5. Maatschappelijke kosteneffectiviteitsanalyse binnen-buitenstedelijk bouwen
Tekst van het document
Dit komt aan de ene kant doordat op buitenstedelijke locaties veelal meer ruimte beschikbaar is. Dit betekent dat er relatief veel zonnepanelen aangelegd kunnen worden en dat de verhouding tussen zonnepanelen en woningen relatief groot is (hangt ook samen met het feit dat hier eengezinswoningen worden gerealiseerd in plaats van appartementencomplexen). Hiermee wordt met beperkte kosten voorzien in de vraag naar elektriciteit. Op binnenstedelijke locaties is veel minder ruimte voor zonnepanelen en de verhouding tussen het aantal zonnepanelen en woningen is zeer beperkt. Hierdoor kan op binnenstedelijke locaties veelal niet lokaal worden voorzien in de elektriciteitsvraag, waardoor dit op andere manieren ingevuld moeten worden. Hier komen veelal hogere kosten bij kijken. Daarnaast is het bestaande elektriciteitsnet op veel locaties vaak niet toereikend om in de toekomstige vraag te voorzien. Een lokale oplossing, zoals een zonnepaneel met een batterij, kan hierin een verlichtende rol spelen voor het elektriciteitsnet. Echter, op veel locaties zal het elektriciteitsnet verzwaard moeten worden. De kosten hiervoor zijn op buitenstedelijke locaties veelal minder hoog dan op binnenstedelijke locaties. Aan de andere kant zijn de kosten van de warmtepomp zelf op buitenstedelijke locaties vaak iets hoger dan op binnenstedelijke locaties. Dit komt voornamelijk
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
59
doordat de woningen op buitenstedelijke locaties gemiddeld groter zijn en meer elektriciteit wordt verbruikt (ook voor de verwarming van de eengezinswoning), waardoor meer vermogen nodig is van de warmtepomp. Het verschil van deze kosten is daarentegen beperkt. Kosten verzwaring elektriciteitsnet Zoals bij de warmtepomp al werd benoemd, kan een verzwaring van het elektriciteitsnet noodzakelijk zijn. Of een verzwaring nodig is, is met name afhankelijk van de elektriciteitsvraag in de komende jaren. De kosten hangen dus sterk af van de benodigde verzwaring en de mogelijke baten die als gevolg hiervan optreden. Hierbij spelen verschillende factoren een rol. Ten eerste kan een deel van de energievraag op buitenstedelijke locaties worden opgevangen middels zonnepanelen. Hierdoor is de benodigde verzwaring van het elektriciteitsnet minder groot of wellicht niet noodzakelijk, wat aanzienlijk scheelt in de kosten. Ten tweede speelt de aanwezigheid van elektrische auto’s een rol. De energievraag van elektrische auto’s is groot en zal de komende jaren verder toenemen. Op binnenstedelijke locaties is de toename van de elektriciteitsvraag als gevolg van elektrische auto’s minder groot dan op buitenstedelijke locaties. Dit komt doordat de parkeernorm en daarmee het aantal auto’s op binnenstedelijke locaties veelal kleiner is dan op buitenstedelijke locaties.
De kans op verzwaring van het elektriciteitsnet als gevolg van het elektrische autobezit is daarmee op binnenstedelijke locaties kleiner, wat scheelt in de kosten. Ten derde speelt de functiemix van woon- en werklocaties een rol bij de energievraag. Op binnenstedelijke locaties vindt vaker een mix plaats van wonen en werken. Hierdoor is de elektriciteitsvraag gedurende de dag vrij constant en wordt het elektriciteitsnet optimaal benut. De baten van het verzwaren van het energienet zijn hierdoor hoger. Op buitenstedelijke locaties wordt het elektriciteitsnet vrijwel uitsluitend gebruikt voor woningbouw, waardoor de baten lager liggen. Energieverbruik Het energieverbruik van appartementen (gestapelde bouw) ligt over het algemeen lager dan van eengezinswoningen (grondgebonden bouw). Dat hangt samen met de dichtheid van de woningbouw en de isolatie die aan de boven- en onderkant nodig is. Deze verschillen kunnen gemitigeerd worden door ook bij grondgebonden woningen te zorgen voor goede isolatie, maar hiervoor moeten dus wel meer kosten worden gemaakt. De verschillen kennen we niet precies en zijn dus ook lastig door te rekenen.
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
60
Klimaatadaptieve inrichting De kosten om de openbare ruimte in sterk verstedelijkte gebieden klimaatadaptief in te richten zijn relatief groot. Dit is tot uitdrukking gekomen in de grondexploitatiekosten waar gebruik is gemaakt van een studie van Arcadis en &Flux, die stelt dat de kosten voor een klimaatadaptieve inrichting € 31,50 per m² plangebied zijn. Daarbij is rekening gehouden met verschillende typen ontwikkelingen, waarbij we voor buitenstedelijke locaties uitgaan van lagere kosten omdat daar sprake is van een ander soort transformatie.
5.5 Leefbaarheid Leefbaarheid is wellicht een beetje een containerbegrip, maar zien wij als het woongenot dat mensen ervaren als zij op een bepaalde plek wonen. Dat woongenot is van diverse zaken afhankelijk, zoals aanwezigheid van commerciële en maatschappelijke voorzieningen, mogelijkheden om te kunnen recreëren en sporten, het uitzicht dat mensen vanuit hun woning hebben en de overlast die ze mogelijk ervaren van bedrijvigheid of infrastructuur in de omgeving. In het algemeen zullen zich binnenstedelijk vaker knelpunten voordoen op het gebied van leefbaarheid. Het is hier drukker en dichter bebouwd, wat zal leiden tot meer overlast van anderen en van andere functies en minder ruimte om te recreëren of sporten (of men moet er langer voor reizen). Buitenstedelijk woont het rustiger, ruimer en zijn er meer mogelijkheden om in een open gebied te recreëren. Transformatie van gebieden bepalend op leefbaarheidseffect In dit vraagstuk is echter met name de transformatie van de gebieden van belang. Binnenstedelijk transformeert de bestaande gebouwde omgeving naar woningbouw. De huidige functies zijn mogelijk werk gerelateerd, waarbij momenteel in veel gemeenten de transformatie van kleinschalige werklocaties op de rol staat. Dit type bedrijven kan mogelijk overlast veroorzaken.
Het uitplaatsen daarvan naar bedrijventerreinen in de omgeving of het verkleuren van werkfuncties die zich beter laten mengen met wonen binnen het gebied kan daarmee juist een impuls geven aan de leefbaarheid voor de bestaande woningen in de omgeving. Aandachtspunt is wel dat er ruimte moet zijn voor het uitplaatsen van deze bedrijven, als die er niet is zal op bedrijventerreinen elders meer ruimte gezocht moeten worden, wat mogelijk ten kosten kan gaan van groen. Bij binnenstedelijke transformatie is over het algemeen veel aandacht voor de leefbaarheid, veel gemeenten zien de ontwikkelingen ook als een kans om een impuls te geven aan de bestaande openbare ruimte.
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
61
Buitenstedelijke woningbouw gaat vaak ten koste van landbouw of groengebieden (natuur). In het geval van de Oostflank worden een golfbaan en enkele akkerbouwgebieden ‘getransformeerd’ naar woningbouw, in Lisserbroek gaat het geheel om landbouwgebieden. Deze ontwikkelingen zorgen er voor dat het aantal hectares ‘open gebied’ of ‘groengebied’ afneemt. Dat heeft invloed op de beleving van dit gebied en mogelijk ook op de mogelijkheden om hier te recreëren. In principe zorgt dit dus eerder voor negatieve effecten op het gebied van leefbaarheid voor de bestaande bewoners in de omgeving. In de volgende paragraaf is het ruimtegebruik van de nieuwbouwontwikkelingen en de transformaties ook expliciet gemaakt.
5.6 Landschap en groen Bouwen binnen of buiten de stad heeft op verschillende manieren impact op landschap en groen en het behoud daarvan. Buitenstedelijk bouwen doet dat in directe zin: daar wordt ontwikkeld in gebieden die kunnen worden gekenmerkt als een ‘open landschap’, waar sprake is van bijvoorbeeld agrarische activiteiten of waar mogelijkheden zijn voor recreatie (zoals de golfbaan in de Oostflank) of ruimte voor natuur. Door de gebiedsontwikkeling verdwijnt een deel van deze functies. Binnenstedelijk bouwen kan op een indirecte manier impact hebben op landschap en groen, bijvoorbeeld wanneer een transformatie van een bedrijventerrein op een binnenstedelijke plek leidt tot bedrijfsverplaatsingen, kan dat op buitenstedelijke locaties zorgen voor uitbreiding van bedrijventerreinen en daar ten kosten gaan van landschap en groen. Maar over het algemeen kan gesteld worden dat binnenstedelijk bouwen positievere effecten sorteert als het gaat om het behoud van landschap en de toegankelijkheid daarvan. Buitenstedelijk bouwen in het groen zorgt er immers ook voor dat de afstand tot groen en landschap voor de omgeving groter wordt. Figuur 5.5 geeft dit effect weer.
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
62
Figuur 5.5: Behoud van landschap en toegankelijkheid landschap als gevolg van binnenstedelijk, verdichtend (links) of buitenstedelijk (rechts) bouwen
Om iets te zeggen over de omvang van het effect kijken we naar het ruimtegebruik van de verschillende locaties. Dat is samengevat opgenomen in Tabel 5.10. Uit deze vergelijking komt een duidelijk verschil naar voren in de mate van compactheid van de gebiedsontwikkelingslocaties. De binnenstedelijke locaties zijn veel compacter doordat in hogere dichtheden wordt gebouwd en veel meer meergezinswoningen worden gerealiseerd dan op de buitenstedelijke locaties waar enkel eengezinswoningen worden gerealiseerd. Buitenstedelijk is wel in grotere mate rekening gehouden met groen en water, maar als gekeken wordt naar de hoeveelheid uitgeefbare grond en verharding dan heeft dit ook een significant groter ruimtebeslag.
Tabel 5.10: Ruimtegebruik per projectlocatie in vierkante meters Binnenstedelijk
Buitenstedelijk
Purmerend Hoofddorp Lisserbroek
Oostflank
uitgeefbaar
127.395
92.335
661.803
944.334
verharding
31.849
47.500
318.838
527.767
groen
74.832
36.181
350.000
500.000
water netto plangebied Aantal woningen Gemiddeld ruimtegebruik per woning
15.924
13.984
80.777
122.605
250.000
190.000
1.411.418
2.094.706
5.000
5.000
3.500
5.000
50
38
403
419
Het effect op landschap en groen is binnenstedelijk nihil, gegeven het feit dat hier enkel uitgeefbaar terrein wordt getransformeerd. Buitenstedelijk is het effect aanzienlijk, aangezien hier voor 1 (Lisserbroek) tot 1,5 miljoen (Oostflank) vierkante meter aan uitgeefbaar terrein en verharding wordt gerealiseerd op locaties die nu groen en open zijn. In de overzichtstabel van MKEA zijn de effecten met een + voor
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
63
de binnenstedelijke locaties (als gevolg van het behoud van landschap en groen) en een – weergegeven (doordat landschap en groen bebouwd worden).
5.7 Overzicht effecten en enkele conclusies In Tabel 5.11 is het overzicht van de maatschappelijke en economische effecten opgenomen. Daarin zijn ook duidelijk de verschillen tussen de binnenstedelijke en buitenstedelijke locaties weergegeven. We concluderen hieruit dat de binnenstedelijke locaties een aantal duidelijk positieve maatschappelijke effecten met zich meebrengen. De welvaartseffecten op het gebied van economie en wonen zijn hoger dan binnenstedelijk en het mobiliteitsgedrag is duurzamer, daarbij wordt ruimte voor landschap en groen behouden. Wanneer je dit doorvertaald naar euro’s dan constateren we het maatschappelijke effect per woning (in contante waarden) voor binnenstedelijk bouwen ongeveer 2 keer zo hoog is als buitenstedelijk bouwen. Daarbij gelden er voor binnenstedelijk bouwen ook zeker kanttekeningen. De leefbaarheid kan onder druk komen doordat het binnen de bestaande stad nog drukker wordt, met allerlei externe effecten tot gevolg, die mogelijk het woongenot kunnen drukken. Wanneer daarbij sprake is van transformatie en uitplaatsing van bedrijvigheid moet in ogenschouw worden gehouden dat daar elders wel ruimte voor moet zijn of moet worden gemaakt.
Tabel 5.11: Overzicht van maatschappelijke en economische effecten per woning, in contante waarden Binnenstedelijk Hoofddorp
Buitenstedelijk
Purmerend
Lisserbroek
Oostflank
Maatschappelijke en economische effecten Consumentensurplus
€ 29.000
€ 29.000
€ 24.000
€ 24.000
Agglomeratiekracht
€ 82.000
€ 77.000
€ 62.000
€ 68.000
Mobiliteitsgedrag nieuwe bewoners
-€ 24.000
-€ 24.000
-€ 40.000
-€ 40.000
Duurzaamheid
+/-
+/-
+/-
+/-
Leefbaarheid
+/-
+/-
+/-
+/-
Landschap en groen (behoud) Totaal maatschappelijke en economische effecten
+
+
-
-
€ 87.000
€ 82.000
€ 46.000
€ 52.000
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
64
6. Conclusies In dit hoofdstuk zijn per effect enkele conclusies opgenomen. Tot slot is een overzichtstabel opgenomen waarin alle monetaire en niet-monetaire effecten van de verschillende projectlocaties staan opgenomen. De effecten zijn uitgedrukt in een effect per woning en in contante waarden vertaald. Financiële effecten Voor zowel inbreiding als uitbreiding zijn eenmalige publieke investeringen nodig Op zowel de binnen- als buitenstedelijke woningbouwlocaties is sprake van een ‘publieke onrendabele top’: overheden zullen moeten investeren in publieke projecten (bijvoorbeeld op het gebied van mobiliteit, energie of klimaat) om de woningbouwprojecten mogelijk te maken en daarbij zorg te dragen voor een duurzame en leefbare inpassen. Voor de binnenstedelijke projecten gaat het om kosten binnen het project zelf die tot uiting komen in de grondexploitatie en om zogeheten bovenplanse kosten, projecten in de directe omgeving van het project die gerealiseerd moeten worden om de woningbouwlocaties op een goede manier in de bestaande omgeving in te passen. Op de buitenstedelijke locaties zit geen tekort op de grondexploitatie, maar resteert wel een tekort op de bovenplanse investeringen die niet bekostigd kunnen worden uit de grondexploitatie. Dat restant is een publiek tekort en drukt daarmee op het resultaat per woning.
Al met al zijn de publieke onrendabele toppen vergelijkbaar tussen binnen- en buitenstedelijk bouwen en blijkt uit het onderzoek dat, wanneer alle kosten die binnen de grondexploitatie vallen worden meegenomen, geen van beide varianten er financieel gunstiger uitspringt. Structurele beheer- en onderhoudskosten zijn bij uitbreiding buiten de bestaande stad hoger De structurele meerkosten die een gemeente heeft voor het beheren, onderhouden en vervangen van de openbare ruimte zijn aanzienlijk hoger wanneer een nieuwbouwwijk wordt gerealiseerd op terrein dat voorheen bestemd was als grasland of akkerbouw (wat vaak buitenstedelijk het geval is en wat vaak momenteel nog in particulier bezit is en dus nu niet wordt onderhouden door de gemeente), dan wanneer een nu verhard terrein wordt getransformeerd naar een woningbouwlocatie. Deze kosten vallen buiten de grondexploitatie, maar komen wel voor rekening van de gemeente nadat de projecten zijn gerealiseerd. Om die reden zijn deze kosten meegenomen in de MKEA. Tegenover deze kosten staan inkomsten uit OZB en het gemeentefonds die de gemeente kan aanwenden voor het beheren en onderhouden van het openbaar gebied. Per woning en per inwoner
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
65
zijn deze inkomsten echter gelijk, het verschil in kosten tussen inbreiding en uitbreiding blijft daarmee bestaan. Maatschappelijke effecten Woonwensen en -behoeften laten zien dat een mix nodig is In Nederland wordt op verschillende schaalniveaus onderzoek gedaan naar de verhuisbereidheid en woonwensen van mensen, van waaruit enig inzicht in de behoefte aan woontypologieën ontstaat. Het beeld dat hieruit volgt is dat behoefte is aan een mix van woontypologieën en -locaties. De behoeften verschillen uiteraard per doelgroep en ontwikkelen zich ook naarmate mensen ouder worden. De verhuisbereidheid onder Nederlanders is overigens laag, de meeste mensen wonen in het huis dat ze graag willen. De groep waar de sterkste vraag vandaan komt zijn jongeren en jongvolwassenen tot 34 jaar. Het grootste deel van deze groep wil graag verhuizen naar een grondgebonden woning, maar ook de vraag naar appartementen is binnen deze groep relatief groot (in vergelijking met de groep tussen de 35 en 55 jaar). Ook 55 plussers willen relatief vaker een appartement, maar deze groep is dan weer minder sterk verhuisgeneigd.
We hebben onze constateringen voornamelijk gebaseerd op de uitkomsten van het WoonOnderzoek 2021 van het ministerie van BZK, waarbij we ons beseffen dat we niet volledig zijn in de discussie die actueel is wat betreft woonwensen en aansluiting hiervan op datgene dat in Nederland gebouwd wordt. Welvaartswinsten van gebiedsontwikkeling zijn binnenstedelijk hoger De welvaartseffecten op het gebied van wonen (tot uitdrukking gebracht door middel van het berekenen van het consumentensurplus op sociale huurwoningen) en werken (economie en agglomeratiekracht) zijn binnenstedelijk hoger dan buitenstedelijk. De gemiddelde woningprijzen binnen hoogstedelijke gebieden zijn nog altijd hoger dan in lager stedelijke gebieden, wat duidt op een bepaalde mate van aantrekkelijkheid van de stad. Doordat de dichtheden binnenstedelijk hoger zijn is er ook meer kans op kennisspillovers die leiden tot positievere agglomeratiekracht-effecten, zeker omdat bij binnenstedelijke gebiedsontwikkelingen vaker sprake is van een gemengd woon-werkprogramma. Binnenstedelijk bouwen zorgt voor duurzamer mobiliteitsgedrag Het toevoegen van woningbouw zorgt altijd voor meer reisbewegingen in een bepaald gebied met diverse negatieve externe effecten tot gevolg, bijvoorbeeld op het gebied van milieu, congestie of verkeersveiligheid.
Maar ook hier zit wel een duidelijk verschil tussen binnen- en buitenstedelijk bouwen. Mensen die wonen in een lager stedelijk gebied hebben doorgaans een minder duurzaam
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
66
mobiliteitsprofiel, zij reizen gemiddeld langere afstanden en doen dit vaker met de auto. Binnenstedelijk wordt vooral meer met het openbaar vervoer gereisd. De externe effecten van beide mobiliteitsprofielen (zeer sterk stedelijk voor de inbreidingsprojecten en matig stedelijk voor uitbreidingsprojecten) zijn gekwantificeerd, gemonetariseerd en met elkaar vergeleken. Het betreft hier effecten op het gebied van onder meer CO2, luchtkwaliteit, geluid, verkeersveiligheid, gezondheid en congestie. Behoud van open landschap en groen Binnenstedelijk ontwikkelen zorgt voor het behoud van open landschap en groen in het buitengebied. Op deze locaties wordt bovendien (zeer) compact gebouwd met een gemiddeld ruimtegebruik van 50 vierkante meter per woning. Buitenstedelijk bouwen zorgt er juist voor dat dit niet het geval is, daar wordt extensief gebouwd met een gemiddeld ruimtegebruik van 400 vierkante meter per woning en op locaties in het groen. Daardoor treden mogelijk negatieve effecten op het gebied van leefbaarheid en recreatie in het groen op. Deze effecten zijn lastig in euro’s uit te drukken. Datzelfde geldt voor eventuele verschillen die er zijn op het gebied van leefbaarheid en duurzaamheid tussen de verschillende projectlocaties. Om die reden zijn deze effecten kwalitatief geduid met een + en/of – score.
Overzichtstabel MKEA De verschillende effecten zijn zoveel als mogelijk kwantitatief gemaakt en in de tijd uitgezet. Hierin is onderscheid te maken tussen de eenmalige investeringen die bij start van het project tot een negatief financieel effect leiden en de structurele kosten (meerkosten beheer en onderhoud, effecten mobiliteit) en baten (consumentensurplus, agglomeratie-effecten). Alle eenmalige en structurele effecten zijn gemonetariseerd en met een tijdshorizon van 50 jaar meegenomen. Vervolgens zijn alle toekomstige monetaire waarden aan de hand van een discontovoet teruggerekend naar wat ze vandaag de dag waard zouden zijn (netto contant gemaakt). Om tot een goede vergelijking van de verschillende projecten te komen zijn de monetaire effecten vervolgens gedeeld door het aantal woningen dat wordt gerealiseerd. Zo ontstaat per project een beeld van de kosteneffectiviteit per woning. Het overzicht van de maatschappelijke kosten en baten per woning en per projectlocatie is weergegeven in tabel 6.1. Het maatschappelijk ‘saldo’ van de binnenstedelijke woningbouwlocaties bedraagt ongeveer 60.000 euro per woning.
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
67
Het ‘saldo’ van maatschappelijke effecten op de buitenstedelijke locaties bedraagt ongeveer 12.000 euro per woning. We concluderen daarmee dat de kosteneffectiviteit van de binnenstedelijke woningbouwlocaties hoger is dan van de buitenstedelijke woningbouwlocaties. Daarin valt op dat het verschil al begint bij de financiële effecten: wanneer naar zowel de eenmalige investeringen als de structurele meerkosten voor beheer en onderhoud wordt gekeken dan is binnenstedelijk ontwikkelen over het algemeen al kosten effectiever. Daar komen vervolgens ook nog enkele maatschappelijke (externe effecten mobiliteitsgedrag) en economische (agglomeratiekracht en consumentensurplus) voordelen voor binnenstedelijk ontwikkelingen bij ten opzichte van bouwen op uitbreidingslocaties.
Tabel 6.1: Overzichtstabel van maatschappelijke kosten en baten per woning, in contante waarden Binnenstedelijk
Buitenstedelijk
Hoofddorp
Purmerend
Lisserbroek
Oostflank
Grondexploitatie
-€ 8.000
€ 1.000
€0
€0
Bovenplanse kosten
-€ 16.000
-€ 17.000
-€ 20.000
-€ 27.000
Meerkosten beheer en onderhoud
-€ 3.000
-€ 3.000
-€ 13.000
-€ 13.000
Totaal financiële effecten
-€ 27.000
-€ 19.000
-€ 33.000
-€ 40.000
Consumentensurplus
€ 29.000
€ 29.000
€ 24.000
€ 24.000
Agglomeratiekracht
€ 82.000
€ 77.000
€ 62.000
€ 68.000
Mobiliteitsgedrag nieuwe bewoners
-€ 24.000
-€ 24.000
-€ 40.000
-€ 40.000
Duurzaamheid
+/-
+/-
+/-
+/-
Leefbaarheid
+/-
+/-
+/-
+/-
Landschap en groen (behoud)
+
+
-
-
Totaal maatschappelijke en economische effecten
€ 87.000
€ 82.000
€ 46.000
€ 52.000
Saldo van effecten
€ 60.000
€ 63.000
€ 13.000
€ 12.000
Financiële effecten
Maatschappelijke en economische effecten
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
68
Bijlage 1. Bronnen Literatuur: ▪
Arcadis en &Flux (2021): ‘Kosten Klimaatadaptieve Stadsharten’.
▪
CPB (2010): ‘Stad en Land’
▪
CPB (2014): ‘Agglomeratie, transportinfrastructuur en welvaart’.
▪
CPB (2015): ‘De economie van de stad’.
▪
CPB (2018): ‘Opties om de stedelijke productiviteit te bevorderen’
▪
CBP en PBL (2013): ‘Algemene leidraad MKBA’.
▪
College van Rijksadviseurs (2022): ‘Bouwen in de buurt’.
▪
Decisio en Fakton (oktober 2021): ‘Quickscan onderzoek financiële kosten en opbrengsten gebiedsontwikkeling – een vergelijking tussen ontwikkelingen op binnenstedelijke en uitleglocaties’, in opdracht van de provincie Zuid-Holland.
▪
Ecorys (2005), ‘Maatschappelijke kosten en baten IBO Verstedelijking. Input voor Interdepartementaal Beleidsonderzoek.’.
▪
Ecorys (2006): ‘Kengetallen kosten-batenanalyses integrale gebiedsontwikkeling’.
▪
Ecorys en Witteveen + Bos (2009): ‘Werkwijzer van integrale gebiedsontwikkeling’.
▪
EIB (2011): ‘Succesvol binnenstedelijk bouwen,.
▪
EIB en Decisio (2013): ‘Kostenverschil binnenstedelijk bouwen en bouwen op uitleglocaties in Noord-Holland’.
▪
Gemeente Purmerend (2021): Gebiedsplan Purmerend.
▪
Gemeente Haarlemmermeer (2021): Gebiedsplan Hoofddorp.
▪
Goudappel, Ecorys en KAW (2022): ‘Mobiliteitsvernieuwing en slimme, duurzame verstedelijking’,
▪
KiM (2022): ‘Agglomeratie-effecten in MKBA’.
▪
Ministerie van BZK i.s.m. CRa en Studio Bereikbaar (juli 2020): ‘Dashboard Verstedelijking Metropoolregio Amsterdam’.
▪
Ministerie van BZK (2021): ‘Wonen langs de meetlat – resultaten van het WoonOnderzoek Nederland 2021’.
▪
NVM (2021): ‘Analyse van de dynamiek in de Nederlandse huurmarkt in 2021’
▪
PBL (2010): ‘Baten en kosten van ruimtelijk beleid en de relatie met het woningaanbod’.
▪
PBL (2012): ‘Stedelijke verdichting’
▪
PBL (2020): ‘Binnen- en buitenstedeljik bouwen in Nederland: een reflectie’.
▪
Rebel (2021): ‘Verkenning onrendabele toppen woningbouwprojecten – Analyse op hoofdlijnen publieke tekorten landelijke woningbouwplannen 20212030’. In opdracht van het ministerie BZK.
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
69
▪
Rebel, Stad2, Fakton en Decisio (2021): ‘Businesscase aanpak 14 grootschalige gebieden’. In opdracht van het ministerie van BZK
▪
RIGO (2007): ‘Evaluatie Verstedelijking VINEX 1995 tot 2005’. In opdracht van Ministerie VROM.
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
70
Bijlage 2. Het agglomeratie-effect nader toegelicht In deze bijlage is een eerder door ons geschreven beschouwing opgenomen over agglomeratie-effecten. Deze beschouwing is eerder opgenomen in de ‘Maatschappelijke kosten-batenanalyse Schaalsprong Metropolitaan OV en Verstedelijking (MOVV)’, opgesteld in opdracht van het Programma Mobiliteit en Verstedelijking (MoVe) in oktober 2020. De wereldwijde economie is de laatste decennia sterk geglobaliseerd vanwege scherp gedaalde transport- en communicatiekosten. Als gevolg hiervan werd voorspeld dat de rol van afstand geminimaliseerd zou worden, waardoor bedrijven en mensen zich min of meer overal konden vestigen. Echter het tegenovergestelde gebeurde. Sinds de jaren ’80 is men zich juist in toenemende mate in steden gaan vestigen. De wereldwijde urbanisatiegraad blijft naar verwachting groeien (Raspe, 2012). Ook in Nederland, waar de bevolkingsgroei zich voornamelijk zal concentreren in het urbane en rurale Randstedelijke gebied (De Beer et al., 2017). De roep om bouwen, bouwen, bouwen klinkt zodoende bijna overal en daarbij heeft binnenstedelijk in hoge dichtheden de voorkeur van planologen en beleidsmakers (OECD, 2012). In onderstaand stuk is uiteengezet waarom stedelijke verdichting in economisch opzicht geen verkeerde ontwikkeling is.
Agglomeratievoordelen Volgens de OECD (2012) leidt binnenstedelijk bouwen tot ecologische voordelen, zoals het ontzien van schaarse buiten-, landbouw- en natuurgebied en tot een reductie in energieconsumptie en uitstoot van CO². Daarnaast levert binnenstedelijke bouwen ook economische meerwaarde op, zoals efficiënter gebruik van infrastructuur. Stedelijke regio’s zijn tevens productiever, groeien in economisch opzicht sneller en hebben een sterker innovatievermogen (Raspe, 2012). Met andere worden, steden zijn belangrijker geworden dankzij de globalisering. Dat komt doordat bedrijven en mensen die zich stedelijk hebben gevestigd, zowel nadelen als voordelen van elkaars nabijheid ontlenen. Enerzijds kampt men met meer congestie, grotere leefbaarheidsproblemen en hogere grondprijzen en kosten voor levensonderhoud. Anderzijds resulteert toenemende concentratie van economische activiteiten in zogenaamde agglomeratievoordelen, oftewel baten die ontstaan als gevolg van de ruimtelijke clustering. Mechanismes die ten grondslag liggen aan de agglomeratievoordelen zijn te onderscheiden in matching, sharing en learning. Grote concentratie van bedrijven
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
71
en werknemers leidt er ten eerste toe dat er lagere zoekkosten op de arbeidsmarkt zijn, aangezien de banen en beroepsbevolking veelsoortig en omvangrijk is. Vanwege de hoge dichtheden is het mogelijk om op stedelijke arbeidsmarkten betere en snellere matches te realiseren tussen bedrijven en arbeidskrachten. Hetzelfde geldt voor grotere en gespecialiseerde toeleveranciers en voorzieningen. Hoge concentraties van economische activiteit vergroot het draagvlak voor hoogwaardige lokale voorzieningen. Bedrijven en werknemers kunnen vervolgens gezamenlijk profiteren van de betere services (sharing). Ten slotte staan knowledge spillovers centraal in het begrip van agglomeratievoordelen. De nabijheid van bedrijven en werknemers leidt tot (on)bedoelde kennisoverdrachten en andere informatievoordelen. Werknemers die elkaar gemakkelijk ontmoeten, kunnen namelijk eenvoudig kennis uitwisselen. Bedrijven profiteren van de informele en formele interacties tussen mensen (learning). Agglomeratievoordelen worden veelal in drie typen ingedeeld: 1. Urbanisatievoordelen, 2. Locatievoordelen en 3. Jacobs externaliteiten. Urbanisatievoordelen ontstaan door stedelijk omvang en dichtheden en komen toe aan alle bedrijven in de stad, zoals accountants, onderwijs en gezondheidszorg.
Locatievoordelen ontstaan juist door regionale concentratie van bedrijven en komen derhalve enkel toe aan bedrijven binnen dezelfde sector. Denk hierbij aan gespecialiseerde toeleveranciers en kennisoverdrachten. Externe effecten die voortkomen uit de variëteit aan sectoren worden aangeduid als Jacobs externaliteiten, welke voortkomen uit economische diversificatie van de stedelijke regio. Kortom: steden, oftewel ruimtelijke clustering, bieden bedrijven en mensen externe voordelen door kosten in het transport van goederen, mensen en kennis te verminderen (McCann, 2013). Daarnaast jagen de agglomeratievoordelen de productiviteit van bedrijven en werknemers over het algemeen aan, waardoor men in staat is om de agglomeratienadelen ruimschoots te compenseren. Overigens geldt niet voor alle bedrijven en mensen dat ze evenredig voordeel hebben bij verdere verstedelijking. Met name ruimte-intensieve bedrijfsonderdelen ondervinden meer hinder van de hoge grondprijzen dan dat ze profiteren van agglomeratievoordelen. Gevolg is dat logistieke distributiecentra en industriële bedrijven de stad ontvluchten (CPB – PBL, 2015). Bedrijven actief in de moderne kenniseconomie, voornamelijk kennisintensieve bedrijven, plukken daarentegen de vruchten van de beschreven agglomeratievoordelen.
Daarnaast zijn de verstedelijkingsvoordelen er voor alle werknemers, maar ze zijn niet voor alle bevolkingsgroepen even groot. Jongeren en hoogopgeleiden profiteren namelijk het meest in termen van loonniveau en -groei (CPB, 2018).
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
72
Agglomeratiekracht In voorgaande is reeds naar voren gekomen dat stedelijke omvang en dichtheden grotendeels de sterkte van de agglomeratievoordelen bepaalt. Tevens ondersteunt een grotere stedelijke omvang en hoge dichtheid de aanwezigheid van hoogwaardige voorzieningen als universiteiten, onderzoeksinstellingen, consumenten georiënteerde voorzieningen (amenities), brancheorganisaties en overheidsinstellingen (Raspe, 2012). De aanwezigheid van een massa, bevolkingsdichtheden, excellente voorzieningen, opleidingen en verbindingen bepalen daardoor tezamen de agglomeratiekracht (De Zeeuw, 2014). De creative class- en consumer city hypotheses van respectievelijk Florida (2002) en Glaeser (2001, 2006), zijn daarnaast gestoeld op amenities. Deze hypotheses dichten een belangrijke rol toe aan het stedelijke voorzieningenniveau. Een hoger voorzieningenniveau heeft aantrekkingskracht op creatievelingen en hooggeschoolden met een bovenmodaal inkomen. De aanwezigheid van dergelijke mensen stimuleert het innovatievermogen en de consumptie, met als gevolg een sneller groeiende stedelijke economie. Het is echter belangrijk om te realiseren dat agglomeratiekracht voornamelijk het product is van het aantal inwoners en dichtheid.
Empirisch bewijs In de literatuur is er consensus over het feit dat massa en dichtheid belangrijk is voor productiviteitsgroei (Rosenthal & Strange, 2004; Rice et al., 2006; LSE, 2006). Recentelijk hebben Ahlfeldt & Pietrostefani (2019) de effecten van populatiedichtheid verder uiteengezet op uiteenlopende onderwerpen. Op basis van een meta-analysis claimen de auteurs dat een hogere stedelijke populatiedichtheid leidt tot sterker innovatievermogen, hogere lonen en inderdaad een hogere productiviteit. Daarnaast bevordert het de ontwikkeling van voldoende massa die hoogwaardige lokale services kan dragen, welke vervolgens op een efficiënte en economische manier ingezet kunnen worden (National House-Building Council, 2007). Tot dusver enkel positieve effecten. Negatieve effecten komen echter ook naar voren. Zo is sprake van hogere huurprijzen en ontwikkelingskosten van vastgoed (Ahlfeldt & Pietrostefani,2019; LSE, 2006; ), terwijl de loonkloof tussen hoog- en laagopgeleiden ook toeneemt. Kort samengevat, er is sprake van aanzienlijke ecologische baten, terwijl ook de geassocieerde economische baten de kosten ruimschoots overstijgen. Ook is er onderzoek gedaan naar de Nederlandse context.
Uit de publicaties ‘Stad en Land’ (2010, CPB) en ‘De economie van de stad’ (2015, CPB) blijkt dat de productiviteit in een Nederlandse stad met ongeveer 2 tot 10 procent groeit als het de dichtheid in werkgelegenheid verdubbeld. De publicaties vermelden dat tevens een sterk effect gevonden wordt voor de specialisatie van een regio in een
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
73
specifieke sector. Naarmate het aandeel werknemers dat werkzaam is in dezelfde sector toeneemt, des te hoger de lonen. Conclusie Stedelijke verdichting is vanuit economisch perspectief een interessante ontwikkeling, aangezien de diverse agglomeratievoordelen optreden die de nadelen in de meeste gevallen teniet doen. Binnenstedelijk bouwen draagt zodoende bij aan de agglomeratiekracht van Nederlandse steden door massa te creëren en dichtheden op stuwen. Dit is in de hedendaagse kenniseconomie, maar vooral met het oog op de toekomst, van belang. Vanuit internationaal perspectief kan namelijk worden geconstateerd dat de Nederlandse agglomeratiekracht, en dus agglomeratievoordeel, betrekkelijk klein is. Met name de massa en bevolkingsdichtheid van een Amsterdam of Rotterdam valt in het niet vergeleken met een New York, Parijs of opkomende Aziatische steden. Om op lange termijn de internationale concurrentiepositie van Nederland te consolideren of te versterken, is het noodzakelijk om de inwonerdichtheid van steden te vergroten. Stedelijke verdichting is daarbij een geschikt middel. Literatuur: ▪
LSE. (2006). Density – A debate about the best way to house a growing population. Londen: LSE
▪
Rosenthal, S.S. & Strange, W.C. (2004) Evidence on the Nature and Sources of Agglomeration Economies, in V. Hendeson and J.G. Thisse (Eds.) Handbook of Regional and Urban Economics, Volume 4. Amsterdam: North-Holland 21192171
▪
Rice, P., Venables, A.J. and Patacchini, E. (2006). Spatial determinants of productivity: Analysis for the regions of Great Britain. Regional Science and Urban Economics, 36, 727-752.
▪
National House-Building Council. (2007). Recommendation for living at superdensity. London: Design London.
▪
Ahlfeldt, G. & Pietrostefani, E. (2019). The economic effects of density: A synthesis. Centre for Economic Policy Research.
▪
Raspe, O. (2012) De economie van de stad in de mondiale concurrentie. Den Haag: Planbureau voor de Leefomgeving.
▪
De Beer, J., Ekamper, P., & van der Gaag, N. (2017). Grote steden groeien sneller dan de rest van Nederland. Demos: bulletin over bevolking en samenleving 34 (2): 1-4.
▪
Verstraten, P., Verweij, G., Zwaneveld, P. (2018). Opties om de stedelijke productiviteit te bevorderen. Den Haag: Centraal Planbureau.
▪
CPB & PBL. (2015). De economie van de stad. Den Haag: Centraal Planbureau; Planbureau voor de Leefomgeving
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
74
▪
Glaeser, E.L., Kolko, J. & Saiz, A. (2001) Consurmer City. Journal of Economic Geography, Volume 1: 27-50
▪
De Groot, H., Marlet, G., Teulings, G., Vermeulen, W. (2010) Stad en Land. Den Haag: Centraal Planbureau
▪
OECD. (2012). Compact City Policies: A Comparative Assessment. OECD Publishing: OECD Green Growth Studies
▪
Glaeser, E. L., & Gottlieb, J. D. (2006). Urban Resurgence and the Consumer City. Urban Studies, 43(8), 1275–1299.
▪
Florida, R. (2002) The Rise of the Creative Class. New York: Basic Books.
▪
De Zeeuw, F. (2014). Agglomeratiekracht: een link begrip. PropertyNL Magazine, 1
▪
McCann, P. (2013). Modern Urban and Regional Economics, Volume 2. Oxford University Press, Oxford
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
75
Bijlage 3. Kostenkengetallen externe effecten CO2 Voor de berekening van de uitstoot hanteren we de gemiddelde uitstoot van CO 2 in g/km voor personenvervoer en vracht in onderstaande tabel.
Ontwikkeling CO2 (gram/km) Hoog Laag 2016 Tot 2030 Na 2030 Tot 2030 Na 2030 174 -2,0% -2,2% -1,7% -1,1% 394 -2,0% -2,2% -1,7% -1,1%
Personenvervoer Vracht
Bron: CBS (2016) en WLO 2015 Voor de monetarisering van de CO2-emissies hanteren we de volgende CO2 prijzen in euro’s per ton. Na 2050 groeit de CO2-prijs in hetzelfde tempo door (3,5% per jaar).
Efficiënte CO2 prijzen conform het CPB 2015
2030
2050
Laag
€ 12
€ 20
€ 40
Hoog
€ 48
€ 80
€ 160
Luchtkwaliteit Voor de berekening van effecten op luchtkwaliteit baseren we ons op kengetallen van CE Delft voor gemiddelde uitstoot per g/km.
Gemiddelde uitstoot per km binnen en buiten de bebouwde kom en waardering (prijspeil 2018) Auto
g/km
Hoog groeiscenario Laag groeiscenario %tot %na %tot %na Bibeko Bubeko Gemiddeld € / kg 2030 2030 2030 2030
NOx
0,30
0,24
0,20
€ 39
1,8%
1,7%
1,0%
1,2%
SO2
0,001
0,001
0,001
€6
1,8%
1,7%
1,0%
1,2%
Fijnstof gemiddeld
0,008
0,005
0,006 € 156
1,8%
1,7%
1,0%
1,2%
Fijnstof bibeko
0,008
0,005
0,006 € 282
1,8%
1,7%
1,0%
1,2%
Fijnstof bubeko
0,008
0,005
0,006 € 125
1,8%
1,7%
1,0%
1,2%
Bron: CE Delft (2017), bewerking Decisio
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
76
Geluid Een toename van het aantal gereden kilometers betekent een toename van de geluid en de daarmee (gemiddeld) gepaard gaande hinder. Deze wordt volgens de volgende kengetallen gewaardeerd:
Marginale geluidshinder in ct per km binnen en buiten bebouwde kom prijspeil 2018 Prijspeil 2014 bibeko bubeko Gemiddeld Prijspeil 2018
bibeko
Auto Vracht
-€ 1,77 -€ 0,09 -€ 17,34 -€ 0,34
-1,6 -15,69
-0,08 -0,31
0,4 Auto 2 Vracht
bubeko Gemiddeld € 0,44 € 2,21
Bron: CE Delft (2014), bewerking Decisio
Verkeersveiligheid Verkeersveiligheid wordt op basis van de volgende kengetallen per kilometer gewaardeerd: Marginale ongevalskosten in ct. Per km bibeko
bubeko
Gemiddeld
Auto
€ 17,26
€ 2,13
€ 5,20
Vracht
€ 13,61
€ 2,32
€ 3,87
Bus
€ 3,76
€ 0,66
€ 2,87
Tram
€ 3,10
€ 3,10
€ 3,10
Metro
€ 1,33
€ 1,33
€ 1,33
Fiets
€ 10,28
€ 4,15
€ 9,29
Trein
€ 0,22
€ 0,22
€ 0,22
Bron: CE Delft (2014), bewerking Decisio
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
77
Externe infrastructuur Personenauto
Vrachtauto
Fiets
Infrastructuurkosten
-6,9
-17,7
-4,8
Ruimtebeslag
-1,3
-1,4
-0,8
Verkeersveiligheid
-6,2
-6,6
Broeikasgasemissies
-1,7
Luchtvervuiling Emissies brandstof- en elektriciteitsproductie
Bromfiets
Bus
Tram
Metro
Trein
-8,8
-14,7
-9,6
-8,6
-21,4
-1,9
-0,3
-0,2
-0,2
-0,2
-9,2
-61,8
-2,9
-3,1
-1,3
-0,2
-3,4
0,0
-0,3
-0,7
0,0
0,0
0,0
-0,9
-4,9
0,0
-1,8
-1,2
-0,2
-0,2
-0,7
-1,1
-2,1
0,0
-0,2
-0,4
-0,9
-0,8
-0,4
Gezondheid
0,0
0,0
4,6
0,0
0,0
0,0
0,0
0,0
Geluid
-0,6
-1,4
0,0
-15,1
-1,1
-0,8
-0,8
-0,2
Congestie
-4,9
-9,8
0,0
0,0
-0,9
0,0
0,0
0,0
Natuur en landschap Water- en bodemvervuiling Opbrengsten belastingen en heffingen
-0,1
-0,2
-0,1
-0,2
0,0
0,0
0,0
0,0
-0,2
-1,4
0,0
-0,2
-0,6
-0,1
-0,1
-0,1
14,8
12,4
0,0
1,4
1,9
0,2
0,1
2,2
Belastinguitgiften
-0,4
-0,2
-0,7
-0,7
-75,4
-24,7
-9,5
-6,3
Totaal
-9,4
-36,8 -10,9
-89,8
-96,2
-39,2
-21,3
-27,4
Bron: CE Delft (2014), bewerking Decisio
MAATSCHAPPELIJKE KOSTENEFFECTIVITEITSANALYSE BINNEN - BUITENSTEDELIJK BOUWEN
78