CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

AA3a Bestemmingsplan Abbink Spainkstraat toelichting

Commissie Ruimte 12 september 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 21:10 uur Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Abbink Spainkstraat 3615.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,9 μg/m³ PM10, 9,5 μg/m³ PM2,5 en 15,1 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Er wordt niet voldaan aan de in 2021 aangescherpte WHO-advieswaarden. Hierbij dient vermeld te worden dat deze waarden dermate streng zijn dat ze momenteel nergens in Nederland worden gehaald. Op basis van het Schone Lucht Akkoord wordt gestreefd naar een permanente verbetering van de luchtkwaliteit, waarbij wordt toegewerkt naar de WHO-advieswaarden voor stikstofdioxide en fijn stof in 2030. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.

4.7 Cultuurhistorie Vanaf 1 januari 2012 is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vastgelegd bij het maken van ruimtelijke plannen, zoals een bestemmingsplan, beheersverordening of ruimtelijke onderbouwing rekening gehouden moet worden met cultuurhistorische waarden. Als gevolg hiervan is het van belang dat voorafgaand aan het maken hiervan de aanwezige cultuurhistorische waarden bekend zijn. Over het algemeen wordt bij het inventariseren van cultuurhistorische waarden onderscheid gemaakt tussen waardevaste en waardevolle elementen. Waardevaste elementen hebben een beschermde status en zijn op basis van de Monumentenwet of gemeentelijke verordening aangewezen als rijks-, provinciaal of gemeentelijk monument. Waardevolle elementen zijn daarentegen niet formeel beschermd, maar kunnen een bijzondere karakteristieke of geschiedkundige waarde hebben en van belang zijn als cultuurdrager. De cultuurhistorische waarde van een plangebied is zodoende niet alleen afhankelijk beschermde monumentale waarden binnen het gebied, maar kan zeker ook bepaald worden door waardevolle structuren of objecten in de directe omgeving. Bij het inventariseren dient dan ook zowel naar het plangebied als naar de omgeving daarvan gekeken te worden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig.

In het kader van de planvorming is door Jojanneke Clarijs cultuurhistorisch onderzoek uitgevoerd: 'Voormalige lts Mr. Abbink Spainkstraat 36-38 te IJsselstein – Cultuurhistorisch onderzoek', d.d. oktober 2020. Op basis hiervan wordt uitgegaan van het behoud van het ensemble van hoofdgebouw, groen ingerichte voorruimte met bestaande bomen en het tuinmuurtje als erfafscheiding. Het voorliggende plan sluit hier bij aan. Het Cultuurhistorisch onderzoek is als bijlagen bij de regels, bijlage 2 bijgevoegd.

25

Molen 'De Windotter' Cultuurhistorische objecten waaronder molens en de bijbehorende molenbiotopen zijn medebepalend voor de identiteit en beleving van het landschap. Bij de molenbiotoop is de ruimte die vrij wordt gehouden voor een goede windvang van belang. Daarnaast staat met name de zichtbaarheid van de molen centraal. De molenbiotoop, die een omvang van 400 m heeft gerekend vanuit het middelpunt van de molen, is geen wettelijke regeling of norm. Het is een richtlijn voor een beoordeling in het kader van de goede ruimtelijke ordening, waarbij zowel toepassing als afwijking gemotiveerd dient te worden. In het geldende bestemmingsplan ‘Binnenstad eo’, artikel 21.4.1 sub b zijn regels opgenomen voor de 'vrijwaringszone - molenbiotoop'. Het voorliggende plan betreft evenwel de transformatie van een bestaand pand. Hierdoor zal de bebouwingshoogte niet toenemen. Waardoor het beoogde plan niet zorgt voor een beperking van de windvang voor molen ’De Windotter’. Conclusie Gezien het voorgaande vormt het aspect cultuurhistorie geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.8 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het deel van het plangebied aan de Mr. Abbink Spainkstraat is binnen het geldend bestemmingsplan 'Binnenstad eo' gelegen binnen de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3'. De aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de bescherming en instandhouding van archeologische waarden.

Het is verboden om op of in deze gronden en gelegen zijn buiten de aangegeven bouwvlakken, zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegd gezag werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren op een grotere diepte dan 30 cm -mv of die een oppervlakte beslaan groter dan 100 m². Het deel van het plangebied aan de Vrouw Baertestraat is in het geldende bestemmingsplan 'Binnenstad eo' voorzien van de gebiedsaanduiding 'archeologisch waardevol gebied 1'. Hier gelden vrijstellingsgrenzen voor werkzaamheden of werken tot een diepte van 30 cm -mv of een oppervlakte tot 2.500 m². Met onderhavig plan vinden er geen werkzaamheden plaats buiten het bouwvlak die de grond op een grotere diepte dan 30 cm -mv plaats. Derhalve is een verkennend archeologisch onderzoek niet vereist en is het aspect archeologie geen belemmering voor het voorliggende plan. Wel wordt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' gehandhaafd en wordt de gebiedsaanduiding 'Overige zone - archeologisch waardevol gebied 1' opgenomen in het plangebied.

4.9 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming

26

(Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Econsultancy d.d. 25 juli 2018, bijlagen bij toelichting bijlage 3) uitgevoerd.

De quickscan heeft tot doel om in te schatten of er op de onderzoekslocatie planten- en diersoorten, gebieden of houtopstanden aanwezig zijn die volgens de Wet natuurbescherming een beschermde status hebben en die mogelijk negatieve gevolgen kunnen ondervinden door de voorgenomen ingreep. Hierbij is niet de locatie van de beoogde parkeerplaats aan de Vrouw Baertestraat in het onderzoek meegenomen. Van dit deel van het plangebied wordt er van uitgegaan dat geen ecologische waarden in het geding zijn. Het betreft immers een intensief onderhouden groenstrook, waarbij geen opgaande beplanting hoeft te worden verwijderd. Soortenbescherming Voor broedvogels met jaarrond beschermde nesten geldt dat nader onderzoek noodzakelijk is voor broedlocaties en verblijfplaatsen voor de huismus. Indien er op de onderzoekslocatie nestplaatsen van een van deze soorten aanwezig zijn, hetgeen op basis van de huidige informatie niet is uit te sluiten, zal de voorgenomen ingreep kunnen leiden tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Voor vleermuizen geldt dat nader onderzoek omtrent de aan- of afwezigheid van verblijfplaatsen noodzakelijk wordt geacht voor alle gebouwen op de onderzoeklocatie. De gebouwen zijn geschikt als verblijfplaats voor gebouwbewonende vleermuizen. De werkzaamheden kunnen verstorend zijn voor aanwezige verblijfplaatsen.

De onderzoekslocatie kan tijdens graafwerkzaamheden tijdelijk interessanter worden voor voornamelijk rugstreeppad. Daarom wordt aangeraden de graafwerkzaamheden uit te voeren buiten de actieve periode van deze soorten (actieve periode loopt globaal van april tot september), of te werken met een amfibieënscherm. Als het bijgebouw wordt gesloopt en vervangen is aanvullend onderzoek. Dit is als een voorwaardelijke verplichting opgenomen. Voor beschermde soorten behorend tot de overige soortgroepen zijn overtredingen ten aanzien van de Wet natuurbescherming wegens het ontbreken van geschikt habitat, het ontbreken van sporen, vanwege een provinciale vrijstelling en/of de aard van de ingreep, niet aan de orde. Wel dient rekening te worden gehouden met de algemene zorgplicht met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën, waarbij al het redelijkerwijs mogelijke dient gedaan te worden om het doden van individuen te voorkomen. Aantoonbaar werken conform de zorgplicht kan gebeuren door te handelen middels een op maat gemaakt ecologisch werkprotocol dat bij de uitvoerende partij onder de aandacht dient te worden gebracht. Gebiedsbescherming Het plangebied is niet gelegen in of in de nabijheid van een gebied behorende tot het Natuurnetwerk Nederland, het meest nabijgelegen gebied ligt op circa 1,2 km.

Nader onderzoek ten aanzien van het Natuur Netwerk Nederland wordt niet noodzakelijk geacht. Het dichtstbij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft 'Uiterwaarden Lek' en bevindt zich op een afstand van ca. 4,8 km van het plangebied. Er zijn geen externe effecten te verwachten als gevolg van licht, trilling en geluid door het voorliggende plan. Wel zijn externe effecten als gevolg van een toename van stikstofdepositie niet op voorhand uit te sluiten als gevolg van sloop en nieuwbouw, daarom wordt in de rapportage geadviseerd een AERIUS-berekening te laten uitvoeren.

27

Stikstofdepositie Zoals bovenstaand is aangegeven gaat de ontwikkeling gepaard met de uitstoot van stikstof, wat mogelijke effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij gelegen stikstofgevoelige Natura 2000-gebied betreft 'Uiterwaarden Lek' en bevindt zich op een afstand van ca. 4,8 km van het plangebied. Voor de bouwfase geldt dat er sprake is van transformatie van het bestaande gebouw. Er vinden geen grootschalige sloop- en bouwwerkzaamheden plaats, de werkzaamheden die plaatsvinden zijn met name intern. Er zal daarom maar een beperkte inzet zijn van mobiele werktuigen met stikstofuitstoot. Het is daarom aannemelijk dat de stikstofuitstoot tijdens de transformatie geen effect heeft op Natura 2000-gebieden. Daarnaast zal het toekomstige gebruik met de nieuwe invulling van het gebouw gunstiger worden. Het gebouw wordt getransformeerd naar woningen waarbij er allerlei duurzaamheidsmaatregelen worden getroffen, zoals goede isolatie, duurzame installaties en worden de woningen verwarmt met warmtepompen. Dit betekent een afname van het gasverbruik ten opzichte van de huidige situatie. Dat houdt in dat dit initiatief niet leidt tot een aantasting van de instandhoudingsdoeleinden van Natura 2000gebieden. In dit kader kan een berekening middels de AERIUS-Calculator achterwegen blijven.

Aanvullend onderzoek huismussen en vleermuizen Er is door Econsultancy nader onderzoek uitgevoerd naar huismus en vleermuizen: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4 (d.d. 20 oktober 2022). Uit de uitgevoerde onderzoeken is gebleken dat er zes huismusnesten aanwezig zijn in het oostelijk georiënteerde dak van de bebouwing. In het geval dat de nesten niet behouden kunnen blijven binnen de voorgenomen ingreep, is ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Het onderzoek naar vleermuizen heeft uitgewezen dat er een zomer- en paarverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis aanwezig is in de bebouwing. Deze verblijfplaats bevindt zich in de zuidwestelijk georiënteerde gevel, in een holte tussen een raamkozijn en de gevel. Indien werkzaamheden aan het raamkozijn uitgevoerd zullen worden zal dit een negatief effect hebben op de aanwezige verblijfplaats. Aangezien verblijfplaatsen van vleermuizen beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming dient in dat geval ontheffing te worden aangevraagd. Binnen de voorgenomen ingreep zullen zes nestlocatie van de huismus tijdelijk verloren gaan. Dit zal leiden tot overtreding van artikel 3.1 lid 2 van de Wet natuurbescherming. Om deze reden dient ontheffing te worden aangevraagd van de van toepassing zijnde verbodsbepaling.

Binnen de voorgenomen ingreep zal daarnaast een paar- en zomerverblijfplaats van de gewone dwergvleermuis verloren gaan. Bij de renovatie van het hoofdgebouw is het niet te voorkomen dat wegnemen, vernielen of beschadigen van de aangetroffen paar- en zomerverblijfplaats optreedt, waardoor artikel 3.5 lid 4 wordt overtreden. Het aanvragen van ontheffing van de Wet natuurbescherming is daarom noodzakelijk. Om ontheffing te verkrijgen dient een ecologisch activiteitenplan te worden opgesteld waarin de maatregelen worden vermeld die zullen worden genomen om negatieve effecten op de huismus en de gewone dwergvleermuis uit te kunnen sluiten. Het gaat hier bijvoorbeeld om het treffen van mitigerende maatregelen zoals het ophangen van huismus- en vleermuiskasten. Aanvullend hierop dienen enkele maatregelen te worden genomen om de functionaliteit van de onderzoekslocatie voor vleermuizen te behouden. Zo dient verlichting van de opening ten zuiden van het bijgebouw te allen tijde voorkomen te worden, om de functionaliteit van de vastgestelde vliegroute en de kraamverblijfplaats te bewaren. De benodigde werkwijze dient te worden vastgelegd in een ecologisch werkprotocol. Met betrekking tot algemene broedvogels wordt geadviseerd om het aanwezige groen uitsluitend buiten het broedseizoen te verwijderen.

Indien dit niet mogelijk is, dient voor de kap- en snoeiwerkzaamheden een broedvogelinspectie te worden uitgevoerd. Met betrekking tot algemene grondgebonden zoogdieren en amfibieën dient te allen tijde de zorgplicht in acht te worden genomen.

28

Conclusie Het voorliggende plan is uitvoerbaar voor het deel gebiedsbescherming. Voor wat betreft soortenbescherming dient gezien de ingrepen aan het bestaande pand, een ontheffing te worden verkregen in het kader van de Wet natuurbescherming. Er is reeds een ontheffing aangevraagd voor de zes huismusnesten en de zomer- en paarverblijfplaatsen van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor is een activiteitenplan opgesteld en zijn er nest- en vleermuiskasten opgehangen aan de zijgevel van het hoofdgebouw. Voor deze kasten geldt een minimale gewenningstijd van tussen de 3 en de 6 maanden. Voor paarkasten geldt een minimale gewenningstijd van 6 maanden in het actieve seizoen. Bovendien wordt bij de renovatie/vernieuwing van het dak rekening gehouden met broedplaatsen voor de huismus, waarbij de dakruimte toegankelijk blijft voor de huismus en zij ook voldoende grip hebben. Deze aanpassingen zorgen voor een meerwaarde ten opzichte van de huidige situatie. Tevens is de gemeente IJsselstein voornemens om extra, aanvullende mitigerende maatregelen te nemen, zoals tien nestkasten die primair bedoeld zijn voor de gierzwaluw, maar mogelijk ook door andere vogelsoorten gebruikt worden, zoals de huismus. Tevens is met de ontwikkelaar overeengekomen dat ook bij de voormalige gymzaal ruimte wordt gemaakt voor de huismus.

Ook is overeengekomen dat er meer ruimte wordt gecreëerd voor de vleermuis: er zal een grotere inbouw gerealiseerd worden door meerdere inbouwstenen bij elkaar te plaatsen. Door het aanbod aan verblijfsplaatsen te vergroten wordt een grote waarde gegenereerd in relatie tot het bestaande kraamverblijf. Verder wordt uitgegaan van een natuurinclusief ingerichte buitenruimte, waarbij diverse microhabitats worden gecreëerd door afwisselend gebruik te maken van bomen, vaste planten, heesters, kruidachtige planten en grassen. Daarnaast zal de bestrating grotendeels uit halfverharding bestaan, wat een positieve bijdrage zal leveren aan de biodiversiteit van de buitenruimte, waardoor een meerwaarde zal worden gerealiseerd ten opzichten van de huidige situatie. Op basis van de uitgevoerde onderzoeken in combinatie met de uit te voeren maatregelen uit het activiteitenplan en de extra aanvullende maatregelen, wordt verwacht dat de benodigde ontheffing van de Wet natuurbescherming verkregen zal worden. In dit verband is relevant dat in de regels een voorwaardelijke verplichting is opgenomen dat een omgevingsvergunning alleen mag worden verleend als voldoende vaststaat dat geen verstoring van gebouwbewonende vleermuizen of van huismusnesten plaats heeft, danwel dat daarvoor een ontheffing is verleend.

Wanneer de ontheffing van de Wet natuurbescherming is verleend en aan de overige voorwaarden wordt voldaan is het voorliggende bestemmingsplan uitvoerbaar wat betreft het aspect ecologie.

4.10 Water In het kader van het verkrijgen van een duurzaam watersysteem hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen in 2001 de Startovereenkomst Waterbeleid 21e eeuw (WB'21) ondertekend. Onderdeel van het nieuwe waterbeleid is de “watertoets”: de check van ruimtelijke plannen aan de gevolgen voor het watersysteem. Ruimtelijke plannen dienen een waterparagraaf te bevatten. Initiatiefnemers van ruimtelijke plannen moeten in een vroegtijdig stadium van het planvormingsproces de waterbeheerder(s) betrekken. De initiatiefnemer vraagt de waterbeheerder(s) om een wateradvies in de vorm van een watertoets. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van het overleg opgenomen. Op basis van de watertoets zal de waterbeheerder Keurontheffing en, indien nodig, een Wvo-vergunning (Wet verontreiniging oppervlaktewater) verlenen. Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:

• •

waterveiligheid; voldoende water;

29

• • •

gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringenswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het laatste thema betreft genieten van water.

Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur en uitvoeringsregels In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (2018) staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

Voor oppervlakken tot 500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied gelden algemene regels. Wordt er nieuwe verharding of uitbreiding van bestaande verharding aangebracht boven de gestelde ondergrens (500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied), moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. In de watervergunning worden hierover voorwaarden opgenomen. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. Watertoets Voor een bestemmingsplan is de watertoets wettelijk van toepassing. De watertoets is een procedure waarbij de initiatiefnemer in een vroeg stadium overleg voert met de waterbeheerder, Hoogheemraadschap

30

De Stichtse Rijnlanden, over het ruimtelijke planvoornemen. De watertoets heeft als doel 'het voorkomen van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen die in strijd zijn met duurzaam waterbeheer'. Planspecifiek Verhard oppervlak Een belangrijk deel van het plangebied is in de huidige situatie reeds verhard (bebouwing en verhardingen). In de nieuwe situatie neemt het verharde oppervlak niet toe. Doordat geen toename aan verharding plaats heeft van meer dan 500 m², is geen watercompensatie nodig. Waterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Bij het voorliggende plan is het voornemen om inflitratiekratten aan te brengen waar mogelijk. Er dient nog onderzocht te worden hoeveel dit er kunnen worden in verband met boomwortels, dit wordt nader uitgewerkt voor de omgevingsvergunning. Mogelijk is het nog wel nodig om een overstort aan te brengen op het gescheiden stelsel. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen.

Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Waterkeringen Een deel van het plangebied is in het geldende bestemmingsplan voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Deze gronden zijn bestemd voor het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering. Voor ontwikkelingen binnen de voor 'Waterstaat - Waterkering' bestemde gronden geldt dat vooraf schriftelijk advies bij de betreffende waterbeheerder ingewonnen moet worden. Met het voorliggende bestemmingsplan zal de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering' behouden blijven. Om aan de vraagde parkeereis te voldoen wordt er in de nabijheid van het plangebied aan de Vrouw Baertestraat een extra parkeerplaats aangelegd. Deze locatie is gelegen in een waterkering, waarvoor een zorgplicht geldt. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat er geen belemmeringen zijn voor het aspect water.

4.11 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied.

4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

31

Planspecifiek Het voorliggende plan ziet toe op de realisatie van maximaal 25 woningen. Aangezien het om het hergebruik van een bestaand pand gaat, waar voorheen ook een verkeersaantrekkende werking van uit ging, wordt ervan uit gegaan dat de bestaande infrastructuur toereikend is.

4.11.2 Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het onderzoeken en beschrijven van het effect van een beoogd nieuw project op het parkeren in en rondom het plangebied. Hierbij hanteert de gemeente IJsselstein het 'Parkeerbeleidsplan IJsselstein' (2006), zoals ook vastgelegd in het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein' (2018). Planspecifiek Voormalige parkeervraag binnen het plangebied Tot 2019 was het gebouw in gebruik als dependance van het Cals College. Het hoofdgebouw bestaat uit 12 klaslokalen. Op basis van de nog niet vastgestelde ‘Beleidsregel Parkeernormen en Parkeereisen IJsselstein’ (2021) kan worden uitgegaan van het gebiedstype ‘schil’ en van een parkeernorm van 0,8 parkeerplaats per klaslokaal. Uitgaande van 12 klaslokalen betreft de parkeervraag 9,6, afgerond 10 parkeerplaatsen. Op basis van de aanwezigheidspercentages betreft de bruto-parkeereis op het maatgevende moment (werkdag ochtend/middag) 10 parkeerplaatsen. Voor het berekenen van de nettoparkeereis in de toekomstige situatie kan daarom gesaldeerd worden met 10 parkeerplaatsen. Huidige situatie in de omgeving van de Meester Abbink Spainkstraat Door Goudappel is de parkeerdruk in de omgeving inzichtelijk gemaakt in de 'Notitie parkeeronderzoek IJsselstein' (d.d. 13 december 2021): zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5.

Hieruit blijkt dat op het drukste moment (de werkdagnacht) in het omliggende gebied sprake is van een parkeerbezetting van 86%. De minimale parkeerbezetting is gedurende de werkdagochtend en -middag 60%. Tot een parkeerbezetting van 85% is er sprake van een acceptabele parkeerbezetting. Dit betekent dat op de meeste momenten van de week, met uitzondering van de nachtperiode, er nog sprake is van restcapaciteit en dat het dus realistisch is dat gesaldeerd wordt met de bestaande situatie. Nieuwe situatie De gemeente IJsselstein heeft nieuwe parkeernormen in de 'Beleidsregel Parkeernormen IJsselstein' beschreven, dit is een concept stuk uit 2021. Op basis van deze beleidsregel kan de parkeernorm bepaald worden voor dit plan. Daarnaast zijn er in de beleidsregel ook mogelijkheden opgenomen waarmee afgeweken kan worden van het bepaalde in dit parkeerbeleid. Onderstaand wordt in de tabel aangeven wat de parkeernorm voor het voorliggende plan zou moeten zijn conform het parkeerbeleid. type woning huurhuis, vrije sector huurappartement, midden/goedkoop huurappartement, klein Totaal

aantal woningen 5 12

parkeernorm schil 1,6 1,1

totaal 8 13,2

8 25

0,6

4,8 26

Volgens bovenstaande tabel moet er bij het voorliggende plan 26 parkeerplaatsen worden aangehouden. Het algemene uitgangspunt bij ontwikkelingen is om de parkeerbehoefte zo veel mogelijk op eigen terrein te realiseren. Dat is in dit geval niet volledig mogelijk, mede omdat het een beeldbepalend pand betreft met een markante groene voorruimte, waardoor het niet wenselijk is om hier parkeerplaatsen op aan te leggen. In het voorliggende initiatief wordt dit als volgt ingevuld:

•

het initiatief voorziet in het toevoegen van 10 parkeerplaatsen aan de achterzijde van het pand (op eigen terrein), in het verlengde van de zes bestaande en te handhaven parkeerplaatsen;

32

•

er kan gesaldeerd worden met het voormalig gebruik, in de wijk worden er namelijk 10 parkeerplaatsen toegerend aan de school (10 parkeerplaatsen, waaronder de zes bestaande parkeerplaatsen);

•

er wordt één deelauto ingezet, wat een reductie met 5 parkeerplaatsen oplevert. Voor de deelauto wordt een nieuwe parkeerplaats aangelegd in de buitenruimte aan de voorkant van het gebouw, ter plaatse van de huidige ingang van het voormalige gymlokaal. De betreffende parkeerplaats zal worden aangeduid binnen de bestemming 'Groen'; voorts is met de gemeente overeengekomen dat 3 extra parkeerplaatsen in de omgeving worden toegevoegd. Er worden twee nieuwe parkeerplaatsen aangelegd aan de Heer Florisstraat bij de zijgevel van het gebouw. Ook wordt er één nieuwe parkeerplaats aangelegd aan de Vrouw Baertestraat: deze parkeerplaats is ook onderdeel van het voorliggende bestemmingsplan.

•

Situering parkeerplaatsen (bron gemeente IJsselstein, 14-12-2021) Op deze wijze zijn er (rekenkundig) 28 parkeerplaatsen beschikbaar en voldoet het initiatief aan de gestelde normen. Aangezien in de regels van het voorliggende bestemmingsplan is opgenomen dat aangetoond moet worden dat voldaan wordt aan de eis van voldoende parkeerplaatsen, waarbij ook is geregeld dat, voor zover op andere wijze in de nodige parkeer- of stallingruimte wordt voorzien, dit door de aanvrager van een omgevingsvergunning gemotiveerd dient te worden, bijvoorbeeld met een Mobiliteitsplan. Daarmee vormt het aspect 'parkeren' geen belemmering voor het voorliggende bestemmingsplan.

4.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren.

33

Milieuprestatie Gebouw (MPG) Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²). Beleidsplan Duurzaamheid In het Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein, Actualisatie Visiedocument IJsselstein Duurzaam (2016) wordt gestreefd naar toekomstbestendige gebouwen waar gekozen is voor duurzaamheid, flexibiliteit, multifunctionaliteit en een goed binnenklimaat (minimaal frisse scholen klasse C). Gedacht kan worden aan hoge plafonds, meer daglicht, energiezuinige systemen, hogere eisen aan ventilatie, verlichting en isolatie, zo min mogelijk dragende binnenmuren en het makkelijk kunnen splitsen en samenvoegen van ruimtes. Bovendien wordt voor alle nieuwe gebouwen uitgegaan van een score van minimaal GPR = 8. Planspecifiek Het voorliggende plan voorziet in diverse duurzaamheidsmaatregelen. De bestaande stalen kozijnen worden gerenoveerd en aan de binnenzijde voorzien van een hoogwaardig geïsoleerde voorzetramen (HR++). De begane grondvloeren en kruipruimten in de woningen worden verwijderd en vervangen voor een schuimbetonvloer met een zeer hoge isolatiewaarde. Alle daken en wanden worden aan de binnenzijde geïsoleerd.

De woningen worden verwarmd en gekoeld door een warmtepompsysteem. Voor wat betreft de ventilatie van de woningen wordt overwogen om warmte-terugwinunits te installeren waarmee een comfortabel binnenklimaat ontstaat. Aan de achterzijde van het schoolgebouw wordt het dak voorzien van PV-panelen. Naar verwachting leveren deze maatregelen een energielabel A++ per woning op. Gezien het bovenstaande kan geconcludeerd worden dat het voorliggende plan in lijn is met duurzaamheidsdoelstellingen.

34

5 Toelichting op de regels 5.1 Plansystematiek en opzet regels In dit bestemmingsplan wordt gebruikgemaakt van de landelijke richtlijn Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Er is qua plansystematiek zoveel mogelijk vastgehouden aan de systematiek zoals dat werd gehanteerd in het vigerend bestemmingsplan 'Binnenstad'. De regels zijn verdeeld over 4 hoofdstukken: Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Als er dubbelbestemmingen zijn worden die ook in dit hoofdstuk opgenomen. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels.

Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden en/of wijzigingsbevoegdheden opgenomen. Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels. Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.

5.2 Nadere toelichting op de bestemmingsregels De regels in dit bestemmingsplan zijn opgezet aan de hand van hetgeen hiervoor is beschreven. De regelingen zijn afgestemd op de regelingen van het bestemmingsplan 'Binnenstad eo'. In het plangebied komen de volgende bestemmingen, dubbelbestemmingen en gebiedsaanduiding voor: Wonen Aan een deel van het plangebied is de bestemming 'Wonen' toegekend. De hiervoor aangewezen gronden zijn bedoeld voor woningen, met aan huis verbonden bedrijven en aan huis verbonden beroepen. Er zijn ten hoogste 25 wooneenheden toegestaan. Voor het bestaande hoofdgebouw en het voormalig gymgebouw is middels een bouwvlak en de aanduiding 'maximum goothoogte (m), maximum bouwhoogte (m)' vooral de huidige situatie vastgelegd. Er mogen geen aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen buiten het bouwvlak worden gebouwd. Dit met uitzondering van een gezamenlijke berging van maximaal 20 m² en met een maximum bouwhoogte van 3 m.

35

Er is een voorwaardelijke verplichting opgenomen in het geval van werkzaamheden aan gevels en/of daken. Vast moet staan dat geen verstoring van gebouwbewonende vleermuizen of van huismusnesten plaats heeft, of dat daarvoor een ontheffing is verleend. Ook is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een uitschakelbare mechanische ventilatie. Verder is een sloopregeling opgenomen, waarbij geregeld is dat het verboden is om zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning, het hoofdgebouw geheel of gedeeltelijk te slopen. Sloop is alleen toelaatbaar indien is gebleken dat de wijzigingen niet leiden tot een onaanvaardbare aantasting van de aanwezige cultuurhistorische, kunsthistorische en ruimtelijke waarden. Hierbij wordt het Cultuurhistorisch onderzoek voor dit gebouw als uitgangspunt gehanteerd en is het oordeel van een cultuurhistorisch specialist relevant. Er wordt een uitzondering gemaakt voor de voormalige gymzaal en de verbindingsgang en voor een deel van de achtergevel van het hoofdgebouw. Ook voor normale onderhoudswerkzaamheden en vernieuwing van onderdelen van het hoofdgebouw is geen omgevingsvergunning vereist. In de 'Algemene gebruiksregels' is een bepaling opgenomen voor het parkeren. Voldaan moet worden aan de gestelde parkeernormen, maar er is ook de mogelijkheid om hier gemotiveerd van af te wijken.

Groen Het voorterrein en de zone aan de zijde van de Paardenlaan zijn voorzien van de bestemming 'Groen'. Deze gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding. Binnen deze bestemming wordt een parkeerplaats ten behoeve van de bestemming 'Wonen' gerealiseerd ; hiervoor is de aanduiding 'specifieke vorm van groen - parkeerplaats' opgenomen. Tevens zijn binnen deze bestemming nuts- en speelvoorzieningen en de bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en verhardingen toegestaan. Er mag slechts ten dienste van de bestemming worden gebouwd en er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, zoals lichtmasten, speeltoestellen e.d. Verkeer De extra te realiseren parkeerplaats aan de Vrouw Baertestraat is voorzien van de bestemming 'verkeer'. De regeling is ontleend aan die van het bestemmingsplan 'Binnenstad eo'. Water De watergang, die in het plangebied aanwezig is, is opgenomen binnen de bestemming 'Water'. Binnen deze bestemming gelden de gebruikelijke bouw- en gebruiksmogelijkheden. Zo zijn bruggen en duikers mogelijk en zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Waarde - Archeologie - 3 De aanwezige archeologische waarden worden middels deze dubbelbestemming beschermd.

Er is bodembewerking toegestaan zonder dat er archeologisch onderzoek is uitgevoerd indien minder diep dan 30 cm en een oppervlakte kleiner dat 20 m². Verder zijn werkzaamheden toegestaan als dat blijkt uit een archeologisch rapport. Het nog op te stellen aanvullende archeologische onderzoek voorziet hier in. Daarnaast is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor Burgemeester en wethouders om de dubbelbestemming te wijzigen of geheel of gedeeltelijk van de verbeelding te verwijderen. Waterstaat - Waterkering Waterkeringen hebben ter bescherming van de waterkering deze bestemming. In dit artikel is geregeld dat veel werkzaamheden binnen deze bestemming niet zonder omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden. Gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m' De regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Binnenstad eo', gericht op het veiligstellen van de vrije windvang. Gebiedsaanduiding 'Overige zone - archeologisch waardevol gebied 1' De regeling is overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Binnenstad eo', gericht op de bescherming en de veiligstelling van archeologische (verwachtings-)waarden.

36

6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het pand en omliggend terrein zijn in eigendom bij de gemeente IJsselstein. Op 5 oktober 2022 is een verkoopovereenkomst gesloten tot verkoop van dit eigendom aan de ontwikkelende partij en zijn zekerheden opgenomen over de transformatie tot woningen. Daarnaast heeft de Provincie Utrecht een bijdrage geleverd voor de begeleiding om tot verkoop te komen. Daarmee is het kostenverhaal verzekerd voor deze transformatie.

6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens daags na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

37

6.2.1 Participatie Ten behoeve van de onderhavige ontwikkeling wordt periodiek een nieuwsbrief uitgebracht. Zo is in augustus 2021 de Nieuwsbrief Herontwikkeling voormalige LTS mr. A. Spainkstraat verspreid, waarin het initiatief nader is toegelicht. Daarnaast is een klankbordgroep geformeerd die nauwgezet wordt betrokken bij de ontwikkelingen. Ook zal de Stichting Historische Kring IJsselstein worden geraadpleegd. Inloopbijeenkomst Op 18 oktober 2022 is een inloopbijeenkomst gehouden voor de buurt in het voormalige LTS-gebouw. Deze inloopbijeenkomst is matig bezocht, maar de reacties waren overwegend positief. In de bijlagen bij toelichting bijlage 6 is een samenvatting van deze inloopbijeenkomst opgenomen.

6.2.2 Vooroverleg en inspraak Ten behoeve van het wettelijk vooroverleg 3.1.1. Bro, is het bestemmingsplan toegezonden aan de volgende vooroverleginstanties:

• • • • • •

Provincie Utrecht Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden (HDSR) Veiligheidsregio Utrecht (VRU) Waterleidingbedrijf Vitens Stedin Rijksdienst voor Cultureel erfgoed Utrecht

Reacties Onderstaande worden de binnengekomen reacties van de van de vooroverleginstanties behandeld. HDSR wateradvies De gevolgen van dit plan voor water zijn klein omdat het vooral gaat om een interne renovatie. Er zijn twee aandachtspunten bij het plan: a. Kans om het gebouw af te koppelen en regen water te infiltreren. Klimaat verandert en we krijgen steeds meer te maken met extreme buien en lange periodes van droogte. Volgens onze gegevens is het plangebied nu nog aangesloten op het gemengde rioleringsstelsel. Wij adviseren om het hemelwater af te koppelen en te infiltreren in de bodem (40 mm). En uitgebreider te beschrijven in de toelichting hoe dat gaat gebeuren. b. Aanleg van een parkeerplaats in de waterkering (betreft parkeerplaats Vrouw Baertestraat). Via hdsr.nl/vergunningen is te controleren of voor deze activiteit een vergunning/ melding moet worden gedaan of dat het onder de zorgplicht valt. De gevolgen voor de waterkering van de aanleg van de parkeerplaats moet nog beschreven worden in het bestemmingsplan. Beantwoording Ad a. De ontwikkelaar geeft aan dat er inflitratiekratten worden aangebracht. I.v.m. de boomwortels dient nog onderzocht te worden hoeveel dit er kunnen zijn en waar ze exact gaan komen. Dit wordt bij de omgevingsvergunning mee uitgewerkt. Voorgesteld wordt dat dit bijvoorbeeld in de voortuin gebeurt, daar waar nu geen bomen staan.

Uiteindelijk wordt geprobeerd te bergen wat er wordt aanbevolen, maar dat is afhankelijk van de beschikbare ruimte en realisme qua kosten. Dit is in lijn met hetgeen door de ontwikkelaar bij de aanbesteding is aangegeven. Dit zullen we in de bestemmingsplantoelichting vermelden. Mogelijk dat er nog wel een overstort aangebracht moet worden op het gescheiden stelsel.

38

Ad b. Raadpleging van hdsr.nl/vergunningen leert dat er een zorgplicht geldt. We nemen dit mee op in het ontwerpbestemmingsplan. Stedin Stedin heeft gevraagd naar gegevens ten behoeve van aansluiting en eventueel plaatsen van een netstation. Beantwoording Stedin is in contact gebracht met de ontwikkelaar, omdat aanpassingen vooral betrekking hebben op eventuele aanpassingen als gevolg van de transformatie. Provincie Utrecht Van de provincie Utrecht is (5-12-2022) geen reactie ingekomen. Veiligheidsregio Utrecht (VRU) Van de Veiligheidsregio is (5-12-2022) geen reactie ingekomen. Rijksdienst voor Cultureel erfgoed Utrecht Van de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed Utrecht is (5-12-2022) geen reactie ingekomen.

6.2.3 Zienswijzen en ambtshalve aanpassingen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf donderdag 2 maart tot en met 12 april 2023 ter inzage gelegen. Gedurende deze inzagetermijn kon een ieder een mondelinge of schriftelijke zienswijze indienen. Gedurende die periode is één zienswijze ingekomen. Het betreft een reactie van de Veiligheidsregio Utrecht. Deze is hieronder samengevat en van een gemeentelijke reactie voorzien. Zienswijze Veiligheidsregio Utrecht (ingekomen 24 maart 2023) Veiligheidsregio Utrecht (VRU) geeft aan dat het plangebied binnen het invloedsgebied van de Baronieweg (op 280 meter) ligt, waarover vervoer van gevaarlijk stoffen plaatsvindt met een invloedsgebied van 355 meter. In de toelichting is deze risicobron niet beschreven. Voor deze risicobron wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van de Baronieweg, dient het groepsrisico verantwoord te worden. Omdat het plangebied buiten de 200 meter ligt van de Baronieweg volstaat een beperkte verantwoording. VRU gaat in dat kader in op de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het plangebied. In dat verband adviseert VRU om: 1. 2. 3.

Indien mechanische ventilatie is voorzien, te zorgen dat deze op een gemakkelijk te bereiken plek uitgeschakeld kan worden. Toekomstige bewoners te informeren over wat te doen in het geval van een ongeval waarbij toxische stoffen vrijkomen. Aandacht te besteden in het ontwerp aan hoe woningen op een gemakkelijke wijze ontvlucht kunnen worden door de bewoners.

Reactie gemeente: de toelichting wordt op dit punt aangevuld, waarbij de genoemde punten ten aanzien van bereikbaarheid, bluswatervoorzieningen en zelfredzaamheden worden vermeld. Verder is in de regels een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een uitschakelbare mechanische ventilatie. Bij de verdere uitwerkingen wordt daar ook rekening mee gehouden. Ambtshalve aanpassingen Er is in de bestemming 'Wonen' een extra bepaling opgenomen, waardoor de sloop van cultuurhistorisch waardevolle bebouwing enkel onder voorwaarden mogelijk is. Ook is de toelichting paragraaf 4.9 Ecologie inhoudelijk aangevuld op de laatste stand van zaken.

39

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13110878/1