CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

2. Meerjarenbeleidsplan WIL 2026-2028

Raadsvergadering 6 maart 2025, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Raadsvoorstel Zienswijze Meerjarenbeleidsplan WIL 2026-2028, Kaderbrief WIL 202614.562 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

In 2025 terugbrengen naar <7% Daarna jaarlijks verder terugbrengen met 0,5%

Wij geven als werkgever het goede voorbeeld en vullen het aantal banenafspraakbanen volgens het quotum in. Hiermee geven we onze inwoners een kans en hebben wij een goede aanvulling op ons werknemersbestand.

Realisatie eind 2023: 3,68 bij een doelstelling van 5,3.

In 2025 doelstelling > 4 fte Daarna jaarlijks met 0,5 fte omhoog brengen, met ambitie al in 2027 cf. quotum

Bij het KSV bedraagt de wachttijd maximaal 55 seconden en de uitval maximaal 10%

Wij streven naar een goede bereikbaarheid zodat we de klant goed te woord kunnen staan.

Realisatie 2023: gemiddeld 43,5 seconden met een uitval van 5,6%.

Borgen dienstverlening

In ons Medewerkers Onderzoek scoren we op het overall welbevinden/werknemerstevredenheid >8,0

Wij willen een goede werkgever zijn en voeren daarom jaarlijks een Medewerkersonderzoek uit. In deze arbeidsmarkt is het van belang dat we een goede werkgever zijn. Uit de Medewerkersonderzoeken kunnen wij verbeterpunten halen die ons kunnen helpen om aantrekkelijk te blijven als werkgever.

Laatste keer in 2024 gemeten met Borgen van de bijna 8,0 en zo mogelijk een score overall van bijna een verder uitbouwen 8,0

33

11

Meerjarenbegroting

In dit Meerjarenbeleidsplan schetsen wij onze inzet voor de periode 2026-2028. Wij geven ook inzicht in de financiële consequenties van deze inzet. In de aanloop naar 2026 -het ravijnjaar- is dit des te belangrijker. Wij verbinden ons ook aan de financiële uitdagingen waar gemeenten voor staan. Wij gaven al aan dat dit gevolgen kan hebben voor de balans tussen opdracht, dienstverlening en middelen. In dat geval zullen wij in de jaarlijkse p&c stukken met u verbinden om te kijken welke keuzes gemaakt worden en waar deze afwijken van dit beleidsplan. In de Meerjarenbegroting die hoort bij dit beleidsplan schetsen wij op hoofdlijnen de financiële verwachtingen voor de komende jaren. De basis hiervoor is de Begroting 2025, inclusief de 1ste Begrotingswijziging 2025 zoals die wordt vastgesteld. Daarbij hanteren wij nog een aantal financiële uitgangspunten die wij in de bijlage hebben opgenomen. Dit gaat onder andere over indexeringen, volumeontwikkelingen enzovoort. De financiële opbrengsten van de Ontwikkelagenda WIL zijn nog niet opgenomen in de Meerjarenbegroting 2026 – 2027. De Meerjarenbegroting WIL 2026-2028 ziet er als volgt uit: Financiële samenvatting Inkomen Regelingskosten Inkomen Uitvoeringskosten

Begroting 2025 44.370.137 2.957.364

1e BW 2025 47.178.620 3.076.104

Begroting 2026 Begroting 2027 49.138.967 51.064.378 3.183.654 3.334.839

Begroting 2028 53.066.380 3.467.894

Begroting 2029 55.148.044 3.606.258

Programma Inkomen

47.327.501

50.254.725

52.322.621

54.399.217

56.534.274

58.754.302

Werk Regelingskosten Werk Uitvoeringskosten

1.621.000 3.713.943

1.794.000 4.057.753

1.794.000 3.855.073

1.794.000 4.040.116

1.794.000 4.201.721

1.794.000 4.369.790

Programma Werk

5.334.943

5.851.753

5.649.073

5.834.116

5.995.721

6.163.790

IO Regelingskosten IO Uitvoeringskosten

4.370.875 3.213.675

5.086.550 3.598.444

5.279.839 3.735.185

5.533.271 3.914.474

5.754.602 4.071.053

5.984.786 4.233.895

Programma Inkomensondersteuning

7.584.550

8.684.995

9.015.024

9.447.746

9.825.655

10.218.682

Bedrijfsvoering Programma DVO SW Totaal

9.228.380 1.150.000 70.625.373

9.296.787 1.150.000 75.238.259

9.475.721 1.150.000 77.612.439

9.867.168 1.150.000 80.698.246

10.236.870 1.150.000 83.742.521

10.621.197 1.150.000 86.907.970

34

Financiële samenvatting Regelingskosten Uitvoeringskosten Totaal

Percentage uitvoeringskosten

Begroting 2025 50.362.012 20.263.362 70.625.373

1e BW 2025 54.059.171 21.179.089 75.238.259

28,7%

28,1%

Begroting 2026 Begroting 2027 56.212.806 58.391.650 21.399.633 22.306.597 77.612.439 80.698.246

27,6%

Begroting 2028 60.614.983 23.127.538 83.742.521

Begroting 2029 62.926.830 23.981.140 86.907.970

27,6%

27,6%

27,6%

Uitgesplitst naar gemeente resulteert het volgende beeld: Per gemeente

Begroting 2027

Begroting 2028

Houten

Begroting 2025 15.771.937

1e BW 2025 Begroting 2026 16.764.097

17.350.747

18.056.766

18.753.155

IJsselstein

14.582.176

15.820.697

16.357.401

17.003.414

17.640.345

Lopik

4.467.908

4.752.038

4.911.476

5.102.089

5.289.821

Nieuwegein

35.695.138

37.593.213

38.884.600

40.427.761

41.950.985

108.215

108.215

108.215

108.215

108.215

70.625.373

75.038.259

77.612.439

80.698.246

83.742.521

Vijfheerenlanden Totaal bijdragen gemeente

De Ontwikkelagenda WIL 2026-2028 is zoals eerder gesteld, nog niet verwerkt in bovenstaande cijfers. Zouden we dit wel, dan resulteert -per gemeente- het volgende meerjarige beeld. Ontwikkelagenda

2026

2027

2028

Houten

-128.320

-256.641

-374.268

IJsselstein

-128.714

-257.429

-375.417

Lopik

-40.620

-81.241

-118.476

Nieuwegein

-302.345

-604.690

-881.839

Totaal bijdragen gemeente

-600.000

-1.200.000

-1.750.000

35

Meerjarenbegroting incl. Ontwikkelagenda

Begroting 2026

Begroting 2027

Begroting 2028

Houten

17.222.427

17.800.126

18.378.887

IJsselstein

16.228.686

16.745.985

17.264.928

Lopik

4.870.856

5.020.848

5.171.345

Nieuwegein

38.582.255

39.823.072

41.069.145

Vijfheerenlanden Totaal bijdragen gemeente

108.215

108.215

108.215

77.012.439

79.498.246

81.992.521

36

Bijlage 1 Specificatie Herijking Opdracht en Dienstverlening WIL Toelichting op Herijking Opdracht en Dienstverlening WIL (HODW) Herijking Opdracht en Dienstverlening WIL is de noemer waaronder WIL de balans terugbrengt tussen dienstverlening, personeel en financiën. Deze balans bleek eind 2023 verstoord waardoor het in 2024 nodig was tijdelijk extra te investeren in mensen en daarmee de dienstverlening. Dit is niet structureel wenselijk zodat in de begroting 2025 de tijdelijke middelen (7 ton) niet meer beschikbaar waren. Tegelijk willen wij samen met u de dienstverlening ook in 2025 op hoog niveau houden. Daarom hebben wij bij de Begroting 2025 al aangegeven met welke maatregelen wij middelen kunnen vrijspelen om de benodigde inzet mogelijk te maken. Dit pakket aan maatregelen worden momenteel uitgewerkt en geïmplementeerd voor 1 januari 2025. Hierna zullen wij kort aangeven wat de maatregelen precies inhouden en welke effecten we bereiken om te besparen zodat we kunnen investeren in de dienstverlening. En we slagen erin om de doelstelling te behalen: de dienstverlening blijft op hoog niveau, terwijl er geen extra middelen nodig zijn. Zoals al gezegd implementeren we en werken we de maatregelen op korte termijn uit die we in de Begroting 2025 hebben opgenomen.

Dit is een goed moment om kort te beschrijven welke maatregelen we nemen zodat u op de hoogte bent van de actuele stand van zaken. Programma Inkomen ➢ Eenvoudige dienstverlening Daar waar mogelijk wordt de dienstverlening voor de klant en intern effectiever en efficiënter ingericht. Dit is ook programma overstijgend omdat ook de processen tussen programma’s worden bekeken. Waar kan doen we het sneller en eenvoudiger. Dit komt ten goede van de inwoner. ➢ Rechtmatigheid krijgt dienstverlening breed de focus. In het Meerjarenbeleidsplan zult u teruglezen dat we uitgaan van ‘terecht in de uitkering’. Dit betekent dat we niet alleen bij de aanvraag, maar op alle contact momenten met de klant alert zijn of deze terecht een uitkering ontvangt. Onze positieve benadering houdt in dat wij op elk moment dat wij met onze klant in contact zijn, wij ook het gesprek voeren over de individuele situatie, mogelijke wijzigingen hierin en de gevolgen daarvan op het recht op een uitkering. Hiermee zorgen we dat er minder intensieve handhaving nodig is. ➢ Uitvoeringkosten ‘Wet op de lijkbezorging’ De uitvoeringskosten voor de Wet op de Lijkbezorging zijn bij WIL nooit in de begroting opgenomen, dat gold alleen voor de regelingskosten. Vanaf 2025 worden de opbrengsten van de Wet op de Lijkbezorging gebruikt om de uitvoering te financieren.

➢ Scan Voorliggende voorzieningen Wij zijn al gestart met de scan voorliggende voorzieningen. Welke klanten hebben mogelijk recht op een voorliggende voorziening. Voor de klant kan dit betekenen een regeling (uitkering, Toeslagen, etc.) waar mogelijk gunstigere voorwaarden gelden, voor WIL betekent dit (met terugwerkende kracht) kostenbesparing. Uiteraard ondersteunen wij de klant hierbij. Programma Werk ➢ Focus Poort In de Poort wordt de focus bij de aanvraag behalve op werk ook op inkomen gericht. Door de focus ook sterker op inkomen te richten zorgen we dat klanten minder gesprekken dubbel hoeven te voeren.

37

➢

Geen jobcenters/ werkbemiddeling in de Poort De instroom is veranderd. De mensen die snel een stap op de arbeidsmarkt kunnen maken, komen nauwelijks meer binnen bij WIL. Daarom is het niet meer mogelijk om effectief en efficiënt dienstverlening middels een jobcenter of werkbemiddeling te organiseren.

Programma Inkomensondersteuning ➢ Lean werken vanuit vertrouwen Reeds enige maanden loopt er een traject waarmee de werkprocessen bij het team Bijzondere Regelingen opnieuw worden ingericht. We doen dit vanuit eenvoud en vertrouwen. Hiermee bereiken we al dat de afhandeltermijnen teruglopen en we weer binnen de wettelijke termijn kunnen gaan werken. Bovendien worden de regelingen bereikbaarder voor onze inwoners door een toegankelijkere inrichting van processen. Programma Bedrijfsvoering ➢ Samenstelling Concern MT De samenstelling van het Concern MT wordt per 1 januari 2025 aangepast van 3 naar 2 personen ➢ Klantenservice (KSV) Het KSV is onze vooruitgeschoven post bij het contact met onze klanten. Wij slagen erin om hier bijna 1 fte af te schalen en de dienstverlening tegelijkertijd op niveau te houden. ➢ Contractbeheer professionaliseren Wij lopen een traject waarmee we een professionaliseringslag maken op ons contractbeheer. Dit leidt reeds tot de eerste besparingen.

38

Bijlage 2 Specificatie Ontwikkelagenda WIL 1) BREDE TOEGANG POORT De toegang is bedoeld om een integrale en toegankelijke dienstverlening te bieden voor alle inwoners van de Lekstroom-gemeenten. Door deze integrale en toegankelijke ondersteuning kunnen we effectiever inspelen op de diverse behoeften van inwoners. We streven naar gelijke kansen voor iedereen door middel van een proactieve en klantgerichte aanpak, waarbij de klant centraal staat. Dit doen we fysiek waar nodig en geautomatiseerd waar mogelijk. Het doel is om een Toegang te creëren die: 1. Toegankelijk is voor alle inwoners, met een focus op een één-loket-gedachte. 2. Samenwerkt met ketenpartners en lokale organisaties. 3. Preventief werkt om problemen vroegtijdig te signaleren en de juiste dienstverlening te bieden. 4. Voorkomt dat mensen vroegtijdig in een uitkeringssituatie of schuldhulptraject terechtkomen. De inwoner profiteert hiervan doordat direct de hele situatie wordt bekeken en sneller op verschillende vlakken ondersteuning wordt geboden. En vaak in een vroeg stadium zodat toename van de problematiek wordt voorkomen. Aan de Poort werken we daartoe samen met ketenpartners die zich op specifieke problematiek richten (bijvoorbeeld statushouders of de Wet Maatschappelijke Opvang en Begeleid Wonen). Op die manier zorgen we voor een goede start binnen de Lekstroom.

Voor de inwoner van groot belang zodat niet onnodig nieuwe problematiek ontstaat. De brede toegang beperkt zich in de doorontwikkeling vooralsnog tot de WIL dienstverlening. Een brede toegang die zich tot het gehele sociaal domein uitbreidt maakt nu geen deel uit van de doorontwikkeling. De insteek hierbij is dat de integrale toegang leidt tot minder gesprekken en bureaucratische handelingen voor de inwoner. Bij de start 1 keer het verhaal vertellen en niet meerdere keren. Dit vraagt bovendien minder personele inzet. De toegang voor specifieke problematiek zal naar verwachting arbeidsintensiever worden. De uitwerking van de precieze invulling gaat inzicht bieden in de precieze maatschappelijke impact, financiële en personele consequenties. Deze worden in de begroting opgenomen. 2) MEER LOKALE EN AFGESTEMDE DIENSTVERLENING WIL streeft ernaar dienstverlening te bieden die toegankelijk is voor iedereen die er recht op heeft. Dat doen we door het bundelen van kennis en ervaring, binnen de organisatie. Maar we willen onze dienstverlening ook zo dicht mogelijk bij de inwoners te brengen. Daar waar het mogelijk is, willen wij meer lokaal onze dienstverlening aanbieden. We zoeken daarbij aansluiting bij bestaande lokale initiatieven, infrastructuur, werkwijzen of afspraken. Meer lokaal aanwezig zijn is niet voor elke vorm van onze dienstverlening de meest passende vorm.

Daar waar nodig moeten we lokaal georganiseerde dienstverlening terugleggen onder centrale aansturing van WIL. Daarom maken we onderscheid tussen de 3 uitvoerende programma’s van WIL. Programma Werk De dienstverlening van het programma Werk is op verschillende manieren georganiseerd. Een deel ligt bovenregionaal (op niveau van arbeidsmarktregio), Lekstroom breed, lokaal per gemeente en centraal bij WIL. Deze spreiding is om verschillende redenen en met verschillende argumenten georganiseerd zoals het nu belegd is. Op een aantal thema’s hebben wij geen invloed, omdat dit rijksbeleid is. Op andere thema’s is er wel ruimte om keuzes te maken die goed

39

passen bij wat er nodig is. De wensen en mogelijkheden worden meegenomen in het traject rondom de Sociale Infrastructuur Lekstroom Werkt. Afhankelijk van de uitkomsten van de Sociale Infrastructuur Lekstroom Werkt kunnen daarin keuzes worden gemaakt. Om die reden worden er nog geen vooruitzichten vermeld in dit beleidsplan. Programma Inkomensondersteuning Dienstverlening op lokaal niveau is mogelijk en wenselijk. Inwoners met vragen over hun financiën, financiële problemen en vragen rondom bijzondere uitgaven moeten in hun eigen woonomgeving ondersteuning krijgen. Dergelijke vragen gaan vaak gepaard met een bepaalde vorm van gêne, waardoor een drempel wordt ervaren. Zichtbare en benaderbare ondersteuning kan ertoe bijdragen dat deze inwoners eerder en sneller ondersteuning zoeken en vinden. Programma Inkomen Binnen het programma Inkomen lijkt het niet direct logisch meer lokaal te werken. De dienstverlening van dit programma heeft een hoog specialistisch en juridisch gehalte, waarbij interne afstemming belangrijk is. Het inkomen (de uitkering) van mensen is een basisbehoefte. Het is belangrijk dat deze vorm van dienstverlening een hoge mate van continuïteit en betrouwbaarheid heeft. Uitkeringen, handhaving, terugvordering en dergelijke zijn elementen die het beste centraal aangeboden kunnen worden.

Tegelijkertijd is er een traject gaande rondom de verbreding van de poort en de toegang. In dat kader zullen ook vragen gesteld worden rondom lokale dienstverlening. De uitkomst van dit traject is bepalend voor de keuzes. Daarom worden hier geen vooruitzichten vermeld, voor het programma Inkomen. In het kader van de Doorontwikkeling WIL zal WIL het gesprek hierover met de gemeenten voeren en werken naar een aanpak die past bij de maatschappelijk ontwikkelingen, de (nieuwe) wettelijke kaders en de lokale wensen. Het doel is om in elke gemeente bij tenminste één lokaal initiatief aan te sluiten met zowel schuldhulp als bijzondere regelingen. De frequentie en de hoeveelheid wordt per gemeente afgesproken. Ook de financiering van deze dienstverlening moet in 2026 e.v. zijn afgesproken. 3) HARMONISEREN REGELINGEN WIL streeft naar een dienstverlening die duidelijk, begrijpelijk en overzichtelijk is, met een speciale focus op kwetsbare inwoners. Efficiëntie en maatwerk staan centraal, ondersteund door de Cliëntenraad. Harmonisatie van verschillen maakt WIL slagvaardiger en toegankelijker. De focus ligt op twee thema’s: bijzondere bijstand en minimaregelingen. Bijzondere bijstand: In 2023 is de Bijzondere Bijstand grotendeels geharmoniseerd en geactualiseerd.

Verdere harmonisatie van inkomenspercentages is wenselijk voor zowel WIL als de klant, en wordt ondersteund door de Cliëntenraad. Minimaregelingen: Minimaregelingen zijn nog niet geharmoniseerd; gemeenten zien het nut hiervan in en inmiddels voeren wij hierover het gesprek met de gemeenten over de mogelijkheden. Harmonisatie biedt duidelijkheid voor klanten en een efficiëntere uitvoering. De meeste minimaregelingen vallen onder een dienstverleningsovereenkomst (DVO), die variëren in aard en omvang, wat de effectiviteit belemmert.

40

Het concrete doel is om voor de bijzondere bijstand in 2026 alle inkomensgrenzen gelijk te trekken. Gemeenten bepalen grotendeels de bijstand, inclusief kostensoorten en inkomens- en vermogensgrenzen. Harmonisatie stroomlijnt de uitvoering en maakt aanverwante zaken eenvoudiger te organiseren. Bovendien draagt een eenvoudigere uitvoering bij aan het binden van personeel aan WIL. Het concrete doel voor de minimaregelingen is om in de periode 2025 - 2027 de regelingen en bijbehorende dienstverleningsovereenkomsten te harmoniseren. Gemeenten hebben vrijheid in hun minimaregelingen, wat leidt tot diversiteit. Harmonisatie betekent verlies van eigenheid, maar biedt duidelijkheid en efficiëntie.

4) MEER EENVOUD IN DE UITVOERING De afgelopen jaren zijn steeds meer gemeenten op zoek naar manieren om hun processen te stroomlijnen en te optimaliseren met als doel de dienstverlening aan hun inwoners te verbeteren. Hoewel dit een uitdagende taak is, is het toepassen van Lean-principes in deze context veelal heel succesvol gebleken. Na ruim 10 jaar lijkt het een heel goed moment om de dienstverlening van WIL en de hiermee samenhangende (primaire) processen te herijken om te zorgen dat WIL ook in de toekomst de kwaliteit van de huidige dienstverlening kan blijven bieden op een zo kostenefficiënt mogelijke wijze. Veel gaat nu al goed, maar de manier waarop WIL georganiseerd is en hoe de processen ingericht zijn, kan nog beter. De invoering van WIL-breed Lean werken is een strategische investering in de toekomst. Door samen te werken aan continue verbeteringen kunnen we onze dienstverlening aan inwoners optimaliseren en een positievere werkomgeving voor medewerkers creëren. Het concrete doel is om de kwaliteit en efficiëntie van de dienstverlening te verbeteren terwijl tegelijkertijd kosten verlaagd kunnen worden en de betrokkenheid van medewerkers wordt vergroot. Doelstellingen: 1. Procesoptimalisatie: identificeren en analyseren van primaire processen binnen WIL, meer efficiëntie binnen de interne organisatie. 2.

Verbeteren van de kwaliteit van de dienstverlening: focus op eenvoud, op de klantvraag (hulpvraag) en het verminderen van doorlooptijden, indien van toepassing. 3. Meer waarde creëren voor inwoners door efficiëntere dienstverlening. 4. Verhogen van medewerkerstevredenheid: betrekken van medewerkers bij verbeterprocessen. 5. Verbeteren van de integraliteit in dienstverlening en verstevigen en vergemakkelijken van verbindingen tussen teams en programma’s. 6. In het verlengde van bovenstaande punten streven naar meer eenduidige dienstverlening (processen, beschikkingen, etc.). 5) VERBREDE INZET OP TERECHT IN DE UITKERING Wij streven naar een goede balans in de kwaliteit van onze dienstverlening en de beschikbare (personele) middelen. Om die balans te kunnen waarborgen streven wij enerzijds naar meer grip op het volume (middelen) en anderzijds naar een beter klantbeeld (kwaliteit). Dat betekent dat de keten van rechtmatigheid van het proces van instroom tot uitstroom wordt versterkt, met een vergrote inzet op de bedoeling6, zodat inwoners zo goed mogelijk toegerust aan werk kunnen beginnen, en preventie. 6 Met de bedoeling wordt bedoeld: een realistische terugvordering van de te veel betaalde uitkering, het goed toepassen van de vrijlatingen, een tijdelijke

bonus voor inwoners die gaan werken zoals in Tilburg en Amsterdam, een realistische boete voor mensen i.g.v. oneigenlijk gebruik uitkering (volledig werken maar dit niet doorgeven- fraude), waarschuwingen m.b.t. op handen zijnde boetes, het vergemakkelijken van de inlichtingenplicht, etc.

41

Inwoners die zich melden voor een uitkering zullen meer intensief gescreend worden. Daarbij zal ook breder uitgevraagd gaan worden op de 5 leefgebieden zodat eventuele problematiek in een zo vroeg mogelijk stadium in beeld is zodat waar nodig de juiste ondersteuning geboden kan worden. Daarnaast zal er heel gericht gekeken worden of er recht is op een andere (voorliggende) voorziening. Dit zal op verschillende momenten gedurende de duur van een uitkering getoetst gaan worden. Als er geen recht is op een uitkering, stroomt een inwoner in principe niet in, tenzij dit tijdelijk aantoonbaar noodzakelijk is. Voor inwoners die terecht in de uitkering zitten geldt dat zij op kwalitatief goede dienstverlening kunnen rekenen. Klantgerichtheid is hierbij ons uitgangspunt. Onze inzet zal erop gericht zijn te voorkomen dat inwoners onnodig in de problemen komen door complexe regels of procedures. Preventie is een essentieel onderdeel van de dienstverlening: hier gaat het om zowel rechten als plichten. Onze dienstverlening zal duidelijk, eenvoudig en toegankelijk (bereikbaar) zijn. Wij passen maatwerk toe waar nodig. Voor inwoners waarvan blijkt dat zij onterecht in de uitkering zitten, geldt dat het recht op uitkering wordt beëindigd. Wij dragen ervoor zorg dat dit op zorgvuldige, transparante wijze en uiteraard binnen de wettelijke kaders gebeurt.

Beëindiging van een uitkering is geen doelstelling. Door ervoor te zorgen dat de inwoner beter in beeld is kunnen menselijke maat en rechtmatigheid, proportioneel, in de hele keten van instroom tot uitstroom, op de juiste momenten toegepast worden. Op deze manier kunnen wij een rechtvaardige sociale dienst realiseren. Een uitwerking van deze toelichting volgt in 2026 6) VERBREDE INZET OP PARTTIME WERKEN Werk is cruciaal voor het welzijn van de inwoners van de Lekstroomgemeenten. Het biedt inkomen, bevordert sociale integratie en maatschappelijke participatie, biedt ontwikkelingsmogelijkheden en heeft een positief effect op het algemene welzijn 7.

Voor sommige inwoners is parttime werk het hoogst haalbare en kan het een opstap zijn naar fulltime werk. Uit de uitvoeringstoets van de Vereniging voor Nederlandse Gemeenten (VNG) voor de Participatiewet in Balans blijkt dat 70% van de bijstandsgerechtigden een aanloop nodig heeft om uit te stromen naar betaald werk, waarbij parttime werk vaak een tussenstap is. De Participatiewet in Balans stimuleert dit door de bijverdiengrenzen te verruimen, waardoor parttime werk lonender wordt. Onderzoek toont aan dat de uitstroom van parttime werk naar fulltime werk driemaal hoger is dan vanuit de bijstand naar werk. Voor inwoners die parttime werk niet als einddoel zien, kan het een belangrijke opstap zijn naar fulltime werk. Een risico dat de Lekstroomgemeenten hebben benoemd, is de onzekerheid die inwoners kunnen ervaren bij inkomensverandering. Dit risico wordt ook in de uitvoeringstoets van de VNG genoemd en zal verder worden toegelicht. Om maatschappelijke participatie en bestaanszekerheid te optimaliseren, is extra inzet op parttime werk een belangrijke beleidskeuze. De Lekstroomgemeenten willen de bestaanszekerheid en maatschappelijke participatie van hun inwoners verbeteren. Tijdens een sessie over het MJB gaven de Lekstroomgemeenten aan dat zij parttime werk als een proef willen zien, waarbij het niet erg is als inwoners tijdelijk terugvallen op een bijstandsuitkering.

WIL sluit hier graag bij aan.

7 Onderzoek door Erasmus UMC uit 2017 wijst uit dat de indicatoren voor mentale en fysieke gezondheid, zelfwaardering, ervaren controle en geluk

significant stijgen (respectievelijk 17%, 17%, 14%, 11% en 25%).

42

Het doel van het project ‘parttime werk’ is om meer bijstandsgerechtigden naar parttime werk te begeleiden. Dit vereist dat werkcoaches uit de lokale werkteams beter bekend worden met parttime werk en dat drempels voor inwoners worden weggenomen. In de Lekstroomgemeenten werkt momenteel 6,4% van de bijstandsgerechtigden parttime, terwijl dit in de benchmark 8,8% is. Het doel is om dit percentage tegen eind 2028 gelijk te trekken met de benchmark, wat betekent dat 8,8% van de bijstandsgerechtigden parttime werkt.

Bij een gelijkblijvend aantal bijstandsgerechtigden betekent dit een stijging van 155 naar 213 parttime werkenden, een toename van 58 personen in de periode 2025-2028. Tussen 2026 en 2028 In 2025 moeten per jaar minimaal 17 extra inwoners parttime werk vinden. 7) DIGITALISERING/AUTOMATISERING Bij WIL erkennen we de cruciale rol van digitalisering in het verbeteren van onze dienstverlening en het vergroten van onze maatschappelijke impact. Voor de periode 2026-2028 richten we ons beleid op optimalisatie door digitalisering. Dit biedt een kader om onze ambitie, maatschappelijke resultaten en bijbehorende activiteiten te versterken en meer mensen te bereiken en te helpen. Dit moet dus leiden tot een verbetering van onze dienstverlening. De meeste inwoners zijn voldoende digitaal vaardig. Voor de inwoners die (nog) niet voldoende digitaal vaardig zijn, weken wij aan een passende oplossing om toch zo eenvoudig mogelijk gebruik te kunnen maken van onze dienstverlening. Digitalisering bij WIL betekent het gebruik van digitale technologieën om onze dienstverlening te verbeteren en efficiënter te maken. Dit kan verschillende vormen aannemen, zoals: 1. Automatisering van processen: Digitaliseren van administratieve taken en workflows om de dienstverlening aan de inwoner te verbeteren en tegelijkertijd tijd en middelen te besparen. 2.

Online-dienstverlening: Aanbieden van diensten via websites en apps, waardoor cliënten gemakkelijker toegang hebben tot hulp en informatie. 3. Gebruik van data: Verzamelen en analyseren van gegevens om beter inzicht te krijgen in de behoeften van cliënten en de effectiviteit van de dienstverlening te verbeteren. 4. Digitale communicatie: Gebruik van e-mail, chat en videobellen om in contact te blijven met cliënten, vooral handig tijdens situaties zoals de coronapandemie. Deze digitalisering helpt WIL om inclusiever, toegankelijker en effectiever te zijn in de ondersteuning van onze inwoners. Door digitalisering kunnen we de effectiviteit en het bereik van onze diensten vergroten. Het meerjarenbeleidsplan 2026-2028 zet duidelijke stappen richting een toekomst waarin digitale inclusie een drijvende kracht is voor maatschappelijke participatie en zelfredzaamheid in onze vier gemeenten. Met een visie op

43

innovatie en voortdurende verbetering streven we ernaar om onze digitale transformatie te verwezenlijken en betekenisvolle resultaten te behalen voor al onze inwoners. 8) SOCIALE INFRASTRUCTUUR LEKSTROOM WERKT Voor een toenemend deel inwoners is duurzaam participeren afhankelijk van (blijvende) intensieve ondersteuning (bv. via LKS, jobcoaching, beschutte werkplekken, e.d.). Dit vraagt om meer sociale infrastructuur dan we nu hebben in de Lekstroom. Met Sociale Infrastructuur Lekstroom Werkt is in 2024 een verkenning gestart die in de periode 2026-2028 moet leiden tot de gewenste toekomstgerichte sociale infrastructuur. Het Rijk verplicht gemeenten hiertoe ook. WIL kan dit niet alleen. Dit vraagt ook lokale inzet en lokaal bestuurlijk commitment! Een groter deel van de inwoners is in staat om economisch te participeren of daarnaartoe te groeien. Voor een goede werking van de arbeidsmarkt is dit ook van belang om het nog niet benutte arbeidspotentieel te activeren. We doen wat moet en nodig is, met als wenkend perspectief allereerst een hogere participatiegraad, secundair een lager BUIG bestand en minder regelingskosten. Efficiency en kwaliteit dienstverlening nemen overall eveneens toe; met als kern: een voldoende schaalniveau. De huidige verkenning Sociale Infrastructuur Werk en Inkomen Lekstroom (SILW) loopt door tot begin 2025.

De besluitvorming di e hierop volgt zal leiden tot een fase van kwartiermaken en ketenregie met uiterlijk 2028 een definitief besluit. Tegelijk is het de verwachting dat de meerwaarde van meer kwetsbare inwoners en klanten aan de slag. Een inschatting van de impact op inwoners en middelen is daarmee nu nog niet te maken. Een belangrijk deel van de besluitvorm ing hierover vindt ook binnen de gemeentelijke context plaats. Financieel gezien kan het investeringsbudget in 2025 uit de beschikbare budgetten vanuit het Rijk worden gedekt. Mogelijke opbrengsten en verdere investeringen in 2026 en verder zijn nog niet in te schatten. Dat is afhankelijk va de structuur die uiteindelijk wordt neergezet. 9) VERBREDE INZET OP ECONOMISCHE PARTICIPATIE In de Lekstroom zitten meer inwoners volledig in een uitkering dan nodig en het Rijk begroot (we behoren bij de onderste 20%); er is geen logische reden waarom de Lekstroom in deze onder presteert. De Benchmark Werk & Inkomen van Divosa bevestigt dit beeld. Er zitten in verhouding tot de benchmark meer mensen in de uitkering dan nodig. Hen aan het werk helpen is evenwel niet eenvoudig binnen de huidige constellatie van afspraken en verantwoordelijkheden in de Lekstroom. Werk heeft voor veel mensen juist een positief effect op gezondheid, participatie, welbevinden, gezondheid, enzovoort.

Bovendien draagt economische participatie bij aan het nemen van stappen richting financiële bestaanszekerheid. Het is bij uitstek een inzet die inwoners in staat stelt hun leven ten positieve te veranderen. Met de implementatie en realisatie van de Sociale Infrastructuur Lekstroom Werkt zal er in 2026 evenwel een beter uitgangspositie zijn om meer kwetsbare inwoners en klanten (naar vermogen) te laten participeren. De infrastructuur ie echter alleen helpend hierbij. Vanuit WIL en de Lokale werkteams vraagt het een gezamenlijke inzet om ook voldoende mensen gebruik te laten maken van de infrastructuur en de stap richt ing werk te laten maken. Door inzet van de lokale werkteams, WIL en WerkwIJSS samen is het realistisch, denken wij, dat er 40 klanten extra aan het werk geholpen worden en dus geen beroep meer doen op een uitkering. Dat betekent een besparing van € 700.000 op jaarbasis en 40 inwoners die participeren op een ander niveau. De investeringskosten bedragen naar inschatting in 2026 € 250.000 (binnen het Programma Werk vraagt dit een uitbreiding van de formatie van 3 fte).

44

Bijlage 3 Financiële uitgangspunten Meerjarenbegroting Enkele noties vooraf Binnen WIL hebben we te maken met regelings- en uitvoeringskosten. In 2025 bedragen de regelingskosten zo’n 75% van de totale kosten. Dit betreft deels kosten die niet altijd direct te sturen zijn; te denken valt hier aan het aantal klanten dat een aanvraag doet. Iemand die recht heeft op een uitkering of een regeling mag niet geweigerd worden. Maar ook de indexatie van de uitkeringen. Tegelijk geldt dat de regelingskosten deels wel beïnvloedbaar zijn. Een voorbeeld hier zijn de kosten voor minimaregelingen en bijzondere bijstand; gemeenten kunnen hierop sturen doordat het beleid en de verordende bevoegdheid bij de raden ligt. Datzelfde geldt voor de BUIG-kosten; door meer of minder in te zetten op uitstroom uit de uitkering kan het volume (beperkt) beïnvloed worden. De uitvoeringskosten bedragen in 2025 zo’n 25% van de kosten; door de hoge mate van arbeidsintensiviteit zijn de personeelslasten de veruit grootste kostenpost in deze. Ook hier geldt dat deze kosten deels niet te beïnvloeden zijn; denk hier aan de cao-stijgingen, doorbelastingen van derden (huisvesting en ICT bijvoorbeeld). Deels is een zeker mate van sturing zeker mogelijk, door digitalisering/automatisering bijvoorbeeld, of een minder arbeidsintensieve (=eenvoudigere) uitvoering, een strenger toelatingsbeleid, minder klanten, et cetera.

Iedere gemeente krijgt van het Rijk middelen voor de dekking/financiering van de structurele wettelijke (basis)taken in het kader van de Participatiewet (inclusief Bijzondere Bijstand, Sociale Werkvoorziening, en minimabeleid) en de Wet Gemeentelijke Schuldhulpverlening. Het Rijk keert deze middelen uit als BUIG-budget, als cluster Participatie in de algemene uitkering in het gemeentefonds en als Integratie-uitkering. Gemeenten krijgen daarnaast mogelijk/soms ook subsidies voor specifieke zaken en specifieke uitkeringen voor de uitvoering van de Participatiewet en schuldhulpverlening. Het staat iedere gemeente vrij de middelen die zij krijgen aan te wenden voor wat de gemeente zelf wil; er is geen verplichting deze aan Werk en Inkomen te besteden. Daarom is bij de Gemeenschappelijke Regeling gekozen om te werken met de begroting van WIL voor de kosten. Deze is gebaseerd op de dienstverlening zoals WIL die uitvoert, niet op Rijksbudgetten. De middelen die iedere gemeente van het Rijk krijgt, zijn in de kern te beschouwen als een zekere mate van basisfinanciering. Wat gemeenten krijgen is gestoeld op een rekenmodel. Onderpresteren t.o.v. het gemiddelde leidt tot onvoldoende middelen om de kosten te dekken; gelijk of beter presteren dan het gemiddelde levert een voordeel op.

Een uitzondering hierop vormen de minimaregelingen en bijzondere bijstand; hier geldt dat het Rijk uitgaat van een sober pakket aan regelingen/bijstand voor de meest kwetsbare inwoners; een gemeente die minder sober wil verstrekken moet hier vanuit eigen middelen op toeleggen.

45

Notabene Op hoofdlijnen en nuanceringen daargelaten geldt dat het Rijk prijsstijgingen van de uitkeringen als ook cao-stijgingen en dergelijke in zijn geheel of grotendeels meeneemt in de gemeentelijke financiering. De begroting WIL kan door deze prijsstijgingen en cao-stijgingen (fors) stijgen, de facto is deze hogere begroting voor gemeenten hierdoor veelal maar in beperkte mate of niet een netto kostenstijging. Het is in dit perspectief dat wij ons in relatie tot de Ontwikkelagenda WIL vooral gefocust hebben op die actielijnen die een netto kostenverlaging opleveren.

De financiële uitgangspunten van dit beleidsplan Voor de periode 2026 – 2028 hanteren wij een aantal uitgangspunten. Wij verbinden ons aan de financiële opgave van gemeenten voor 2026, met behoud van de financieringssystematiek van de Gemeenschappelijke Regeling WIL. Concreet resulteert dit in de volgende uitgangspunten: • Startpunt: De Begroting 2025, inclusief vastgestelde 1ste BW 2025, is het startpunt. • Klantvolumes: BUIG8, Schuldhulpverlening en Bijzondere Regelingen groeien met 2% per kalenderjaar (o.b.v. de meest actuele landelijke ramingen9; en -zeker voor BUIG- i.g.v. we geen ‘bijzondere’ dingen doen). De regelingskosten nemen hierdoor met 2% per jaar toe. De verwachte toename van het aantal statushouders nemen we hierin mee. Het percentage van 2% past bij de ontwikkeling waar het Rijk rekening mee houdt in meerjarig perspectief. Ditzelfde percentage wordt door Divosa en Berenschot gehanteerd. Bij deze ontwikkeling is geen rekening gehouden met de inzet vanuit WIL en de lokale werkteams op uitstroom. • Indexering: Deze bedraagt voor de uitkeringen 2% per jaar. We gaan uit van jaarlijks 5% meer kosten aan ICT en huisvesting/huur. We ramen de groei van loonkostensubsidie per jaar op +25%. De begroting neemt hiermee toe. Ongeacht het Ravijnjaar compenseert het Rijk de gemeente voor een groot deel van deze kosten.

• Ontwikkelagenda: De kosten en baten van de Ontwikkelagenda WIL, als ook het hiervoor benodigde investeringsbudget, hebben we nog niet opgenomen in de meerjarenbegroting. Dat willen wee pas doen als de Lekstroom gemeenten zich in het zienswijzeproces op dit MJBP hierover hebben uitgesproken. In de bijlage is wel een indicatief voorbeeld opgenomen van de .meerjarenbegroting als de Ontwikkelagenda zou zijn verwerkt. • Financieringssystematiek: We zetten de financieringssystematiek uit de Gemeenschappelijke Regeling WIL voort. Wij factureren de kosten bij de gemeente op basis van de vastgestelde begroting WIL. Voor de bijdrage van gemeenten zijn begroting en jaarrekening leidend en niet de bijdragen die gemeenten van het Rijk ontvangen. Dat doen we al zo sinds de oprichting van WIL.

8

BUIG: Bundeling Uitkeringen Inkomensvoorzieningen Gemeenten. Dit is de Rijksfinanciering voor onder andere de bijstandsuitkeringen.

9 Onder andere Ministerie SZW, Divosa en Berenschot.

46

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15066902/1