1. Ruimtelijke onderbouwing Eiteren 29-31
Tekst van het document
omgevingsvergunning
Eiteren 29-31 Gemeente IJsselstein
Planstatus:
concept
Plan identificatie:
NL.IMRO.0353.Eiteren2931-CO01
Datum:
29 april 2024
Contactpersoon Buro SRO:
Dhr. T.B. Wilde | Dhr. J. Van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR220023
Opdrachtgever:
De Componist
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 8
2 Het plan.................................................................................................................................................... 9 2.1 Huidige situatie ................................................................................................................................................... 9 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 11
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 15 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 21 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 21 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 22 4.3 Water ................................................................................................................................................................ 31 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................. 34 4.5 Archeologie ....................................................................................................................................................... 35 4.6 Cultuurhistorie .................................................................................................................................................. 36 4.7 Verkeer en parkeren .........................................................................................................................................
37 4.8 Duurzaamheid ................................................................................................................................................... 37
5 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 39 5.1 Economische uitvoerbaarheid ........................................................................................................................... 39 5.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ................................................................................................................... 39
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens om de bedrijfsgebouwen aan het Eiteren 29-31 te IJsselstein te slopen en daarvoor in de plaats een appartementengebouw met 11 appartementen te realiseren. In het geldende bestemmingsplan ‘Achterveld en omgeving’ hebben de gronden op de planlocatie de bestemming ‘Bedrijf’. Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is een bouwvlak opgenomen met een nadere functieaanduiding 'bedrijfswoning'. Daarnaast geldt er een maatvoering van goot- en bouwhoogte van beide 6 meter. Doordat het voornemen een woonbestemming betreft en een deel van het beoogde appartementengebouw buiten het bouwvlak is gelegen is het voorgenomen plan in strijd met het geldende bestemmingsplan. Om medewerking te kunnen verlenen aan het initiatief zal van het geldend bestemmingsplan 'Achterveld en omgeving' moeten worden afgeweken. Medewerking is mogelijk op basis van art. 2.12 lid 1, sub a onder 3o Wabo, omgevingsvergunning buitenplanse afwijking , mits sprake is van een goede ruimtelijke ordening. Voorliggende ruimtelijke motivatie is opgesteld om, met een omgevingsvergunning in afwijking van het geldende bestemmingsplan, de beoogde ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk te maken.
5
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen aan het Eiteren aan de noordzijde van het centrum van IJsselstein. Aan de noordoostzijde grenst het plangebied aan de stadsgracht, aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan de Aleida van Culemborgstraat. Op een afstand van ca. 50 m is molen ‘De Windotter’ gelegen. Het plangebied is kadastraal bekend onder gemeente IJsselstein, sectie E, perceelnummer 1995 & 1996 en heeft een oppervlakte van ca. 815 m². De navolgende afbeeldingen geven de globale ligging en begrenzing van het plangebied weer.
Globale ligging plangebied (plangebied rood omcirkeld, bron: google.com/maps)
Globale begrenzing plangebied (plangebied rood omkaderd, bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan In het geldende bestemmingsplan ‘Achterveld en omgeving’ (vastgesteld op 1 oktober 2020) hebben de gronden op de planlocatie de bestemming ‘Bedrijf’ en 'Tuin'. Onderstaande afbeelding toont een uitsnede van het geldende bestemmingsplan ‘Achterveld en omgeving’.
Uitsnede bestemmingsplan 'Achterveld en omgeving', plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Binnen de bestemming ‘Bedrijf’ is aan de zuidoostzijde een bouwvlak opgenomen. Voor het bouwvlak geldt een maximum goothoogte van 9 m en voor een deel van dit bouwvlak geldt de functieaanduiding ‘bedrijfswoning’. De voorzijde van het plangebied is bestemd als 'Tuin'. Daarnaast is het plangebied voorzien van de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 3’ en ‘Waarde Archeologie 4’. Deze dubbelbestemming is bedoeld ter bescherming van archeologische waarden in de bodem. Hierbij is geregeld dat veel werkzaamheden binnen deze bestemming niet zonder omgevingsvergunning uitgevoerd mogen worden. Verder geldt het Paraplubestemmingsplan parkeernormen IJsselstein (2018), een gemeentedekkende regeling voor parkeren (en laden en lossen).
7
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante rijks-, provinciale, en gemeentelijke beleid opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. Tot slot bevat hoofdstuk 5 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de inspraak en overlegmomenten zijn opgenomen.
8
2 Het plan 2.1 Huidige situatie Op de planlocatie aan het Eiteren 29 t/m 31 is een bedrijfsgebouw met een bedrijfswoning gelegen bestaande uit 2 bouwlagen. De bouwhoogte bedraagt in de huidige situatie 6 m (gemeten ten opzichte van het maaiveld). De toegang tot de bedrijfswoning en het bedrijfsgebouw vindt plaats via het erf aan de voorzijde dat grenst aan het Eiteren. Het parkeren heeft thans plaats op het erf aan de voorzijde. De navolgende afbeelding toont een plattegrond van de huidige situatie.
Plattegrond huidige situatie planlocatie (bron: A&R10 Architectuur en restauratie)
Aan de achterzijde van de planlocatie bevindt zich de Stadsgracht, met daaraan een openbaar pad dat met name gebruikt wordt voor de ontsluiting van de bergingen. Ter hoogte van de planlocatie is een voetgangersbrug over de Stadsgracht aanwezig.
9
In de directe omgeving van de planlocatie zijn met name burgerwoningen gelegen: rijenwoningen in overwegend twee bouwlagen met een kap. Aan de overzijde van de Stadsgracht, ten noordwesten van de planlocatie, is de historische stadswal en het centrum van IJsselstein gelegen. Molen 'De Windotter' is op een afstand van ca. 50 m van de planlocatie gelegen en betreft een rijksmonument. De onderstaande afbeeldingen tonen een impressie van de huidige situatie.
Impressie huidige situatie planlocatie (bron: A&R10 Architectuur en restauratie)
10
2.2 Toekomstige situatie De initiatiefnemer is voornemens alle bestaande bebouwing te slopen en hiervoor in de plaats een appartementengebouw te realiseren ten behoeve van 11 huurappartementen. In de toekomstige situatie zal het gebouw, in vergelijking tot de bestaande bebouwing, verder naar voren op het perceel komen te liggen zodat aan de achterzijde ruimte ontstaat voor parkeerplaatsen. Onderstaande afbeelding toont het toekomstige inrichtingsplan.
Inrichtingsplan situatie van de planlocatie (bron: A&R10 Architectuur en restauratie)
De navolgende afbeeldingen tonen een impressie van het aanzicht van het appartementengebouw vanaf het Eiteren en vanaf de achterkant van het plangebied.
11
beoogde
Impressie toekomstige situatie vanaf het Eiteren (bron: A&R10 Architectuur en restauratie)
Impressie toekomstige situatie vanaf de achterzijde (bron: A&R10 Architectuur en restauratie)
De beoogde appartementen zijn verschillend van grote, variërend van circa 40 m² tot 74,5 m². Hierdoor zijn de beoogde appartementen geschikt voor verschillende doelgroepen. De ontsluiting van de planlocatie blijft ongewijzigd ten opzichte van de huidige situatie. Met het voorgenomen plan worden er vanuit planologisch oogpunt 10 nieuwe wooneenheden toegevoegd.
12
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Het beoogde plan is in lijn met de prioriteiten, in het bijzonder sterke en gezonde steden en regio's. De NOVI vormt daarom geen belemmering voor dit plan. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid.
Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld. Planspecifiek Onderhavig plan valt niet binnen een van de projecten aangewezen in het Barro. Vanuit het Barro vloeien dan ook geen specifieke randvoorwaarden voort voor onderhavig plan.
13
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i, van het Bro wordt onder een 'stedelijke ontwikkeling' verstaan een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen'. Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. De beoogde ontwikkeling betreft de sloop van een bedrijfspand en een bedrijfswoning en de realisatie van een appartementengebouw ten behoeve van 11 appartementen. Planologisch gezien is hiermee sprake van een toename van 10 woningen in de vorm van appartementen. De toevoeging van 10 appartementen is niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder is derhalve niet noodzakelijk.
Bovendien is het plangebied gelegen binnen de bebouwde kom van IJsselstein. Er wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
14
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Planspecifiek In haar verstedelijkingsbeleid richt de provincie zich primair op de ontwikkelingsmogelijkheden in het stedelijk gebied en bij voorkeur nabij knooppunten. Op deze manier blijven de steden, dorpen en kernen aantrekkelijk om te wonen, te werken en te ontmoeten en blijft het landelijk gebied gevrijwaard van onnodige ruimteclaims. Onderhavig plangebied is op de kaart 'Vitale steden en dorpen' aangeduid als stedelijk gebied en is gelegen nabij een knooppunt. De voorgenomen ontwikkeling betreft de herontwikkeling van de gronden aan het Eiteren in de kern van IJsselstein ten behoeve van een appartementengebouw met 11 appartementen. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de beschikbare ruimte in het bestaand stedelijk gebied in de kern van IJsselstein.
15
Gezonde en veilige leefomgeving Binnen de provincie wordt gestreefd naar een klimaatbestendige en waterveilige leefomgeving met een veilig en goed leefklimaat. Bij ruimtelijke ontwikkelingen vraagt de provincie aandacht voor een klimaatbestendige inrichting. Het doel is dat de provincie Utrecht in 2050 zo goed mogelijk klimaatbestendig en waterveilig ingericht is. Het is belangrijk om nieuwe woningen klimaatadaptief te ontwikkelen en zo toekomstige extra investeringen te voorkomen. Tevens richt de provincie zich op het ontwikkelen van groenblauwe structuren. In paragraaf 4.8 wordt nader ingegaan op het aspect klimaatadaptatie.
3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.
De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Uit kaart 19 'Wonen, werken en recreëren kaart 2' blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'Stedelijk gebied'. De grens van de aanduiding 'Stedelijk gebied' wordt ook wel de 'rode contour' genoemd. In artikel 9.15 'Stedelijk gebied' staat dat op een ruimtelijk plan in een dergelijk gebied de duurzame verstedelijkingsladder moet worden toegepast. Tevens moeten de basisprincipes voor verstedelijking gevolgd worden. In dit geval gaat het om zo veel mogelijk binnenstedelijk/binnendorps nabij knooppunten verstedelijken.
Aangezien de ontwikkeling binnen het 'stedelijk gebied' valt is een nadere toets aan de Interim Omgevingsverordening niet noodzakelijk.
16
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Omgevingsvisie IJsselstein De gemeente IJsselstein heeft op 16 november 2021 de Omgevingsvisie IJsselstein vastgesteld, waarin de gemeente tot een integrale ontwikkelingsrichting is gekomen voor de periode tot 2030 en verder. De identiteit en kwaliteiten van de gemeente worden benoemd en hoe er wordt ingezet op het behouden verbeteren hiervan middels nieuwe ontwikkelingen. De omgevingsvisie is bedoeld om richting te geven en is een uitnodiging om bij te dragen aan het behoud en de verbetering van de omgeving. De identiteit en de kernkwaliteiten van de gemeente IJsselstein zijn als volgt samengevat in de omgevingsvisie:
• • • • •
gezellig en gastvrij sociaal en saamhorig open en groen historisch en authentiek eigenwijs en actief.
Daarnaast is er een onderscheid gemaakt tussen zes deelgebieden in de gemeente met ieder een eigen karakter, kwaliteiten en ontwikkelrichtingen. In de deelgebieden spelen verschillende opgaven die zijn gekoppeld aan acht sectorale beleidsthema's. De gemeente zet in op initiatieven die passen bij de koers per deelgebied, waarbij wordt stilgestaan bij de ambitiebepaling op het gebied van milieu, gezondheid en veiligheid. Onderhavige ontwikkeling ligt in het deelgebied woonwijken. IJsselstein is een compacte stad met een authentiek karakter, met korte verbindingen naar de binnenstad en veel groene ruimtes in de woonwijken. Voor dit deelgebied heeft de gemeente naast het behouden van een fijne woonomgeving ook het doel om circa 2.500 woningen te ontwikkelen in de komende jaren. Dit biedt kansen voor de draagkracht van lokale voorzieningen en de regionale woningbehoefte. Het toevoegen van kleinere woonruimte aan de woningvoorraad, voor onder andere senioren, kan er voor zorgen dat de doorstroom in de gemeente beter wordt. Door binnenstedelijke te vernieuwen kan er ruimte ontstaan voor nieuwbouw binnen de rode contouren. Verouderde bebouwing wordt vernieuwd met een woningaanbod dat aansluit bij de huidige ontwikkelingen. De gemeente ziet ook in dat deze ontwikkelingen opgaven met zich mee brengen zoals extra druk op huidige infrastructuur (toenemende parkeerdruk) en voorzieningen.
Het ruimtebeslag van geparkeerde auto's in wijken wil de gemeente niet verder laten toenemen, dus moet er ingezet worden op parkeren op eigen terrein of op afstand. Zodat het parkeren niet ten koste gaat van groenvoorzieningen. Planspecifiek Het voorliggende plan betreft de ontwikkeling van een kleinschalig appartementengebouw met 11 appartementen in een van de woonwijken nabij het historische centrum van IJsselstein. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken wordt een bestaand bedrijfspand met bedrijfswoning gesaneerd en wordt een nieuw gebouw opgericht binnen de rode contouren van de wijk. Zo wordt verouderde bebouwing vernieuwd met een woningaanbod dat aansluit bij de huidige ontwikkelingen. Er worden diverse type woningen toegevoegd met de beoogde ontwikkeling, waardoor er een bijdrage geleverd kan worden om de doorstroming in de gemeente te verbeteren. De beoogde ontwikkeling zal ook extra parkeerdruk met zich meebrengen, waarvoor in de omgevingsvisie gesteld wordt dat dit op eigen terrein opgelost moet worden. Dit is ook voorzien in het plan en sluit daarmee aan op de omgevingsvisie. Er kan geconcludeerd worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie IJsselstein.
17
3.3.2 Woonvisie 2019 - 2030 De gemeenteraad van de gemeente IJsselstein heeft de Woonvisie 2019 – 2030 vastgesteld op 4 juli 2019. In de Woonvisie 2019 – 2030 legt de gemeente IJsselstein de prioriteiten van het lokale woonbeleid voor de komende jaren vast. De visie geeft inhoud en richting aan de ontwikkelingen op de woningmarkt. Daarbij wordt concreet ingezet op de komende vijf jaar, met een doorkijk naar de jaren daarna richting 2030. De doelen uit de woonvisie zijn uitgewerkt in een vijftal pijlers: 1. 2. 3. 4. 5.
Evenwichtige bevolkingsopbouw vraagt extra groei Gevarieerde en bereikbare woonmilieus Voorkomen verdringing kwetsbare groepen op de woningmarkt Toekomstbestendige en duurzame wijken Langer thuis wonen ondersteunen
Om invulling te geven aan de hierboven genoemde pijlers zijn de doelen uitgewerkt naar beleid. Dit is door de gemeente IJsselstein gedaan aan de hand van een aantal thema's waarop beleidssturing mogelijk is. De drie thema's zijn:
• • •
Passend kwalitatief woningbouwprogramma Aanpak bestaande woningvoorraad Aanpak voor langer zelfstandig wonen
De woonvisie wordt ten uitvoer gebracht via een tweejaarlijks uitvoeringsprogramma. Dit programma vormt de leidraad bij de activiteiten die de gemeente oppakt. Tweejaarlijks monitort en actualiseert de gemeente het programma. Daarbij wordt nagegaan in welke mate de gestelde doelen zijn bereikt en of actuele ontwikkelingen vragen om bijstelling van de uitvoering, gericht op het bereiken van de doelen. Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft de realisatie van een appartementengebouw ten behoeve van 11 appartementen. Uit de woonvisie blijkt dat er behoefte is aan woningen in het midden huur segment binnen de bebouwde kom. Door de planologische toevoeging van 11 appartementen in dit segment wordt hier een bijdrage aangeleverd. Doordat bij het beoogde gebouw wordt uitgegaan van BENG, wordt tevens een bijdrage geleverd aan de duurzaamheidsambities van de gemeente IJsselstein. De beoogde ontwikkeling van een appartementengebouw is niet in strijd met de Woonvisie 2019 – 2030 en vindt aansluiting bij verschillende onderdelen uit de visie.
18
3.3.3 Welstandsnota IJsselstein De Welstandsnota 2013 is op 19 december 2013 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein. Op grond van deze nota kan het plangebied worden aangemerkt als 'woongebieden' Voor het initiatief zijn onder andere de volgende criteria relevant:
•
Bij renovatie of (vervangende) nieuwbouw wordt aangesloten op de bestaande architectuur en de architectuur van naastgelegen panden. Bestaande gevelritmes, goothoogten en nokhoogten in hoofdzaak respecteren.
• • •
Gevelindeling en -opbouw evenwichtig en samenhangend.
• •
Aanpassingen mogen, in overleg, ook op een eigentijdse wijze gebeuren en mits van een hoog niveau.
•
Bij een toevoeging blijft het oorspronkelijke dakvlak goed herkenbaar; de randen van de bestaande dakvlakken blijven gehandhaafd.
•
Andere, niet oorspronkelijke materialen (zoals kunststof), zijn toegestaan voor kozijnen, ramen, betimmeringen met behoud van bestaande indeling.
Op- en aanbouwen zijn ondergeschikt en vormgegeven in lijn en architectuur van het geheel. Bij individuele woningbouw (veelal vrijstaand, tweekappers of korte rijen): behoud van het individuele karakter van de afzonderlijke panden of series van panden, zonder dat dit afsteekt tegen de omgeving. Toevoegingen zoals een schotelantenne, een airco-unit of andere (technische) installaties o.i.d. zijn toegestaan, mits passend bij de beeldkwaliteit van het bouwwerk.
Gestapelde bouw Bij gestapelde bouw in de woongebieden wordt geen onderscheid gemaakt tussen een welstandsluwe en welstandsplichtige zone. Bij alle bouwplannen is een welstandstoets van toepassing. Deze toets wordt ambtelijk uitgevoerd. Hieronder de aanvullende criteria voor gestapelde bebouwing.
•
Gezien het alzijdig karakter van de gestapelde bebouwing, wordt elke gevel van een complex als een voorgevel beschouwd.
•
De plint (begane grond) kan een andere vormgeving krijgen ten opzichte van de bovengelegen verdiepingen.
•
Voor entreepartijen is een afwijkende architectuur mogelijk mits in harmonie met de vormgevingskarakteristiek.
19
3.3.4 Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein Het Beleidsplan Duurzaamheid Gemeente IJsselstein is op 9 juni 2016 door de gemeenteraad van de gemeente IJsselstein vastgesteld. Eind 2015 heeft de gemeenteraad een motie aangenomen om de Klimaatverklaring (Parijsverklaring) te ondertekenen. Door ondertekening van de klimaatverklaring heeft de gemeente zich gecommitteerd te werken aan de volgende hoofdambitie: 1. 2.
In 2050 is IJsselstein klimaatneutraal In 2030 is de gemeentelijke organisatie CO2 neutraal
In het beleidsplan zijn voor de thema’s wonen en verkeer en het jaartal 2020 de volgende relevante doelstellingen opgenomen:
• •
besparing gasverbruik met 1,5% per jaar;
• • •
alle nieuwe gebouwen zijn (bijna) energieneutraal (EPC ≤ 0,2);
8% duurzame energie lokaal opgewekt tegenover 2% nu, waaronder: o vertienvoudiging zonne-energie o verdubbeling adressen met zonnepanelen; alle nieuwe gebouwen worden duurzaam gebouwd en hebben een score minimaal GPR = 8 het gebruik van het aantal deelauto’s is met 20% toegenomen ten opzichte van 2016;
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling geeft invulling aan het Beleidsplan Duurzaamheid. Voor een nadere toelichting wordt verwezen naar paragraaf 4.8.
20
4 Uitvoerbaarheid 4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
21
Planspecifiek Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van dit plan valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling omvat namelijk de ontwikkeling van 11 appartementen. Er kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.
belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.
De bebouwingsmogelijkheden nemen bij het voorgenomen plan vergeleken met de bestaande (planologische) situatie beperkt toe. In de huidige situatie betreft de bebouwing een bedrijfspand met een bedrijfswoning. In de toekomstige situatie zal de bebouwing bestaan uit het beoogde appartementengebouw deze bebouwing wordt beperkt groter dan de huidige situatie. Wel nemen de gebruiksmogelijkheden toe omdat er meer woningen in het plangebied worden toegestaan. Het aantal woningen dat mogelijk wordt gemaakt (11 woningen) is relatief klein. In het kader van dit ruimtelijk plan zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage.
Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.- beoordelingsbesluit.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de wijziging naar een strenger bodemgebruik, ten behoeve van het voorgenomen plan is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Linge Milieu bv (d.d. 18 augustus 2020, bijlagen bij toelichting bijlage 1). De bodem ter plaatse bestaat uit klei, overgaand in veen en zand. In de meeste boringen is zand aangetroffen, overgaand in bruingrijze klei op 0.5 á 1.0 m-mv. Plaatselijk bevindt zich op 2.5 á 3.0 m-mv een venige laag. Op het grootste deel van de locatie bevindt zich op 0.2 á 0.3 m-mv een laag puin, ook onder de bebouwing.
Deze half-verharding heeft een dikte van circa 0.3 meter en bestaat voor bijna
22
100% uit bodemvreemd materiaal. Er is visueel nergens asbest-verdacht materiaal zoals plaatjes aangetroffen. De boven- en ondergrond van het terrein aan de Eiteren is met uitzondering van nikkel en zink niet boven de tussenwaarde verontreinigd. Zintuiglijk is nergens olie waargenomen. Er zijn zeven grond(meng)monsters op olie geanalyseerd. In één daarvan is olie licht verhoogd. Dit is het bovengrond-zand van het buitenterrein. Het licht verhoogde oliegehalte heeft naar alle waarschijnlijk geen relatie met de in 2015 gesaneerde verontreiniging. De deelmonsters van de twee mengmonsters waar nikkel en zink matig in zijn verhoogd zijn individueel geanalyseerd op deze metalen. Dit gaat om vijf grondmonsters. In één daarvan is een interventiewaardeoverschrijding vastgesteld. Dit is zink in de kleiige ondergrond van boring 108, aan de achterzijde van het terrein. Voor nikkel wordt nergens de interventiewaarde overschreden. Een ernstig geval van verontreiniging kan voor nikkel dus worden uitgesloten. Het grondwater stond op het moment van het onderzoek op circa 1.7 m-mv. Het grondwater is licht verontreinigd met barium. Dit metaal is landelijk verhoogd en niet specifiek voor het terrein aan de Eiteren zelf. Olie, aromaten en MTBE zijn niet meetbaar verhoogd in het grondwater. Het ontbreken van restverontreiniging na de sanering is daarmee bevestigd.
De algemene bodemkwaliteit van het perceel is geen belemmering voor de plannen voor ontwikkeling. Het zink in de ondergrond van boring 108 is wel een aandachtspunt. Aanbevolen wordt eventuele consequenties daarvan te overleggen met het bevoegd gezag in deze, de RUD Utrecht, namens Gemeente IJsselstein. Aanvullend onderzoek Het verkennend onderzoek is voorgelegd geweest aan de RUD Utrecht, waarop er vervolg onderzoek diende plaats te vinden. Dit aanvullend onderzoek is uitgevoerd door Linge Milieu bv (d.d. 30 december 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2.) Om de ernst en omvang van de verontreiniging met nikkel in boring 107 en zink in boring 108 in kaart te brengen zijn er drie rondes aanvullende boringen rond deze boringen geplaatst. De ernst en omvang van de verontreiniging met nikkel en zink kunnen als volgt worden samengevat. 1.
2.
3. 4.
5.
Voor nikkel wordt in één boring de interventiewaarde overschreden. Met totaal veertien analyses van individuele grondmonsters kan gesteld worden dat deze sterke verhoging een uitschieter is. Het volume van de sterk met nikkel verontreinigde grond wordt geschat op maximaal 5 m³. Wat zink betreft zijn er totaal drie boringen waarin het metaal sterk verhoogd, vanaf een diepte van 0.4 m-mv. Deze boringen bevinden zich langs de oostelijke erfgrens, op het achterterrein. Het oppervlak van de sterk verontreinigde grond is geschat op tenminste 20 m². Bij een dikte van de verontreinigde laag van 0.5 meter is het volume aan sterk verontreinigde grond minimaal 10 m³. Opmerking daarbij : er zijn geen boringen bij de buren gezet en in zuidelijke richting is het zink redelijk afgeperkt. Voor nikkel is er geen sprake van een ernstig geval van verontreiniging. Voor zink is er waarschijnlijk geen sprake van een ernstig geval. Het criterium daarvoor is een volume aan sterk verontreinigde grond van tenminste 25 m³. Uitgaande van een dikte van de verontreinigde laag van 0.5 meter zou daar een oppervlak voor nodig zijn van tenminste 50 m². Dat is niet waarschijnlijk. De metalen worden beschouwd als oud geval van verontreiniging, ontstaan voor 1987.
Asbest is bij zowel het onderhavig onderzoek als het onderzoek van afgelopen augustus zowel visueel als analytisch niet aantoonbaar in de geroerde bovengrond en in het puin onder de klinkers van het voorterrein. In de nieuwe situatie krijgen de locaties van boring 107 en 108 een bestemming als parkeerterrein. Er hoeft daarvoor niet dieper gegraven te worden dan 0.3 m-mv. De verontreiniging met metalen bevindt zich
23
in de grond vanaf 0.4 m-mv. De verhoogde metalen hebben dus geen directe consequenties voor de ontwikkeling van het terrein. Mocht er toch gegraven moeten worden ter plaatse van de spots met nikkel en zink of als er gekozen wordt voor het opleveren van een schone locatie zonder interventiewaarde-overschrijdingen, dan zal er een Plan van aanpak opgesteld moeten worden voor sanering. Bevoegd gezag daarbij is Regionale Uitvoeringsdienst Urecht (RUD Utrecht), namens de provincie Utrecht. Conclusie Gezien de uitkomsten van de uitgevoerde onderzoeken kan er gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor de uitvoering van het voorliggende plan. 4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• • •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (woonwagenstandplaatsen, ligplaatsen voor woonschepen); andere geluidsgevoelige gebouwen (onderwijsgebouwen, ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, kinderdagverblijven).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt geluidsgevoelige bebouwing mogelijk gemaakt in de vorm van een appartementengebouw met 11 woningen. Woningen zijn geluidgevoelig in de zin van de Wet geluidhinder. Aangezien de wegen rondom het plangebied 30 km-wegen zijn, is geen akoestisch onderzoek nodig. In de omgeving van het plangebied zijn voornamelijk wijkontsluitingswegen gelegen met een lage verkeersintensiteit, er is over het algemeen sprake van bestemmingsverkeer. Echter is de afweging gemaakt om in het kader van een goede ruimtelijke ordening een akoestisch onderzoek wegverkeerlawaai uit te voeren om aan te tonen dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Door Adviesburo van der Boom is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai uitgevoerd (kenmerk: 23-100, d.d. 6 juni 2023, zie bijlagen bij toelichting bijlage 3). De woningen liggen op 8 meter uit de as van de Eiteren, op 7 meter uit de as van de Vicarielaan, op 80 meter uit de as van de Scheepsjager en op 120 meter uit de as van de Haanderik.
Alle wegen in de omgeving zijn wegen zonder geluidzone. De overige niet gezoneerde wegen hebben een verkeersintensiteit van minder dan 100 mvt/etmaal en zijn akoestisch niet relevant. In de omgeving liggen geen gezoneerde wegen. De geluidbelasting door wegverkeer op de niet gezoneerde Eiteren bedraagt ten hoogste 54 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee overschreden. De geluidbelasting door wegverkeer op de overige niet gezoneerde wegen samen bedraagt ten hoogste 20 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee op elk van de overige niet gezoneerde wegen niet overschreden. Omdat de Eiteren een niet gezoneerde 30 km weg is hoeft voor deze weg geen hogere waarde te worden verleend. De geluidbelasting zonder aftrek door alle wegen samen Lcumplus bedraagt 54 dB na 5 dB aftrek. De geluidbelasting zonder aftrek door alle wegen samen Lcum bedraagt 59 dB zonder aftrek.
24
Bij ruimtelijke ontwikkeling streeft de gemeente IJsselstein ook bij 30 km wegen naar het terugbrengen van de geluidbelasting tot de voorkeursgrenswaarde. Maatregelen aan de bron en in de overdracht om de geluidbelasting naar beneden te brengen zijn uit financieel, civieltechnisch en stedenbouwkundig oogpunt niet mogelijk. De gemeente hanteert in haar geluidbeleid een maximale ontheffingswaarde van 58 dB voor erftoegangswegen en gebiedsontsluitingswegen. De geluidbelasting op de Eiteren voldoet aan deze eis. De gemeente IJsselstein stelt voor een locatie bijzondere eisen met betrekking tot de gecumuleerde geluidbelastingcompensatie LCUMplus. De geluidbelasting LCUMplus op de noordoostgevel bedraagt 54 dB. Vanuit het geluidbeleid is een geluidluwe gevel noodzakelijk en er dient ten minste één verblijfsruimte aan de geluidluwe gevel te zijn gesitueerd. Alle overige gevels zijn geluidluw. Daardoor kan eenvoudig worden voldaan aan de eis uit het geluidbeleid. Bij het bepalen van de benodigde geluidwering mag geen aftrek plaatsvinden ex. artikel 110-g Wgh. Bij een maximale geluidbelasting van 59 dB zonder aftrek op de noordoostgevels bedraagt de benodigde geluidwering GA,k in een nieuwbouwsituatie 26 dB en zijn aanvullende geluidwerende voorzieningen nodig. Indien de aanvullende geluidwerende voorzieningen worden getroffen is er sprake van een goed woon- en leefklimaat.
Daarmee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de voorliggende ontwikkeling. 4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3% bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof en stikstofdioxide (1,2 microgram per m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3% bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 huizen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit.
Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
25
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bedrijfspand met bijbehorende bedrijfswoning gesloopt en hiervoor in de plaats een nieuw appartementengebouw gerealiseerd met 11 appartementen. In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 woningen met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk.
Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2020 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 16,9 μg/m³ PM10, 9,5 μg/m³ PM2,5 en 15,1 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daarnaast is het de verwachting dat door verbetering van de autotechniek in de toekomst deze waarden nog verder kunnen dalen. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.
26
4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals bijvoorbeeld: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van 11 appartementen. Deze woningen worden in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan ‘Achterveld en omgeving’ gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. In de directe omgeving zijn geen belemmerende functies aanwezig. Verder moet worden nagegaan of de beoogde ontwikkeling milieubelastende activiteiten omvat. In onderhavig plan gaat het om de ontwikkeling van uitsluitend een woonfunctie en worden geen milieubelastende activiteiten mogelijk gemaakt. Op het zij- en achterterrein zal geparkeerd worden ten behoeve van de nieuwe woningen, dit is een ondergeschikt functie. Daarnaast komen de nieuwe woningen en parkeerplaatsen in de plaats van een garage die in de huidige situatie op de locatie is gevestigd. Er kan aangenomen worden dat dit een verbetering betekent in relatie tot geluidoverlast. Daarnaast beschikken de woningen aan de westzijde van het plangebied over bergingen die grenzen aan het plangebied, hetzelfde geldt voor de woning aan het Eiteren 27. Deze bergingen zullen een afscherming vormen voor het geluid van parkerende auto's. De woning aan het Eiteren 33 wordt ten opzichte van de parkeerplaatsen grotendeels afgeschermd door het nieuwe appartementen gebouw.
Er zal derhalve sprake zijn van een goed woon- en leefklimaat voor de omliggende woningen. Conclusie Er dient geconcludeerd te worden dat milieubelastende activiteiten in de omgeving geen belemmering vormen voor een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen en dat bedrijven niet in hun (bedrijfs)mogelijkheden worden beperkt als gevolg van het plan.
27
4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6 contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5 contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit (Besluit algemene regels inrichtingen milieubeheer) veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
28
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.