Ontwerp Provinciaal programma Wonen en werken
Tekst van het document
ONTWERP PROGRAMMA WONEN EN WERKEN 2021
Publicatiedatum 26 mei 2021 Status vastgesteld door GS 25 mei 2021 Referentienummer 8225BED4
Inhoud 1.
2.
3.
4.
5.
Inleiding ........................................................................................................................................................... 3 1.1
Omgevingsvisie en -verordening ................................................................................................................ 3
1.2
Cyclisch proces ........................................................................................................................................... 4
1.3
Leeswijzer ................................................................................................................................................... 5 Wonen ............................................................................................................................................................. 7
2.1.
Het kwantitatieve woningbouwprogramma ............................................................................................. 7
2.2.
Kwalitatieve afspraken............................................................................................................................ 9
Werken .......................................................................................................................................................... 14 3.1.
Kwantitatieve opgave ........................................................................................................................... 14
3.2.
Kwalitatieve afspraken.......................................................................................................................... 15
Analyse en doorkijk per (sub)regio ................................................................................................................ 21 4.1.
U16 ....................................................................................................................................................... 21
4.1.1.
U16 West.............................................................................................................................................. 25
4.1.2.
U16 Oost .............................................................................................................................................. 26
4.1.3.
U16 midden .......................................................................................................................................... 26
4.2.
Regio Amersfoort ................................................................................................................................. 27
4.3.
Regio Foodvalley .................................................................................................................................. 29
4.4.
Overzicht van locaties .......................................................................................................................... 31
4.5.
Resultaten PlanMER ............................................................................................................................ 35
Vervolg .......................................................................................................................................................... 37
2
1. Inleiding De provincie Utrecht is een aantrekkelijke provincie, waar veel mensen met plezier wonen. Door de aanwezigheid van opleidingen en bedrijven en instellingen willen veel mensen in onze provincie (blijven) wonen. In de huidige krappe woningmarkt is het vinden van een geschikt huis een lastige opgave. Eén van de oplossingen om de woningmarkt vlot te trekken is het bouwen van voldoende woningen, en liefst zo snel mogelijk. Dat kan de provincie niet alleen, samenwerking met andere overheden en organisaties is daarvoor noodzakelijk Naast wonen is ook het bieden van voldoende werkgelegenheid belangrijk. Op alle niveaus, en liefst zoveel mogelijk in balans met wonen en in de nabijheid van woningconcentraties. Voor circa 20 tot 30 procent van het gewenste werkgelegenheidsaanbod zijn specifieke bedrijventerreinen noodzakelijk. Ook daarvoor is sprake van een tekort in onze provincie. Samenwerking biedt de mogelijkheid om het aanbod zoveel mogelijk af te stemmen op de maatschappelijke vraag. De provincie Utrecht wil graag samen met andere partijen werken aan het oplossen van deze maatschappelijke vraagstukken, waarbij eenieder vanuit z’n eigen rol en verantwoordelijkheden een bijdrage kan leveren. Het afgelopen jaar zijn we met gemeenten en regio’s in overleg geweest om te komen tot regionale programma’s voor wonen en werken.
In april en mei hebben we met gemeenten overeenstemming bereikt over de regionale programma’s voor wonen en werken. Dit mag worden gezien als een mijlpaal. Op basis van deze programma’s kunnen we samen verder werken aan realisatie van de woningbouwopgave en de opgave op het gebied van bedrijventerreinen. Dit eerste concept provinciale programma bevat de essentie van de eerste programma’s voor de regio’s U16, Amersfoort en Foodvalley. Gemeenten kunnen bestemmingsplannen opstellen voor verstedelijkingslocaties die in dit programma passen.
1.1 Omgevingsvisie en -verordening Op 1 april jongstleden zijn de provinciale Omgevingsvisie (OpU) en de Interim Omgevingsverordening (IVpU) van kracht geworden. Afbeelding 1
Kaart Omgevingsvisie Thema Vitale steden en dorpen
3
In de Omgevingsvisie Provincie Utrecht is in paragraaf 4.6 de nieuwe systematiek locaties voor wonen en systematiek locaties voor werken beschreven. Aansluitend op de filosofie van de Omgevingswet werken we samen met gemeenten op regionaal niveau aan adaptieve programma’s voor wonen en werken. De essentiële informatie uit de drie regionale programma’s is opgenomen in dit provinciale programma. In de artikelen 9.13, 9.14, 9.15 en 9.16 van de Interim Omgevingsverordening wordt bepaald dat bestemmingsplannen die woningbouw of bedrijventerreinontwikkelingen bevatten moeten passen in dit programma Wonen en werken. Met dit programma Wonen en werken wordt uitvoering gegeven aan de in de Omgevingsvisie omschreven woningbouwopgave en de opgave op het gebied van bedrijventerreinen. Dit gaat zowel over het kwantitatieve programma, als over kwalitatieve aspecten.
1.2 Cyclisch proces Vooruitlopend op de besluitvorming over de omgevingsvisie hebben provinciale staten op 27 januari 2020 het Afwegingskader uitbreidingslocaties voor woningbouw vastgesteld, als bouwsteen voor de omgevingsvisie. In dit afwegingskader is aangegeven dat we gaan werken met regionale programmering. Doel van deze aanpak is om als overheden gezamenlijk continu met elkaar in gesprek te blijven over de maatschappelijke opgaven qua woningbouw en over de planning, aanpak en ontwikkeling van bedrijventerreinen. Dat doen we via een cyclisch proces van kaderstelling, programmering, monitoring, evaluatie en bijsturing. Wij beogen deze cyclus periodiek, circa jaarlijks te doorlopen. Vanaf het voorjaar 2020 hebben verkennende gesprekken plaatsgevonden met gemeenten en regio’s. De vergaarde informatie is onder andere benut voor het opstellen van het provinciale Kader voor de regionale programmering van wonen en werken (hierna: Kader). Provinciale Staten hebben op 30 september 2020 dit kader vastgesteld. In dit kader wordt ingegaan op de provinciale rol en taakopvatting, de regio-indeling, de kwantitatieve bandbreedtes en de kwalitatieve aspecten. Samen met de omgevingsvisie en Interimverordening is het kader voor de provincie de basis voor de regionale programmering. In het najaar 2020 is begonnen met overleg over en het opstellen van concepten voor de regionale programma’s.
In de regio’s Amersfoort en U16 heeft dit plaatsgevonden via de reguliere ambtelijke en bestuurlijke regio-overleggen. Voor de regio Foodvalley (Utrechtse deel) zijn er specifieke overleggen georganiseerd. Thans is er in alle drie de regio’s overeenstemming over het regionale programma en worden deze programma’s aan de colleges van B&W van de gemeenten aangeboden met het verzoek om ermee in te stemmen. Op die manier ontstaat gezamenlijk commitment. Er is nadrukkelijk sprake van een groeiproces: dit eerste programma (realisatiedeel) is nog niet volledig, en met name gefocust op de korte/middellange termijn. Voorts is het programma (realisatiedeel) adaptief: de komende jaren kan dit worden aangevuld met nieuwe, (bijna) uitvoeringsgerede plannen. Via dit provinciale programma wonen en werken verankeren we de uitkomsten van de eerste ronde regionale programmering in ons provinciaal beleid. Daarnaast nemen we ook een overzicht op van de kwalitatieve afspraken die we met de gemeenten zijn overeengekomen. Omdat via dit programma (realisatiedeel) ruimtelijke ontwikkelingen worden mogelijk gemaakt, is een planMER opgesteld. Vervolgens is het van belang de uitvoering van de programma’s te monitoren en te evalueren. Op basis daarvan, en van actuele maatschappelijke ontwikkelingen en onderzoeken, kan (eventueel) bijstelling plaatsvinden, te
4
beginnen bij het door Provinciale Staten vast te stellen Kader. Dit is van groot belang: de huidige Corona-crisis illustreert hoe maatschappelijke ontwikkelingen kunnen veranderen, en dat het noodzakelijk is om een systematiek te hebben die daar flexibel en adaptief op kan inspelen.
Totstandkoming, doel en inhoud van dit programma. In dit provinciaal programma wonen en werken worden de meegegeven kaders uit de Omgevingsvisie en het Kader samengebracht met de voor de provincie essentiële informatie uit de regionale programma’s wonen en werken. Het programma bevat de uitwerking van de in de Omgevingsvisie opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven op het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Bovendien worden via dit programma (realisatiedeel) woningbouw- en bedrijventerreinontwikkelingen mogelijk gemaakt; in de Interim Omgevingsverordening is bepaald, dat bestemmingsplannen die nieuwe woningbouw- of bedrijventerreinontwikkelingen mogelijk maken, moeten passen in dit provinciale programma (realisatiedeel) wonen en werken Voor vertegenwoordigers van maatschappelijke organisaties en partners werkzaam op het gebied van woningbouw en economie hebben we 2 informatiebijeenkomsten georganiseerd. In december 2020 hebben we de nieuwe systematiek en de regionale programmering toegelicht. Tijdens de tweede bijeenkomst, in april 2021, hebben we inzicht gegeven in de inhoud van het provinciaal programma en hebben we het verdere proces en de planning verder toegelicht.
Keuze van opgenomen locaties Voor de eerste regionale programma’s hebben de gegevens uit de Planmonitor Wonen en de bij ons bekende bedrijventerreinplannen als uitgangspunt gediend. Voor uitbreidingslocaties is nagegaan welke plannen die voorheen waren opgenomen in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013, herijking 2016 (PRS) en de Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRV) nog niet tot ontwikkeling waren gekomen. Voor bedrijventerreinen zijn ook de zeven voorgenomen uitbreidingen opgenomen die op het laatste moment uit de 2e partiële herziening van de PRV zijn gehaald. Voorts is het aan gemeenten om nieuwe (uitbreidings)locaties voor het programma aan te dragen. Geheel nieuwe uitbreidingslocaties worden door de provincie van een eerste ambtelijke opvatting voorzien, in de vorm van al of niet ‘kansrijk’, randvoorwaarden en aandachtspunten bij ontwikkeling. Door overleg over en nadere planontwikkeling van de beoogde locaties kunnen deze opmerkingen in de loop der tijd nader worden gespecificeerd of zelfs vervallen. Niet-kansrijke locaties nemen wij (nog) niet over in het realisatiedeel van het provinciale programma. In voorkomende gevallen vindt hierover meestal nog overleg plaats tussen provincie en gemeente. Het provinciale programma wonen en werken zoals bedoeld in de Interim Omgevingsverordening betreft het realisatiedeel van het programma.
Dit zijn locaties die qua planontwikkeling zodanig concreet zijn, dat zij daadwerkelijk kunnen geprogrammeerd in een bepaald tijdvak. Het realisatiedeel kan bij volgende actualisaties worden aangevuld met locaties uit het pijplijndeel. De inhoud van de pijplijn is niet openbaar, er worden uitsluitend totalen per (sub)regio gepresenteerd.
1.3 Leeswijzer De opbouw van dit provinciale programma is als volgt: Hoofdstuk 2 bevat het programma voor wonen. We geven een overzicht van het aantal woningen dat is opgenomen per (sub)regio en voor de provincie totaal. Dit doen we ook met betrekking tot de kwalitatieve afspraken. Hoofdstuk 3 geeft een beeld van het programma werken: overzicht van de te ontwikkelen bedrijventerreinen, en de afspraken die we maken ten aanzien van de intensivering, transformatie en verduurzaming van bestaande en nieuwe terreinen.
5
In hoofdstuk 4 geven we per regio/deelgebied een analyse over het huidige programma en geven we een doorkijk naar volgende actualisaties. Daarbij leggen we waar relevant ook een koppeling met de m.e.r.-beoordeling. In hoofdstuk 5 schetsen we tenslotte het vervolgproces. Hierbij gaan we onder andere in op de organisatie, de monitoring en evaluatie en de actualisering. Afbeelding 2
Regio-indeling provinciaal programma wonen en werken
6
2. Wonen 2.1.
Het kwantitatieve woningbouwprogramma
Deze paragraaf is een uitwerking van de tekstpassage De woningbouwopgave in hoofdstuk 4.4 van de Omgevingsvisie Voor het opstellen van de regionale programma’s is de Planmonitor Wonen als basis gebruikt. Deze Planmonitor wordt continu gevoed en geactualiseerd door de gemeenten; gevraagd wordt of zij voor een aangegeven datum per jaar de monitor willen updaten. Voor dit eerste programma is gebruikt gemaakt van de stand december 2020. Binnenstedelijke plannen met een ‘harde’ planstatus, en openbare ‘zachte’ binnenstedelijke plannen1 zijn over het algemeen opgenomen in het realisatiedeel van het programma. Ook uitbreidingslocaties die eerder volgens provinciaal ruimtelijk beleid aanvaardbaar zijn geacht (met name PRS/PRVlocaties) die een ‘harde’ planstatus hebben zijn opgenomen. Daarbij gaat het meestal om locaties waar de realisatie op korte (tot 2025) of middellange termijn (tot 2030) is voorzien. Voorts zijn door gemeenten specifiek locaties aangedragen voor het realisatiedeel van het programma. Deze nieuwe uitbreidingslocaties zijn door de provincie voorzien van een ‘eerste ambtelijke opvatting’, in de vorm van kansrijkheid, randvoorwaarden en aandachtspunten. Vertrouwelijke locaties, of locaties waarvoor nog geen planning ten aanzien van de realisatie bekend is, zijn opgenomen in de zogenaamde ‘pijplijn’.
Bij komende actualisaties kan deze capaciteit ‘doorschuiven’ naar het realisatiedeel. Bij de onderkant van de bandbreedte, zoals opgenomen in het Kader, wordt tegemoetgekomen aan de geprognotiseerde toekomstige woningbehoefte. Bij de bovenkant van de bandbreedte is ook het huidige tekort geheel ingelopen. Voor de provincie als geheel zijn er, in realisatie- en pijplijndeel, voldoende plannen. Dit geldt echter alleen voor de regio’s U16: voor de Regio’s Foodvalley en Amersfoort is het totaal van ‘realisatie’ en ‘pijplijn’ niet voldoende om te voldoen aan de regionale woningbehoefte. Voor alle regio’s geldt dat in het realisatiedeel van het huidige programma met name reeds bekende concrete locaties voor de korte tot middellange termijn zijn opgenomen. Om de continuïteit van de woningbouw te bewerkstelligen en de huidige tekorten zoveel mogelijk weg te werken, is het belangrijk dat ‘pijplijnplannen’ zodanig verder worden ontwikkeld, dat zij bij volgende actualisaties kunnen worden opgenomen in het realisatiedeel van het programma. In hoofdstuk 4 wordt specifieker ingegaan op het programma per (sub)regio.
1 Uitgegaan is bij wat door de gemeenten is ingevuld als planfase in de planmonitor waarbij conform de duiding
van ABF een onderscheid in hard en zacht is gemaakt. De planologische status is opgedeeld in hard, zacht en zacht indicatief (en onbekend). Hard: 1A Onherroepelijk, 1B onherroepelijk, uitwerkingsplicht, 2A vastgesteld; Zacht: 1C onherroepelijk, wijzigingsbesluit, 2C vastgesteld, wijzigingsbesluit, 3 in voorbereiding; Zacht indicatief: 4A visie, 4B optie; Onbekend.
7
Tabel 1
Overzicht kwantitatief programma wonen provincie Utrecht
Regio
Inlopen tekort
U16 totaal
2021 t/m 2024
2025 t/m 2029
2030 t/m 2039
Totaal
37.978
47.287
49.475
134.740
30.200
29.100
39.900
99.200 – 125.600
Realisatie
32.059
31.116
1
63.176
Pijplijn
5.919
16.171
49.474
71.564
Regio Amersfoort totaal
14.416
8.511
3.363
26.290
8.500
7.200
10.400
26.100 – 31.000
Realisatie
12.562
4.598
725
17.885
Pijplijn
1.854
3.913
2.638
8.405
Foodvalley totaal
3.390
1.404
455
5.249
2.300
2.400
3.200
7.900 – 9.100
Realisatie
2.303
831
0
3.134
Pijplijn
1.087
573
455
2.115
57.202
53.293
166.279
41.000
38.700
53.500
133.200 – 165.700
Realisatie
46.924
36.545
726
84.195
Pijplijn
8.860
20.657
52.567
82.084
Bandbreedte Kader
Bandbreedte Kader
Bandbreedte Kader
26.400
4.900
1.200
Provincie totaal Bandbreedte Kader
55.784 32.500
Flexibiliteit binnenstedelijke woningbouwontwikkeling Binnenstedelijke woningbouwcapaciteit per gemeente bevat een veelheid aan, vaak kleine, woningbouwplannen. Ten behoeve van de noodzakelijke concretisering bevatten de regionale programma’s in de bijlage een overzicht van alle in het realisatiedeel opgenomen woningbouwlocaties. Dit is echter een momentopname: er doen zich enerzijds geregeld nieuwe kansen voor waardoor nieuwe locaties in beeld komen, terwijl anderzijds zich onverwachts knelpunten kunnen voordoen waardoor de ontwikkeling van een opgenomen locatie stagneert. Bijlage 1 bij de regionale programma’s is voor wat betreft de binnenstedelijke locaties niet limitatief: ook andere binnenstedelijke plannen (‘plantoeval’) kunnen worden ontwikkeld. Ook kunnen nu in het realisatiedeel opgenomen locaties geoptimaliseerd worden waardoor er meer woningen gerealiseerd worden dan het aantal dat nu voor die locatie is opgenomen. Dit geldt niet voor uitbreidingslocaties: deze zijn wel limitatief en ook als zodanig specifiek opgenomen in dit provinciale programma. Kleine woningbouwontwikkelingen in het landelijk gebied zijn via het ‘kwaliteitsinstrumentarium’ voor het landelijk gebied via de Interim Omgevingsverordening rechtstreeks, dus zonder dat zij dienen te zijn opgenomen in het realisatiedeel van een provinciaal programma, mogelijk, bv.
transformatie bestaande bebouwing, rood voor groen, ruimte voor ruimte of kernrandzonebeleid. Deze plannen beschouwen we niet als uitbreidingslocaties, maar zijn veelal vanwege hun kwantitatieve bijdrage aan het programma wel opgenomen in het realisatiedeel. Ze worden verder niet toegelicht. Dit geldt ook voor de zogenaamde ‘vitaliteitslocaties’ die op basis van artikel 9.12 van de IvpU rechtstreeks mogelijk zijn. Voor plannen in de pijplijn is ook flexibiliteit mogelijk. Op verzoek van de gemeente wil de provincie nieuwe uitbreidingslocaties in de pijplijn voorzien van een eerste ambtelijke opvatting, op basis waarvan de kansrijkheid kan worden ingeschat. Wij willen stimuleren dat kansrijke pijplijnlocaties verder worden ontwikkeld richting
8
uitvoeringsgereedheid, zodat ze bij een volgende actualisatie van de programma’s in het realisatiedeel kunnen worden opgenomen.
Versnelling woningbouw Ten einde de noodzakelijke versnelling van de woningbouw te bewerkstelligen, ambieert ons college de woningbouwproductie te verhogen naar 10.000 woningen per jaar. Dit programma biedt daarvoor de mogelijkheid. Zo bedraagt het realisatiedeel van het programma voor de eerste vier jaar in totaal bijna 47.000 woningen, dat betekent gemiddeld 11.700 woningen/jaar. Omdat er altijd sprake is van planuitval, is enige overplanning nodig. In het algemeen wordt uitgegaan van zo’n 30 %. Dat is in lijn met de vraag van het Ministerie van BZK, die graag ziet dat er tot 2030 130 % plancapaciteit beschikbaar is. Deze 130 % wordt gerelateerd aan de groei van de woningbehoefte. Onderstaand overzicht laat zien dat met het totaal van realisatie- en pijplijndeel wordt voldaan aan deze opgave. Het is de verwachting dat een grootste deel van de pijplijnplannen bij actualisaties van dit programma in de komende jaren kan doorschuiven naar het realisatiedeel. In het pijplijndeel bevinden zich zachte plannen, mogelijke zoekrichtingen en ambities: binnen- en buitenstedelijke locaties die nog te weinig concreet en/of vertrouwelijk zijn voor het realisatiedeel. Onder andere verschillende uitleglocaties uit de PRS/PRV, invulling van de zoekrichtingen zoals aangegeven in de OpU en locaties die in beeld zijn in het REP van de U16.
Naar verwachting is een groot deel van de pijplijn kansrijk vanuit provinciaal perspectief. Tabel 2
Omvang capaciteit in het regionale programma in relatie tot groei woningbehoefte tot 2030
Groei woningbehoefte tot 2030
capaciteit tot 2030 in realisatie- en pijplijndeel programma absoluut procentueel
U16
59.300
85.265
144%
Regio Amersfoort
15.700
22.927
146%
Regio Foodvalley
4.700
4.794
102%
Provincie totaal
79.700
112.986
142%
2.2.
Kwalitatieve afspraken
De hieronder uitgewerkte kwalitatieve afspraken hebben een nauwe relatie met de tekstpassages Een woning voor iedereen, Stedelijke kwaliteit en Vitaliteit kernen onder hoofdstuk 4.4. van de Omgevingsvisie. Naast voldoende woningen is het zaak dat er ook woningen van goede kwaliteit worden gebouwd. Bij kwaliteit gaat het om de woning en de woonomgeving, en over zowel belevingswaarde, gebruikswaarde als toekomstwaarde. In het Kader voor regionale programmering wonen en werken hebben PS aangegeven dat er voor wat betreft wonen in de regionale programma’s algemene afspraken zouden moeten worden gemaakt over de stedelijke kwaliteit, de ambitie om 50 % van het woningbouwprogramma te realiseren in het sociale en middeldure segment, de evenwichtige ontwikkeling van rood en groen, energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie, circulariteit, leefbaarheid en inclusiviteit. De in het Kader aangegeven ambities zijn voor ons het uitgangspunt geweest voor de kwalitatieve afspraken in de regionale programma’s. In de programmeringsgesprekken is ons gebleken dat de meeste van deze ambities door gemeenten worden gedeeld. Op sommige punten hebben gemeenten al beleid geformuleerd, op andere punten niet of nog niet voldoende. Ook is er hier en daar sprake van verschillende formuleringen en/of definities.
Regionale afspraken over deze aspecten kunnen ervoor zorgen dat er op regionaal/provinciaal niveau een gelijk speelveld wordt gecreëerd.
9
Het formuleren van een gezamenlijke ambitie is een eerste stap. Vervolgens is het van belang om via afspraken de verwezenlijking daarvan een stap verder te brengen. Teneinde dit zo efficiënt mogelijk te doen, wordt zo veel mogelijk aangesloten bij andere nieuwe of lopende trajecten en systemen. Monitoring van de afspraken is belangrijk. In het Kader is aangegeven dat begrijpelijkerwijs niet in alle projecten alle ambities voor 100 % kunnen worden gerealiseerd. Wel wordt maximale inzet van alle partijen gevraagd om bij te dragen aan een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving. De totale kwaliteit van de regionale programma’s en de inzet die wordt gepleegd op de genoemde aspecten moet van voldoende en liefst goed niveau zijn. Via monitoring willen we dit in beeld brengen. Hieronder wordt een overzicht gegeven van de afspraken per regio. De in het kader genoemde aspecten zijn daarin vertaald naar vier thema’s. Belangrijk om hierbij te vermelden is dat er ook bij deze kwalitatieve afspraken sprake is van een groeimodel: op basis van monitoring, evaluatie en voortschrijdend onderzoek, kennis- en beleidsontwikkeling kunnen de ze afspraken bij volgende actualisaties worden aangevuld of aangepast.
Integrale stedelijke kwaliteit Alle regio’s
Gezamenlijke ambitie: We streven naar een goede stedelijke kwaliteit: vitale en levendige kernen en wijken. Dit betekent dat: we primair inzetten op binnenstedelijke ontwikkeling, ontwikkeling bij knooppuntlocaties en op efficiënt ruimtegebruik; we streven naar functiemenging, passend bij de lokale situatie en woonmilieus; we aandacht hebben voor een gezonde inrichting van de openbare ruimte in het stedelijk gebied met voldoende groen en water, we zorgdragen voor een goede bereikbaarheid die past bij de aard en functie van de ontwikkeling en we bezien wonen, werken en bereikbaarheid in samenhang en als onderdeel van de integrale opgave van de regio. we aandacht hebben voor energieneutraliteit, klimaatadaptatie en circulariteit. Afspraken: We zetten ons maximaal in om bij te dragen aan de in dit regionaal programma genoemde ambities. Een gezonde, veilige en duurzame leefomgeving is immers in ieders belang. Wij beseffen dat we onze ambities niet allemaal van vandaag op morgen kunnen bereiken en dat verschillende ambities elkaar in de weg kunnen zitten (bijvoorbeeld ruimtelijk of financieel). Niet in alle plannen kunnen alle ambities voor 100% worden gerealiseerd. Onze inzet is dat de totale kwaliteit van de uitvoering van dit programma ten minste ‘voldoende’ maar bij voorkeur ‘goed’ moet zijn.
We ontwikkelen het komend jaar een gezamenlijk monitoringssysteem om voorgaand punt te kunnen volgen. Toelichting: Functiemenging resulteert in stads- en dorpscentra vaker in multifunctionele woon-werkmilieus, daarbuiten zal functiemenging op een ander niveau zijn. Bedrijfsmatige functies moeten passend zijn binnen een woonwijk en niet ten koste gaan van de leefbaarheid en van een prettig woonen/of werkklimaat. Milieucategorie 1 en 2 zijn in de basis geschikt voor mengen. Eenmalige kleinschalige uitbreidingen tot 50 woningen per kern worden rechtstreeks mogelijk gemaakt via de provinciale Interim Omgevingsverordening. Deze kleinschalige uitbreidingen worden wel opgenomen in het regionale programma, zodat dit een zo compleet mogelijk beeld bevat. Veel kernen hebben naar aard en omvang behoefte aan een grotere uitbreiding. Deze uitbreidingen worden in dit regionaal programma afgewogen, waarbij het lokale belang, maar ook de provinciale belangen in de afweging worden betrokken.
Specifiek voor U16
Afspraken: Verdere verkenning van (locatie)keuzes en afwegingen voor na 2030 zullen via het programma U Ned en het REP/IRP plaatsvinden. Hierna kan aanscherping/aanvulling van de gezamenlijke ambitie plaatsvinden. Toelichting: Toevoeging ‘Niet iedere woonwijk of woonkern leent zich voor functiemenging en dat is ook niet wenselijk.’
10
Specifiek voor regio Amersfoort
Specifiek voor regio Foodvalley
Afspraken: Verdere verkenning van (locatie)keuzes en afwegingen voor na 2030 zullen via het Ontwikkelbeeld 2030-2040 plaatsvinden. Hierna kan aanscherping/aanvulling van de gezamenlijke ambitie plaatsvinden. Toelichting: Onder ‘levendige en vitale wijken en kernen’ verstaan we wijken en kernen waar het prettig wonen en verblijven is. Daarvoor is geen waterdichte definitie te geven, maar elementen die daarbij van belang zijn, zijn het woningaanbod, functiemenging, de aanwezigheid van voorzieningen en groen. Afspraken: - Verdere verkenning van (locatie)keuzes en afwegingen voor na 2025 en 2030 zullen via de Verstedelijkingsstrategie plaatsvinden. Hierna kan aanscherping/aanvulling van de gezamenlijke ambitie plaatsvinden. Toelichting: - Deze ambitie sluit aan bij de contourennotitie voor de Verstedelijkingsstrategie: o.a. ‘Nieuwe woningen worden eerst binnen bestaand stedelijk gebied gebouwd, vervolgens aan de randen van een stadscentrum maar binnen het bestaand stedelijk gebied. Daarna binnen of direct aan het bestaande bebouwde gebied binnen stedelijke agglomeratie’.
Betaalbaarheid en beschikbaarheid Alle regio’s
Gezamenlijke ambitie: Gemeenten en provincie spreken de intentie uit dat op regionaal niveau 50% van de toe te voegen woningen behoort tot het goedkope of middeldure segment. Gezien de opgave streven we ernaar dat zoveel mogelijk woningen gebouwd worden die een eind onder de bovengrens van middelduur zitten, zodat een grotere doelgroep bereikt wordt. Afspraken: Partijen spannen zich in voor het realiseren van deze ambitie door aanpassing van plannen waar nodig en mogelijk. Daarbij realiseren we ons dat dit beperkt te beïnvloeden is voor (harde) plannen tot en met 2024, maar naar de toekomst toe brengen we in beeld hoe dit percentage zich ontwikkelt, en zetten we ons in om de plannen waar mogelijk aan deze ambitie aan te passen. We bezien de 50% op programmaniveau en naar periode, niet op planniveau of per jaar. Daarbij streven gemeenten zoveel mogelijk naar verevening binnen eigen grenzen (voor lopende en nieuwe plannen). We verkennen welke gezamenlijke prijsgrenzen we hanteren voor het goedkope en middeldure segment in relatie tot bijpassende inkomensgrenzen. Hierbij nemen we de grenzen uit het provinciaal kader in acht. We beseffen dat we bij deze opgave ook afhankelijk zijn van afspraken die door andere partijen worden gemaakt (zoals woningcorporaties). Toelichting: Prijsgrenzen vanuit gemeentelijk beleid liggen gemiddeld genomen lager dan in provinciaal kader.
We hanteren daarom de grenzen uit het provinciaal kader als maximale prijzen, maar houden lokaal (indien gewenst) lagere grenzen aan.
-
Specifiek voor U16
Afspraken: We verkennen en monitoren of de differentiatie van woningen en woonmilieus in de uitvoering overeenkomt met gestelde ambities (zoals in rapport van Companen 5 en/ of andere gemeentelijke studies naar woonmilieus en woningtypen). We verkennen hoe we komen tot een goede spreiding van goedkope en middeldure woningen over de regio (en houden hierbij rekening met lokale ambities en de bestaande woningvoorraad). Belangrijk daarbij is dat we het komende jaar afspraken maken over hoe we dit gaan doen en wat daarvoor nodig is. We werken in 2021 concreet uit hoe we de ambitie en de onderliggende afspraken monitoren, welke gegevens hiervoor nodig zijn, hoe deze worden aangeleverd en met welke frequentie. Hierbij gaan we ook na hoe we een meer compleet beeld kunnen verkrijgen over de prijssegmenten van de bekende plancapaciteit. In het volgende regionale programma verankeren we deze systematiek.
11
Specifiek voor Regio Amersfoort
Gezamenlijke ambitie: toevoeging: ‘’ Gezien de opgave om zorg te dragen voor een passend woningaanbod voor iedereen Afspraken: We gaan in 2021/2020 na hoe we een meer compleet beeld kunnen verkrijgen over de prijssegmenten van de bekende plancapaciteit. In het volgende regionale programma verankeren we deze systematiek.
Specifiek voor Regio Foodvalley
Afspraken: We werken in 2021/2022 concreet uit hoe we de ambitie en de onderliggende afspraken monitoren, welke gegevens hiervoor nodig zijn, hoe deze worden aangeleverd en met welke frequentie. Hierbij gaan we ook na hoe we een meer compleet beeld kunnen verkrijgen over de prijssegmenten van de bekende plancapaciteit. In het volgende regionale programma verankeren we deze systematiek. Toelichting: Deze ambitie sluit aan bij de contourennotie voor de Verstedelijkingsstrategie: o.a. ‘50% van de zachte plancapaciteit wordt gerealiseerd in de het betaalbare segment conform de landelijke definities’. De verdeling (50% goedkoop of middelduur) hoeft niet per plan, omdat vanuit lokale opgaven en de bestaande voorraad een andere keuze hierin gewenst kan zijn.
-
Van nog niet alle plannen die in het programma zijn opgenomen is de onderverdeling naar prijssegmenten bekend. Die onbekendheid is deels reëel: de gemeente, die de planmonitor invult, beschikt dan nog niet over alle informatie per locatie; deels wordt deze echter helaas ook veroorzaakt doordat niet alle gemeentes de planmonitor volledig invullen. Hiervoor zullen wij in het vervolg van regionale programmering aandacht voor vragen. Tabel 3
Overzicht 50 % sociaal en middelduur per regio
sociaal en middelduur t.o.v. plannen waarvan t.o.v. alle plannen prijssegment bekend is
onbekend
U16
58%
38%
34%
Regio Amersfoort
64%
36%
44%
Regio Foodvalley
67%
28%
66%
Evenwichtige ontwikkeling van rood en groen Alle regio’s
Gezamenlijke ambitie: We streven naar een evenwichtige groenontwikkeling om een gezonde leefomgeving te (blijven) bieden aan onze inwoners. Dit betekent onder andere dat er voldoende (recreatief) groen in onze regio beschikbaar en toegankelijk moet zijn, zowel in omvang als kwaliteit. Dit is randvoorwaardelijk en vraagt investeringen. De opgave verschilt per locatie en gemeente. Afspraken: In het programma ‘Groen groeit mee’ wordt de regionale groenopgave in beeld gebracht zowel kwantitatief (in hectares) als financieel. Op basis van deze ruimteclaim en financiële opgave wordt dan een relatie gelegd met dit programma en verkennen gemeenten waar de regionale groenopgave kan landen. Op basis daarvan maken we hierover aanvullende afspraken. Toelichting: In het programma ‘Groen groeit mee’ wordt allereerst door provincie, regio’s, waterschappen en terreinbeherende organisaties de regionale groeiopgave in beeld gebracht. Op basis daarvan wordt een relatie gelegd met dit regionale programma en wordt door provincie en gemeenten gezamenlijk verkend waar de regionale groenopgave kan landen. In de provinciale Interim Omgevingsverordening is voor uitbreidingslocaties opgenomen: ‘de woningbouw wordt in samenhang ontwikkeld met lokale en regionale groenontwikkeling waarbij 12
de omvang van de woningbouw in evenwichtige verhouding staat tot de hoeveelheid te ontwikkelen natuur en recreatie; en de realisatie van natuur en recreatie en de duurzame instandhouding daarvan is verzekerd.’ (art. 9.13) Specifiek Afspraken: voor U16 Verkenning vindt (ook) plaats in het kader van het REP Specifiek Gezamenlijke ambitie: toevoeging: ‘Recreatief groen, in zowel de woonomgeving als voor regio daarbuiten, op bereikbare afstand is randvoorwaardelijk …’ Amersfoort Afspraken: Verkenning vindt (ook) plaats in het kader van het Ontwikkelbeeld 2030 - 2040 De intentie is om een (regionale) programmatische aanpak van groen te koppelen aan het regionale programma wonen. Dit is nu nog niet mogelijk. Daarom wil de provincie op korte termijn een soort handreiking bieden aan gemeenten hoe om te gaan met de regel in de IVpU die bepaalt dat uitbreiding woningbouw in samenhang met lokale en regionale groenontwikkeling plaatsvindt, waarbij beiden in evenwichtige verhouding staan.
Energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie en circulariteit Alle regio’s
Specifiek voor U16
Specifiek voor regio Amersfoort
Gezamenlijke ambitie: We stimuleren energieneutrale nieuwbouw en klimaatadaptief en circulair bouwen, en gaan hierover in gesprek met initiatiefnemers en partijen in de bouwketen. Afspraken: De provincie stelt een (meer)jaarplan op met activiteiten, dat gemeenten in staat stelt om de beschreven ambitie op het gebied van energieneutraliteit ook daadwerkelijk te realiseren. Via de werkregio’s klimaatadaptatie geven regionale overheden (gemeenten, waterschappen en provincie) samen met de partners uitvoering aan klimaatadaptatie strategieën, waaronder maken van afspraken voor klimaatadaptief bouwen en het opnemen in omgevingsvisies en -plannen. In de monitoring van dit programma besteden we aandacht aan deze ambitie (zie verder H 4) Toelichting: Het convenant duurzaam bouwen is een initiatief van EBU, waarbij momenteel een aantal gemeenten en een enkele marktpartij betrokken zijn. Bedoeling daarvan is gezamenlijke ambities en acties af te spreken op het gebied van duurzaam bouwen in brede zin (incl. energieneutraliteit, circulair bouwen en klimaatadaptief bouwen). Gestreefd wordt naar ondertekening deze zomer.2 - De provincie heeft afgelopen jaar bij Utrechtse gemeenten verkend wat haalbaar is ten aanzien van bovenwettelijke normen voor energiezuinig bouwen. Energieneutrale nieuwbouw lijkt haalbaar; de meeste gemeenten vinden een gemeenschappelijke ambitie wenselijk.
Ze willen dit bestuurlijk geborgd hebben (bijvoorbeeld via het Convenant Duurzaam Bouwen) en hebben behoefte aan beleid(skaders) hierover. Daarnaast is er behoefte aan een leidraad voor gesprekken met ontwikkelaars, kennisdeling en gebruik te maken van de goede voorbeelden in de provincie. De invulling en aanscherping van deze ambitie is daarnaast mede afhankelijk van Rijksbeleid, en de normen en financieringsmogelijkheden die op dit thema ontstaan. Gezamenlijke ambitie: toevoeging: ‘Gemeenten koppelen de uitwerking van deze ambitie aan het RES en de vertaling daarvan in de gemeentelijke omgevingsplannen. ‘ Afspraken: Gemeenten en provincie spannen zich in om de gezamenlijke ambities het komend jaar te borgen via het convenant duurzaam bouwen. In dat kader worden onder andere afspraken gemaakt over gezamenlijke definities, indicatoren en ambitieniveau en kennisuitwisseling. In 2021 verkennen we de nadere uitwerking van de ambitie ten aanzien van energieneutraliteit en de uitvoeringsplannen die hierbij horen. Gezamenlijke ambitie: toevoeging: ‘We koppelen de uitwerking van deze ambitie (op de langere termijn) aan het Ontwikkelbeeld.‘ Afspraken: - In 2021 verkennen we de nadere uitwerking van deze ambities, ook in relatie tot het Ontwikkelbeeld. Gemeenten en provincie spannen zich in om de gezamenlijke ambities het komend jaar te borgen via het convenant duurzaam bouwen.
In dat kader worden onder
2 Deze in het regionaal programma opgenomen toelichting is achterhaald. Voorbereiding convenant duurzaam
bouwen loopt nu onder leiding van de provincie en besluitvorming staat gepland in Q4 2021. 13
andere afspraken gemaakt over gezamenlijke definities, indicatoren en ambitieniveau en kennisuitwisseling Specifiek voor regio Foodvalley
-
3. Werken 3.1.
Kwantitatieve opgave
Zoals in de Omgevingsvisie, hoofdstuk 4.4. onder de passage Specifieke bedrijventerreinen is aangegeven, zijn specifieke bedrijventerreinen noodzakelijk ten behoeve van de vestiging van bedrijvigheid die zich niet laat mengen met andere stedelijke functies zoals wonen. Het gaat dan bijvoorbeeld om onderdelen van de maakindustrie, bouw, handel en de logistiek. Tabel 4 geeft de bandbreedte weer voor bedrijventerreinen zoals die in het Kader is meegegeven. De geprognotiseerde behoefte, op basis van het WLO-hoog scenario van het CPB/PBL, wordt daarbij niet volledig geaccommodeerd. De Corona-crisis zal hoogstwaarschijnlijk van invloed zijn op het ruimtegebruik van bedrijven. We laten onderzoeken wat precies de gevolgen zijn voor werklocaties.
Tabel 4
Bandbreedte bedrijventerreinen uit Kader voor regionale programmering Regio
Regio
Foodvalley
Amersfoort
43
84
209
336
9 – 13
17 – 25
42 – 63
68 – 101
4–8
9 – 17
9 – 30
22 – 55
26
50
137
213
Beschikbaar aanbod (hard)
2
28
94
124
Nog max. te accommoderen nieuw terrein
24
22
43
89
Behoefte (WLO hoog)
U16
Provincie Utrecht
Waarvan: -
Ruimtewinst door intensivering bestaand
terrein -
Reservering: niet accomoderen
-
Nieuw bedrijventerrein
restcapaciteit Bandbreedte nieuw terrein
4
7
42
53
4 – 24
7 – 22
42 – 43
53 - 89
De in de regionale programma’s opgenomen indicatie ten aanzien van de vervangingsvraag bij transformatie zal nog verder moeten worden onderzocht. Op basis daarvan zal hiervoor bij de actualisering van het Kader een voorstel worden gedaan hoe hiermee om te gaan. In het Kader wordt er allereerst van uit gegaan, dat door intensivering/herstructurering van bestaand en nieuw bedrijventerrein een ruimtewinst van 20 -30 % mogelijk is, hetgeen neerkomt op 68 tot 101 hectare. Een verkenning door Stec3 bevestigt deze aanname; daarin wordt aangegeven dat zelfs een ruimtewinst van 200 hectare mogelijk is. Dit gaat niet vanzelf, dit vergt een grote inspanning. De verwachting is ook niet dat deze ruimtewinst op korte termijn is te behalen. Met de regio’s zijn afspraken gemaakt over een aanpak van pilotterreinen waarmee ervaring kan worden opgedaan, naast mogelijke kansrijke intensiveringslocaties die zich
3
Stec, ‘Zorgvuldig ruimtegebruik op bedrijventerreinen in provincie Utrecht’, 2020.
14
aandienen. Met de OMU blijven gemeenten en provincie in gesprek over de noodzakelijke ondersteuning, met name de inzet van beschikbare middelen in relatie tot de investeringsambities. Voorts wordt in het Kader ruimte gegeven om 60 % van de behoefte nieuw bedrijventerrein te ontwikkelen, tenzij de huidige mogelijkheden (de aanwezige restcapaciteit) al hoger uitkomen. In totaal wordt gemiddeld tot 63 % van de behoefte ruimte voor nieuwe werklocaties geboden. Uitbreidingen moeten grenzen aan bestaande werklocaties. In de regio’s Foodvalley en Amersfoort is dit percentage 60 %, in U16 66 %. In het Kader is aangegeven om 7 tot 17 % op dit moment niet te accommoderen. In de regionale programma’s is ook de vervangingsvraag als gevolg van transformatie geïnventariseerd. Deze wordt in totaal voor de hele provincie becijferd op zo’n 95 tot 110 hectare. Met deze vervangingsvraag is in de prognose nog geen rekening gehouden. De beoogde transformatie van bedrijventerreinen is over het algemeen essentieel ten behoeve van de woningbouwopgave. In het Kader van de regionale programmering zal scherp moeten worden gemonitord wat voor effect transformatie heeft op een mogelijke vervangingsvraag.
Gemeenten en provincie streven ernaar deze vervangingsvraag zo veel mogelijk te beperken, bijvoorbeeld door bij transformatie zo veel mogelijk werkgelegenheid op de oorspronkelijke locatie te behouden en zorgvuldig ruimtegebruik op zowel de oude als nieuwe locatie. Het is dus niet vanzelfsprekend dat verloren ruimte voor bedrijven (door transformatie) leidt tot een vervangingsvraag van 1 op 1. De manier en in welke mate deze vervangingsvraag wordt meegenomen in de volgende cyclus van regionaal programma, is onderwerp voor de evaluatie van deze eerste cyclus van van regionaal programmeren. Op basis daarvan kan eventueel ten behoeve van de actualisering van het Kader een voorstel worden gedaan. Tabel 5
Overzicht kwantitatief programma werken provincie Utrecht (in hectares netto uitgeefbaar) Regio
Regio
Foodvalley
Amersfoort
U16
Provincie Utrecht
2
28
94
124
Beschikbaar aanbod regionale programma s
1,8
12,8
85,5
100,1
Bandbreedte nieuw terrein (Kader)
4 – 24
7 – 22
42 – 43
53 - 89
Realisatie
4
10,7
39,5
54,2
Restant bandbreedte
20
11,3
3,5
34,8
Pijplijn
5
35,5
54
94,5
’
Beschikbaar aanbod volgens Kader (hard)
Tabel 5 geeft het programma bedrijventerreinen weer. Allereerst wordt aangegeven dat van het in het kader aangegeven beschikbaar aanbod van in totaal 124 hectare anno 2021 nog 100 hectare beschikbaar is, het verschil is in de afgelopen jaren al gerealiseerd. In hoofdstuk 4 wordt per regio verder ingegaan op het programma bedrijventerreinen.
3.2.
Kwalitatieve afspraken
Deze paragraaf heeft relatie met de passage Specifieke bedrijventerreinen in hoofdstuk 4.4. van de Omgevingsvisie. In het Kader heeft PS aangegeven dat zij in de regionale programma’s afspraken willen maken over zorgvuldig ruimtegebruik en verduurzaming van bestaande en nieuw te ontwikkelen werklocaties. Onderstaand is aangegeven welke afspraken hierover in de regionale programma’s zijn opgenomen. Deze verschillen per regio. Dat heeft te maken met wat men als gemeenten onderling al heeft afgesproken of wil gaan afspreken. De in het kader genoemde aspecten met betrekking tot intensivering, zorgvuldig ruimtegebruik en verduurzaming komen echter in alle drie de regio’s terug.
15
Diversiteit in werklocaties/functiemenging U16
Regio Amersfoort
Gezamenlijke ambitie: We stimuleren functiemenging in het stedelijk gebied. Voor bedrijven die zich niet laten mengen blijven specifieke werklocaties nodig. Afspraken: • Gemeenten streven ernaar bedrijfsruimte te incorporeren in bestaande transformatieplannen, waarbij de werkgelegenheid zoveel mogelijk behouden blijft. • Indien als gevolg van transformatie een vervangingsvraag optreedt die niet is meegenomen in de bedrijventerreinbehoefte waardoor er een tekort kan ontstaan, wordt dit bij een volgende actualisatie van zowel het provinciaal kader voor de regionale programmering wonen en werken als het regionaal programma aan de orde gesteld. • De gemeenten verkennen in het kader van de REP op welke locaties functiemenging wordt gefaciliteerd en op welke locaties functiemenging juist niet gefaciliteerd zal worden. Deze strategie zal vanaf 2021 stap voor stap integraal ingevuld worden. . Gemeenten wijzen in 2021 enkele pilotterreinen aan waarin wordt verkend hoe mengen zonder vervangingsvraag vorm kan krijgen. Gezamenlijke ambitie: We streven naar een diversiteit in werklocaties in de regio, zodanig dat deze past bij de werkgelegenheid die wij willen bieden en het gewenste economische profiel. Afspraken: • We verkennen in het Ontwikkelbeeld Regio Amersfoort 2030-2040 we hoe we de behoefte aan werklocaties na 2030 willen faciliteren.
Daarbij maken we onderscheid tussen verschillende werkmilieus, waarvan sommige zich goed laten mengen met andere stedelijke functies. Zie ook de ambitie en afspraken over ‘integrale stedelijke kwaliteit’ bij wonen (tabel 3). • Niet alle bedrijvigheid laat zich echter mengen. Daarvoor blijven specifieke bedrijventerreinen nodig, welke we in dit programma samen programmeren (zie tabel tabel 7 en 8).
Regio Foodvalley
Gezamenlijke ambitie: We stimuleren functiemenging in stedelijke gebied centra. Voor bedrijven die zich niet laten mengen blijven specifieke werklocaties nodig. We mengen op sommige locaties bewust niet, daar waar het de ambities op bijvoorbeeld voldoende ruimte voor overslag, logistiek en circulariteit en maakindustrie hindert, of het een ongewenste vervangingsvraag met zich meebrengt. Afspraken: • Gemeenten verkennen in het kader van de verstedelijkingstrategie en/of de visie werklocaties op welke locaties functiemenging of meervoudig ruimtegebruik wordt gefaciliteerd en op welke locaties functiemenging of meervoudig ruimtegebruik juist niet gefaciliteerd zal worden. Deze strategie zal vanaf 2025 in werking treden.
Zorgvuldig en intensief ruimtegebruik U16
Gezamenlijke Ambitie: Uitgangspunt is om ruimtevragers zoveel mogelijk plaats te laten krijgen binnen het bestaande stedelijk gebied, onder andere ook op bestaande werklocaties. We streven naar een verhoging van de floor space index (fsi) en /of het verlagen van het aantal vierkante meters per arbeidsplaats ten opzichte van de huidige situatie. Voor de termijn tot 2030 richten we ons op het wegwerken van belemmeringen om te komen tot intensivering van het ruimtebeslag. Daarnaast verkennen we welke locaties extra kansrijk zijn om te komen tot intensivering van het ruimtegebruik. We gebruiken hiervoor de input uit de provinciale verkenning van het zorgvuldig ruimtegebruik. De uitwerking hoe de intensivering wordt vormgegeven verschilt per terrein. Afspraken: • Gemeenten spannen zich in om te komen tot een zo hoog mogelijke intensivering van bedrijventerreinen in floor space index en terreinquotiënt, passend bij terreintype en bedrijfsproces. • Gemeenten en provincie voeren het komend jaar verkennende gesprekken met de OMU over ondersteuning bij de intensiveringsopgave, met als doel het in beeld brengen van kansrijke kavels of panden voor korte en langere termijn. Het starten van één of meerdere pilots komt daarbij concreet aan de orde. De provincie zegt toe gemeenten hierbij te ondersteunen, uitgaande van een gezamenlijke, niet-vrijblijvende, inzet van instrumenten en middelen.
• Gemeenten en provincie zetten in op verdere regionale kennisontwikkeling over het verhogen van de intensivering van bestaande werklocaties.
16
Regio Amersfoort
• Gemeenten en provincie zoeken de samenwerking op met het Ministerie van EZK, kennispartners, Europa om te komen tot intensivering en zorgvuldig ruimtegebruik op de bedrijventerreinen in de U16. • Gemeenten en provincie monitoren de ontwikkeling van de floor space index in U16 en de provincie beziet of deze informatie ook mee kan worden genomen in de provinciale monitor werklocaties die in ontwikkeling is. Gezamenlijke ambitie: We streven naar een zorgvuldige invulling van de (schaarse) ruimte op bestaande en nieuwe bedrijventerreinen. Op termijn (na 2030) streven we naar een verhoging van de floor space index en (waar dat passend is bij de bedrijfsprocessen) een verlaging van de terrein quotiënt ten opzichte van de huidige situatie (peildatum 2020) Afspraken: • Gemeenten zetten stap voor stap in op de intensivering van bedrijventerreinen, rekening houdend met andere omgevingsfactoren en financiële randvoorwaarden. De uitwerking van hoe de intensivering wordt vormgegeven verschilt per terrein(type) en de beschikbaarheid van financiële middelen, schuifruimte op nieuwe bedrijventerreinen en onder meer de aard van de functiemenging op bestaande bedrijventerreinen. Verdichten en zo intensief mogelijk omgaan met bestaande en toekomstige werklocaties vraagt om een transitie in denken en doen.
Dit vraagt ook een belangrijke rol van eigenaar-gebruikers en ook van gemeenten om belemmeringen voor verdere intensivering waar mogelijk weg te nemen. • Op nieuwe bedrijventerreinen streven we naar een zo hoog mogelijke intensiteit passend bij het terreintype, de sector en activiteit. Daarbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat de nieuwe terreinen minimaal tot de bovengemiddeld intensieve terreinen behoren binnen onze regio. • We zetten bij de herstructurering van bestaande bedrijventerreinen in op verhoging van het intensief ruimtegebruik, tot minimaal bovengemiddeld van dat terreintype binnen onze regio29. (Wanneer specifieke omstandigheden afwijking van dit streven nodig maken, wijken we hier beargumenteerd van af, zie hierna). • Bedrijfsverplaatsing als gevolg van transformatie wordt in eerste instantie opgevangen binnen de betreffende gemeente, indien niet mogelijk of wenselijk wordt binnen regio gezocht naar alternatieven. • Gemeenten ontwikkelen na de totstandkoming van dit eerste regionale programma een gezamenlijke/regionale intensiveringstrategie op basis van de leerervaringen die we opdoen met de pilots. • De provincie spant zich in om (aanvullend) instrumentarium te ontwikkelen teneinde gemeenten (bijvoorbeeld via inzet OMU) ondersteuning te kunnen bieden.
Regio Foodvalley
Gezamenlijke ambitie: Het ruimtegebruik op de bedrijventerreinen in Foodvalley is intensief. Het uitgangspunt van de gemeenten is om ruimtevragers zoveel mogelijk een plaats te laten krijgen binnen bestaande bebouwde gebieden, onder andere op bestaande werklocaties. We streven tot aan 2040 naar verdere verhoging van de floor space index (verhouding tussen het bruto vloeroppervlak van de bebouwing (BVO) en grondoppervlak van het uitgeefbare terrein) en het verlagen van het aantal vierkante meter per arbeidsplaats van 20 tot 30% ten opzichte van de huidige situatie (2020). Afspraken: • Gemeenten ontwikkelen in 2021 een intensiveringsstrategie voor de bestaande bedrijventerreinen en maken daarin onderscheid naar werklocatietype (terreintype), en in het verlengde daarvan: de bedrijfssectoren en activiteiten die op de terreinen plaats vinden. Passende ambities en maatregelen per type werklocatie zijn dan ook gewenst. De haalbaarheid van het verhogen van de dichtheid moet in de praktijk worden bekeken, en kan gezien huidig gebruik en dichtheid van locaties mogelijk complex zijn. We moeten dit goed monitoren.
Verduurzaming bedrijventerreinen U16
Gezamenlijke ambitie(s): Gemeenten en provincie willen alle werklocaties zo duurzaam en circulair mogelijk maken en houden. Op een duurzame, circulaire werklocatie wordt per activiteit zo min mogelijk energie verbruikt, omdat processen zijn geoptimaliseerd en omdat het vastgoed goed is geïsoleerd. We zetten hierop in bij iedere nieuwe uitgifte vanaf 2021: nieuwe terreinen kunnen in beginsel netto energie opleveren. Voor de bestaande bedrijventerreinen proberen we duurzaam en circulair ruimtegebruik te bevorderen.
17
Regio Amersfoort
Afspraken: • Gemeenten dragen er zorg voor dat er voldoende ruimte voor bedrijvigheid met een hogere milieucategorie behouden blijft, om zowel circulaire ontwikkeling als energietransitie mogelijk te kunnen (blijven) maken. Het is vanuit dat opzicht belangrijk de volgende terreinen te beschermen met een bovengemiddelde score op Next Economy. • Gemeenten stimuleren samenwerking met en vooral ook tussen bedrijven. Verduurzaming begint met goed georganiseerde ondernemerscollectieven (ondernemersvereniging, industriële kring, bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.). • Gemeenten streven ernaar de verduurzaming van nieuwe en bestaande werklocaties onderdeel te laten zijn van een regionaal uitgifteprotocol voor werklocaties. • Gemeenten stimuleren individuele werklocaties om mee te gaan in de energietransitie. Welke middelen hiervoor worden ingezet zal worden onderzocht. • Gemeenten bieden ruimte voor nieuwe duurzame concepten bij nieuw-ontwikkeling en op bestaande werklocaties. • Gemeenten wijzen de komende 4 jaar een aantal geschikte, goed ontsloten, regionale locaties aan die concrete circulaire samenwerking direct kunnen faciliteren. • Gemeenten en provincie samen ontwikkelen gemeenschappelijke kennis over verduurzamen van werklocaties. Dit kan ook betrekking hebben op uitwisseling van praktijkervaringen.
• Gemeenten en provincie monitoren de verduurzaming van werklocaties in U16 en verkennen of deze informatie ook verkregen kan worden uit de provinciale monitor werklocaties die in ontwikkeling is. Provincie is daarbij verantwoordelijk voor het opstellen en bijhouden van de monitor, en gemeenten leveren input aan. • Gemeenten vragen de provincie te ondersteunen met instrumenten om de verduurzaming tot stand te laten brengen. Gezamenlijke ambitie: We streven zoveel mogelijk naar verduurzaming van (bestaande en nieuwe) bedrijventerreinen. Afspraken: • Op bestaande bedrijventerreinen grijpen we de herstructurering van terreinen aan om de werklocaties te verduurzamen door expliciet in te zetten op klimaatadaptatie en duurzaamheid (bv. verduurzaming bedrijfspanden, inzet op energiecollectieven en dakoppervlak voor zonnepanelen) moet een rol spelen wanneer er op herstructurering wordt ingezet). • In 2021 verkennen gemeenten hoe de werklocaties stap voor stap zo duurzaam en circulair mogelijk te maken en te houden. Onderdeel van de verkenning is hoe zoveel mogelijk energie lokaal en duurzaam kan worden opgewekt, bijvoorbeeld door zonnepanelen op daken of windmolens, maar ook bijvoorbeeld door ‘restenergie’ van andere bedrijven in het gebied te hergebruiken.
Met grote dakoppervlakken kunnen bedrijventerreinen energie-opwekkers zijn, belangrijk is dat de infrastructuur daar ook bij past. • Gemeenten stimuleren de samenwerking met en vooral ook tussen bedrijven. Verduurzaming begint met goed georganiseerde ondernemerscollectieven (ondernemersvereniging, industriële kring, bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.). • Gemeenten stimuleren individuele bedrijventerreinen en bedrijfsruimtegebruikers om mee te gaan in de energietransitie (van het gas af, opwekken van duurzame vormen van energie, uit wind, zon, et cetera). Welke middelen hiervoor worden ingezet zal worden onderzocht. . Gemeenten wijzen de komende 4 jaar een aantal geschikte, goed ontsloten, regionale locaties aan die concrete circulaire samenwerking direct kunnen faciliteren (nieuw en/of bestaand), waarin we het belang van circulariteit wegen ten opzichte van andere belangen (zoals hittestress et cetera). We sluiten daarbij goed aan bij ervaringen zoals die al worden opgedaan op concrete terreinen in onze regio. • Gemeenten behouden voldoende ruimte voor bestaande bedrijvigheid met een hogere milieucategorie, om zowel circulaire ontwikkeling als energietransitie mogelijk te kunnen (blijven) maken. Daarmee doelen we op het borgen van ruimte voor bedrijfsruimtegebruikers die belangrijk zijn in de circulaire ketens in de regio Amersfoort.
Regio Foodvalley
Gezamenlijke ambitie: Gemeenten en provincie streven ernaar uitleglocaties voor nieuwe bedrijventerreinen circulair te ontwikkelen, met als doel dat onze bedrijventerreinen een volledig circulair karakter hebben in 2040. Afspraken: • Gemeenten stimuleren samenwerking met en vooral ook tussen bedrijven. Verduurzaming begint met goed georganiseerde ondernemerscollectieven (ondernemersvereniging, industriële kring, bedrijfsinvesteringszone – BIZ, energiecollectief, ondernemersfonds, etc.).
18
• We stimuleren als gemeenten en provincie individuele bedrijventerreinen om mee te gaan in de energietransitie. Welke middelen hiervoor worden ingezet zal worden onderzocht in 2021. • Gemeenten bieden ruimte voor nieuwe duurzame concepten bij nieuw-ontwikkeling. • Gemeenten zetten middels een regionaal uitgifteprotocol in op duurzaamheidsmaatregelen en creëren daarmee regionaal een gelijk speelveld. • We wijzen de komende 4 jaar een aantal geschikte, goed ontsloten, regionale locaties aan die concrete circulaire samenwerking direct kunnen faciliteren. • Gemeenten behouden voldoende ruimte voor bedrijvigheid met een hogere milieucategorie, om zowel circulaire ontwikkeling als energietransitie mogelijk te kunnen (blijven) maken.
Uitgifte van bedrijventerreinen U16
Regio Amersfoort
Regionaal uitgifteprotocol Het tot uitvoering brengen van de regionale afspraken brengt een cultuuromslag met zich mee in de wijze waarop het EZ-beleid binnen de gemeenten wordt vormgegeven. De aandacht zal meer verschuiven naar de samenhang tussen de bestaande bedrijventerreinen en de nieuwe uitgifte van terrein. Dit vraagt in de eerste plaats dat gemeenten deze samenhang vertalen in een gericht uitgifteprotocol voor nieuwe terreinen, zoals dat in de kwalitatieve afspraken is beschreven. Het protocol is niet van toepassing op direct uitgeefbaar aanbod. Elementen in het uitgifteprotocol: • We geven zoveel mogelijk lokaal voorrang aan lokale bedrijven. • We stellen aan nieuwe uitgiften eisen ten aanzien van de floor space index en terrein quotiënt (passend bij de activiteit). • We stellen ten aanzien van vrijkomende terreinen ook eisen aan de floor space index en terrein quotiënt (passend bij de activiteit), waarbij we eerst kijken naar alternatieve mogelijkheden op de kavel en op bestaande bedrijventerreinen. • We zetten in op het concentreren van grootschalige ruimtegebruikers op een aantal regionaal (georiënteerde) bedrijventerreinen (bestaand en nieuw). • We vestigen grootschalige bedrijven van buiten de regio enkel binnen de U16, wanneer het bedrijf bijdraagt aan de economisch vitaliteit.
• We bieden – gemeentegrens overstijgend –de ruimte aan het faciliteren van de groei van lokale en regionale bedrijven. • We zetten zoveel mogelijk en passend binnen financiële randvoorwaarden in op een clustering van bedrijven uit eenzelfde sector zodat samenwerking en innovatie en circulariteit kan worden versterkt. Dit kan betrekking hebben op bestaande terreinen en op nieuwe terreinen. • Gemeenten monitoren jaarlijks de effecten van het uitgifteprotocol. De provincie ondersteunt hierbij met de Vastgoedmonitor en IBIS. Gezamenlijke ambitie: Gemeenten streven naar het opstellen van een regionale uitgifterichtlijn: deze richtlijn betreft geen stringente regionale regelgeving over hoe een kavel moet worden uitgegeven en bebouwd maar stimuleert dat gemeenten de schaarse bedrijventerreinen in de regio aan die bedrijven uitgeven die niet op het eigen perceel kunnen intensiveren. Afspraken: • We werken deze uitgifterichtlijn in 2021 uit met nadere criteria en leggen in 2021 een voorstel voor ter besluitvorming. Elementen die hierbij mogelijk een rol spelen zijn: 1. We geven lokaal voorrang aan lokale bedrijven. 2. We stellen aan nieuwe uitgiften eisen ten aanzien van de floor space index en terrein quotient (passend bij de activiteit). 3.
We zetten zoveel mogelijk in op het concentreren van grootschalige ruimtegebruikers op een aantal regionaal (georiënteerde) bedrijventerreinen (bestaand en nieuw). 4. We vestigen grootschalige bedrijven van buiten de regio enkel binnen Regio Amersfoort wanneer het bedrijf bijdraagt aan de economisch vitaliteit. 5. We bieden – gemeentegrens overstijgend –de ruimte aan het faciliteren van de groei van lokale en regionale bedrijven. 6. We zetten zoveel mogelijk en passend binnen financiële randvoorwaarden in op een clustering van bedrijven uit eenzelfde sector zodat samenwerking en innovatie kan worden versterkt. Dit kan betrekking hebben op bestaande terreinen en op nieuwe terreinen. . Gemeenten monitoren jaarlijks de effecten van een regionale uitgifterichtlijn. De provincie ondersteunt hierbij met de Vastgoedmonitor.
19
Regio Foodvalley
Gezamenlijke ambitie: Gemeenten streven naar het opstellen van een regionaal uitgifteprotocol: deze richtlijn betreft geen stringente regionale regelgeving over hoe een kavel moet worden uitgegeven en bebouwd maar stimuleert dat gemeenten de schaarse bedrijventerreinen in de regio aan die bedrijven uitgeven die niet op het eigen perceel kunnen intensiveren. Afspraken: We werken dit uitgifteprotocol in 2021 uit met nadere criteria en leggen in 2021 een voorstel voor ter besluitvorming. Elementen die hierbij mogelijk een rol spelen zijn: 1. We zetten in op het concentreren van grootschalige ruimtegebruikers op een regionaal (georiënteerd) bedrijventerrein en voorkomen dat andere bedrijventerreinen worden vol gezet met grootschalige ruimtegebruikers met een beperkte werkgelegenheid. 2. We vestigen grootschalige bedrijven van buiten de regio enkel binnen Foodvalley wanneer het bedrijf bijdraagt aan de versterking van ons Foodprofiel. Dit betekent dat terughoudend wordt omgegaan met ruimtevragers die dit profiel niet versterken. 3. We bieden – gemeentegrens overstijgend –de ruimte aan het faciliteren van de groei van lokale en regionale bedrijven. 4. We versterken ons foodprofiel door het behouden en uitbreiden van de (food)kenniscampussen in onze regio. 5. We zetten in op een clustering van bedrijven uit eenzelfde sector zodat samenwerking en innovatie kan worden versterkt.