CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

20240814 t NL.IMRO.0353.BPRANDDIJK21A-VA01

Commissie Ruimte 17 september 2024, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: 21:30 uur Raadsvoorstel Vaststellen bestemmingsplan Randdijk17.139 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

pagina 26 van 44

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm van 1,2 µg/m³ voor fijnstof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de Regeling 'niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL).

Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. In 2021 is gebleken dat NO2 en fijn stof schadelijker zijn dan gedacht. De WHO heeft daarom de advieswaarden voor zowel NO2, PM10 en PM2,5 op 21 september 2021 verlaagt naar respectievelijk 10, 15 en 5 μg/m³. Deze richtlijn wordt ook door de GGD gevolgd.

Planspecifiek Voor de voorgenomen ontwikkeling wordt er een appartementengebouw gebouwd met 145 appartementen. Hierbij zal er een toename zijn van verkeersbewegingen van 848 mvt/e. Met gebruikmaking van de NIBM-rekentool is bepaald of het plan aan te merken is als 'niet-in-betekende-mate'. Uit de berekening blijkt dat het project aan te merken is als een zogenaamd NIBM-project. De ontwikkeling draagt 'niet in betekende mate' bij aan de luchtverontreiniging waardoor het niet hoeft te worden getoetst aan de wettelijke luchtkwaliteitsnormen.

Hiernaast is ook gekeken naar de luchtkwaliteit rondom het plangebied met behulp van de Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (monitorronde 2023). Hieruit blijkt dat de concentraties voor fijnstof en stikstofdioxide respectievelijk 23,59 µg/m³ PM10, 18,37 µg/m³ PM2,5 en 10,03 µg/m³ zijn. Bij deze waarden wordt de grenswaarde van 32 µg/m³ voor PM10 (24 uurs gemiddelde) niet overschreden en is er dus sprake van een goed woon- en leefomgeving. Gesteld kan worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering zal vormen.

pagina 27 van 44

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s: • risicovolle (Bevi-)inrichtingen;

• •

vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen;

vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor. Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10 -6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is.

Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.

Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen.

pagina 28 van 44

Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) regelen onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een bestemmingsplan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden.

Indien een bestemmingsplan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.

Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is een onderzoek naar externe veiligheid door Kragten uitgevoerd (verantwoording hoogte groepsrisico woningbouwontwikkeling Randdijk 21A IJsselstein, d.d. 11 oktober 2023, SRO075), zie bijlagen bij toelichting, bijlage 4. De adviezen zijn hieronder uitgewerkt en bijgevuld op basis van het verkregen advies van het VRU (2023-019619, 19 december 2023). Bevt - Water-, weg- en spoorwegtransport In artikel 7 en 8 van het Bevt is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: a. b.

de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp op die weg, spoorweg of dat binnenwater, en voor zover dat plan of die vergunning betrekking heeft op nog niet aanwezige kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten: de mogelijkheden voor personen om zich in veiligheid te brengen indien zich op die weg, spoorweg of dat binnenwater een ramp voordoet.

Als gevolg van het vervoer van gevaarlijke stoffen over de A2 en N210, dient binnen de planlocatie rekening te worden gehouden met de volgende scenario’s. Toxisch scenario Toxische vloeistoffen en gassen kunnen vrijkomen als de tankwagen met toxische stoffen het begeeft als gevolg van bijvoorbeeld een incident. Hierbij komen de toxische stoffen vrij in de vorm van een plas of een wolk. Bij een toxische plas zal deze vervolgens (gedeeltelijk) verdampen, waarbij een toxische wolk wordt gevormd. Afhankelijk van de windrichting en de weersomstandigheden kan de toxische wolk richting het plangebied drijven. BLEVE-scenario BLEVE is een afkorting voor “Boiling Liquid Expanding Vapour Explosion” (kokende vloeistof-gasexpansie-explosie). Er bestaat een koude en een warme BLEVE. Bij een koude BLEVE explodeert de tank meteen. Bij een warme BLEVE explodeert de tank als gevolg van een brandhaard.

pagina 29 van 44

Plasbrand scenario Door het openscheuren van de tankwagen stroomt de gevaarlijke stof uit. Benzine is licht ontvlambaar. Wanneer de plas ontsteekt kan het scenario plasbrand optreden. De effecten van een plasbrand zijn warmtestraling en rook en kunnen tot 50 meter effect hebben. Hierdoor kunnen slachtoffers, schade en brand in de omgeving ontstaan. Fakkelbrand scenario Een fakkelbrand wordt veroorzaakt doordat na een botsing een afsluiter afbreekt van de tankwagen. Hierdoor stroomt LPG uit en ontsteekt direct. Er ontstaat een fakkel die blijft branden tot de tank leeg is of wordt afgesloten. Het effect van een fakkelbrand is warmtestraling. Dit effect kan slachtoffers, schade en brand in de omgeving veroorzaken. Het invloedsgebied is 100 meter. Bestrijdbaarheid/beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland.

Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Verder heeft het VRU aanbevolen om een bluswatervoorziening van minimaal 60 m³/u en een droge bluswaterleiding te realiseren. Dit dient meegenomen te worden in de verdere planuitwerking. Bestrijdbaarheid per scenario Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. Hiertoe dienen voldoende bluswatervoorzieningen nabij de risicobron aanwezig te zijn. De aanwezigheid van bluswatervoorzieningen binnen het plangebied is met het oog op een toxisch scenario niet relevant. Ook ten aanzien van de bereikbaarheid is bij een toxisch scenario met name de bereikbaarheid van de risicobron maatgevend. De inrichting van het plangebied heeft geen invloed op de bereikbaarheid en de bluswatervoorzieningen ter plaatse van de risicobron. Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tankwagen meteen explodeert. Gezien de snelle ontwikkeltijd zijn er geen mogelijkheden voor bronbestrijding en primaire effectbestrijding. De effectbestrijding zal daarom gericht zijn op het bestrijden van secundaire branden.

Voor het voorkomen van een warme BLEVE dient een aangestraalde tankwagen tijdig te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied worden geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Het plan betreft de realisatie van een appartementencomplex. Indien minder zelfredzame personen aanwezig zijn, wordt ervan uitgegaan dat zij met behulp van valide personen in veiligheid kunnen worden gebracht. Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Bij incidenten zal een afweging gemaakt moeten worden tussen schuilen of vluchten. Bij een toxische wolk kunnen mensen komen te overlijden als gevolg van blootstelling aan de toxische stof. Of mensen daadwerkelijk komen te overlijden is afhankelijk van de dosis, die bestaat uit de blootstellingsduur en de concentratie waaraan de persoon is blootgesteld. Aangenomen wordt dat personen die zich binnen in een van de buitenlucht afgesloten ruimte bevinden een 10 keer zo lage kans hebben te overlijden als personen die zich buiten bevinden (PGS 3).

pagina 30 van 44

Het beste advies bij het vrijkomen van een toxische wolk als gevolg van een incident op de weg is te schuilen, mits ramen, deuren en ventilatie gesloten kunnen worden. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren dan ook goed gesloten te kunnen worden. Gelet op het feit het nieuwbouw betreft, moet op grond van de vigerende bouwregelgeving aandacht geschonken worden aan een goede luchtdichtheid. Een eventuele luchtbehandelingsinstallatie dient middels één handeling uitgeschakeld te worden. Indien desalniettemin bij een toxische wolk wordt besloten het gebied te ontruimen, is het van belang dat personen haaks op de wolk kunnen vluchten. Hiervoor is het nodig dat er haaks op elkaar staande vluchtwegen beschikbaar zijn, die van de bron af gericht zijn. Deze wegen mogen niet doodlopend zijn. Hier dient in de verdere planuitwerking rekening mee gehouden te worden. Binnen het invloedsgebied van een BLEVE-scenario is vluchten het uitgangspunt waarbij gerealiseerd dient te worden dat indien daadwerkelijk een BLEVE dreigt, de vluchttijd bijzonder kort is. Feit blijft dat in geval van een calamiteit een vroegtijdige alarmering van levensbelang is om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten.

De mogelijkheden om te kunnen vluchten nemen toe door (nood)uitgangen en vluchtroutes zoveel mogelijk loodrecht van de risicobron af te richten. Op die manier worden vluchtende personen afgeschermd door het gebouw zelf. Vluchtroutes dienen duidelijk te worden aangeduid. Ook kan een optimalisatie van de ontvluchting plaatsvinden door de (nood)uitgangen op zo groot mogelijke afstand van de risicobronnen te projecteren. Dit dient in de verdere planuitwerking meegenomen te worden. Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de eerdergenoemde scenario’s BLEVE en toxisch). In geval van een calamiteit is het van levensbelang dat de aanwezigen tijdig gewaarschuwd worden. Vluchtroutes dienen zichtbaar en duidelijk te worden aangeduid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De Veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. De voornoemde punten en de adviezen van de Veiligheidsregio dient de gemeente IJsselstein mee te wegen in haar besluitvorming.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Derhalve geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten. Deze is uitgevoerd door Blom Ecologie (2023-0248, 28/03/'23) met de rapportnaam 'Quickscan Wet natuurbescherming Randdijk 21 te IJsselstein', zie bijlagen bij toelichting, bijlage 5.

pagina 31 van 44

Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is 'Uiterwaarden Lek' ten zuidwesten van het plangebied op een afstand van 6,0 km. Hierbij kan worden uitgegaan dat voor een aantal effecten als gevolg van het beoogde plan, waaronder trillingen, geluid en optische verstoring, uitgesloten kunnen worden. Hieronder valt niet een stikstofdepositie, waarbij het advies luidt om een AERIUSberekening uit te voeren om uit te sluiten dat het beoogde plan leidt tot een verhoging van stikstofdepositie binnen het Natura 2000-gebied. Het plangebied maakt geen deel uit van het Natuurnetwerk Nederland, groene contour of weidevogelkerngebied. Op een afstand van circa 1,1 km van het plangebied ligt het Natuurnetwerk Nederland. Hiernaast ligt op een afstand van circa 1,2 km de Groene contour en op 6,2 km ligt een Weidevogelgebied. Voor geen van deze gebieden is een toetsingskader voor externe werking waardoor deze verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Soortenbescherming Het plangebied is potentieel geschikt voor verschillende flora- en fauna soorten. Deze worden hieronder per punt besproken. Flora In de omtrek van het plangebied komen meerdere beschermde planten voor, namelijk het Kluwenklokje, Knolspirea en Stijve wolfsmelk.

De aanwezigheid van het Kluwenklokje wordt bij voorbaat uitgesloten wegens het tekort aan geschikt biotoop. Hiernaast is dit soort niet beschermd buiten het natuurlijke verspreidingsgebied niet beschermd en is dus verder niet relevant. Het voorgaande verhaal geldt ook voor de Knolspirea waardoor deze verder buiten beschouwing wordt gelaten. De Stijve wolfsmelk kan niet op voorhand worden uitgesloten op basis van twee punten. Ten eerste is er het feit dat er waarnemingen van dit soort zijn in de jaren 2014 en 2015 op circa 780 meter afstand tot het plangebied, waardoor er kans is op verspreiding naar het plangebied sinds deze waarnemingen. Ten tweede zijn er geschikte groeiplaatsen aanwezig binnen het plangebied. Hierbij moet er dus verder onderzocht worden of er inderdaad Stijve wolfsmelk aanwezig is binnen het plangebied. Hiernaast zijn er verder geen beschermde plantsoorten aangetroffen tijdens het veldonderzoek. Grondgebonden zoogdieren In de omtrek van het plangebied worden veel verschillende zoogdieren verwacht die een beschermde status hebben. Hierbij is de verwachting dat de Steenmarter mogelijk aanwezig is binnen het plangebied op basis van de ligging van het plangebied en de overvloed aan mogelijke rust- en voortplantingsplaatsen binnen het plangebied zelf. Hierbij moet er dus verder onderzocht worden of de Steenmarter ook werkelijk gebruik maakt van het plangebied.

Vleermuizen In de omtrek van het plangebied zijn meerdere vleermuissoorten bekend die een beschermde status hebben. Het plangebied is onderzocht op mogelijke verblijfsplaatsen. Hierbij blijkt het dat zowel de woning als de bedrijfsloodsen mogelijk als verblijfsplaats kunnen functioneren, er is namelijk sprake van een geschikt klimaat en diverse openingen voor vleermuizen binnen deze gebouwen. Hierbij moet er dus verder onderzocht worden of deze gebouwen gebruikt worden door vleermuizen. Hiernaast moet de lichtvervuiling tijdens de bouw zo veel mogelijk beperkt worden in verband met omliggende verblijfsroutes. Amfibieën In de omtrek van het plangebied worden verschillende amfibieën verwacht die een beschermde status hebben. Hieruit blijkt het dat het plangebied mogelijk rust- of overwinteringsgebieden wegneemt van de Alpenwatersalamander. Deze is op ongeveer 1,4 kilometer signaleert aan de overzijde van de A2. Er moet dus verder onderzocht worden of de Alpenwatersalamander gebruik maakt van de aangrenzende wateren. Op basis van de aan- of afwezigheid van dit soort kan er dan geconcludeerd worden of het beoogde plan dus belemmering belemmerd wordt.

pagina 32 van 44

Reptielen In de omtrek van het plangebied is enkel de ringslang bekend, waarbij net zoals alle inheemse reptielen beschermd worden vanuit de wet. Op basis van het feit dat er maar één waarneming is gedaan van dit soort binnen 2 kilometer rondom het plangebied wordt ervan uitgegaan dat er geen ringslangpopulatie aanwezig is rondom het plangebied. Vroeger waren zandhagendissen wel aanwezig rondom het plangebied, maar wegens het feit dat deze reeds uitgezet zijn vervalt de beschermde status van dit soort. Hierbij geldt nog wel de algemene zorgplicht. Vissen In de omtrek van het plangebied zijn geen beschermde vissoorten bekend. Gecombineerd met de feiten dat er geen werkzaamheden gepland zijn aan/bij de aanwezige sloten en dat er genoeg uitwijkmogelijkheden zijn voor vissen wordt er geacht dat dit aspect geen belemmering vormt Insecten en ongewervelden In de omtrek van het plangebied zijn zowel de Grote vos en de Teunisbloempijlstaart aanwezig. De verwachting is dat de Teunisbloempijlstaart niet aanwezig binnen het plangebied wegens het tekort aan geschikt biotoop voor dit soort. De Grote vos wordt ook niet verwacht binnen het plangebied zelf, maar er wordt wel aangeraden om buiten de ei- en rupsperiode van dit soort de kapwerkzaamheden uit te voeren. Vogels In de omtrek van het plangebied zijn meerdere vogelsoorten verwacht rondom het plangebied die een beschermde status hebben.

Op basis van het onderzoek kon er niet uitgesloten worden dat de Huismus, Gierzwaluw, Kerkuil en Steenuil gebruik maakt van het plangebied. Hierbij moet er dus vervolgonderzoek worden uitgevoerd om dit uit te sluiten. Op basis van soortenbescherming moet er een vervolgonderzoek worden uitgevoerd naar de soorten Stijve wolfsmelk, Steenmarter, Vleermuizen, Alpenwatersalamander, Huismus. Gierzwaluw, Kerkuil en Steenuil. Vervolgonderzoek soortenbescherming Om na te gaan of de bovengenoemde soorten inderdaad gebruik maken van het plangebied is een jaarrond vervolgonderzoek uitgezet naar deze soorten. In beginsel wordt er verwacht dat het voorliggende plan geen hinder veroorzaakt voor de onderzochte soorten. In geval dat er wel sprake is van significante hinder zal er een ontheffing aangevraagd moeten worden. Houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk, waardoor houtopstanden geen belemmering vormen voor het beoogde plan.

AERIUS-Berekening Om na te gaan of het voorliggende plan zal leiden tot buitensporige stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden is met behulp van de AERIUS-calculator (versie 2023.0.1, uitgevoerd 23 november 2023, zie bijlagen bij toelichting, bijlage 6) gekeken of er sprake is van stikstofdepositie in de aanleg en/of gebruiksfase van het voorliggende plan. Hieruit is bleken dat er zowel in de aanleg als gebruiksfase van het voorliggende plan geen sprake is van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden die kan leiden tot nadelige effecten. Conclusie Indien het vervolgonderzoek soortenbescherming uitwijst dat er geen beschermde diersoorten aanwezig zijn binnen het plangebied zal het aspect ecologie geen belemmering vormen voor het voorliggende plan. Indien dit wel het geval is zal er een ontheffing voor het initiatief aangevraagd moeten worden.

pagina 33 van 44

4.8 Waterhuishouding De waterhuishouding is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hooggehouden worden. Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Water Programma. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21e eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21 e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Water Programma Op basis van de Waterwet is het Nationaal Water Programma vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Water Programma geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2022-2027 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Water Programma richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2022-2027 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 Op 22 december 2021 heeft het algemeen bestuur het 'Waterbeheerprogramma 2022 - 2027' vastgesteld. Het waterbeheerprogramma is een koersdocument, waarbij 'stroomopwaarts' centraal staat, oftewel voorbereiden op de toekomst en proactieve samenwerking vanaf het begin van het proces. Het hoogheemraadschap heeft de ambitie om bij de start van ruimtelijke ontwikkelingen water een meer sturende rol te geven voor een toekomstbestendige leefomgeving. Hierbij wordt extra ingezet op de volgende thema's:

• • • •

Zuiver afvalwater, energieneutraal en circulair Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied Waterveilige leefomgeving Waterbewust leven en genieten van water

pagina 34 van 44

Door verschillende opgaven neemt de druk op de fysieke ruimte toe, waardoor een multifunctioneel ruimtegebruik essentieel is. Door klimaatverandering en maatschappelijke ontwikkelingen veranderen de wateropgaven fundamenteel, wat een andere rol van het hoogheemraadschap vraagt. Het beheergebied van het waterschap is divers, van het natte veenweidegebied in het westen, via het stedelijke middengebied tot de hogere zandgronden in het oosten. Per deelgebied zijn de wateropgaven verschillend. Navolgend staan per deelgebied de belangrijkste opgaven beschreven.

•

Veenweidegebied. Het veenweidegebied is een door de mens gemaakt landschap. Door veenoxidatie vindt bodemdaling en een hoge CO₂-uitstoot plaats. Het watersysteem kan met name in het Oude Rijngebied de klimaatverandering moeilijk opvangen, hier is een robuuster watersysteem en een meer klimaatbestendige inrichting nodig.

•

Stedelijk middengebied. Het stedelijk middengebied met de steden Utrecht, Nieuwegein, Houten en IJsselstein is een dynamisch gebied. De komende decennia komen hier veel ontwikkelingen en opgaven samen. Ontwerpen met water dient een prominentere rol te krijgen in gebiedsontwikkelingen en de openbare ruimte, zoals bij locatiekeuzes en planvorming van nieuwe bouwlocaties.

•

Kromme Rijngebied en Utrechtse Heuvelrug. Het gebied ten oosten van Utrecht kenmerkt zich door de aanwezigheid van boomgaarden met fruit, de meanderende Kromme Rijn en het Eiland van Schalkwijk. De droge zomers van de afgelopen jaren hebben laten zien dat voor dit gebied een robuuste strategie nodig is om zowel de hoge als de lage delen van het Kromme Rijngebied klimaatbestendig te maken. Het hoogheemraadschap steunt het gericht omzetten van naaldbos in loofbos (verloofing) om de verdamping af te laten nemen en daarmee de verdroging tegen te gaan en de grond- en drinkwatervoorraad toe te laten nemen.

Planspecifiek Watercompensatie Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat bij een verhardingstoename van meer dan 500 m² er minimaal 45 mm berging per m² moet worden gerealiseerd of als het in oppervlaktewater wordt uitgevoerd, dan betreft het 15% van de toe te voegen verharding. Daarnaast is een vergunning nodig voor de lozingsconstructies naar oppervlaktewater. Geacht wordt dat het voorliggende plan voorziet van de afname van het verharde oppervlak ten opzichte van de huidige situatie, waardoor er geacht wordt dat watercompensatie niet nodig is. Veiligheid en waterkeringen Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op het (veilig) functioneren en het beheer en onderhoud van waterkeringen. Om die reden is het van belang, dat initiatiefnemers van ruimtelijke plannen rekening houden met de effecten van die plannen op de aanwezige waterkeringen. Het plangebied valt, volgens de legger van het hoogheemraadschap, niet binnen een beschermingszone van een waterkering, zodat geen planologische bescherming nodig is in de vorm van een dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Hemel- en vuilwater De bebouwing dient te voldoen aan het beleid van het hoogheemraadschap van Rijnland over de afvoer van hemelwater en vuilwater. Dit houdt in dat het hemelwater wordt afgekoppeld en het vuilwater via het riool afgevoerd wordt.

De voordelen van het afkoppelen van hemelwater zijn:

• • •

de riolering wordt ontlast waardoor minder overstort van ongezuiverd rioolwater optreden; de zuivering krijgt minder schoon water te verwerken, waardoor het zuiveringsrendement verbetert; schoon hemelwater wordt geloosd in het gebied waar het valt, zodat er in droge tijden geen gebiedsvreemd water ingelaten hoeft te worden.

Het hemelwater wordt afgekoppeld en afgevoerd door het te laten infiltreren in de bodem. De afvoer van afvalwater vindt plaats via het gemeentelijk rioolstelsel.

pagina 35 van 44

Bescherming drinkwater Er is sprake van een grondwaterbeschermingsgebied, zoals aangegeven in 'Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht'. Het beoogde plan bevat geen activiteit of bestemming die een risico kan vormen voor de grond- en oppervlaktewaterwinning voor menselijke consumptie. Hierbij geldt de algemene zorgplicht waarmee alle maatregelen die redelijkerwijs uitgevoerd kunnen worden ook daadwerkelijk uitgevoerd worden en waar nodig de gevolgen zo veel mogelijk beperkt of ongedaan maken of de activiteit achterwegen laten indien mogelijk. Indien er desondanks alsnog dreigend of acuut gevaar voor verontreiniging optreedt zal de gedeputeerde staten op de hoogte worden gesteld. Gezien het bovenstaande kan er worden gesteld dat het aspect water geen belemmering vormt voor het beoogde plan.

4.9 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.

Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Hiernaast wordt er geen beschermd gezicht beschadigd als gevolg van het beoogde plan. Hierbij kan geconcludeerd worden dat er geen cultuurhistorische kwaliteiten aangetast worden als gevolg van het beoogde plan, waardoor het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt.

4.10 Archeologie In 1992 heeft Nederland het Europese Verdrag van Malta ondertekend en in 1998 geratificeerd. Doel van dit verdrag is een betere bescherming van het Europese archeologische erfgoed door een structurele inpassing van de archeologie in ruimtelijke ordeningstrajecten. Eén van de belangrijkste uitgangspunten van het Verdrag van Malta is dat archeologische waarden zoveel mogelijk in situ in de bodem bewaard dienen te blijven. Alleen als behoud in situ niet mogelijk is, wordt overgegaan tot behoud van de archeologische informatie ex situ, door middel van opgraven en bewaren in depot. Een ander uitgangspunt is dat het onderzoek naar de aanwezigheid van archeologische waarden in een zo vroeg mogelijk stadium dient plaats te vinden, zodat hiermee bij de planontwikkeling rekening gehouden kan worden. Een derde uitgangspunt is het 'de verstoorder betaalt principe'. Alle kosten die samenhangen met archeologisch onderzoek dienen worden betaald door de initiatiefnemer van de geplande bodemingrepen. Ten slotte richt het Verdrag van Malta zich tevens op een toename van kennis, herkenbaarheid en beleefbaarheid van het archeologische erfgoed. De Erfgoedwet heeft betrekking op archeologie op het land en onder water. Samen met de toekomstige Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk.

Op grond van Hoofdstuk 9 Overgangsrecht blijft artikel 38a van de Monumentenwet 1988 van toepassing tot inwerkingtreding van de Omgevingswet. Artikel 38a schrijft voor dat in een bestemmingsplan rekening moet worden gehouden met in de grond te aanwezige dan wel te verwachten archeologische resten.

Planspecifiek Het plangebied is binnen het geldende bestemmingsplan 'Noordoost', vastgesteld door de gemeenteraad d.d. 8 mei 2013, gelegen binnen de gebiedsaanduiding ‘archeologisch waardevol gebied – 3’. Binnen deze gebiedsaanduiding zijn gronden tevens bestemd voor bescherming en veiligstelling van archeologische (verwachtings-)waarden. Conform de gebiedsaanduiding is het verboden om op of in deze gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning aanleg werken en werkzaamheden de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren: 1. 2. 3. 4.

Afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 cm; Heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen; Verlagen of verhogen van het waterpeil; Aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd

pagina 36 van 44

5. 6.

Aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; Het aanbrengen of verwijderen van diepgewortelde beplantingen.

Dit verbod is niet van toepassing indien de werkzaamheden of werken een oppervlakte beslaan van ten hoogste 10.000 m². Onderhavig plangebied heeft een oppervlakte van ca. 4.642 m², waarbij de drempelwaarde niet overschreden wordt. Archeologisch onderzoek is dan ook niet nodig. De mogelijk aanwezige archeologische waarden dienen wel in het op te stellen bestemmingsplan ten behoeve van onderhavige ontwikkeling door middel van een gebiedsaanduiding te worden veiliggesteld. Hierin voorziet de dubbelbestemming 'Waarde - archeologie 3'.

4.11 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Per 1 juli 2018 is de Gaswet veranderd. Hierdoor krijgen nieuwe gebouwen geen gasaansluiting meer. Dit komt door een verandering van de gasaansluitplicht. De wetswijziging heeft invloed op nieuwe gebouwen waarvan de bouwvergunning is aangevraagd na 30 juni 2018. Deze verandering geldt voor alle kleinverbruikers (max 40 m³ gas/uur), zoals woningen en kleine bedrijfsgebouwen. Bijna energieneutrale gebouwen (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG).

De eisen houden in dat nieuwe woningen (bijna) energieneutraal gebouwd moeten worden. De BENG kijkt naar de energieprestatie van een gebouw aan de hand van de drie energieprestatie-indicatoren: 1. 2. 3.

de energiebehoefte indicator; de primaire fossiele energie-indicator; en het aandeel hernieuwbare energie.

Milieuprestatie Gebouw (MPG) Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²). GPR Gebouw Een meetinstrument voor duurzame ontwikkeling en het benutten van het besparingspotentieel is GPR Gebouw. GPR Gebouw is een manier om duurzaam bouwen te concretiseren en doet dit door een rapportcijfer te geven op vijf thema’s: Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Hierbij geldt, hoe hoger het cijfer, hoe duurzamer het gebouw. Door de GPR Gebouw in te vullen wordt meer nagedacht over duurzaamheid tijdens het ontwerpen en (ver)bouwen van gebouwen. GPR Gebouw kan ook gebruikt worden om bestaande woningen en gebouwen te verduurzamen. Na invoering van gegevens in GPR Gebouw betreffende de woningen worden prestaties zichtbaar op de thema’s Energie, Milieu, Gezondheid, Gebruikskwaliteit en Toekomstwaarde. Beleidsplan Duurzaamheid In het Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein, Actualisatie Visiedocument IJsselstein Duurzaam (2016) wordt gestreefd naar toekomstbestendige gebouwen waar gekozen is voor duurzaamheid, flexibiliteit, multifunctionaliteit en een goed binnenklimaat (minimaal frisse scholen klasse C).

Gedacht kan worden aan hoge plafonds, meer daglicht, energiezuinige systemen, hogere eisen aan ventilatie, verlichting en isolatie, zo min mogelijk dragende binnenmuren en het makkelijk kunnen splitsen en samenvoegen van ruimtes. Bovendien wordt voor alle nieuwe gebouwen uitgegaan van een score van minimaal GPR = 8.

pagina 37 van 44

Planspecifiek Er zal worden voldaan aan de geldende eisen voor bijna energie neutrale gebouwen (BENG). De concrete maatregelen die hiervoor worden getroffen zijn nog niet volledig bekend; dit wordt nader uitgewerkt in het kader van de omgevingsvergunningen. Wel is duidelijk dat met de beoogde ontwikkeling meerdere maatregelen getroffen met betrekking tot duurzaamheid, zoals goede isolatie, duurzaam materiaalgebruik, zonnepanelen op het dak en de ontwikkeling wordt aardgasloos uitgevoerd.

4.12 Verkeer en parkeren 4.12.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt.

Planspecifiek In de toekomstige situatie wordt er een appartementengebouw aangelegd met 145 appartementen. Voor het berekenen van de verkeersgeneratie voor het plangebied wordt uitgegaan van 'Sterk stedelijk', in overeenkomst met het CBS in afwezigheid van gegevens vanuit de gemeente, en 'Rest bebouwde kom', in overeenkomst met beleidsdocument 'Parkeerbeleidsplan IJsselstein'. De gehanteerde functies is hierbij 'Koop, appartement, midden' met 59 units, 'Koop, appartement, duur' met 47 units en 'Huur, appartement, midden/goedkoop (incl. sociale huur)' met 39 units. Beoogde situatie plangebied Koop, appartement, duur Appartement, midden Sociale huurappartementen Totaal

Verkeersgeneratie per wooneenheid 7,1 5,6 3,6

Aantal 47 59 39 145

Totaal 333,7 330,4 140,4 804,5

Op basis van deze gegevens is er sprake van een verkeersgeneratie van maximaal 805 verkeersbewegingen per dag als gevolg van het beoogde plan. De planlocatie wordt via de Randdijk ontsloten op de Europalaan. De Europalaan zit voor wat betreft zijn wegcapaciteit aan zijn grenzen. In de knelpuntenanalyse van Sweco van maart 2023 is dit vastgesteld. Naar aanleiding van deze analyse zal de ontwikkelende partijen in samenspraak met gemeente IJsselstein om aan de slag gaan met het treffen van maatregelen om de bestaande knelpunten weg te nemen. Hierbij wordt rekening gehouden met de onderhavige planvorming en de toename aan verkeersbewegingen wat dit tot gevolg heeft.

pagina 38 van 44

4.12.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven.

Planspecifiek In de toekomstige situatie wordt er een appartementengebouw aangelegd met 145 appartementen. Voor het berekenen van de parkeerbehoefte voor het voorliggende plan wordt er gebruik gemaakt van de 'Beleidsregel Parkeernormen IJsselstein'. Hierbij krijgt het plangebied een stedelijkheidsgraad van 'sterk stedelijk', in overeenkomst met het CBS. Hiernaast hanteert de gemeente de aanduiding 'Periferie' in de Nota van uitgangspunten (december 2021) voor het plangebied, wat overeenkomt met de aanduiding 'Rest bebouwde kom' zoals opgenomen in de CROWpublicatie 381. Ten slotte hanteert de gemeente het gemiddelde van de kencijfers uit de bovenstaande publicatie. Recent onderzoek heeft aangetoond dat de gangbare 0,3 parkeerplaats per woning die berekend werd voor bezoekersparkeren aan de hoge kant is. De CROW adviseert vooralsnog een norm van 0,2 parkeerplaats per woning. In de onderstaande tabel is de parkeernorm gecorrigeerd met deze lagere norm voor bezoekersparkeren. In de onderstaande tabel is de parkeerbehoefte weergeven.

Functie

Aantal wooneenheden

Appartement, middensegement 59 Koop, appartement, duur 47 Sociale huurappartementen 39 145 Totaal

Parkeernorm wooneenheid 1,6 1,8 1,1 -

per Totaal 94,4 84,6 42,9 221,9

In beginsel is er een parkeerbehoefte van 222 parkeerplekken voor het voorliggende initiatief. In beginsel voorziet het voorliggende plan van 230 parkeerplekken. In de parkeerkelder wordt voorzien in 137 parkeerplaatsen. Voor parkeerplaatsen in een parkeergarage hanteert de gemeente IJsselstein een zogenaamde reductiefactor. Praktijk is dat niet alle bewoners hun auto in de parkeergarage stallen maar soms ook op maaiveld. Voor dit 'effect' is een reductiefactor. Gerekend wordt met een reductiefactor van 0,9. De 137 parkeerplaatsen die in de kelder worden gerealiseerd worden daarmee gerekend als 123,3 parkeerplaatsen, afgerond zijn dit 124 parkeerplaatsen. Op maaiveld wordt voorzien in 93 parkeerplaatsen. In combinatie met het parkeren in de parkeerkelder is daarmee het totale aanbod aan parkeerplaatsen 217. Uitgaande van een parkeervraag van 222 parkeerplaatsen en een aanbod van 217 is er een tekort aan 5 parkeerplaatsen. Strikt genomen wordt er niet helemaal voldaan aan de norm. De initiatiefnemer is voornemens is om deelmobiliteit te organiseren om het verschil in parkeerbehoefte en parkeervoorziening op te vangen. Met de inzet van 2 deelauto's. Met de inzet van 2 deelauto's mogen 8 parkeerplaatsen minder gerekend worden. Omdat de deelauto's wel een toegewezen parkeerplaats krijgen is de netto winst aan parkeerplaatsen 6.

Daarmee resteert er nog een overschot van 1 parkeerplaats en is de balans vrijwel in evenwicht. De finale toets of voldaan wordt aan de norm en er eventueel afgeweken kan worden van de norm door de inzet van deelauto's wordt gedaan in het kader van de vergunningsaanvraag voor de Activiteit bouwen. Bij deze aanvraag zal aanvullend een mobiliteitsplan worden opgesteld waarin de inzet van deelmobiliteit nader gemotiveerd wordt op basis waarvan het college kan afwijken van de parkeernorm.

pagina 39 van 44

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.

5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Basisregistratie Grootschalige Topografie en/of kadastrale kaart).

5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk 1 bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk 2 geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk 3 geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk 2. Ten slotte regelt hoofdstuk 4 de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemmingen op alfabetische volgorde. Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:

• • • • • • •

bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

pagina 40 van 44

5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Groen De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor groenvoorzieningen, bermen en beplanting, paden, water en voorzieningen voor de waterhuishouding, alsmede toegangspaden en verhardingen ten behoeve van de aangrenzende woningen. Tevens zijn binnen deze bestemming speelvoorzieningen en de bijbehorende bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en verhardingen toegestaan. Verder mag slechts ten dienste van de bestemming worden gebouwd en er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, zoals lichtmasten, speeltoestellen e.d. Verkeer De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, wandel- en fietspaden met een functie gericht op zowel verblijf als op de afwikkeling van het verkeer. Tevens zijn binnen deze bestemming parkeer-, groen- en speelvoorzieningen, water, waterhuishoudkundige voorzieningen, waterberging en waterlopen toegestaan. Verder mag slechts ten dienste van de bestemming worden gebouwd en er zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegelaten, zoals lichtmasten, speeltoestellen e.d. Wonen Aan het te realiseren woongebouw is de bestemming 'Wonen' toegekend. Er is een bouwvlak aangeduid, waarbinnen het hoofdgebouw moet worden opgericht. Voor het hoofdgebouw is middels de aanduiding 'maximum bouwhoogte' een maximale bouwhoogte van 29,5 m geregeld.

Hierbinnen worden ten hoogste negen bouwlagen gerealiseerd. Verder is op de verbeelding middels een aanduiding het aantal wooneenheden per bouwvlak geregeld. Waarde - Archeologie 3 Voor het gehele plangebied is de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 3' opgenomen. De gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en de veiligstelling van archeologische waarden.

pagina 41 van 44

6 Financiële uitvoerbaarheid In het van kader van een goede ruimtelijke ordening (Bro), dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

• • •

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het project wordt op initiatief van de grondeigenaar gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van het plan zijn dan ook voor rekening van de initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de procedure zullen via de gemeentelijke legesverordening aan de initiatiefnemer worden doorberekend. Voor de gemeente zijn er verder geen kosten aan de ontwikkeling verbonden. De economische uitvoerbaarheid van dit initiatief is met het afsluiten van een anterieure overeenkomst tussen de ontwikkelaar en de gemeente IJsselstein geregeld. Hierin is opgenomen dat het planschaderisico voor rekening van de initiatiefnemer komt. Hiermee kan afgezien worden van het vaststellen van een exploitatieplan.

pagina 42 van 44

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor eenieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

7.2 Participatie Op 6 september 2023 is er een informatiebijeenkomst georganiseerd voor omwonende van het voorliggende plan. Hierbij zijn 631 uitnodigingen verstuurd waarbij 75 mensen langskwamen om hun mening te delen (11,9%). Tijdens deze informatiebijeenkomst heeft de initiatiefnemer twee mogelijke ontwerpen gepresenteerd aan de omwonenden waarop deze hun meningen konden delen via een reactieformulier. Het verschil tussen de twee ontwerpen zijn tweeledig. Ten eerste heeft ontwerp 1 in beginsel 140 appartementen terwijl ontwerp 2 in beginsel 145 appartementen heeft. Ten tweede is er een significant verschil tussen waar de bulk van de appartementen worden aangelegd en daarmee de bouwhoogte. Ontwerp 1 had in beginsel de bulk aan appartementen aan Cape Kenedy met een maximum van 7 bouwlagen. Ontwerp 2 had daarentegen in beginsel de bulk van de appartementen aan de N210 en de A2 met een maximum van 8 bouwlagen. In totaal zijn er 28 reactieformulieren ingeleverd en hebben 40 personen aangegeven interesse in het beoogde plan te hebben. Op basis van feedback is variant 2 gekozen vanwege het betere uitzicht voor bewoners aan de Cape Kennedylaan en de noordwestzijde van het plangebied, terwijl de extra appartementen doorslaggevend waren voor sommige omwonenden.

De meerderheid had een neutrale houding ten opzichte van dit ontwerp, wat afwijkt van de eerste variant waar men voornamelijk neutraal of negatief reageerde. Daarna is variant 2 aangepast op verzoek van omwonenden om het aantal bouwlagen aan de Cape Kennedylaan te verminderen en zo beter aan te sluiten op de bestaande bebouwing. Als compromis is besloten om één extra bouwlaag aan de oostkant toe te voegen, resulterend in negen bouwlagen. Dit maakt het gebouw herkenbaar vanaf de N210 en A2 en beschermt achterliggende woningen tegen geluidshinder van deze wegen. Na de informatiebijeenkomst werd de aangepaste variant 2 gekozen en vertaald naar het huidige bestemmingsplan. Een uitgebreid verslag van de participatie is opgenomen als bijlage (bijlage 6).

pagina 43 van 44

7.3 Vooroverleg In het kader van het vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro wordt het conceptontwerpbestemmingsplan voorgelegd aan de wettelijke vooroverlegpartners. Deze reactie is hieronder gedocumenteerd samen met de acties die zijn ondernemen als gevolg van de gemaakte opmerkingen.

Reactie Rijkswaterstaat Op 25 januari 2024 is per mail een reactie van Rijkswaterstaat ontvangen. De verwachting is dat de beoogde ontwikkeling leidt tot extra druk op de aansluiting op het rijkswegennet, wat niet wenselijk is aangezien het systeem van aansluiting A2 en N210 overbelast is. Dringend verzoek is aandacht te besteden aan maatregelen te waarmee de mobiliteit zoveel mogelijk wordt beperkt. Het plan voorziet in het aanbieden van deelmobiliteit. Los van dit plan wordt op een hoger schaalniveau gekeken naar de geconstateerde problematiek. Ten aanzien van luchtkwaliteit wordt geadviseerd het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit te gebruiken om de actuele situatie in beeld te krijgen. De toelichting is hierop aangepast. In het kader van externe veiligheid wordt verzocht te borgen dat een luchtbehandelingsinstallatie middels één handeling uitgeschakeld kan worden in geval van een calamiteit. Deze voorwaarde is opgenomen als bouwregel.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14459444/1