RES Herijking digitoegankelijk
Tekst van het document
Groene waterstof wordt gemaakt uit groene stroom en is daarmee formeel geen energiebron, maar een energiedrager. Omdat uit groene waterstof wel fossielvrije elektriciteit (en warmte) gemaakt kan worden benoemen we groene waterstof wel bij de elektriciteitsbronnen.
• Biomassa 9 • Kernenergie (SMR) 10 • Waterkracht 11 • Groene waterstof 12
De NP RES heeft een factsheet over elektriciteit met uitgebreide informatie over de verschillenden elektriciteitsbronnen. In onderstaande tabel staan per bron enkele kenmerken over het ruimtebeslag, de variatie in beschikbaarheid en de relatie met de warmtetransitie.
41
1 0 . EN ERGIEB RO N N EN
Kenmerken per bron over het ruimtebeslag, de variatie in beschikbaarheid en de relatie met de warmtetransitie Elektriciteitsbron
Ruimtebeslag
Aansluitbaar achter de meter
Flexibel regelbaar vermogen
Weersafhankelijk
Seizoensafhankelijk
Stroomproductie in stookseizoen*
Windenergie
0,1 ha per turbine(ca 18 MWh/jr)
Ja
Nee
Ja
Ja
Ja
Zonne-energie
1,0 ha voor ca 1 MWh/jr
Ja
Nee
Ja
Ja
Beperkt
Biomassa
6 ha voor biomassacentrale 900 MW
Nee
Ja
Nee
Nee
Ja
Kernenergie (SMR)
6 ha voor kerncentrale 1960 MW
Nee
Beperkt
Nee
Nee
Ja
Waterkracht
beperkt ruimtebeslag bij bestaande stuwen
Ja
Nee
Nee
Ja
Ja
Groene waterstof (energiedrager)
6 ha voor 900 MW
Ja
Ja
Nee (afh. van energie bron elektrolyser)
Nee
Ja
* relatie met warmtetransitie
Elektriciteitsopslag Het energiesysteem in Nederland is aan het verduurzamen. Grote gas- en kolencentrales maken plaats voor decentrale wind- en zonneparken. Door het veranderende energiesysteem ontstaan er momenten met overschotten aan elektriciteit in de zomermaanden en maanden waarin de productie van duurzame elektriciteit onvoldoende is voor de vraag. Daarom zijn technieken nodig om elektriciteit tijdelijk op te slaan en op andere momenten weer vrij te geven. Ook op lokaal niveau leiden veranderingen in vraag en aanbod van elektriciteit ertoe dat de capaciteit van het elektriciteitsnet onvoldoende is voor alle activiteiten. Dit kan er weer toe leiden dat initiatieven voor zon en wind vertragen of niet gerealiseerd kunnen worden, of dat nieuwe verbruikers van elektriciteit niet kunnen worden aangesloten. Vanuit deze ontwikkelingen neemt de roep om andere oplossingen, zoals opslag van elektriciteit in batterijen, snel toe. Er zijn veel initiatieven op het gebied van elektriciteitsopslag, maar het is niet altijd duidelijk in hoeverre deze bijdragen aan een robuust energiesysteem
Opslag van elektriciteit kan zorgen voor minder fluctuaties in de vraag en het aanbod van elektriciteit. Hiermee kan het elektriciteitsnet optimaler worden benut en worden de pieken en dalen afgevlakt. In deze factsheet meer informatie over opslag als oplossingsrichting.. Er zijn echter meer oplossingen, zoals slim gebruik van elektriciteit, lokaal balanceren van vraag en aanbod of omzetting van elektriciteit naar andere energiedragers.
42
1 0 . EN ER GI EB R ON N EN Overzichtstabel met per batterijsysteem de belangrijkste kengetallen op een rij. Batterijsystemen Huidige technieken Thuisbatterij
Grote batterij bij opwekker/ verbruiker
Vermogen
2-10 kW (0,002-0,01 MW)
Capaciteit Tijdsduur ontladen op vol vermogen
Innovatieve technieken Gridbatterij
Flowbatterij
Zoutwaterbatterij
0,3-10 MW
ca 0,3-3MW (buurtbatterij), 5-1000+MW (grote gridbatterij)
1-100 MW
Enkele kilowatten
2-40 KWh
0,3-40 MWh
0,6-1000+ MWh
1-1000+ MWh
1-100 kWh
1-4 uur
1-4 uur
2-4 uur
4-100 uur
2 uur en meer
Woningniveau
Alle niveaus
Van buurtniveau tot hoogspanningsnet
Alle niveaus
Alle niveaus
Technische realisatie voor 2030
Zeker te realiseren
Zeker te realiseren
Zeker te realiseren
Zeker te realiseren
Mogelijk te realiseren
Investeringskosten
ca. 700-1200 €/kWh plus 500- 1000 € installatiekosten
500 €/kWh (stationaire batterij, >1 MW) tot 700 €/kWh (mobiele batterij)
ca. 700 €/kWh voor buurt batterij, ca. 380 €/kWh voor grote gridbatterij (60 MW, 240 MWh)
ca. 500 €/kWh
Duurder dan lithium-ion, geen betrouwbare kosten- schatting beschikbaar
Efficiëntie
ca. 90%
ca. 90%
ca. 85%
ca. 70%
80-90%, afhankelijk van laadsnelheid
Doorlooptijd
<1 jaar
1-2 jaar
1-2 jaar
1-2 jaar als techniek een- maal beschikbaar is
1-2 jaar als techniek een- maal beschikbaar is
<1 m2, past meestal in meterkast
30-80 m2/MWh
ca. 25 m2/MWh voor gridbatterij
ca. 10 m2 per MWh
Geen betrouwbare cijfers, maar fors groter ruimtebe- slag dan lithium-ion
Nog geen normen. Veiliger dan lithium-ion, want componenten zijn vloeibaar en niet ontvlambaar
Geen, bevat enkel zout water
Toepasbaarheid op schaalniveau
Ruimtelijke impact
Veiligheidsaspecten
Brandveiligheid bij oudere types Er is een circulaire beschikbaar met veiligheidsvoorschriften, in lithium-ion (NMC). De nieuwere afwachting van de PGS37-2. Brandveiligheid is het voornaamste lithium-ijzer-fosfaat (LFP) aandachtspunt. Voor realisatie van buurtbatterijen is een NENbatterijen zijn veel veiliger norm opgesteld
43
1 1 . V ERDIEP IN G
Verdieping 3. Energiesysteem
Inhoud: 1. Overview
2. Waar staan we nu
3. Energiesysteem
4. Warmtetransitie
5. Grootschalige Opwek
1. Conversie
Grote rol netbeheerders
Conversie is het omzetten van een vorm van energie in een andere vorm van energie. Denk bijvoorbeeld aan de omzetting van aardgas in elektriciteit. Een meer toekomstgericht voorbeeld is de omzetting van elektriciteit in waterstof met een electrolyzer. Waterstof kan gemakkelijker worden bewaard dan v en zo kunnen vraag en aanbod van stroom beter op elkaar worden aangesloten. Bovendien is waterstof beter geschikt voor industrieel gebruik met zeer hoge temperatuur. Bij conversie gaat altijd een stukje van de energie verloren voor de omzetting zelf. Normaal gesproken wil je conversie daarom zoveel mogelijk beperken. Een voorbeeld uit de regio: in 2024 is in Nieuwegein een electrolyzer gerealiseerd waarmee jaarlijks 300.000 kilo groene waterstof geproduceerd kan worden.) ruimte op het elektriciteitsnet moet de opgewekte stroom direct verbruikt worden of opgeslagen voor een later moment. Hierdoor worden steeds meer daken niet (helemaal) volgelegd met zonnepanelen.
Rijk Door de problemen op het elektriciteitsnet nemen overheden in toenemende mate een regierol. Het Rijk heeft in het Nationaal Programma Energiesysteem (NPE) en het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) een visie op de toekomst van het systeem neergelegd. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (MIEK) is dit uitgewerkt naar concretere projecten. ^ Elektrolyser groene waterstof Nieuwegein
2. Drie kaarten energiesysteem in de regio Systeemstudie Energie-infrastructuur provincie Utrecht (provincialestatenutrecht.nl)
6. Zon op daken & objecten
De ligging van alle kabels en leidingen vindt u hier
terug.
Het Rijk heeft de provincies gevraagd een Energievisie en een provinciale MIEK, P-MIEK op te stellen. Bovendien is op provinciaal niveau een Energyboard ingericht waar netbeheerders samen met overheden sturen op het oplossen van congestie . Daarnaast kan de provincie sturen met haar ruimtelijk instrumentarium zoals de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.De provincie is onder andere het bevoegd gezag voor windmolens vanaf 5 MW piekvermogen maar ook bevoegd gezag in het kader van de Wet natuurbescherming.
Gemeenten sturen via hun warmteprogramma’s en beleid voor duurzame opwek op het energiesysteem. Daarnaast zijn gemeenten bevoegd gezag voor allerlei fysieke initiatieven zoals transformatorhuisjes en kabels en leidingen. Bovendien hebben ruimtelijke keuzes van gemeenten invloed op het energiesysteem. Bijvoorbeeld over woningbouw, bedrijvigheid, elektriciteitsopwekking en warmtetransitie. ^ Electriciteitsnetten
^ Gasnetten
^ Wamtenetten
8. Energie besparen 9. Lokaal eigenaarschap
3. Wie gaat er over het energiesysteem?
10. Energiebronnen
Er is niet één overheidsorganisatie het bevoegd gezag van het energiesysteem, maar vele actoren hebben een rol.
11. Verdieping
Provincie
Gemeenten sturen door ruimtelijke keuzes
7. Hoe werkt de RES
Direct naar:
De verantwoordelijkheid voor het elektriciteitsnet ligt bij de landelijke netbeheerder, TenneT, en de regionale netbeheerders, Stedin is dat in RES regio Utrecht. Dit zijn private partijen met overheden als aandeelhouders. Zij moeten het net beheren met oog voor veiligheid en het voorkomen van storingen. Daarnaast moeten ze het netwerk tijdig en doelmatig (kostenefficiënt) uitbreiden. De netbeheerders moeten in beginsel klanten aansluiten op volgorde van aanvraag. Met hun investeringsprogramma’s sturen de netbeheerders op de investeringen in het netwerk (investeringsplannen: Stedin, en TennetT). De ACM ziet toe op de energiemarkt door bijvoorbeeld toezicht op eerlijke concurrentie op de energiemarkt en stelt zelf ook aanvullende en verduidelijkende regels.
Bedrijven en inwoners Naast keuzes van bovengenoemde partijen wordt het energiesysteem in belangrijke mate vormgegeven door de keuzes en investeringen van inwoners en bedrijven. Denk aan keuzes en investeringen bij het verduurzamen van de eigen woning, vastgoed, bedrijfsvoering, het wagenpark, enz. Ook projecten voor energieopslag, windmolens, zonnevelden en warmtenetten worden in de regel door private partijen ontwikkeld. Overheden vinden het belangrijk dat inwoners zeggenschap hebben en kunnen meeprofiteren van deze projecten. Meer hierover vindt u in hoofdstuk 9: lokaal eigenaarschap.
12. Bijlage: PlanMER 44
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 3. Energiesysteem Veranderingen op komst Door aankomende wetgeving zoals de Wet collectieve warmtevoorziening en de Energiewet en daarnaast de nijpende situatie in het kader van netcongestie zijn er de komende jaren veranderingen te verwachten ten opzichte van bovenstaande rollen en bevoegdheden.
4. Aanpak netcongestie De energietransitie en economische groei vragen steeds meer capaciteit van het elektriciteitsnet. Netbeheerders hebben de verantwoordelijkheid tijdig het netwerk uit te breiden. De investeringen houden de toegenomen capaciteitsvraag niet bij (investeringen Stedin , investeringen Tennet ). In bijna de hele regio (actueel overzicht hier ) is op dit moment sprake van congestie op opwek en afname voor grootverbruik aansluitingen. Mogelijk wordt op termijn ook congestie op kleinverbruik afgekondigd. Deze congestie heeft op korte termijn impact op de woningbouw, ruimte voor economische groei en op de voortgang van de energietransitie. In de Energyboard werken netbeheerders, Rijk, provincie en regio/gemeenten samen op het aanpakken van congestie. Meer informatie vindt u hier .
5. Ontwerpen vanuit de vernieuwde Trias Energetica De huidige energievoorziening is een belangrijke bron van CO2-uitstoot. Daarom is een overgang naar een toekomstbestendige, fossielvrije en klimaatneutrale energievoorziening noodzakelijk. De belangrijkste onderdelen in deze transitie zijn het verlagen van de fossiele energievraag en het vergroten van de (lokale) duurzame opwek van energie.
Dit plan van december 2023 beschrijft hoe Nederland een energiesysteem ontwikkelt dat past bij een klimaatneutrale samenleving. Dat betekent dat de manier waarop we energie opwekken, transporteren, opslaan en gebruiken geen negatief effect heeft op het klimaat. Er worden keuzes gemaakt voor een energiesysteem dat alle gebruikerssectoren (gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie en landbouw & landgebruik) in staat moet stellen om te verduurzamen. In het Nationaal plan energiesysteem staat een langetermijnvisie op het energiesysteem in 2050. Het wordt ieder 5 jaar aangepast.
Het Rijk maakt 5 richtinggevende keuzes: 1. Maximaal aanbod: maximale inzet op aanbod van duurzame energie en energie-infrastructuur. 2. Energiebesparing: besparen als belangrijke hoeksteen van het energiebeleid. 3. Slim inzetten energie en infrastructuur: schaarse energie en infrastructuur worden ingezet waar dit het meest nodig is vanuit systeemperspectief. 4. Internationale samenwerking: sterke internationale samenwerking en maximaal verbonden energiesysteem. 5. Samen sturen: met burgers en bedrijven, met ruimte voor participatie en initiatief.
en R er ed gy uc de e m an d
2
1 3
s ite ce ns our eo es Us abl w
ne
re
De in 2021 vernieuwde Trias Energetica is een drietraps– strategie voor het verduurzamen van de energievoorziening. 1. Beperk maximaal de vraag naar energie. 2. Gebruik zoveel mogelijk lokale duurzame energiebronnen. 3. Vul bij onvoldoende lokale bronnen aan met duurzame energie van elders.
6. Nationaal Plan Energiesysteem
Use remote renewable sources
45
11. VERDIEPING
Verdieping 4. Warmtetransitie 1. Geothermie Geothermie is duurzame warmte uit de ondergrond dieper dan 500m, waarmee je huizen en gebouwen kunt verwarmen.
Potentie Om goed inzicht te krijgen in de potentie van geothermie in de regio, voert Energiebeheer Nederland (EBN) via het SCAN-programma drie wetenschappelijke onderzoeksboringen uit. In Amstelland (net over de grens in Noord-Holland) is eind 2023 de eerste boring uitgevoerd. Eind 2024 en begin 2025 volgen de tweede in de buurt van Ede/Veenendaal respectievelijk de derde in de buurt van De Bilt/Zeist. De resultaten zijn dan in Q3 2025 beschikbaar. Behalve als basisbron voor een nieuw groot warmtenet (minimaal 5000 woningen), kan aardwarmte de duurzame bron worden voor een bestaand warmtenet. Bijvoorbeeld het bestaande stadswarmtenet in Utrecht en Nieuwegein. Dit warmtenet wordt nu nog voor een deel gevoed met warmte uit een aardgasgestookte energiecentrale en een biomassa installatie.
Wat doen we als regio? Ondanks dat de potentie pas eind 2025 bekend is, werken we nu al samen in een werkgroep van EBN, provincie Utrecht, RES en de gemeenten waar geothermie nu het meest kansrijk lijkt (Utrecht, De Bilt, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Stichtse Vecht). Daarin kijken we o.a. naar de warmtevraag en het verdelingsvraagstuk zodat we voorbereid zijn als blijkt dat er daadwerkelijk potentie is. Vanwege het grote belang van aardwarmte zetten EBN en de provincie Utrecht een strategie op om de ontwikkeling van deze warmtebron te stimuleren. Hierbij wordt gekeken naar de lopende vergunningen en de uitkomsten van onderzoeksboringen. De RES-regio’s worden hierbij betrokken. NPLW biedt veel achtergrondinformatie over geothermie op hun site .
^ Uit een analyse van Panterra uit 2021 lijkt de potentie voor geothermie het grootst aan de oostkant van de regio, maar de onzekerheid is nog groot.
2. Aquathermie Aquathermie is het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater. De warmte uit het water wordt als dat nodig is opgeslagen in de bodem en daarna op een hogere temperatuur gebracht (opgewaardeerd) met een warmtepomp.
TEO Potentie De technische potentie van thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) is te bekijken met de landelijke aquathermieviewer en de meer gedetailleerde aquathermieviewer van HDSR . Als er voldoende technische potentie aanwezig is, heb je eerst een vergunning voor koudelozing nodig van de waterbeheerder. Voor deze vergunning kijkt het waterschap of Rijkswaterstaat niet alleen naar de technische potentie ook naar het effect van koudelozing op het ecologische systeem en de invloed van filters. Ook moet de TEO installatie worden ingepast naast andere functies van een water, zoals scheepvaart of de waterkerende functie. We zien wel wat schaarste ondanks veelbelovende technische potentie: bij de Kromme Rijn bijvoorbeeld zit dat in de ecologische potentie. En in het AmsterdamRijnkanaal spelen zaken als scheepvaart, kabels en leidingen, damwanden en de waterkerende functie.
Wat doen we als regio? Per rivier of kanaal in de regio hebben we een werkgroep met omliggende gemeenten en waterschap/ RWS die samen kijken naar warmtevraag, potentie, fasering, vergunningen en het verdelingsvraagstuk. De waterbeheerders staan welwillend tegenover het inzetten van de warmte ‘om niets’ en werken graag mee om aquathermie succesvol in te zetten.
TEA Potentie De potentie van warmte uit afvalwater (TEA), ofwel warmteonttrekking uit het effluent van RWZI’s, overstijgt zelden de gemeentegrens. Een enkele keer, zoals bij de RWZI op de grens van IJsselstein en Nieuwegein, kunnen we wellicht in beide gemeenten een wijk van warmte uit dezelfde RWZI voorzien.
Wat doen we als regio? Gemeenten weten elkaar te vinden voor het verdelingsvraagstuk als de potentie van warmte kansen biedt voor meer dan één gemeente.
TED Potentie De potentie van warmte uit drinkwaterleidingen of bergingen (TED) overstijgt zelden de gemeentegrens. Een enkele keer, zoals bij de WRK leiding die ruwwater van Nieuwegein naar de waterleidingduinen brengt, speelt een verdelingsvraagstuk. Waternet leidt in dit geval het proces van de verdeling van warmte uit hun leiding.
46
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 4. Warmtetransitie Wat doen we als regio? Gemeenten weten elkaar te vinden voor het verdelingsvraagstuk als de potentie van warmte kansen biedt voor meer dan één gemeente.
hebben dan middentemperatuur (MT) systemen. Dit komt voornamelijk omdat er ruimte nodig is in de woning voor plaatsing van een warmtepomp. Een stadsbreed MT warmtenet (voor meerdere wijken) heeft, door de inzet van bronnen als geothermie, wat meer ruimte nodig aan de rand van de stad. Voor een lokaal warmtenet in een wijk is meer ruimte nodig in de wijk zelf, wat een beperking kan zijn.
NPLW biedt veel achtergrondinformatie over aquathermie op hun site .
5. Randvoorwaarden
3. Aanpak netcongestie De energietransitie en economische groei vragen steeds meer capaciteit van het elektriciteitsnet. Netbeheerders hebben de verantwoordelijkheid tijdig het netwerk uit te breiden. De investeringen houden de toegenomen capaciteitsvraag vooralsnog niet bij (investeringen Stedin , investeringen Tennet ). In bijna de hele regio (actueel overzicht hier ) is er op dit moment congestie op zowel opwek als afname voor grootverbruik aansluitingen. Mogelijk wordt op termijn ook congestie op kleinverbruik afgekondigd. Deze congestie heeft op korte termijn impact op de woningbouw, ruimte voor economische groei en op de planning van de warmtetransitie. De verschillende warmteoplossingen hebben ook elk hun eigen impact op de woningbouw, ruimte voor economische groei en op de planning van het elektriciteitsnet voor de lange termijn. Gemeenten en netbeheerders werken samen om slim te plannen en netbewuste keuzes te maken in de warmtetransitie. In de Energyboard werken netbeheerders, Rijk, provincie en regio/gemeenten samen op het aanpakken van congestie. Meer informatie vindt u hier .
De ambitie van 1,8 TWh en de warmtetransitie kunnen we niet alleen als deelnemers van de RES-regio Utrecht realiseren. Van andere partijen vragen wij ook om inzet, in capaciteit danwel in middelen. Onderstaande randvoorwaarden zijn in lijn met de RES 1.0, maar waar nodig aangepast op de nieuwe realiteit.
Blijvende financiële middelen vanuit het Rijk Het is essentieel dat de middelen via een robuuste, langjarige en eenduidige regeling beschikbaar blijven. Dit geldt voor zowel de uitvoering als investeringen. De middelen die sinds de RES 1.0 landelijk zijn uitgerold (e.g. CDOKE, Nationaal Isolatieprogramma) hebben bijgedragen aan de slagkracht van gemeenten en provincie. Om ook in de toekomst Klimaatafspraken na te komen, is onverminderd steun vanuit het Rijk nodig. Subsidieregelingen en financiële arrangementen zoals de SDE++ en ISDE zijn onmisbaar voor realisatie. Het (gedeeltelijk) wegvallen van deze stimulering maakt uitvoering van de rijksafspraken door de decentrale overheden onmogelijk.
Samenwerking in de warmtetransitie
4. Ruimtegebruik per aardgasvrije strategie binnen de gemeentegrenzen in m2/WEQ In principe willen we kiezen voor de duurzame warmteoplossing met de laagste nationale kosten. Maar vaak liggen de kosten voor verschillende oplossingen dicht bij elkaar en kan alleen op basis van kosten geen keuze worden gemaakt. In de modellen voor kostenberekeningen wordt echter (vaak) geen rekening gehouden met de “kosten” voor ruimtegebruik. Daarom willen we ook het bovengrondse ruimtegebruik in kaart brengen per duurzame warmteoplossing. Zo kunnen we analyseren of in een buurt/wijk naar verwachting voldoende ruimte beschikbaar is voor een bepaalde warmteoplossing of dat hoge kosten gemaakt moeten worden om deze ruimte te creëren. 3,5
In de woning (m2)
In de wijk
3,0
Aan de rand van de stad
m2/WEQ
Voor het totale ruimtegebruik per duurzame warmteoplossing 2,5 2,0 is het ruimtegebruik binnen de gemeentegrenzen 1,5 1,0 meegenomen, dus het ruimtegebruik voor opwek van 0,5 elektriciteit is hier buiten beschouwing gelaten. De 0,0 Individuele WijkWijkIndividuele Stadsbreed resultaten laten zien dat (zeer)lagetemperatuur ((Z)LT) warmtenet ZLT warmtenet MT warmtenet MT luchtwarmte- bodemwarmtepomp pomp verwarmingssystemen 2.5-3 maal zoveel ruimte nodig ^ Ruimtegebruik per aardgasvrije strategie binnen
Gemeenten hebben het voortouw in de warmtetransitie. Dat betekent niet dat gemeenten er alleen voor staan. Om ze daadwerkelijk regie te laten voeren, is er vanuit het Rijk een duidelijke set aan regels en instrumenten nodig. • Een beter financieel systeem rondom warmtenetten en bronnetten • Verbetering van het imago van warmtenetten • Wetgeving (Wcw, Wgiw, Bgiw) • Financiële middelen voor gemeenten met zekerheid richting de toekomst, zowel voor uitvoering als investeringen • Behoud van ISDE subsidie • Netverzwaring • Inzetbaarheid van genoeg goed opgeleid personeel om de transitie uit te voeren
Blijvende ondersteuning vanuit NP RES en NPLW Zowel kennisontwikkeling en -uitwisseling als investeringsmiddelen vanuit NP RES en NPLW blijven nodig om regionaal de opgaven goed tot uitvoer te kunnen brengen.
de gemeentegrenzen in m2/WEQ.
47
1 1. V E RDIE PING
Verdieping 4. Warmtetransitie 6. Warmteprogamma’s Alle 16 gemeenten van regio Utrecht hebben een Transitievisie Warmte (TVW) vastgesteld. In een TVW beschrijft een gemeente de aanpak van het isoleren en aardgasvrij maken van de gebouwde omgeving. Met ingang van de Wet gemeentelijke instrumenten warmtetransitie (Wgiw) wijzigt de Omgevingswet en verandert de naam Transitievisie Warmte in Warmteprogramma. In deze wet staat ook dat het 1e Warmteprogramma uiterlijk 31 december 2026 vastgesteld moet zijn door het college van Burgemeester en Wethouders. Vervolgens moet het elke 5 jaar worden geactualiseerd. Op dit moment is de Wgiw nog niet van kracht. De beoogde inwerkingtreding is 1 juli 2025. Deze datum kan als gevolg van ontwikkelingen in het wetgevingstraject nog veranderen. Gemeenten krijgen ondersteuning bij het opstellen van een Warmteprogramma met het ondersteuningstraject ‘Samen op weg naar een eigen warmteprogramma’. Dit sluit aan op de Handreiking Warmteprogramma van het NPLW. Het traject wordt aangeboden door provincie Utrecht en de drie RES regio’s in de periode septdec 2024. Dit is de voorloper op het ondersteuningstraject dat het NPLW aanbiedt vanaf januari 2025.
48
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 5. Grootschalige opwek 1. Andere technieken voor opwek Er bestaan ook andere technieken, zoals waterkracht, kleine kerncentrales, biomassa en waterstof, maar die zijn op dit moment onvoldoende marktrijp, nog in ontwikkeling en/of staan ter discussie. Daardoor is de grootschalige toepassing van deze technieken in de regio Utrecht tot 2030 niet haalbaar en worden ze niet meegenomen in de doelstellingen. We volgen de landelijke ontwikkelingen omtrent onder meer waterstof, kernenergie en (ultradiepe) geothermie in relatie tot kansen voor de RES. Als daar in de toekomst aanleiding toe is kunnen we de RES naar eigen inzicht verbreden en andere technologieën meenemen.
2. Aanpak netcongestie De energietransitie en economische groei vragen steeds meer capaciteit van het elektriciteitsnet. Netbeheerders hebben de verantwoordelijkheid tijdig het netwerk uit te breiden. De investeringen houden de toegenomen capaciteitsvraag niet bij (investeringen Stedin , investeringen Tennet ). In bijna de hele regio (actueel overzicht hier ) is op dit moment sprake van congestie op opwek en afname voor grootverbruik aansluitingen. Mogelijk wordt op termijn ook congestie op kleinverbruik afgekondigd. Deze congestie heeft op korte termijn impact op de woningbouw, ruimte voor economische groei en op de voortgang van de energietransitie. In de Energyboard werken netbeheerders, Rijk, provincie en regio/ gemeenten samen op het aanpakken van congestie. Meer informatie vindt u hier .
3. Planuitvalmechanisme Met de bijdragen van gemeenten werken we toe naar de ambitie van 1,8 TWh aan opwek in 2030. We beseffen dat in dit proces plannen voor duurzame energie kunnen uitvallen om technische, maatschappelijke en/of politieke redenen. In de RES 1.0 is daarom al geconstateerd dat om zicht te houden op de ambitie een continue samenwerking en steeds doorgaande zoektocht nodig is naar zoekgebieden voor duurzame energie. Daarvoor is besloten het planuitvalmechanisme toe te passen. Het planuitvalmechanisme bevat processtappen waarlangs het (bestuurlijke) gesprek gevoerd kan worden bij planuitval van windmolens, zonnevelden en grootschalig zon-op-dak. Zo helpen de deelnemers elkaar om gezamenlijk planuitval op te vangen. We onderscheiden drie soorten planuitval: 1. Plan/zoekgebied wordt geheel niet gerealiseerd 2. Plan/zoekgebied wordt slechts gedeeltelijk gerealiseerd 3. Plan/zoekgebied wordt door vertraging na 2030 gerealiseerd
projecten. Als deze er zijn dan neemt de gemeente de besluiten over deze alternatieve zoekgebieden/ projecten. Als er lokaal geen oplossing mogelijk is en de planuitval ertoe leidt dat de gemeente haar bijdrage niet kan realiseren dan schaalt zij op naar bovenlokaal niveau. Daarvoor organiseert zij een overleg met de naburige gemeenten in hetzelfde deel van het stroomnet en/of binnen de (in)formele bestuurlijke samenwerking. Met dit overleg wordt gezocht naar mogelijkheden om de planuitval in een naburige gemeente op te vangen. Als er ook bovenlokaal geen oplossing is, dan wordt opgeschaald naar regionaal overleg om de planuitval binnen de regio op te vangen.
4. Systeem bewust ontwikkelen Netcongestie laat zien dat het huidige energiesysteem niet meer past bij de energievoorzieningen van de toekomst. Het energiesysteem moet als een samenhangend systeem worden bekeken: vraag, opwek, transport, uitwisseling, omzetting en opslag. Dat betekent dat voor nieuwe zoeklocaties voor zonne- en windparken rekening wordt gehouden met logische plekken in het energiesysteem. Dit kan (toekomstige) netcongestie voorkomen en bijdragen aan het lokaal zoveel mogelijk koppelen van vraag en aanbod. Denk daarbij aan het delen van de aansluiting bij wind- en zonprojecten. Maar ook bij onderstations van het hoogspanningsnet met voldoende aansluitruimte, grootschalige (batterij)opslag of op plekken met een grote energievraag zoals bedrijventerreinen. Daarnaast worden bij nieuwe opwekprojecten steeds vaker projectbatterijen geplaatst waarmee een periode met drukte op het stroomnet kan worden overbrugd. Extra opwek nabij nieuwe woon- en werkgebieden draagt bij aan de energievoorzieningen van deze gebieden.
5. Dubbel ruimtegebruik Ruimte is schaars in de regio Utrecht. Daarom wordt bij nieuwe zonnevelden (en windparken) actief gezocht naar mogelijkheden voor de combinatie met andere functies. Daarbij kan gedacht worden aan zonnepanelen gecombineerd met fruitteelt en/of schapen en natuurinclusieve zonneparken.
Het planuitval kent een getrapte aanpak: lokaal – bovenlokaal – regionaal Bij een gemeente waar de planuitval zich dreigt voor te doen wordt eerst geprobeerd dit te voorkomen. Blijkt dat niet mogelijk, dan zoekt de gemeente naar alternatieve zoekgebieden/ 49
1 1 . V ERDIEP I N G
Verdieping 5. Grootschalige opwek Aangescherpt Rijksbeleid voor nieuwe zonneparken Per 1 januari 2024 is er vanuit het Rijk een aangescherpte voorkeursvolgorde voor zon op land. Dit is een aanvulling op de zonneladder. De voorkeursvolgorde voor zonnepanelen is: zon op daken en gevels en gronden binnen en buiten bestaand gebouwd gebied (de eerste drie treden). Zon op landbouw- en natuurgronden (vierde trede) heeft niet de voorkeur. Uitzonderingsmogelijkheden als gekozen wordt voor zon op landbouw- en natuurgronden: • Multifunctioneel en meervoudig ruimtegebruik (o.a. combinatie van landbouw en een zonnepark) • Landbouwgronden die door bestuurlijk bindende afspraken in transitie zijn (doordat ze bijvoorbeeld in de toekomst een andere bestemming krijgen). Zonnepanelen dragen dan financieel bij aan de gebiedsgerichte opgave en mogen voor maximaal 30 jaar aangelegd worden. • Een situatie waarbij de aanleg van een zonnepark bijdraagt aan de vermindering van netcongestie of zorgt voor een efficiënter netwerkgebruik De voorkeursvolgorde zon wordt in een provinciale verordening (2025) doorvertaald naar de situatie in Utrecht.
8. Systeem bewust ontwikkelen De tabel geeft een overzicht van de klimaatambities van de verschillende gemeenten voor 2040 en voor 2050. Het gaat om door de gemeenteraad vastgesteld beleid. Belangrijk om te vermelden is dat nog niet alle gemeenten concrete klimaatambities hebben vastgesteld. En de klimaatambities zijn nog beperkt uitgewerkt. Daarnaast wordt niet in alle besluiten dezelfde definitie gebruik voor de termen energieneutraal en klimaatneutraal. Energieneutraal betekent dat je net zoveel energie opwekt als dat je verbruikt. Bij klimaatneutraal komt er geen CO2 (en andere broeikasgassen) vrij als gevolg van de activiteiten (inclusief de energievoorziening) en draag je dus niet bij aan klimaatverandering. Bij klimaatneutraal wordt geen gebruik gemaakt van fossiele brandstoffen en/of zorg je ervoor dat dat deze CO2 actief uit de lucht wordt gehaald. Ter informatie: In het nationale Klimaatakkoord en de Klimaatwet is vastgesteld dat in 2030 49% minder broeikasgassen (incl. CO2) moeten worden uitgestoten en in 2050 95% minder broeikasgassen. Voor de energievoorziening is het Europese CO2-reductiedoel voor 2030 55% (wordt aangescherpt naar 60%) en wordt gestreefd naar een klimaatneutrale energievoorziening in 2050.
6. Meer regie over eigen energie Vanuit het toekomstige energiesysteem is het wenselijk dat stroom wordt opgewekt dicht bij de plek waar het wordt verbruikt. Het energienet wordt daarmee ontzien, bedrijven en andere grote energiedragers hebben meer controle over eigen energie en er kan worden bijgedragen aan het verminderen van netcongestie. Opwek met zon en wind kan bijvoorbeeld direct worden aangesloten (acher de meter) van bedrijven met een grote energievraag. In het energiesysteem van de toekomst is het wenselijk energie vraag en aanbod zo goed mogelijk op elkaar af te stemmen. Lokale uitwisseling, opslag en omzetting (bijvoorbeeld van stroom naar waterstof of warmte) van energie is daar onderdeel van. Dat gebeurt in energiehubs waarin bedrijven met elkaar samenwerken.
7. Clusteren energieopwek voor behoud landschap en natuur Vanuit de verschillende belangen, regionale landschapsstudies en het participatieproces is een duidelijke voorkeur naar voren gekomen voor windparken en zonneparken langs hoofdinfrastructuur (zoals; snelwegen, spoor, Amsterdam-Rijnkanaal). Bij direct omwonenden van de deze locaties bestaat wel vaak weerstand tegen zon- en windprojecten op deze locaties. Onder clusteren valt ook het combineren van zon en wind. Door clusteren bij infrastructuurlandschappen kunnen de cultuurhistorische en natuurlijke landschappen zoveel mogelijk worden ontzien.
Ambitie 2040 Bunnik
Klimaatneutraal
De Bilt
Nog niet gedefinieerd
De Ronde Venen Houten
Ambitie 2050 Nog niet gedefinieerd Klimaatneutraal
Klimaatneutraal
IJsselstein
Klimaatneutraal
Lopik
Volgt ambitie rijk
Volgt ambitie rijk
Montfoort
100% elektriciteitsbehoefte is duurzaam opgewekt
Energie- en klimaatneutraal
Nieuwegein
Energieneutraal
Oudewater
Klimaatneutraal
Stichtse Vecht
Verdubbeling duurzame opwek zon (0,1 TWh in 2030 -> 0,2 TWh 2040)
Nog niet gedefinieerd
Utrecht
Nog niet gedefinieerd
Klimaatneutraal
Utrechtse Heuvelrug
Nog niet gedefinieerd
Klimaatneutraal
Vijfheerenlanden
Nog niet gedefinieerd
Energieneutraal
Wijk bij Duurstede
Energieneutraal
Klimaatneutraal
Woerden
Nog niet gedefinieerd
Energie- en klimaatneutraal
Zeist
Energieneutraal 50
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 6. Zon op daken en objecten 1. Opwek op kleine daken
• Ruimte op elektriciteitsnet of mogelijkheden direct verbruik: Er moet genoeg ruimte op het
Opwek op kleine daken telt (nog) niet mee. Bij kleine daken, zoals woningen, is nog geen sprake van netcongestie. Het aantal zonnepanelen op kleine daken groeit dan ook hard door. Toch telt dit niet mee voor ons regionale bod. In de RES gaat het namelijk om grootschalige opwek van duurzame energie. Daarom wordt alleen de opwek op grote daken meegenomen, vanaf 15 kWp of 50 zonnepanelen. Landelijk is afgesproken dat kleine daken wel meetellen voor het RES bod als twee belangrijke momenten zijn gehaald: 1. In Nederland wordt meer dan 7 TWh op kleine daken opgewekt. 2. Alle RES regio’s wekken samen meer dan 35 TWh op. Het eerste punt is in 2023 bereikt, maar het tweede nog niet. Mocht dit voor 2030 wel gebeuren, dan telt alle opwek op kleine daken na 1 januari 2024 mee voor ons regionale bod. Het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) berekent om hoeveel opwek het gaat voor onze regio. Op dit moment telt de opwek op kleine daken dus nog niet mee.
^ Opwek op dak van school in Zeist
2. Opwek op grote daken We verwachten dat ongeveer op de helft (50%) van alle grote daken ooit zonnepanelen komen. Dat komt omdat er bij zon op dak vaak meerdere hindernissen moeten worden genomen. Dit blijkt uit verschillende onderzoeken van o.a. OverMorgen (februari 2021), CE Delft (maart 2021) in opdracht van gemeente Utrecht, en TKI Urban Energy (april 2021). De belemmeringen van de huidige afgeroepen netcongestie op het landelijk netwerk zijn hier nog niet in meegenomen.
De volgende hindernissen kunnen een rol spelen: • Medewerking: De dakeigenaar moet zelf initiatief nemen voor zonnepanelen en deze willen betalen. • Eigendom: De eigenaar van het (bedrijfs)pand is niet altijd de gebruiker die de energierekening betaalt. • Technisch: Niet alle daken zijn geschikt. Zo kan
elektriciteitsnet zijn, zowel bij Stedin als Tennet. Bij onvoldoende ruimte op het elektriciteitsnet moet de opgewekte stroom direct verbruikt worden of opgeslagen voor een later moment. Hierdoor worden steeds meer daken niet (helemaal) volgelegd met zonnepanelen.
3. Aanpak netcongestie Netbeheerders hebben de verantwoordelijkheid tijdig het netwerk uit te breiden. Meer over de investeringen van de netbeheerders klik dan hier voor Stedin en hier voor Tennet. De investeringen houden de toegenomen capaciteitsvraag vooralsnog niet bij. In bijna de hele regio (actueel overzicht hier ) is er op dit moment congestie op zowel opwek als afname voor grootverbruikaansluitingen. Het valt niet uit te sluiten dat op termijn ook congestie op kleinverbruik wordt afgekondigd. Deze congestie heeft op korte termijn impact op de woningbouw, ruimte voor economische groei in de regio en op de planning van de warmtetransitie. De verschillende duurzame warmteoplossingen hebben ook elk hun eigen impact op de woningbouw en ruimte voor economische groei in de regio en op de planning van de voor de lange termijn op het elektriciteitsnet. Gemeenten en netbeheerders werken samen om slim te plannen en netbewuste keuzes te maken in de warmtetransitie. In de Energyboard werken netbeheerders, rijk, provincie en regio/ gemeenten samen op het aanpakken van congestie. Meer informatie vindt u hier .
Terugleveren zonnestroom zeer beperkt mogelijk en ongewenst Netcongestie voor het leveren van stroom aan het elektriciteitsnet geldt nu alleen voor grootverbruikers. Dit betekent dat daken bij kleinverbruikers, zoals woningen en kleine bedrijven, nog wel stroom kunnen leveren aan het elektriciteitsnet. Dit kan tot ongeveer 200 panelen. Toch moedigen we dit niet aan. Er is namelijk geen rekening gehouden met deze extra groei. Dit kan zorgen voor extra overbelasting van het elektriciteitsnet of spanningsproblemen. Nu is het hoogspanningsnet van TenneT een beperkende factor, waardoor teruglevering de komende jaren zeer beperkt mogelijk is. Maar ook de ruimte op het Stedin netwerk is uiteindelijk bepalend hoeveel opwek er mogelijk is op daken, gevels en carports. Het is daarbij niet alleen belangrijk dát er ruimte is op het Stedin netwerk, maar ook dat dit overeenkomt met de locaties van de daken.
de dakconstructie onvoldoende zijn of zijn er door obstakels op het dak minder mogelijkheden voor zon op dak. Daken op het noorden tellen we sowieso al niet mee. • Businesscase: Zon op dak is vaak pas aantrekkelijk bij een positieve businesscase. Extra kosten voor slimme oplossingen (zoals een batterij) verslechteren die. ^ Opwek op dak van distributiecentrum Jumbo Nieuwegein
51
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 6. Zon op daken en objecten 4. Slimme oplossingen zijn nog volop in ontwikkeling
6. Indirecte invloed overheden
Veel slimme oplossingen die bijdragen aan het samenbrengen van opwek en verbruik zijn nog volop in ontwikkeling. Vaak is de techniek nog niet ver genoeg, maar soms zijn er ook juridische of financiële hindernissen. Zo zijn batterijen nu nog erg duur, zelfs met subsidie. Dit geldt zeker voor de echt grote daken van bijvoorbeeld distributiecentra. Daar moet zo’n grote batterij geplaatst worden dat een alternatief zoals een dieselgenerator vaak goedkoper is. Dit zien we ook terug in de subsidieaanvragen voor opslag bij de provincie Utrecht. Dit zijn vooral kleinere batterijen voor bijvoorbeeld melkveehouders of sportclubs. Ook kunnen batterijen de situatie op het elektriciteitsnet verergeren als deze verkeerd worden gebruikt.
Als we kijken naar hoeveel procent van de daken zonnepanelen hebben, dan zit er weinig verschil tussen de gemeenten op een enkele uitzondering na. Het valt op dat de gemeenten waar sterk wordt ingezet op zon op dak (zoals Zeist en De Ronde Venen) niet per se de gemeenten zijn met het meeste zon op dak. Andersom geldt hetzelfde. Meer inzet op zon op dak leidt dus niet direct tot meer realisatie van duurzame opwek.
Er kan achter-de-meter ook samen worden gewerkt door bedrijven door onderling energie te delen, dit noemen we energiehubs . Dit kan kansen bieden als de een veel energie opwekt en de ander juist veel verbruikt. Ook dit staat nog in de kinderschoenen en kent veel hindernissen, zowel financieel, technisch als juridisch. De komende tijd worden pilots opgezet door de provincie Utrecht en het Rijk om ervaringen op te doen. Lees hier meer over slimme oplossingen.
5. Opwek op gevels en objecten De impact van opwek op gevels en solar carports is minimaal, totdat netuitbreiding is gerealiseerd. Voor zowel gevels als carports geldt dat er op dit moment alleen kansen zijn bij direct verbruik van de opwek. Dit beperkt de mogelijkheden voor deze opwekvormen in elk geval tot het elektriciteitsnet is uitgebreid. Daarnaast zijn solar carports duur om te ontwikkelen door extra materiaalgebruik. Toch rekenen we erop dat uiteindelijk bij 10% van alle grotere parkeerterreinen in de RES regio Utrecht solar carports gerealiseerd kunnen worden. Op solar carports kan dan nog 0,04 TWh extra opgewekt worden in onze regio. Door beperkingen van het elektriciteitsnet zullen de meesten wel pas na 2030 ontwikkeld worden. Daarnaast kunnen gevels ingezet worden voor extra opwek van zonne-energie. De meeste kansen hiervoor lijken bij hoogbouw en utiliteitsgebouwen te liggen. Dat komt doordat daar minder ramen, bomen of andere gebouwen aanwezig zijn die zorgen voor schaduw. Doordat de zon op een andere manier op de panelen valt kunnen gevelpanelen interessant zijn in de winter. Het is alleen nog onduidelijk wat er precies mogelijk is op gevels en wat daar allemaal bij komt kijken. Dit gaan we de komende periode verder onderzoeken voor onze regio.
52
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 7. Hoe werkt de RES 1. RES Regio Utrecht
Provincie
• Gemeente Bunnik
• Gemeente Vijfheerenlanden
• Gemeente De Bilt
• Gemeente Wijk bij Duurstede
• Gemeente De Ronde Venen
• Gemeente Woerden
• Gemeente IJsselstein
• Gemeente Zeist
• Gemeente Houten
• Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden
• Gemeente Lopik
(HDSR)
• Gemeente Montfoort
• Waterschap Amstel, Gooi en Vecht (AGV)
• Gemeente Nieuwegein
• Waterschap Rivierenland
• Gemeente Oudewater
• Waterschap Vallei en Veluwe
• Gemeente Stichtse Vecht
• Provincie Utrecht
• Gemeente Utrecht
• Netbeheerder Stedin
• Gemeente Utrechtse Heuvelrug
Het Rijk heeft de provincies gevraagd een Energievisie en een provinciale MIEK, P-MIEK op te stellen. Bovendien is op provinciaal niveau een Energyboard ingericht waar netbeheerders samen met overheden sturen op het oplossen van congestie . Daarnaast kan de provincie sturen met haar ruimtelijk instrumentarium zoals de Omgevingsvisie en Omgevingsverordening.De provincie is onder andere het bevoegd gezag voor windmolens vanaf 5 MW piekvermogen maar ook bevoegd gezag in het kader van de Wet natuurbescherming.
Gemeenten sturen door ruimtelijke keuzes Gemeenten sturen via hun warmteprogramma’s en beleid voor duurzame opwek op het energiesysteem. Daarnaast zijn gemeenten bevoegd gezag voor allerlei fysieke initiatieven zoals transformatorhuisjes en kabels en leidingen. Bovendien hebben ruimtelijke keuzes van gemeenten invloed op het energiesysteem. Bijvoorbeeld over woningbouw, bedrijvigheid, elektriciteitsopwekking en warmtetransitie.
Bedrijven en inwoners
2. Wie gaat er over het energiesysteem Er is niet één overheidsorganisatie het bevoegd gezag van het energiesysteem, maar vele actoren hebben een rol.
Grote rol netbeheerders De verantwoordelijkheid voor het elektriciteitsnet ligt bij de landelijke netbeheerder, TenneT, en de regionale netbeheerders, Stedin is dat in RES regio Utrecht. Dit zijn private partijen met overheden als aandeelhouders. Zij moeten het net beheren met oog voor veiligheid en het voorkomen van storingen. Daarnaast moeten ze het netwerk tijdig en doelmatig (kostenefficiënt) uitbreiden. De netbeheerders moeten in beginsel klanten aansluiten op volgorde van aanvraag. Met hun investeringsprogramma’s sturen de netbeheerders op de investeringen in het netwerk (investeringsplannen: Stedin, en TennetT). De ACM ziet toe op de energiemarkt door bijvoorbeeld toezicht op eerlijke concurrentie op de energiemarkt en stelt zelf ook aanvullende en verduidelijkende regels.
Rijk Door de problemen op het elektriciteitsnet nemen overheden in toenemende mate een regierol. Het Rijk heeft in het Nationaal Programma Energiesysteem (NPE ) en het Programma Energiehoofdstructuur (PEH) een visie op de toekomst van het systeem neergelegd. In het Meerjarenprogramma Infrastructuur en Klimaat (MIEK) is dit uitgewerkt naar concretere projecten.
Naast keuzes van bovengenoemde partijen wordt het energiesysteem in belangrijke mate vormgegeven door de keuzes en investeringen van inwoners en bedrijven. Denk aan keuzes en investeringen bij het verduurzamen van de eigen woning, vastgoed, bedrijfsvoering, het wagenpark, enz. Ook projecten voor energieopslag, windmolens, zonnevelden en warmtenetten worden in de regel door private partijen ontwikkeld. Overheden vinden het belangrijk dat inwoners zeggenschap hebben en kunnen meeprofiteren van deze projecten. Meer hierover vindt u in hoofdstuk 9: lokaal eigenaarschap.
Veranderingen op komst Door aankomende wetgeving zoals de Wet collectieve warmtevoorziening en de Energiewet en daarnaast de nijpende situatie in het kader van netcongestie zijn er de komende jaren veranderingen te verwachten ten opzichte van bovenstaande rollen en bevoegdheden.
3. Nationaal Programma Energiesysteem In december 2024 is de Interbestuurlijke Samenwerkingsagenda Energiesysteem vastgesteld in het BO Klimaat & Energie door KGG, VRO, VNG, IPO en UvW. Het doel is de gezamenlijke maatschappelijke sturing op het energiesysteem te versimpelen, rollen en verantwoordelijkheden te verduidelijken en beter te verbinden met het ruimtelijke domein. Het NP RES, NPLW en SP IPE zullen worden samengevoegd in het Nationaal Programma Energiesysteem (NP ES) vanaf 2026. Energyboard en RES regio zullen als hulpstructuren blijven bestaan waarbij gewenst is dat de RES doorontwikkelt naar Energieregio. In de loop van 2026 wordt meer duidelijk over de uitwerking van deze agenda. 53
11. VERDIEPING
Verdieping 10. Energiebronnen 1. Ruimtegebruik per aardgasvrije strategie binnen de gemeentegrenzen in m2/WEQ In principe willen we kiezen voor de duurzame warmteoplossing met de laagste nationale kosten. Maar vaak liggen de kosten voor verschillende oplossingen dicht bij elkaar en kan alleen op basis van kosten geen keuze worden gemaakt. In de modellen voor kostenberekeningen wordt echter (vaak) geen rekening gehouden met de “kosten” voor ruimtegebruik. Daarom willen we ook het bovengrondse ruimtegebruik in kaart brengen per duurzame warmteoplossing. Zo kunnen we analyseren of in een buurt/wijk naar verwachting voldoende ruimte beschikbaar is voor een bepaalde warmteoplossing of dat hoge kosten gemaakt moeten worden om deze ruimte te creëren.
m2/WEQ
Voor het totale ruimtegebruik per duurzame warmteoplossing is het ruimtegebruik binnen de gemeentegrenzen meegenomen, dus het ruimtegebruik voor opwek van elektriciteit is hier buiten beschouwing gelaten. De resultaten laten zien dat lagetemperatuur verwarmingssystemen 2.53 maal zoveel ruimte nodig hebben dan In de woning (m2) In de wijk Aan de rand van de stad 3,5 middentemperatuursystemen. Dit komt 3,0 voornamelijk omdat er ruimte nodig is in de 2,5 2,0 woning voor plaatsing van een warmtepomp. 1,5 Stadswarmte heeft, door de inzet van bronnen als 1,0 0,5 geothermie, wat meer ruimte nodig aan de rand 0,0 van de stad. Voor een lokaal warmtenet in een Individuele Stadsbreed WijkWijkIndividuele warmtenet MT warmtenet MT warmtenet ZLT luchtwarmte- bodemwarmtepomp pomp buurt is meer ruimte nodig in de wijk zelf, wat een ^ Ruimtegebruik per aardgasvrije strategie binnen de gemeentegrenzen in m /WEQ. beperking kan zijn. 2
2. Geothermie Geothermie is duurzame warmte uit de ondergrond dieper dan 500m, waarmee je huizen en gebouwen kunt verwarmen.
Potentie Om goed inzicht te krijgen in de potentie van geothermie in de regio, voert Energiebeheer Nederland (EBN) via het SCAN-programma drie wetenschappelijke onderzoeksboringen uit. In Amstelland (net over de grens in Noord-Holland) is eind 2023 de eerste boring uitgevoerd. ^ Uit een analyse van Panterra uit 2021 lijkt de potentie voor geothermie Eind 2024 en begin 2025 volgen de tweede in de buurt het grootst aan de oostkant van de regio, maar de onzekerheid is nog groot. van Ede/Veenendaal respectievelijk de derde in de buurt van De Bilt/Zeist. De resultaten zijn dan in Q3 2025 beschikbaar. Behalve als basisbron voor een nieuw groot warmtenet (minimaal 5000 woningen), kan aardwarmte de duurzame bron worden voor een bestaand
warmtenet. Bijvoorbeeld het bestaande stadswarmtenet in Utrecht en Nieuwegein. Dit warmtenet wordt nu nog voor een deel gevoed met warmte uit een aardgasgestookte energiecentrale en een biomassa installatie.
Wat doen we als regio? Ondanks dat de potentie pas eind 2025 bekend is, werken we nu al samen in een werkgroep van EBN, provincie Utrecht, RES en de gemeenten waar geothermie nu het meest kansrijk lijkt (Utrecht, De Bilt, Zeist, Utrechtse Heuvelrug, Stichtse Vecht). Daarin kijken we o.a. naar de warmtevraag en het verdelingsvraagstuk zodat we voorbereid zijn als blijkt dat er daadwerkelijk potentie is. Vanwege het grote belang van aardwarmte zetten EBN en de provincie Utrecht een strategie op om de ontwikkeling van deze warmtebron te stimuleren. Hierbij wordt gekeken naar de lopende vergunningen en de uitkomsten van onderzoeksboringen. De RES-regio’s worden hierbij betrokken. NPLW biedt veel achtergrondinformatie over geothermie op hun site .
3. Aquathermie Aquathermie is het verwarmen en koelen van gebouwen door het gebruik van warmte en koude uit oppervlaktewater, afvalwater of drinkwater. De warmte uit het water wordt als dat nodig is opgeslagen in de bodem en daarna op een hogere temperatuur gebracht (opgewaardeerd) met een warmtepomp.
TEO Potentie De technische potentie van thermische energie uit oppervlaktewater (TEO) is te bekijken met de landelijke aquathermieviewer en de meer gedetailleerde aquathermieviewer van HDSR . Als er voldoende technische potentie aanwezig is, heb je eerst een vergunning voor koudelozing nodig van de waterbeheerder. Voor deze vergunning kijkt het waterschap of Rijkswaterstaat niet alleen naar de technische potentie ook naar het effect van koudelozing op het ecologische systeem en de invloed van filters. Ook moet de TEO installatie worden ingepast naast andere functies van een water, zoals scheepvaart of de waterkerende functie. We zien wel wat schaarste ondanks veelbelovende technische potentie: bij de Kromme Rijn bijvoorbeeld zit dat in de ecologische potentie. En in het AmsterdamRijnkanaal spelen zaken als scheepvaart, kabels en leidingen, damwanden en de waterkerende functie.
Wat doen we als regio? Per rivier of kanaal in de regio hebben we een werkgroep met omliggende gemeenten en waterschap/ RWS die samen kijken naar warmtevraag, potentie, fasering, vergunningen en het verdelingsvraagstuk. De waterbeheerders staan welwillend tegenover het inzetten van de warmte ‘om niets’ en werken graag mee om aquathermie succesvol in te zetten. 54
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 10. Energiebronnen TEA Potentie De potentie van warmte uit afvalwater (TEA), ofwel warmteonttrekking uit het effluent van RWZI’s, overstijgt zelden de gemeentegrens. Een enkele keer, zoals bij de RWZI op de grens van IJsselstein en Nieuwegein, kunnen we wellicht in beide gemeenten een wijk van warmte uit dezelfde RWZI voorzien.
Wat doen we als regio?
tegelijk benut worden, middels zogenaamde ‘miniwarmtenetten’ en gedeelde bodemlussen.
Wat doen we als regio? Bodemenergie is een interessante lokale bron. Daarvoor is het wel wenselijk dat gemeenten beleidsregels opstellen voor gebruik van de ondergrond voor bodemenergie. Ze kunnen daarbij gebruik maken van de beleidsregels van provincie Utrecht.
Gemeenten weten elkaar te vinden voor het verdelingsvraagstuk als de potentie van warmte kansen biedt voor meer dan één gemeente.
NPLW biedt veel achtergrondinformatie over bodemenergie op hun site .
TED Potentie
Biomassa is een vorm van biowarmte. Bij biomassa wordt warmte opgewekt uit houtachtige biogrondstoffen (vaste biomassa).
De potentie van warmte uit drinkwaterleidingen of bergingen (TED) overstijgt zelden de gemeentegrens. Een enkele keer, zoals bij de WRK leiding die ruwwater van Nieuwegein naar de waterleidingduinen brengt, speelt een verdelingsvraagstuk. Waternet leidt in dit geval het proces van de verdeling van warmte uit hun leiding.
Wat doen we als regio? Gemeenten weten elkaar te vinden voor het verdelingsvraagstuk als de potentie van warmte kansen biedt voor meer dan één gemeente. NPLW biedt veel achtergrondinformatie over aquathermie op hun site .
4. Bodemenergie Bodemenergie is het gebruiken van de bodem tot een maximale diepte van 500 meter om warmte en koude aan te onttrekken en in op te slaan. Voor individuele gebouwen kan dat met een gesloten systeem, voor grote gebouwen of meerdere gebouwen kan dit met een open systeem van warmte-koudeopslag (WKO).
Potentie De toepassing van bodemenergie, zowel van open als gesloten systemen, heeft zeker potentie, maar kan beperkt worden door drinkwaterwinning, grondwatervoorraad of bodemverontreiniging (speelt m.n. in gemeente Utrecht en Woerden). Momenteel onderzoeken de gemeente Utrecht en de provincie Utrecht of open bodemenergie ondanks de bodemverontreiniging toch veilig en verantwoord mogelijk is in het diepere tweede watervoerende pakket. Voor elk gesloten bodemenergiesysteem is een perforatie van de bodem nodig. De provincie Utrecht onderzoekt daarom hoe gestimuleerd kan worden dat deze systemen door meerdere woningen
5. Biomassa
Potentie Reststromen van biomassa waar geen hoogwaardige toepassing voor is, kunnen onder strenge voorwaarden goed worden benut voor de opwekking van energie. Via verbranding kun je uit biomassa direct warmte of elektriciteit opwekken. Bij verbranding van gecertificeerde biomassa reststromen ontstaat weliswaar veel minder CO2-uitstoot dan bij fossiele brandstoffen, maar het veroorzaakt onwenselijke emissies. Bij gebruik van niet-gecertificeerde biomassa zijn naast de luchtkwaliteit bovendien nog andere duurzaamheidseisen in het geding. Omdat er onvoldoende duurzame alternatieven voorhanden zijn, is biomassa in bepaalde processen voorlopig het enige alternatief voor fossiele brandstof. Op dit moment is het een van de weinige betaalbare bronnen voor processen met extreem hoge verbrandingstemperaturen in de industrie (bijv. 1000 graden). Ook voor het opvangen van pieken in de vraag naar warmte (bijvoorbeeld op koude dagen) zijn er nu nauwelijks alternatieven beschikbaar.
Wat doen we als regio? We zien biomassa als een tijdelijke oplossing. Ons uitgangspunt is dat we in de regio gecertificeerde biomassa reststromen inzetten, voor warmte of industriële processen en onder strenge voorwaarden. De bedoeling is zo snel mogelijk over te schakelen op andere hernieuwbare, duurzame bronnen. Nu wordt biomassa bijvoorbeeld nog ingezet als basisvoorziening van het stadswarmtenet UtrechtNieuwegein, later alleen voor de piekvraag (op momenten dat het kouder is en er extra warmtevraag is). Als er een beter alternatief is voor de pieken in de warmtevraag, zal het gebruik van biomassa verder worden afgebouwd. NPLW biedt veel achtergrondinformatie over bio-massa op hun site 55
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 10. Energiebronnen 6. Groen gas Groen gas is een vorm van biowarmte. Hierbij wordt warmte opgewekt door vergisting (biogas en groen gas).
Potentie
Groen gas is gas dat gemaakt wordt uit resten van biologisch materiaal en opgewerkt is tot dezelfde kwaliteit als aardgas. Het wordt gebruikt in het bestaande gasnet. Groen gas inzetten als duurzame bron voor het collectief verwarmen van woningen als aanvulling op een hybride warmtepomp, kan alleen op het niveau van hele buurten of wijken vanwege de infrastructuur. Landelijk moet het programma Groen gas zorgen voor een vertienvoudiging van de huidige productie in 2030. De mogelijkheden om in de RES regio Utrecht de productie van groen gas te verhogen zijn beperkt. Middelgrote installaties zijn op grond van de provinciale omgevingsverordening alleen toegestaan op industrieterreinen, grote industriële installaties laat de omgevingsverordening niet toe. Onder meer stikstof, vergunningsprocedures, milieuruimte en netcongestie maken realisatie van dit soort installaties zeer lastig. Ook het realiseren van kleine installaties op een boerenerf is niet eenvoudig: wanneer de productie bedoeld is om in te voeden op het gasnet is zo’n installatie pas haalbaar vanaf circa 500 koeien. Gezien alle restricties is de verwachting van onderzoekers dat de productie van groen gas in de provincie Utrecht beperkt blijft.
Wat doen we als regio? We volgen het advies van EZK om andere alternatieven te zoeken dan groen gas voor het verwarmen van woningen, vanwege de vele onzekerheden rondom aanbod, vraag uit andere sectoren en de inpassing van installaties. Het risico dat groen gas in vergelijking met alternatieve oplossingen erg duur zal zijn, is daarom zeer groot. Ook is de leveringszekerheid van groen gas een blijvend risico. NPLW biedt veel achtergrondinformatie over groen gas op hun site
7. Waterstof Potentie Waterstof gaat zeker een belangrijke rol spelen in de energietransitie, maar krijgt geen hoofdrol in de warmtetransitie. De verwachting is dat waterstof beperkt beschikbaar is voor de verwarming van gebouwen, en daarom wordt gemeenten ook aangeraden om naar andere verwarmingsstrategieën te kijken Waterstof kan een (lokale) rol vervullen in het balanceren van het elektriciteitsnet, en voor de piekvoorziening in warmtenetten op koude winterdagen. Voor de regio Utrecht is het aftakken van de Nederlandse waterstofbackbone van de Gasunie naar de elektriciteitscentrale op Lage Weide dan ook
relevant. Dat biedt mogelijkheden voor industrie met procesgas zonder elektrificatie om op Lage Weide te blijven en zo komt een piekbron voor het warmtenet op termijn beschikbaar. De warmte die vrijkomt bij de (lokale) productie van waterstof kan bij voorkeur ingezet worden in warmtenetten. De waterstof in de woning verbranden is financieel en energetisch minder aantrekkelijk. Bijmengen van waterstof in het aardgasnet kan tot 10 à 20 volumeprocenten zonder aanpassingen in het net gebeuren. De energie-inhoud van waterstof is wel 3x lager dan van aardgas, dus dit vervangt 3.4 tot 6.8% van het aardgasverbruik. Dit kan wel een goede methode zijn om opschaling van waterstofproductie te faciliteren.
Wat doen we als regio? Indien waterstof en/of groen gas op termijn wordt toegepast in een beperkt type woningen/buurten dan kunnen we daarop nu al voorbereiden door in die buurten: • Wel te starten met isoleren en energie besparen • Op een natuurlijk moment vast de overstap te maken naar een hybride warmtepomp in de woning. Een deel van het energiegebruik (ca 2/3) wordt dan al geëlektrificeerd, en de overige energie wordt dan nu nog door aardgas en misschien op termijn door waterstof geleverd. • Regionaal af te stemmen waar het rendabel is om het gasnet te laten liggen • Bij lokale (over)productie bij te mengen in het nog bestaande gasnet NPLW biedt veel achtergrondinformatie over waterstof op hun site .
8. Warmteopslag Warmteopslag is het opslaan van warmte voor gebruik later. Je kan warmte opslaan voor een korte termijn of een seizoen. Dit gebeurt vaak bij warmtenetten, maar kan ook kleinschalig bij individuele gebouwen en woningen. Er zijn verschillende vormen van warmteopslag mogelijk. NPLW biedt hierover veel informatie over op hun site . Om in de winter minder elektriciteit nodig te hebben om warmte te kunnen leveren, is er ook behoefte aan opslag van warmte op hogere temperatuur in de bodem. In open bodemenergiesystemen (OBES) gebeurt dat nu doorgaans tot 15 graden. Van dit soort systemen zijn er al veel in Nederland. Opslag op hogere temperatuur kan door in een open bodemenergiesysteem (OBES) water van middentemperatuur (MTO) tot circa 45 graden te bewaren. De provincie kan dit onder specifieke voorwaarden toestaan, maar het is nog niet toegepast in de regio. Er is wel behoefte aan een pilot om te onderzoeken wat de effecten zijn op de bodem. 56
1 1 . VER DI EP I N G
Verdieping 10. Energiebronnen Warmte-opslag in de bodem op nog hogere temperatuur (tot 90 graden) noemen we HTO. Deze hoge temperatuur-opslag is interessant in combinatie met geothermie, omdat dan de hoge temperatuur aardwarmte die in de zomer wordt geoogst gebruikt kan worden in de winter als de vraag groot is. Op die manier kan één geothermiebron meer woningen van warmte voorzien.
9. Biomassa Biomassa is een term voor materiaal van plantaardige of dierlijke herkomst, zoals hout, mais, mest, voedselresten of plantaardige olie. Biomassa kan ingezet worden als energiebron, door verbranding, vergassing of vergisting. Het gebruik van biomassa als energiebron wordt dat gerekend tot hernieuwbare energie. De biomassa groeit namelijk weer terug. Bij verbranding van biomassa komt CO2 vrij, maar groeiende planten en bomen nemen tijdens de groei deze CO2 weer op. Productie van elektriciteit en warmte uit biomassa is niet afhankelijk van weersomstandigheden zoals wind- of zonne-energie. Over de duurzaamheid van biomassa is veel discussie. Deze discussie gaat vooral over het gebruik van hout(resten) als energiebron, de klimaateffecten en de vraag of het gebruik van biomassa klimaatwinst oplevert ten opzichte van fossiele energiebronnen. Daarnaast hebben biomassacentrales een groot ruimtebeslag en veroorzaken en ze een behoorlijke uitstoot van fijn stof in de omgeving. Er zijn verschillende standpunten over de noodzaak van biomassa: sommigen zien het als onmisbare overbrugging tot duurzame alternatieven goedkoper en verder ontwikkeld zijn (bijvoorbeeld geothermie en waterkracht). Anderen zijn van mening dat biomassa helemaal niet ingezet moet worden als energiebron.
Vanwege de discussie over de duurzaamheid van biomassa zijn de subsidiemogelijkheden door het Rijk sterk beperkt.
SMR’s kunnen niet alleen elektriciteit produceren maar kunnen ook warmte en waterstof leveren. Dat kan in de toekomst helpen om de industrie milieuvriendelijker te maken. SMR’s zijn weersonafhankelijk en kunnen zowel continu als flexibel draaien. De potentie voor SMR in de toekomst is mogelijk groot. Maar op dit moment verkeren SMR’s nog in een experimentele fase. In de westerse wereld zijn nog geen SMR’s gebouwd en deze zijn ook nog niet commercieel beschikbaar. Daarnaast is er nog geen duidelijkheid over o.a. kosten, financiering, veiligheidsvoorwaarden, ruimtelijke impact en vergunningverlening. Op basis van een onderzoek van het ministerie van Economische Zaken en Klimaat is een eventuele realisatie van SMR’s in Nederland tegen 2040 mogelijk. Daarbij gaat om het SMR op basis van bestaande kerntechnieken (generatie 3 reactoren). Er wordt ook gestudeerd op SMR’s op basis van andere technieken (generatie 4 reactoren), zoals Thorium. Deze zijn naar verwachting pas na 2040 beschikbaar. Met allen onzekerheden rondom SMR, kunnen we in de RES Herijking voor de regio Utrecht hier vooralsnog geen rekening mee houden. We volgende de ontwikkelingen in de programmalijnen van het Rijk. De website