stelt. De invulling van dit vereiste is in de jurisprudentie verder gepreciseerd. Onderstaand is per woon- en omgevingsaspect beoordeeld of en wat voor een wijziging er optreedt en of een goed woon- en leefklimaat voor zowel de omgeving als het plangebied zelf gegarandeerd is.
Milieueffectrapportage Toetsingskader Per 1 april 2011 is het Besluit m.e.r. gewijzigd en in lijn gebracht met de Europese richtlijn hieromtrent (nr. 85/337/EEG). Voor deze wetswijziging kon bij de vraag of er een MER moest worden gemaakt, dan wel een mer-beoordeling moest worden uitgevoerd, worden volstaan met een toets aan de activiteiten en de bijbehorende getalsmatige grenzen uit het Besluit m.e.r. (bijlage C en D). Omdat de Europese richtlijn geen getalsmatige grenzen kent voor mer-plichtige activiteiten, zijn deze getalsmatige grenzen niet meer 'hard', maar hebben ze meer een indicatieve waarde. Concreet betekent dit dat bij de vraag of er een m.e.r. of een mer-beoordeling dan wel een planmer moet worden uitgevoerd, niet zonder meer kan worden uitgegaan van de getalsmatige grenzen in kolom 2 van bijlage C en D, maar dat meer in algemene zin beoordeeld moet worden of er sprake is van belangrijke nadelige milieugevolgen, waardoor het opstellen van een MER noodzakelijk zou zijn. Een plan-m.e.r. is wettelijk verplicht wanneer: • Het plan kaders stelt voor activiteiten in het plangebied waarvoor een (project-)mer noodzakelijk is, dan wel waarvoor beoordeeld moet worden of een (project-)mer noodzakelijk is; • Een bestemmingsplan activiteiten mogelijk maakt die kunnen leiden tot significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden (dan is een passende beoordeling noodzakelijk).
Bij een planmer gaat het om besluiten uit kolom 3 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. Een project-mer of besluit-mer betreft een besluit op grond waarvan geen nader besluit mer- of (beoordelings-)plichtig besluit meer nodig is. Het plan schept dus geen kader meer voor een mer(beoordelings)plichtig besluit. Het gaat daarbij bijvoorbeeld om een bestemmingsplan wat in directe zin woningbouw mogelijk maakt waarvoor een mer-plicht geldt, of om een omgevingsvergunning voor het in werking hebben van een veehouderij (met aanzienlijke milieugevolgen). Het betreft hier besluiten uit kolom 4 van bijlage C en D van het Besluit m.e.r. De wetswijziging van 1 april 2011 heeft tot gevolg dat ook onder de drempelwaarden beoordeeld moet worden of een mer-procedure doorlopen moet worden. Dit geldt zowel voor besluiten uit kolom 4 als voor besluiten (plannen) uit kolom 3 (planmer). Ingeval het project onder de drempelwaarde valt is deze beoordeling vormvrij. Dit betekent dat deze beoordeling via de officiële mer-beoordelingsprocedure kan geschieden, maar in veel gevallen zal een beoordeling in de toelichting bij het plan voldoende zijn. Planspecifiek Voorliggend plan gaat over de uitbreiding van een paardenhouderij met een stal. Het betreft daarmee een activiteit zoals benoemd in het Besluit-m.e.r. (Bijlage C en D). Het gaat om activiteit uit lijst D nummer 14.
De activiteit is mer-plichting wanneer het 100 stuks volwassen paarden of pony’s betreft. In voorliggend plan worden er in totaal 85 volwassen paarden en pony’s gehouden. Er is geen sprake van een m.e.r.-plicht. Er is echter wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling noodzakelijk. Voor onderliggend plan kan voor de milieugevolgen op basis van de in dit hoofdstuk behandelde milieuaspecten geoordeeld worden dat belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten.
Pagina 18 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
Bedrijven en milieuzonering Een goede ruimtelijke ordening beoogt het voorkomen van voorzienbare hinder en gevaar door milieubelastende activiteiten. Door bij nieuwe ontwikkelingen voldoende afstand in acht te nemen tussen milieubelastende activiteiten (zoals bedrijven) en milieugevoelige functies (zoals woningen), worden hinder en gevaar beperkt of voorkomen en wordt het voor bedrijven of woonfuncties mogelijk gemaakt zich binnen aanvaardbare voorwaarden te vestigen. Om dit gestandaardiseerd te kunnen beoordelen zijn in de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering richtafstanden opgesteld. Deze afstanden geven voor gemiddelde bedrijfssituaties aan op welke afstand geen hinder is te verwachten. De meer verfijnde afstemming voor de beperking of voorkoming van milieuhinder vindt vervolgens plaats in het kader van de Wet milieubeheer. In de brochure wordt onderscheid gemaakt in verschillende omgevingstypen. Voor een rustige woonomgeving gelden andere afstanden (strengere eisen) dan voor andere gebieden, zoals drukke woonwijken, gemengde gebieden en landelijke gebieden. De betreffende VNG-publicatie vormt geen wettelijk kader. De in de publicatie opgenomen afstanden betreffen richtafstanden. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het wijzigen van een bouwvlak en het aanvullen van de vigerende bestemming agrarisch met het gebruik: ‘paardenpension/paardenstalling en paardenhouderij’.
Op basis van het vigerende bestemmingsplan is een agrarisch bedrijf reeds toegestaan. Een grondgebonden agrarisch bedrijf inclusief niet intensieve veeteelt (SBI-code 2008-0150) kent een milieucategorie van 3.2 en daarmee een aan te houden afstand naar gevoelige bestemmingen van 100 meter. Een in het kader van milieuzonering vergelijkbare activiteit zoals op de locatie wordt beoogd is een manege (conform de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ met een SBI-code 2008-931E). Een dergelijk bedrijfstype kent een milieucategorie van 3.1 en daarmee aan te houden richtafstand naar gevoelige bestemmingen van 50 meter. Onderstaand zijn de afstanden van de bedrijfsbebouwing tot aan de omliggende functies weergegeven. Twee andere agrarische bedrijven liggen op respectievelijk 100 en 245 meter afstand. Op 330 meter afstand ligt een woonbestemming. Aan de afstand van minimaal 50 meter tot gevoelige functies kan voldaan worden. Daarnaast levert de bedrijfsvoering geen hinder op voor omliggende bedrijven.
Figuur 8. Afbeelding van afstanden tot omliggende bewoonde percelen.
N.B.: Het gebruik van een paardenpension/paardenstalling dat door het bestemmingsplan positief bestemd wordt kent een kleinere milieuhindercontour dan het reeds toegestane gebruik op basis van Pagina 19 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
de bestemming. Door het bestemmen als paardenpension/paardenstalling zullen er geen andere agrarische activiteiten meer ontplooid kunnen worden waardoor de feitelijke hinder minder zal zijn dan in de meest hinderlijk toegestane situatie. Het plan vormt dan ook planologisch gezien een verbetering van de milieuhinder voor omliggende functies. Milieuvergunning De omgevingsvergunning van 2011 is verleend met daarbij een onderbouwing op grond van de Natuurbeschermingswet. Vanaf 2013 valt het bedrijf onder de algemene regels van het Activiteitenbesluit milieubeheer. Bij meer dan 51 paarden en pony’s, waarbij de dieren in opfok (K2 en K4) niet meegeteld worden, moet een omgevingsvergunning beperkte milieutoets (OBM) aangevraagd worden. Bij meer dan 100 paarden is een omgevingsvergunning nodig (meer dan 100 K1 K3, waarbij de dieren in opfok (K2 en K4) niet meetellen). In voorliggend plan worden er 32 volwassen paarden (K1), 6 veulens (K2) en 53 volwassen pony’s (K3) gehouden. In totaal gaat het om 85 volwassen dieren (K1+K3). Dit betekent dat een omgevingsvergunning beperkte milieutoets aangevraagd moet worden. De afhandeling van deze aanvraag gaat echter buiten de grenzen van dit bestemmingsplan om. In voorliggend bestemmingsplan wordt een functie mogelijk gemaakt die inpas baar is en waarvoor een milieutoets haalbaar is.
Geurhinder De Wet geurhinder en veehouderij is het toetsingskader voor het aspect geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen. Met minimumafstanden en maximale waarden voor geurbelasting krijgen geurgevoelige objecten (zoals woningen) bescherming tegen overmatige geurhinder. Een gemeenteraad kan bij gemeentelijke verordening bepalen dat binnen een deel van het grondgebied van de gemeente andere waarden en andere afstanden van toepassing zijn. Een geurgevoelig object is een gebouw dat bestemd is voor wonen of langdurig verblijf en zodanig gebruikt wordt. Het gaat in de van toepassing zijnde Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) om de verblijfsduur. De Wgv beschermt alleen mensen tegen langdurige blootstelling aan geurhinder. Geurhinder in de Omgevingswet In de nieuwe omgevingswet worden paarden voor het berijden niet meer gezien als landbouwhuisdieren. De afstandseisen uit het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) ter beperking van geurhinder gelden niet voor rijpaarden. De ‘bruidsschat’ geeft nog wel normen voor de overbruggingsfase. Op termijn moeten (indien gewenst) in het omgevingsplan regels zijn opgenomen voor het beperken van hinder van maneges, paardenpensions of paardenstallingen. Planspecifiek Voorliggend plan houdt geen realisatie van een geurgevoelige bestemming in. In verband met het beperken van geurhinder geldt een afstandsnorm van 50 m.
ten opzichte van geurgevoelige objecten. De afstand van het bedrijf ten opzichte van nabij liggende woningen is meer dan 50 meter. Het aspect agrarische geurhinder vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Geluidhinder In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt ernaar gestreefd om de geluidhinder als gevolg van spoor-, wegverkeer of industrie te beperken. Op basis van de Wet geluidhinder (Wgh) zijn er normen gesteld tot welke maximale geluidsniveaus geluidgevoelige functies belast mogen worden. De Wgh geeft tevens aan in welke situaties middels onderzoek aangetoond moet worden of aan deze normen voldaan kan worden. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening en bijbehorende jurisprudenties zijn aanvullende onderzoeksverplichtingen gesteld.
Pagina 20 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
Planspecifiek De beoogde functie paardenpension/paardenstalling en paardenhouderij betreft geen geluidgevoelige functie. Er behoeft dan ook niet onderzocht te worden of er sprake is van overschrijding van geluidsnormen en of er sprake is van een goed woon- en leefklimaat voor het aspect geluid. De geluidshinder ten gevolge van de uitbreiding van het bedrijf tot manage/paardenhouderij heeft een richtafstand van 30m ten opzichte van gevoelige bestemmingen. Aan deze richtafstand tot woningen van derden in de omgeving wordt voldaan. Het aspect geluidhinder vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Ecologie Per 1 januari 2017 geldt de Wet natuurbescherming. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingswet 1998, de Flora- en faunawet en de Boswet. De nieuwe Wet natuurbescherming (Natuurwet) voorziet in vereenvoudigde regels ter bescherming van de natuur, in decentralisatie van bevoegdheden naar provincies en in een goede aansluiting op het omgevingsrecht. Er wordt beter aangesloten op de Europese regelgeving en er wordt een duidelijker onderscheid gemaakt tussen soorten die Europees beschermd zijn en Nationaal beschermde soorten. Met de Wet natuurbescherming komt de bevoegdheid voor het verlenen van ontheffingen en vrijstellingen bij ruimtelijke ingrepen in principe bij de provincies te liggen. Dit is conform het bestuursakkoord natuur waarin is aangegeven dat de decentralisatie van de taken en bevoegdheden op het vlak van de natuurwetgeving haar beslag zal krijgen in de Wet natuurbescherming. Provincies nemen hiermee de taak over die tot nu toe werd uitgevoerd door de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl). Daarmee is de provincie bevoegd gezag voor de toetsing van werkzaamheden en activiteiten (hierna genoemd ‘handelingen’) bij Natura 2000-gebieden (de gebiedsbeschermingsbepalingen) en dier- en plantensoorten (de soortenbeschermingsbepalingen). Alleen bij ruimtelijke ingrepen waarmee grote nationale belangen zijn gemoeid, blijft het Rijk bevoegd gezag.
4.5.1 Flora en Fauna In het kader van een goede ruimtelijke ordening moet bepaald worden of een plan geen nadelige effecten heeft voor beschermde plant- en diersoorten in en nabij het plangebied. Indien de ontwikkeling verstoring of uitroeiing van beschermde soorten kan inhouden dient onderzocht te worden of eventuele soorten aanwezig zijn. Wanneer dit het geval is moet tevens aangetoond worden middels welke ingrepen deze verstoring voorkomen wordt dan wel gecompenseerd. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het vastleggen van het gebruik van ‘paardenpension/paardenstalling en paardenhouderij’ en het wijzigen van het bouwvlak zodat een schuur gerealiseerd kan worden. Voor het plan hoeven geen bomen gekapt, bosschages verwijderd, bebouwing gesloopt en of sloten gedempt te worden. De wijziging van het bouwvlak (waarbinnen de nieuwe schuur beoogd wordt) is in de huidige situatie in gebruik als weiland. Ter plaatse van het weiland is het aannemelijk dat geen beschermde soorten zullen verblijven. Het aspect Soortbescherming vormt geen belemmering voor voorliggend plan. 4.5.2 Natuurgebieden Nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen kunnen (extern) effect hebben op nabijgelegen natuurgebieden. De gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet vindt plaats via de Natura 2000-gebieden met Vogel- en Habitatrichtlijngebieden.
Daarnaast zijn de provincies verantwoordelijk voor het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Dit is de vroegere Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarische gebied.
Pagina 21 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
In het Natuurnetwerk Nederland liggen bestaande natuurgebieden (waaronder de 20 Nationale Parken) en nieuwe natuurgebieden, landbouwgebieden beheerd volgens agrarisch natuurbeheer, alle Natura 2000-gebieden en alle grote wateren van Nederland (meren, rivieren, de kustzone van de Noordzee en de Waddenzee). Stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden Op 15 juni 2015 is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) vastgesteld. Het PAS bevat maatregelen die leiden tot een afname van stikstofdepositie en maatregelen die leiden tot een versterking van de natuurwaarden in de Natura 2000-gebieden. Een gedeelte van de toekomstige afname van stikstofdepositie kan vervolgens worden opgevuld door economische activiteiten die leiden tot een toename van stikstofdepositie. In de praktijk blijkt echter dat de afname van stikstofdepositie als gevolg van de maatregelen niet gegarandeerd kan worden. Daarom heeft op 29 mei 2019 de Raad van State een uitspraak gedaan waarin de Raad oordeelt dat het PAS niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Het uitgangspunt is sindsdien nog steeds dat voor nieuwe initiatieven aangetoond moet worden dat er geen significant negatieve effecten op Natura 2000-gebieden als gevolg van stikstofemissies en deposities ontstaan als gevolg van het initiatief.
Het instrument waarmee de stikstof berekend kan worden is de AERIUS Calculator (update oktober 2020). Planspecifiek Het plangebied maakt deel uit van weidevogelgebied (zie paragraaf 3.3.2). Het bouwvlak wordt aan de noordzijde met maximaal 47,5 meter verlengd. Aan de oostzijde wordt het bouwvlak met een vergelijkbaar oppervlakte verkleind. Het bouwvlak krijgt hiermee een vergelijkbare diepte als het bouwvlak ten oosten van het plangebied. Het effect op het vogelweidegebied hiervan is onderzocht, zie bijlage 2. De resultaten van dit onderzoek luiden: Conclusies Uit de schadebepaling kan geconcludeerd worden dan de nieuwbouw van een veldschuur achter het huidige bedrijfscomplex geen schade zal veroorzaken aan het weidevogelgebied. Het beoogde plangebied is in zijn huidige staat reeds ongeschikt als broedlocatie voor weidevogels. Het huidige bouwvlak wordt ingeleverd, dat wordt weer open gebied. De ondernemers van stal Zwetsloot zetten zich in voor het behoud van een gezonde weidevogelpopulatie op de percelen die daar geschikt voor zijn, aan de westkant van het bedrijfscomplex. Daarnaast zetten ze zich in voor het behoud en de ontwikkeling van biodiversiteit binnen het bedrijfscomplex. Het aspect Weidevogelgebied vormt geen belemmering voor voorliggend plan. N.B. Het plangebied is ook onderdeel van de Groene Buffer (paragraaf 3.3.2).
De groene buffers zijn echter van belang voor de leefkwaliteit van het stedelijk gebied en betreffen geen ecologische zonering. De impact op de groene buffer wordt daarom benoemd in 3.2.2 Ladder duurzame verstedelijking. Stikstofdepositie Het plangebied ligt niet in of naast Natura 2000-gebieden. Dichtstbijzijnd bevindt zich op 6 km afstand het natuurgebied De Wilck. Om te beoordelen of er geen nadelige effecten optreden op nabijgelegen natuurgebieden door voorgenomen planontwikkeling is een onderzoek uitgevoerd naar de stikstofdepositie met behulp van een Aeriusberekening, zie bijlage 3. De conclusie van de Aeriusberekening is dat het plan geen toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden ten opzichte van de referentiedatum tot gevolg heeft. Vanwege de recente uitspraken Pagina 22 Bestemmingsplan Achterwetering 8 te Oud Ade
van de Raad van State rond intern salderen is er geen vergunning Wet natuurbescherming nodig, omdat uit de verschilberekening blijkt dat er geen toename in stikstofdepositie is als gevolg van de plannen. In de planregels is een specifieke gebruiksregel opgenomen waarin staat dat de stikstofemissie in de toekomstige situatie niet hoger mag zijn dan de stikstofemissie die wordt veroorzaakt door het aantal dieren zoals opgenomen in de AERIUS berekening, te weten 32 paarden, 6 veulens en 53 pony’s. Het aspect Gebiedsbescherming vormt geen belemmering voor voorliggend plan.
Bodemkwaliteit Het is wettelijk geregeld (Wbb en bouwverordening) dat bouw pas kan plaatsvinden als de bodem geschikt is (of geschikt is gemaakt) voor het beoogde doel. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen, als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Indien sprake is van een verdachte locatie dient onderzocht te worden in welke mate de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Planspecifiek Voorliggend plan betreft het vastleggen van het gebruik van ‘paardenpension/paardenstalling en paardenhouderij’ en het wijzigen van het bouwvlak zodat een schuur gerealiseerd kan worden. Het nieuwe aanvullende gebruik is eveneens een agrarische functie. Er hoeft dan ook niet aangetoond te worden of de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Een verkennend bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.