CConstaterende datIJsselstein
Koppel je AI →
Document · PDF

16. Ingekomen via inwoner - Nota van beantwoording Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 | Provincie Utrecht

Commissie Ruimte 12 september 2023, gemeente IJsselsteinBij agendapunt: Overige ingekomen stukken20.879 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 en bijbehorend milieueffectrapport (planMER) Nota van beantwoording

Publicatiedatum Status Referentienummer

4 juli 2023 DEFINITIEF UTPS-1494042740-26219

1

Inhoudsopgave 1.

Doel en opzet nota van beantwoording ............................................................................................................ 3 Doel en status van deze nota ........................................................................................................................... 3 Ontvangen adviezen en overige reacties opmerkingen .................................................................................... 3 Leeswijzer ......................................................................................................................................................... 5 Overzicht indieners zienswijzen op nummer ..................................................................................................... 6

2.

Algemene reacties op het Ontwerp PPWW23 .................................................................................................. 7

3.

Wonen: kwantitatief programma en kwalitatieve kaders en uitgangspunten ................................................. 13

4.

Werken: kwantiatief programma en kwalitatieve kaders en uitgangspunten .................................................. 24

5.

Nieuwe uitbreidingslocaties opgenomen in het OPPWW23 ........................................................................... 25 Woonlocaties .................................................................................................................................................. 25 Werklocaties ................................................................................................................................................... 40

6.

Opmerkingen ten aanzien van de planMER ................................................................................................... 47 Beoordeling: beoordelingskader, autonome ontwikkeling, detailniveau ......................................................... 47 Opmerkingen over de uitwerking van specifieke locaties in de PlanMER ...................................................... 50

7. Voorgestelde inhoudelijke wijzigingen in het provinciaal Programma Wonen en werken 2023 en het PlanMER ................................................................................................................................................................. 52

2

1. Doel en opzet nota van beantwoording Doel en status van deze nota Deze Nota van Beantwoording gaat over de zienswijzen die zijn ingediend op het Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 en op het Milieueffectrapport bij het Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken. Provinciaal Programma Wonen en Werken Het Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 is op 21 februari jl. vastgesteld door Gedeputeerde Staten (GS) van de provincie Utrecht. Dit Ontwerp programma is, samen met het Milieueffectrapport (PlanMER) gedurende de periode 1 maart t/m 11 april ter inzage gelegd,digitaal op de website www.provincie-utrecht.nl/terinzage en er is over gecommuniceerd in verschillende huis- aan huisbladen. Terinzagelegging Tijdens de periode van terinzagelegging zijn (34) zienswijzen binnen gekomen en opgenomen in deze Nota van Beantwoording. De lijst met indieners is aan het einde van deze inleiding opgenomen. De zienswijzen komen van diverse partijen, zoals gemeenten, belangenorganisaties en inwoners. Proces van vaststelling De Nota van Beantwoording is op 27 juni2023 door GS vastgesteld. De wijzigingen die uit deze Nota van beantwoording voortvloeien, zijn verwerkt in het definitieve Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 en in een aanvulling op de PlanMER, welke dat ook door GS is vastgesteld.

Ontvangen adviezen en overige reacties opmerkingen Naast zienswijzen hebben GS ook op andere wijze adviezen en opmerkingen ontvangen. Provinciale Staten Op 17 mei 2023 is de Statenbrief Ontwerp provinciaal Programma Wonen en werken 2023 behandeld in de commissie RGW. Belangrijkste gesprekspunten waren de ambities en afspraken met betrekking tot betaalbaarheid en duurzaamheid van de nieuw te bouwen woningen. Hierbij is door GS toegezegd dat de tekst over betaalbaarheid wordt verhelderd. Daarnaast hebben Provinciale Staten op 31 mei ingestemd met het Statenvoorstel omtrent het programmeren van het regionaal bedrijventerrein Gaasperwaard 3. Ook zijn bij deze vergadering te actualiteitenmoties aangenomen over betaalbaarheid en duurzaamheid. Naar aanleiding van de behandeling van de statenbrief in de commissie RGW en naar aanleiding de besluitvorming in Provinciale Staten op 31 mei 2023, woren de volgende wijzigingen doorgevoerd in het Programma Wonen en Werken. Betaalbaarheid Naar aanleiding van actualiteitenmotie 17 “Voldoende betaalbare woningen” wordt de tekst onder de kop “Aandeel sociale en middeldure woningbouw” als volgt aangepast: Huidige tekst: In lijn met de randvoorwaardelijke afspraken die met het Rijk zijn gemaakt, wordt vanaf 2025 gestreefd naar tenminste 66% in deze segmenten.

Om dit percentage op regionaal niveau te kunnen realiseren, wordt: - voor de nieuwbouwprojecten waarvan de bouw start in 2025 (of later) een minimum ambitie opgenomen op gemeentelijke schaal van gemiddeld tenminste 50% betaalbaar (sociaal en middelduur) per gemeente; - voor nieuwe uitbreidingslocaties voor woningbouw, die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit programma en die na 2025 worden ontwikkeld, geldt een minimum ambitie van 66% betaalbaar (sociaal en middelduur). Daarbij geldt het uitgangspunt van “comply or explain”. Dat wil zeggen dat als

3

gemeenten niet hieraan kunnen voldoen, gemeente en provincie hierover in overleg gaan om te kijken of het alsnog haalbaar is of dat voor de betreffende uitleglocatie uit moet worden gegaan van een lager percentage. Daarbij speelt ook de totale balans betaal-niet betaalbaar in het gemeentelijk woningbouwprogramma mee. Indien bij de vaststelling van het provinciaal programma al duidelijk is dat het percentage van 66% betaalbaar voor een locatie niet haalbaar is of dat andere afspraken zijn gemaakt, is dat aangegeven in hoofdstuk 4. Wordt gewijzigd in: In lijn met de randvoorwaardelijke afspraken die met het Rijk zijn gemaakt, wordt vanaf 2025 gestreefd naar tenminste 66% in deze segmenten op regionaal niveau. Om dit percentage te kunnen realiseren, wordt: - voor de nieuwbouw waarvan de bouw start in 2025 (of later) een minimum opgenomen op gemeentelijke schaal van gemiddeld tenminste 50% betaalbaar (sociaal en middelduur) per gemeente.

Dit is nadrukkelijk een ondergrens: veel gemeenten zullen een aanmerkelijk hoger moeten percentage moeten realiseren om per regio op 66% gemiddeld uit te komen; - daarnaast zal de provincie met gemeenten in gesprek te gaan om te komen tot een programmering per woondealregio die daadwerkelijk leidt tot minimaal 66% betaalbare woningbouw; - voor nieuwe uitbreidingslocaties voor woningbouw, die zijn opgenomen in hoofdstuk 4 van dit programma, geldt een minimum van 66% betaalbaar (sociaal en middelduur). Daarbij geldt het uitgangspunt van “comply or explain”. Dat wil zeggen dat als gemeenten niet hieraan kunnen voldoen, gemeente en provincie hierover in overleg gaan om te kijken of het alsnog haalbaar is of dat voor de betreffende uitleglocatie uit moet worden gegaan van een lager percentage. Daarbij speelt ook de totale balans betaal-niet betaalbaar in het gemeentelijk woningbouwprogramma mee. Indien bij de vaststelling van het provinciaal programma al duidelijk is dat het percentage van 66% betaalbaar voor een locatie niet haalbaar is of dat andere afspraken zijn gemaakt, is dat aangegeven in hoofdstuk 4.

Duurzaamheid Naar aanleiding van actualiteitenmotie 16a wordt bij de tekst over het Convenant Duurzame Woningbouw onder de kop Energieneutrale nieuwbouw, klimaatadaptatie en circulariteit “als volgt aangepast: Huidige tekst: “Partijen bespreken in 2023 of en de wijze waarop de komende jaren kan worden toegewerkt naar ambitie zilver/goud uit het CDW en hoe hierover afspraken gemaakt kunnen worden” wordt gewijzigd in: De provincie gaat met de partners van het Convenant Duurzame Woningbouw in gesprek om tot afspraken te komen om voor woningen waarvan de bouw start in 2025, het ambitieniveau te verhogen naar ambitie zilver of goud uit het Convenant Duurzame Woningbouw, op basis van de actuele stand van de techniek op het moment van start bouw. Gaasperwaard 3 De aanduiding voorwaardelijk wordt in de tabellen en in de teksten bij Gaasperwaard 3 verwijderd. Daarnaast wordt, mede op basis van amendement “Gaasperwaard 3 van regionaal belang” bij het statenvoorstel regionaal bedrijventerrein Gaasperwaard 3, de tekst in hoofdstuk 4 onder de kop nadere afspraken en randvoorwaarden specifieke werklocaties bij de locatie gemeente Vijfheerenlanden, Gaasperwaard 2 en 3 als volgt aangepast. Huidige tekst: Uit de Passende beoordeling blijkt dat voor de locatie Gaasperwaard 3 een forse stikstofdepositie is berekend op stikstofgevoelig Natura2000 gebied.

Het vraagt aanzienlijke inspanning bij de gemeentelijke planuitwerking (inclusief mitigerende maatregelen) om deze depositie te voorkomen. Daarnaast dient bij de

4

ontwikkeling beide locaties bij de uitwerking van het bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het bevorderen van de mobiliteitstransitie. wordt gewijzigd in In de besluitvorming over het regionaal bedrijventerrein Gaasperwaard 3 is afgesproken dat in samenwerking met de gemeente Vijfheerenlanden en naar verantwoordelijkheid van iedere bestuurslaag wordt gestuurd op borging van zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik, soort bedrijvigheid (voorrang voor bepaalde soorten en de bijdrage die geleverd wordt aan de regionale economie en werkgelegenheid), diverse verkeersaspecten en inpassing van de nieuwe werklocatie. Uit de Passende beoordeling blijkt dat voor Gaasperwaard 3 een forse stikstofdepositie is berekend op stikstofgevoelig Natura2000 gebied. Het vraagt aanzienlijke inspanning bij de gemeentelijke planuitwerking (inclusief mitigerende maatregelen) om deze depositie te voorkomen. Daarnaast dient bij de ontwikkeling van deze locatie bij de uitwerking van het bestemmingsplan aandacht te worden besteed aan het bevorderen van de mobiliteitstransitie. Advies Commissie m.e.r Voor het Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 is er geen advies gevraagd van de Commissie m.e.r. Dit omdat het een aanvullend programma is op het Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021 (waarover de Commissie m.e.r.

wel heeft geadviseerd) en de PlanMER zich specifiek richt op de in het PPWW23 mogelijk gemaakte nieuwe uitbreidingslocaties. Voor een aantal locaties heeft dit geleid tot het opnemen van specifieke randvoorwaarden en aandachtspunten in het (Ontwerp) Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023, onder andere op het gebied van landschappelijke inpassing en mobiliteit. De gebiedsanalyses die in de PlanMER zijn opgenomen, worden ter beschikking gesteld aan de gemeenten en worden tevens gebruikt als input voor het vooroverleg in het kader van de verdere planprocedures. Leeswijzer In de Nota van Beantwoording zijn de zienswijzen ingedeeld naar de inhoudelijke onderwerpen waar zij betrekking op hebben. Hiervoor is de indeling van het Ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken als basis gebruikt. De inhoudelijke zienswijzen die alleen betrekking hebben op het milieueffectrapport zijn na de inhoudelijke onderwerpen opgenomen. Voor zover er nog aanleiding was om ambtshalve wijzigingen aan te brengen ten opzichte van het ontwerp, zijn deze vermeld bij het betreffende hoofdstuk. De zienswijzen zijn opgenomen in tabellen. Hierin zijn de volgende kopjes gebruikt: Nr. en Indieners: Hier wordt door een nummer en naam aangegeven wie de beschreven zienswijze heeft ingediend. Aan het einde van deze inleiding is een overzicht opgenomen van alle zienswijzen.

Daarin zijn vanwege de Wet Bescherming Persoonsgegevens geen namen van particulieren opgenomen. Samenvatting zienswijze: Hier wordt de zienswijze inhoudelijk samengevat. Als er meerdere personen of instanties over eenzelfde onderwerp een zienswijze hebben ingediend, wordt alleen als daartoe aanleiding bestaat verduidelijkt wie welke argumenten heeft ingebracht. Reactie en eventuele aanpassing: Hier is de reactie van GS opgenomen en is aangegeven of er op basis van de zienswijze aanleiding is de tekst / kaarten van het Provinciaal Programma Wonen en Werken aan te passen en zo ja, wat de essentie van de wijziging is. Sommige zienswijzen zijn over meerdere inspraakthema’s verdeeld. Gebruikte afkortingen OPPWW23: ontwerp Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023

5

PPWW23: definitief Provinciaal Programma Wonen en Werken 2023 PPWW21: Provinciaal Programma Wonen en Werken 2021 GGM: Groen Groeit mee NNN: Natuurnetwerk Nederland PRS: Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie PSV Provinciale Ruimtelijke Verordening Overzicht indieners zienswijzen op nummer Nummer 001 002 003 004 005 006 007 008 009 010 011 012 013 014 015 016 017 018 019 020 021 022 023 024 025 026 027 028 029 030 031 032 033 034

Naam indiener Particulier Particulier Particulier Particulier Partij Natúúrlijk Houten Particulier Bewonersgroep woningbouwlocatie Ruimtevaartbaan Cumela Bolton Ontwikkeling B.V. Utrechtse Natuur- en Milieuorganisaties (Utrechts Landschap, Natuurmonumenten, IVN, LEU, NMU) Gemeente IJsselstein Particulier Particulier Kracht van Utrecht Werkgroep Behoud Lopikerwaard (WBL) Gemeente Utrechtse Heuvelrug Particulier Particulier Gemeente Renswoude Gemeente Houten Gemeente Wijk bij Duurstede U10 Particulier Stichting Milieuzorg Zeist e.a. Veiligheidsregio Utrecht Vitens Consortium Rijnenburg Particulier Gemeente Eemnes Werkgroep Natuurlijk Zeist West Particulier Vrienden van WA Hoeve Particulier Gemeente Lopik

Reactie op bladzijde:

7 13 7 25, 50 13, 40, 47 29 25, 50 7 29 8, 30, 40, 42, 47, 50 25 13, 32 35 44 25, 35, 36, 42 14 15, 25, 50 16 17 19 24, 44 20 10, 20, 33, 34, 45, 49,51 11 12 36 37 38, 46 12, 20, 22, 33, 34, 48, 51 44 34 23 38

6

2. Algemene reacties op het Ontwerp PPWW23 Nr. 01,03

Indiener(s) Particulier

Samenvatting zienswijze In het programma wonen en werken ontbreekt de geluidsoverlast van vliegtuigen. Ook de verwachte effecten van de vierde aanvliegroute is niet meegenomen. Vraagt of deze problematiek meegenomen wordt in het PPWW23.

03

Particulier

Het plaatsen van windturbines is onverantwoord. Ze zijn te hoog, vangen te weinig wind en gevel te veel geluid.

08

Cumela

Indiener verzoekt bij het programmeren van werklocaties een expliciet onderscheid te maken tussen algemeen niet-agrarische bedrijven en bedrijven actief in de groen, grond en infrasector (door indiener Cumela-bedrijven genoemd). Volgens indiener zijn deze bedrijven specifiek aan het buitengebied verbonden en voor deze bedrijven zijn passende vestigingsmogelijkheden en uitbreidingsmogelijkheden ook nodig. Indiener verzoekt die op te nemen in het programma en andere beleidsdocumenten.

Reactie en eventuele aanpassing We zijn het met indiener eens dat lawaai van vliegverkeer zeker een aandachtspunt is voor alle woonlocaties in de Provincie Utrecht, maar de waarden zijn niet zodanig dat dit op dit moment locaties die opgenomen zijn in het programma onmogelijk maken. Het programma Luchtruimherziening valt onder het ministerie van I&W. De verschillende routes krijgen pas gestalte tijdens de ontwerpfase (2023/24). Door het ontbreken van duidelijkheid over de verschillende routes en dus ook de mogelijke vierde aanvliegroute, kunnen wij nog geen uitspraak doen over mogelijke effecten. Daarbij is het uiteindelijk ook aan gemeenten om de effecten te betrekken bij hun verdere planuitwerking. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. Deze zienswijze heeft geen betrekking op het OPPWW23. Deze zienwijze zal worden bekeken in het kader van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau windenergie die tussen 23 februari 2023 tot en met woensdag 5 april 2023 ter inzage heeft gelegen. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. Cumela-bedrijven zijn primair, maar niet uitsluitend gevestigd in het buitengebied. Door hun werkzaamheden en de aard van het materieel zijn deze bedrijven bij vestiging op een bedrijventerrein echter afhankelijk van een ontsluiting die niet ver door de bebouwde kom loopt.

Daarbuiten biedt de provinciale IOV ruimte voor de vestiging op een vrijkomend agrarisch bedrijfsperceel. Daarbij gelden wel voorwaarden, want niet elke plek zal geschikt zijn. In tegenstelling tot andere bedrijven geldt bij vestiging van een cumela-bedrijf geen sloopeis van 50% van de agrarische bedrijfsbebouwing (artikel 9.9, lid 1, onder b iv). Voor uitbreiding van bestaande niet-agrarische bedrijven zijn regels opgenomen in artikel 9.7. Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet zal de Omgevingsverordening soortgelijke bepalingen bevatten. Bij de periodieke aanpassing van de Omgevingsverordening kunnen zienwijzen worden ingediend 7

10

Utrechtse natuuren milieuorganisaties (Utrechts Landschap, Natuurmonumenten, IVN, LEU, NMU)

De ruimte in de provincie Utrecht is schaars en de opgaven zijn groot. Dat vraagt om strategische keuzes voor zorgvuldig ruimtegebruik. Indiener vraagt om daar voor drie onderwerpen een nadere motivatie aan te geven en het PPWW23 of de PlanMER op die punten aan te scherpen. Dit betreft de volgende punten: - Binnenstedelijke bouwen: indiener verzoekt een nadere duiding van wat met de pijplijnlocaties uit het vorige programma is gedaan, ook wordt verzocht een definitie aan geven wat binnenstedelijk is. Tot slot verwijst indiener naar het beleid van binnenstedelijk bouwen dat in 2009 in de eindbalans van de NV ontwikkelingsvisie werd vastgelegd en vraagt of dit is voltooid. - Het Convenant Duurzame Woningbouw (CDW): indiener verzoek in het PPWW23 concrete en nadrukkelijke eisen of afspraken op te nemen, omdat het PPWW de plek is waar provinciaal beleid wordt vastgelegd. Ook vraagt indiener welke rol de Provincie voor zichzelf ziet in het bereiken van de ambities voor Duurzaam bouwen. - Groen Groeit Mee: indiener vraagt om te onderzoeken in hoeverre en waar in deze woningbouwplannen kan worden voldaan aan de normen uit Groen Groeit Mee, en hoe deze groenontwikkeling kan worden gefinancierd en aan te geven welke de rol die de Provincie daarin speelt. Indiener heeft geconstateerd dat de definitie van een duurzaam bedrijventerrein weinig concreet gemaakt wordt in het ontwerp PPWW.

Indiener vraagt om bij nieuwbouw of herstructurering van bestaande locaties, al dan niet via de OMU, duurzame invulling te eisen. Ook vraagt indiener helder te maken hoe wordt gestuurd op de duurzaamheidseisen (pagina 20 ontwerp PPWW). Indiener pleit voor weidevogelcompensatie (één op één) indien er gebouwd gaat worden in of bij weidevogelgebieden en verwijst naar beleid in Friesland.

Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. We zijn het met indiener eens dat de ruimte in de provincie schaars is en dat er veel ruimtevragers zijn die om strategische keuzes vragen. Het is onze (en van gemeenten) inzet om de beoogde verstedelijking met een zo hoog mogelijke kwaliteit te realiseren, Binnenstedelijk: Bij de systematiek van het PPWW21 werd onderscheid gemaakt in een realisatie- en pijplijndeel. In de pijplijn plannen zaten de vertrouwelijke plannen en locaties die nog minder concreet waren. Zoals beschreven in het OPPWW23 hebben gemeenten ten behoeve voor het overzicht van de plancapaciteit in het PPWW23, veel meer plannen de openbare status gegeven (mede vanuit het oogpunt van een transparante overheid). Hiermee zouden met de systematiek van PPWW21 veel meer plannen in het realisatiedeel belanden. Omdat het niet realistisch is dat als die plannen gerealiseerd kunnen worden, is het verwachte aantal binnenstedelijk te realiseren woningen opgenomen, rekening houdend met planuitval. Hiermee zijn ook binnenstedelijke plannen die vorige keer nog als vertrouwelijk plan in de pijplijn zaten, nu als openbaar plan opgenomen. Binnenstedelijke locaties zijn locaties die liggen in het gebied ‘stedelijk gebied’ zoals opgenomen op de kaart Wonen en werken en recreeren, in de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht.

In de Eindbalans van de NV Utrecht werd o.a. ingezet op concentratie in bestaand bebouwd gebied. Dit is in lijn met de inzet in de Omgevingsvisie. Met de daarin opgenomen ‘basisprincipes voor verstedelijking’ zetten we primair in op binnenstedelijke locaties nabij knooppunten. Dit heeft ertoe geleid dat 91% van het aantal geprogrammeerde woningen binnenstedelijk kan worden gerealiseerd. Eventuele nieuwe (grootschalige) uitleg willen we koppelen aan HOV en knooppunten van belangrijke infra-corridors. In aanvulling daarop willen we onder voorwaarden ruimte bieden voor kleinschalige uitleg voor de lokale vitaliteit. 8

Convenant Duurzame Woningbouw: Als provincie is het onze inzet om voor de plannen die we zelf ontwikkelen (binnen Hart van de Heuvelrug) uit te gaan van niveau zilver. Gemeenten bepalen in lijn met het convenant hun eigen ambitie. In het met partners opgestelde convenant wordt uitgegaan van minimaal brons. Tevens willen we stimuleren hoe de komende jaren toegewerkt wordt naar niveau zilver/goud. In het OPWW23 sluiten we aan op het convenant. We kunnen onze eigen ambitie van zilver niet afdwingen (afgezien bij eigen projecten), het is niet toegestaan om bovenwettelijke eisen op te leggen. Er wordt jaarlijks geëvalueerd hoe het convenant werkt, nieuwe inzichten en technieken worden dan opgenomen en waar mogelijk verhogen we de indicatoren zodat het huidige goud het brons wordt in de toekomst. Wel is aan PS toegezegd om met partners van het Convenant Duurzame Woningbouw in gesprek gaan om te komen tot afspraken om voor woningen die vanaf 2025 in aanbouw gaan, het ambitieniveau te verhogen naar ambitie zilver of goud. Wij zullen deze toezegging ook opnemen in het PPWW23 Groen Groeit Mee: In de Interim Omgevingsverordening is vastgelegd dat voor alle uitbreidingslocaties >50 woningen geldt dat bij de uitwerking van de plannen invulling dient te worden gegeven aan Groen Groeit Mee (GGM). Om hier meer duiding aan te geven wordt de handreiking nieuwe woongebieden opgesteld.

In 2023 gaan we samen met gemeenten de werking van handreiking testen (oefenjaar), waarbij gemeenten ondersteund kunnen worden vanuit de provincie. In algemene zin geldt dat gemeenten in het ontwerpbestemmingsplan dienen aan te geven hoe ze hier invulling aan hebben gegeven. Hiermee wordt invulling gegeven aan paragraaf 4.1.2 van de Omgevingsvisie en aan hetgeen bepaald in artikel 9.13 in de Interim Omgevingsverordening. Op basis van ervaringen met de handreiking wordt bezien of de regel met betrekking tot GGM aangepast moet worden. Daarnaast 9

wordt vanuit het Pact Groen Groeit mee een verkenning gestart naar een potentieel (groen)fonds.

Duurzaam bedrijventerrein: In een combinatie van de IOV en de regionale uitgifteafspraken zal gestuurd gaan worden op zorgvuldig en duurzaam ruimtegebruik op nieuwe bedrijventerreinen. Zowel wijziging van de Omgevingsverordening als regionale uitgifteafspraken zijn nog in ontwikkeling. In het PPWW23 worden vooral de ambities weergegeven. De OMU hanteert voor de beoordeling van haar investeringen op bestaande bedrijventerreinen verschillende duurzaamheidscriteria. Weidevogels De uitbreidingslocaties die in het OPPWW23 zijn opgenomen liggen niet in een weidevogelkerngebied zoals opgenomen in de IOV. Indien een uitbreidingslocatie dicht bij een weidevogelkerngebied ligt, dient de gemeenten bij de gemeentelijke planvorming hiermee rekening te houden. Conclusie: De zienswijze leidt tot aanpassing van het PPWW23 op het punt dat wij de in de tekst opnemen dat we in gesprek gaan met partners van het CDW om te verkennen of verhoging van de ambitie naar niveau Zilver vanaf 2025 haalbaar is 24

Stichting Milieuzorg Zeist e.a.

Voor indiener is het niet duidelijk hoe het Programma Groen Groeit Mee doorwerkt in de Ontwerp PPWW23. Daarbij wordt o.a. verwezen naar de tekst in paragraaf ‘Evenwichtige ontwikkeling van rood en groen’ en art. 9.13 lid d van de Interim Omgevingsverordening. Indiener merkt op dat er nog geen harde (rand)voorwaarden t.a.v. het groen gesteld worden en vraagt zich af of er niet een beter borging in het programma moet zijn voor het mee laten groeien van groen met rood moet plaatsvinden. Onduidelijk is hoe men de balans tussen rood en groen vorm wil geven.

Groen Groeit Mee: Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 10. Natuurinclusief: Het ontwerpproces van een nieuwe woonwijk is een verantwoordelijkheid van de gemeente en valt buiten de scope van het PPWW. Wel moet een gemeente bij de planontwikkeling de regels van de Omgevingsverordening in acht nemen, inclusief de regels die toezien op de bescherming van aanwezige waarden. 10

Indieners zijn voorstander van ‘natuurinclusief ontwerpen, naast ‘natuurinclusief bouwen’ waarbij men vanaf het begin op een bepaalde plek, vanuit een breder perspectief, rekening houdt met de aanwezige waarden houdt. Voor indieners is het onduidelijk hoe een toetsing van de uitbreidingslocaties plaatsvindt. Dit ook gezien landelijke (Ladder voor duurzame ontwikkeling) en provinciale (Kader RP en Omgevingsvisie) regelgeving waarbij inzet is zoveel mogelijk binnenstedelijk te bouwen. Opgemerkt wordt dat in het Ontwerp PPWW is aangegeven dat door gemeenten aangedragen locaties ambtelijk integraal worden getoetst. Maar onduidelijk is waarom, als o.a. uit de PlanMER blijkt dat er op bepaalde aspecten (sterk) negatieve effecten zijn, niet wordt besloten een locatie niet op te nemen in het PPWW.

Ladder duurzame verstedelijking: De ladder voor duurzame verstedelijking is een Rijksregel die bij ontwikkeling van plannen altijd in acht moet worden genomen. In onze Omgevingsvisie hanteren we voor verstedelijking – in lijn met de ladder - basisprincipes die nieuwe (grootschalige) woningbouw in hoofdzaak in de nabijheid van bestaande of nieuw knooppunten accommodeert. Deze basisprincipes zijn door vertaald in artikel 9.13 en 9.14 van de (Interim) Omgevingsverordening. Dit heeft ertoe geleid dat in het Ontwerp Programma Wonen en Werken meer dan 90% van de woningbouw binnenstedelijk wordt geprogrammeerd. Sommige kernen beschikken echter niet over voldoende binnenstedelijke mogelijkheden, terwijl het voor de vitaliteit van die kernen wel noodzakelijk is dat er enige uitbreiding plaatsvindt. Dit gaat meestal over een geringer aantal woningen. Daarbij vindt in eerste instantie een interne ambtelijke toetsing plaatst waarbij al een aantal locaties afvalt, omdat de impact op de omgeving te groot. Ten aanzien van de in het programma opgenomen werklocaties, merken wij op dat voor aspecten waarop locaties in de MER zeer negatief scoren, is gekeken in hoeverre die negatieve effecten kunnen worden ondervangen bij de verdere planvorming. De planMER bevat hier ook suggesties voor, die wij onder de aandacht zullen brengen van de gemeenten.

Voor een aantal punten wordt ook bij de betreffende locatie al in het programma zelf aandachtspunten/randvoorwaarden genoemd voor de gemeentelijke planontwikkeling

25

Veiligheidsregio Utrecht

Indiener vraagt aandacht voor het voorkomen en beperken van risico’s om zo de veiligheid te vergroten. Indiener merkt op dat voor een aantal woon- en werklocaties het aspect externe veiligheid licht negatief scoort (o.a. Gaasperwaard 3). Voor het verbeteren van de veiligheidssituatie wordt vooral ingezet op goede vluchtroutes, risicocommunicatie en bluswatervoorzieningen. Indiener vraagt om bij de verdere uitwerking van de plannen ook de ontwerpparameter

Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. In zijn algemeenheid geldt dat alle locaties door middel van een integrale ambtelijke beoordeling op voorhand zijn beoordeeld aan de hand van het provinciaal beleid (Provinciale Omgevingsvisie en de Provinciale Interim Omgevingsverordening). Daarbij kunnen specifieke aandachtspunten worden meegegeven voor de verdere planvorming. Bij een aantal locaties zijn naar aanleiding van deze interne beoordeling ook al aandachtspunten meegegeven, waarbij 11

‘afstand tot de risicovolle objecten’ mee te nemen. In het bijzonder ten opzichte van objecten die bestemd zijn voor mensen die verminderd zelfredzaamheid.

26

30

Vitens

Werkgroep natuurlijk Zeist – West

Indiener geeft aan dat in het OPPWW23 geen aandacht wordt besteed aan de drinkwatervraag. Bij toename van het aantal woningen en werklocaties zal de drinkwatervraag ook toenemen. Het is in de Provincie Utrecht niet meer vanzelfsprekend dat bedrijven op drinkwater worden aangesloten. Hiervoor is door Vitens het toetsingskader Zakelijke Klanten opgesteld welke met de provincie besproken is. Ook voor woningen zal, afhankelijk van de locatie, geïnventariseerd moeten worden wat er nodig is om drinkwater te kunnen leveren. Wij verzoeken u bij de beoordeling van de locaties hier rekening mee te houden. Indiener is van mening dat het PPWW23 niet voldoet aan het principe van Groen Groei Mee (GGM). Bij geen van de (uitleg)locaties is concreet uitgewerkt hoe GGM, wordt ingevuld. Dit is in strijd met de voorgestane evenwichtige benadering. Het is daarom niet passend om het PPWW n deze vorm vast te stellen.

gemeenten bij de verdere planontwikkeling rekening dienen te houden. Voorbeelden van zulke aandachtspunten zijn voldoende afstand tot woonbebouwing (i.v.m. milieu categorieën) en de externe veiligheidszone snelweg. Bij de verdere planuitwerking zullen plannen ook aan de hand van deze punten door ons worden beoordeeld, evenals aan de regels uit de (Interim) Omgevingsverordening Provincie Utrecht omtrent veiligheid. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. We kennen de uitdagingen ten aanzien van de drinkwatervoorziening voor nieuwe woningbouwlocaties en werklocaties. Deze aandachtspunten nemen we mee in verdere uitwerking van de locaties. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23.

Voor de beantwoording van deze zienswijze wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 10.

12

3. Wonen: kwantitatief programma en kwalitatieve kaders en uitgangspunten Nr. 02

Indiener(s) Particulier

Samenvatting zienswijze Aandacht wordt gevraagd voor het mogelijk maken van standplaatsen voor woonwagens binnen de gemeente Montfoort.

Reactie en eventuele aanpassing Het opstellen van beleid voor woonwagens en standplaatsen is primair de verantwoordelijkheid van gemeenten. Gemeenten zijn bij uitstek de bestuurslaag die voor deze lokale behoefte de lokale afwegingen kan maken. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23.

05

Partij Natúúrlijk Houten

Indiener vraagt of de ambitie van de gemeente Houten om 2750 woningen toe te voegen in Houten Oost meegerekend is in de Bruto Plancapaciteit en zou graag een overzicht per gemeente van de Bruto Plancapaciteit per gemeente in het stuk opgenomen zien.

De locatie Houten-oost is geen onderdeel uit van de in het OPPWW23 opgenomen plancapaciteit. In tabel 3 is onder meer de bruto plancapaciteit opgenomen. Die is tot stand gekomen op basis van de Planregistratie wonen, waar gemeenten hun voorgenomen woningbouwplannen invullen. Voor de U10 gaat het daarbij om in totaal 129.052 woningen. In het Regionaal Programma wonen en werken 2023 regio U10 (https://www.stateninformatie.provincie-utrecht.nl/documenten/4-Regionaal-Programma-wonen-en-werken-2023-Regio-U10.pdf) is het overzicht opgenomen van de bruto plancapaciteit per gemeente (tabel 3.4). Voor de gemeente Houten gaat het daarbij om 942 woningen als onderdeel van de 129.052 woningen voor de regio U10. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23.

12

Particulier

Indiener is van mening dat voor IJsselstein een onrealistisch en te hoog woningbouwprogramma is opgenomen in het programma wonen in de periode 2022-2040 waarbij indiener verwacht dat een groot deel van dit programma van 1500 woningen niet gerealiseerd kan worden.

Voor IJsselstein is een programma van 1568 woningen voor de periode 2022 t/m 2030 opgenomen (waarvan 1500 binnenstedelijk). Op basis van huidige inzichten is er voor die periode nu een plancapaciteit van ruim 3000 woningen. Wij zijn het met u eens dat niet alle plancapaciteit zeker is en wellicht planuitval of vertraging kan plaatsvinden. Daar is bij de programmering ook rekening mee gehouden. Ervaring leert echter ook dat er zich geregeld nieuwe kansen voordoen waardoor nieuwe locaties in beeld komen. We merken hierbij op dat het toetsen op haalbaarheid van individuele plannen niet in het kader van 13

dit programma geschiedt. Bij het opstellen van het programma is ingezet op een realistisch woningbouwprogramma. Het beoogde woningbouwprogramma van 1568 woningen is ook opgenomen in de recent woondeal Regio U10. Ten aanzien van de ‘hardheid’ van de plannen merken we op dat er bij zogenaamde zachte plannen in het Planregistratie Wonen, ook plannen kunnen zitten waarvoor al een door de gemeenteraad vastgestelde Omgevingsvisie is. In de gebruikte definitie betreft een vastgestelde Omgevingsvisie nog geen harde plancapaciteit. Tegelijkertijd gaat het hier wel om door de gemeenteraad vastgestelde besluiten. Tot slot merken we op dat regionaal programmeren een cyclisch proces is waarmee via monitoring, evaluatie en actualisering ook vertraging of uitval in de woningbouwprogrammering kan worden gesignaleerd zodat tijdig bijgestuurd kan worden. Daarbij wordt bekeken of de opgenomen planning nog reëel is of moet worden bijgesteld. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. 16

Gemeente Utrechtse Heuvelrug

Indiener vraagt aandacht voor een meer integrale benadering waarin ook andere belangen blijvend worden meegenomen, in het bijzonder mobiliteit en van natuur, De huidige situatie biedt voor onze gemeente al voldoende uitdagingen op mobiliteitsgebied, waaronder de belasting van de N227 en N225. De in het OPPWW23 opgenomen locaties in aangrenzende gemeenten zullen deze problematiek enkel vergroten. Indiener vraagt om meer aandacht voor mobiliteit en verkeersstromen en vraagt tevens om Groen Groeit Mee niet alleen als streven bij het ontwikkelen van woon-en werklocaties op de nemen maar als voorwaarden.

Voor de beantwoording van deze zienswijze voor wat betreft het onderdeel Groen Groeit Mee wordt verwezen naar de beantwoording van zienswijze 10 in hoofdstuk 2 (algemene reacties) Ten aanzien van de impact op mobiliteit. Wij zijn het met indiener eens dat de ontwikkelingen van woningen in het Kromme Rijngebied een stevige impact heeft op de omgeving voor wat betreft de verkeersintensiteit. In het geval van Kersenweide is in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie/Provinciale Ruimtelijke Verordening al de bouw van 1000 woningen mogelijk gemaakt. De ophoging van dit aantal naar 1200 (1341 inclusief t Burgje) gaat gepaard met investeringen in fietsmobiliteit en investeringen die autobezit ontmoedigen. Hiermee verwachten we dat de verkeersintensiteit vergelijkbaar zal blijven aan de intensiteit uit het oorspronkelijke plan. Ten aanzien van eventuele overige ontwikkelingen in dit gebied geldt dat het provinciaal beleid deze alleen toestaat als uit de 14

mobiliteitsanalyse blijkt dat dit niet leidt tot onacceptabele effecten op het provinciaal wegennet. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. 17

Particulier

a. Indiener vraagt zich af waarom bij de plancapaciteit geen pijplijn locaties meer zijn ogenomen. b. Indiener vraagt zich af hoe het kan in het programma van de regio U10 (regionaal programma U10) bij Wijk bij Duurstede 122 woningen in de periode tot 2025 als vertrouwelijk zijn opgenomen. c. In documenten van de gemeente Wijk bij Duurstede die besproken zijn in de gemeenteraad wordt o.a. de uitbreidingslocatie Cothen-Oost genoemd. Hoe kan het dat deze geen onderdeel uitmaakt van het PPW023? d. Wat wordt verstaan onder een kleine ontwikkeling van wonen? Waar ligt de grens? e. Geldt ook bij een ontwikkeling van tot 50 woningen (uitleg) het principe eerst binnenstedelijk zoals de provincie voorschrijft? f. Kunnen grotere locaties opgeknipt worden in meerdere ontwikkelingen tot 50 woningen? g. Er wordt gesteld dat met de binnenstedelijke en uitleglocaties wordt voldaan aan de woningbouwopgave. Kan worden afgeleid dat het (voorlopig) bij de aangewezen locaties blijft?

a. Voor de beantwoording van dit deel van deze zienswijze verwijzen we naar de beantwoording van indiener 10 in hoofdstuk 2 onder het kopje “Binnenstedelijk”. b. Gemeenten vullen de Planregistratie Wonen in. Daarbij geven ze aan of een bepaald plan vertrouwelijk is. Ten behoeve van het Ontwerp PPWW23 is uitgegaan van de plancapaciteit stand van zaken oktober 2022. Ook voor de relatief korte termijn (tot/met 2025) kan het nog zijn dat plannen om moverende redenen als vertrouwelijk worden aangemerkt, bijvoorbeeld vanwege de lopende onderhandelingen over het programma. c. De gemeente heeft de uitleglocatie Cothen-oost niet ingebracht in het kader van deze ronde regionaal programmeren (voor het PPWW23). d. We benoemen over het algemeen inderdaad alleen de uitbreidingslocaties van enige omvang (ca 15 woningen). De aantallen van kleinere locaties worden kwantitatief wel opgenomen in het programma om een zo compleet mogelijk beeld te geven van de woningbouwcapaciteit. e. Nieuwe uitbreidingslocaties, die door de gemeenten ten behoeve van het regionale programma worden voorgesteld, worden door ons beoordeeld aan de hand van ons Omgevingsbeleid zoals opgenomen in de provinciale omgevingsvisie, de Omgevingsverordening en provinciale programma’s.

In het geval van nieuwe uitbreiding wordt ook bezien of de noodzaak daarvan voldoende onderbouwd is, onder meer in relatie tot de binnenstedelijke mogelijkheden. Dit geldt ook voor vitaliteitslocaties tot 50 woningen. Overigens geldt voor alle uitbreidingen ook de Rijksregel m.b.t. de lader voor duurzame verstedelijking. f. Het is niet mogelijk om een grotere uitleglocatie op te knippen tot meerdere vitaliteitslocaties. Vitaliteitslocaties (eenmalige 15

uitbreiding tot 50 woningen per kern) zijn mogelijk zonder regionale afstemming, maar worden getalsmatig wel meegenomen in de regionale programmering. g. Er kan niet uit het PPWW worden geconcludeerd dat het voorlopig bij deze locaties blijft. Op basis van de inzichten ten tijde van het opstellen van het Ontwerp-PPWW23 is aangegeven dat met de nu opgenomen binnenstedelijk programma en uitleglocaties wordt voldaan aan de woningbouwopgave. Bij de volgende actualisatie zal op basis van de dan bekende inzichten (waaronder woningbehoefte en informatie over woningbouwplannen) opnieuw worden gekeken in hoeverre de bestaande programma voldoende is en op welke punten dat moet worden bijgesteld. Voor de systematiek van het regionaal programmeren verwijzen wij u ook naar hoofdstuk 6.4 van onze omgevingsvisie. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. 19

Gemeente Renswoude

Gemeente is content met het kwantitatieve programma zoals in het ontwerp is opgenomen. Bij de ambities voor betaalbare woningbouw (50% betaalbaar bij start bouw in 2025 en 66% bij start bouw na 2025) is aangeven dat in overleg van deze % kan worden afgeweken. Door indiener is aangegeven dat voor de locatie Beekweide II inmiddels anterieure overeenkomsten zijn afgesloten. Ook wordt opgemerkt dat bij het percentage betaalbare woningbouw een lijn wordt getrokken tussen grote en kleine gemeenten. Indiener geeft aan het logischer te vinden bij dergelijke afspraken maatwerk te kunnen leveren waarbij bij kleinere woningbouwplannen van deze % kan worden afgeweken onder meer omdat de behoefte aan de sociale woningen in kleiner kernen minder groot is.

Onderdeel van het PPWW zijn inderdaad ambities over betaalbare woningenbouw. In lijn met de randvoorwaardelijke afspraken die met het Rijk zijn gemaakt, wordt vanaf 2025 gestreefd naar tenminste 66% in deze segmenten. Om dit percentage op regionaal niveau te kunnen realiseren, wordt voor de nieuwbouwprojecten waarvan de bouw start in 2025 (of later) een minimum ambitie opgenomen op gemeentelijke schaal van gemiddeld tenminste 50% betaalbaar (sociaal en middelduur) per gemeente. Ook is opgenomen dat we de streefpercentages bezien op regionaal programmaniveau en naar periode, en voor binnenstedelijke locaties, niet op planniveau. Daarbij streven gemeenten waar mogelijk naar verevening binnen eigen grenzen (voor lopende en nieuwe plannen). Hierbij merken we op dat we de locatie Beekweide II beschouwen als een binnenstedelijke locatie (locatie binnen het stedelijk gebied). We gaan ervan uit dat hiermee voldoende verduidelijkt is dat er voor de locatie Beekweide II sec geen noodzaak is om te komen tot 66% 16

betaalbare woningen en dat we met de gekozen formulering t.a.v. betaalbaarheid beoogd hebben om ruimte te geven aan enig maatwerk. Wel zullen wij met gemeenten in gesprek te gaan om te komen tot een programmering per woondealregio die daadwerkelijk leidt tot minimaal 66% betaalbare woningbouw (30% sociaal), vanaf 2025, met een zo evenredig mogelijke verdeling tussen gemeenten. Dat betekent ook dat als op de ene locatie een lager percentage betaalbaar wordt gerealiseerd, elders in de regio een hoger percentage betaalbaar dient te worden gerealiseerd. Dit vraagt om een goede regionale afstemming. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. 20

Gemeente Houten

Indiener merkt op dat voor het PPWW gebruik is gemaakt van Planregistratiesysteem wonen waarin de gemeente alleen de ‘harde’ plannen heeft opgenomen. Deze informatie is ook gebruikt als basis voor de afspraken in de woondeal. De collegeambitie van 4750 woningen (indicatief opgenomen in Houtens Spoorboekje, geagendeerd voor gemeenteraad 4 april) is daarmee niet opgenomen in het PPWW. Het nu opgenomen woningaantal van 852 woningen geeft een verkeerd beeld. Verzocht wordt om de cijfers van Houten aan te passen. Daarbij gaat het om ophoging van de binnenstedelijk aantallen en extra uitlegambities Concreet is het verzoek om: a. tabel 10a: binnenstedelijk de 750 op te hogen naar 1167 (totaal 1189) b. tabel 10b: binnenstedelijke de 80 op te hogen naar 839 (totaal 839) c. in paragraaf 1.2 (blz. 5) tekst te wijzigen van “Niet-kansrijke locaties nemen wij (nog) niet over in het provinciale programma. In voorkomende gevallen vindt hierover meestal nog overleg plaats tussen provincie en gemeente” naar “Locaties waarover nog overleg plaatsvindt tussen provincie en gemeente worden bij name genoemd in dit provinciale programma”

Ad a en b: indiener geeft aan dat er meer woningbouw gerealiseerd kan worden in de gemeente Houten. Hierbij merken we op dat de nu opgenomen aantallen in lijn zien met de aantallen in de woondeal. Ook merken we op dat het PPWW adaptief is en regelmatig wordt geactualiseerd en dat de opgenomen binnenstedelijk aantallen niet limitatief zijn. Hiermee kunnen (nieuwe) kansen worden benut. Om wel tegemoet te komen aan de reactie van de gemeente dat er meer binnenstedelijk gerealiseerd kan en zal worden zullen we een opmerking bij de tabel toevoegen. Daarbij merken we op dat we uit willen gaan van een realistisch aantal, gebaseerd op de informatie in het Planregistratie Wonen en dat bij de systematiek niet de insteek is om alle nu bekende plannen op te nemen omdat er ook sprake is van planuitval en het de inzet is om ook overplanning te hebben. Conclusie: Dit deel van de zienswijze leidt tot de volgende aanpassing: In PPWW onder tabel 10a en 10b wordt toegevoegd met “De aantallen binnenstedelijk voor de gemeente Houten geven geen actueel beeld en zijn gebaseerd op verouderde informatie. Op basis van recente inzichten is verwachting dat de aantallen binnenstedelijk hoger zijn. Voor periode 2022 t/m 2025 circa 900 (i.p.v. 750) en voor 2026 t/m 2030 circa 500 (i.p.v. 80)”. 17

d.

e.

in par 4.1 (blz. 23) bij kopje “Nieuwe uitbreidingslocaties” de volgende tekst toevoegen: “In de regio U10 vinden op dit moment gesprekken plaats tussen gemeente Houten en de provincie over een nieuwe uitbreidingslocatie in Houten Oost. tabel 10b uitleg 2750 op te nemen omdat op blz. 7 staat dat in de aantallen ook uitleglocaties zijn meegerekend waar provincie en gemeente nog geen overeenstemming over hebben.

Ad c t/m e: Het proces van regionaal programmeren is een proces om te komen tot locatiekeuzes. Dat proces is een gezamenlijk proces van gemeenten en provincie. Het PPWW bevat de voor de provincie relevante uitkomsten van dit proces. Omdat over noodzaak en wenselijkheid van het programmeren van de locatie Houten Oost op dit moment geen consensus bestaat tussen provincie en gemeente, zien wij op dit moment geen aanleiding hierna te verwijzen in de tekst van het Programma Wonen en Werken. Wel staat het de gemeente vrij het door hen beoogde programma op te nemen in het Planregistratiesysteem, zodat de kwantitatieve potentie van deze locatie zichtbaar wordt in de bruto plancapaciteit. Tevens heeft de gemeente de mogelijkheid om de locatie Houten Oost in te brengen in een zogenaamde snelkooksessie, waarbij de kansrijkheid van de locatie wordt beoordeeld. Voor de locatie Eiland van Schalkwijk, maximaal 250 woningen en ’t Goy, maximaal 50 woningen geldt dat ook deze locaties kunnen worden voorgedragen in het kader van de derde cyclus om te programmeren. Dit is ook aangegeven onder het kopje ‘vooruitblik” op blz. 25 van het OPPWW. Voorwaarde is dan dat de gemeente deze locatie aandraagt voor de volgende cyclus. Specifiek voor het Eiland van Schalkwijk hebben wij inmiddels begrepen dat de gemeente voornemens is een groter aantal woningen te programmeren.

Ook is het ruimtelijk karakter van deze voorgenomen ontwikkeling anders dan oorspronkelijk voorzien. Gelet daarop is het voorstel om deze gewijzigde ontwikkeling te laten beoordelen in een zogenaamde snelkooksessie, waarin de aanvaarbaarheid wordt onderzocht en waaruit aandachtspunten naar voren komen voor de verdere ontwikkeling. Bij het verzoek (e) om in tabel 10b in de kolom uitleg 2750 woningen op te nemen wordt verwezen naar een zin op blz. 7. De bedoelde zin op blz. 7 heeft betrekking op locaties die in de bruto plancapaciteit (opgenomen in tabel 3). In tabel 10b is echter het geprogrammeerde aantal woningen opgenomen waarbij het bij uitleglocaties expliciet 18

gaat om locaties waar provincie en gemeenten overeenstemming over hebben. Conclusie: Dit deel van de zienswijze leidt tot de volgende aanpassing: in H4 bij introtekst verhelderen dat alleen nieuwe uitbreidingslocaties zijn opgenomen waar overeenstemming tussen regio, gemeente en provincie. Dit in lijn met de toelichting in de regionale programma’s. 21

Gemeente Wijk bij Duurstede

Indiener onderschrijft de behoefte aan veel nieuwe woningen en is graag bereid om de samenwerking met provincie en andere partijen concreet inhoud te geven om samen de woningbouw te bevorderen en te versnellen. Indiener geeft aan dat een langere tijdshorizon noodzakelijk is. In het regionale programma van de U10 staat een overzicht met ook uitleg na 2031 waarbij voor Wijk bij Duurstede 370 woningen zijn opgenomen. Indiener verzoekt dit overzicht ook in het Ontwerp PPWW op te nemen. Indiener heeft met instemming kennisgenomen van de extra ruimte voor aanleg van bedrijventerrein in de gemeente. Er zal sprake zijn van extra werkgelegenheid waardoor een extra beroep wordt gedaan op huisvesting in de gemeente. Met extra mogelijkheden voor woningbouw geeft de gemeente deze mogelijkheid. Gemeente verwijst naar recent onderzoek dat in samenspraak met de provincie is verricht waarin is aangetoond dat er slechts geringe extra reistijd zal ontstaan als gevolg van de door gemeente gewenste nieuwbouw. Bij nieuwe woningbouwontwikkeling wil de gemeente extra maatregelen nemen om autoverkeer te beperken.

Wij danken u voor deze reactie en maken graag gebruik van de kennis van gemeenten en andere partijen om de ambities verder te realiseren. Indiener verwijst naar een tabel in het regionale programma. De bedoelde tabel 3.3 geeft een overzicht van de op dat moment bekende plancapaciteit per gemeente. Deze tabel waarin voor de gemeente Wijk bij Duurstede 370 woningen is opgenomen, heeft geen betrekking op het beoogde woningbouwprogramma. Zowel in de regionale programma’s als het PPWW zijn voor het beoogde woningbouwprogramma, aantallen t/m 2030 opgenomen. In het PPWW is inderdaad niet de plancapaciteit per gemeente opgenomen. In tabel 3 is de plancapaciteit als totaal voor de 3 regio’s opgenomen. Hierbij staat wel ook het totaal van de plancapaciteit voor de periode 2022 t/m 2039. Het betreffende onderzoek naar de verkeersintensiteit is op initiatief van de gemeente uitgevoerd en de hieraan door de gemeente getrokken conclusies worden door ons niet onderschreven. In het PPWW21 is reeds een uitbreiding van 530 woningen toegestaan. Hierbij is zowel gekeken naar de vitaliteit als naar de bereikbaarheid. Aanvullend op deze programmering is met de gemeente een maatwerkafspraak om de verkeersintensiteit na 5 jaar te monitoren en, afhankelijk van de uitkomsten daarvan, dan te bespreken over er eventueel ruimte is voor meer buitenstedelijke programmering.

De inspraakreactie van indiener op het OPPWW23 geeft geen aanleiding om af te wijken van deze eerdere gemaakte afspraak. 19

Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. 23

Particulier

Indiener vraagt aandacht voor de toepassing, het gebruik, en criteria van Tiny Houses⁠/flexwoningen zowel in binnenstedelijk alsook in buitenstedelijk gebied en verzoekt hieraan een paragraaf te wijden in hoofdstuk 2⁠. Aanvullend vraagt indiener richtlijnen of formele criteria op te stellen m⁠.b⁠.t⁠. (buitenwettelijke) projecten die al dan niet volgens de provincie in aanmerking kunnen komen door toepassing van de crisis herstelwet⁠.

Het OPPWW23 maakt in de programmering geen onderscheid tussen permanente woningen en Tiny Houses⁠/flexwoningen. Dat betekent dat binnen de geprogrammeerde woningbouwaantallen/locaties ook Tiny Houses en/of flexwoningen kunnen worden gerealiseerd. Aanvullend merken we op dat momenteel wordt onderzocht welke mogelijkheden er zijn om in de Omgevingsverordening aanvullende regels op te nemen die meer ruimte bieden voor Flexwonen. De eerste resultaten hiervan worden naar verwacht vastgelegd in de eerste herziening van de Omgevingsverordening, die rond de zomer door GS in Ontwerp zal worden vastgesteld. De Crisis en herstelwet (Chw) zorgt onder meer voor kortere (aanvraag)procedures waardoor bouwprojecten sneller kunnen starten. De Chw gaat op in de Omgevingswet. De Omgevingswet treedt op 1 januari 2024 in werking.

24, 30

Stichting Milieuzorg Zeist e.a., Werkgroep natuurlijk Zeist – West;

Indieners hebben de volgende generieke vragen en opmerkingen bij de gebruikte cijfers voor woningbouw: a. Voor indiener (24) is het niet geheel duidelijk hoe de recent vastgestelde woondeals doorwerken in de OPPWW23. b. Indiener (30) merkt op dat in het OPPWW23 per regio en gemeente wordt aangegeven om welke woningaantallen het gaat (binnen- en uitleg) maar dat alleen de uitleglocaties worden benoemd. Aangegeven wordt dat ook binnenstedelijk locaties ten koste van daar aanwezige waarden kunnen gaan. Naar de mening van indieners zou het goed zijn geweest als de binnenstedelijke locaties expliciet waren opgenomen en ook waren getoetst op hun effecten (bij bepaalde minimale omvang). c. Indiener verzoekt een minder grootschalig programma op te nemen. De voorliggende uitwerking is in strijd met de MER en

Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. a. De woondeals passen binnen de provinciale kaders en beleid. Bij het uitwerken van de woondeals is onder andere uitgegaan van de afspraken en plannen in het kader van regionaal programmeren. De opgenomen aantallen woningen in de woondeals zijn afgestemd met de aantallen in het OPPWW23. b. Wij erkennen dat ook er ook binnenstedelijk diverse waarden zijn. In de Interim Omgevingsverordening zijn regels opgenomen ter borging van diverse provinciale belangen binnen het bestaand stedelijk gebied, bijvoorbeeld op het gebied van bereikbaarheid (mobiliteitstoets), natuur (soortenbescherming), klimaatadaptatie, het bodem- en watersysteem, de drinkwatervoorziening, bodemdaling, cultuurhistorie en groenontwikkeling. Gemeenten zullen in het kader van een goede ruimtelijke ordening bij de planontwikkeling hier rekening mee moeten houden. Overigens zijn 20

d.

e.

f.

Interim-Omgevingsverordening. Indiener pleit voor het uitgaan van een beheerste groei (30). Indiener verzoekt om de bron van de opgenomen woningbouwaantallen (Provinciaal kader/Primos 2022) en verzoekt om de mogelijkheid om daarover nog zienswijze in te dienen. Indiener stelt dat er de woningvraag onvoldoende onderbouwd is. Voor zover indiener bekend is de prognose (ten onrechte) gebaseerd op beleidsvoornemens van gemeenten en provincie (30). Indiener plaatst kritische kanttekeningen bij de Primos-prognoses die aan de benodigde woningbehoefte ten grondslag liggen (24). Indieners merken op dat zij een andere aanpak t.a.v. de opgaven voor wonen en werken, voorstaan. Voorgesteld wordt met aan aantal scenario’s voor toekomstige woningbouwontwikkeling te werken zodat ook duidelijk wordt wat die scenario’s beteken voor o.a. de leefomgevingskwaliteiten van de provincie. Hierbij verwijzen indieners o.a. ook naar de uitkomsten van de PlanMER Omgevingsvisie PU en de landelijke regelgeving (Ladder voor Duurzame verstedelijking) (24).

gemeenten zich doorgaans zeer bewust van deze waarden, ook vanuit het belang van een gezonde en aantrekkelijke leefomgeving van haar bewoners. De binnenstedelijke locaties zijn, om de benodigde flexibiliteit te behouden, niet afzonderlijk opgenomen. Het programma is voor binnenstedelijke locaties niet limitatief. Voor de binnenstedelijk locaties is alleen het totaal volume per tijdsperiode geprogrammeerd. In de Planregistratie is zichtbaar om welke locaties het gaat. Bij de drie regionale programma’s is een lijst met onderliggende openbare binnenstedelijke locaties opgenomen c. Het Programma Wonen en werken betreft een verdere uitwerking van het beleid zoals opgenomen is in de Omgevingsvisie. Hierin is onder andere de ambitie opgenomen dat iedereen die in de provincie wil wonen kan beschikken over passende woonruimte. De Omgevingsvisie bevat ook een bandbreedte voor de woningbouwopgave en heeft (tezamen met de Interim – Omgevingsverordening) ter visie gelegen. Gekozen is om de woningbehoefte volledig te faciliteren. Aanvullend is op 21 september het Kader voor regionale Programmering Wonen en Werken 2022 vastgesteld door Provinciale Staten, waarin de bandbreedte voor deze ronde van het regionaal programmeren is vastgelegd. Het programma zoals voorzien in het OPPWW23 past binnen deze bandbreedtes.

U kunt het Kader u raadplegen via deze link: https://www.stateninformatie.provincie-utrecht.nl/documenten/Overig1/PS2022RGW80-02-1-Kader-voor-regionale-Programmering-Wonen-en-Werken-2022.pdf. d. De toekomstige woningbehoefte volgt uit de Primos-prognose die jaarlijks door ABF wordt opgesteld. Voor deze prognose wordt gebruik gemaakt van een methode, waarin met verschillende factoren rekening wordt gehouden (o.a. historische en demografische trends). De Primos Prognose brengt de meest waarschijnlijke ontwikkeling van bevolking, huishoudens, woningbehoefte en woningvoorraad in beeld op basis van de nationale CBS-prognose en trends in de afgelopen jaren. Voor het nu voorliggende programma is gebruik gemaakt van de standaard Primos prognose 21

2022. Dit is een gangbaar model, dat ook door het Rijk wordt gehanteerd. Erkend wordt dat prognoses in algemene zin onzekerheden bevatten. Dit kenmerkt demografische processen. Mede hierom is het een adaptief programma. Door adaptief te programmeren (en jaarlijks te monitoren, evalueren) kan in de loop der tijd op basis van onder andere bijgestelde prognoses en maatschappelijke ontwikkelingen, bijstelling van de programmering plaatsvinden. De Primos prognose kun u via deze link aanvragen: https://abfresearch.nl/publicaties/primos-2022/ e. Zie antwoord op vraag d. f. Zie hiervoor het antwoord op vraag c. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. 30

Werkgroep natuurlijk Zeist – West

Indiener geeft aan het in strijd met een goede ruimtelijke ordening te vinden dat nu nog niet naar de Ladder voor Duurzame verstedelijking is gekeken. Deze is van belang bij de vraag of nieuwe uitleg nodig is (30).

In het PPWW23 staat vermeld, dat gemeenten bij hun uiteindelijke besluit de rijksregelgeving in acht moeten nemen, zoals de Ladder voor duurzame verstedelijking. De noodzaak om buitenstedelijk te bouwen moet daarbij dus worden onderbouwd. Dat wil niet zeggen, dat in het afwegingsproces voor de aanwijzing van locaties in het PPWW de principes van deze Ladder geen rol spelen. Die principes liggen ook vast in het provinciaal beleid zoals verwoord in de Omgevingsvisie. Dat beleid is primair gericht op het optimaal benutten van de binnenstedelijke ruimte en het bouwen nabij knooppunten. Dit heeft er mede toe geleid dat meer dan 90% van het provinciale programma voor wonen binnenstedelijk kan worden gerealiseerd. Daarnaast is echter op een aantal locaties buitenstedelijke ontwikkeling nodig. In de gesprekken met gemeenten kijken wij daarbij altijd eerst naar de mogelijkheden binnenstedelijk en verwachte woningbouwbehoefte. Ook kijken we daarbij op regionaal niveau naar alternatieven die het beste aansluiten bij het provinciaal beleid. Op basis daarvan stellen we met de gemeenten op regionaal niveau een programma op in lijn met ladder voor duurzame verstedelijking. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23. 22

33

Particulier

Indiener maakt bezwaar tegen woningbouw voor, naast en achter het perceel op Achthoven 3 in Lexmond. Indiener maakt ook bezwaar tegen de drie regionale programma’s, de PlanMER en de Planregistratie. Indiener heeft tevens bezwaar tegen de regionale uitgiftestrategie en tevens tegen de plaatsing van grote en kleine windmolens. Indiener vraagt aandacht voor het gevaar van slootdempingen en vraagt om opengraving van de betreffende waterdoorgang.

Binnen het PPWW23 wordt niet voorzien in een nieuwe woonlocatie in nabijheid van het perceel Achthoven 3 in Lexmond. Voor zover er binnenstedelijk ontwikkelingen zijn, worden die al mogelijk gemaakt door de Interim Omgevingsverordening Provincie Utrecht. Indiener kan zich daarvoor het beste wenden tot de gemeente. Het deel van deze zienswijze dat betrekking heeft op het aspect wind zal worden bekeken in het kader van de Notitie Reikwijdte en Detailniveau windenergie die tussen 23 februari 2023 tot en met woensdag 5 april 2023 ter inzage heeft gelegen. Ten aanzien van de opmerking over de drie regionale programma’s merken wij op dat, afgezien van dat niet specifiek is gemaakt waar indiener bezwaar tegen heeft, deze rapporten niet zijn vastgesteld en ook niet ter inzage liggen. De essentie van de drie regionale programma’s is opgenomen in het Ontwerp PPWW dat ter inzage heeft gelegen. Ten aanzien van de Planregistratie merken wij op niet specifiek is gemaakt waar indiener bezwaar tegen heeft. Dit systeem is een voor ieder openbaar toegankelijk systeem waar gemeenten gegevens over woningbouwlocaties invoeren. Het onderwerp slootdempingen valt buiten het Provinciaal Programma Wonen en Werken. Wij adviseren indiener contact op te nemen met het waterschap hierover. Conclusie: De zienswijze leidt niet tot aanpassing van het PPWW23.

23

4. Werken: kwantiatief programma en kwalitatieve kaders en uitgangspunten 22

U10

a.

b.

c.

d.

Er bestaat teleurstelling over noodgedwongen uitgifte van bedrijventerreinen deels voor 2030 en deel 2030 en niet in de gewenste omvang. Er bestaat een wens om de compensatie van het verlies aan bedrijventerreinen door transformatie eerder te compenseren met ontwikkelingsmogelijkheden voor nieuwe bedrijventerreinen. Het uitgangspunt om 20-30% van de ruimtebehoefte aan bedrijventerreinen te vinden op bestaande bedrijventerreinen, wordt gezien als zeer ambitieus. U10 wil graag met OMU gezamenlijk traject starten om tot concrete, haalbare projecten te komen. Indiener spreekt de wens uit voor een minder ‘restrictief’ bedrijventerreinbeleid en wil vooral een ‘stimulerend’ beleid gericht op versterken economische kracht, werkgelegenheid en groeiende beroepsbevolking.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13016759/2