15.1 Vestingstad IJsselstein
Tekst van het document
21
Afb . 14. Overzichtsfoto’s van de fundering van de ronde Waltoren en het daarop gebouwde rechthoekige b randspuithuisje. Rechts onder de opbouw van de torenfundering in het kijkgat. In werkput 2 zijn twee structuren aangetroffen (afb. 15). In eerste instantie waren op het vlak twee losse stukken zichtbaar met daartussen een poer (S6), maar onder de poer bleek de muur gewoon door te lopen, waardoor S5 en S7 dus dezelfde structuur blijken zijn. Poer S6 is opgebouwd uit gebroken machinale bakstenen met afmetingen van ?x10x5 cm. De poer bestaat bovenaan uit één baksteenlaag van 40x40 cm en verspringt dan naar nog twee baksteenslagen met een omtrek van 80 bij 60 cm. Waarschijnlijk is deze poer een overblijfsel van de schoolfundering die op deze plek heeft gestaan. De poer is direct op een halfrond muurfragment gelegen, dat tot de muurtoren heeft behoord. De bovenzijde van deze muur ligt tussen 0,66-0,19 m +NAP (ca. 1,20-1,60 beneden het maaiveld) en is 1-1,10 m breed. De onderzijde ligt op ca. 1 m –NAP (ca. 2,80 m beneden het maaiveld) en van de muur is dus tussen 1,20-1,60 m in hoogte overgebleven. De bakstenen zijn voornamelijk gebroken, maar de afmetingen zijn 29x14x5,5/6 cm. De vijf-lagenmaat is 38 cm en de tien-lagenmaat 75 cm. Doordat vooral gebroken bakstenen zijn gebruikt is er alleen sprake van een ‘wild’ metselverband.
22
Afb . 15. De aangetroffen fundering in werkput 2. Van de aangetroffen funderingen zijn bakstenen en mortel verzameld die bestudeerd zijn door een specialist op het gebied van bouwm ateriaal. De bevindingen worden in de navolgende paragraaf besproken.
23
4.2.1 Bakstenen, mortel en een dakleifragment M.J.A. Melkert Tijdens het archeologische onderzoek aan de Molenstraat te IJsselstein zijn in totaal vier bakstenen bemonsterd van de muurtoren in werkput 2 (vnr. 6), één van de waltoren in werkput 1 (vnr. 4) en twee van het brandspuithuisje in werkput 1 (vnr. 3). 17 Bij alle bakstenen is, in wisselende mate, nog aangehechte mortel aanwezig. Tevens zijn van de waltoren en het spuithuisje een aantal sterk vochtbelaste brokken mortel verzameld (vnrs. 1 en 2). In een ophogingslaag in werkput 2 is daarnaast nog een groot fragment van een daklei aangetroffen (vnr. 7). 18 Bakstenen Alle bakstenen komen qua formaat en grondstof sterk overeen (tabel 2). Het zijn grote, handvorm stenen met lengten tussen 29 en 30 cm, breedten tussen 14 en 15 cm en dikten tussen 5,5 -6 en 7 cm. De kleur varieert van oranje met gele pitjes tot rozerood met gele pitjes en het baksel is fijnkorrelig met verspreid een paar zandkorreltjes. Wel zijn bij vnr. 3-2 ook nog enkele roodbruine fragmentjes en een klein brokje baksteen ingesloten en bij vnr. 3-1 enkele zwarte brokjes die deels concentrisch van opbouw zijn en erg op ijzeroer lijken. Ook vnr. 6-4 bevat iets rood gruis. Tabel 2. Bemonsterde b akstenen met complete afmetingen. Vnr.
Context
Lengte (cm)
Breedte (cm)
Dikte (cm)
4
waltoren
29
14
6
Kleur oranje(-geel)
6-1
muurtoren
30
15
6
rozerood(-geel)
6-2
muurtoren
-
14
5,5-6
oranje(-geel)
6-3
muurtoren
-
14
5-6,5
rozerood
6-4
muurtoren
-
6-7
oranje(-geel)
3-1
brandspuithuis je
-
15
6
bruinrood(-geel)
3-2
brandspuithuis je
-
15
6
rozerood(-geel)
De kwaliteit van de bakstenen wisselt in lichte mate, maar in het algemeen zijn de stenen vrij hard gebakken. Vnr. 6-3 bezit zelfs de kwaliteit van klinker en bij vnr. 3-2 is het intacte uiteinde bedekt met een laag groene ovenglazuur. Net als de bakstenen zelf komt ook de aangehechte kalkmortel erg overeen; deze is in bijna alle gevallen vrij hard en gemagerd met middenkorrelig, ongesorteerd en kleurrijk zand plus verspreid enkele schelpfragmentjes. Alleen het zand van vnr. 6-4 is iets meer grofkorrelig, met grind tot 7 mm en een schelpfragmentje van 2 cm; dit lijkt echter eerder een uitschieter dan dat het om een andere receptuur gaat. Nog meetbare voegbreedten liggen voor zowel de muurtoren als het brandspuithuisje tussen 1 en 1,5 cm, maar bij vnr. 3-1 is op een zijkant ook nog een 3 cm dikke plak mortel aangehecht die afkomstig is van een stuclaag. Daarvan toont de kalkmatrix kenmerken van oplossing en reprecipitatie als gevolg van vochtbelasting. Een los brok kalkmortel uit hetzelfde vondstnummer (vnr. 3-3) komt hier sterk mee overeen; dit brok is vrij fors en meet 11x7x5 cm. Datering Dateren op basis van baksteenformaten blijft een precaire zaak. Hoewel duidelijk is dat bakstenen 19 in het algemeen met de tijd kleiner worden, verschilt die ontwikkeling per regio.
Bovendien wordt al vrij snel in één en dezelfde periode met verschillende formaten gewerkt voor verschillende typen 20 bouwwerken of delen van bouwwerken. Voor stadsmuren zullen in het algemeen grotere bakstenen zijn gebruikt dan voor het opgaande werk van bijvoorbeeld woonhuizen. Met deze kanttekening in gedachten kan gezegd worden dat vergelijkbare formaten in het algemeen in Utrecht in de 15 e eeuw voorkomen,21 terwijl die van de watertoren nabij de stadsmuur van 17 18 19 20 21
Vnr . 3: muur brandspuithuisje S1.1; v nr. 4: waltoren S1.2; v nr. 6: muurtoren S2.7. Vnr . 7: ophogingslaag S2.2000. Hollestelle 1976; Van der Hoev e 2012. Janssen 1983; Gawronski & Veerkamp 2004; Melkert 2018. Hundertmark, ongepubliceerde data 1994 met aanv ullingen uit 2007; Hundertmark 2012.
24
Zaltbommel bijvoorbeeld al uit de 14 e eeuw dateren.22 Interessant bij Zaltbommel is dat voor de stadsmuur ter plaatse van de Sint Maartenskerk in de tweede bouwfase (na 1320) bakstenen van een net iets groter formaat zijn gebruikt dan in de eerste bouwfase. De bakstenen van beide torens en het brandspuithuisje bezitten hier min of meer eenzelfde formaat en bovendien komen ook de mortels die tussen de stenen is toegepast sterk overeen. Hoewel niet valt uit te sluiten dat hetzelfde mortelrecept gedurende langere tijd is toegepast, maakt de combinatie van zowel overeenkomstige bakstenen als mortel het waarschijnlijk dat beide torens ongeveer uit dezelfde bouwfase stammen. Gezien de ligging van het brandspuithuisje op de fundering van de waltoren en de toegepaste mortel van de stuclaag kan deze relatief gezien ná de afbraak van de waltoren worden geplaatst. Op basis van historische bronnen en afbeeldingen moet dat tussen ca. 1840 en 1920 zijn geweest.23 Voor de bouw van het brands puithuisje zijn waarschijnlijk bakstenen van de toren gebruikt.
Voor zover bekend had IJsselstein geen eigen steenovens, derhalve zullen de bakstenen van elders aangevoerd zijn gewees t.24 Daklei Het dakleifragment uit de geroerde ophogingslaag in werkput 2 is grijs van kleur, vrij hard en rijk aan kleine mica; op het foliatievlak is lokaal de sedimentaire gelaagdheid te zien als doorgaande laagjes van verschillende korrelgrootte. Dit is kenmerkend voor dakleien uit Wales : deze zijn niet e 25 voor de tweede helft van de 19 eeuw toegepast. Het fragment is tot 13 cm groot, 6 mm dik, heeft één recht bekapte rand en een nagelgat met een diameter van 4 -6 mm.
4.3
Reconstructie
Omdat de aangetroffen funderingen van de torens helaas niet in hun geheel konden worden vrijgelegd òf gedeeltelijk al waren uitgebroken, is op basis van hetgeen wèl is aangetroffen, historische kaarten en de huidige lay-out een reconstructie gemaakt van de stadsmuur en beide torens (afb. 16). Op basis daarvan kunnen de dimensies van de torens worden bepaald. Hierbij moet wel rekening worden gehouden dat het de afmetingen van de funderingen betreft en niet van het opgaande muurwerk. Naar boven toe waren zowel de torens als de s tadsmuur smaller in doorsnede. Omdat hiervan geen resten meer bewaard zijn gebleven is onbekend hoe dik de bovengrondse muren exact zijn geweest, en hoe de groot de ruimte binnenin de torens was. De stadsmuurreconstructie in het noordoosten van de stad heeft bovenaan een muurdikte van ca. 44 cm. De maten die hier gegeven worden betreffen de bovenkanten van de funderingen die zijn aangetroffen op het eerste vlak. De hoektoren heeft een buitenmaat gehad van 6,50 m bij 5,30 m 2 en een binnenmaat van ca. 4,50 m bij 3,90 m, wat een oppervlak gaf van ca. 13,90 m . De muurtoren halverwege de Molenstraat heeft een buitenmaat van 6,60 m bij 6,25 m (inclusief de stadsmuur). De binnenmaat van deze toren moet ca. 4,50 bij 4,50 m zijn geweest, wat een oppervlak gaf van ca. 17,5 m 2.
22
Hundertmark 2016. Formaat bakstenen watertoren 29-29,5x14,5x6-6,5 cm; de bouw v an de stadsmuur v ing aan in 1316 en e was v oltooid tussen 1344 en 1378; f ormaat bakstenen stadsmuur Sint Maartenskerk 1 bouwf ase 27-28x13,5-14x6,5-7 cm en e f ormaat 2 bouwf ase 28-29x14-14,5x6-6,5 cm. 23 24
Zie hoof dstuk 2.
Pers. Communicatie M. Melkert. 25 Janse 1986.
25
Afb . 16. Reconstructie van de stadsmuur en torens aan de Molenstraat.
26
5 Synthese 5.1
Algemeen
De verwachtingen die op grond van het vooronderzoek zijn gesteld, kunnen op basis van het huidige onderzoek grotendeels worden bevestigd. Verwacht werden de stadsmuur en beide torens: deze zijn gedeeltelijk aangetroffen. Ter hoogte van de school is de stadsmuur en de oostelijke helft van de toren reeds verwijderd; ter hoogte van de hoektoren is de aanzet naar de stadsmuur richting het westen eveneens uitgebroken, in ieder geval de bovenste meter onder het maaiveld. In het eerste geval is dat waarschijnlijk gebeurd met de afbraak van de St. Nicolaasschool, die met zijn voorgevel op de stadsmuur rustte. Bij de hoektoren is de stadsmuur uitgebroken voor het plaatsen van kabels en leidingen. De hoektoren zelf is bovengronds afgebroken voor het plaatsen van een rechthoekig gebouwtje met dezelfde bakstenen aan het eind van de 19 e eeuw, waar de brandspuitwagen van de brandweer in opgeslagen stond. Hoewel op andere locaties waar de stadsmuur is aangetroffen kon worden vastgesteld dat die op eikenhouten balken (bij de Nieuwpoort) en op wilgenhouten balken (in de Schapenstraat en het Kronenburgplantsoen) was gefundeerd, zijn er in de kijkgaten – rekening houdend met de beperkte omvang – geen funderingsbalken waargenomen.
De onderzijde van de stadsmuur is bij de hoektoren niet vrijgelegd in verband met de aanwezige kabels en leidingen en daar kunnen dan ook geen uitspraken over worden gedaan. De bakstenen aangetroffen aan de noordwestzijde van de stad hadden formaten van 30,5/30/29x15,5/15/14,5x6/6,5 cm en een tien-lagenmaat van 78 cm.26 Deze afmetingen komen overeen met die van zowel de torens als de stadsmuur van onderhavig onderzoek. Op basis van het onderzoek kan er geen specifiekere datering worden gegeven voor de initiële bouw van de stadsmuur en torens: de bakstenen kunnen zowel in de 14 e e als de 15 eeuw zijn vervaardigd en gebruikt. Door hergebruik is het echter ook mogelijk dat de funderingen van de torens van na deze eeuwen dateren, hoewel dan mogelijk ook kleinere, jongere bakstenen zouden zijn aangetroffen.
5.2
Beantwoording van de onderzoeksvragen
De onderzoeksvragen die in het Programma van Eisen zijn gesteld zullen hier worden beantwoord op basis van de bevindingen van het proefsleuvenonderzoek. Hoofdvraag: zijn de torens en stadsmuur in het onderzoeksgebied aanwezig, en meer specifiek, wat is daarvan de exacte locatie, diepteligging, afmetingen en opbouw? In het onderzoeksgebied zijn de torens en stadsmuur aangetroffen, hoewel de muurtoren nog maar voor de helft aanwezig was en de stadsmuur aldaar in ieder geval tot ca. 1,5 m onder het maaiveld is weggebroken. De exacte locatie is aangegeven op afb. 16. De bovenzijde van de hoektoren lag op ca. 0,77 m +NAP. Deze fundering is grotendeels opgebouwd uit (gebroken) bakstenen met formaten van 30x14,5/15x6/6,5 cm. De bovenzijde van de ronde muur is 90 cm breed en deze bolt naar onder toe uit met ca. 26 cm. De maximale hoogte van de toren die bewaard is gebleven is 1,70 m: de onderzijde bevindt zich op ca. 1 m –NAP (ca. 2,90 m beneden het maaiveld). De stadsmuur bij de hoektoren maakt hier een knik en de bovenzijde ligt op ca. 1,50 m +NAP. De bovenzijde is 55-60 cm breed en opgebouwd uit gebroken bakstenen met dezelfde formaten als de toren. De bovenzijde van de muurtoren halverwege de Molenstraat ligt tussen 0,66 -0,19 m +NAP (ca. 1,20-1,60 beneden het maaiveld) en de fundering is 1-1,10 m breed. De onderzijde ligt op ca. 1 m –NAP (ca.
2,80 m beneden het maaiveld) en van de muur is dus tussen 1,20-1,60 m in hoogte overgebleven. De bakstenen zijn voornamelijk gebroken, maar de afmetingen zijn 29x14x5,5/6 cm. Doordat vooral gebroken bakstenen zijn gebruikt is er alleen sprake van een ‘wild’ metselverband.
26
Halv erstad 2010.
27
1. Zijn er archeologische resten (sporen, structuren, vondsten) aangetroffen? Ja, van beide torens zijn funderingen aangetroffen en ook een deel van de stadsmuur bij de hoektoren. 2.
Waar bevindt zich de stadsmuur en hoe is deze opgebouwd? Wat is de diepte ligging van de b ovenzijde? De fundering van de stadsmuur is alleen aangetroffen bij de hoektoren. Deze is opgebouwd uit, voornamelijk gebroken, bakstenen met afmetingen van 30x14,5/15x6/6,5 cm. De bovenzijde van de stadsmuur ligt op 1,50 m +NAP en is daar 55-60 cm breed. De onderzijde is niet waargenomen: door kabels en leidingen kon langs de stadsmuur niet verder verdiept worden. 3.
Waar bevindt zich de hoektoren (‘Waltoren’)? Hoe is deze opgebouwd? Wat is de diepteligging van de bovenzijde? De hoektoren bevindt zich inderdaad op de hoek van de Molenstraat: veel is er dan ook niet in het stratenpatroon gewijzigd sinds de Middeleeuwen. Deze toren is opgebouwd uit, voornamelijk gebroken, kloostermoppen met afmetingen van 30x14,5/15x6/6,5 cm . De bovenzijde van de fundering ligt op ca. 0,77 m +NAP en de fundering is voor ca. 1,70 m hoogte bewaard gebleven. De fundering is bovenaan 90 cm breed en bolt naar onderen toe uit met nog eens 26 cm. Omdat vooral gebroken bakstenen zijn gebruikt is er alleen sprake van een ‘wild’ metselverband. 4.
Waar bevindt zich de toren centraal aan de Molenstraat? Hoe is deze opgeb ouwd? Wat is de diepteligging van de bovenzijde? De toren centraal aan de Molenstraat ligt recht tegenover huisnummer 3. De bovenzijde ligt tussen 0,66-0,19 m +NAP (ca. 1,20-1,60 beneden het maaiveld) en de fundering is 1-1,10 m breed. De onderzijde ligt op ca. 1 m –NAP en van de muur is tussen 1,20-1,60 m in hoogte bewaard gebleven. De gebruikte bakstenen zijn veelal gebroken. De afmetingen zijn 29x14x5,5/6 cm. Doordat vooral gebroken bakstenen zijn gebruikt is er alleen sprake van een ‘wild’ metselverband. 5. Wat is de aard, datering en herkomst van de geb ruikte b ouwmaterialen? Het bouwmateriaal bestaat uit bakstenen (zogenaamde kloostermoppen) en mortel. Het is niet eenvoudig een scherpe datering aan het bouwmateriaal te koppelen: het formaat en type baksteen wordt op vergelijkbare plaatsen zowel in de 14 e als 15 e eeuw vervaardigd en toegepast. Doordat vooral gebroken bakstenen zijn gebruikt moet er rekening mee worden gehouden dat deze van elders afkomstig zijn of lokaal zijn hergebruikt. Gezien de woelige geschiedenis van IJsselstein waarbij de verdedigingswerken meermaals zijn geslecht, is het dus lastig te bepalen van welke fase de aangetroffen funderingen dateren.
Tevens is het niet mogelijk te bepalen waar de bouwmaterialen vandaan komen: voor zo ver bekend had IJsselstein geen eigen baksteenovens en zouden de bakstenen van elders aangevoerd moeten zijn. Mortel werd meestal lokaal vervaardigd uit kalk en zand. Tot het tegendeel bewezen wordt is dit de gangbare theorie. 6.
Is een fasering in de aanleg en aanpassingen van de stadsverdedigingswerken te onderscheiden? Een dergelijke fasering is niet aangetroffen. 7. Zijn er sporen van onderhoud, reparaties aan de stadsmuur, torens of wal? Er zijn geen sporen van herstel aangetroffen. 8.
Is er een strook land tussen gracht en stadsverdedigingswerken aanwezig geweest en zijn er uitspraken over inrichting en geb ruik mogelijk? Aan de grachtzijde is een ophogingspakket aangetroffen dat mogelijk aan een dergelijke strook land heeft toebehoord. De omvang van het onderzoek was echter te klein om hier beter inzicht in te kunnen krijgen en hier verdere uitspraken over te kunnen doen.
28
9.
Zijn er sporen van de wal aanwezig? Zo ja, waaruit b estaan deze en wat kan hieruit afgeleid worden? Er zijn geen sporen van de wal gevonden: aan de binnenzijde van de stadsmuur is verder niet gegraven: de huidige rijweg moest intact blijven. 10. Wat is de conservering van de verschillende aangetroffen structuren en vondstmateriaal? Hoewel natuurlijk de bovenzijde van de torens en de stadsmuur en bij de muurtoren de gehele oostelijke zijde is uitgebroken, verkeren de nog aanwezige funderingsresten verder in goede staat. Dit is vooral te wijten aan de dikte van het muurwerk. 11. Indien het onderzoek geen archeologische resten of b eperkte archeologische fenomenen (bijvoorb eeld alleen losse vondsten) oplevert, welke verklaring is hiervoor dan te geven? Is er (bijvoorb eeld) sprake van: verstoring van antropogene aard, b eperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door b odemprocessen, b eperking van de archeologische waarnemingsmogelijkheden door werk - of weersomstandigheden? Niet van toepassing. 12. Wat is de omvang van eventuele recente verstoringen? Ter hoogte van de muurtoren in het midden van de Molenstraat zijn geen resten van de stadsmuur meer aangetroffen en is de grond van de gehele werkput geroerd tot zeker 1,5 m beneden het maaiveld, afgezien van het gedeelte waar nog wel de funderingsrestanten van de toren aanwezig waren.
Dit is te wijten aan de sloop van de St. Nicolaasschool in 1973. Bij de hoektoren zijn aan de noordwest zijde zeer veel kabels en leidingen aanwezig, waar de stadsmuur dan ook tot ca. 1 m beneden het maaiveld is uitgebroken.
29
6 Waardering en selectieadvies 6.1
Waardering van de vindplaats
De waardestelling, zoals voorgeschreven in de Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie (KNA versie 4.1, specificatie VS06) gebeurt op drie niveaus: belevingswaarde, fysieke kwaliteit en inhoudelijke kwaliteit. De eerste is niet van toepassing omdat de vindplaats niet bovengronds zichtbaar is. Alleen de laatste twee niveaus zijn op deze vindplaats van toepassing. De fysieke kwaliteit van de vindplaats is gebaseerd op haar conservering en gaafheid. De conservering geeft aan de mate waarin het archeologisch vondstmateriaal bewaard is gebleven, de gaafheid in hoeverre de vindplaats nog compleet is. De beoordeling is voor zowel gaafheid als conservering: drie punten voor hoge, twee punten voor middelhoge en één punt voor lage kwaliteit. De vindplaats is ruimtelijk goed (de hoektoren) en matig (de muurtoren en stadsmuur) bewaard gebleven en kan dus worden beschouwd als zijnde van hoge tot middelhoge kwaliteit. Het deel met sporen is van voldoende omvang om van een representatief deel van een nederzetting te spreken. Wat er nog van de structuren aanwezig is, is goed geconserveerd. De gaafheid van de sporen wordt daarom middelhoog gewaardeerd: de conservering hoog. De waardering van beide fysieke kwaliteitscriteria is in totaal 5 punten. Dit is een score die bovengemiddeld is en die haar het predikaat ‘behoudenswaardig’ oplevert (tabel 3).
Ook op inhoudelijke kwaliteit, uitgedrukt in waarden voor zeldzaamheid, informatie en ensemble, wordt de vindplaats beoordeeld met hetzelfde puntensysteem. De torens en stadsmuur maken deel uit van de verdedigingswerken van IJsselstein en zijn daarmee een uniek bouwhistorisch en cultuurhistorisch fenomeen voor deze stad. De informatiewaarde wordt ho og gescoord: zowel de locatie, opbouw als omvang van de verdedigingswerken dragen bij aan nieuwe kennisvorming over het verleden. De totale score voor de inhoudelijke kwaliteit is 9 punten en de waardering van de vindplaats op basis van deze criteria is dan ook hoog. Tabel 3. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1). Waarden
Criteria
Scores
Beleving
Schoonheid Herinneringswaarde Gaafheid Conservering Zeldzaamheid Informatiew aarde Ensemblew aarde Representativiteit
Wordt niet gescoord Wordt niet gescoord 2 3 3 3 3 N.v.t.
Hoog
Fysieke kw aliteit Inhoudelijke kw aliteit
6.2
Midden
Laag
Totale score
t 5 behoudenswaardig t 7 behoudenswaardig
Selectieadvies
Op basis van bovenstaande waardering wordt de vindplaats als behoudenswa ardig bestempeld. ADC ArcheoProjecten adviseert de aanwezige archeologische waarden in het plangebied in situ te behouden door randvoorwaarden met betrekking tot de uitvoer van de werkzaamheden op te stellen. De randvoorwaarden moeten schade voorkomen aan de archeologische waarden bij de uitvoer van de voorgenomen werkzaamheden. Bij grondroering dient er een bufferzone aan te worden gehouden van 30 cm tussen de funderingsresten en de civieltechnische ingrepen om behoud in situ te kunnen garanderen. De bovenzijde van de hoektoren ligt op ca. 0,77 m +NAP en de bovenzijde van de muurtoren halverwege de straat ligt tussen 0,66 -0,19 m +NAP. Het plaatsen van heipalen of diepe nutsvoorzieningen is op de locaties van de torenfunderingen niet toegestaan. In overleg met het bevoegd gezag kunnen – wanneer een aanvraag voor bodemverstorende ingrepen op de locaties wordt gedaan – nadere randvoorwaarden worden geformuleerd. Aangezien is bepaald dat de voorgenomen ingrepen archeologiebesparend zullen worden uitgevoerd, kunnen de resten in situ bewaard blijven en is er geen verwachting voor aantasting van de funderingen door de geplande ingrepen tot ca. 30 cm beneden het maaiveld.
30
Voor e ventuele wijzigingen in de plannen of voor toekomstige ingrepen moet er rekening mee worden gehouden dat op beide onderzochte locaties – en tevens op alle locaties waar verdedigingswerken hebben gestaan, inclusief de Nieuwpoort – behoudenswaardige resten in de grond aanwezig kunnen zijn.
31
Literatuur Boon, J.G.M., 1989: Kenmerk van ‘stad-zijn’. HKIJ50, 237-242. Broeders, P.W.A., 2016: …als mantels om de stad… of hoe de IJsselsteiners tussen 1814 en 1940 hun oude vesting een nieuw aanzicht gaven. Stichting Historische Kring IJsselstein. Bruijn, M.W.J., de, 2005: IJsselstein. De vesting. Stichting Historische Kring IJsselstein. Engeldorp Gastelaars, H.J.N. van, 2019: Programma van Eisen IJsselstein Molenstraat Horeca elementen. PvE nummer 19-019, versie 2. Goedgekeurd d.d. 30-9-2019 door D. R. Stiller Omgevingsdienst Regio Utrecht. Fafianie, A.M. 1989: IJsselsteinse stadsmuur, beproefd weerbaar. In: HKIJ 50, 203-236. Gawronski, J. & J. Veerkamp, 2004: Bakstenen, Amsterdam Monumenten & Archeologie 3, 11-23. Halverstad, R.N., 2010: De stadsmuur van IJsselstein (Kronenburgplantsoen en Schapenstraat) Gemeente IJsselstein. Een archeologische begeleiding. ADC Rapport 2295. Amersfoort. Hermans, ir. D.B.M., 1997: Gemeente IJsselstein. Stadsmuur Walkade. Bouwhistorisch onderzoek, deel 2. Gelders Genootschap/ PUWC. Historische Kring IJsselstein, 1986. Verzoekschrift tot doel hebbende een ‘vergeten vestingwerkmonument’ toe te voegen aan de reeds geregistreerde vestingwerkmonumenten. HKIJ50, 243252. Hoeve, J. van der, 2012: Vroeg metselwerk in Nederland. In: M. van Hunen, Historisch metselwerk. Instandhouding, herstel en conservering. Zwolle, 15-25.
Hollestelle, J., 1976: De steenb akkerij in de Nederlanden tot omstreeks 1560. Arnhem Hundertmark, H, 2012: Bouwhistorische resultaten. In: J.S. van der Kamp, Het ‘Huis Loenersloot’. NG20: Archeologische b egeleiding aan de Nieuwegracht 20 in Utrecht. Utrecht (Basisrapportage Archeologie 61), 23-26. Hundertmark, H., 2016: De stadsmuur van Zaltbommel. In: H. Hundertmark, K. Emmens, E. Vink & M. Witte veen, De versterkte stad Zaltb ommel 900 jaar b eschermd door wallen en muren. Zaltbommel, 40-163. Janse, H. (red.), 1986: Leien op monumenten. Zeist. Janssen, H.L. (red), 1983: Van Bos tot Stad - Opgravingen in 's-Hertogenb osch. 's-Hertogenbosch. Melkert, M.J.A., 2018: Keramisch bouwmateriaal. In: W. Waldus (red.), De opgraving en lichting e van de 15 -eeuwse IJsselkogge. Amersfoort. ADC Monografie 24, 263-268. Rooij, J.A.G. van 2011: Hoek Molenstraat en Schuttersgracht te IJsselstein. Een Inventariserend Veldonderzoek in de vorm van een karterend booronderzoek. ADC Rapport 2756.
32
Lijst van afbeeldingen Afb. 1. Locatie van het onderzoeksgebied. Bovenaan de twee locaties van de torens aangegeven met sterren. Afb. 2. Uitsnede uit de kaart van IJsselstein door Blaeu omstreeks 1649. Rechts zijn de torens te zien. Het noorden is links. Afb. 3. Uitsnede uit de kaart van IJsselstein door Jacob van Deventer omstreeks 1570. Waar de naam staat is het gebied ‘Nieuwpoort’. Hier heeft alleen in het noorden een klooster gestaan maar bleef verder in de Middeleeuwen onbebouwd. Afb. 4. Links een overzichtsfoto van de opgraving in de drooggelegde stadsgracht gezien vanuit het zuidoosten en rechts een detailopname van de s tadsmuur. Onder: de door toenmalig burgemeester Abbink Spaink gemaakte reconstructietekening van de teruggevonden fundamenten van de stadsmuur. Bron: Fafianie 1989. Afb. 5. Reconstructie van de verdedigingswerken en belangrijke gebouwen naar de toestand van 1570. Uit: Fafianie 1989. Afb. 6. Uitsnede van de kadasterkaart van omstreeks 1832. Alleen de hoektoren is hierop nog aanwezig. Het noorden ligt diagonaal richting de rechter bovenhoek. Afb. 7. Uitsnede uit een luchtfoto van IJsselstein uit 1928. Links is de brug ‘Benschopperpoort’, één van de toegangspoorten tot de stad, te herkennen als oriëntatiepunt: rechts daarvan staat een groot schoolgebouw. Daarnaast is bij de rode pijl nog een deel van de stadsmuur te zien. Afb. 8.
Reconstructie van de stadsmuur aan de walkade gezien richting het zuidwesten. Afb. 9. Links het Pijltjeshol aan de zuidzijde van de molen; rechts zicht op de naastgelegen stadsmuur met steunberen. Afb. 10. De aangelegde werkputten. Afb. 11. Het opbreken van de bestrating in de parkeervakken ter hoogte van werkput 2. Afb. 12. Van links naar rechts de bodemopbouw in de profielwanden van werkput 1; werkput 2 en het kijkgat in werkput 2. Afb. 13. De aangetroffen funderingen in werkput 1. Lichtblauw omlijnt het kijkgat met daarin de verspringing van de toren. Afb. 14. Overzichtsfoto’s van de fundering van de ronde Waltoren en het daarop gebouwde rechthoekige brandspuithuisje. Rechts onder de opbouw van de torenfundering in het kijkgat. Afb. 15. De aangetroffen fundering in werkput 2. Afb. 16. Reconstructie van de stadsmuur en torens aan de Molenstraat.
Lijst van tabellen Tabel 1. Overzicht van de verschillende (pre)historische perioden. Tabel 2. Bemonsterde bakstenen met complete afmetingen. Tabel 3. Scoretabel waardestelling (naar KNA, versie 4.1).
33
Bijlage 1 Sporenlijst Put Vlak Spoor Aard spoor 1
1
1
MR
1
1
2
MR
1
1
3
MR
2
1
5
MR
2
1
6
POR
2
1
7
MR
1
1
999
REC
1
103
1000
BV
1
103
1001
LO
2
1
1001
LO
1
1
2000
LO
1
103
2000
LO
2
1
2000
LO
1
103
3000
LG
2
2
3000
LG
Bijlage 2 Vondstenlijst Vnr.
Inhoud
Aantal Gew icht Put Vlak Spoor Vulling
1
BAKSTN
2
286,00
1
1
1
1
2
BOUWMAT
6
224,00
1
1
2
1
3
BAKSTN
3
8000,00
1
1
1
1
4
BAKSTN
1
3800,00
1
1
2
1
6
BAKSTN
4
13300,00
2
1
7
1
7
SXX
1
174,00
2
1
2000
1
5
AWG
1
92,00
1
1
2000
1
34
Verklarende woordenlijst AMK Archeologische Monumentenkaart geeft een overzicht van gewaardeerde archeologische terreinen in vier categorieën: 1). Archeologische waarde, 2) Hoge archeologische waarde, 3) Zeer hoge archeologische waarde en 4) Zeer hoge archeologische waarde beschermd. De AMK is de gezamenlijke verantwoordelijkheid van de RCE en de provincies en wordt beheerd door de RCE. Archis Archeologisch Informatie Systeem. Dit door de RCE beheerde systeem bevat informatie over o.a. onderzoeksmeldingen, vondstmeldingen, waarnemingen, complexen en monumenten. Conservering De mate waarin anorganische (aardewerk, vuursteen, metaal, glas etc.) en organische archeologische resten (bot, zaden, hout etc.) bewaard zijn gebleven. Ensemblewaarde De meerwaarde die aan een vindplaats wordt toegekend op grond van de mate waarin sprake is van een landschappelijke en/of archeologische context. Ex situ Niet ter plaatse. Aanduiding die wordt gebruikt om aan te geven of grondsporen en / of artefacten zich niet meer op de oorspronkelijke plaats in de bodem bevinden. Behoud ex situ is het bewaren van de archeologische informatie door definitief onderzoek (opgraven, documenteren en registreren). Gaafheid De mate van (fysieke) verstoring van de bodem en/of de (eventueel aanwezige) archeologische waarden, zowel in verticale zin (diepte) als in horizontale zin (omvang) .
Herinneringswaarde De herinnering die een archeologisch monument oproept over het Verleden. IVO In ventariserend Veld Onderzoek. Het verwerven van (extra) informatie over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een onderzoeksgebied, als aanvulling op en toetsing van de archeologische verwachting, gebaseerd op het bureauonderzoek middels waarnemingen in het veld. Informatiewaarde De betekenis van een monument als bron van kennis over het verleden. De informatiewaarde wordt bepaald door de mate waarin (een opgraving van) het monument een bijdrage kan leveren aan nieuwe kennisvorming over het verleden . In situ Achtergebleven op exact de plaats waar de laatste gebruiker het heeft gedeponeerd, weggegooid of verloren. Behoud in situ is het behouden van archeologische waarden in de bodem. KNA Kwaliteitsnorm Nederlandse Archeologie. NAP Normaal Amsterdams Peil (=officieel peilmerk). PVA Plan van Aanpak. Een door de opdrachtnemer op te stellen plan voor de uit te voeren werken waarmee beoogd wordt aan de vereisten zoals geformuleerd in het Programma van Eisen en/of het ontwerp te voldoen. Ook wordt hierin een voorstel gedaan voor de werkwijze waarmee de in het Programma van Eisen en/of ontwerp geformuleerde resultaatsverwachtingen bereikt kunnen worden. PVE Programma van Eisen.
Het PvE is een door een bevoegde overheid opgesteld of bekrachtigd document dat de probleem - en doelstelling van de te verrichten werkzaamheden van de vindplaats geeft en de daaruit af te leiden eisen formuleert met betrekking tot het uit te voeren werk. RCE Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed. Representativiteit De mate waarin een bepaald type vindplaats typerend is voor een periode dan wel een gebied. Schoonheid De esthetisch-landschappelijke waarde van een archeologisch monument, die vooral in zichtbaarheid tot uiting komt. Selectieadvies Archeologisch inhoudelijk advies over de behoudenswaardigheid van een vindplaats. Dit wordt opgesteld aan de hand van de waarderingscriteria. Zeldzaamheid De mate waarin een bepaald type monument schaars is (of is geworden) voor een periode of in een gebied.
35
Afkortingen in de database
36