CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering WOP Lagebiezen 4-10 IJsselstein 26-03-2026

Raadsvergadering 28 mei 2026, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen wijziging omgevingsplan Lagebiezen 4-1014.498 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

pagina 27 van 43

aan de hand van concrete milieuwaarden. De uitgave is verder doorontwikkeld tot geïntegreerde staalkaart. De Staalkaart Bedrijventerrein maakt inzichtelijk hoe activiteiten met gebruiksruimte en milieugevolgen inpasbaar kunnen worden gemaakt en welke regeling in het omgevingsplan hiervoor kan worden opgenomen. De staalkaart zal vervangen worden door de VNG-uitgave ‘Activiteiten en milieuzonering Omgevingswet 2024’. Deze kan ook worden toegepast buiten bedrijventerreinen, in tegenstelling tot de uitgave uit 2019 en de geïntegreerde staalkaart. Bij milieuzonering gaat het om de milieuthema’s die afstandsgerelateerd zijn en niet op een andere wijze zijn gereguleerd. Afstandsgerelateerd wil zeggen dat de milieubelasting afneemt bij grotere afstand, zoals bij geluid en geur. In het stedelijk gebied kunnen grofweg drie soorten gebieden worden onderscheiden:

▪

industrieterreinen, bedrijventerreinen of andere werkgebieden: dit zijn gebieden waar de bedrijfsfunctie (of een andere werkgerelateerde functie) prevaleert;

▪

woongebieden: dit zijn gebieden waar de woonfunctie (en andere milieugevoelige functies) prevaleert;

▪

gemengde gebieden met wonen (functiemenging): dit zijn gebieden met een tussenvorm met zowel milieugevoelige functies als bedrijfsfuncties, maar ook andere milieubelastende functies zoals horeca, detailhandel, etc.

Planspecifiek Wonen is een gevoelige functie, waardoor beoordeeld dient te worden of ter plaatse van deze gevoelige bestemming sprake is van een goed woon- en leefklimaat en milieubelastende activiteiten in de omgeving niet belemmerd worden als gevolg van het plan. In de directe omgeving van het plangebied bevinden zich geen bedrijven die als milieubelastend worden aangemerkt. Aan de oostzijde grenst het plangebied aan een fietsenmaker/-winkel. Hoewel een milieubelastende activiteit (mba) is, betreft het geen mba waarvoor rijksregels van toepassing zijn. Deze functie vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Indien het vijfde bouwveld wordt ingericht als een combinatie van woningen en een maatschappelijke functie zullen mogelijk (bouwkundige) maatregelen getroffen moeten worden. Op ca. 160 meter ten zuiden van het plangebied maatschappelijke voorzieningen aanwezig, namelijk een woonzorgcentrum en een hospice. Er bevinden zich aan de zuidzijde van het plangebied reeds woningen op kortere afstand van deze maatschappelijke voorzieningen. Het is daarom redelijk aan te nemen dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gesteld kan worden dat sprake zal zijn van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect activiteiten en milieuzonering vormt hier geen belemmering.

7.6

Luchtkwaliteit

De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in en nabij de zogenoemde aandachtsgebieden aan de rijksomgevingswaarden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO 2) of fijnstof (PM10). Soms wordt hier een rijksomgevingswaarde overschreden. Of de achtergrondconcentratie is zo hoog, dat bij toevoeging van een nieuw project alsnog een rijksomgevingswaarde overschreden kan worden.

pagina 28 van 43

Als de gemeente activiteiten toelaat, die leiden tot gebruik van wegen, vaarwegen of spoorwegen (verkeersaantrekkende werking) of waarvoor luchtregels staan in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) moet worden voldaan aan de omgevingswaarden. Er is een uitzondering voor activiteiten die weinig bijdragen aan luchtvervuiling: niet in betekenende mate (NIBM). Uit artikel 5.53 en 5.54 Bkl volgt dat een project niet in betekende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 µg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Er zijn twee mogelijkheden om aannemelijk te maken dat een project binnen de NIBM-grens blijft: 1.

Standaardgevallen NIBM, conform artikel 5.54 Bkl.

2.

Op een andere manier zoals de NIBM-tool of detailberekeningen.

Planspecifiek De planlocatie ligt in een aandachtsgebied luchtkwaliteit, zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 Bkl. Ruimtelijke ontwikkelingen binnen het aandachtsgebied mogen niet bijdragen aan de verdere verslechtering van de luchtkwaliteit. De ontwikkeling van gebouwen met een woonfunctie tot maximaal 1.500 woningen (één ontsluitingsweg) wordt per definitie aangemerkt als project dat niet in betekenende mate bijdraagt aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarmee is het project in het kader van het aspect luchtkwaliteit uitvoerbaar. Met behulp van het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 μg/m³ voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2022 van stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5) en (PM10) in het plangebied bedragen respectievelijk gemiddeld 14,4 μg/m³, 9,8 μg/m³ en 17,7 μg/m³. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.7

Archeologie en cultuurhistorie

In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Een gemeente moet in haar omgevingsplan rekening houden met cultureel erfgoed. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Daarnaast zijn er algemene rijksregels: in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) staan regels voor erfgoedactiviteiten. Artikel 13.8 Bal geeft aan gemeenten de mogelijkheid om in het omgevingsplan maatwerkregels te stellen ter invulling van de specifieke zorgplicht (13.7 Bal). Gemeenten bepalen zelf of ze voor hun erfgoedbeleid archeologische beleidskaarten en/of cultuurhistorische waardenkaarten (laten) ontwikkelen.

De archeologische verwachtingen en cultuurhistorische waarden zijn veelal doorvertaald in archeologische en cultuurhistorische dubbelbestemmingen. Deze dubbelbestemmingen worden opgenomen in het (tijdelijk) omgevingsplan in het gemeentebrede omgevingsplan. Indien het initiatief in deze (werkings)gebieden is gelegen, wordt hieraan getoetst.

pagina 29 van 43

In de bruidsschat is een algemene vrijstelling van het archeologisch onderzoek opgenomen in het kader van een aanvraag om een omgevingsvergunning voor een bouwactiviteit of het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of een werkzaamheid met een oppervlakte van minder dan 100 m². Gemeenten kunnen hier wel van afwijken door een andere oppervlakte op te nemen.

Planspecifiek Archeologie Het plangebied is in het tijdelijke deel van het omgevingsplan voorzien van de dubbelbestemmingen 'WaardeArcheologie 3' en 'Waarde- Archeologie 6', voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Omdat voor de realisatie graafwerkzaamheden nodig zijn die dieper reiken dan 30 cm en de woningen tezamen een groter oppervlak dan 100 m² zullen beslaan is een archeologisch onderzoek uitgevoerd (Transect, d.d. 11 maart 2025, bijlage 3). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Uit het bureauonderzoek blijkt dat de archeologische verwachting in het plangebied sterk samenhangt met de ligging op een dekzandlandschap in een komgebied met mogelijke crevasseafzettingen en langs het historische ontginnings- en bewoningslint de Achtersloot. Voor de periode Paleolithicum-Mesolithicum is de archeologische verwachting onbekend, mede vanwege de geringe kennis over het dekzandlandschap in de ondergrond en de diepteligging van 7,2 meter onder maaiveld, wat de trefkans laag maakt. Voor de periode Neolithicum tot en met de Vroege Middeleeuwen geldt een lage verwachting, omdat het komgebied door zijn lage en natte ligging weinig geschikt was voor bewoning. Lokaal kunnen echter crevasseafzettingen aanwezig zijn, waar bewoning of landgebruik mogelijk was, wat leidt tot een middelhoge verwachting.

In de Late Middeleeuwen is het gebied ontgonnen, met de Achtersloot als achterkade en later bewoningslint tijdens de ontginningen van de Lage Biezenpolder. Hoewel het plangebied vanaf de 16e eeuw niet meer bebouwd is geweest, kan eerdere bewoning niet worden uitgesloten, wat resulteert in een middelhoge archeologische verwachting voor deze periode. Voor de Nieuwe Tijd is de verwachting laag. Het veldonderzoek bevestigt een hoge archeologische verwachting voor het plangebied. Boringen hebben de aanwezigheid van crevasseafzettingen aangetoond, met sporen van een cultuurlaag, waaronder houtskool, fosfaatvlekken en aardewerk, die wijzen op een vindplaats uit de IJzertijd-Romeinse tijd. Deze vindplaats bevindt zich op een diepte van 40-120 cm onder maaiveld, op de top van de crevasseafzettingen. Hoewel er geen aanwijzingen zijn gevonden voor middeleeuwse resten, kan hun aanwezigheid niet worden uitgesloten. Voor perioden vóór de IJzertijd blijft de verwachting laag. Wel is aannemelijk dat archeologische resten onder de huidige gebouwen zijn verstoord door eerdere bouwactiviteiten, gezien de diepteligging van de vindplaats in relatie tot de funderingsdiepte. Uit het archeologisch onderzoek blijkt dat bij werkzaamheden die dieper gaan dan 30 cm onder maaiveld, mogelijk aanwezige archeologische resten in het plangebied verstoord kunnen worden.

Om deze reden zal ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling een proefsleuvenonderzoek worden uitgevoerd. Indien dit onderzoek wordt afgerond vóór de vaststelling van het wijziging omgevingsplan, zullen de resultaten worden meegenomen in de planvorming. Voorafgaand aan de uitvoering van het proefsleuvenonderzoek dient een Programma van Eisen (PvE) te worden opgesteld. Dit PvE moet ter goedkeuring worden voorgelegd aan het bevoegd gezag.

pagina 30 van 43

Cultuurhistorie In de omgeving van het plangebied zijn enkele Rijksmonumenten aanwezig, nabij het centrum van IJsselstein. Gezien de afstand kan gesteld worden dat er geen afbreuk wordt gedaan aan deze monumenten. Daarnaast zijn er in de omgeving van het plangebied enkele gemeentelijke monumenten aanwezig. Deze monumenten worden onderstaand toegelicht: Achtersloot 22-24 - Touwlaan 2

▪

Beschrijving: Voormalige touwslagerij, nu enkele woningen, T-vormige plattegrond.

▪

Kenmerken: Symmetrische voorgevel met zeven traveeën, fronton, vensters gewijzigd, siermetselwerk met natuursteen blokken.

▪

Belang: Architectuurhistorie, detaillering, markante ligging, uniciteit.

Achtersloot 40

▪

Beschrijving: Arbeiderswoning, anderhalve bouwlaag, evenwijdig aan de Achtersloot.

▪

Kenmerken: Symmetrische voorgevel met drie traveeën, siermetselwerk, segmentbogen, decoratieve klossen, betonnen bruggetje.

▪

Belang: Architectuurhistorie, siermetselwerk, gaafheid van voorgevel, samenhang met buurpanden 42 en 44-46.

Achtersloot 42

▪

Beschrijving: Arbeiderswoning, anderhalve bouwlaag, haaks op de Achtersloot.

▪

Kenmerken: Schuifvensters met glas-in-lood, inpandig portiek, siermetselwerk, betonnen bruggetje.

▪

Belang: Gevelornamentiek, gaafheid van hoofdvorm en gevels, samenhang met buurpanden 40 en 4446.

Achtersloot 44-46

▪

Beschrijving: Dubbele arbeiderswoning op een hoek.

▪

Kenmerken:

Symmetrische

voorgevel,

inpandige

portieken,

schuifvensters

met

glas-in-lood,

siermetselwerk, nis met pinakels, bepleisterde banden.

▪

Belang: Bouwtype dubbele arbeiderswoning, details zoals pinakels, gaafheid van hoofdvorm, samenhang met buurpanden 40 en 42.

De ontsluiting van het plangebied bevindt zich aan de Lagebiezen, ten westen van de Achtersloot. De Achtersloot en de verbinding voor langzaam verkeer die op de Achtersloot aansluiten blijven ongewijzigd. Gesteld kan worden dat met de beoogde ontwikkeling de nabijgelegen gemeentelijke monumenten aan de Achtersloot niet worden aangetast of anderszins negatief worden beïnvloed. Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

pagina 31 van 43

7.8

Bodem

Een omgevingsplan bevat waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie. De waarden voor de toelaatbare kwaliteit van de bodem voor het bouwen van een bodemgevoelig gebouw op een bodemgevoelige locatie worden opgenomen in het definitieve omgevingsplan (artikel 5.89i Bkl). Deze waarden kunnen per gebied of per gebruiksfunctie verschillen. Een bodemgevoelige locatie en een bodemgevoelig gebouw worden als volgt gedefinieerd:

▪

Een bodemgevoelige locatie is in ieder geval een locatie waarop een bodemgevoelig gebouw is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een omgevingsplanactiviteit. Tot een bodemgevoelige locatie hoort ook een aaneengesloten terrein direct grenzend aan een bodemgevoelig gebouw;

▪

Een bodemgevoelig gebouw is een gebouw of een gedeelte van een gebouw dat de bodem raakt en waar personen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zijn. Onder een bodemgevoelig gebouw vallen ook een woonschip of een woonwagen. Een uitbreiding of wijziging van een bestaand gebouw of een bijbehorend bouwwerk tot 50 m² valt niet onder het begrip bodemgevoelig gebouw.

Bij een overschrijding van een vastgestelde waarde (zie artikel 5.89i Bkl) is het bouwen van een bodemgevoelig gebouw alleen toegelaten als de in het omgevingsplan voorgeschreven sanerende of andere beschermende maatregelen worden getroffen (artikel 5.89k Bkl).

Planspecifiek Bij een bodemgevoelig gebouw op bodemgevoelige locatie dient aangetoond te worden dat de bodem geschikt is voor het beoogde gebruik. Derhalve is een bodemonderzoek uitgevoerd (Econsultancy, d.d. 17 juni 2021, zie bijlage 4). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Deellocatie A: Gehele onderzoeklocatie In de zintuiglijk schone bovengrond, bestaande uit zand, zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. De zintuiglijk schone bovengrond, bestaande uit klei, is analytisch licht verontreinigd met molybdeen, lood en PAK. De ondergrond, ter plaatse van het westelijk terreindeel blijkt analytisch niet verontreinigd. De ondergrond, ter plaatse van het oostelijk terreindeel blijkt analytisch licht verontreinigd met nikkel en lood. Het grondwater is in combinatie met deellocatie C onderzocht. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Deellocatie B: Voormalige boomgaard De bodemlaag, die verdacht is op het voorkomen van organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB), blijkt analytisch niet verontreinigd met OCB. Deellocatie C: Voormalige sloot De ondergrond blijkt zwak tot sterk puinhoudend. De zwak tot matig puinhoudende bodem blijkt analytisch licht verontreinigd met kwik en lood. De sterk puinhoudende ondergrond blijkt analytisch licht verontreinigd met lood, minerale olie en PAK.

pagina 32 van 43

Verkennend bodem- en asbestonderzoek 2025 In 2025 is een verkennend bodem- en asbestonderzoek uitgevoerd (Sweco, d.d. 16 juni 2025, zie bijlage 5). Er zijn verhoogde gehalten aan metalen en PAK aangetoond. Er wordt geconcludeerd dat de onderzoekslocatie heterogeen verontreinigd is met metalen en PAK.

Met het asbest in grondonderzoek ter plaatse van de gedempte sloot zijn zintuiglijk geen asbestverdachte materialen in de fractie > 20 mm aangetroffen. Analytisch is in de fractie < 20 mm eveneens geen asbest aangetoond. De Omgevingsdienst regio Utrecht stelt echter dat de boringen voor de gedempte sloot buiten het dempingstraject staan zoals aangetoond in het voorgaande onderzoek uit 2021. Aanvullend onderzoek is in dit geval nodig. Conclusie Voor het verkrijgen van een omgevingsvergunning voor de bouwactiviteit is een aanvullend bodemonderzoek nodig dat voldoet aan de NEN5740 en de NEN 5707. Uit de uitgevoerde onderzoeken blijkt namelijk dat niet de gehele bodemgevoelige locatie is onderzocht en dat op het al wel onderzochte deel van de locatie het asbestverdachte slootdempingsmateriaal nog niet op asbest is onderzocht. Tot de bodemgevoelige locatie behoort in dit geval de hele planlocatie.

7.9

Omgevingsveiligheid

Gemeenten nemen in hun omgevingsplan regels op over omgevingsveiligheid. Dat geldt onder meer als zij in de buurt van een risicobron nieuwe gebouwen toestaan of als de gemeente nieuwe risicobronnen op haar grondgebied wil toestaan. De belangrijkste regels over omgevingsveiligheid zijn in het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) en in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal) opgenomen. In het Bkl worden activiteiten met externe veiligheidsrisico’s risicobronnen genoemd. Deze risicobronnen zijn van belang voor de regels over het plaatsgebonden risico en de aandachtsgebieden en kunnen effecten hebben op kwetsbare gebouwen en locaties. Kwetsbare gebouwen en locaties Bij het bepalen van de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie wordt gekeken naar het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Er wordt onderscheid gemaakt tussen beperkt kwetsbare gebouwen en locaties, kwetsbare gebouwen en locaties en zeer kwetsbare gebouwen. Beperkt kwetsbaar gebouwen en locaties zijn onder meer verspreid liggende woningen en recreatieterreinen voor nachtverblijf van ten hoogste 50 personen. Kwetsbare gebouwen en locaties zijn alle gebouwen met een woonfunctie (niet verspreid liggende bebouwing) en locaties bestemd voor recreatief nachtverblijf voor meer dan 50 personen.

Een gebouw is zeer kwetsbaar als het een gebouw is voor mensen die zichzelf niet op tijd in veiligheid kunnen brengen, zoals onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang en dagverblijven. De volledige beschrijving is opgenomen in bijlage IV van het Bkl. Een gemeente kan andere categorieën van locaties of gebouwen dan die in bijlage VI staan een vergelijkbare bescherming bieden. Daarnaast kan ze categorieën meer bescherming bieden, door bijvoorbeeld sommige kwetsbare gebouwen als zeer kwetsbaar te behandelen. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is het risico dat 1 persoon die zich onafgebroken en onbeschermd op die plaats bevindt, overlijdt als rechtstreeks gevolg van een calamiteit met een gevaarlijke stof. Voor (zeer) kwetsbare gebouwen en

pagina 33 van 43

kwetsbare locaties is in het Bkl (artikel 5.7) een grenswaarde voor het plaatsgebonden risico opgenomen van ten hoogste één op de miljoen per jaar (10-6/jaar). In het omgevingsplan moet deze grenswaarde ‘in acht worden genomen’. Het in acht nemen betekent dat het bevoegd gezag er niet van mag afwijken. (Zeer) kwetsbare gebouwen en kwetsbare locaties mogen daarom niet binnen de PR (plaatsgebonden risico) 10-6-contour van een activiteit worden gerealiseerd. Voor beperkt kwetsbare gebouwen en locaties moet het bevoegd gezag rekening houden met een standaardwaarde (PR 10-6-contour) voor het plaatsgebonden risico. 'Rekening houden met' betekent een inhoudelijke sturing op de belangenafweging. Er kan van de standaardwaarde afgeweken worden. Aandachtsgebieden Aandachtsgebieden zijn gebieden die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er is een onderscheid tussen drie soorten gevaren: warmtestraling (brand), overdruk (explosie) en concentratie giftige stoffen in de lucht (gifwolk). Daarmee zijn er ook drie typen aandachtsgebieden: brandaandachtsgebied, explosieaandachtsgebied en gifwolkaandachtsgebied. De gemeente moet in het omgevingsplan binnen deze aandachtsgebieden rekening houden met het groepsrisico.

Dit is opgenomen in het eerste lid van artikel 5.15 van het Bkl. Aan het groepsrisico wordt voldaan door in het aandachtsgebied geen (zeer, beperkt) kwetsbare gebouwen en locaties toe te laten. Deze gebouwen en locaties zijn wel toelaatbaar als er daarvoor extra maatregelen worden genomen. Dat kan ook door het beperken van het aantal personen of de verblijftijd van personen in deze gebouwen of op deze locaties. Risicobronnen Activiteiten met externe veiligheidsrisico’s worden risicobronnen genoemd. Voor deze activiteiten moet de gemeente regels opnemen in het omgevingsplan. Het gaat onder meer om activiteiten met gevaarlijke stoffen bij bedrijven, vervoer van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor en vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Voor een groot aantal van de risicovolle activiteiten gelden vaste afstanden. Deze staan in het Bal of in het Bkl. In het Bal gaat het om activiteiten zonder vergunningplicht met relatief kleine afstanden. In het Bkl staan afstanden voor zowel vergunningplichtige als niet-vergunningplichtige activiteiten.

Planspecifiek Vervoer gevaarlijke stoffen De rijksweg A2 (wegvak U84) ligt op ruim 1.860 m van het plangebied. Deze weg is opgenomen in het Basisnet weg. Deze weg kent geen plaatsgebonden risico en geen PAG, waardoor deze aspecten geen belemmering vormen voor de planvorming. Aangezien het plan op meer dan 200 m van deze weg is gelegen, hoeft het groepsrisico niet verantwoord te worden. Op grond van de meest recente telgegevens van Rijkswaterstaat (juni 2019) worden over de A2, ter hoogte van het plangebied LF1, LF2, LT1, LT2 en GF3-stoffen vervoerd. Op grond van deze stoffen ligt het plangebied buiten het aandachtsgebied van de A2. Buisleiding Uit de risicokaart komt naar voren dat op een afstand van ca. 1,5 km een buisleiding is gelegen. Gezien deze afstand kan gesteld worden dat het plangebied buiten het aandachtsgebied ligt van deze buisleiding.

pagina 34 van 43

Risicovolle activiteiten Er zijn geen risicovolle inrichtingen aanwezig in de directe omgeving van het plangebied. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.10 Natuur Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening gehouden te worden met de natuurwaarden ter plaatse. De Omgevingswet regelt activiteiten die met natuur te maken hebben. Deze natuuractiviteiten gaan over dieren en planten en gebieden waarin ze leven. Het doel van de regels is onder meer het beschermen van soorten en gebieden. Bij een ontwikkeling dient inzichtelijk gemaakt te worden dat voldaan wordt aan natuurregelgeving uit de Omgevingswet. Activiteiten die gevolgen kunnen hebben voor dieren en planten worden flora- en fauna-activiteiten genoemd. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Een activiteit die significant nadelig kan zijn voor een Natura 2000-gebied wordt een Natura 2000-activiteit genoemd. Verder bevat de Omgevingswet regels over het vellen van houtopstand en herbeplanten om bossen te beschermen. Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Omgevingswet zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden (NNN-gebieden) en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. De Europese Vogel- en Habitatrichtlijn beschermt Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen voor habitattypen en -soorten opgesteld.

Deze instandhoudingsdoelstellingen geven aan of de instandhouding moet zijn gericht op alleen behoud, of dat ook herstel moet worden nagestreefd om een habitattype of -soort weer in gunstige staat te brengen. In het kader van de gebiedsbescherming is ook het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN is een samenhangend landelijk ecologisch netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het netwerk is opgebouwd uit kerngebieden, natuurontwikkelingsgebieden en verbindingszones, en heeft ook ten doel om de structuur te laten aansluiten op ecologische verbindingszones in het buitenland. Het NNN is gericht op de bescherming, de instandhouding en zo nodig het herstel van een gunstige staat van:

▪

aanwezige dier- en plantensoorten;

▪

typen natuurlijke habitats;

▪

leefgebieden van soorten die van nature in Nederland voorkomen.

Bijna alle aangewezen Natura 2000-gebieden zijn onderdeel van het NNN. Soortenbescherming Om de natuur te beschermen, geeft het Rijk regels voor flora- en fauna-activiteiten. Voor flora- en fauna-activiteiten met gevolgen voor dieren en planten kan een omgevingsvergunning nodig zijn. De beschermde soorten blijven in twee groepen verdeeld:

▪

strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn;

pagina 35 van 43

▪

andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.

Voorts geldt dat iemand die weet of kan weten dat een flora- en fauna-activiteit nadelig kan zijn voor natuurbescherming, zich altijd moet houden aan de specifieke zorgplicht bij het verrichten van de activiteit. De specifieke zorgplicht geldt bij alle dier- en plantensoorten, dus bij (inter)nationaal beschermde soorten én bij andere soorten. De zorgplicht moet nageleefd worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Houtopstanden Er gelden rijksregels als sprake is van het (deels) vellen van houtopstanden. Bij vellen kan een herbeplantingsplicht gelden. In het Besluit activiteiten leefomgeving worden echter uitzonderingen genoemd, zoals voor houtopstanden binnen stedelijk gebied, op erven of in tuinen en met een oppervlakte van minder dan 10 are.

Planspecifiek Het voornemen is de bestaande bebouwing te slopen en circa 75 woningen te realiseren. In januari 2025 is door Sweco een quickscan flora en fauna uitgevoerd (zie bijlage 6). Onderstaand zijn de belangrijkste conclusies weergegeven. Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van beschermde gebieden, zowel landelijk als provinciaal. Het plangebied ligt op circa 5,4 km afstand van het Natura 2000-gebied 'Uiterwaarden Lek'. Het dichtstbijzijnde gebied dat is aangewezen als Natuurnetwerk Nederland (NNN) ligt op ca. 4,7 km afstand van de onderzoekslocatie. Het gebied maakt eveneens geen onderdeel uit van een ander beschermd gebied. Gelet op de aard en omvang van het beoogde initiatief en de ruime afstand tot de omliggende beschermde gebieden, kan gesteld worden dat de ontwikkeling op deze gebieden geen invloed heeft. Voor functies waardoor de depositie van stikstofverbindingen toeneemt is een berekening noodzakelijk van de effecten. Vanwege de grote afstand tussen Natura 2000-gebieden en de planlocatie, en de aard van de werkzaamheden kan een effect van andere oorzaken, zoals geluid, licht of grondwaterstromen, op voorhand worden uitgesloten. Stikstofdepositie Voor de beoogde ontwikkeling is ten behoeve van de Wet natuurbescherming een stikstofonderzoek (Buro SRO, d.d. 12 februari 2025, zie bijlage 7) uitgevoerd.

Uit de AERIUS-berekening blijkt dat zowel in de aanlegfase als de gebruiksfase de stikstofdepositie niet groter is dan 0,00 mol/ha/jr op stikstofgevoelige habitats en leefgebieden in verschillende Natura 2000-gebieden. Soortenbescherming Uit de resultaten van de quickscan flora en fauna blijkt dat de aanwezigheid van vleermuizen in beide complexen niet is uit te sluiten. Voor de onderbouwing van de natuurtoets wordt aangesloten bij het toekomstige soortenmanagementplan (SMP) van de gemeente IJsselstein. Zodra dit SMP vastgesteld/verleend is, zal een toetsing aan het SMP en een ecologisch werkprotocol worden opgesteld met maatregelen die voldoen aan de voorwaarden van het SMP.

pagina 36 van 43

Bij eerder onderzoek is in het naburige gebouw aan Lagebiezen 2 een kraamverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aangetroffen. In de nieuwbouw zal hiermee rekening worden gehouden door passende voorzieningen, zoals inbouwstenen voor vleermuizen, op te nemen. Compensatie maakt onderdeel uit van het nog vast te stellen SMP. Houtopstanden Het bestaande groen, met de aanwezige waardevolle bomen, wordt zo veel als mogelijk behouden. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect natuur geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

7.11 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.a.) voorkomen worden en kan ook de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. Artikel 5.37 van het Bkl stelt dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met de gevolgen voor het beheer van watersystemen. Naast de specifieke regels als gesteld in paragraaf 5.1.3 Bkl over onderdelen van het watersysteem in het omgevingsplan, worden voor een duiding van de gevolgen voor het beheer van het watersysteem, de opvattingen van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van die watersystemen betrokken. Het is aan het bevoegd gezag om te bepalen hoe andere bestuursorganen bij de besluitvorming worden betrokken bij de weging van het waterbelang. De gemeente is vrij om hier zelf invulling aan te geven. Beleid De Omgevingswet verplicht overheden om een aantal programma’s vast te stellen ten aanzien van het aspect water. Dit zijn hoofdzakelijk het Nationaal Water Programma dat door het Rijk is vastgesteld, het Regionaal Water Programma dat door de provincie wordt vastgesteld en het Waterbeheerprogramma van het waterschap. De grenzen van beperkingengebieden voor waterstaatswerken in beheer bij het Rijk staan in de Omgevingsregeling.

De grenzen van beperkingengebieden voor regionale waterstaatswerken staan in de waterschapsverordening. Tot slot stelt elk waterschap een waterschapsverordening op. Nationaal Water Programma Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water. Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor er moet extra waterberging gerealiseerd moet worden in een plan als het verhard oppervlak 500 m² of groter is voor stedelijk gebied en 5.000 m² of groter voor landelijk

pagina 37 van 43

gebied. Bij het realiseren van nieuw oppervlaktewater is het oppervlakte minimaal even groot is als 15% van de toename in het hard oppervlak voor stedelijk gebied en voor landelijk gebied 10%. Is de toename van hard oppervlak in het plangebied meer dan 5.000 m², dan moet ervoor gezorgd worden dat in 24 uur minimaal 90 millimeter neerslag kan worden opgevangen binnen het plangebied. De 90 mm-regel zorgt ervoor dat wateroverlast in het plangebied zoveel mogelijk wordt voorkomen en dat de kans op overlast in het omliggende gebied niet toeneemt en in veel gevallen zelfs afneemt.

Planspecifiek Watercompensatie Voor de voorgenomen ontwikkeling is een verhardingsbalans opgesteld om de verharding in de huidige en de toekomstige situatie te vergelijken. De navolgende tabel geeft de verhardingsbalans weer. Huidige situatie

Toekomstige situatie

Verschil

Bebouwing

2.406 m²

2.000 m²

- 406 m²

Groen

3.293 m²

4.425 m²

+ 1.132 m²

Verharding

4.526 m²

1.131 m²

- 3.395 m²

Halfverharding (50%)

0 m²

2.330 m²

+ 2.330 m²

Water

647 m²

1.022 m²

+ 375 m²

In de toekomstige situatie is het plangebied minder verhard dan de in huidige situatie. Er is sprake van een verhardingsafname. Derhalve kan gesteld worden dat het niet er geen watercompensatie benodigd is voor de voorgenomen ontwikkeling. Waterafvoer Voor wat betreft de hemelwaterafvoer wordt uitgegaan van zoveel mogelijk groen en van halfopen verhardingen waardoor het regenwater kan infiltreren en vertraagd wordt afgevoerd naar de omliggende sloten. De afvoer van afvalwater wordt aangesloten op het bestaande rioleringssysteem. Waterkeringen en watergangen Op basis van de legger van het hoogheemraadschap is het plangebied niet gelegen binnen een beschermingszone van een waterkering. Oppervlaktewater Volgens de legger van het hoogheemraadschap grenst het plangebied aan het oppervlaktewater in de categorie tertiair. Met de voorgenomen ontwikkeling is er ruimte voor extra waterberging door de verbreding van de bestaande sloten. Daarnaast is er voldoende ruimte voor onderhoud aan de watergangen. Conclusie Gesteld kan worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling.

pagina 38 van 43

7.12 Mer-beoordeling De milieueffectrapportage (MER) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een MER is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (MER) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In artikel 16.34, tweede lid van de Omgevingswet is aangegeven dat onder een plan of programma, als bedoeld in artikel 2, onder a, van de SMB-richtlijn (richtlijn 2001/42/EG (Strategische milieubeoordeling), in ieder geval een omgevingsvisie, een programma, een omgevingsplan en een voorkeursbeslissing wordt verstaan. Het bevoegd gezag zal per specifiek geval na moeten gaan of er sprake is van een plan of programma in de zin van de SMBrichtlijn. Er wordt onder de Omgevingswet geen onderscheid meer gemaakt tussen een formele en vormvrije merbeoordeling op grond van aangewezen drempelwaarden. Er is dus nog maar één mer-beoordelingsprocedure. In bijlage V bij het Omgevingsbesluit worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten waarvoor een mer(beoordelings)plicht geldt aangewezen.

Als het project voldoet aan de voorwaarden van kolom 2, dan is er een merplicht. Als het project voldoet aan de voorwaarden in kolom 3, dan is er een mer-beoordelingsplicht. Een mer-beoordeling bestaat uit twee verplichte stappen.

▪

Stap 1: Mededeling van de initiatiefnemer aan het bevoegd gezag.

▪

Stap 2: Beslissing bevoegd gezag over wel of geen milieueffectrapportage benodigd is.

De initiatiefnemer van een mer-beoordelingsplichtig project moet zijn voornemen schriftelijk mededelen aan het bevoegd gezag. De mededeling is vormvrij, wel zijn er eisen aan de inhoud zoals opgenomen in artikel 11.10 van het Omgevingsbesluit. Dit kan een aparte aanmeldnotitie zijn. Het bevoegd gezag beoordeelt de informatie uit de mededeling en houdt bij de mer-beoordeling rekening met de criteria uit Bijlage III van de mer-richtlijn. De drie hoofdcriteria zijn opgenomen in bijlage III van de Europese richtlijn: 1.

de kenmerken van het project;

2.

de plaats van het project;

3.

de kenmerken van de potentiële effecten.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling ziet toe op de realisatie van circa 75 woningen. Onderhavig plan is aan te merken als een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in J11 van bijlage V van het Omgevingsbesluit. Artikel 16.43 van het Omgevingsbesluit beschrijft wanneer er sprake is van mer-(beoordelings)plichtige projecten en besluiten. Artikel 16.43 lid 1 luidt als volgt: Bij algemene maatregel van bestuur worden de projecten en de daarvoor benodigde besluiten aangewezen: a.

die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben en waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt; en

pagina 39 van 43

b.

waarvoor moet worden beoordeeld of die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, en, als dat het geval is, waarvoor bij de voorbereiding van het besluit een milieueffectrapport moet worden gemaakt.

Onderhavig initiatief is een project als bedoeld onder b. Er dient daarom te worden bezien of er wordt voldaan aan de beoordelingscriteria van bijlage III van de Europese richtlijn milieubeoordeling projecten. Een beschouwing van de kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van het potentiële effect komen hierbij aan bod. Voor de beoogde ontwikkeling is een aanmeldnotitie opgesteld. Deze is als bijlage bij deze motivering toegevoegd (Buro SRO, d.d. 7 mei 2025, zie bijlage 8). Hieruit blijkt dat er ten gevolge van het plan geen aanzienlijke milieueffecten optreden, waardoor een MER niet nodig is.

pagina 40 van 43

8

Financiële haalbaarheid

Het kostenverhaal is het door de overheid verhalen van kosten op een initiatiefnemer. Het gaat over overheidskosten voor werken, werkzaamheden en maatregelen. Bijvoorbeeld kosten voor het wijzigen van het omgevingsplan en het aanleggen van openbare voorzieningen. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet is het exploitatieplan als publiekrechtelijk instrument komen te vervallen. Het publiekrechtelijk kostenverhaal is daarmee geïntegreerd in het omgevingsplan, het projectbesluit of de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Als er geen overeenkomst tot stand komt, moet het kostenverhaal op een andere manier geregeld worden. Dat kan de gemeente doen door kostenverhaalregels in het omgevingsplan op te nemen of het kostenverhaal te regelen in de omgevingsvergunning. Wanneer een omgevingsvergunning wordt verleend op grond waarvan schade wordt veroorzaakt is artikel 4.5 Awb van toepassing en dient een overeenkomst nadeelcompensatie gesloten te worden.

Planspecifiek Het gemeentelijk kostenverhaal is verzekerd door de toekomstige verkoop van de grond. Verder heeft de ontwikkeling geen financiële gevolgen voor de gemeente. Een overeenkomst of opnemen van regels voor kostenverhaal in het omgevingsplan is daarom niet noodzakelijk. Het plan is economisch uitvoerbaar.

pagina 41 van 43

9

Conclusie

De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het slopen van de bestaande schoolgebouwen en het realiseren van circa 75 woningen verdeeld over vijf woonblokken. Het initiatief is nauwkeurig getoetst aan de beleidslijnen op nationaal, provinciaal en gemeentelijk niveau. Uit deze toetsingen is gebleken dat het voorgestelde plan in overeenstemming is met deze beleidskaders. Deze bevinding benadrukt dat het initiatief binnen het kader van overheidsrichtlijnen valt en daarmee toepasbaar is binnen de geldende wet- en regelgeving. Bovendien is het initiatief nauwkeurig onderzocht op alle relevante aspecten met betrekking tot de fysieke leefomgeving en milieueffecten. Dit omvat een grondige analyse van mogelijke hinder of belemmeringen die zouden kunnen ontstaan door de voorgestelde ontwikkeling. Uit de resultaten is geconcludeerd dat er geen significante belemmeringen zijn die de uitvoering van de voorgenomen ontwikkeling zouden verhinderen. Bovendien is vastgesteld dat de voorgestelde ontwikkeling bijdraagt aan een evenwichtige toedeling van functies binnen de betreffende omgeving. Deze uitgebreide beoordeling en afstemming met de geldende beleidslijnen en milieuaspecten bevestigen dat de voorgenomen ontwikkeling zorgvuldig is voorbereid en alle relevante aspecten in ogenschouw heeft genomen, waardoor het plan op een verantwoorde wijze kan worden uitgevoerd.

pagina 42 van 43

pagina 43 van 43

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/16800365/1