16. Ingekomen via inwoner - Nota van beantwoording Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 | Provincie Utrecht
Tekst van het document
10
Utrechtse natuuren milieuorganisaties (Utrechts Landschap, Natuurmonumenten, IVN, LEU, NMU)
Indiener heeft de volgende algemene opmerkingen over de PlanMER a. PlanMER onderzoekt geen alternatieven. De PlanMER brengt nu vooral de effecten van iedere locatie in beeld maar beschouwt geen alternatieven, laat staan dat er een vergelijking tussen alternatieven wordt gemaakt. b. De PlanMER onderzoekt geen cumulatieve effecten. Indiener mist We missen een krachtige afweging van de cumulatieve effecten van alle uitleglocaties van wonen en werken in de gehele provincie, o.a. het gezamenlijke effect van de plannen op de ambities voor het weidevogelgebied en Natura 2000-gebieden. Dit is relevant omdat meerdere plannen zullen leiden tot stikstofeffecten op Natura 2000-gebieden, het weidevogelgebied
a.
b.
De planMER beoordeelt de door gemeenten aangedragen locaties die op voorhand door de provincie ambtelijk als kansrijk zijn beoordeeld. Bij de beoordeling worden de milieueffecten in beeld gebracht, gebruikmakend van de zeven thema’s uit de Omgevingsvisie. Er zijn daarbij – net als bij planMER bij het PPWW21 – door de provincie in het planMER geen alternatieven onderzocht. De gemeentelijke voorstellen zijn doorgaans tot stand gekomen na lange gemeentelijke voorbereidingen (b.v. via een Omgevingsvisie) en regionale afstemming en een alternatievenvergelijking na dit proces biedt dan geen meerwaarde. De cumulatieve effecten van ontwikkelingen in de provincie zijn in het MER bij de Omgevingsvisie beschouwd. In het MER PPWW21 is een verdieping opgenomen ten aanzien van 47
c.
d.
verstoren, landschap aantasten, etc. Indiener is van mening dat de PlanMER een onterecht optimistische benadering heeft. Indiener geeft aan dat doordat gerekend is met het standaard rekenprogramma AERIUS Calculator 2021 in plaats van met de nieuwste versie van AERIUS in deze fase op geen enkele manier kan worden vastgesteld wat de potentiële effecten zijn op relevante Natura 2000-gebieden, dan wel welke mitigerende maatregelen nodig zijn. Aanvullend verzoekt indiener de uitgangspunten uit het Convenant Duurzaam Bouwen te verwerken in de PlanMER. c.
d.
cumulatieve effecten, die zeer beperkt aanvullende informatie heeft opgeleverd. De cumulatie van effecten is niet het gevolg van de aanwijzing van locaties, maar van de op omgevingsvisieniveau gemaakte keuzes over buitenstedelijke ontwikkeling. Antwoord ANTEA: Een beschouwing van cumulatieve effecten voegt weinig toe omdat de effecten niet significant veranderen door cumulatie. Het te bemerren voornemen is de aanwijzing van individuele locaties. Er is daarom gekozen voor een benadering met gebiedsanalyses om gericht naar deze locaties te kijken en aanbevelingen voor verdere planvorming te geven Voor de zienswijze aangaande de AERIUS-berekeningen wordt verwijzen naar de beantwoording van de zienswijze van indiener (10) in het hoofdstuk nieuwe uitbreidingslocaties opgenomen in het OPPWW23 – woonlocaties. De Provincie zet zich in voor een duurzame en circulaire economie. Hiervoor geldt dat niet de locatie, maar de wijze waarop de woon- en werklocaties ontwikkeld worden, bepalend is voor de mate waarin de ambities ten aanzien van een duurzame en circulaire economie worden behaald. Dit is voorwaardelijk voor de verdere ontwikkeling. Dit is ook opgenomen in de kwalitatieve ambities van het OPPWW23. In het OPPWW23 is afgesproken nieuwe woningbouwlocaties worden ontwikkeld op ten minste niveau brons van het CDW.
Aanvullend gaan we de komende periode met de partners van het Convenant Duurzame Woningbouw in gesprek om tot afspraken te komen om voor woningen waarvan de bouw start in 2025, het ambitieniveau te verhogen naar ambitie zilver of goud uit het Convenant Duurzame Woningbouw.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de PlanMER.
30
Werkgroep natuurlijk Zeist – West
Indiener is van mening dat in het kader van de MER-alternatieven als minder groei faciliteren, onvoldoende zijn onderzocht omdat in de MER niet kritisch wordt gekeken naar de woningvraag zelf en de
De keuze om de woningbouwbehoefte in de provincie te accommoderen is gemaakt in onze Omgevingsvisie. In de planMER behorend bij de Omgevingsvisie is dit ook aan de orde geweest. 48
milieueffecten van het uitgangspunt van PS dat onbeperkt aan de woningbouwplannen van gemeenten tegemoet moet worden gekomen.
Dit betekent overigens niet dat de provincie onbeperkt aan woningbouwplannen van gemeenten tegemoetkomt. Alle uitbreidingslocaties worden beoordeeld op basis van ons Omgevingsbeleid. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de PlanMER.
24
Stichting Milieuzorg Zeist e.a.
a.
b.
c.
d.
Indiener vraagt zich af waarom bepaalde uitbreidingslocaties die zijn opgenomen in het PPWW23, niet zijn meegenomen (bijv. WA Hoeve). Indieners merken op bepaalde analyses in de gebiedsanalyses uitleglocaties, erg globaal en summier zijn, zoals de effecten op het NNN en de beschermde soorten/biodiversiteit. Indiener stelt dat het goed zou zijn als niet alleen de locaties (sec) worden beoordeeld maar ook de effecten in cumulatieve zin worden aangeven en dat niet alleen voor de diverse locaties maat ook i.r.t andere ontwikkelingen. Opgemerkt wordt dat wel verwezen wordt naar de Plan MER Omgevingsvisie, maat dat door deze doorverwijzing een zorgvuldige toetsing vrijwel onmogelijk/ondoorzichtig wordt geacht. Voor indiener is het de vraag of de PlanMER en de Passende beoordeling wel aan de daaraan gestelde (minimale) eisen voldoet.
a.
b.
In de planMER en Passende beoordeling zijn de nieuwe uitbreidingslocaties onderzocht die nog niet in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie/ Provinciale Ruimtelijke Verordening (PRS/PRV) waren opgenomen en die geen vitaliteitslocatie zijn. De PRS/PRV-locaties zijn indertijd al ruimtelijk aanvaardbaar geacht (en is een planMER voor uitgevoerd) en deze vitaliteitslocaties zijn direct mogelijk op basis van de Omgevingsverordening (en zijn daarmee betrokken bij de planMER voor de Omgevingsvisie – en Interim-Omgevingsverordening. Het MER bij dit programma heeft een abstract karakter, dat tussen dat van het MER bij de omgevingsvisie en het detailniveau in verdere planvorming in zit. Dat heeft er ook mee te maken dat plannen vaak nog moeten worden uitgewerkt door gemeenten, waardoor het niet mogelijk is effecten gedetailleerd in beeld te brengen. De resultaten van het PlanMER hebben dan ook vooral ten doen om de ruimtelijke aanvaardbaarheid van de uitleglocaties nogmaals te beoordelen (dit wordt in een eerdere fase al gedaan via een integrale ambtelijke beoordeling) en te kijken welke eventuele aandachtspunten er zijn en of die voldoende worden geborgd via het ruimtelijk beleid van de provincie. Bij de verdere planuitwerking zal de gemeente voor het omgevingsplan een meer gedetailleerd milieueffectrapportage opstellen.
c.
d.
Voor de beantwoording van dit punt wordt verwezen wordt naar de beantwoording van de zienswijze van indiener 10 in hoofdstuk 6. De planMER brengt de noodzakelijke milieu-informatie in beeld die het bevoegd gezag nodig heeft bij het besluiten over het 49
PPWW, onder andere over de uitleglocaties die worden aangewezen voor verdere planvorming. De passende beoordeling brengt voor deze locaties in beeld of sprake kan zijn van significant negatieve effecten op instandhoudingsdoelen in natura 2000 gebieden en geeft aan welke mitigerende maatregelen noodzakelijk zijn. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde eisen van deze instrumenten. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de PlanMER.
Opmerkingen over de uitwerking van specifieke locaties in de PlanMER Nr. 04, 07, 18
Indieners Particulier, Particulier (groep)
Samenvatting zienswijze In de MER voor de locatie Ruimtevaartbaan in IJsselstein is niet gekeken naar te toenemende geluidshinder voor bestaande woningen door de verkeersontsluiting.
10
Utrechtse natuuren milieuorganisaties (Utrechts Landschap, Natuurmonumenten, IVN, LEU, NMU)
Indiener heeft over de werklocaties Amersfoort - Vathorst West, Wijk bij Duurstede –Broekweg Noord, Lopik -De Copen en De Ronde Venen –Mijdrecht-Noord en over de woonlocaties De Ronde Venen – Tuinderslaan en Abcoude Zuidwest en Vijfheerenlanden - Broekgraaf Noord, diverse opmerkingen over aspecten uit de PlanMER. Specifiek bij de locatie Ronde Venen –Mijdrecht Noord benoemt indiener de mogelijkheid tot het verhogen van de grondwaterstand om bodemdaling tegen te gaan als op te nemen maatregel. In de PlanMER wordt aangeraden om de gebouwen te funderen tot op de pleistocene zandlaag, zodat verdere bodemdaling geen belemmering voor
Reactie en eventuele aanpassing In de gebiedsanalyse voor de Ruimtevaartbaan, onderdeel van de PlanMER, is de geluidbelasting op de omgeving door toename van verkeer geagendeerd als nadere onderzoeksopgave. Het is aan de gemeente om hier verder bij de planuitwerking onderzoek naar te doen en waar nodig maatregelen te treffen. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de PlanMER. De opmerking bij de PlanMER zijn reeds meegenomen bij de generieke reactie op de zienswijzen van indieners bij deze woon en werklocaties. Zie hiervoor hoofdstuk 5. Ten aanzien van de mogelijkheid tot het verhogen van de grondwaterstand. Dat voorkomt niet het wegzakken van huizen en gebouwen. Huizen en gebouwen zakken door hun eigen gewicht. Heien gebeurt altijd in westelijk Nederland bij het neerzetten van huizen en gebouwen, ook op deze locaties.
50
24, 30
Stichting Milieuzorg Zeist e.a.
het plan is. Indiener geeft aan dat verhoging van de grondwaterstand zou een beter alternatief zou zijn: dan daalt de bodem niet en vindt er ook geen uitstoot van CO2 plaats.
Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van de PlanMER.
Indieners zijn van mening dat een aantal effecten in de PlanMER Bunnik – Kerseweide negatiever moeten worden ingeschat en dat gezien de negatieve effecten deze locatie niet in het PPWW moet worden opgenomen (24). Voor de locatie Bunnik – Kerseweide is de MER is opgenomen dat de locatie zeer negatief scoort op landschap en cultuurhistorie en dat mitigatie kan plaatsvinden door stedenbouwkundige verkaveling. Indieners bestrijden dit. Indieners merkt op dat ten onrechte de extra recreatiedruk op omliggende NNN-gebieden als de Raaphof niet is betrokken bij de MER. Toetsing van deze locatie op effecten NNN en ecologische verbinding Raaphof-Kromme Rijn is noodzakelijk.
De locatie Bunnik - Kersenweide scoort zeer negatief op het aspect Cultuurhistorie. Wij hebben echter geconstateerd dat in de gebiedsanalyse in de PlanMER ervan uit wordt gegaan dat de locatie in de bufferzone van het UNESCO Werelderfgoed Hollandse Waterlinies ligt. Dit is echter niet het geval. Wij zullen in de aanvulling op de planMER de beoordeling van deze locatie opnieuw laten uitvoeren. Wij verwachten dat dit zal leiden tot een andere waardering van deze locatie op het gebied van cultuurhistorie. Ten aanzien van het aspect archeologie gelden de regels zoals gesteld in hoofdstuk 7 van de Interim Omgevingsverordening, waarbij omschreven wordt waaraan gemeenten dienen te voldoen bij de verdere planontwikkeling. Het gebied ‘De Raaphof’, dat tot de NNN behoort als natuurbeheertype haagbeukenen essenbos is betrokken bij de gebiedsanalyse van deze locatie. Navraag bij Antea leert dat effecten door toename van recreatiedruk bij de nieuwe uitleglocaties kunnen worden gemitigeerd door GGM. Dit is echter nu niet expliciet in het PlanMER terug te lezen. In de aanvulling op de PlanMER zal dit alsnog worden toegelicht.
Conclusie: Deze zienswijze leidt tot een aanpassing van de PlanMER in die zin dat voor de locatie Odijk Kersenweide uit zal worden gegaan van ligging buiten de bufferzone van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies en dat de beoordeling op het aspect Cultuurhistorie daarop zal worden aangepast Daarnaast zal in het document “Aanpassing en aanvulling MER en Passende beoordeling” een algemene beschouwing van de effecten van Groen Groeit Mee als mitigerende maatregel voor recreatiedruk/natuurgebieden worden opgenomen.
51
7. Voorgestelde inhoudelijke wijzigingen in het provinciaal Programma Wonen en werken 2023 en het PlanMER Overzicht van voorgestelde wijzignigen in het provinciaal Programma Wonen en werken 2023 n.a.v. zienswijzen en vanwege voorschrijdende ontwikkelingen / voortschrijdend inzicht. Paragraaf/ Tabel 2
Originele tekst
Aanpassing / Aanvulling
Reden en bron
“Partijen bespreken in 2023 of en de wijze waarop de komende jaren kan worden toegewerkt naar ambitie zilver/goud uit het CDW en hoe hierover afspraken gemaakt kunnen worden”
Motie 16a
Paragraaf 2.2
In lijn met de randvoorwaardelijke afspraken die met het Rijk zijn gemaakt, wordt vanaf 2025 gestreefd naar tenminste 66% in deze segmenten. Om dit percentage op regionaal niveau te kunnen realiseren, wordt: - voor de nieuwbouwprojecten waarvan de bouw start in 2025 (of later) een minimum ambitie opgenomen op gemeentelijke schaal van gemiddeld tenminste 50% betaalbaar (sociaal en middelduur) per gemeente; - voor nieuwe uitbreidingslocaties voor woningbouw, die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit programma en die na 2025 worden ontwikkeld, geldt een minimum ambitie van 66% betaalbaar (sociaal en middelduur). Daarbij geldt het uitgangspunt van “comply or explain”. Dat wil zeggen dat als gemeenten niet hieraan kunnen voldoen, gemeente en provincie hierover in overleg gaan om te kijken of het alsnog haalbaar is of dat voor de betreffende uitleglocatie uit moet worden gegaan van een lager percentage. Daarbij speelt ook de totale balans betaal-niet betaalbaar in het gemeentelijk
Aanpassing: De provincie gaat met de partners van het Convenant Duurzame Woningbouw in gesprek om tot afspraken te komen om voor woningen waarvan de bouw start in 2025, het ambitieniveau te verhogen naar ambitie zilver of goud uit het Convenant Duurzame Woningbouw, op basis van de actuele stand van de techniek op het moment van start bouw. Aanpassing: In lijn met de randvoorwaardelijke afspraken die met het Rijk zijn gemaakt, wordt vanaf 2025 gestreefd naar tenminste 66% in deze segmenten op regionaal niveau. Om dit percentage te kunnen realiseren, wordt: - voor de nieuwbouw waarvan de bouw start in 2025 (of later) een minimum opgenomen op gemeentelijke schaal van gemiddeld tenminste 50% betaalbaar (sociaal en middelduur) per gemeente. Dit is nadrukkelijk een ondergrens: veel gemeenten zullen een aanmerkelijk hoger moeten percentage moeten realiseren om per regio op 66% gemiddeld uit te komen; - daarnaast zal de provincie met gemeenten in gesprek te gaan om te komen tot een programmering per woondealregio die daadwerkelijk leidt tot minimaal 66% betaalbare woningbouw; - voor nieuwe uitbreidingslocaties voor woningbouw, die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit programma, geldt een
Motie 17
52
woningbouwprogramma mee. Indien bij de vaststelling van het provinciaal programma al duidelijk is dat het percentage van 66% betaalbaar voor een locatie niet haalbaar is of dat andere afspraken zijn gemaakt, is dat aangegeven in hoofdstuk 4.
minimum van 66% betaalbaar (sociaal en middelduur). Daarbij geldt het uitgangspunt van “comply or explain”. Dat wil zeggen dat als gemeenten niet hieraan kunnen voldoen, gemeente en provincie hierover in overleg gaan om te kijken of het alsnog haalbaar is of dat voor de betreffende uitleglocatie uit moet worden gegaan van een lager percentage. Daarbij speelt ook de totale balans betaal-niet betaalbaar in het gemeentelijk woningbouwprogramma mee. Indien bij de vaststelling van het provinciaal programma al duidelijk is dat het percentage van 66% betaalbaar voor een locatie niet haalbaar is of dat andere afspraken zijn gemaakt, is dat aangegeven in hoofdstuk 4. Aanpassing: Gaasperwaard 3
Tabel 12, paragraaf 4.4 Paragraaf 4.1 (bij locatie Gaasperwaard 3)
Gaasperwaard 3 (voorwaardelijk)
Statenbesluit Gaasperwaard 3
-
Aanvulling: In de besluitvorming over het regionaal bedrijventerrein Gaasperwaard 3 is afgesproken dat in samenwerking met de gemeente Vijfheerenlanden en naar verantwoordelijkheid van iedere bestuurslaag wordt gestuurd op borging van zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, soort bedrijvigheid (voorrang voor bepaalde soorten en de bijdrage die geleverd wordt aan de regionale economie en werkgelegenheid), diverse verkeersaspecten en inpassing van de nieuwe werklocatie.
Statenbesluit Gaasperwaard 3
2&4
-
Aanvulling: In PPWW onder tabel 10a en 10b wordt toegevoegd met “De aantallen binnenstedelijk voor de gemeente Houten geven geen actueel beeld en zijn gebaseerd op verouderde informatie. Op basis van recente inzichten is verwachting dat de aantallen binnenstedelijk hoger zijn. Voor periode 2022 t/m 2025 circa 900 (i.p.v. 750) en voor 2026 t/m 2030 circa 500 (i.p.v. 80)”.
Zienswijze indiener 20
53
2 & 4 en bijlage 3
Diverse getallen in tabellen en lopende tekst.
in H4 bij introtekst wordt toegevoegd “Daarbij zijn alleen nieuwe uitbreidingslocaties opgenomen waar overeenstemming tussen regio, gemeente en provincie bij is”. Aanpassing: Het binnenstedelijke programma in IJsselstein wordt naar beneden bijgesteld met 4 woningen als gevolg van de aanpassing van de binnenstedelijke programmering van de locatie Ruimtevaartbaan (van 12 naar 8 woningen). Het buitenstedelijk programma voor deze locatie wordt verhoogd met 10 van 63 naar 73 woningen. Ook het totaalprogramma voor de regio en de provincie wordt verhoogd met 6. De (integrerende) tabellen (3, 10, 11 en bijlage 3) worden hierop aangepast waarbij (cijfers noemen)
Zienswijzen indieners 04, 07,11, 15, 18
In paragraaf 4.1 onder de kop “Nadere afspraken en randvoorwaarden specifieke woonlocaties” wordt toegevoegd: Naar aanleiding van de inspraak op het Ontwerp PPWWW is met de gemeente IJsselstein afgesproken dat bij de uitwerking van de verdere plannen voor deze locatie en de invulling van Groen Groeit Mee voor deze locatie nadrukkelijk aandacht wordt besteed aan de inpassing van het ontwerp in combinatie met de in het gebied aanwezige landschappelijke waarden en het versterken van de recreatieve waarde van dit gebied. Daarbij wordt de inbreng van omwonenden nadrukkelijk betrokken. De zienswijze leidt daarnaast tot de volgende aanpassing van de PlanMER. In het document Aanpassing en aanvulling MER en Passende beoordeling zal worden gegeven dat het gaat om een locatie van 81 woningen waarvan 73 buitenstedelijk en de Passende beoordeling zal daarop worden aangepast.
54
Overzicht van voorgestelde wijzigingen in het PlanMER n.a.v. zienswijzen en vanwege voorschrijdende ontwikkelingen/inzicht. Hoofdstuk/Paragraaf Samenvatting, 4.2, 5
Aanpassing / aanvulling
Toelichting
Reden en bron
Waardering indicator Cultuurhistorie in de gebiedsanalyse voor Bunnik Odijk Kersenweide aanpassen naar licht negatief en dit tevens verwerken in de samenvatting.
Zienswijzen indieners 24 & 30
Samenvatting, 1.5, 1.6 en 4.4, 4.15, 5
Wijziging aantal geprogrammeerde woningen buiten bestaand stedelijk gebied naar 73.
HS 3
Mitigerende effecten van de maatregel Groen Groeit Mee meenemen in beoordelingssystematiek PlanMER. Aanpassen Passende beoordeling conform het AERIUS 2022, wat leidt tot de volgende waarden:
Aanpassen indicator Cultuurhistorie in de gebiedsanalyse voor Bunnik - Odijk Kersenweide aanpassen. In de huidige gebiedsanalyse en waardering wordt uitgegaan van ligging binnen de bufferzone van het Werelderfgoed Hollandse Waterlinies. Dit is onjuist. De locatie ligt buiten de bufferzone. De gebiedsanalyse en waardering worden hierop aangepast, waardoor de beoordeling van het aspect Cultuurhistorie voor deze locatie van zeer negatief gaat naar licht negatief. Naar aanleiding van de zienswijzen van omwonenden en gemeente wordt de buitenstedelijke programmering van de locatie Ruimtevaartbaan bijgesteld. Tevens wordt de gebiedsomschrijving aangepast waaruit blijkt dat het aantal binnenstedelijk te bouwen woningen op deze locatie naar beneden wordt bijgesteld. Naar aanleiding van diverse zienswijzen wordt nader toegelicht hoe Groen Groeit Mee is meegewogen in het PlanMER. In de passende beoordeling die betrokken is bij de besluitvorming is gerekend met het standaard rekenprogramma AERIUS Calculator 2021. Sinds 26 januari 2023 is de nieuwe (2022) versie van AERIUS Calculator beschikbaar. Gezien het tijdpad van de besluitvorming over het programma wonen & werken was het niet haalbaar om alle stikstofberekeningen met deze nieuwe versie uit te voeren. Er is gekozen om de berekeningen te actualiseren voorafgaand aan vaststelling van het programma.
Vaststellingsbesluit Ontwerp PPWW23, Zienswijze indiener10.
3.2, 4.15, 5
Zienswijzen indieners 04, 07, 18
Zienswijzen indieners 24 & 30
55
56