1. Ruimtelijke onderbouwing Eiteren 29-31
Tekst van het document
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) is bepaald dat woningen kwetsbare objecten zijn.
Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen, buisleidingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van deze risicokaart.
29
Uitsnede risicokaart, plangebied rood omcirkeld (bron: atlasleefomgeving.nl)
Uit de risicokaart blijkt dat in de nabijheid van het plangebied geen risicovolle bedrijven/inrichtingen zijn gevestigd en er geen transportroutes/buisleidingen voor gevaarlijke stoffen aanwezig zijn. Gezien het voorgaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
30
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21e eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016 - 2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
31
4.3.2 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016 - 2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofdthema's zijn:
• • • • •
waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.
Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het laatste thema betreft genieten van water.
Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer. Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur, Legger en uitvoeringsregels In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2018 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. Op de Legger is een zone aan de achtergelegen watergang aangeduid als Beschermingszone A. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting.
Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningsplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt. Er is een ondergrens gesteld aan de compensatieplicht. Deze grens is voor stedelijk gebied 500 m². Wordt er nieuwe verharding of uitbreiding van bestaande verharding aangebracht boven de gestelde ondergrens, dan moeten er compenserende maatregelen worden getroffen.
32
Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.3.3 Watertoets De ‘watertoets’ is een instrument dat waterhuishoudkundige belangen expliciet en op evenwichtige wijze laat meewegen bij het opstellen van ruimtelijke plannen en besluiten. Het is geen technische toets maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder met elkaar in gesprek brengt in een zo vroeg mogelijk stadium. In de waterparagraaf worden de watertoets en de uitkomsten van een eventueel overleg opgenomen. Planspecifiek Het plangebied is niet gelegen binnen beschermingszones, zoals waterkeringen, van het waterschap.
Verhard oppervlak In de huidige situatie is het volledige plangebied reeds verhard (bebouwing en verharding). In de nieuwe situatie neemt het verharde oppervlak niet toe of af. Zodoende heeft er geen toename aan verharding plaats van meer dan 500 m². Conform de eisen van HDSR hoeft niet voorzien te worden in compensatie door middel van de aanleg van (extra) waterberging. Waterafvoer Hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. In het waterbeleid is afvoer van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem het uitgangspunt. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Hierbij wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende bouwmaterialen. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel. Conclusie Er kan geconcludeerd worden dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
33
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom ecologie, 2022-0522 d.d. 5 mei 2022, revisie 31 maart 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4) uitgevoerd. Onderstaand de resultaten van het betreffende oriënterend onderzoek. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of provinciaal aangewezen beschermde gebieden. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden als gevolg van licht, trillingen of geluid geen sprake. Om te bepalen of er een extern effect is als gevolg van de depositie van stikstof is een aanvullende AERIUS berekening gemaakt voor de bouw- en gebruiksfase. Uit deze berekening blijkt dat er geen berekenbaar effect optreedt. Soortenbescherming Er is geen sprake van essentiële functies van beschermde soorten op de planlocatie. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor soorten welke niet beschermd zijn (behoudens de algemene zorgplicht) en/of waarvoor een vrijstelling geldt. Zorgplicht Voor alle aanwezige soorten, ook die niet beschermd zijn via de Wnb, geldt altijd de zorgplicht (artikel 1.11). In de zorgplicht wordt gesteld dat iedereen voldoende zorg in acht moet nemen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving.
Dit betekent dat tijdens de werkzaamheden rekening dient te worden gehouden met de mogelijke aanwezigheid van diverse algemene soorten. Aanwezige dieren dienen de gelegenheid te krijgen om het terrein zelfstandig te verlaten. Indien deze dieren het terrein niet zelfstandig kunnen verlaten, dienen deze te worden verplaatst naar geschikt habitat buiten de ingreep. De voorkeur gaat uit naar het uitvoeren van werkzaamheden in de minst kwetsbare periode. Conclusie De beoogde sloop van de huidige bebouwing ten behoeve van een nieuwbouw appartementencomplex aan de Eiteren 29-31 te IJsselstein is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
34
4.5 Archeologie /In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan. Na inwerkingtreding van de Omgevingswet zullen de bepalingen over omgang met archeologie in de fysieke leefomgeving van de Erfgoedwet overgaan naar de Omgevingswet. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied is binnen het geldende bestemmingsplan 'Achterveld en omgeving' voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - archeologie 3’. Er is geen archeologisch onderzoek nodig als de werkzaamheden of werken een oppervlakte beslaan van ten hoogste 100 m². Het betreft hier een groter gebied.
Om te bepalen of archeologische waarden worden verstoord is een verkennend archeologisch onderzoek uitgevoerd door Transect (d.d. 10 juni 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 5). Uit het bureauonderzoek blijkt dat het plangebied in het stroomgebied van drie oude rivieren ligt: de Buitenzorg stroomrug (actief van circa 3000 tot 2500 v. Chr.), de Vechgel stroomrug (actief van circa 2050 tot 1590 v. Chr.) en de Hollandse IJssel (vanaf circa 100 n. Chr.). De oevers van deze rivieren zullen in de actieve perioden een aantrekkelijke vestigingsplaats gevormd hebben. Theoretisch zijn er dus mogelijk resten te vinden vanaf het Neolithicum, maar het is mogelijk dat de oudste resten door de latere rivieren geërodeerd zijn. In de omgeving zijn afzettingen van alle drie de stroomgordels gevonden, dus het is onduidelijk in hoeverre dat het geval is. De archeologische verwachting op resten uit het Neolithicum tot de IJzertijd is daarom middelhoog. De resten van de oevers van de Hollandse IJssel zullen hoogstwaarschijnlijk niet geërodeerd zijn, omdat dit de jongste rivier is in de omgeving van het plangebied. Bewoning op de oevers van deze rivier was mogelijk vanaf de Romeinse Tijd. De archeologische verwachting op resten uit de Romeinse Tijd is hoog. Vanaf de Middeleeuwen is er met zekerheid bewoning in de omgeving van het plangebied.
Omdat het plangebied zelf net buiten de historische kern van IJsselstein ligt is de kans dat het plangebied op dat moment bewoond werd niet groot, maar er kunnen wel sporen van landgebruik aangetroffen worden uit deze periode. In de Nieuwe Tijd is het plangebied met zekerheid vanaf 1883 bebouwd. Deze bebouwing bevond zich waarschijnlijk aan de zuidoostkant van het plangebied. Deze heeft in 1920 plaats moeten maken voor de huidige bebouwing, maar aangezien deze zich voornamelijk in het noordwesten van het plangebied bevindt is de kans groot dat de resten van de bebouwing uit 1883 nog in de grond aanwezig zijn. Op basis van de resultaten van het veldonderzoek is de archeologische verwachting op resten uit de periode Neolithicum-Nieuwe tijd naar laag bij te stellen. Deze bijstelling is met name het gevolg van de vele verstoringen die op basis van het bureauonderzoek en het veldonderzoek in het gebied te verwachten zijn. Op het voorterrein heeft namelijk een omvangrijke sanering plaatsgevonden, waarbij de grond tot een diepte van 3,0-3,5 m -Mv is uitgegraven. Het grootste deel van het plangebied is bebouwd met een garage, waaronder putten aanwezig zijn. Ook op het buitenterrein liggen ovangputten tot een diepte van 2,0 m -Mv. De top van de oeverafzettingen in de niet-gesaneerde terreindelen zijn waarschijnlijk afgegraven en vervangen door een puinhoudend kleidek.
Tot slot zijn er met name in het gebied dat aan de Eiteren grenst veel kabels en leidingen in de ondergrond aanwezig. Al deze gegevens maken dat de kans op eventuele intacte en/of waardevolle archeologische resten klein is, omdat deze door allerlei verstoringen aangetast en indien aanwezig versnipperd in de ondergrond ligt. Onder in de boringen, onder de oever- en komafzettingen ligt veen (restgeulopvulling) en beddingafzettingen van de Buitenzorg stroomrug. Een restgeul is doorgaans te nat voor bewoning, ook na verlanding, vanwaar voor de periode Neolithicum-Bronstijd de verwachting naar laag is bij te stellen. Theoretisch gezien zijn water-gerelateerde resten niet volledig uit te sluiten maar de trefkans van dergelijke resten uit deze periode is klein. Tot slot is er geen aanleiding om te veronderstellen dat hier
35
sprake is van een archeologisch relevant niveau voor resten uit de periode Laat-PaleolithicumMesolithicum. Advies Uit het archeologisch onderzoek blijkt een lage archeologische verwachting, hetgeen het gevolg is van de hoge mate van verstoring van de ondergrond. Er bestaan dus vanuit archeologisch opzicht geen belemmeringen, daarom adviseren wij het plangebied ten behoeve van de nieuwbouw vrij te geven. Wel geldt dat op het moment tijdens de werkzaamheden toch waardevolle archeologische vondsten (toevalsvondsten) worden gedaan, deze op grond van de Erfgoedwet 2016, artikel 5.10, bij de gemeente moeten worden gemeld. Bovenstaande vormt een advies. Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente IJsselstein) een besluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het voorliggende plan.
4.6 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden. Planspecifiek Binnen het plangebied zijn geen monumenten aanwezig. Met het voorgenomen plan wordt de bouw van een appartementengebouw met 11 appartementen mogelijk gemaakt. Er zijn in het plangebied of in de omgeving van het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig die aangetast worden door de beoogde ontwikkeling. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat het aspect cultuurhistorie geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
36
4.7 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.7.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren, van parkeerkencijfers naar parkeernormen' kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt Planspecifiek De beoogde situatie betreft de planologische toevoeging van 11 appartementen. Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van maximaal 40 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van de categorieën 'huur, appartement, midden/goedkoop (incl.
sociale huur), 'schil centrum' en 'sterk stedelijk' volgens de CROWpublicatie 381. Zie onderstaande tabel. Categorie
aantal woningen
kencijfer
Totaal
Huur, appartement
11
2,8 - 3,6
30,8 - 39,6
Totaal
30,8 - 39,6
De bestaande infrastructuur is in staat om deze verkeersgeneratie te verwerken. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. 4.7.2 Parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het onderzoeken en beschrijven van het effect van een beoogd nieuw project op het parkeren in en rondom het plangebied. Hierbij hanteert de gemeente IJsselstein het 'Parkeerbeleidsplan IJsselstein' (2006), zoals ook vastgelegd in het 'Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein' (2018). Planspecifiek Ten opzichte van de huidige situatie zal het aantal woningen met vier toenemen. Door Goudappel (memo 25 maart 2024) is inzichtelijk gemaakt wat de specifieke parkeerbehoefte is van deze ontwikkeling. Door Goudappel is op basis van het specifieke initiatief en bouwplan de parkeerbehoefte bepaald op 15 parkeerplaatsen. Het initiatief voorziet in dit aantal parkeerplaatsen.
4.8 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn.
37
Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. Energie (BENG) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. Tot 31 december 2020 wordt de energie-efficiëntie uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Hierbij werd gestreefd naar EPC = 0,0, waarbij een gebouw energieneutraal is. Vanaf 1 januari 2021 moeten alle gebouwen voldoen aan de eisen van Bijna Energieneutrale Gebouwen (BENG). Die eisen vervangen de EPC en zijn dus ook van toepassing op het voorliggende initiatief. Milieuprestatie Gebouw (MPG) Vanaf 2013 geldt vanuit het Bouwbesluit de verplichting om bij de aanvraag omgevingsvergunning Bouwen een berekening aan te leveren van de Milieuprestatie van een gebouw. De verplichting geldt voor alle woningen, woongebouwen en kantoorgebouwen (groter dan 100 m²).
Planspecifiek Voorliggend plan voldoet aan de vereisten van het bouwbesluit en daarmee aan de Beng-norm.
38
5 Uitvoerbaarheid 5.1 Economische uitvoerbaarheid Voorliggende omgevingsvergunning maakt een bouwplan mogelijk, dat is benoemd in artikel 3.2.1. van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat tegelijkertijd met deze buitenplanse omgevingsvergunning een exploitatieplan moet worden vastgesteld, waarmee de gemeente de door haar te maken kosten kan verhalen op de initiatiefnemer. Een exploitatieplan hoeft niet vastgesteld te worden indien verhaal van exploitatiekosten anderszins is verzekerd (op een andere manier geregeld is) en tevens locatie-eisen en regels voor woningbouwcategorieën niet nodig zijn of anderszins zijn verzekerd. Planspecifiek Initiatiefnemer en de gemeente sluiten een anterieure overeenkomst waarin de exploitatiekosten zijn verzekerd en het risico op planschade bij de initiatiefnemer wordt neergelegd. Een exploitatieplan is daarmee niet noodzakelijk.
5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor afwijkingen van het bestemmingsplan die vallen onder de kruimelgevallen, geldt onder de Wabo de reguliere procedure (hoofdstuk 4 Awb). Het bevoegd gezag beslist op de aanvraag om een omgevingsvergunning binnen acht weken na de datum van ontvangst van de aanvraag. Het bevoegd gezag kan de termijn eenmaal met ten hoogste zes weken verlengen. Bezwaar, beroep en hoger beroep zijn mogelijk. Er is geen terinzagelegging. Wel kunnen de artikelen 4:7 en 4:8 Awb worden toegepast binnen de 8 weken termijn (met eventuele verlenging van 6 weken). Als het bevoegd gezag na 8 weken geen besluit heeft genomen, is de vergunning van rechtswege verleend. Participatie Initiatiefnemer van het voorliggende plan heeft op 16 februari 2022 een eerste informatieavond georganiseerd voor omwonende van het plangebied. Voor deze avond zijn circa 25 adressen uitgenodigd en zijn er in totaal 21 mensen geweest. Tijdens de informatieavond is het plan toegelicht door de initiatiefnemer en is het ontwerp getoond. Door de aanwezige is er overwegend positief gereageerd op het plan. De komst van woningbouw in plaats van de garage in de huidige situatie wordt als positief beschouwd. Wel wordt er opgemerkt dat het aantal parkeerplaatsen als te beperkt voor de ontwikkeling wordt gezien, waarop de initiatiefnemer uitlegt dat er voldaan wordt aan de parkeereisen.
Er wordt de afspraak gemaakt dat er een nieuwe informatieavond wordt georganiseerd wanneer er een definitief ontwerp is gemaakt. Zoals tijdens de eerste informatieavond van 16 februari is toegezegd is er een tweede informatie avond georganiseerd op 13 september waarin de actuele stand van zaken van het initiatief wordt toegelicht. Tijdens deze tweede avond zijn dezelfde adressen uitgenodigd, in totaal zijn er 20 mensen geweest. De laatste stand van zaken is toegelicht met de ontwerpen van dat moment, waarin de opmerking van de welstandscommissie was verwerkt. Dit behelst een wijziging aan de rechterzijde van de voorgevel, waar twee kleine ramen zijn vervangen door een groter raam. Tevens is er uitleg gegeven over het vervolg van plan en het doorlopen van de procedure tot en met de aanvraag van de omgevingsvergunning. Alle aanwezigen hebben positief gereageerd op de ontwikkeling en de komst van woningbouw.
39