CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

VERREKIJKEROntwerpbestemmingsplan small (printversie)

Gemeenteraad 15 juli 2021, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot het gewijzigd vaststellen van het bestemmingsplan ‘De Verrekijker 1, Sint Jansteen23.876 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

De Verrekijker 1 – Sint Jansteen

IDENTIFICATIECODE: NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Inhoudsopgave 1.

INLEIDING................................................................................................................................... 4 1.1.

2.

AANLEIDING ............................................................................................................................... 4 PLANGEBIED EN OMGEVING .................................................................................................. 5

2.1.

PLANGEBIED .............................................................................................................................. 5

2.2.

BESTEMMINGSPLAN ................................................................................................................... 7

3.

PLANBESCHRIJVING ................................................................................................................ 8 3.1.

HUIDIGE SITUATIE ...................................................................................................................... 8

3.2.

BEOOGDE SITUATIE .................................................................................................................... 9

3.3.

EINDSITUATIE .......................................................................................................................... 10

3.3.1.

Strijdigheden bestemmingsplan....................................................................................................................... 10

3.3.2.

Conclusie .......................................................................................................................................................... 11

4.

VIGEREND BELEID .................................................................................................................. 13 4.1.

NATIONAAL BELEID ................................................................................................................... 13

4.1.1.

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) ................................................................................................ 13

4.1.2.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening .................................................................................................. 13

4.2.

PROVINCIAAL BELEID ................................................................................................................ 14

4.2.1.

Omgevingsplan Zeeland 2018 .......................................................................................................................... 14

4.2.2.

Omgevingsverordening Zeeland 2018.............................................................................................................. 14

4.2.3.

De ladder van duurzame verstedelijking .......................................................................................................... 14

4.3.

GEMEENTELIJK BELEID ............................................................................................................. 15

4.3.1.

5.

Structuurvisie Gemeente Hulst en bedrijventerreinen-programma ................................................................ 15

OMGEVINGSFACTOREN ........................................................................................................ 16 5.1.

EXTERNE VEILIGHEID................................................................................................................ 16

5.2.

GELUID.................................................................................................................................... 16

5.3.

GEURHINDER ........................................................................................................................... 18

5.4.

LUCHTKWALITEIT...................................................................................................................... 19

5.5.

BEDRIJVEN EN MILIEUZONERING ............................................................................................... 20

5.6.

ARCHEOLOGIE ......................................................................................................................... 21

5.7.

CULTUURHISTORIE ................................................................................................................... 22

5.8.

BODEMKWALITEIT .................................................................................................................... 22

5.9.

VERKEER EN PARKEREN ........................................................................................................... 22

5.10.

NATUUR .............................................................................................................................. 23

Pagina 2 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O 5.10.1.

Flora en Fauna .................................................................................................................................................. 23

5.10.2.

Stikstofdepositie .............................................................................................................................................. 24

5.11.

WATERPARAGRAAF .............................................................................................................. 24

5.12.

MILIEUEFFECTRAPPORTAGE (M.E.R.)..................................................................................... 25

5.13.

TRILLINGSHINDER ................................................................................................................ 25

6.

7.

FINANCIËLE ASPECTEN ........................................................................................................ 26 6.1.

ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................................................................................ 26

6.2.

MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID .................................................................................... 26 CONCLUSIE.............................................................................................................................. 27

Pagina 3 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Het bedrijf St. Paul N.V. exploiteert in het bestaande pand aan De Verrekijker 1 te Sint Jansteen een kaasverwerkingsbedrijf. Om deze activiteiten uit te kunnen voeren is het noodzakelijk om diverse installaties op het dakoppervlakte te plaatsen, het kantooroppervlakte te vergroten en rondom het gebouw diverse bouwwerken te plaatsen. Daarnaast is een schoorsteen benodigd voor het behandelen van de bakdampen van het verwerkingsproces. In het vigerende bestemmingsplan “Kernen Hulst” van de Gemeente Hulst is de toegestane bouwhoogte voor installaties op het gebouw 16 meter en voor bouwwerken, geen gebouw zijn is de bouwhoogte 6 meter. Bouwen van gebouwen mag niet buiten het bouwvlak en op het perceel is maximaal bedrijfscategorie 2 toegestaan. Om de gewenste ontwikkeling mogelijk te maken is het opstellen van een nieuw bestemmingsplan noodzakelijk. Het bestemmingsplan bestaat uit de volgende stukken: •

Verbeelding;

•

Regels;

•

Toelichting.

Daarnaast is een aantal (milieu)aspecten nader onderzocht. De onderzoeken maken als bijlagen deel uit van het plan. Middels dit bestemmingsplan wordt onderzocht of de vestiging van de activiteiten van St. Paul voldoet aan de eisen voor een goede ruimtelijke ordening, welke conform artikel 3.1 van de Wet ruimtelijke ordening noodzakelijk is voor het vaststellen van het bestemmingsplan.

Pagina 4 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Het plangebied ligt aan de noordoost rand van de kern Sint Jansteen, kadastrale aanduiding Gemeente Hulst, sectie R, nummer 965 (zie figuur 1 en figuur 2). Het gebied omvat onder andere een parking, laad/los dock en de huidige loods die momenteel in gebruik is als opslag (zie figuur 3 t/m 6).

Figuur 1. Situering (Bron: https://kadastralekaart.com, d.d. 7-01-2019)

Figuur 2. Ligging van het plangebied ten opzichte van de omgeving

Pagina 5 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O (Bron: https://kadastralekaart.com, d.d. 7-01-2019)

Figuur 3. Omgeving Plangebied St. Plan (Bron: https://www.google.nl, d.d. 21-03-2019)

Figuur 4. Omgeving Plangebied St. Plan (Bron: https://www.google.nl, d.d. 21-03-2019)

Figuur 5. Omgeving Plangebied St. Plan (Bron: https://www.google.nl, d.d. 21-03-2019)

Figuur 6. Omgeving Plangebied St. Plan (Bron: https://www.google.nl, d.d. 21-03-2019)

Pagina 6 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Ter plaatste van het bestemmingsplanvlak waarop de activiteiten worden voorzien, vigeert het Bestemmingsplan Kernen Hulst (NL.IMRO.0677.bpkernen-001V), hetgeen vastgesteld is door de gemeenteraad van Gemeente Hulst op 7 juni 2018. Zoals op figuur 7 hieronder te zien is, valt het gehele perceel binnen de enkelbestemming 'Bedrijf’ en Dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 2’. Binnen deze bestemming zijn de volgende functieaanduidingen van toepassing: bedrijf tot ten hoogste categorie 2 van de Staat van Bedrijfsactiviteiten en een postorderbedrijf.

Functieaanduiding specifieke vorm van bedrijf - postorderbedrijf Het pand is het oude opslag en distributiecentrum van Neckermann.com. Dit was een postorderbedrijf (internetwinkel zonder fysieke winkel) met een opslag en distributiecentrum. De maximale goot- en bouwhoogte bedraagt 16 meter voor de hoogbouw en 10 meter voor de laagbouw. Het maximale bebouwingspercentage voor het bouwvlak is 100%.

Figuur 7. Fragment digitale weergave plankaart bestemmingsplan Kernen Hulst (Bron: https://www.ruimtelijkeplannen.nl, d.d. 27-01-2020)

Pagina 7 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Het plangebied bestaat momenteel uit onder andere een parking, laad/los dock en de voormalige loods van Neckermann. Het totale perceel heeft een oppervlakte van 85.300 m². De bouwhoogte voor de opslag aan de noordwestzijde bedraagt 16 meter. De rest van het gebouw heeft een goothoogte van 10 meter. Aan de noord en zuidzijde zijn 160 parkeerplaatsen gerealiseerd. Aan de westzijde is het plangebied ingevuld met groen en water. Om het plangebied heen loopt een ontsluitingsweg die aansluit op De Verrekijker. Aan de noordzijde ligt de Rijksweg/N290. Aan de zuid en westzijde ligt het dorp Sint Jansteen. De dichtstbijzijnde woning van dit dorp ligt op circa 75 meter afstand, gemeten van gevel tot gevel. Tussen het bedrijf en de woningen ligt een doorgaande weg, een groenstrook en volkstuintjes. Aan de oostzijde is de omgeving ingevuld met groen.

Figuur 8. Zicht op het plangebied Het voornemen om een kaasverwerkingsbedrijf te realiseren is gefaseerd gerealiseerd. De fasering is als volgt opgebouwd: Fase

Omschrijving

Fase 1

de opslag van kaas en expeditie (de opslag gebeurt onder de condities van vries, koel en droog.)

Fase 2a

het raspen van kaas

Fase 2b

het produceren van kaas gerelateerde snacks (hierbij worden de producten gefrituurd in olie met behulp van bakovens.)

Fase 3

off cut van kazen

Fase 4

produceren van smeltkazen

Pagina 8 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O Er is op 8 april 2019 een afwijking van het vigerende bestemmingsplan (Kernen Hulst) vergund met kenmerk Casenr. 134603 / Olo-nr. 3845271 voor fase 1, fase 2a en fase 2b . Fase 1 omvat de opslag van kazen, kaasalternatieven, halffabricaat en / of consumentenproducten plaatsvinden onder de condities van vries, koel en droog. Voor deze fase is op 16 april 2018 een Melding Activiteitenbesluit Milieubeheer geaccepteerd, kenmerk M-ACT180237 / 0019894. In fase 2a is het raspproces in het pand op het industrieterrein (Amerikaweg 1, 4561 PB) van Hulst overgegaan naar de locatie op De Verrekijker 1 te Sint Jansteen. Er worden diverse kazen geraspt waardoor deze gemakkelijk te doseren zijn. In fase 2b is, naast het overgaan van raspproces in fase 2a, de productie van kaas snacks welke ook gevestigd is in het pand op de Amerikaweg overgegaan naar De Verrekijker 1 te Sint Jansteen. Hierbij worden de producten gefrituurd in olie met behulp van bakovens. Na het bakken worden de producten in koeltunnels met behulp van CO2 ingevroren (diepvriessnacks). Voor de activiteit bakken is een schoorsteen gerealiseerd van 25 meter hoog. Voor fase 2 is op 25 april 2019 een Melding Activiteitenbesluit Milieubeheer geaccepteerd, kenmerk M-ACT190094 / 00212682.

Fase 3 bestaat uit het toevoegen van nieuwe activiteit “cut off” verwerking. Er worden partijen kaas (en/of boter) ingenomen welke met water worden ontdaan van (zout)korsten. Dit gebeurt met hoge druk water. Bij deze fase zal een minimale zuiveringsstap, zoals een DAF-unit (Dissolved Air Flotation) gerealiseerd worden. Tevens wordt er ruimte gecreëerd voor een stoomketelhuis en bluswatertank. Hierna zal Fase 4 geïmplementeerd worden, wat wilt zeggen dat de productie van smeltkazen uit Lokeren naar Sint Jansteen zal komen. Het bedrijf levert producten aan de voedingsindustrie die ze op haar beurt gebruikt bij de productie van allerlei voedingsproducten die worden opgewarmd en waarbij smeltkaas een belangrijke factor is. Smeltkaas wordt geproduceerd door kaas te verwerken tot snippers en er producten als boter en smeltzouten toe te voegen. Er is alleen sprake van het veren bewerken van kazen, geen kaasproductie. St. Paul te Lokeren staat voor drie productlijnen: gethermiseerde kaas, pro-cheese en analoog. Daarbij staat steeds het gebruik in de industrie centraal. Gethermiseerde kaas vindt zijn toepassing in die gevallen waar hoge microbiologische waarden een probleem kunnen vormen. Door de inzet van gethermiseerde kaas bij kant-en-klare maaltijden kan de houdbaarheid aanzienlijk verlengd worden.

Pro cheese is dan weer een gethermiseerde smeltkaas waarbij 3% melkvreemde functionele ingrediënten betere eigenschappen aan de kaas geven, waardoor een nog betere sturing van de functionaliteit mogelijk is, zo leert de website van het bedrijf. Dat laatste lezen we als: de pro cheese wordt warm en smelt maar loopt niet weg uit het product.

Pagina 9 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Figuur 9. Locatie St. Paul te Lokeren Analoog en zuivelbereidingen worden geproduceerd op basis van volledig plantaardige ingrediënten of een product waar magere kaas de basis vormt. Hieraan kunnen plantaardige oliën en eventuele plantaardige alternatieve eiwitten en koolhydraten toegevoegd worden. Bij de productie zijn meerdere grondstoffen nodig, deze worden nu in zak toegevoegd aan het proces. Met de verhuizing van de productie van Lokeren naar Hulst zullen enkele grondstoffen beoogd worden in silo’s op te slaan. Met de komst van fase 4 worden er extra transportbewegingen verwacht door de levering van grondstoffen en afvoer van gereed product, echter zullen de transportbewegingen vanuit de genoemde magazijnfunctie vervallen (bijv. transport Hulst-Lokeren-Hulst). De beoogde activiteiten zijn te omvatten als een “kaas opslag- en verwerkingsbedrijf”, waarbij binnen de inrichting geen sprake is van productie van kaas. Binnen de inrichting wordt kaas bewerkt, waarbij met bewerken wordt bedoeld dat geen wezenlijke verandering van het product optreedt. Om het productiekantoor dicht bij de productie te kunnen plaatsen wordt de ruimte gecreëerd om het kantoor uit te breiden.

In dit bestemmingsplan zal de huidige situatie waar een omgevingsvergunning voor verleend is (Casenr. 134603 / Olo-nr. 3845271) en beoogde situatie verwerkt worden. Hierna wordt aangegeven wat de vergunde en beoogde strijdigheden zijn met het voorgenoemd vigerende bestemmingsplan "Kernen Hulst".

De strijdigheden met het vigerende bestemmingsplan zijn de volgende: -

Het perceel heeft de bestemming “bedrijf” met de nadere functieaanduiding “bedrijf tot en met categorie 2” en “specifieke vorm van bedrijf-postorderbedrijf”. Een kaasverwerkingsbedrijf is niet opgenomen in de Staat van Bedrijfsactiviteiten, met onderzoeken is aangetoond dat de aanvraag voor fase 1, 2a en 2b niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening.

Pagina 10 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O -

Op het gedeelte van het pand waar een goothoogte van 10 meter is toegestaan, is een schoorsteen geplaatst met een bouwhoogte van 25 meter in plaats van 16 meter. De schoorsteen is benodigd voor de bakprocessen genoemd bij fase 2b. (zie figuur 10)

-

Buiten het bouwvlak is een CO2 tank geplaatst met een hoogte van max. 12 meter, waar een hoogte van maximaal 3 meter is toegestaan. De CO2 is benodigd om de producten in te kunnen vriezen in de vriestunnel.

-

Buiten het bouwvlak aan de zuidoostzijde van het gebouw zijn grondstoffen silo’s voorzien om de grondstoffen welke nu in zak geleverd worden, in bulk op te slaan in fase 4. De silo’s hebben een hoogte van max. 12 meter, waar een hoogte van maximaal 3 meter is toegestaan.

-

Buiten het bouwvlak aan de zuidoostzijde van het gebouw is plaats voor een stoomketelhuis voorzien, welke benodigd is in de processen.

-

Buiten het bouwvlak aan de zuidoostzijde van het gebouw is plaats voorzien voor een kleine zuivering in welke vorm dan ook, welke benodigd is voor de processen van fase 3.

-

Buiten het bouwvlak aan de zuidoostzijde van het gebouw is plaats voor een bluswatertank voorzien.

-

Het creëren van extra kantoorruimte buiten het bouwvlak is benodigd om groei van het bedrijf met kantoorpersoneel aan de ene kant op te vangen en om, zoals aangegeven bij fase 4, het productiekantoor dichter bij de productielocatie te realiseren. (zie figuur 11)

-

Op het dak zijn ondergeschikte technische installaties aanwezig, zoals de bestaande luchtbehandelingskasten en de condensorbank welke hoger zijn dan 1,5 meter. (zie figuur 10)

Om de verleende omgevingsvergunning en de eindsituatie planologisch te verankeren is voorliggende wijziging van het bestemmingsplan nodig.

Figuur 10. - technische installaties op het dak

Pagina 11 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Figuur 11. - concept/idee uitbreiding kantoor

Pagina 12 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Op 13 maart 2012 is de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vastgesteld. Deze structuurvisie geeft een totaalbeeld van het ruimtelijk- en mobiliteitsbeeld op rijksniveau en is de ‘kapstok’ voor bestaand en nieuw rijksbeleid met ruimtelijke consequenties. Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig. Daar streeft het Rijk naar met een krachtige aanpak die ruimte geeft aan regionaal maatwerk, de gebruiker voorop zet, investeringen scherp prioriteert en ruimtelijke ontwikkelingen en infrastructuur met elkaar verbindt. Dit doet het Rijk samen met andere overheden. Bij deze aanpak hanteert het Rijk een filosofie die uitgaat van vertrouwen, heldere verantwoordelijkheden, eenvoudige regels en een selectieve rijksbetrokkenheid. Het Rijk formuleert drie hoofddoelen om Nederland concurrerend, bereikbaar, leefbaar en veilig te houden voor de middellange termijn (2028): •

Het vergroten van de concurrentiekracht door het versterken van de ruimtelijk-economische structuur van Nederland. Dit betekent bijvoorbeeld een aantrekkelijk (internationaal) vestigingsklimaat;

•

Het verbeteren, in stand houden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid waarbij de gebruiker voorop staat;

•

Het waarborgen van leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

De provincies en gemeenten krijgen in het nieuwe ruimtelijke en mobiliteitsbeleid meer bevoegdheden. Provincies en gemeenten zijn volgens het kabinet beter op de hoogte van de situatie in de regio en de vraag van bewoners, bedrijven en organisaties. Daardoor kunnen zij beter afwegen wat er in een gebied moet gebeuren. In de SVIR geeft het kabinet aan hoe het de bereikbaarheid in Nederland de komende jaren wil verbeteren. Hierbij wordt veel geld uitgetrokken voor het verbeteren van het wegenonderhoud. Verder worden bestaande wegen beter benut. Aan het beleid uit de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) wordt voldaan.

Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft de juridische kaders die nodig zijn om het vigerend ruimtelijk Rijksbeleid te borgen. Van provincies en gemeenten wordt gevraagd de inhoud van het Barro te laten doorwerken in de ruimtelijke besluitvorming. De hierin aangegeven juridische kaders zijn derhalve concreet normstellend bedoeld en worden geacht direct of indirect (dat wil zeggen door tussenkomst van de provincie), door te werken op het niveau van de lokale

Pagina 13 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O besluitvorming, zoals de vaststelling van bestemmingsplannen. In hoofdstuk 2 van het Barro (titel 2.1 t/m titel 2.13) zijn de nationale belangen opgenomen. Er is voor wat betreft de voorliggende projectlocatie geen sprake van nationale belangen. Resumerend kan worden aangegeven dat vanuit het Barro geen beperkingen of voorwaarden kunnen worden verbonden aan de beoogde planontwikkeling.

Het Omgevingsplan Zeeland 2018 van de provincie Zeeland is op 21 september 2018 vastgesteld. Het Omgevingsplan is opgebouwd uit vier grote strategische opgaven welke allesomvattend zijn voor de toekomst van Zeeland: 1.

Duurzame en concurrerende economie;

2.

Klimaatbestendige en neutrale samenleving;

3.

Waardevolle leefomgeving; en

4.

Toekomstbestendige bereikbare woon-, werk- en verblijfsomgeving.

In de strategische opgave “Duurzame en concurrerende economie” worden bedrijventerreinen besproken. Het doel is om een aantrekkelijk vestigingsklimaat te bieden voor bedrijven. Met een continue verbeterspoor voor bestaande bedrijven wordt ruimte gemaakt voor groei van zowel bestaande als nieuwe bedrijven, echter is de uitbreiding van kleine bedrijventerreinen hierin is niet wenselijk. De voorgenomen ontwikkeling voorziet geen uitbreiding van de bestemming bedrijven. Er bestaat derhalve geen strijdigheid met het provinciaal beleid.

De Omgevingsverordening Zeeland 2018 is vastgesteld op 21 september 2018. De Omgevingsverordening Zeeland bevat algemene regels en is waar mogelijk al rekening gehouden met de nieuwe Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. De regels in de verordening in relatie tot bedrijven betreffen evenals de opgave in het hiervoor genoemde omgevingsplan dat bestaande kleinschalige bedrijventerreinen niet mogen uitbreiden. Er vindt geen uitbreiding van de bestemming bedrijven plaats, hierdoor voldoet het initiatief aan de regels van het provinciaal beleid.

De ladder van duurzame verstedelijking is ingevoerd om zorgvuldige en heldere besluitvorming bij ruimtelijke besluiten te waarborgen. Of er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de

Pagina 14 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is een ruimtelijke ontwikkeling van bijvoorbeeld een bedrijventerrein of zeehaventerrein, van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Volgens jurisprudentie is de Ladder van toepassing op functieveranderingen en nieuwbouw van een ‘zekere omvang’. Bij uitbreiding van een gebouw ligt de ondergrens in beginsel bij een bruto-vloeroppervlakte van minder dan 500m2.1 In onderhavig plan is de bedrijvenbestemming al voorzien, bovendien was voor de vestiging van St. Paul het distributiecentrum van postorderbedrijf Neckermann gevestigd. Hierna heeft het pand een geruime tijd leeggestaan, wat leidde tot verpaupering van het pand. Met de komst van St. Paul heeft het pand een opknapbeurt gekregen. Ondertussen is het bedrijf bestaand en voert het activiteiten uit. In het kader van een betere bedrijfsvoering worden activiteiten geclusterd op de bestemming. Het bestemmingsplan maakt de activiteiten mogelijk echter zijn enkele bouwwerken strijdig met het bestemmingsplan betreffende hun afmetingen. Deze ontwikkeling kan derhalve niet beschouwd worden als een ‘nieuwe stedelijke ontwikkeling’ in het kader van de Ladder van duurzame verstedelijking.

Geconcludeerd kan worden dat de Ladder van duurzame verstedelijking geen belemmering vormt voor de realisatie van het onderhavige plannen.

Naast het in paragraaf 2.2 beschreven Bestemmingsplan, waarin het ruimtelijke beleid ten aanzien van deze locatie is beschreven, heeft de gemeente Hulst op 15 mei 2012 haar Structuurvisie Hulst vastgesteld.

In de Structuurvisie Hulst wordt verwezen naar het Regionaal bedrijventerreinen-programma Zeeuws-Vlaanderen 2010 t/m 2015, ondertussen is het Regionaal bedrijventerreinen-programma 2016-2025 (hierna het “programma) vastgesteld. In het programma 2016-2025 is het doel vastgesteld om te komen tot een aanbod van aantrekkelijke toekomstbestendige bedrijventerreinen, waar de aanwezige bedrijven ruimte te krijgen om te ondernemen en waar nieuwe bedrijvigheid zich wil vestigen. Hierbij zijn 4 opgaven toegekend: Verminderen voorraad bedrijventerreinen, bestaande bedrijventerreinen aantrekkelijk houden, ruimte creëren, daar waar de vraag is en marketing en acquisitie. In het programma is de komst van St. Paul zelfs genoemd: “Het faillissement van Neckermann.com heeft in Sint-Jansteen geleid tot een leegstand van een groot expeditiecentrum en een tweede kleiner expeditiecentrum met kantoren. Het grootste pand is inmiddels verkocht en weer als dusdanig in gebruik. Mogelijk worden er in de toekomst nog activiteiten toegevoegd ten behoeve van het bewerken van kaas.” De inbedrijfname van een leegstaand pand door St. Paul past hierbij in het Regionaal bedrijventerreinenprogramma 20162025 en daarmee ook binnen de Structuurvisie Hulst. Dit wordt nogmaals bevestigd door de komst van St. Paul te benoemen in het programma. 1

ABRvS 28 juni 2017;ECLI:NL:RVS:2017:1724

Pagina 15 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Ruimtelijke plannen kunnen van invloed zijn op de omgeving. Anderzijds kan ook de zichtbare en soms niet zichtbare omgeving van invloed zijn op de uitvoerbaarheid van de voorgenomen plannen. In dit hoofdstuk worden de relevante omgevingsfactoren beschreven. Daarnaast wordt per omgevingsfactor beoordeeld wat de invloed op de omgeving kan zijn.

Volgens de VNG dient in alle gevallen toetsing plaats te vinden aan het Bevi en het Vuurwerkbesluit. Indien één van beide van toepassing is (of beide van toepassing zijn), dient er verder onderzoek plaats te vinden.

Bevi Op ammoniakkoelinstallaties met een inhoud van meer dan 1.500 kg ammoniak is het Bevi van toepassing, op installaties met een inhoud van minder dan 1.500 kg is voorzien is het activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing. De vrieshal wordt gekoeld tot -18 ºC met behulp van de CO2 installatie. De ammoniak installatie van 1.155 kg, verzorgt de koeling van de koelhal tot + 5 ºC en de prekoeling van de CO2. De installatie valt daarmee rechtstreeks onder het Activiteitenbesluit. In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn geen aan te houden veiligheidsafstanden voor deze ammoniakkoelinstallaties opgenomen.

Vuurwerkbesluit Het Vuurwerkbesluit is per definitie van toepassing op de opslag van vuurwerk. Aangezien er geen vuurwerk wordt opgeslagen is het Vuurwerkbesluit besluit niet van toepassing. Conclusie Voorgaande betekent dat de externe veiligheid juridisch gezien geen af te wegen aspect is.

Het akoestisch onderzoek dient voor een wijziging van het bestemmingsplan en een melding ingevolgde het Activiteitenbesluit Milieubeheer. De toetsing aan de VNG-publicatie voor het wijzigen van het bestemmingsplan en de toetsing aan het Activiteitenbesluit Milieubeheer wordt hierna weergegeven. VNG-Publicatie De VNG-publicatie omschrijft voor de beoordeling van geluidhinder het volgende stappenplan: Stap 1

Indien de richtafstand (30 meter) voor het aspect geluid past binnen de richtafstand van de toelaatbare milieucategorie, kan verdere toetsing voor het aspect geluid in beginsel achterwege blijven: buitenplanse inpassing is mogelijk.

Pagina 16 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O Omdat het onduidelijk is of het aspect geluid passend is, is er een akoestisch onderzoek uitgevoerd volgens stap 2. Vanaf stap 2 is een akoestisch onderzoek benodigd. In bijlage 1 is het Akoestisch onderzoek, P18_40, St. Paul NV, 15 december 2020, Akoestisch Adviesburo van Lienden, bijgevoegd. Waarin getoetst wordt aan de waarden genoemd in stap 2. Stap 2

Bij een geluidsbelasting (etmaalwaarde) op de richtafstand (30 meter) van de maximaal toelaatbare milieucategorie van maximaal: - 50 dB(A) langtijdgemiddeld beoordelingsniveau; - 70 dB(A) maximaal (piekgeluiden); - 50 dB(A) ten gevolge van verkeersaantrekkende werking; Indien voldaan wordt is buitenplanse inpassing mogelijk.

In de tabellen hierna zijn de rekenresultaten weergegeven:

Uit de rekenresultaten blijkt dat de grenswaarden uit de VNG-publicatie niet overschreden worden. Volgens de handreiking Meten en Rekenen Industrielawaai HMRI-1999 dienen de rekenkundige tussenresultaten te worden gepresenteerd tot één cijfer achter de komma. De beoordelingsgrootheden worden opgegeven in hele dB's. Deze getallen worden afgerond conform NEN 1047. Indien het eindresultaat een etmaalwaarde betreft vindt afronding plaats voor de

Pagina 17 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O toepassing van de toeslag op het beoordelingsniveau LAr,LT (voor de avond en nacht). Uit bovenstaande rekenresultaten blijkt dat aan de voorkeurswaarden genoemd bij stap 2 kan worden voldaan. Activiteitenbesluit Milieubeheer St. Paul N.V. valt als een type B inrichting onder het Activiteitenbesluit Milieubeheer. In het besluit zijn geluidsvoorschriften opgenomen onder afdeling 2.8 tabel 2.17a. Het aan te houden geluidsvoorschrift luidt voor de optredende geluidsbelasting als volgt: “Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT) en het maximaal geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de inrichting verrichte werkzaamheden en bedrijfsactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting gelegen woningen van derden of andere geluidsgevoelige bestemmingen, mag niet meer bedragen dan de in tabel 2.17a (en onderstaande tabel) aangegeven waarden: Dagperiode

Avondperiode

Nachtperiode

07.00-19.00 uur

19.00 – 23.00 uur

23.00-07.00 uur

LAr,LT op gevels van woningen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LAmax op gevels van woningen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

Conclusie Uit de toetsing van de rekenresultaten blijkt dat de normwaarden uit het Activiteitenbesluit niet worden overschreden op de gevel van de woningen. Eveneens worden de grenswaarden van de VNG-publicatie niet overschreden. Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

In bijlage 2 is het geuronderzoek bijgevoegd. Voor onderliggende bestemmingsplanwijziging is getoetst aan het voldoen aan de afstandsnormen uit de VNG publicatie “Bedrijven en milieuzonering” en of voldaan wordt inzake melding Activiteitenbesluit Milieubeheer. De situatie welke hier is weergegeven is de eindsituatie waarbij een schoorsteen van 25m wordt geplaatst, en capaciteit van 1.250 kg welke op 8.760h wordt behaald en met een verwijderingsrendement van 95%. VNG-publicatie Om het aspect geur te beoordelen wordt het volgende stappenplan uit de VNG-publicatie gebruikt: Stap 1

Indien de richtafstand (30 meter) voor het aspect geur past binnen de richtafstand van de toelaatbare categorie, kan verdere toetsing voor het aspect geur in beginsel achterwege blijven: Buitenplanse inpassing is mogelijk.

Omdat het onduidelijk is of het aspect geur passend is, is er een geuronderzoek uitgevoerd volgens stap 2. Stap 2

- Bij een geurbelasting van maximaal 0,5 ouE/m3 als 98-percentielwaarde en/of een hedonische waarde H=-0,5 of hoger op woningen en andere geurgevoelige bestemmingen in gebiedstype rustige woonwijk en; - Bij een geurbelasting van maximaal 1 ouE/m3 als 98-percentielwaarde en/of een hedonische waarde H=-1 of hoger op woningen en andere geurgevoelige bestemmingen in gebiedstype gemengd gebied; buitenplanse inpassing is mogelijk

Uit de toetsing van de rekenresultaten blijkt dat de voorkeursgrenswaarden niet worden overschreden.

Pagina 18 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O Activiteitenbesluit Milieubeheer In het Activiteitenbesluit Milieubeheer zijn geen normen opgenomen voor geur, echter bepaalt Artikel 2.7a lid 1 van het besluit dat: Als bij een activiteit emissies naar de lucht plaatsvinden, moet geurhinder bij geurgevoelige objecten worden voorkomen dan wel, voor zover dat niet mogelijk is, tot een aanvaardbaar niveau worden beperkt. Om een aanvaardbaar niveau van geurhinder te bepalen wordt rekening gehouden met de bestaande toetsingskaders, het lokaal geurbeleid. Het Zeeuwse geurbeleid (“Alle neuzen dezelfde kant op”, Handreiking geur provincie Zeeland,2007) gaat uit van de volgende norm voor nieuwe situaties:

Op St. Paul N.V. is derhalve een toetsingskader van 2,5 ouE/m3 als 99,5-percentielwaarde van toepassing verondersteld, zie het geuronderzoek. Uit de verspreidingsberekening blijkt dat een geurbelasting van 2,5 ouE/m3 als 99,5-percentielwaarde en 2,5 ouE/m3 als 95percentielwaarde nergens wordt overschreden. Binnen de geurcontouren van de toetsingswaarden van 0,5 ouE/m3 als 98percentielwaarde en 1,0 ouE/m3 als 98-percentielwaarde zijn geen geurrelevante objecten of geurgevoelige bestemmingen gelegen. De activiteiten van een categorie 2 bedrijf kennen geur afstandsregels, in dit geval 30 meter vanaf de kadastrale grens. Dit zijn minimum afstanden tussen een geurgevoelig gebouw en een geurveroorzakende activiteit. Deze afstanden hoeven niet letterlijk zichtbaar te zijn als contour. Op vraag van bevoegd gezag zijn deze contouren weergegeven in bijlage 3. Conclusie De geuremissie van St. Paul NV voldoet aldus aan de gehanteerde toetsingskaders voor de geurimmissie (zowel het toetsingskader volgens het Zeeuws geurbeleid als het toetsingskader volgens de Handreiking Bedrijven en milieuzonering). Uitgaande van een geur reducerende techniek met een geurverwijderingsrendement van 95%, kan worden geconcludeerd dat de geuremissie van de baklijn van St Paul géén onaanvaardbare negatieve gevolgen heeft voor het leef- en woonklimaat van haar omgeving.

Het Nederlandse wettelijke stelsel voor luchtkwaliteitseisen is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 5.2 ‘Luchtkwaliteitseisen’, van de Wet milieubeheer. Dit wettelijk stelsel is van kracht sinds november 2007 en wordt ook wel de ‘Wet luchtkwaliteit’ (‘Wlk’)

Pagina 19 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O genoemd. De meest kritische luchtverontreinigende componenten zijn stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM2,5 en PM10). Voor genoemde componenten gelden grenswaarden en een maximale jaargemiddelde achtergrondconcentratie. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen en verkeersplannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld kan worden. Op deze manier is te bepalen of een plan niet in betekenende mate bijdraagt. In de NIBM tool is een berekening uitgevoerd voor het totaal aantal voertuigbewegingen in eindsituatie. Hieruit blijkt dat het verkeer niet boven de grens voor “Niet in Betekende Mate” in µg/m3 van 1,2 komt.

Worst-case berekening voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit Jaar van planrealisatie

2020

Extra verkeer als gevolg van het plan Extra voertuigbewegingen (weekdaggemiddelde)

82

Aandeel vrachtverkeer

15,0%

NO2 in μg/m3

0,10

PM10 in μg/m3

0,02

Maximale bijdrage extra verkeer Grens voor "Niet In Betekenende Mate" in μg/m 3

1,2 Conclusie

De bijdrage van het extra verkeer is niet in betekenende mate; geen nader onderzoek nodig

Figuur 13. – Berekening NIBM-tool Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de realisatie van woningen nabij bedrijven of visa versa: •

een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd ter plaatse van de woningen;

•

rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en milieuruimte van de eventueel in de omgeving aanwezige bedrijven/inrichtingen.

De voorgenomen activiteiten “kaas opslag- en verwerkingsbedrijf” heeft geen categorie vermelding in de Staat van Bedrijfsactiviteiten. In het schrijven van 3 juni 2019 heeft het College van Burgemeester en Wethouders van de Gemeente Hulst aangegeven dat medewerking wordt verleend aan de gerealiseerde schoorsteen van 25m en indien: "voor de beoordeling van de geurverspreiding in het kader van de ruimtelijke aspecten ten behoeve een aanvaardbaar leef- en woonklimaat, voldaan wordt aan de afstandsnorm van 30m op grond van milieucategorie 2 en moet als nageschakelde ontgeuringstechniek een geurverwijderingspercentage van 95% wordt gegarandeerd".

Pagina 20 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O Onderstaand schema bevat de afstanden van de woningen in de directe omgeving tot het plangebied. Woningen / dagverblijf

Afstand woning tot bestemming

Afstand woning tot bebouwing

bedrijven (in meters)

(in meters)

Tempelier 2

130

141

Geslechtendijk 41

63

75

Visserijstraat 1

50

162

Beoogde herontwikkeling De Verrekijker 2

> 30

> 30

Zoals uit de tabel blijkt, liggen de woningen op minimaal 30 meter afstand van de bedrijfsbestemming en op minimaal 30 meter van de bebouwing. Van belang is dat de nieuwe kantoorbebouwing vanaf de openbare wegen zichtbaar is en een kwalitatief goede architectuur heeft. De goede architectonische uitstraling draagt bij aan het behoud van een goed woonen leefklimaat. Om aan te tonen dat de activiteiten van St.Paul naar aard en invloed tot milieucategorie 2 behoren volgen we het stappenplan van de VNG-publicatie “Bedrijven en milieuzonering”, versie 2009 (hierna “VNG”). De richtafstand van een categorie 2 bedrijf is 30 m, voor de milieuaspecten met de grootste richtafstanden geluid, geur en gevaar. Conclusie In de voorgaandeparagraven zijn de effectafstanden van de activiteiten van St.Paul onderzocht op de aspecten geluid, geur en gevaar, deze vormen geen belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

De toenemende bedreiging van het archeologische erfgoed in heel Europa, niet alleen door natuurlijke processen of ondeskundig gebruik van het bodemarchief, maar ook door ontwikkelingen in de ruimtelijke ordening, gaf aanleiding voor het in 1992 door de Europese lidstaten ondertekende Verdrag van Valletta. Dit verdrag wordt ook wel het Verdrag van Malta genoemd. Doel van het archeologisch (voor)onderzoek is het waar nodig beschermen van archeologische waarden en het streven naar behoud van de waarden in de bodem (in situ). De essentie van het archeologisch (voor)onderzoek is het verkrijgen van gegevens over de archeologische resten in de bodem teneinde in een vroeg stadium een goede afweging te kunnen maken van alle bij een ruimtelijk besluit betrokken belangen. Het te bebouwen oppervlakte is kleiner dan 500 m2, op de gronden naast het gebouw wordt een maximum bebouwd oppervlakte van 100 m2 aangehouden en de bouwoppervlakte van het kantoor zal niet meer dan 400 m2 extra bedragen, waardoor er geen beoordeling voor wat betreft archeologie nodig is. Conclusie Het aspect archeologie vormt geen belemmering voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

Pagina 21 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

In het plangebied zijn geen cultuurhistorische waardevolle objecten aanwezig. Ook behoort het gebied niet tot een waardevol landschap. Verdere beoordeling van cultuurhistorische waarden kunnen hierdoor achterwege worden gelaten.

Het beleid van de overheid gaat uit van het principe dat de bodem geschikt dient te zijn voor de beoogde functie. De gewenste functie bepaalt als het ware de gewenste bodemkwaliteit. Voor alle bestemmingen waar een functiewijziging of herinrichting wordt voorzien, dient tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek (historisch onderzoek) te worden verricht. Indien op grond van historische informatie blijkt dat in het verleden activiteiten hebben plaatsgevonden met een verhoogd risico op bodemverontreiniging, dan dient een volledig verkennend bodemonderzoek te worden uitgevoerd. Op basis van geconstateerde belemmeringen uit dit onderzoek, kan vervolgens worden nagegaan welke maatregelen moeten worden genomen om die belemmeringen weg te nemen (functiegericht saneren). De bodemgesteldheid van het perceel is reeds onderzocht. Type

Auteur

Nummer

Datum

Verkennend onderzoek NVN 5740

SGS Ecocare

ET 60782

1994-10-01

Verkennend onderzoek NVN 5740

SGS Ecocare

ET 59087

1993-06-28

Indicatief onderzoek

SGS Ecocare

ET 57176

1992-03-09

Indicatief onderzoek

SGS Ecocare

ET 57175

1992-03-06

Het laatste onderzoek is onderdeel van de bouwaanvraag (Ba 94/389) voor de bouw van het reeds bestaande pand. De hypothese uit de onderzoeken is dat de locaties onverdacht zijn. Conclusie Het aspect bodemkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigingen van het bestemmingsplan.

Voor de vaststelling van de parkeernormen is gebruik gemaakt van de CROW-publicatie 381 “Toekomstbestendig parkeren: van parkeerkencijfers naar parkeernormen”. Omdat in de eindfase in het gebouw diverse werkzaamheden worden uitgevoerd, rekenen we met diverse kentallen: Rest bebouwde kom

Oppervlakte m2

Kental per 100m2 bvo

Parkeerplaatsen

Kantoor (zonder

400

2,0

8

4.793

2,1

100

baliefunctie) Bedrijf arbeidsintensief / bezoekers extensief

Pagina 22 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O Bedrijf arbeids- en

22.707

0,6

136

bezoekers extensief Totaal

244

In bijzondere situaties kan afgeweken worden van de geldende normen. Een en ander dient gemotiveerd worden. Het productiedeel valt onder arbeidsintensief / bezoekers extensief. Echter door automatisering van veel processen is het minimale kental aangehouden. Het grootste deel van het bruto vloer oppervlakte wordt als opslag gebruikt, in dit deel zijn geen 136 personen werkzaam. Omdat er volgens de CROW publicatie 244 parkeerplaatsen nodig zijn en er op het terrein 160 parkeerplaatsen aanwezig zijn is gekeken naar de bestaande situatie van de vestiging van St. Paul N.V. te Lokeren om de werkelijke parkeerbehoefte te bepalen. In de vestiging van St. Paul N.V. te Lokeren werken 35 personen. Hiervan werken er ongeveer 20 in de productieruimte/opslag en 15 op het kantoor en besturingsruimte. Het totale oppervlakte van het gebouw is ongeveer 3.700 m2 waarvan 700 m2 kantoorruimte, 1.500 m2 productieruimte en 1.500 m2 opslag. Voor het kantoor in Lokeren zijn er 10 parkeerplaatsen op eigen terrein, de overloop vindt plaats langs de weg van het industrieterrein. Op basis van ervaring wordt ingeschat is dat er in de huidige situatie maximaal 20 parkeerplaatsen benodigd zijn. Er is derhalve 1 parkeerplaats benodigd per 185 m2. Indien de situatie van de bedrijfslocatie in Lokeren één op één zou worden door vertaald naar St.

Jansteen zouden er 150 parkeerplaatsen noodzakelijk zijn (26.700/185). Verwacht wordt dat er in de laatste fase maximaal 100 medewerkers werkzaam zullen zijn bij St. Paul in St. Jansteen, waarvan op basis van Lokeren straks ongeveer 50 á 75 in de productieruimte/opslag werkzaam zullen zijn en overige op het kantoor. Op het terrein zijn ongeveer 160 parkeerplaatsen aanwezig. Op basis van de parkeervraag in Lokeren worden er geen problemen verwacht met het parkeren op eigen terrein in St. Jansteen en zal er met 160 parkeerplaatsen ruim voldaan worden aan de parkeervraag. Daarnaast is de verwachting dat er meer medewerkers uit de omgeving van St. Paul te Sint Jansteen worden aangenomen, welke hoofdzakelijk op de fiets zullen komen. Hiervoor is ook een fietsenstalling ingericht op het terrein. Overige medewerkers zullen met de auto komen. Conclusie Het aspect verkeer en parkeren levert geen beperking op voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

De aanwezigheid van veel verschillende planten- en dierensoorten in voldoende aantallen, in ecologisch gezonde natuurgebieden, zorgen ervoor dat de natuur tegen een stootje kan. Sommige soorten, zoals vleermuizen, gierzwaluwen, steenuilen en huismussen, zijn kwetsbaar. In een dichtbevolkt land als Nederland is daarom goede bescherming voor de aanwezige natuur belangrijk. Wanneer het met de natuur goed gaat, kunnen we economische en andere maatschappelijke activiteiten meer ruimte te bieden. In de Wet natuurbescherming staat voor welke activiteiten een melding, ontheffing of vergunning verplicht is. Meldingen en aanvragen voor ontheffingen en vergunningen op grond van de Wet

Pagina 23 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O natuurbescherming voor de volgende onderdelen: Houtopstanden (voorheen Boswet), Soortenbescherming (voorheen Floraen faunawet), Gebiedsbescherming (voorheen Natuurbeschermingswet 1998), Faunabeheer en schadebestrijding. Ten behoeve van de uitvoering van het project worden er geen gebouwen verwijderd of verplaatst. Wel wordt de mogelijkheid gecreëerd om bouwwerken te plaatsen. De voorziene locaties van de bouwwerken worden gekenmerkt door bestrating en asfalt. Eveneens is er een kleine hoeveelheid van kort gemaaid gras en enkele bomen welke niet op de lijst beschermde bomen van de Gemeente Hulst staan, waardoor er geen natuurwaarden worden verstoord. Conclusie Nader onderzoek naar flora en fauna is hierdoor niet nodig.

Op grond van artikel 2.7 van de Wet Natuurbescherming (Wnb) is het verboden zonder vergunning van gedeputeerde staten projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen. Om inzichtelijk te maken of de toename van de stikstofdepositie een (significant) effect heeft op de natuurlijke kenmerken van Natura 2000-gebieden is een berekening gemaakt in de op 15 mei 2020 geldende versie van AERIUS Calculator (versie 2020_20201216_c759386971) waarbij de beoogde situatie is ingevoerd. Door de uitbreiding van het kantoor en plaatsen van bouwwerken worden geen extra verbrandingsprocessen toegevoegd. Het resultaat van de berekening is: “Uw berekening heeft geen verschillen opgeleverd boven 0,00 mol/ha/jr.” De berekening is bijgevoegd in bijlage 4. Conclusie Het aspect Natuur geeft geen beperking voor het wijzigen van het bestemmingsplan.

Ten behoeve van een ruimtelijke ontwikkeling dient een watertoets met het waterschap overlegd te worden. Bij de watertoets gaat het om allerlei waterhuishoudkundige aspecten, waaronder veiligheid, wateroverlast, watertekort, waterkwaliteit en verdroging, en om alle wateren: rijkswateren, regionale wateren en grondwater. Het is niet een toets achteraf, maar een proces dat de initiatiefnemer van een ruimtelijk plan en de waterbeheerder in een zo vroeg mogelijk stadium met elkaar in gesprek brengt. Bij het Waterschap Scheldestromen wordt hiervoor een watertoetstabel gebruikt. In deze tabel zijn de hiervoor genoemde aspecten verwerkt. De watertoetstabel welke is ingevuld voor de activiteiten in de eindfase van St. Paul is bijgevoegd als bijlage 5. Conclusie De ontwikkeling heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem ter plaatse.

Pagina 24 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

De centrale doelstelling van het instrument milieueffectrapportage is het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming over activiteiten met mogelijke belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. De basis van de milieueffectrapportage wordt gevormd door de EU-richtlijn M.e.r. Deze richtlijn is in Nederland geïmplementeerd in de Wet milieubeheer en het Besluit M.e.r. In het Besluit M.e.r. bestaat een belangrijk onderscheid tussen bijlage C en bijlage D. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit bijlage C geldt een M.e.r.-plicht. In bijlage D staan de activiteiten benoemd waarvoor een M.e.r.- beoordelingsplicht geldt: er moet beoordeeld worden of sprake is van (mogelijke) belangrijke nadelige milieugevolgen. Als deze niet uitgesloten kunnen worden, geldt een M.e.r.-plicht. Kunnen deze belangrijke nadelige milieugevolgen wel uitgesloten worden, dan is een M.e.r. niet noodzakelijk. Overige milieuaspecten. Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die beneden de drempelwaarden vallen, dient een toets uitgevoerd te worden of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije M.e.r.-beoordeling gehanteerd. De oprichting van een kaasbewerkingsbedrijf is niet vermeld in de bijlage van het Besluit M.e.r. onder onderdeel C en/of D.

Het plan betreft geen toevoeging van een trillingsgevoelige bestemmingen. Er is derhalve geen nader onderzoek noodzakelijk.

Pagina 25 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Het plan betreft een particulier initiatief, waarvan alle kosten en risico's voor rekening van de initiatiefnemer komt. Dat geldt ook voor mogelijke planschadevergoedingen waaromtrent een verhaalsovereenkomst met de gemeente is gesloten. Het plan wordt economisch uitvoerbaar geacht.

Er is vooroverleg gevoerd met bevoegd gezag om te kijken wat de mogelijkheden zijn, tijdens dit overleg zijn de diverse onderdelen besproken. Met een schrijven van 11 april 2019 is het college verzocht een standpunt te bepalen, als beantwoording hierop is in deze brief aangegeven om het bestemmingsplan te wijzigen. Provincie Zeeland heeft aangegeven dat zij akkoord gaan met het voorliggende bestemmingsplan en geen verdere opmerkingen hebben. Waterschap Scheldestromen heeft aangegeven dat zij akkoord gaan met het voorliggende bestemmingsplan, mits er een voorwaardelijke verplichting wordt opgenomen omtrent het aspect waterberging.

Pagina 26 / 27

NL.IMRO.0677.bpstjanverrekijk1-001O

Uit de vorige hoofdstukken en de bijbehorende onderzoeken blijkt dat de activiteiten passen binnen de wettelijke kaders. Daarnaast voldoet het initiatief aan de vereiste goede ruimtelijke ordening.

Pagina 27 / 27

AKOESTISCH ONDERZOEK ‘Industrielawaai’ St. Paul NV De Verrekijker 1 te St. Jansteen

Opdrachtgever:

St. Paul NV De Verrekijker 1 4564 DB St. Jansteen

Contactpersoon:

Mevr. E. Stroo – Colsen, Adviesburo voor Milieutechniek BV te Hulst

Auteur:

P.J. Kriekaart

Project Nr.:

P18_40

Versie:

5

Datum:

15 december 2020

Akoestisch onderzoek P 18_40 St. Paul NV

INHOUDSOPGAVE 1 – Inleiding .......................................................................................................................................................... 2 2 – Normstelling ................................................................................................................................................ 3 2.1 – Activiteitenbesluit............................................................................................................................... 3 2.2 – BBT-principe........................................................................................................................................ 5 3 – Uitgangspunten .......................................................................................................................................... 7 3.1 – Algemeen ............................................................................................................................................... 7 3.2 – Overzicht bedrijfsgebouw ............................................................................................................... 8 3.3 – Opbouw en binnenniveaus ..............................................................................................................

8 3.4 – Geluidbronnen..................................................................................................................................... 9 3.4.1 – Stationaire bronnen ........................................................................................................................................................... 9 3.4.2 – Mobiele bronnen................................................................................................................................................................ 11

4 – Modellering ................................................................................................................................................ 12 4.1 – Algemeen............................................................................................................................................. 12 4.2 – Bedrijfsduurcorrecties.................................................................................................................... 12 4.3 – Geluidvermogen en bedrijfsduren .............................................................................................. 13 4.4 – Rekenmodel ....................................................................................................................................... 15 5 – Rekenresultaten ........................................................................................................................................17 5.1 – Langtijdgemiddeld beoordelingsniveau ......................................................................................17 5.2 – Maximale geluidniveaus ................................................................................................................. 18 5.3 – Indirecte hinder ................................................................................................................................

19 5.4 – Additionele maatregelen ............................................................................................................... 19 6 – Conclusie..................................................................................................................................................... 21 Bijlage I – Overzicht planlocatie Bijlage II – Invoergegevens Bijlage III - Rekenresultaten Bijlage IV – Geluidvermogenniveaus

1

Akoestisch onderzoek P 18_40 St. Paul NV

1 – INLEIDING In opdracht van St. Paul NV, vertegenwoordigd door Colsen, Adviesburo voor Milieutechniek BV, is een akoestisch onderzoek uitgevoerd ten behoeve van een verandering/uitbreiding van de inrichting van St. Paul NV aan De Verrekijker 1 te Sint Jansteen. Het akoestisch onderzoek vindt plaats ten behoeve van een bestemmingsplanwijziging en een melding in gevolge het Activiteitenbesluit milieubeheer; type B-inrichting. Het akoestisch onderzoek geeft inzicht in de bedrijfsactiviteiten en de optredende geluidniveaus op geluidgevoelige bestemmingen in de directe omgeving. Er zal worden getoetst aan de bij milieucategorie 2 behorende afstandsnormen en de van toepassing zijnde geluidnormen uit het Activiteitenbesluit. Aangezien de bedrijfsinrichting in verschillende fasen zal worden opgestart zal het akoestisch onderzoek gebaseerd zijn op fabrieksgegevens van installaties en kengetallen uit het databestand van Akoestisch Adviesburo Van Lienden. De volgende zaken vormen de basis voor het akoestisch onderzoek: -

Besprekingen met dhr. B. Rijk als vertegenwoordiger van St. Paul NV; Bouwkundige tekeningen; Activiteitenbesluit; Handleiding Meten en Rekenen Industrielawaai HMRI-1999; Handreiking industrielawaai en vergunningverlening – 1998.

2

Akoestisch onderzoek P 18_40 St. Paul NV

2 – NORMSTELLING 2.1 – VNG De in 2009 uitgebrachte VNG-publicatie ‘Handreiking bedrijven en milieuzonering’ wordt algemeen gebruikt als handvat voor de beoordeling van de ruimtelijke ordening wanneer bedrijfsactiviteiten worden uitgevoerd in de omgeving van geluidgevoelige bestemmingen. De genoemde VNG-publicatie omschrijft de beoordeling van geluidhinder volgens een stappenplan, waarbij eerst wordt onderzocht of de richtafstand (30 meter) van de perceelgrens van de inrichting tot geluidgevoelige bestemmingen wordt overschreden. Wanneer deze wordt overschreden dient middels een akoestisch onderzoek aangetoond te worden of kan worden voldaan aan de volgende grenswaarden: a. Geluidgevoelige bestemmingen in een rustige woonwijk: -

45 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau

-

65 dB(A) maximaal geluidniveau

-

50 d(A) indirecte hinder (als gevolg van de verkeersaantrekkende werking)

b. Geluidgevoelige bestemmingen in een gemengd gebied: -

50 dB(A) langtijdgemiddelde beoordelingsniveau

-

70 dB(A) maximaal geluidniveau

-

50 d(A) indirecte hinder (als gevolg van de verkeersaantrekkende werking)

Voor het betreffende gebied is sprake van functiemenging (dus gemengd gebied) en zal dus, aan de grenswaarden onder b. moeten worden voldaan.

2.2 – Activiteitenbesluit St Paul NV valt als een type B inrichting onder het Activiteitenbesluit. In het besluit zijn geluidvoorschriften opgenomen onder afdeling 2.8 tabel 2.17a. Het aan te houden geluidvoorschrift luidt voor de optredende geluidbelasting als volgt: a. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau (LAr,LT ) en het maximaal geluidniveau (LAmax), veroorzaakt door de in de inrichting aanwezige toestellen en installaties, alsmede door de in de inrichting verrichte werkzaamheden en bedrijfsactiviteiten ten behoeve van en in de onmiddellijke nabijheid van de inrichting gelegen woningen van derden of andere geluidsgevoelige bestemmingen, mag niet meer bedragen dan de in tabel 2.17a (en onderstaande tabel) aangegeven waarden.

3

Akoestisch onderzoek P 18_40 St. Paul NV

Tabel 1 – Geluidnormen Dagperiode 07.00 – 19.00 uur

Avondperiode 19.00 – 23.00 uur

Nachtperiode 23.00 – 07.00 uur

LAr,LT op gevels van woningen

50 dB(A)

45 dB(A)

40 dB(A)

LA,max op gevels van woningen

70 dB(A)

65 dB(A)

60 dB(A)

b. de in de periode tussen 07.00 en 19.00 uur in tabel 2.17a opgenomen maximale geluidniveaus LAmax niet van toepassing zijn op laad- en losactiviteiten; c. de in tabel 2.17a aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden indien de gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; d. de in tabel 2.17a aangegeven waarden op de gevel ook gelden bij gevoelige terreinen op de grens van het terrein; e. de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen slechts gelden in geluidsgevoelige ruimten en verblijfsruimten; f.

de in tabel 2.17a aangegeven waarden niet gelden op gevoelige objecten die zijn gelegen op een gezoneerd industrieterrein.

De leden c) tot f) zijn in dit geval niet van toepassing. Controle op het niveau van het geluid, alsmede de beoordeling van meetresultaten vindt plaats overeenkomstig de Handleiding ‘Meten en Rekenen Industrielawaai’ (1999). Dit houdt o.a. in dat bij de beoordeling het aspect van voorkomend impulsachig of tonaal geluid een straffactor van K1 /K2 = 5 dB verdisconteerd dient te worden en bij ‘duidelijk hoor- en herkenbaar muziekgeluid’ een straffactor van K3=10 dB. Zoals ook in bovenstaande tabel aangegeven wordt bij het vaststellen van de representatieve bedrijfssituatie (RBS) uitgegaan van een etmaal met 3 beoordelingsperioden: -

Dagperiode: Avondperiode: Nachtperiode:

07.00 uur – 19.00 uur 19.00 uur – 23.00 uur 23.00 uur – 07.00 uur

Het vergunnen van maximale geluidniveaus welke hoger zijn dan de grenswaarden dient duidelijk te worden gemotiveerd. Zo zal tenminste moeten worden aangegeven welke technische en/of organisatorische maatregelen zijn getroffen om de nadelige gevolgen voor het milieu te beperken, voor zover zij niet kunnen worden voorkomen. Bij de juiste motivatie kan door het bevoegd gezag voor zowel de dag- als de nachtperiode een 5 dB hogere grenswaarde worden vergund. Naast de optredende geluidniveaus welke veroorzaakt worden door het in bedrijf zijn van de inrichting en voertuigbewegingen van bezoekers en personeel, dient ook zorgplicht te worden

4

Akoestisch onderzoek P 18_40 St. Paul NV

beschouwd. Hier wordt onder andere levering van goederen en het ophalen van bedrijfsafval onder verstaan. De hierbij optredende maximale geluidniveaus hoeven binnen de dagperiode niet te worden getoetst. Het equivalente geluidsniveau (LAeq in dB(A)) veroorzaakt door het verkeer van en naar de inrichting (‘indirecte hinder’) wordt getoetst aan de voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A), zoals eerder is voorgesteld door de Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in de "Circulaire inzake geluidhinder veroorzaakt door het wegverkeer van en naar de inrichting; beoordeling in het kader van de Wet milieubeheer" van 29 februari 1996. Ter plaatse van geluidgevoelige bestemmingen geldt voor de optredende geluidbelasting ten gevolge van indirecte hinder een voorkeursgrenswaarde van 50 dB(A). Er geldt een maximale grenswaarde van 65 dB(A) etmaalwaarde. Indien de geluidbelasting boven de voorkeursgrenswaarde ligt, dient het geluidniveau binnen de betrokken woningen van 35 dB(A) vooraf te worden gegarandeerd.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10279281/1