CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Nota van Uitgangspunten Ruimtevaartbaan ('t Veld)

Raadsvergadering 26 oktober 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel vaststelling Nota van Uitgangspunten Ruimtevaartbaan ('t Veld)16.466 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

4.3

Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere gevoelige functies mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals woningen, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Wegen met een maximale snelheid van 30 km/uur zijn formeel uitgesloten van akoestisch onderzoek. Toetsing In het kader van de te doorlopen juridisch-planologische procedure zal onderzoek uitgevoerd moeten worden naar de geluidbelasting vanwege wegverkeerslawaai. Naar aanleiding van de beoogde uitgangspunten is vooruitlopend al een onderzoek wegverkeerslawaai5 uitgevoerd. Onderstaande afbeelding laat de vertaling zien naar het akoestisch rekenmodel.

5

SAB. Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. IJsselstein, Ruimtevaartbaan. 210231.01, 29 augustus 2023 31

Op basis van dit onderzoek, waarbij is getoetst op de randen van de bouwvlakken kunnen de volgende conclusies worden getrokken: Autosnelweg A2 Ten gevolge van de autosnelweg A2 treden er overschrijdingen op van de voorkeursgrenswaarde. De hoogste geluidbelasting bedraagt 50 dB op de oostgevels van bouwvlak 2, 3 en 21. Bron- en overdrachtsmaatregelen zijn onderzocht, maar stuiten op bezwaren van financiële, verkeerskundige en stedenbouwkundige aard. Hogere grenswaarden zijn daarom benodigd ten gevolge van de autosnelweg A2. De hoogste aan te vragen grenswaarden per bouwvlak zijn weergegeven in onderstaande tabel. Bouwvlak 2 3 21

Aan te vragen hogere grenswaarde in dB ten gevolge van de autosnelweg A2 50 50 50

Hoogste aan te vragen hogere grenswaarden per gebouw

De bouwvlakken waar overschrijdingen optreden hebben allen één of meerdere geluidluwe gevels, dat wil zeggen een gevel waar de geluidbelasting 48 dB of lager is. Daarmee wordt voldaan aan het gemeentelijk beleid. De Baan Ten gevolge van De Baan treden geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde op. De hoogste geluidbelasting bedraagt 24 dB. Er wordt voldaan aan de Wgh.

32

Edelstenenbaan Ten gevolge van de Edelstenenbaan treden geen overschrijdingen van de voorkeursgrenswaarde op. De hoogste geluidbelasting bedraagt 20 dB. Er wordt voldaan aan de Wgh. Omliggende 30 km/uur wegen Als gevolg van de 30 km/uur wegen Ruimtevaartbaan, Ametishof, Arianehof, Basishof en Smaragdhof wordt de gehanteerde voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. Er is vanwege deze wegen sprake van een goede ruimtelijke ordening. Cumulatie en nadere maatregelen bij de ontvanger Voor onderhavig plan is een hoogste gecumuleerde geluidbelasting waarneembaar van 52 dB, exclusief aftrek artikel 110g Wgh. Bij de aanvraag van een ‘Omgevingsvergunning bouwen’ dient in ieder geval door middel van een aanvullend bouwakoestisch onderzoek te worden aangetoond dat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 wordt gehaald voor de nieuwe woningen. De karakteristieke gevelwering van circa 20 dB zal waarschijnlijk voldoende zijn om aan de binnenwaarde te voldoen. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.4

Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De derogatiebeschikking van de EU is in 2015 verlopen. De NSL is na 2015 twee maal verlengd en betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen.

Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt. Doordat de derogatiebeschikking van de EU na 2015 niet is verlengd, dient Nederland overigens op dit moment te voldoen aan de Europese luchtkwaliteitsnormen.

33

Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het plan op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het plan ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.

Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing De categorie woningbouw is opgenomen in bijlage 3A van de Regeling NIBM. De NIBM-grens voor woningbouwlocaties (voorschrift 3A.2) is ≤ 1.500 (netto) woningen met één ontsluitingsweg. Het voorgenomen plan zal de NIBM-grens uit de regeling niet overschrijden en derhalve niet in betekenende mate bijdragen aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Met behulp van de Grootschalige Concentratie- en Depositiekaarten Nederland (GCN en GDN) is beoordeeld of er ter hoogte van het plan sprake is van een (dreigende) overschrijding van luchtverontreinigende stoffen. In de volgende tabel zijn voor de jaren 2022 en 2030 voor de relevante stoffen de concentraties en de grenswaarden weergegeven. Stoffen NO2 concentratie PM10 concentratie PM2,5 concentratie

Grenswaarde 40 µg/m3 40 µg/m3 25 µg/m3

2022 20 – 25 µg/m3 16 – 18 µg/m3 8 – 10 µg/m3

2030 15 – 20 µg/m3 14 – 16 µg/m3 6 – 8 µg/m3

Uit de resultaten blijkt dat er geen sprake is van een (dreigende) normoverschrijding. Voor de concentraties verontreinigende stoffen ter plekke van de te realiseren woningen wordt ruim voldaan aan de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect luchtkwaliteit. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan. 34

4.5

Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen bedrijvigheid en gevoelige functies is de VNG publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' (2009) als leidraad voor milieuzonering gebruikt. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: 'rustige woonwijk', 'rustig buitengebied' en 'gemengd gebied'. In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd.

Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing Het plangebied is gelegen in de bebouwde kom van IJsselstein. De omgeving bestaat voornamelijk uit woongebied. Ten zuiden van het plangebied is De Tussenvoorziening BOKA gevestigd, welke wordt gebruikt voor de tijdelijke opvang van dak- en thuislozen. Ten behoeve van het zorgaspect is er een ruimte ingericht als kantoor voor medewerkers van Stichting de Tussenvoorziening/BOKA en is er een ruimte als groepsruimte ingericht. De gronden hebben de bestemming ‘Gemengd’. Noordelijk van het plangebied bevindt zich slechts een recreatiegebied. Aangezien De Tussenvoorziening de enige functie is met een richtafstand wordt het gebied aangeduid als ‘rustige woonwijk’. De aanwezige bedrijvigheid met de bijhorende richtafstand is in de navolgende tabel opgenomen, ook is de werkelijke afstand van de bedrijvigheid tot het appartementencomplex weergegeven. Bedrijfssoort

Adres

Omschrijving VNG

Akkerbouw (bedrijfsgebouw) Akkerbouw (bedrijfsgebouw) Woonzorgcentrum

Ruimtevaartbaan 7a Ruimtevaartbaan 11 Hitteschild 6

Akkerbouw (bedrijfsgebouw) Akkerbouw (bedrijfsgebouw) Verpleeghuis

Grootste richtafstand (m) 30 (geluid)

Gemeten afstand (m) 27

30 (geluid)

28

30 (geluid)

± 100

Nabij het plangebied zijn enkel functies gelegen welke onder milieucategorie 2 vallen, waarbij de grootste richtafstand 30 meter bedraagt. De kortste afstand van het

35

appartementencomplex tot de naast gelegen middelbare school is 100 meter. Daarmee wordt ruim voldaan aan de richtafstanden. De zorginstelling wordt niet beperkt door de voorgenomen ontwikkeling, nader onderzoek is niet noodzakelijk. De agrarische bedrijven op Ruimtevaartbaan 7a en 11 behouden in principe een agrarisch bouwvlak en voldoen net niet aan de richtafstand van 30 meter. Echter vinden er na de bestemmingsplanprocedure geen agrarische activiteiten meer plaats op de locaties, een nader onderzoek is zodoende niet noodzakelijk. Met de onderhavige ontwikkeling wordt geen hinder veroorzakende activiteit mogelijk gemaakt. Zodoende is er geen sprake van belemmering van omliggende gevoelige functies. Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.6

Externe veiligheid Algemeen Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geen directe relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijk besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het ‘Besluit externe veiligheid inrichtingen’ (Bevi), het ‘Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en het ‘Besluit externe veiligheid buisleidingen’ (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Toetsing In het kader van de waarborging van de externe veiligheid is het van belang om de risicobronnen rondom het plangebied in kaart te brengen. Onderstaande figuur voorziet hierin en toont alle in de nabije omgeving van het plangebied gelegen risicobronnen. Deze zijn slechts een indicatie van alle potentiële gevaren in het kader van externe veiligheid in de nabijheid.

36

Uitsnede digitale risicokaart met aanduiding plangebied (blauwe cirkel) bron: www.atlasleef-

omgeving.nl [1] [2] [3] [4] [5] [6] [7] [8]

Buisleiding, W-518-01; Risicovolle inrichting, Zwembad De Hooghe Waerd; Buisleiding, DPO-208; Transportroute weg, A2 (U15); Risicovolle inrichting, BP De IJssel; Risicovolle inrichting, Skibaan Nieuwegein; Risicovolle inrichting, Coöperatie De Nedereindse Berg; Transportroute weg, autosnelweg A2 (U84).

In het onderzoek externe veiligheid6 is gekeken naar de volgende aspecten, die van invloed kunnen zijn op het plangebied, op maximaal 1,5 kilometer afstand: − risicovolle inrichtingen; − transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; − transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. Uit de inventarisatie van nabije risicobronnen blijkt het volgende: − De ontwikkellocatie bevindt zich niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, watertrajecten en/of spoortrajecten; 6

SAB. Externe veiligheid, IJsselstein Ruimtevaartbaan. 210231.01, 14-8-2023 37

− −

De ontwikkellocatie bevindt zich binnen het invloedsgebied van één gasleiding. Een nader onderzoek is derhalve vereist; De ontwikkellocatie bevindt zich binnen het invloedsgebied van wegtraject autosnelweg A2 (U15 en U84), maar valt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone), derhalve kan hierbij worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.

Beperkte verantwoording groepsrisico Voor de nabij gelegen gasleiding W-518-01 was uitvoering van een groepsrisicoberekening vereist. Hieruit blijkt dat zowel in de huidige situatie evenals in de toekomstige situatie de oriëntatiewaarde voor het groepsrisico niet wordt overschreden. Gezien het gegeven dat het groepsrisico minder dan 10% toeneemt ten opzichte van de huidige situatie kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Tevens ligt de locatie in het invloedsgebied van de autosnelweg A2 (wegtraject U15 en U84), maar valt buiten de meest relevante zone van het groepsrisico (de 200 meter zone), derhalve kan hierbij worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Deze verantwoording dient gelezen te worden in combinatie met de vigerende veiligheidsplannen van de gemeente IJsselstein en de Veiligheidsregio en de daarin gemaakte keuzes. Fakkelbrand Een mogelijke spontane breuk van een aardgasleiding is niet te verwachten. Een breuk wordt meestal door externe factoren, zoals graafwerkzaamheden, veroorzaakt. Het ontsnappende gas zal ontsteken en hierdoor ontstaat een fakkelbrand, met als effecten warmtestraling en rook.

Scenario fakkelbrand (Bron: scenarioboeken.nipv.nl)

Giftige wolk

38

Een giftige plas ontstaat doordat de tank van de tankwagen openscheurt na bijvoorbeeld een botsing. Hierdoor stroomt een groot deel van de giftige vloeistof in korte tijd uit. De giftige vloeistof verspreidt zich over de grond, dampt uit en vormt een giftige wolk. De wolk verspreidt zich snel met de wind mee.

Scenario giftige wolk (bron: scenarioboeken.nipv.nl)

Beheersbaarheid / bestrijdbaarheid Allereerst is het voor de bestrijdbaarheid van een ramp of zwaar ongeval van belang om de aanrijdtijden van de brandweer voor het plangebied te inventariseren. Vanuit de brandweerkazerne IJsselstein is de locatie binnen 5 minuten te bereiken, vanuit de brandweerkazerne Nieuwegein-Noord binnen 7 minuten. Het plangebied is vanaf te Ruimtevaartbaan te bereiken en via de weg ten noorden van het plangebied langs de Nedereindse Plas. Indien aan beide zijdes een opstelplaats gerealiseerd wordt is de bereikbaarheid beter. Geconcludeerd wordt dat het plangebied en diens directe omgeving goed bereikbaar is voor de brandweer. Tevens zijn zowel de gasleiding evenals het wegvak vanuit de brandweerkazernes binnen circa eenzelfde tijd bereikbaar, echter kenmerken zich deze risicobronnen deels als moeilijk benaderbaar voor hulpdiensten. Een verantwoordelijkheid die primair bij de eigenaar van de gasleiding c.q. de wegbeheerder en de Veiligheidsregio ligt. Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid bij het toxische scenario worden daarom niet verder in beschouwing genomen.

Ten aanzien van het brandbare scenario, zet de brandweer eveneens in op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich ook dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied.

39

Verloop bij grootschalig brandweer optreden (Bron: scenarioboeken.nipv.nl)

Wel is het van belang dat zich in het plangebied voldoende bluswatervoorzieningen bevinden. Hier dient de Veiligheidsregio Utrecht advies op te geven. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen.

Handelingsperspectief scenario fakkelbrand (Bron: scenarioboeken.nipv.nl)

Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen en/of er een explosie plaatsvindt, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde toxische incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. Immers, schuilen binnen de afgesloten bebouwing zal in beginsel de beste manier zijn om de calamiteit te overleven. Om schuilen binnen de nieuwbouw tijdens een toxisch scenario mogelijk te

40

maken dient het ventilatiesysteem mechanisch en handmatig uitgeschakeld en afgesloten te kunnen worden. Schuilen binnen de locatie is mogelijk binnen de nieuwbouw, zeker gezien het feit dat de bebouwing als gevolg van de hedendaagse energieprestatie-eisen goed geïsoleerd is en derhalve voldoet aan de nodige veiligheidseisen. Echter, ook vluchtwegen van de bron af, in dit geval in westelijke richting naar de westzijde van IJsselstein, behoren tot de mogelijkheden om de zelfredzaamheid te vergroten. Ten behoeve van het brandbare scenario is vluchten het meest realistische handelsperspectief. Aangezien de hogedruk aardgastransportleiding door het plangebied loopt is schuilen binnen het plangebied niet aan te raden. Echter om schuilen binnen de gebouwen in het plangebied beter mogelijk te maken kunnen maatregelen. Brandwerende maatregelen die beschermen tegen een brand buiten het gebouw voorkomen of vertragen dat een gebouw in brand raakt. Daardoor worden personen in een gebouw beschermd en hebben deze personen meer tijd een goed moment te kiezen om uit het gebouw te vluchten. Conclusie Op basis van de risicoanalyse is gebleken dat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt van hogedruk aardgastransportleiding W-518-01 en de autosnelweg A2.

Voor de gasleiding is een berekening van het groepsrisico uitgevoerd en is gebleken dat de oriëntatiewaarde van het groepsrisico niet wordt overschreden of toeneemt ten opzichte van de huidige situatie. Binnen de belemmeringenstrook (4 meter aan weerszijde van het hart van de buisleiding mogen geen bouwwerken worden bestemd). Ten opzichte van de autosnelweg A2 ligt het plangebied buiten de meest relevante zone voor het groepsrisico. Derhalve is het groepsrisico beperkt verantwoordt ten aanzien van beide risicobronnen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. De Veiligheidsregio Utrecht dient in de gelegenheid worden gesteld een advies over dit plan te kunnen uit te brengen. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.7

Water Beleid Rijksbeleid - Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 Het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 is op 18 maart 2022 vastgesteld. Het Nationaal Waterplan geeft de hoofdlijnen, principes en richting van het nationale waterbeleid in de planperiode 2022-2027, met een vooruitblik richting 2050. Het kabinet speelt proactief in op de verwachte klimaatveranderingen op lange termijn, om overstromingen te voorkomen.

41

In het Nationaal Waterprogramma 2022-2027 wordt allereerst de nationale belangen opgesomd: - waarborgen van de waterveiligheid en de klimaatbestendigheid (inclusief vitale infrastructuur voor water en mobiliteit); - waarborgen van een goede waterkwaliteit, duurzame drinkwatervoorziening en voldoende beschikbaarheid van zoetwater; - waarborgen en realiseren van een veilig, robuust en duurzaam mobiliteitssysteem; - in stand houden en ontwikkelen van de hoofdinfrastructuur voor mobiliteit; - realiseren van een betrouwbare, betaalbare en veilige energievoorziening die in 2050 CO₂arm is, en de daarbij benodigde hoofdinfrastructuur; - Verbeteren en beschermen van natuur en biodiversiteit; - Behouden en versterken van cultureel erfgoed en landschappelijke en natuurlijke kwaliteiten van (inter)nationaal belang. Deze nationale belangen worden aangevuld met drie hoofdambities: 1. Een veilige en klimaatbestendige delta: Naast bescherming tegen overstromingen is de ambitie dat Nederland in 2050 klimaatbestendig en waterrobuust ingericht is. In het Deltaprogramma is afgesproken dat overheden stresstesten uitvoeren om de risico’s in kaart te brengen en een adaptatiestrategie met een uitvoeringsprogramma opstellen 2. Een concurrerende, duurzame en circulaire delta: een goede zoetwatervoorziening is van groot belang voor de economie.

Nederland moet in 2050 weerbaar zijn tegen zoetwatertekorten. Daarom werkt het Rijk in de planperiode van het NWP samen met de zoetwaterregio’s en de gebruikers aan maatregelen om ervoor te zorgen dat Nederland ook in droge perioden over voldoende zoetwater beschikt voor bijvoorbeeld landbouw, natuur, historisch groen, industrie en scheepvaart. 3. Een schone en gezonde delta met hoogwaardige natuur: Het Rijk werkt aan schoon en ecologisch gezond (grond)water voor duurzaam gebruik en een leefomgeving van hoge kwaliteit. In de planperiode van het NWP wordt gewerkt aan structurele vermindering van lozingen en verspreiding van opkomende stoffen, onder andere via het Actieprogramma PFAS in water. Het beleid voor grondwaterkwaliteit is erop gericht verontreiniging van bodem en grondwater zo veel mogelijk te voorkomen. De wateropgaven staan niet op zichzelf; een integrale aanpak met andere opgaven in de fysieke leefomgeving, zoals de energietransitie, de woningbouw, herstel natuur en de landbouwtransitie is noodzakelijk. Daarnaast hebben de vijf volgende thema’s een centrale rol in dit waterprogramma: 1. Klimaatadaptatie; 2. Waterveiligheid; 3. Zoetwater; 4. Grondwater; 5. Scheepvaart. Een integrale aanpak van samenhangende nationale en regionale opgaven vereist een gebiedsgerichte aanpak. Daarom zijn voor de rijkswateren in dit Nationaal

42

Waterprogramma gebiedsgerichte uitwerkingen opgenomen. Het gaat om de Noordzee, de Zuidwestelijke Delta, de RijnMaasmonding, de grote rivieren, het IJsselmeergebied, de Waddenzee en Eems-Dollard en de Kanalen in het beheer van het Rijk. Deze zijn verbonden met de diverse gebiedsgerichte programma’s en uitwerkingen onder het Nationaal Waterprogramma, zoals de Gebiedsagenda’s Grote Wateren. Voor de overige wateren van Nederland wordt in andere programma’s de gebiedsgerichte uitwerking van het waterbeleid meegenomen. In de eerste plaats in de Omgevingsagenda’s onder de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). In het coalitieakkoord van eind 2021 is aangegeven dat de komende jaren structureel meer budget wordt uitgetrokken voor instandhouding van wegen, spoor, hoofdwatersysteem en vaarwegen. Het structureel extra budget loopt op via een geleidelijk ingroeimodel. De budgettaire kaders voor instandhouding zijn daarmee verruimd. Voor het Hoofdwatersysteem en het Hoofdvaarwegennet zal IenW binnen deze budgetaire kaders nog aanvullende keuzes moeten maken om de instandhoudingsopgaven op termijn beheersbaar te houden. Regionaal Bodem- en waterprogramma Utrecht 2022-2027 Het Regionaal Bodem- en waterprogramma (RWBP) 2022 – 2027 Provincie Utrecht is op 14 december 2021 vastgesteld.

In het Provinciaal Bodem- en waterprogramma 2022-2027 zijn de opgaven van de Europese Kaderrichtlijn Water, het Nationaal Bestuursakkoord Water en het Nationaal Waterplan vertaald naar strategische doelstellingen voor Utrecht. Ten eerste zijn er een aantal overkoepelende thema’s voor bodem en water uitgelegd: − Een duurzaam ondergrondgebruik: Het is belangrijk voor mens en dier in een geschikte leefomgeving te kunnen leven. De ondergrond wordt steeds meer gebruikt (drinkwater, bodemenergie…). Daarom vraag deze ontwikkeling om samen met betrokkenen te gaan werken. Elk project is maatwerk − Een circulaire economie maakt deel uit van de beleidskeuzes. De ambitie is onder andere om te gaan innoveren met verkenning naar een circulair watersysteem in de provincie, met zo weinig mogelijk afval. Verder is het plan onderverdeeld in zes deelprogramma’s: 1. Schoon oppervlaktewater: Dit programma draait om de bescherming van biodiversiteit. De principe wijst ‘waterparels’ aan om wateren met specifieke soorten te beschermen. Daarnaast is een goede kwaliteit van oppervlaktewater van belang voor vele gebruiksfuncties; 2. Schone bodem en grondwater: Het programma draait om het beperken van verontreinigende stoffen en het voorkomen van achteruitgang van de toestand van alle grondwaterlichamen. Schoon water is ook belangrijk voor mensenconsumptie; 3.

Bodem: kwaliteit, vruchtbaarheid, aardkundige waarden en ontgrondingen: Dit programma vooral een administratief punt over taken en rollen in de transitie naar (en na) de Omgevingswet. Kennisontwikkeling en kennisdeling zijn onder andere belangrijke opgaven. Verder focust het beleid zich op het faciliteren van kringlooplandbouw en de borging van de aardkundige waarden in de ruimtelijke ontwikkelingen. Tot slot wordt er randvoorwaarden opgesteld aan delfstoffenwinning; 4. Voldoende water en voorkomen wateroverlast: Het programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte

43

situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let de provincie op de hoeveelheid :goede waterpeilen, het vasthouden van water en het omgaan met wateroverlast en droogte; 5. Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem; 6. Energie uit bodem en water: De provincie wil zich inzetten op ondergrondenenergie (aquathermie en ondiepe bodemenergie…) mits de netwerken optimaal benut zullen worden en mits het verantwoord is voor mens, bodem, water en milieu. In het plan zijn deze programma’s verder uitgewerkt in maatregelen, in samenhang met economische, milieu- en maatschappelijke opgaven. De provincie is ook onderverdeeld in deelgebieden. Dit heeft geleid tot een integrale visie op de ontwikkeling van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening is onder andere regelgeving opgenomen voor de regionale en primaire waterkeringen. Voor bestemmingsplannen c.q. wijzigingsplannen zijn randvoorwaarden opgenomen die een onbelemmerde werking, instandhouding en het onderhoud van de primaire en regionale waterkeringen mogelijk maken, Dit geldt voor de beschermingszone en de kernzone die hoort bij de waterkeringen zoals opgenomen in de vastgestelde leggers van de waterschappen.

Waterbeheerprogramma 2022-2027 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden Op 22 december 2021 is het waterbeheerprogramma (WBP) van Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden vastgesteld. In dit plan is beschreven welke doelstellingen het waterschap nastreeft in de periode 2022-2027 en hoe zij die doelstellingen wil gaan halen. Het waterbeheerplan is uitgewerkt in de volgende drie programma’s: − Zuiver afvalwater: Bij dit programma speelt het zuiveren van afvalwater een centrale rol met oog voor circulaire economie en energieneutraliteit. − Robuust en gezond watersysteem: Dit programma draait om een goed functionerend watersysteem in normale én in extreem droge en natte situaties: klimaatbestendig, robuust, veerkrachtig en stuurbaar. Daarbij let het waterschap op het tegengaan van de bodemdaling, het bevorderen van biodiversiteit en een gezond (grond)water. − Waterveiligheid: Het programma ‘Waterveiligheid’ draait om de bescherming tegen overstromingen vanuit het primaire en het regionale watersysteem. Het programma is, naast deze thema’s; in verschillende deelgebieden uitgewerkt. De aanpak en de visie per deelgebied zijn toegelicht om de opgaven op te kunnen pakken. Deze programma’s zijn verder uitgewerkt in het WBP naar concrete doelstellingen.

Deze doelstellingen vinden onder andere een doorwerking in de beschikbare instrumenten van het waterschap; verordening, legger, communicatie en stimuleringsmiddelen. Toetsing Met onderhavig plan wordt aan de rand van stedelijk gebied 83 woningen gerealiseerd. Het plangebied wordt omsloten door watergangen. Voor het plan is de digitale

44

watertoets7 doorlopen. Daaruit volgt dat het plan waterschapsbelangen raakt doordat de plangrens in de beschermingszone ligt en dat er een ontsluiting moet worden gerealiseerd over een primaire watergang. Dit zal in overleg met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden moeten.

Legger Oppervlakte water Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden

In voorgaande afbeelding is de legger weergegeven met daarin rood omkaderd het plangebied. In de afbeelding is te zien dat het plangebied aan de noord- oost en westzijde wordt begrenst door tertiair oppervlaktewater met een tertiaire natte profiel (groen). Aan de zuidzijde is er sprake van primair oppervlakte water met primaire natte profiel (blauw) en een beschermingszone A (roze). Binnen de beschermingszone wordt niet gebouwd. Er zal wel een extra duiker geplaatst worden in het primaire oppervlakte water om de ontsluiting mogelijk te maken. Toename verhard oppervlak Met onderhavige ontwikkeling wordt diverse verhard oppervlak aangelegd in de vorm van bebouwing, erfverharding, ontsluitingswegen en parkeergelegenheid. Daarnaast wordt er ook bestaande bebouwing gesloopt. Totaal zal er net wat meer dan 10.000 m2 aan verhard oppervlak toegevoegd worden. Hierdoor dient er per geval beoordeeld te worden hoeveel compensatie er nodig is. Daarom geldt voor deze gevallen een vergunningplicht. Riolering Bij de nieuwbouw wordt hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd. Het afvalwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving.

7

Digitale Watertoets, doorlopen op 1 september 2023 45

Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Voor de berekening van het toekomstige aanbod en eventuele toename hierin is uitgegaan van een gemiddeld verbruik van 16 liter per dag geproduceerd per persoon. Op basis van maximaal 83 woningen en een gemiddelde huishoudensgrootte van 2,12 personen/woning, wordt uitgegaan van 176 bewoners. Dit betekent dat er dus 176 x 16 liter = 2.816 liter per dag wordt geloosd. Aangezien er nu geen gebruik gemaakt wordt van de riolering binnen het plangebied komt dit overeen met een toename van circa 2,8 m³/dag. De berekening is gebaseerd op basis van gemiddelden en betreft derhalve een indicatie van hoeveelheden. Klimaatadaptatie/Verdroging Een van de effecten van klimaatverandering is dat er vaker langere periodes zijn van droog en warm weer, alsmede nattere periodes met hevige regenval. Hierom is het wenselijk om tijdens droge dan wel natte periodes water vast te kunnen houden in de openbare ruimte. In dat geval moet er wel een mogelijkheid zijn tot infiltratie. Het maaiveld is rond N.A.P. gelegen en er is slechts ruimte voor 250 – 500 mm waterberging boven het grondwaterpeil. Wel blijft er een kleine kans op overstromingen in het gebied. Hierom wordt aanbevolen om zo klimaatadaptief mogelijk te bouwen, en zo mogelijke toekomstige schade te mitigeren Een verhoogd vloerpeil t.o.v.

de weg, kruipruimteloos bouwen, en een zo groen mogelijk (onverhard) perceel zijn voorbeelden om wateroverlast te voorkomen. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

4.8

Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om het plangebied. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing kan worden verkregen. Toetsing quick scan natuur Vanwege onderhavige ontwikkeling waarbij een agrarisch erf met bijbehorende graslanden wordt herontwikkeld, is het noodzakelijk om vanuit de ecologie te onderzoeken of met de ruimtelijke ontwikkelingen die het plan toestaat sprake is van overtreding van de geldende natuurwet- en regelgeving. In een quick scan8 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Ook is nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die

8

SAB. Quick scan natuur, IJsselstein Ruimtevaartbaan. 210231.01, 31 augustus 2023 46

mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Gebiedsbescherming Uit de quick scan blijkt dat Natura 2000-gebied Uiterwaarden lek op circa 6 kilometer afstand van het plangebied ligt. Door de afstand tot het Natura 2000-gebied en de kleinschaligheid van de ontwikkeling zijn verstoringen echter op voorhand uitgesloten. De bescherming van Natura 2000 staat de ontwikkeling niet in de weg en aanvullend onderzoek is niet noodzakelijk. Wel dient in het kader van stikstof een AERIUS-berekening uitgevoerd te worden. Het aspect stikstof wordt behandeld in paragraaf 4.9. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt.

Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen en/of essentieel leefgebied aanwezig van huismus, gierzwaluw, buizerd, roek, havik, sperwer, boomvalk, ransuil en steenuil. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Om hierover duidelijkheid te krijgen dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien nestplaatsen of essentieel leefgebied van deze soorten aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk Verder zijn mogelijk beschermde elementen zoals verblijfplaatsen en/of essentieel leefgebied van vleermuizen, bunzing, hermelijn, wezel, boommarter, steenmarter, das, ringslang, alpenwatersalamander, rugstreeppad en eekhoorn aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten dient nader soortgericht onderzoek uitgevoerd te worden. Indien verblijfplaatsen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen.

Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Beschermde houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling.

47

Vervolgstappen − Houd rekening met de zorgplicht; − Houd rekening met broedende vogels; − Laat nader onderzoek uitvoeren naar buizerd, roek, havik, sperwer, boomvalk, ransuil, steenuil, bunzing, hermelijn, wezel, boommarter, steenmarter, eekhoorn, das, ringslang, alpenwatersalamander, rugstreeppad en vleermuizen; Toetsing nader onderzoek p.m. nader onderzoek Conclusie Het nader onderzoek moet aantonen of er beschermde soorten aanwezig zijn en of er mitigerende maatregelen getroffen moeten worden.

4.9

Stikstof Algemeen Op grond van de Wet natuurbescherming worden soorten en habitattypen in Natura 2000-gebieden beschermd waarvoor instandhoudingsdoelen zijn geformuleerd. Hieruit volgt dat een project of plan niet mag leiden tot negatieve effecten op de instandhoudings-doelstellingen. In veel Natura 2000-gebieden is door een overbelasting van stikstof (stikstofoxiden en ammoniak) een knelpunt aanwezig bij de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen. Nieuwe ontwikkelingen, die een toename van de stikstofdepositie tot gevolg hebben, kunnen hierdoor “significante negatieve effecten” hebben voor de instandhoudingsdoelstellingen. Effecten van een plan of een project op de stikstofdepositie kunnen ontstaan tijdens de realisatie - en/of de gebruiksfase. Met het rekenmodel AERIUS-Calculator kan de stikstofdepositie (mol N/ha/jaar) op stikstofgevoelige Natura 2000-gebieden ten gevolge van de ontwikkeling worden berekend. Voor het berekenen van de stikstofdepositie worden in het rekenmodel de emissies van stikstof in de verschillende bronnen ingevoerd. Het rekenmodel berekent vervolgens de verspreiding van deze stikstofemissies en de stikstofdepositie binnen de Natura 2000-gebieden op stikstofgevoelige habitattypen en stikstofgevoelige leefgebieden van soorten.

Toetsing De aanleg- en gebruiksfase is doorgerekend met het rekenprogramma Aerius, de berekeningen zijn verwerkt in het stikstofonderzoek 9. Uit het stikstofonderzoek blijkt dat er geen sprake is van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Als invoer gegevens is uitgegaan van maximaal 83 nieuwbouwwoningen (gasloos) met bijbehorende verkeersbewegingen. Aanlegfase Met de gehanteerde parameters blijkt uit de uitgevoerde berekeningen van de aanlegfase dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden.

9

SAB. Onderzoek stikstofdepositie IJsselstein, Ruimtevaartbaan. 210231.01, 7 juli 2023 48

Gebruiksfase Uit de uitgevoerde berekeningen van de gebruiksfase blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden. Eindadvies Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd Conclusie Het aspect stikstof vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.

4.10

Archeologie Algemeen Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. Toetsing Binnen het plangebied is een dubbelbestemming archeologie en een gebiedsaanduiding archeologie opgenomen. De met de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie – 3’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van archeologische waarden, alsmede secundair voor de andere op deze gronden liggende bestemmingen. Op de gronden, gelegen buiten de aangegeven bouwvlakken, mogen slechts worden gebouwd mits de archeologische belangen zich daartegen niet verzetten. Het is verbodem om bodem verstorende werkzaamheden uit te voeren die een oppervlakte van meer dan 100 m2 beslaan op een grotere diepte dan 30 cm.

Om af te wijken van het bovenstaande dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld. Buiten de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie – 3’ bevat het plangebied de gebiedsaanduiding ‘archeologisch waardevol gebied – 2’. Binnen deze aanduiding is het verbodem om bodem verstorende werkzaamheden uit te voeren die een oppervlakte van meer dan 2.500 m2 beslaan op een grotere diepte dan 200 cm. Om af te wijken van het bovenstaande dient de aanvrager een rapport te overleggen waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, is vastgesteld.

49

Onderhavige ontwikkeling zal de bodem zodanig verstoren dat de archeologische waarde van het terrein vastgesteld moet worden. Woensdag 30 september 2023 is er veldonderzoek uitgevoerd binnen het plangebied. De resultaten zijn weergegeven in het de rapportage. p.m. rapportage volgt nog Conclusie p.m. conclusie volgt nog

4.11

Cultuurhistorie Algemeen Op grond van artikel 3.1.6, vijfde lid, onderdeel a van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) moeten naast de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten ook cultuurhistorische waarden worden meegewogen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. Toetsing Voor de toetsing is de cultuurhistorische waardenkaarten van de provincie Utrecht geraadpleegd. Op deze kaarten is de locatie gelegen in het agrarisch cultuurlandschap. De locatie maakt onderdeel uit van het strookontginningslandschap. De locatie is geclassificeerd als terrein (klasse 1), verkaveling (klasse 2) en strookverkaveling (klasse 3). Met onderhavig ontwikkeling wordt een agrarische functie omgevormd tot een woonbuurt met 79 woningen. Dit kan de waarden van het agrarisch cultuurlandschap schaden. Echter, met de aanleg van de Nedereindse Plas is de relatie tussen IJsselstein en de open polder voorgoed verstoord. Het agrarisch perceel wordt gezien als een stukje niemandsland dat ruimtelijk noch deel uitmaakt van IJsselstein, noch deel uit maakt van het recreatiegebied rondom de Nedereindse Plas. De herontwikkeling van ’t Veld zal voorzien in een meer logische en een heldere ruimtelijke relatie tussen IJsselstein en de Nedereindse Plas.

De ruimtelijke kwaliteit ter plaatse wordt versterkt doordat een gebiedsvreemde agrarische functie wordt ingewisseld voor stedelijke functies die zorgen voor een goede overgang tussen het stedelijk gebied en de Nedereindse Plas. Door de nieuwe recreatieve functies wordt de bestaande recreatiewaarde van de Nedereindse Plas versterkt, maar wordt de recreatiefunctie ook meer in verbinding gebracht met de rest van IJsselstein. Daarnaast wordt onder meer met de doortrekking van de IJsselwetering en het versterken van het wandelnetwerk gewerkt aan de versterking van de ruimtelijke structuren, kwaliteiten en waarden van het gebied. Al met al is de voorgenomen ontwikkeling in lijn met het relevante beleid. Conclusie Het aspect cultuurhistorie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig initiatief.

50

4.12

Verkeer en parkeren Algemeen Met het onderhavig plan worden 83 koop- en huurwoningen gerealiseerd ter plaatse van een voormalig agrarisch bedrijf aan de rand van IJsselstein. In het ‘Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein’, dat is vastgesteld op 12 december 2022, is bepaald dat de gemeente IJsselstein de parkeernormen binnen het ‘Beleidsplan Parkeren’ hanteert. Voor het bepalen van de verkeersgeneratie is uitgegaan van de kencijfers van CROW 381. Volgens de stedelijkheidsgraad van het CBS valt de gemeente IJsselstein onder ‘matig stedelijk’ gebied. Verder is de planlocatie gelegen in ‘rest bebouwde kom’. Daarnaast is het volgende woningbouwprogramma gehanteerd: Woning typologieën Huur, huis, sociale huur Koop, huis, tussen/hoek Koop, huis twee-onder-een-kap Koop, huis, vrijstaand

Aantal 24 32 22 5

Parkeren In het ‘Beleidsplan Parkeren’ zijn in de bijlage de te hanteren parkeernormen van IJsselstein opgenomen. Het benodigde aantal auto parkeerplekken wordt bepaald per woning, hierbij is de maximale norm gehanteerd. In de onderstaande tabel zijn de normen aangegeven per type woning. Woning typologieën Huur, huis, sociale huur (24) Koop, huis, tussen/hoek (32) Koop, huis twee-onder-een-kap (22) Koop, huis, vrijstaand (5)

Woning typologieën ‘Beleidsplan Parkeren Sociale huurwoningen Woning midden Woning midden

Parkeernormen

Woning midden

1,5 1,9 1,9 1,9

Dit leidt tot de volgende parkeerbehoefte: 24 x sociale huurwoningen (1,5) 59 x woning midden (1,9)

= 36 parkeerplaatsen = 112,1 parkeerplaatsen

Totaal 36 + 112,1 = 148,1 parkeerplaatsen. Het merendeel van de parkeerplaatsen zal worden gerealiseerd binnen het openbaar gebied van het plangebied, in totaal 106 parkeerplaatsen. Daarnaast worden 25 woningen voorzien van een dubbele oprit met garage, welke conform het parkeerbeleid meetellen voor 1,8 parkeerplaatsen per woning. Zodoende worden er op eigen terrein (25 x 1,8) 45 parkeerplaatsen gerealiseerd, wat zorgt voor een totaal aantal van (45 + 106) 151 parkeerplaatsen. Hiermee wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente IJsselstein. Het aspect parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig project.

51

Verkeer Voor de verkeersgeneratie van de woningen is uitgegaan van de kencijfers van CROW 381. Zoals benoemd valt de gemeente IJsselstein onder ‘matig stedelijk’ gebied en ligt de planlocatie binnen ‘rest bebouwd kom’. De onderstaande tabel geeft het aantal verkeersbewegingen weer per type woning: Woning typologieën Huur, huis, sociale huur (24) Koop, huis, tussen/hoek (32) Koop, huis twee-onder-een-kap (22) Koop, huis, vrijstaand (5)

Verkeersbewegingen 5,3 7,5 8,2 8,6

Dit leidt tot de volgende verkeersgeneratie: 24 x sociale huur (5,3) 32 x koop, tussen/hoek (7,5) 22 x koop, twee-onder-een-kap (8,2) 5 x koop, vrijstaand (8,6)

= 127,2 verkeersbewegingen = 240 verkeersbewegingen = 180,4 verkeersbewegingen = 43 verkeersbewegingen

Totaal 108 + 240 + 180,4 + 43 = 590,6 verkeersbewegingen, afgerond 591 verkeersbewegingen per etmaal. Ontsluiting De ontsluiting van onderhavig plan zal verlopen via de Ruimtevaartbaan en De Baan. Op basis van het verkeersmodel is de verkeersintensiteit op deze wegen zonder de extra verkeersbewegingen welke voortkomen van onderhavige ontwikkeling voor de Ruimtevaartbaan 264 motorvoertuigen(mvt)/etmaal en voor De Baan 1.600 mvt/etmaal. De capaciteit van de gebiedsontsluitingswegen waarbij sprake is van een enkelbaansweg met een dwarsprofiel van 2x1 rijstrook bedraagt onder ideale omstandigheden circa 2.800 pae(personenauto-equivalent)/uur. In de huidige situatie is er met 264 en 1.600 mvt/etmaal de capaciteit van de wegen ruim voldoende. Wanneer de beoogde verkeersbewegingen meegenomen worden in het huidige verkeersbeeld zal de verkeersintensiteit op de Ruimtevaartbaan toenemen tot 855 mvt/etmaal en op De Baan tot 2.191 mvt/etmaal. Ook voor deze aantallen is de capaciteit nog steeds ruim voldoende. Verkeersintensiteit in de spits De toekomstige verkeersintensiteiten van de Ruimtevaartbaan en De Baan zijn berekend per etmaal. Het is niet zo dat elk uur van de dag evenveel verkeersbewegingen te verwerken krijgt. In de spits zal het drukker zijn dan rond het middag uur en in de nacht zal het verkeer tot het minimale dalen. Ook is er een verschil tussen een weekdag en een werkdag.

52

Om de verkeersintensiteit te berekenen op de drukste momenten van de week en dag zijn omrekenfactoren van de CROW gehanteerd. De factor 1,11 is een factor waarbij intensiteiten van weekdag naar werkdag worden omgerekend. Voor het autoverkeer valt de ochtendspitsperiode op werkdagen tussen 07.00 en 09.00 uur (circa 14%). De avondspitsperiode ligt ongeveer tussen 16.00 en 18.00 uur, over die periode bedraagt het percentage circa 18%. Voor de ontsluitingswegen van onderhavige ontwikkeling is in navolgende tabel weergegeven wat de huidige en de toekomstige verkeersintensiteit bedraagt. Weg Ruimtevaartbaan, huidig Ruimtevaartbaan, toekomstig De Baan, huidig De Baan, toekomstig

Werkdagetmaal (mvt) 264

Ochtendspits (pae)/ 2 uur 41

Avondspits (pae)/ 2 uur 53

855

133

171

1.600

249

320

2.191

340

438

Op de drukste momenten van de dag, de twee avondspits uren, is er een verkeersintensiteit van 171 pae op de Ruimtevaartbaan en 438 pae op De Baan. De capaciteit van deze wegen kunnen deze verkeersgeneratie ruim voldoende aan. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.

53

5 5.1

Uitvoerbaarheid Economische uitvoerbaarheid In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening is bepaald dat een bestemmingsplan vergezeld wordt van een toelichting waarin inzicht wordt gegeven in de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden door het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn, anders is sprake van een oneigenlijke bestemming. Hierna wordt inzicht gegeven in de financiële uitvoerbaarheid van het plan. Het plan zelf wordt op particulier initiatief gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling van de locatie zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend. De kosten voor de sanering van de druppelzones van de bestaande agrarische bebouwing wordt gedekt door de eigenaar van de agrarische bebouwing.

5.2

Maatschappelijk uitvoerbaarheid

5.2.1

Overleg Conform artikel 3.1.1. van het Bro dienen burgemeester en wethouders bij de voorbereiding van een bestemmingsplan overleg te plegen met de besturen van betrokken gemeenten en waterschappen en met de rijks- en provinciale diensten die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. In dit kader wordt het bestemmingsplan voor advies toegezonden aan betrokken instanties.

5.2.2

Participatie Er heeft een participatieavond plaats gevonden met de buurtgenoten. Op de participatieavond zijn zorgen geuit over de ontsluiting welke via de Ruimtevaartbaan zal verlopen. Naar voren is gekomen dat er een onafhankelijk verkeersonderzoek uitgevoerd zal worden waarbij gekeken wordt naar de beste ontsluiting, rekening houdend met verkeersveiligheid, doorstroming en overlast voor de omgeving.

5.2.3

Zienswijzen Op de bestemmingsplanprocedure is afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht van toepassing. In navolging hiervan zal het ontwerpbestemmingsplan voor een periode van zes weken voor een ieder ter inzage worden gelegd. Een ieder kan in deze periode zienswijzen indienen. In deze paragraaf of in een bijlage bij dit bestemmingsplan zullen de binnengekomen zienswijzen worden samengevat en van een antwoord worden voorzien.

54

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13176926/1