CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

AA3a Bestemmingsplan Abbink Spainkstraat toelichting

Commissie Ruimte 12 september 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 21:10 uur Raadsvoorstel vaststelling bestemmingsplan Abbink Spainkstraat 3615.494 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

bestemmingsplan

Meester Abbink Spaink 36 Gemeente IJsselstein

Planstatus:

vastgesteld

Plan identificatie:

NL.IMRO.0353.MrAbbinkSpaink36-Va01

Datum:

9 augustus 2023

Kenmerk Buro SRO:

SR210145

Opdrachtgever:

Gemeente IJsselstein

Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl

2

Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied............................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 6 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 6

2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 7 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 7 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9

3 Beleid ..................................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 16

4 Milieu- en omgevingsaspecten ............................................................................................................. 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 20 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 21 4.4 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 22 4.5 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 23 4.6 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 24 4.7 Cultuurhistorie ..................................................................................................................................................

25 4.8 Archeologie ....................................................................................................................................................... 26 4.9 Ecologie ............................................................................................................................................................. 26 4.10 Water .............................................................................................................................................................. 29 4.11 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 31 4.12 Duurzaamheid ................................................................................................................................................. 33

5 Toelichting op de regels ........................................................................................................................ 35 5.1 Plansystematiek en opzet regels ....................................................................................................................... 35 5.2 Nadere toelichting op de bestemmingsregels................................................................................................... 35

6 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 37 6.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 37 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 37 Bijlagen: Bijlage 1. lts - Ruimtelijke kaders 26-05-2021 Bijlage 2. Verkennend bodemonderzoek 17-06-2021 Bijlage 3. Quickscan Wet natuurbescherming 04-05-2021 Bijlage 4. Aanvullend vleermuis- en huismusonderzoek 10-2022 Bijlage 5. Notitie parkeeronderzoek IJsselstein 13-12-2021 Bijlage 6. Verslag burgerparticipatie transformatie MR Abbink Spainkstraat 36

3

1 Inleiding 1.1 Aanleiding In de karakteristieke wederopbouwwijk Nieuwpoort, gelegen ten zuidoosten van de historische binnenstad van IJsselstein, is aan de Meester Abbink Spainkstraat 36-38 de voormalige Lagere Technische School gelegen. Door de jaren heen heeft het markante gebouw meerdere functies gehad. Op dit moment staat het gebouw leeg. De gemeente IJsselstein heeft het voornemen om deze locatie te transformeren. Hiertoe is het document 'Voormalige lts - Ruimtelijke kaders' (Team Ruimte en Projecten, mei 2021) opgesteld, waarin eisen, uitgangspunten en kaders zijn geformuleerd voor de beoogde transformatie. De gemeente IJsselstein heeft middels een aanbestedingsprocedure een partij gevonden die met een plan binnen deze kaders een invulling geeft aan de voormalige LTS. Met dit plan wordt de voormalige Lagere Technische School getransformeerd naar een wooncomplex met in totaal maximaal 25 woningen. De beoogde ontwikkeling past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan ‘Binnenstad eo’, waarin de gronden de bestemming 'Maatschappelijk' hebben. Om de beoogde transformatie mogelijk te maken is een nieuw bestemmingsplan vereist. Het voorliggende bestemmingsplan voorziet daar in en heeft als doel een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader te bieden om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken.

1.2 Ligging plangebied De planlocatie bevindt zich in de wijk Nieuwpoort, gelegen ten zuidoosten van de historische binnenstad van IJsselstein. Het gebouw is gelegen aan de Mr. Abbink Spainkstraat 36-38 en grenst aan de oostzijde aan de Paardenlaan. Tevens maakt een beoogde parkeerplaats aan de Vrouw Baertestraat deel uit van het voorliggende bestemmingsplan. Aan de zuidwestzijde van het gebouw bevinden zich eigentijdse woningen aan de Heer Arendstraat. Aan de west- en noordzijde wordt het gebouw omgeven door de oorspronkelijke woningen van de wijk Nieuwpoort. Deze wijk is de eerste nieuwbouwwijk van IJsselstein uit de wederopbouw en is qua bouwstijl en verkaveling typerend voor de periode 1940-1960. Direct ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een watergang met een langzaamverkeersverbinding (Paardenlaan). Daarachter ligt het Ewoud Woonzorgcentrum, met bebouwing tot vijf bouwlagen. Het betreft de kadastrale percelen gemeente IJsselstein, sectie C, percelen 1941 en 1934 (deels) en een locatie aan de Vrouw Baertestraat sectie C, perceel 2171 (deels). Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 2.500 m². De navolgende afbeeldingen geven de situering en begrenzing van het plangebied weer.

4

Situering plangebied in IJsselstein (rode cirkel, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

Begrenzing plangebied (rode omkadering, bron: ruimtelijkeplannen.nl)

5

1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de grenzen van het bestemmingsplan 'Binnenstad eo'. Dit bestemmingsplan is op 4 juli 2013 door de gemeenteraad van IJsselstein vastgesteld. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.

Uitsnede verbeelding bestemmingsplan 'Binnenstad eo': plangebied blauw omlijnd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)

De gronden in het plangebied hebben de bestemming 'Maatschappelijk'. Er zijn maatschappelijke voorzieningen toegestaan: educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele, zorg-, welzijns- en levensbeschouwelijke voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van sport en sportieve recreatie, voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, alsook ondergeschikte detailhandel en horeca ten dienste van deze voorzieningen. Binnen het bestemmingsvlak 'Maatschappelijk' is een bouwvlak aangeduid ter grootte van de bestaande bebouwing. Deels geldt een maximum goothoogte van 13 m en deels van 7 m. Het bestemmingsplan is tevens voorzien van de gebiedsaanduiding 'wro-zone - wijzigingsgebied 2'. Daarmee is het toegestaan om middels een wijzigingsplan wonen en zorgwonen mogelijk te maken binnen de bestemming 'Maatschappelijk', indien er wordt voldaan aan de parkeernormen van de gemeente IJsselstein. De locatie van de beoogde extra parkeerplaats aan de Vrouw Baertestraat heeft in het bestemmingsplan 'Binnenstad eo' de bestemming 'Groen', bedoeld voor met name groenvoorzieningen, bermen en beplanting. Binnen deze bestemming zijn uitsluitend parkeervoorzieningen ten behoeve van de groenbestemming toegestaan. Verder zijn de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie - 3' en de gebiedsaanduidingen 'archeologisch waardevol gebied 1' en 'vrijwaringszone - molenbiotoop 400 m' van kracht.

Hiermee worden de archeologische waarden beschermd en in standgehouden en wordt de molenbiotoop veiliggesteld.

1.4 Leeswijzer Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Hoofdstuk 2 geeft een overzicht van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden waaraan het plan moet voldoen. Hoofdstuk 3 beschrijft de bestaande en toekomstige situatie. Het volgende hoofdstuk (hoofdstuk 4) bevat de milieu- en de omgevingsaspecten van het plan. De toelichting besluit met hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6).

6

2 Planbeschrijving 2.1 Huidige situatie De planlocatie betreft de voormalige Lagere Technische School (LTS) aan de Meester Abbink Spainkstraat 36-38 in IJsselstein, alsmede een locatie aan de Vrouw Baertestraat waarop een extra parkeerplaats wordt beoogd. Het gebouw is in 1958-’59 gebouwd naar een ontwerp van architect A.P. van den Brink. Het gebouw met 12 leslokalen was tot 1988 in gebruik als LTS. Vervolgens heeft het door de jaren heen meerdere functies gehad, waarbij het van 2014 tot 2019 in gebruik is geweest als dependance van het Cals College. Op dit moment is het gebouw niet meer dusdanig in gebruik en is het leegstaand.

LTS omstreeks 1960 (bron: beeldbank HKIJ, uit: 'Voormalige lts - Ruimtelijke kaders', mei 2021)

7

Kunstwerk noordelijke zijgevel (bron: beeldbank HKIJ, uit: 'Voormalige lts - Ruimtelijke kaders', mei 2021)

De bebouwing binnen het plangebied omvat een hoofdgebouw bestaande uit drie bouwlagen met een kap en met een totale bruto vloeroppervlakte van 1.450 m². Aan het hoofdgebouw is een bijgebouw aangebouwd met een oppervlakte van 700 m². Het bijgebouw bestaat uit één bouwlaag met een flauwe kap. Het bijgebouw betreft een gymzaal. Door de gemeente IJsselstein is de cultuurhistorische waarde van de bebouwing inzichtelijk gemaakt. De school is van belang als voorbeeld van een naoorlogse gangschool en wegens de samenhang tussen exterieur en interieur. Karakteristiek voor dit destijds zeer gangbare gebouwtype zijn de lokalen langs een gang en de geaccentueerde hoofdingang met erachter een centraal trappenhuis. Het gymnastieklokaal werd later als specifieke functie in een afzonderlijke vleugel ondergebracht. De architectuur kenmerkt zich door bakstenen gevels en pannen zadeldaken. De lange gevels van het hoofdgebouw en de dwarsvleugel (gymgebouw) zijn asymmetrisch ingedeeld met kleine en grote vensterpartijen. In het hoofdgebouw resteren de kenmerkende gangstructuur met centraal trappenhuis en diverse oorspronkelijke afwerkingen van vloeren, wanden en trappen. Het exterieur van het hoofdgebouw en de dwarsvleugel zijn relatief gaaf behouden gebleven. Opvallend aan het schoolgebouw is de bijzondere toepassing van beeldende kunst op de kopgevels van het hoofdgebouw.

Het bestaat uit siermetselwerk in een patroon van ruiten en driehoeken in verschillende metselverbanden en variërende kleuren baksteen, al dan niet geglazuurd. In de noordelijke zijgevel, richting de woonwijk, zijn in het patroon van het siermetselwerk keramische mozaïeken opgenomen. Verder bestaat het plangebied uit een groene voorruimte bestaande uit gras en enkele waardevolle bomen en een muurtje op de overgang met het openbaar gebied. Aan de achterzijde, aan de zijde van de Heer Arendstraat, zijn zes parkeerplaatsen op eigen terrein aanwezig. Vanuit stedenbouwkundig oogpunt is het gebouwenensemble bestaande uit hoofdgebouw, een ondergeschikt bijgebouw en de voorruimte waardevol. Gelet hierop dient de cultuurhistorische waarde behouden te blijven, ondanks dat het plangebied niet de status van een gemeentelijk monument kent.

8

De navolgende afbeelding toont een aanzicht van het plangebied vanaf de Meester Abbink Spainkstraat.

Aanzicht huidige situatie vanaf de Meester Abbink Spainkstraat (bron: 'Voormalige lts - Ruimtelijke kaders', mei 2021)

2.2 Toekomstige situatie Het voorgenomen plan betreft de herontwikkeling van de voormalige Lagere Technische School. Bij de beoogde herontwikkeling zullen de karakteristieke elementen van het bestaande gebouw behouden blijven. Door de gemeente IJsselstein is in de notitie 'Voormalige lts - Ruimtelijke kaders' (Team Ruimte en Projecten, mei 2021: zie bijlagen bij toelichting, bijlage 1) een kader geboden waarin enkele uitgangspunten worden geschetst. 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.

8.

Behoud ensemblewerking hoofdgebouw, groen ingerichte voorruimte met bestaande bomen en het tuinmuurtje als erfafscheiding; Behouden groene karakter en bestaande bomenstructuur aan waterzijde (zijde Paardenlaan); Intact laten van de voorgevel (inclusief kozijnen) en de beide zijgevels van het hoofdgebouw; Intact laten kunstwerken in zijgevels; Eventuele ingrepen aan de achtergevel van het hoofdgebouw dienen passend te zijn bij de architectonische vormgeving van het gebouw en de ruimtelijke context; In het bijgebouw is naast de woonfunctie ook een maatschappelijke functie toegestaan; Realiseren van een passende parkeeroplossing aan de achterzijde van het hoofdgebouw (Heer Arendstraat); zodat de voorruimte in de huidige staat behouden blijft. De bestaande haaksparkeerplaatsen aan de achterzijde (direct ten oosten van de Heer Arendstraat) mogen meegerekend worden aangezien deze toebedeeld kunnen worden aan de voormalige schoolfunctie; Er moet voldaan worden aan de gemeentelijke parkeernorm conform de ’Beleidsregel Parkeernormen IJsselstein’.

Voor de invulling van het bestaande bijgebouw zal in de verdere planuitwerking een invulling worden gezocht. Hierbij zijn twee mogelijkheden denkbaar, namelijk het slopen van het bijgebouw of dat het bijgebouw gehandhaafd blijft. Indien het bijgebouw niet gehandhaafd blijft gelden de volgende uitgangspunten:

•

mag de terug gebrachte bouwmassa, footprint en hoogte, niet meer zijn dan de oorspronkelijke massa van het bijgebouw;

•

is een nieuwe eenvoudige massaopbouw, bestaande uit maximaal anderhalve bouwlaag met zadeldak waardoor de bouwmassa ondergeschikt blijft aan het hoofdgebouw (maximale goothoogte 5,5 meter en maximale bouwhoogte 8,5 meter), uitgangspunt;

9

• •

moet de oriëntatie van de nieuw bouwmassa conform huidige oriëntatie zijn;

•

dienen eventuele achtertuinen gepositioneerd te worden aan de waterzijde waarbij de tuinen landschappelijk zijn ingepast (met behoud van bestaande bomen);

•

dient de voorzijde van de woningen te grenzen aan de gezamenlijk openbare ruimte (dus geen afzonderlijke voortuinen). Ruimte dient zorgvuldig vormgegeven en afgestemd te worden op de bestaande voorruimte;

•

dient de verschijningsvorm te passen bij de wederopbouwarchitectuur in Nieuwpoort en het hoofdgebouw (bijvoorbeeld middels een eigentijdse vertaling van de Delftse School).

is de positionering van de nieuwe bouwmassa op beperkte afstand van het hoofgebouw om het doorzicht op de achterliggende eigentijdse woningen (Heer Arendstraat) te beperken;

De hierboven genoemde randvoorwaarden zijn weergegeven op de navolgende afbeelding.

Uitgangspunten (bron: 'Voormalige lts - Ruimtelijke kaders' , d.d. mei 2021)

Programma Het ensemble is thans niet meer geschikt voor een school en de behoefte aan extra ruimte voor maatschappelijke functies is beperkt. Daarnaast leent het ensemble, mede door de moeilijke toegankelijkheid van het hoofdgebouw voor mindervaliden, zich minder voor het gebruik als maatschappelijke functie. Gezien de behoefte aan woningbouw lijkt een transformatie naar een woonfunctie, waarbij de voorkeur uitgaat naar een invulling met (kleine) appartementen, dan ook de meest voor de hand liggende en wenselijke functie. De ruimtelijke kaders zijn nader uitgewerkt in een concreet plan dat uit de aanbesteding als beste is beoordeeld. Dat plan voorziet in de realisatie van 25 (levensloopbestendige) woningen, met name gericht op senioren. De voorgenomen ontwikkeling wordt gerealiseerd in de bestaande constructieve structuur van het gebouw. Dit zorgt voor flexibiliteit naar de toekomst zonder dat het gebouw qua uitstraling hoeft te veranderen. Hierbij kunnen woningen eventueel ook breder ingezet worden bij een gewijzigde vraag. Er is hiervoor op 5 oktober 2022 een verkoopovereenkomst getekend tussen gemeente en ontwikkelaar. Dit betekent dat voor de herontwikkeling van de gronden in het voorliggende bestemmingsplan uitgegaan wordt van maximaal 25 woningen.

10

Parkeren Op eigen terrein wordt uitgegaan van het realiseren parkeren aan de achterzijde van het hoofdgebouw, aan de zijde van de Heer Arendstraat, zodat de voorruimte in de huidige staat behouden blijft. Voor wat betreft het parkeren dient te worden voldaan aan de gemeentelijke parkeernormen. Indien daar van afgeweken wordt, dient dat door de aanvrager van een omgevingsvergunning gemotiveerd te worden. Dit komt nader aan bod in toelichting paragraaf 4.11.2. Overigens mag (een deel van) het parkeren volgens het huidige gebruik in de omgeving verondersteld worden. Het voormalige gebruik als schoolgebouw met 12 leslokalen ging gepaard met een parkeerbehoefte van 10 parkeerplaatsen. In dat verband is de parkeerdruk in dit deel van IJsselstein onderzocht. Uit de 'Notitie parkeeronderzoek IJsselstein' (Goudappel, d.d. 13 december 2021, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5) blijkt dat op het drukste moment (de werkdagnacht) in het omliggende gebied sprake is van een parkeerbezetting van 86%. Bij een dergelijk percentage is sprake van een 'acceptabele parkeerbezetting'. Dit betekent dat op de meeste momenten van de week, met uitzondering van de nachtperiode, er nog sprake is van een zekere restcapaciteit.

11

3 Beleid 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de bovenals de ondergrond. Planspecifiek Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder sterke en gezonde steden en regio's. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Voortaan moeten gemeenten bij het vaststellen van bestemmingsplannen, wijzigingsplannen en uitwerkingsplannen rekening houden met het Barro. Doel van het Barro is bepaalde onderwerpen uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte te verwezenlijken. In het Barro wordt een aantal projecten die van Rijksbelang zijn met name genoemd en exact ingekaderd. Per project worden vervolgens regels gegeven, waaraan bestemmingsplannen zullen moeten voldoen. Het nationale belang dat het stellen van regels voor deze onderwerpen rechtvaardigt, is vastgelegd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Toetsing Het plan valt niet binnen één van de projecten aangewezen in het Barro. Daarnaast is het plan dusdanig klein van schaal dat het niet van nationaal belang is. Vanuit het Barro zijn er dan ook geen specifieke randvoorwaarden voor dit plan.

3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.

12

De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Toetsing Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De voorgenomen transformatie maakt planologisch maximaal 25 woningen mogelijk en wordt daarom aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling. Behoefte Allereerst wordt beoordeeld of de beoogde ontwikkeling voorziet in de behoefte. Dit is verplicht om de nieuwe stedelijke ontwikkeling af te stemmen op de actuele behoefte en de wijze waarop in die behoefte wordt voorzien ook regionaal af te stemmen. Het voorliggende bestemmingsplan maakt wonen mogelijk. Voor wat betreft de beschrijving van de regionale behoefte aan woningbouw wordt gebruik gemaakt van de Woningmarktmonitor van de provincie Utrecht. Voor de regio Utrecht, waar IJsselstein onderdeel van uitmaakt, wordt hierin uitgegaan van een kwantitatieve woningbehoefte van ruim 30.000 woningen tot en met 2028.

Ten aanzien van de kwalitatieve woningbehoefte blijkt uit de Woningmarktmonitor dat er tot en met 2030 behoefte is aan ca. 13.000 woningen in kleinstedelijke woonmilieus. Het plangebied wordt tot dit type woonmilieu gerekend. Voor de beschrijving van de lokale behoefte aan woningbouw wordt gebruik gemaakt van de recente analyse van de woningmarkt in IJsselstein, die is uitgevoerd ten behoeve van de te actualiseren gemeentelijke woonvisie (zie toelichting paragraaf 3.3.2). In deze analyse wordt uitgegaan van een kwantitatieve woningbehoefte van 630 woningen tot 2030. Stedelijk gebied Met het voorgenomen initiatief heeft transformatie plaats van een voormalig schoolgebouw. De planlocatie is gelegen in de kern van IJsselstein en maakt reeds onderdeel uit van het bestaand stedelijk gebied. Kwalitatief vindt een impuls plaats met de ontwikkeling naar woningbouw, waarbij een leegstaand pand wordt herontwikkeld en de cultuurhistorische waarden van het ensemble veiliggesteld worden. Conclusie Gezien voorgaande kan gesteld worden dat de ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.

13

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek De provincie kiest er in algemene zin voor om de algemene ruimtevraag voor wonen en werken op een duurzame wijze te accommoderen door middel van binnenstedelijke ontwikkelingen. Daarbij is aandacht voor bereikbaarheid, klimaatadaptatie, energietransitie, gezondheid en inclusiviteit van belang.

In onderhavig geval wordt met de transformatie van een voormalig schoolgebouw ten behoeve van een woonfunctie goed gebruikgemaakt van bestaand stedelijk gebied net buiten het centrum van IJsselstein. Daarnaast wordt er met het voorliggende plan rekening gehouden met klimaatadaptatie en duurzaamheid. De belangrijkste factor hierbij is het behoud van het bestaande pand. De duurzaamheideisen bij een nieuwe invulling, die moeten voldoen aan de geldende wet- en regelgeving, liggen immers hoger dan de eisen die van toepassing zijn op het bestaande gebruik van de school. Dit leidt automatisch tot een verduurzaming. Zo wordt de toepassing voorzien van duurzame materialen, goede isolatie en duurzame installaties. Verder wordt door behoud sloop en daarmee samenhangende afvalstromen voorkomen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie provincie Utrecht.

14

3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.

De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Volgens kaart 19 van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht blijkt dat het plangebied gelegen is in het Stedelijk gebied. Hiervoor geldt Artikel 9.15 Instructieregel verstedelijking: 1. 2.

3.

Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; Een motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan.

Het plangebied is volgens kaart 19 van de Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht gelegen binnen het stedelijk gebied. In die zin wordt er voldaan aan lid 1 van artikel 9.15. Artikel 9.15 stelt dat een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen stedelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking en voor woningbouw. Er kan gesteld worden dat de beoogde ontwikkeling binnen het plangebied toegestaan is volgens de Interim Omgevingsvisie provincie Utrecht.

15

3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie 2025 De Toekomstvisie 2025 is op 21 januari 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. De leidende visie is hierin als volgt geformuleerd: IJsselstein Dichtbij: stad waar inwoners en ondernemers zich mee verbonden voelen. Na jaren van planmatige en fysieke groei, heeft IJsselstein een omvang en regionale verzorgingsfunctie bereikt die een voldoende basis is om op voort te borduren en kwalitatief verder uit te werken. Deze richting vertaalt zich in een viertal doelen die voor IJsselstein Dichtbij 2025 zijn geformuleerd: a.

b.

c.

d.

Een vitale samenleving van bewoners en ondernemers: dit doel heeft betrekking op de verbondenheid van IJsselsteiners met elkaar. De gemeente wil deze kwaliteit van de stad behouden omdat het zorgt voor een gezonde samenleving. Herkenbare historische en ruimtelijke structuren: de gemeente IJsselstein wil de kenmerkende historie van de stad en het groene buitengebied voor 2025 verder versterken. De gemeente richt zich daarbij op versterking van de ruimtelijke structuur waarbij de historie en het groen meer tot uitdrukking komen als beeldbepalend voor de stad. Dichtbij groen en de stedelijke omgeving: de bevolking van de gemeente IJsselstein is sterk gericht op het groene gebied de Lopikerwaard. IJsselstein hoort vooral bij het Groene Hart en samenwerking met nabije gemeenten is hierbij belangrijk. Door deze samenwerking liggen er kansen om meerwaarde te creëren in het regionale voorzieningenaanbod. Een duurzame samenleving en duurzame omgeving: in 2025 wil de gemeente IJsselstein koploper zijn als het gaat om duurzaamheid. De gemeente geeft op drie manieren invulling aan het begrip duurzaamheid. Het krijgt een plek in het sociale beleid, de fysieke inrichting van de stad en de lokale economie.

Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt een nieuwe invulling gegeven aan het gebouw van de voormalige LTS aan de Meester Abbink Spainkstraat 36. De bebouwing binnen het plangebied is kenmerkend voor wederopbouwwijk Nieuwpoort door aanwezigheid van karakteristieke elementen. Het voorgenomen plan voorziet in de transformatie van het hoofdgebouw met behoud van de karakteristieke elementen aan het hoofdgebouw, de groen ingerichte voorruimte met bestaande bomen en het tuinmuurtje als erfafscheiding. Hiermee wordt een beeldbepalend element binnen IJsselstein behouden. Geconcludeerd wordt de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Toekomstvisie 2025. 3.3.2 Woonvisie 2019 - 2030 De gemeenteraad van de gemeente IJsselstein heeft de Woonvisie 2019 – 2030 vastgesteld op 4 juli 2019. In de Woonvisie 2019 – 2030 legt de gemeente IJsselstein de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vast. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna richting 2030. De doelen uit de woonvisie zijn uitgewerkt in een vijftal pijlers: 1. 2. 3. 4. 5.

Evenwichtige bevolkingsopbouw vraagt extra groei Gevarieerde en bereikbare woonmilieus Voorkomen verdringing kwetsbare groepen op de woningmarkt Toekomstbestendige en duurzame wijken Langer thuis wonen ondersteunen

Om invulling te geven aan de hierboven genoemde pijlers zijn de doelen uitgewerkt naar beleid. Dit is door de gemeente IJsselstein gedaan aan de hand van een aantal thema's waarop beleidssturing mogelijk is. De drie thema's zijn: • Passend kwalitatief woningbouwprogramma

• •

Aanpak bestaande woningvoorraad Aanpak voor langer zelfstandig wonen

16

De woonvisie wordt ten uitvoer gebracht via een tweejaarlijks uitvoeringsprogramma. Dit programma vormt de leidraad bij de activiteiten die de gemeente oppakt. Tweejaarlijks monitort en actualiseert de gemeente het programma. Daarbij wordt nagegaan in welke mate de gestelde doelen zijn bereikt en of actuele ontwikkelingen vragen om bijstelling van de uitvoering, gericht op het bereiken van de doelen. Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt een leegstaand gebouw binnen het plangebied herontwikkeld. Met het voorliggende plan worden er woningen gerealiseerd. Dit draagt bij aan de leefbaarheid van de buurt. Voor wat betreft het wonen zet de gemeente tot 2030 in op het realiseren van minimaal 2.500 woningen, met het doel het inwonertal minimaal te laten groeien en te komen tot een meer evenwichtige bevolkingsopbouw. De beoogde ontwikkeling is niet in strijd met de Woonvisie 2019 – 2030 en vindt aansluiting bij verschillende onderdelen uit de visie.

3.3.3 Welstandsnota IJsselstein De Welstandsnota 2013 is op 19 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein. Op grond van deze nota kan het plangebied worden aangemerkt als 'woongebieden' Voor het initiatief zijn onder andere de volgende criteria relevant:

•

Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande architectuur en de architectuur van naastgelegen panden. Bestaande gevelritmes, goothoogten en nokhoogten in hoofdzaak respecteren.

• • •

Gevelindeling en -opbouw evenwichtig en samenhangend.

•

Aanpassingen mogen, in overleg, ook op een eigentijdse wijze gebeuren en mits van een hoog niveau. Toevoegingen zoals een schotelantenne, een airco-unit of andere (technische) installaties o.i.d. zijn toegestaan, mits passend bij de beeldkwaliteit van het bouwwerk.

•

Op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel. Bij individuele woningbouw (veelal vrijstaand, tweekappers of korte rijen): behoud van het individuele karakter van de afzonderlijke panden of series van panden, zonder dat dit afsteekt tegen de omgeving.

•

Bij een toevoeging blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd.

•

Andere, niet oorspronkelijke materialen (zoals kunststof), zijn toegestaan voor kozijnen, ramen, betimmeringen met behoud van bestaande indeling.

Planspecifiek De gemeente IJsselstein heeft ten behoeve van de beoogde herontwikkeling van de gronden binnen het plangebied een programma van eisen opgesteld in de notitie 'Voormalige lts - Ruimtelijke kaders' (Team Ruimte en Projecten, mei 2021). Sterk wordt ingezet op het behoud van de karakteristieke onderdelen van zowel interieur als exterieur en op het behoud van het ensemble van hoofdgebouw, groen ingerichte voorruimte met bestaande bomen en het tuinmuurtje als erfafscheiding. Het voorliggende plan is opgesteld in lijn met de notitie Ruimtelijke kaders en zal daarmee voldoen aan het aspect welstand/beeldkwaliteit.

3.3.4 Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein Het Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein is op 9 juni 2016 door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein vastgesteld. Eind 2015 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen om de Klimaatverklaring (Parijsverklaring) te ondertekenen.

17

Door ondertekening van de klimaatverklaring heeft de gemeente zich gecommitteerd te werken aan de volgende hoofdambitie: 1. 2.

In 2050 is IJsselstein klimaatneutraal In 2030 is de gemeentelijke organisatie CO2 neutraal

In het beleidsplan zijn voor de thema’s wonen en verkeer en het jaartal 2020 de volgende relevante doelstellingen opgenomen:

• •

besparing gasverbruik met 1,5% per jaar; 8% duurzame energie lokaal opgewekt tegenover 2% nu, waaronder: o vertienvoudiging zonne-energie o verdubbeling adressen met zonnepanelen;

• • •

alle nieuwe gebouwen zijn (bijna) energieneutraal (EPC ≤ 0,2); alle nieuwe gebouwen worden duurzaam gebouwd en hebben een score minimaal GPR = 8 het gebruik van het aantal deelauto’s is met 20% toegenomen ten opzichte van 2016;

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan het Beleidsplan Duurzaamheid. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar toelichting paragraaf 4.12.

18

4 Milieu- en omgevingsaspecten 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• • •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden; De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit bestemmingsplan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. Er worden namelijk maximaal 25 woningen gerealiseerd. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; b. belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

19

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht in voorliggend hoofdstuk 4. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit.

4.2 Bodem In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Planspecifiek Door Econsultancy is een verkennend bodemonderzoek verricht op de locatie aan de Meester Abbink Spainkstraat 36 in IJsselstein, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. De bodem bestaat plaatselijk uit zwak tot matig siltig, matig fijn tot matig grof zand. De bodem bestaat tevens plaatselijk uit zwak siltig klei. De bovengrond is bovendien zwak humeus. De ondergrond is plaatselijk zwak grindig. De bodem is plaatselijk zwak baksteen-, kolengruis-, beton- en glashoudend. Op de onderzoekslocatie zijn deellocaties A en C onderzocht. Deellocatie B betreft een (voormalige) tank. Echter heeft de huidige terreingebruiker aangegeven dat er nooit een tank op de locatie aanwezig is geweest. Tijdens de terreininspectie zijn geen aanwijzingen voor de ligging van een (voormalige) tank aangetroffen. Derhalve is deellocatie B (tank) niet onderzocht.

Deellocatie A: Gehele onderzoekslocatie Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, niet lijnvormig" (VED-HE-NL). In de zintuiglijk zwak baksteen,- kolengruis-, glas- en betonhoudende kleilaag (MMA1) zijn analytisch lichte verontreinigingen met nikkel en PAK aangetoond. De zintuiglijk zwak baksteen- en kolengruishoudende zandlaag (MMA2) is analytisch licht verontreinigd met lood en PAK. De zwak baksteenhoudende bovengrond (MMA3) blijkt analytisch licht verontreinigd met PCB en PAK. De zintuiglijk zwak baksteenhoudende ondergrond (MMA4), (tevens ter plaatse van de voormalige sloot), blijkt analytisch niet verontreinigd. De zintuiglijk schone ondergrond, bestaande uit klei (MMA5) blijkt analytisch licht verontreinigd met nikkel. Het grondwater is in combinatie met deellocatie C onderzocht. Het grondwater blijkt licht verontreinigd met barium. De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie A als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard.

Deellocatie C: voormalige sloot Op basis van het milieuhygiënisch vooronderzoek bodem is geconcludeerd, dat de onderzoekslocatie onderzocht dient te worden volgens de strategie voor een "verdachte locatie met diffuse bodembelasting en een heterogene verontreiniging op schaal van monsterneming, lijnvormig" (VED-HE-L). De zwak tot matig baksteen- en betonhoudende bovengrond, bestaande uit zand (MMC1) blijkt analytisch licht verontreinigd met PCB. De zwak baksteenhoudende ondergrond, bestaande uit klei (MMC2) blijkt analytisch licht verontreinigd met PAK. De zwak kolengruishoudende ondergrond (MMC3) blijkt analytisch niet verontreinigd.

20

De vooraf gestelde hypothese dat de onderzoekslocatie ter plaatse van deellocatie C als "heterogeen verdacht" dient te worden beschouwd, wordt voor deze deellocatie aanvaard. Advies Gelet op de aard en mate van verontreinigingen, bestaat er géén reden voor een nader onderzoek en bestaan er met betrekking tot de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem géén belemmeringen voor de bestemmingsplanwijziging van de onderzoekslocatie.

4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).

verpleeghuizen,

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt een voormalig schoolgebouw getransformeerd ten behoeve van een woonfunctie. Woningen zijn geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder (Wgh). Wegverkeer Het plangebied valt binnen de onderzoekszone van Hogebiezen. De Wgh stelt dat in principe de geluidsbelasting op de gevel van woningen niet hoger mag zijn dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB), dan wel een nader bepaalde waarde (hogere grenswaarde). Door middel van het Geoportaal van de ODRU is de gecumuleerde geluidsbelasting inzichtelijk gemaakt, zie de navolgende afbeelding.

Gecumuleerde geluidbelasting, inclusief aftrek ex. art. 110 g Wgh (bron: Geoportaal ODRU)

21

Geconcludeerd wordt dat gecumuleerde geluidbelasting (inclusief aftrek art. 110g Wgh) grotendeels onder de voorkeurswaarde van 48 dB blijft. De beoogde ontwikkeling betreft bovendien de transformatie van het bestaande gebouw. Hiervoor gelden minder strenge eisen dan voor nieuwbouw. Er is in dit geval sprake van een goed woon- en leefklimaat. Derhalve kan worden afgezien van een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai. Spoorweglawaai Er zijn geen spoorwegen in de nabijheid van het plangebied gelegen. De dichtstbijzijnde spoorweg ligt op 5 km ten noorden van de locatie. Er zijn geen belemmeringen wat betreft geluid van het spoor te verwachten. Industrielawaai In de omgeving zijn geen geluidgezoneerde industrieterreinen aanwezig. Wel is geluid van omliggende bedrijven nog steeds van belang in het kader van milieuzonering. Deze toetsing vindt plaats in toelichting paragraaf 4.4. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect geluid geen belemmeringen vormt voor de uitvoerbaarheid van het plan.

4.4 Bedrijven en milieuzonering Indien door middel van een plan nieuwe milieuhindergevoelige functies mogelijk worden gemaakt, zoals woningen en onderwijsgebouwen, moet worden aangetoond dat deze niet worden gerealiseerd binnen de hinderzone van omliggende bedrijven. Anderzijds mogen milieuhindergevoelige functies in de directe omgeving van het plangebied niet negatief worden beïnvloed door de ontwikkelingen die met een plan mogelijk worden gemaakt. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies is de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' uit 2009 als leidraad voor milieuzonering gebruikt. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Planspecifiek Het plangebied bevindt zich in een omgeving met vrijwel alleen woningen. Voor de onderhavige aanvraag moet inzichtelijk gemaakt worden of er voor de nieuwe woningen sprake is van een goed woon- en leefklimaat en of de nieuwe woningen bestaande bedrijven niet in bedrijfsvoering hinderen. Het plangebied is gelegen in een stedelijk gebied, uitgegaan wordt van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Onderstaand zal worden ingegaan op de in de nabijheid gelegen bedrijven/ inrichtingen en bijbehorende richtafstanden op basis van de VNG-publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering'.

De afstanden zijn gemeten vanaf de grens van het plangebied tot aan de betreffende inrichting. Ewoud Woonzorgcentrum Aan de Jan van der Heydenweg 2 t/m 352, op een afstand van ca. 32,5 m is Ewoud Woonzorgcentrum gelegen. In het bestemmingsplan 'Zorgcentrum Ewoud' (vastgesteld op 14 april 2011) geldt voor de locatie de bestemming 'Maatschappelijk'. Hierbinnen zijn maatschappelijk voorzieningen toegestaan met een richtafstand van 30 m. Het plangebied is op voldoende afstand gelegen van Ewoud Woonzorgcentrum. Overige inrichtingen bevinden zich op een grotere afstand en zijn niet van invloed op het plangebied. Anderzijds vormt het initiatief zelf geen belemmering voor functies in de omgeving. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de omliggende bedrijven niet verder in hun bedrijfsvoering worden beperkt. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

22

4.5 Externe veiligheid Externe veiligheid richt zich op het beheersen van risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Uitsnede risicokaart (globale ligging plangebied: zwarte cirkel)

Transport gevaarlijke stoffen Op basis van de risicokaart kan worden geconcludeerd dat er geen transportroutes voor gevaarlijke stoffen in de nabijheid van het plangebied aanwezig zijn. Echter, op 280 meter afstand bevindt zich de Baronieweg, waarover vervoer van gevaarlijk stoffen plaatsvindt met een invloedsgebied van 355 meter. Voor deze risicobron wordt voldaan aan de grens- en richtwaarden voor het plaatsgebonden risico. Omdat het plangebied binnen het invloedsgebied ligt, dient het groepsrisico verantwoord te worden. Omdat het plangebied buiten de 200 meter ligt van de Baronieweg volstaat een beperkte verantwoording. In dat verband gaat het om de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp, alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het plangebied:

•

Bereikbaarheid. Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een brand, ramp of zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. Een goede bereikbaarheid van het plangebied is hierbij van essentieel belang. De Veiligheidsregio Utrecht (advies/zienswijze d.d. 23 maart 2023) acht de bestaande bereikbaarheid op orde.

•

Bluswatervoorzieningen. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De Veiligheidsregio heeft vastgesteld dat er in de huidige situatie binnen 40 m van het pand reeds voldoende bluswatervoorzieningen aanwezig zijn.

•

Zelfredzaamheid. Gezien de afstand tot de Baronieweg is met name het toxische scenario een relevant ongevalsscenario. Het handelingsperspectief bij dit scenario is om binnen te blijven,

23

ramen en deuren te sluiten en ventilatie uit te schakelen. Om die reden acht de Veiligheidsregio de zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners, hoewel het deels gaat over senioren, in beginsel voldoende om zichzelf, eventueel met hulp van gezinsleden of omwonenden, in geval van een ramp in veiligheid te kunnen brengen. In dit verband adviseert Veiligheidsregio Utrecht om: 1. 2. 3.

Indien mechanische ventilatie is voorzien, te zorgen dat deze op een gemakkelijk te bereiken plek uitgeschakeld kan worden. Toekomstige bewoners te informeren over wat te doen in het geval van een ongeval waarbij toxische stoffen vrijkomen. Aandacht te besteden in het ontwerp aan hoe woningen op een gemakkelijke wijze ontvlucht kunnen worden door de bewoners.

In de regels is een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor een uitschakelbare mechanische ventilatie. Bij de verdere uitwerkingen wordt rekening gehouden met de genoemde punten. Inrichtingen Op een afstand van ca. 350 m is een tankstation met LPG aanwezig. Daarmee ligt het plangebied buiten het invloedsgebied van 150 m. Buisleidingen Uit de risicokaart komt naar voren dat in de nabijheid van het plangebied, op ca. 1 km van het plangebied, buisleidingen zijn gelegen. Het betreft een aardgasleiding, waardoor transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het plangebied is gelegen op voldoende afstand van de aardgasleiding Elektromagnetische straling Er zijn in de omgeving geen hoogspanningslijnen aanwezig waarvan de indicatieve magneetveldzones tot het plangebied reiken. Uit de gegevens op de website www.antenneregister.nl blijkt dat in de omgeving van het plangebied geen zendmasten aanwezig zijn die overschrijdingen van de geldende blootstellingslimieten voor elektrische en magnetische veldsterkten veroorzaken. Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat het aspect externe veiligheid de beoogde ontwikkeling niet in de weg staat.

4.6 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Om de luchtkwaliteit permanent te verbeteren, sloot het Rijk in 2020 het zogeheten Schone Lucht Akkoord (SLA)met provincies en tientallen gemeenten. Gestreefd wordt naar een gezondheidswinst van minimaal 50 procent in 2030 ten opzichte van 2016.

Op 26 maart 2021 is de uitvoeringsagenda 2021-2023

24

gepubliceerd, waarin staat welke maatregelen, pilots en activiteiten de deelnemers uitvoeren om de afspraken in praktijk te brengen. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd. Als voldaan wordt aan de advieswaarden, zal er sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een voormalig schoolgebouw getransformeerd. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13110878/1