CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1- Bestemmingsplan Hoge Dijk IJsselstein

Commissie Ruimte 30 november 2021, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 19:50 uur Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Hoge Dijk 19 IJsselstein (hoek Hoge Dijk - Maria Montessoristraat)27.661 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

Figuur 4.1

Uitsnede archeologische beleidskaart (Bron: Gemeente IJsselstein)

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

29

Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Hoge Dijk te IJsselstein in de gemeente IJsselstein. De initiatiefnemer is van plan vier woningen in het plangebied te realiseren. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het archeologisch onderzoek is noodzakelijk om te bepalen of er archeologische waarden aanwezig zijn binnen het plangebied en of deze door de voorgenomen bodemingrepen kunnen worden aangetast. Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Dit wordt uitgevoerd door middel van het verwerven van informatie, aan de hand van bestaande bronnen, over bekende en verwachte archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen door middel van boringen.

Met de resultaten van het archeologisch onderzoek kan worden vastgesteld of binnen het plangebied archeologische waarden aanwezig (kunnen) zijn en of vervolgonderzoek dan wel planaanpassing noodzakelijk is. Gespecificeerde archeologische verwachting bureauonderzoek De gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit het Laat Paleolithicum en Mesolithicum is zeer laag voor het gehele plangebied; de afzettingen uit deze perioden zullen grotendeels tot geheel zijn verspoeld door de later gevormde stroomgordels. De gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit het Neolithicum tot en met de IJzertijd is hoog voor de oeverafzettingen van de Over-Oudland stroomgordel in het zuiden van het plangebied en laag voor de rest van het plangebied. De gespecificeerde verwachting voor archeologische resten uit de Romeinse tijd tot en met de Nieuwe tijd is middelhoog voor de komafzettingen van de Hollandse IJssel stroomgordel op de Over-Oudland stroomgordel in het zuiden van het plangebied en ook middelhoog voor de oever- en komafzettingen van de Hollandse IJssel stroomgordel in de rest van het plangebied.

Resultaten inventariserend veldonderzoek Op basis van het bureauonderzoek en de resultaten van het booronderzoek kan worden geconcludeerd dat het zuiden van het plangebied een hoge archeologische verwachtingswaarde heeft voor resten uit het Neolithicum, de Bronstijd en de IJzertijd en een middelhoge archeologische verwachtingswaarde heeft voor resten uit de Romeinse tijd, Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen. De archeologisch resten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen worden in de kom- en oeverafzettingen van de Hollandse IJssel, op een diepte tussen 1,10 en 2,00 meter onder maaiveld, verwacht en dan met name in de vegetatiehorizonten. De archeologisch resten uit het Neolithicum, de Bronstijd en IJzertijd worden in de top van de oeverafzettingen van de Over-Oudland verwacht, op een diepte van circa 230-280 cm -mv.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

30

Advies In de zuidelijke zone waar nog archeologische resten worden verwacht, zal volgens de meest recente bouwplannen voornamelijk een tuin met parkeerplek worden gerealiseerd. Mogelijk vallen de voorgevels van de geplande nieuwbouw ook binnen deze zone. Indien de verstoringsdiepte van de nieuwbouwplannen beperkt kan blijven tot de bovenste meter onder maaiveld, adviseert Econsultancy een dubbelbestemming archeologie waarbij de mogelijke archeologische waarden in situ worden bewaard. Hiertoe dienen beschermende regels in het bestemmingsplan te worden opgenomen. Deze dubbelbestemming met regels is in voorliggend bestemmingsplan opgenomen. Indien voor de bouw blijkt dat de bodemverstoring ter plaatse niet meer zal bedragen dan 1 meter onder maaiveld en/of meer dan 100 m2 dan dient bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen een karterend en waarderend proefsleuvenonderzoek overlegd te worden. Bij een proefsleuvenonderzoek dienen sleuven gegraven te worden met als doel om eventuele archeologische waarden te karteren en waarderen. Voor dit onderzoek dient een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen te zijn opgesteld waarin is vastgelegd waaraan het onderzoek moet voldoen.

Binnen het centrale en noordelijke deel van het plangebied, waar geulafzettingen zijn aangetroffen en het bodemprofiel sterk is verstoord en waar dus geen archeologische waarden worden verwacht, wordt geadviseerd geen vervolgonderzoek te laten uitvoeren. De ODRU onderschrijft deze conclusie voor het noordelijk deel, omdat uit de boringen is gebleken dat de bodem is verstoord en er geen relevante archeologische afzettingen aanwezig zijn. Het centrale deel kan volgens de ODRU nog niet vrijgegeven worden, omdat hier in de geplaatste boring restgeulafzettingen zijn gevonden. De bovengenoemde dubbelbestemming is daarom ook voor het centrale deel van het plangebied opgenomen. Ook hier geldt dat proefsleuvenonderzoek uitgevoerd moet worden indien de genoemde maten overschreden worden. 4.7.2 Cultuurhistorie De cultuurhistorische kaart heeft een gedeelte van het plangebied als cultuurhistorische waarde CHS-agrarisch cultuurlandschap. Als toelichting bij 'CHS-agrarisch cultuurlandschap' staat het volgende vermeld: Het agrarisch cultuurlandschap waarop wij onze focus leggen ligt in het landelijk gebied van het Groene Hart. Dit gebied maakt door diverse kleinschalige ontwikkelingen een geleidelijke transformatie door.

Vanwege de grote erfgoedwaarden in gebouwen, structuren, bebouwingslinten, landschappen en verkavelingspatronen, vindt de Provincie het belangrijk dat de cultuurhistorische waarde bij de planontwikkeling een duidelijke rol speelt. Het behouden en ontwikkelen van de kwaliteit van de cultuurhistorische hoofdstructuur, archeologische waarden en aardkundige waarden staat als provinciaal belang aangegeven. Daarnaast staan een aantal gebieden binnen het plangebied aangeduid als 'CHS – archeologie'. Het beleid van de provincie richt zich op het bevorderen van duurzaam behoud en beheer van de archeologische resten in de bodem (‘in situ’). Beleidsuitgangspunten van het provinciaal beleid op het gebied van landschap en cultuurhistorie wordt vormgegeven in artikel 2.8 'cultuurhistorische waarden'. Hiertoe behoren onder meer het ‘agrarisch cultuurlandschap’. Hierbinnen geldt ‘behoud door ontwikkeling’. Ontwikkelingen zijn toegestaan mits de waarden worden behouden of versterkt. CHW wordt gevormd door ontginningsstructuur en –richting, structuur en maatvoering van boerderijlinten en waterbeheersingssysteem.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

31

Figuur 4.2

Uitsnede Cultuurhistorische waardenkaart (Bron: Provincie Utrecht)

Het plangebied is niet in het Nationale Landschap of het Groene Hart gelegen. In en in de directe omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen andere cultuurhistorische waarden, zoals rijksmonumenten. Het aspect cultuurhistorie staat de ontwikkeling aan de Hoge Dijk daarom niet in de weg.

4.8

Bodem

Normstelling en beleid Op grond van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan rekening gehouden te worden met de bodemgesteldheid in het plangebied. Bij functiewijziging dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde functie en moet worden vastgesteld of sprake is van een saneringsnoodzaak. In de Wet bodembescherming is bepaald dat indien de desbetreffende bodemkwaliteit niet voldoet aan de norm voor de beoogde functie, de grond zodanig dient te worden gesaneerd dat zij kan worden gebruikt door de desbetreffende functie (functiegericht saneren). Nieuwe bestemmingen dienen bij voorkeur op schone grond te worden gerealiseerd. Ten behoeve van ruimtelijke plannen dient ten minste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, te worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

32

Onderzoek en conclusie Rho adviseurs voor leefruimte heeft aan Econsultancy opdracht verleend voor het uitvoeren van een verkennend bodemonderzoek op de locatie Hoge Dijk te IJsselstein. Het totale bodemonderzoek is opgenomen als bijlage 2. Hieronder wordt volstaan met een beknopte samenvatting. De bodem bestaat voornamelijk uit zwak humeus, zwak zandig klei. Plaatselijk bestaat de ondergrond uit zwak siltig, matig fijn zand. De bodem is zwak baksteenhoudend en plaatselijk is de bovengrond zwak koolashoudend. De verdachte bodemlaag (bovengrond/toplaag) is licht verontreinigd met cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, zink en/of PAK. Verder is de bodem plaatselijk matig verontreinigd met nikkel. Na uitsplitsing bleken enkel deelmonsters 4 en 6 licht verontreinigd met nikkel. In deelmonster 7 is geen verontreiniging met nikkel aangetoond. Op basis van de resultaten van de separate grondmonsters kan de eerder aangetoonde matige verontreiniging met nikkel in grondmengmonster MM1 als “uitbijter” worden beschouwd. De zintuiglijke schone ondergrond is licht verontreinigd met nikkel. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "verdacht" kan worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, bevestigd. Echter, gelet op de aard en mate van verontreiniging, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek.

Op basis van de gegevens voortvloeiend uit het vooronderzoek en gelet op de aard en mate van de in de bodem aangetroffen bodemvreemde materialen (zwakke bijmenging met bakstenen en koolas) wordt de locatie als onverdacht voor de parameter asbest beschouwd. Om de aanwezigheid van asbest geheel uit te sluiten is nader onderzoek naar asbest in de bodem uitgevoerd. Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 3. De bovengrond is over de gehele locatie zwak tot matig baksteenhoudend. Verder is de bovengrond plaatselijk zwak aardewerk-, beton-, asfalt-, plastic en/of glashoudend. Verder zijn er zintuiglijk geen verontreinigingen waargenomen. Er zijn op het maaiveld en in de bodem geen asbestverdachte materialen aangetroffen. In de bodem is zowel zintuiglijk als analytisch géén hechtgebonden en niet-hechtgebonden asbest geconstateerd. De vooraf gestelde hypothese, dat de onderzoekslocatie als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd wordt, op basis van de onderzoeksresultaten, verworpen. Er bestaan volgens Econsultancy dan ook géén milieuhygiënische belemmeringen voor de voorgenomen bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie. Op basis van de onderzoeksresultaten wordt gesteld dat er geen aanleiding bestaat tot het uitvoeren van een nader onderzoek asbest in bodem/puin.

In geval van grondwerkzaamheden op de locatie behoeven er ten aanzien van asbest geen specifieke maatregelen te worden getroffen. Indien er bij werkzaamheden grond vrijkomt die niet op de locatie kan worden hergebruikt, zijn de regels van het Besluit bodemkwaliteit of de regionale bodemkwaliteitskaart van toepassing.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

33

4.9

Water

Waterbeheer en watertoets De initiatiefnemer dient in een vroeg stadium overleg te voeren met de waterbeheerder over een ruimtelijk planvoornemen. Hiermee wordt voorkomen dat ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Het plangebied ligt binnen het beheersgebied van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden, verantwoordelijk voor het waterkwantiteits- en waterkwaliteitsbeheer. Bij het tot stand komen van dit bestemmingsplan wordt overleg gevoerd met de waterbeheerder over deze waterparagraaf. Beleid duurzaam stedelijk waterbeheer Op verschillende bestuursniveaus zijn de afgelopen jaren beleidsnota's verschenen aangaande de waterhuishouding, allen met als doel een duurzaam waterbeheer (kwalitatief en kwantitatief). Deze paragraaf geeft een overzicht van de voor het plangebied relevante nota's, waarbij het beleid van het hoogheemraadschap nader wordt behandeld. Europa:  Kaderrichtlijn Water (KRW) Nationaal:  Nationaal Waterplan (NW)  Nationaal Bestuursakkoord Water (NBW)  Waterwet Provinciaal:  Provinciaal Waterplan Waterschapsbeleid Waterkoers 2016-2021 Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden heeft haar ambities en langetermijnvisie vastgelegd in het waterbeheerplan Waterkoers 2016–2021 (http://www.waterschaponline.nl/hdsr/).

De Waterkoers is een koersdocument om te sturen op hoofdlijnen met als overkoepelende doel Samen werken aan een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. In de Waterkoers wordt op een niet-planmatige manier over het waterschapswerk gesproken. Waterschapswerk is hierbij breder dan enkel beheer van water. Water is een belangrijke pijler van een veilige, gezonde en prettige leefomgeving. Vanuit die achtergrond werkt Hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden samen met de ruimtelijke ordening aan bescherming tegen overstromingen, een gezond grond- en oppervlaktewatersysteem en het zuiveren van afvalwater. Beleidsregels Keur 2009 Beleidsregel 13 is van toepassing in het gehele beheersgebied van het waterschap en geldt zowel binnen als buiten de bebouwde kom. Doel van het beleid is om effecten van nieuwe stedelijke uitbreidingen te neutraliseren. Om te voorkomen dat individuele bewoners voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes of enkele woningen, moeten compenseren, is een ondergrens ingesteld. De minimale oppervlakte waarvoor deze beleidsregel geldt, bedraagt binnen de bebouwde kom 5.00 m2 nieuw verhard oppervlak waarvan het hemelwater direct of indirect op het oppervlaktewater wordt geloosd en buiten de bebouwde kom 1.000 m2 nieuw verhard oppervlak (zie Besluit algemene regels keur HDSR 2009, algemene regel 14).

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

34

Uitbreiding van verhard oppervlak moet, vanuit hydrologisch optiek gezien, waterbalansneutraal plaatsvinden. Indien dit niet kan door infiltratie in de bodem, kan dat door nieuwe bergingscapaciteit aan te leggen die extra afvoer van het nieuwe verharde oppervlak als het ware neutraliseert dan wel de piekafvoer opvangt. De aanvrager (veroorzakersprincipe) moet zelf bij de vergunningaanvraag aangeven hoe en welke voorzieningen getroffen zullen worden om de lozing terug te brengen tot de maatgevende afvoer. Daarvoor moet een beheerplan te worden verlegd. Indien dat niet mogelijk is zijn de volgende maatregelen mogelijk: a. compenseren direct bij het lozingpunt; indien niet mogelijk gemotiveerd uitwijken naar b; b. compenseren in hetzelfde peilgebied; indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar c; c. compenseren in aangrenzend benedenstrooms peilgebied (met lager peil); indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar d; d. compenseren in aangrenzend bovenstrooms peilgebied (met hoger peil); indien niet mogelijk, gemotiveerd uitwijken naar e; e. compenseren in hetzelfde bemalingsgebied. Het waterschap kan tijdens een watertoetsproces, of in het vooroverleg van de vergunningaanvraag, adviseren bij het maken van keuzes. Gemeentelijk beleid De gemeenteraad van IJsselstein heeft op 15 maart 2007 het Stedelijk Waterplan IJsselstein vastgesteld.

Het heeft als doel dat het watersysteem schoon, veilig en gezond is, waarbij voldoende water zonder wateroverlast aanwezig is. Ook de samenwerking en kennisuitwisseling van de verschillende waterpartners worden verbeterd. Om dit doel te kunnen realiseren, worden diverse maatregelen genomen die terug te vinden zijn in het uitvoeringsprogramma behorende bij het Waterplan. Op 23 april 2007 hebben diverse partijen waaronder het HDSR, de gemeente IJsselstein en waterbedrijf Vitens een convenant waarin uitvoeringsafspraken zijn opgenomen, ondertekend. Onderzoek Huidige situatie Bodem en grondwater Het plangebied is gelegen in het oosten van de kern IJsselstein en is zo goed als volledig onverhard. Volgens de Bodemkaart van Nederland bestaat de bodem ter plaatse uit klei met zware tussenlaag of ondergrond. In het plangebied is sprake van één grondwatertrap, namelijk grondwatertrap V. In figuur 4.3 zijn deze grondwatertrappen in beeld gebracht. Grondwatertrap V wil zeggen dat de gemiddelde hoogste grondwaterkeur stand op minder dan 0,4 m beneden het maaiveld ligt en de gemiddelde laagste grondwaterstand meer dan 1,2 m beneden het maaiveld bedraagt. De GHG (Gemiddeld Hoogste Grondwaterstand) is in sommige delen van dit plan relatief hoog. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert om hier rekening mee te houden en een drooglegging van minimaal 70 cm aan te houden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

35

Figuur 4.3

Grondwatertrappen IJsselstein (Bron: Bodemkaart Nederland)

Waterkwantiteit Binnen het plangebied zijn geen primaire, secundaire of tertiaire watergangen aanwezig. Beschermingszones zijn daarom niet van toepassing op de beoogde ontwikkeling van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen Circa 280 meter ten noorden van het plangebied, langs de Hollandse IJssel, is een regionale waterkering gelegen. Het nieuwe bestemmingsplan ligt binnen de kern- en beschermingszone van deze keringen. Daarnaast is in de nabijheid ook een overige waterkering aanwezig. Het plangebied ligt binnen de beschermingszone van deze waterkering. Binnen deze zones gelden beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast. Afvalwaterketen en riolering Het plangebied is aangesloten op het gemeentelijke rioolstelsel. Toekomstige situatie De beoogde nieuwbouw bestaat uit vier grondgebonden woningen waarvan twee vrijstaande woningen aan de Hoge Dijk en een twee-onder-een-kapwoning op de hoek van de Hoge Dijk en de Maria Montessoristraat. Waterkwantiteit De beoogde ontwikkeling zorgt voor een toename van het verhard oppervlak. Het totale plangebied heeft een oppervlakte van 1.893 m2. De toekomstige bebouwing heeft een gezamenlijk oppervlak van

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

36

ca. 560 m2. Hiervan hebben de twee vrijstaande woningen een verhard oppervlak van ca. 270 m2 (ca. 135 m2 per woning) en heeft de tweekapper een verhard oppervlak van ca. 290 m2. Voor de bebouwing geldt een verhardingsoppervlak van 100%. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden stelt dat voor de tuinen gerekend kan worden met 40% verharding aangezien het onwaarschijnlijk is dat de tuinen grotendeels vol getegeld worden. Het verhard tuinoppervlak (bestemming Tuin en bestemming Wonen buiten bouwvlak) bedraagt hiermee (0,4 x 1418) 567,2 m2 en daarmee ca. 570 m2. De totale toename in verhard oppervlak komt uit op (560 + 570) ca. 1.130 m2. Bij een toename in verhard oppervlak dient deze toename gecompenseerd te worden. De compensatie-eis van het hoogheemraadschap is 45 mm per m2 toename verharding. Voor het plangebied aan de Hoge Dijk te IJsselstein komt de watercompensatie dus te liggen op (0,45 x 1.130) ca. 508 m3. Een deel van het benodigde oppervlaktewater zal gegraven worden in hetzelfde peilgebied. Verder wordt indien noodzakelijk infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Aanvullend kunnen de woningen voorzien worden van regentonnen zodat het hemelwater hergebruikt kan worden.

In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te voorzien in voldoende waterberging voordat de gronden en woningen in gebruik genomen mogen worden. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden:  hemelwater vasthouden voor benutting,  (in-) filtratie van afstromend hemelwater,  afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater,  afstromend hemelwater afvoeren naar AWZI. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het hoogheemraadschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de "Keur". Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen.

Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het hoogheemraadschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Voor de onderhavige woningbouw is dan ook een ontheffing noodzakelijk. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de "Keur". Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Conclusie Ten gevolge van de planontwikkeling is sprake van toename in verharding. Er wordt rekening gehouden met de bergingseis van het waterschap omtrent de planontwikkeling en de toename in verharding. Een deel van het benodigde oppervlaktewater zal gegraven worden in hetzelfde peilgebied. Verder worden indien noodzakelijk infiltratiekratten onder de parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd. Aanvullend

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

37

kunnen de woningen voorzien worden van regentonnen zodat het hemelwater hergebruikt kan worden. In de regels van dit bestemmingsplan is een voorwaardelijke verplichting opgenomen om te voorzien in voldoende waterberging voordat de gronden en woningen in gebruik genomen mogen worden.

4.10

Ecologie

Normstelling en beleid Het aspect ecologie heeft zowel betrekking op de bescherming van natuurgebieden als op de bescherming van dier- en plantensoorten. Met de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeerde diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming De Wnb kent diverse soorten natuurgebieden, te weten:  Natura-2000 gebieden;  Natuurnetwerk Nederland (NNN). Natura-2000 gebieden De minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). Een bestemmingsplan dat afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied, kan uitsluitend vastgesteld worden indien uit een passende beoordeling de zekerheid is verkregen dat het plan, onderscheidenlijk het project de natuurlijke kenmerken van het gebied niet zal aantasten.

Indien deze zekerheid niet is verkregen, kan het plan worden vastgesteld, indien wordt voldaan aan de volgende drie voorwaarden:  Alternatieve oplossingen zijn niet voor handen;  Het plan is nodig om dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard;  De nodige compenserende maatregelen worden getroffen om te waarborgen dat de algehele samenhang van het Natura 2000-netwerk bewaard blijft. De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening. Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod.

De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

38

direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Ten slotte is een verbodsbepaling opgenomen voor overige soorten. Deze soorten zijn opgenomen in de bijlage onder de onderdelen A en B bij de Wnb. De provincie kan ontheffing verlenen van deze verboden. Verder kan bij provinciale verordening vrijstelling worden verleend van verboden. De noodzaak tot ontheffing of vrijstelling kan hierbij ook verband houden met handelingen in het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden. Uitwerking Verordening uitvoering Wet natuurbescherming Utrecht In de provincie wordt vrijstelling verleend voor het weiden van vee en voor het in of op de bodem brengen van meststoffen.

In het kader van de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied, ter voorkoming of bestrijding van onnodig lijden van zieke of gebrekkige dieren, bestendig beheer of onderhoud in de landbouw of bosbouw, bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen spoorwegen of bermen, of natuurbeheer, of bestendig beheer of onderhoud van de landschappelijke kwaliteiten van een bepaald gebied worden vrijstellingen verleend ten aanzien van de soorten genoemd in bijlage II bij deze verordening. Het betreft aardmuis, bastaardkikker, bosmuis, bunzing, bruine kikker, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, gewone pad, haas, hermelijn, huisspitsmuis, kleine watersalamander, konijn, meerkikker, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Onderzoek en conclusie De opdrachtgever is voornemens vier woningen te bouwen binnen het plangebied aan de Hoge Dijk te IJsselstein. Deze activiteit zou kunnen samen gaan met effecten op beschermde planten- en diersoorten of beschermde gebieden. Soortenbescherming Op grond van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend veldonderzoek uitgevoerd naar het voorkomen van beschermde soorten.

Dit onderzoek is opgenomen in bijlage 4. In dit onderzoek, ook wel ecologische quickscan genoemd, wordt de voorgenomen ontwikkeling getoetst aan de Wet natuurbescherming. De centrale vraag luidt: Zijn de voorgenomen werkzaamheden in strijd met de soort- of gebiedsbescherming uit de Wet natuurbescherming (Wnb) of provinciaal beleid? En welke vervolgstappen dienen genomen te worden voor met de uitvoering gestart kan worden? Het bureauonderzoek is uitgevoerd op 25 maart 2019, voorafgaand aan het veldonderzoek. Het veldonderzoek heeft eveneens op 25 maart 2019 plaatsgevonden. Resultaten uit de quickscan tonen aan dat effecten op vogels zonder jaarrond beschermd nest door maatregelen of broedvogelinspectie kunnen worden voorkomen. Het vernietigen van nesten of het verstoren van vogels kan enkel plaatsvinden als er daadwerkelijk broedgevallen aanwezig zijn op of rond de projectlocatie. Een broedvogelinspectie geeft hier meer duidelijkheid over. In tabel 4.1 zijn de verwachte vogelsoorten benoemd. Nesten van deze soorten mogen niet beschadigd, weggehaald of vernietigd worden. Ook verstoringen die leiden tot het verlaten van het nest zijn verboden.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

39

Tabel 4.1

Te verwachten vogels zonder jaarrond beschermd nest (Bron: Habitus)

Maatregel 1 Verricht de werkzaamheden buiten de broedperiode (globaal half maart t/m half juli). Het is ook mogelijk om buiten de broedperiode te starten en door te gaan in het broedseizoen, met als voorwaarde dat de er voortdurende activiteit is en de werkzaamheden niet tijdelijk stil komen te liggen. Indien het niet mogelijk is om buiten de broedperiode te werken, kan maatregel 2 uitkomst bieden. Maatregel 2 Laat voorafgaand aan de werkzaamheden een broedvogelinspectie uitvoeren door een ecoloog. Indien er geen broedende vogels worden vastgesteld, kunnen de werkzaamheden doorgang vinden. Met inachtneming van deze maatregelen kan de aanwezigheid en/of verstoring van beschermde planten diersoorten worden uitgesloten. Het aspect ecologie staat de ontwikkeling daardoor niet in de weg. Gebiedsbescherming Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is Uiterwaarden Lek en bevindt zich op een afstand van ruim 5,5 kilometer (figuur 4.4). Het plangebied maakt ook geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) of een ecologische verbindingszone.

Figuur 4.4 Locatie plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebieden met 5 kilometerringen (Bron: Rho adviseurs voor leefruimte) Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

40

Het plangebied ligt niet in beschermde natuurgebieden. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Met de uitspraak van de Raad van State is het Programma Aanpak Stikstof (PAS) komen te vervallen. Ieder plan en project zal daarom moeten aantonen dat er geen sprake is van negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en habitattypen uit de dichtstbijzijnde stikstofgevoelige delen in de dichtstbijzijnde Natura 2000-gebieden. Zoals aangegeven ligt het plangebied op circa 5,5 kilometer van het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Uiterwaarden Lek. Kleinschalige woningbouwontwikkelingen (minder dan 100 woningen) op meer dan 5 kilometer afstand van Natura 2000-gebieden leiden op voorhand niet tot extra stikstofdepositie. De woningen worden daarnaast gasloos gebouwd en het verkeer vanuit het beoogde ontwikkeling wikkelt zich tevens deels af richting het oosten (en daarmee van de stikstofgevoelige habitattypen af). De ontwikkeling leidt daarmee niet tot negatieve effecten op de instandhoudingsdoelstellingen voor de kwalificerende soorten en typen uit Natura 2000-gebieden. Gezien bovenstaande conclusies staat de Wet natuurbescherming en het beleid van de provincie, de uitvoering van het plan niet in de weg.

4.11

Wegverkeerslawaai

Normstelling en beleid Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wet geluidhinder (Wgh) geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg getoetst moet worden. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. De geluidbelasting wordt berekend aan de hand van de Europese dosismaat Lden (L day evening night). Deze dosismaat wordt weergegeven in dB. Deze waarde vertegenwoordigt het gemiddelde geluidsniveau over een etmaal. Nieuwe situaties Voor de geluidbelasting aan de buitengevels van woningen en andere geluidgevoelige bestemmingen binnen de wettelijke geluidzone van een weg geldt een voorkeursgrenswaarde van 48 dB. In bepaalde gevallen is vaststelling van een hogere waarde mogelijk. Deze hogere grenswaarde mag de maximaal toelaatbare hogere waarde niet te boven gaan. De maximale ontheffingswaarde in onderhavige situaties bedraagt 63 dB (binnenstedelijk gelegen woning). Aftrek ex artikel 110g Wgh De in de Wgh genoemde grenswaarden aan de buitengevels ten aanzien van wegverkeerslawaai betreffen waarden inclusief aftrek op basis van artikel 110g Wgh. Dit artikel houdt in dat voor het wegverkeer een aftrek mag worden gehanteerd welke anticipeert op het stiller worden van het wegverkeer in de toekomst door innovatieve maatregelen aan de voertuigen.

De toegestane aftrek bedraagt: 5 dB voor wegen waarvoor de representatief te achten snelheid van lichte motorvoertuigen minder dan 70 km/u bedraagt. Voor wegen met een representatief te achten snelheid van 70 km/u of meer is de hoogte van de aftrek afhankelijk van de geluidbelasting exclusief aftrek. Bij een geluidbelasting van 56 dB en 57 dB mag een aftrek toegepast worden van respectievelijk 3 dB en 4 dB. Bij overige geluidbelastingen wordt een aftrek van 2 dB toegepast. De aftrek mag alleen worden toegepast bij toetsing van de geluidbelastingen aan de normstellingen uit de Wgh. In voorliggend onderzoek is gebruik gemaakt van een aftrek van 5 dB. Onderzoek De woningen zijn gelegen binnen de geluidzone van de Rijksweg A2, Baronieweg en de Weg der Verenigde Naties. Om deze reden is akoestisch onderzoek uitgevoerd. Daarnaast wordt in het kader van een goede ruimtelijke ordening en op basis van jurisprudentie ook de niet-gezoneerde Maria Montessoristraat (30 km/uur-wegen) meegenomen in de berekeningen. De resultaten van het akoestisch onderzoek zijn bijgevoegd in bijlage 5.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

41

Als gevolg van het wegverkeer op de gezoneerde Baronieweg wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 46 dB. Als gevolg van het wegverkeer op de gezoneerde Weg der Verenigde Naties wordt de wettelijke voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet overschreden. De maximale berekende geluidbelasting bedraagt 41 dB. Als gevolg van de Rijksweg A2 wordt de voorkeursgrenswaarde wel overschreden. De geluidbelasting bedraagt maximaal 51 dB, de maximale ontheffingswaarde van 53 dB wordt niet overschreden. Een hogere grenswaardenbesluit is noodzakelijk. Als gevolg van het wegverkeer op de Maria Montessoristraat wordt de richtwaarde van 48 dB ook overschreden. De maximale berekende bedraagt 51 dB inclusief aftrek artikel 110g wgh en vindt plaats op de oostelijke gevels van de beoogde twee-onder-een-kapwoningen. Ook hier wordt de maximale ontheffingswaarde niet overschreden. Maatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn in het kader van een goede ruimtelijke ordening onderzocht. Het toepassen van bron- en overdrachtsmaatregelen om de geluidbelasting te reduceren zijn niet doeltreffend of redelijkerwijs niet mogelijk vanwege overwegende bezwaren van stedenbouwkundige, verkeerskundige, vervoerskundige, financiële of praktische aard. Conclusie Het cumulatieve geluidniveau (exclusief aftrek art.

110g Wgh) bedraagt ten hoogste Lden = 59 dB op de woningen en wordt veroorzaakt door het wegverkeer op de Rijksweg A2 en Maria Montessoristraat. In het kader van de realisatie van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat kan bij het bepalen van de benodigde gevelgeluidwering worden uitgegaan van de maximale cumulatieve geluidbelasting. Dit betekent dat wanneer uitgegaan wordt van de nieuwbouw eisen van het Bouwbesluit 2020 de benodigde gevelgeluidwering ten minste GA;k = 26 dB(A) dient te bedragen, om aan de binnenwaarde van 33 dB (59-26) te voldoen. Omdat de maximale ontheffingswaarde als gevolg van de A2 niet wordt overschreden en alle woningen over een geluidluwe gevel beschikken is het mogelijk hogere grenswaarden aan te vragen conform tabel 4.2. De ODRU is gemandateerd om de procedure hogere waarden namens het college uit te voeren. De hogere grenswaarden worden niet ten gevolge van de Montessoristraat verleend aangezien deze niet gezoneerd is. Tabel 4.2 Woningen waarvoor hogere waarden moeten worden aangevraagd Locatie Aantal woningen Ontheffingswaarde Bron Maria 1 51 dB Rijksweg A2 Montessoristraat Maria 1 50 dB Rijksweg A2 Montessoristraat Hoge Dijk 1 51 dB Rijksweg A2 Hoge Dijk 1 51 dB Rijksweg A2

4.12

Luchtkwaliteit

Normstelling en beleid In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer. Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 4.2 weergegeven.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

42

Stof stikstofdioxide (NO2) fijn stof (PM10)

Toetsing van jaargemiddelde concentratie jaargemiddelde concentratie 24-uurgemiddelde concentratie

Grenswaarde 40 µg/m³ 40 µg/m³ max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg / m³ fijn stof (PM2,5) jaargemiddelde concentratie 25 µg /m³ Tabel 4.2 Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit onder andere uitoefenen indien de bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden of de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht. Advieswaarden WHO en GGD De WHO en GGD hanteren advieswaarden voor fijn stof (PM10) van 20 microgram per kuub, en 10 microgram per kuub voor PM2,5 wat lager ligt dan de wettelijke grenswaarden. Besluit niet in betekenende mate (nibm) In dit Besluit niet in betekenende mate is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst.

Hierbij worden 2 situaties onderscheiden:  een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³);  een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Onderzoek In de toekomstige situatie worden vier woningen gerealiseerd. Een dergelijke ontwikkeling valt onder het besluit niet in betekenende mate onder de categorie woningbouw tot 1.500 woningen aan één ontsluitingsweg. Dit betekent dat de ontwikkeling niet in betekenende mate bijdraagt aan de luchtkwaliteit ter plaatse en dat nader onderzoek niet noodzakelijk wordt geacht. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool 2018 die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort.

Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2017 en 2030 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs de Baronieweg ruimschoots onder de grenswaarden liggen. De concentraties PM10 liggen zowel in 2017 als in 2030 onder de advieswaarden van de WHO/GGD. De concentratie PM2,5 ligt in 2017 hoger en in 2030 ruimschoots lager dan de advieswaarden van de WHO/GGD. De concentraties luchtverontreinigende stoffen zijn weergegeven in de figuren 4.5 en 4.6.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

43

Figuur 4.5 Concentraties luchtverontreinigende stoffen in 2017 ter plaatse van de maatgevende Baronieweg (bron: NSl monitoringstool 2018)

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

44

Figuur 4.6 Concentraties luchtverontreinigende stoffen in 2030 ter plaatse van de maatgevende Baronieweg (bron: NSl monitoringstool 2018) Omdat langs de dichtstbijzijnde maatgevende weg aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de weg ligt. In 2017 wordt niet voldaan aan de advieswaarde van het WHO/GGD van 10 microgram per kuub voor PM2,5. Voor de overige stoffen wordt voldaan aan de advieswaarden. Door gebruikmaking van schonere technieken nemen de concentraties luchtverontreinigende stoffen jaarlijks af. Uit figuur 4.6 blijkt dat hierdoor in de toekomst voldaan zal worden aan de wettelijke grenswaarden en ook aan de advieswaarden. Aangezien momenteel wordt voldaan aan de wettelijke grenswaarden en in de toekomst aan de grenswaarden en advieswaarden is ter plaatse van het plangebied sprake van een aanvaardbaar woonen leefklimaat. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de beoogde ontwikkeling aan de Hoge Dijk te IJsselstein niet in de weg.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

45

4.13

Duurzaamheid

Normstelling en beleid Duurzaamheid gaat over de balans tussen mens, milieu en financiën en kan op verschillende niveaus worden bezien. Op het niveau van gebiedsontwikkeling gaat het naast technische maatregelen bij gebouwen om het functioneren van het gehele gebied. De kracht zit in het zoeken naar goede combinaties voor een specifieke locatie waardoor een prettige leefomgeving kan worden ontwikkeld. Bepaalde randvoorwaarden en/of de ruimtelijke omgeving van een plan kunnen kansen voor duurzaamheid opleveren. Duurzaam bouwen gaat dus verder dan alleen energie. Het gaat ook over duurzaam materiaalgebruik, comfort, binnenmilieu, bouwen voor de toekomst en slim bouwen. Duurzaam bouwen wordt vaak afgekort als 'dubo' en beoogt naast vermindering van de uitstoot van CO2 ook zaken als:  bij te dragen aan het welzijn van gebruikers (kwaliteitsbevordering);  uitputting van grondstoffen te verminderen;  vervuiling van bodem, water en lucht tegen te gaan. Energieneutraal (BENG) Vanaf 1 januari 2020 moeten alle nieuwe gebouwen in Nederland bijna energieneutrale gebouwen (BENG) zijn. Dit vloeit voort uit het Energieakkoord voor duurzame groei en uit de Europese richtlijn EPBD.

De vastgestelde niveau’s voor woningen gelden als volgt:  Een maximaal energiebehoefte van 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak;  Een maximaal primair fossiel energiegebruik, eveneens in 25 kWh/m2/jr gebruiksoppervlak;  Een minimaal aandeel hernieuwbare energie van 50%. Het voorgaande houdt concreet een EPC tussen 0 en 0,2 in. Tot 1 januari 2020 geldt echter nog de wettelijk verplichte EPC van 0,4. Aardgasvrij (Wet VET) In de Wet voortgang energietransitie (VET) is bepaald dat per 1 juli 2018 nieuw te bouwen bouwwerken niet meer aangesloten worden op het gasnet. In uitzonderlijke gevallen kan de gemeente, bij zwaarwegende redenen van algemeen belang, een ontheffing verlenen. De omgevingsvergunning voor nieuwe bouwwerken wordt afgekeurd als in de bouwaanvraag geen rekening is gehouden met aardgasvrij bouwen. Milieuprestatie Gebouwen (MPG) Voor nieuwbouwwoningen en nieuwe kantoorgebouwen die groter zijn dan 100 m² is bij elke aanvraag voor een omgevingsvergunning een Milieuprestatie Gebouwen (MPG) verplicht. De MPG geeft aan wat de milieubelasting is van de materialen die in een gebouw worden toegepast. Per 1 januari 2018 geldt voor de MPG een maximum schaduwprijs van 1,00 euro per m2 BVO per jaar. Voor een MPG berekening kan het instrument GPR Gebouw gebruikt worden.

GPR Gebouw is opgebouwd uit vijf verschillende thema’s: energie, milieu, gezondheid, gebruikskwaliteit en toekomstwaarde. Scores variëren van 0 t/m 10. Het is gebruikelijk om uit te gaan van een gemiddelde GPR Gebouw score van 8. GPR Gebouw is een bruikbaar instrument om tot een duurzaam ontwerp te komen voor onder andere woningbouw. Provinciaal beleid Het provinciaal beleid is vastgelegd in de Provinciale Structuurvisie 2013-2028. Bijbehorende kaders zijn vastgelegd in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. Hierin staat voor nieuwe ontwikkelingen binnen het stedelijk gebied dat het ruimtelijk plan een beschrijving moet bevatten van de wijze waarop rekening is gehouden met energiebesparing en het toepassen van duurzame energiebronnen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

46

Bij zowel bouw als renovatie is het van belang dat nagedacht wordt over het gebruik van alternatieve vormen van energie en energiebesparende technieken. Hiermee dragen ruimtelijke plannen bij aan het doel van 10% duurzame energiegebruik in 2020, zoals verwoord in de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013. Gemeentelijk beleid Door ondertekening van de klimaatverklaring heeft de gemeente zich gecommitteerd te werken aan de volgende hoofdambitie: 1. In 2050 is IJsselstein klimaatneutraal; 2. In 2030 is de gemeentelijke organisatie CO2 neutraal. De uitgangspunten voor deze ambitie zijn geconcretiseerd in het Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein, welke is vastgesteld op 09-06-2016 door de gemeenteraad. Voor 2020 geldt het volgende:  15% van de bestaande gebouwen, ouder dan 1980, minimaal twee labelstappen omhoog;  Alle gebouwen dienen (bijna) energieneutraal (BENG) te zijn;  Alle nieuwe gebouwen worden duurzaam gebouwd en hebben een score minimaal GPR = 8 (tegenover 7,5 nu).

Toetsing en conclusie Ten aanzien van duurzaamheid worden voor de beoogde woningen de volgende maatregelen beoogd:  Duurzaam en circulair materiaalgebruik;  Aansluiten bij EPC ontwerpuitgangspunten vanuit het gemeentelijk beleid en de strengere BENG normen;  Energiebesparing door onder andere het toepassen van driedubbelglas, douchewarmtewisselaar, balansventilatie en laagtemperatuur-vloerverwarming;  Geen aansluiting op gasnet;  Extra isolatie ten behoeve van de benodigde geluidwering van 26 dB om aan het vereiste binnenniveau van het Bouwbesluit te kunnen voldoen. Een standaard gevel heeft een geluidwering van 20 dB. Met de voorgaande maatregelen wordt invulling gegeven aan de geldende eisen ten aanzien van de EPC, de Wet VET en GPR Gebouw. Ook wordt hiermee invulling gegeven aan het provinciaal en gemeentelijk duurzaamheidsbeleid. Een GPR Gebouw berekening wordt bijgevoegd bij de aanvraag omgevingsvergunning voor bouwen.

4.14

Conclusie

Uit de toetsing aan de sectorale aspecten blijkt dat er geen belemmeringen zijn voor de beoogde ontwikkeling.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

47

Hoofdstuk 5

5.1

Juridische planbeschrijving

Wettelijke eisen

De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat ruimtelijke plannen digitaal en analoog beschikbaar moeten zijn. Dit brengt met zich mee dat bestemmingsplannen digitaal uitwisselbaar en op vergelijkbare wijze gepresenteerd moeten worden. Met het oog hierop stellen de Wro en de onderliggende regelgeving eisen waaraan digitale en analoge plannen moeten voldoen. Zo bevat de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP) bindende afspraken waarmee bij het maken van bestemmingsplannen rekening moet worden gehouden. De SVBP kent (onder meer) hoofdgroepen van bestemmingen, een lijst met functie- en bouwaanduidingen, gebiedsaanduidingen en een verplichte opbouw van de planregels en het renvooi.

5.2

Opzet van de bestemmingsregeling

Ten aanzien van de opzet van de bestemmingsregeling is het volgende van belang. Opzet verbeelding Belangrijke eis is dat het bestemmingsplan dient te voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar dient te zijn. In aansluiting hierop en in relatie tot de digitale verplichting verdient het de voorkeur zoveel mogelijk onderdelen van de regeling op de verbeelding zichtbaar te maken en de regels zo transparant mogelijk te houden. Op de verbeelding de enkelbestemmingen 'Wonen' en 'Tuin' opgenomen. Met een bouwvlak is aangegeven waar het hoofdgebouw gerealiseerd mag worden. Opzet regels De regels van het plan bestaan uit de volgende onderdelen: a. inleidende regels; b. bestemmingsregels; c. algemene regels; d. overgangs- en slotregel.

5.3

Toelichting op de inleidende regels

Artikel 1 Begrippen Dit artikel definieert de begrippen die in het bestemmingsplan worden gebruikt. Dit wordt gedaan om interpretatieverschillen te voorkomen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

48

Artikel 2 Wijze van meten Dit artikel maakt duidelijk hoe de lengte, breedte, hoogte, diepte en oppervlakte en dergelijke van gronden en bouwwerken worden gemeten of berekend. Alle begrippen waarin maten en waarden voorkomen worden in dit artikel verklaard.

5.4

Toelichting op de gehanteerde bestemmingen

Artikel 3 Tuin De voortuinen en in een enkel geval de zijtuin, behorende bij de woningen, zijn bestemd als Tuin. Binnen de bestemming Tuin zijn erfafscheidingen, pergola's, vlaggenmasten en andere bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan. In de bestemming Tuin kunnen alleen erkers worden gebouwd met een omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Artikel 4 Wonen De nieuwe woningen in het bestemmingsplan zijn mogelijk gemaakt binnen de bestemming Wonen. Binnen deze bestemming zijn hoofdgebouwen van de woningen toegestaan binnen het bouwvlak. De goot- en bouwhoogte mag niet meer bedragen dan op de verbeelding is weergegeven. Voor de diverse typologieën zijn aanduiding opgenomen op de verbeelding. Ook is vastgelegd dat ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' de gevel van het hoofdgebouw tweezijdig georiënteerd moet zijn. Ten aanzien van erfbebouwing geldt dat aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zowel binnen als buiten het bouwvlak mogen worden gebouwd. Hierbij gelden de volgende regels. Het zij- en achtererf mag ten hoogste voor 50% worden bebouwd, met een maximum oppervlak van 60 m² voor vrijstaande woningen. De goothoogte van erfbebouwing bedraagt ten hoogste 3 m ofwel de hoogte van de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw, vermeerderd met 0,25 m. De bouwhoogte bedraagt ten hoogste de bouwhoogte van het hoofdgebouw - 2 m.

De bouwhoogte bedraagt hierbij ten minste 3 m en maximaal 4,5 m. Binnen de bestemming is tevens het gebruik van de woning ten behoeve van niet-publieksgerichte aan-huis-verbonden beroep of -bedrijf toegestaan. Het vloeroppervlak mag hiervan niet meer dan 30% van het woonoppervlak bedragen met een maximum van 50 m² en de activiteit dient te worden uitgevoerd door de bewoner van de woning. Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van deze regeling en ook publieksgerichte aan-huis-verbonden beroepen of -bedrijven toegestaan, mits deze niet leiden tot een onevenredige aantasting van de verkeersontsluiting of parkeersituatie ter plaatse en de activiteit past qua aard, omvang en uitstraling. Artikel 5 Waarde - Archeologie Deze bestemming is toegekend aan de gronden, waar archeologische waarden aanwezig zijn, dan wel te verwachten zijn.

5.5

Toelichting op de algemene regels

Deze algemene regels bestaan uit een aantal algemene, niet aan specifieke bestemmingen gekoppelde, regels. Artikel 6 Antidubbeltelregel Een antidubbeltelbepaling wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het opengebleven terrein niet nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

49

De formulering van de antidubbeltelbepaling wordt bindend voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.2.4 Bro). Artikel 7 Algemene bouwregels In de algemene bouwregels is opgenomen dat bouwgrenzen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen worden overschreden ten behoeve van ondergeschikte bouwdelen. Het gaat hierbij om bijvoorbeeld stoepen, balkons, entreeportalen, veranda's en afdaken. Artikel 8 Algemene gebruiksregels In dit artikel wordt genoemd welk gebruik van de gronden in ieder geval valt onder strijdig gebruik. Het gaat hierbij om onder andere het gebruik van de gronden ten behoeve van stort- of opslagplaats van goederen en aan het gebruik onttrokken machines of het gebruik ten behoeve van seksinrichtingen. Artikel 9 Algemene afwijkingsregels In dit artikel wordt een opsomming gegeven van de regels waarvan afgeweken kan worden. Het gaat hierbij om de bevoegdheid om bij omgevingsvergunning af te wijken van regels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Dit betreft bijvoorbeeld de vrijstelling ten behoeve van afwijking van de voorgeschreven maten en percentages. Afwijking is overigens alleen mogelijk wanneer hiermee geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan aspecten als de woon- en milieusituatie van aangrenzende percelen.

Artikel 10 Algemene wijzigingsregels Dit artikel geeft het bevoegd gezag de bevoegdheid het bestemmingsplan te wijzigen ten behoeve van geringe veranderingen in plaats, ligging of afmetingen van bestemmingsgrenzen. Artikel 11 Overige regels In dit artikel is een parkeerregeling opgenomen.

5.6

Toelichting op de overgangs- en slotregels

Artikel 12 Overgangsrecht en Artikel 13 Slotregel In artikel 3.2.1 van het Bro zijn standaardregels opgenomen met betrekking tot het overgangsrecht voor bouwwerken en gebruik. Deze maken onderdeel uit van dit bestemmingsplan. In de slotregel is aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangeduid.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

50

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

51

Hoofdstuk 6

6.1

Uitvoerbaarheid

Economische uitvoerbaarheid

Naast de planologische haalbaarheid van de ontwikkeling zoals getoetst in voorgaande paragrafen, moet ook de financiële uitvoerbaarheid van de ontwikkeling aangetoond worden. In de Wet ruimtelijke ordening is de grondexploitatiewet opgenomen. Hierin is geregeld dat gemeenten de mogelijkheid krijgen om kosten van de planontwikkeling te verhalen op grondeigenaren. Het kostenverhaal dient verplicht door de gemeente opgesteld te worden. De gemeente legt dit kostenverhaal vast in een exploitatieplan. Van een exploitatieplan kan worden afgeweken door in het kostenverhaal anderszins te voorzien (overeenkomst met alle grondeigenaren in het plangebied of volledig grondeigendom). In een bestemmingsplan is sprake van kostenverhaal (6.2.3 tot en met 6.2.5 Bro) als een bouwplan (6.2.1 Bro) wordt mogelijk gemaakt. Tussen de gemeente en de initiatiefnemer/eigenaar van de gronden zal voor vaststelling van het bestemmingsplan een anterieure overeenkomst worden gesloten.

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro. 6.2.1 Voorontwerpbestemmingsplan Het voorontwerp bestemmingsplan heeft van donderdag 20 augustus 2020 tot en met woensdag 30 september 2020 ter inzage gelegen (IDN NL.IMRO.0353.HoekHogeDijk-VO01). Tijdens de inspraakprocedure kon een ieder schriftelijk of mondeling zijn reactie omtrent het ontwerp kenbaar maken. Tevens is het plan in het kader van het wettelijk vooroverleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro aangeboden aan de Provincie Utrecht, Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden en de Veiligheidsregio Utrecht. Tijdens de terinzagelegging is er één inspraakreactie en drie vooroverlegpartnerreacties ontvangen. De reacties zijn allen binnen de daarvoor geldende termijn ingediend en daarmee ontvankelijk verklaard. De Nota inspraak en vooroverleg is opgenomen in bijlage 6 bij deze toelichting. In de nota zijn de inspraak- en adviesreacties samengevat en naar (hoofd)onderwerp weergegeven en worden deze van gemeentewege beantwoord.

6.2.2 Ontwerpbestemmingsplan Het ontwerpbesluit en het ontwerpbestemmingsplan met bijbehorende stukken hebben conform het bepaalde in artikel 3.8 en 6.12 van de Wet ruimtelijke ordening vanaf vrijdag 14 mei 2021 tot en met vrijdag 25 juni 2021 ter inzage gelegen. In die periode kon een ieder zijn of haar zienswijze naar keuze schriftelijk of mondeling indienen.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

52

Tijdens de terinzagelegging zijn twee zienswijzen naar voren gebracht. Deze zijn binnen de gestelde termijn ontvangen en derhalve ontvankelijk. In de als bijlage 7 opgenomen Nota van zienswijzen zijn de zienswijzen samengevat en beantwoord. 6.2.3 Vaststelling Het bestemmingsplan wordt vervolgens, al dan niet gewijzigd, vastgesteld. Het besluit tot vaststelling wordt gepubliceerd en het bestemmingsplan ligt zes weken ter inzage. Tijdens die periode bestaat de mogelijkheid beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in te dienen tegen het besluit en het plan.

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING

Bijlage 1 Archeologisch bureau- en verkennend booronderzoek

Rho adviseurs voor leefruimte

44003343.20202016

ARCHEOLOGISCH BUREAUONDERZOEK EN VERKENNEND BOORONDERZOEK HOGE DIJK TE IJSSELSTEIN GEMEENTE IJSSELSTEIN

archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Hoge Dijk te IJsselstein Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte Postbus 150 3000 AD Rotterdam

Rapportnummer 1

Versienummer

Datum

9523.002 2 30 augustus 2019

Vestiging

Limburg Rijksweg Noord 39 6071 KS Swalmen 0475 - 504961 swalmen@econsultancy.nl

Opsteller

drs. M. Stiekema

Paraaf

Kwaliteitscontrole

drs. A.H. Schutte

Paraaf

© Econsultancy bv, Swalmen Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1

Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel beoordeeld door de bevoegde overheid.

Econsultancy Archeologisch Rapport

Administratieve gegevens plangebied Projectcode

9523.002

Toponiem

Hoge Dijk

Opdrachtgever

Rho Adviseurs voor leefruimte

Gemeente

IJsselstein

Plaats

IJsselstein

Provincie

Utrecht

Kadastrale gegevens

Gemeente IJsselstein, sectie H, perceel 699

Omvang plangebied

circa 2.000 m

Kaartblad

38F

Coördinaten centrum plangebied

X: 132.480 Y: 447.590

Bevoegde overheid

Gemeente IJsselstein Postbus 26 3400 AA IJsselstein

T: 030-6861611 E: info@ijsselstein.nl

Deskundige namens de bevoegde overheid

Omgevingsdienst regio Utrecht t.a.v. mevr. drs. F. Hogenboom Archimedeslaan 6 3584 BA Utrecht

T: 088 – 0225000 E: f.hogenboom@odru.nl

ARCHIS3

Bureauonderzoek 4701201100

Booronderzoek 4701218100

Onderzoeksmeldingsnummer (OM-nr.)

2

Archeoregio NOaA

Utrechts-Gelders rivierengebied

Beheer en plaats documentatie

Econsultancy, Swalmen/ Provinciaal Archeologisch Depot Utrecht

Uitvoerders

Econsultancy, drs. M. Stiekema

Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10728924/1