Ruimtelijke onderbouwing Jac de Waalstraat
Tekst van het document
26
4.6.3. Omgevingsveiligheid Omgevingsveiligheid beschrijft de risico’s die ontstaan als gevolg van opslag, productie, gebruik en vervoer van gevaarlijke stoffen en windturbines. Voor omgevingsveiligheid zijn instructieregels opgenomen in paragraaf 5.1.2 Bkl. De paragrafen 5.1.2.2 tot en met 5.1.2.6 Bkl gaan over het toelaten van beperkt kwetsbare, kwetsbare en zeer kwetsbare gebouwen en beperkt kwetsbare en kwetsbare locaties. Dit in verband met het externe veiligheidsrisico van een activiteit die op een locatie is toegelaten op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. De doelstelling van omgevingsveiligheid is het realiseren van een veilige woon- en leefomgeving door het beheersen van risico's van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Omgevingsveiligheid is erop gericht te voorkomen dat er dichtbij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Bij nieuwe (ruimtelijke) ontwikkelingen dient rekening te worden gehouden met risicobronnen in de omgeving. De instructieregels van paragraaf 5.1.2 zijn erop gericht gebouwen en locaties te beschermen waar personen gedurende een periode verblijven. Motivering Volgens de risicokaart liggen er geen gevaarlijke bedrijven in de omgeving.
Ook liggen er geen routes van het basisnet, waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd, in de omgeving van het plangebied. In en in de nabijheid van het plangebied liggen geen buisleidingen voor het transport van gevaarlijke stoffen. Wel is er in de meest zuidwestelijk gelegen hoek van het plangebied een hoofdriool aanwezig. Deze kent geen veiligheidsafstand, maar er dient in de uitvoering wel rekening mee te worden gehouden. Per brief van 3 april 2024 heeft de Veiligheidsregio Zeeland advies uitgebracht inzake het plan. Daarin wordt geconstateerd dat er redelijkerwijs geen ruimtelijk relevante maatregelen nodig zijn aangaande externe veiligheidsrisico’s. Wel kunnen er andere maatregelen worden genomen om de bestrijdbaarheid van ongevallen en brand te verhogen. De Jacobus de Waalstraat kan dienen als aanrijdroute en gelet op de afstand tot de woningen ook als opstelplaats. Geadviseerd is om een aanvullende primaire bluswatervoorziening te realiseren aan de Jacobus de Waalstraat ter hoogte van het plangebied. Dit kan in de vorm van een ondergrondse brandkraan op de daar aanwezige waterleiding. Bij de nadere uitwerking van het plan wordt daarmee rekening gehouden. Conclusie Het aspect omgevingsveiligheid vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
4.6.4. Geluid Geluid kan hinderlijk en schadelijk voor de gezondheid zijn. Zo kunnen hoge geluidsniveaus het gehoor beschadigen. Maar ook verstoring van de slaap kan op de lange duur slecht zijn voor de gezondheid. In Nederland zijn afspraken gemaakt over wat acceptabele geluidsniveaus zijn en wat niet (de geluidsnormen). Bij ruimtelijke plannen kan akoestisch onderzoek nodig zijn om geluidhinder bij geluidgevoelige objecten (scholen, woningen, etc.) te voorkomen. De Omgevingswet bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai, industrielawaai en luchtvaartlawaai. Een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd als een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een aandachtsgebied van een bestaande geluidbron of indien het plan een nieuwe geluidbron mogelijk maakt. Motivering Het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) is van toepassing op verharde gemeentewegen en waterschapswegen met een verkeersintensiteit hoger dan 1000 mtv/etmaal. Voor die wegen worden op grond van de Omgevingsregeling, afhankelijk van de rijsnelheid en het aantal rijstroken, de aandachtsgebieden vastgesteld. Wordt er binnen het aandachtsgebied een nieuw geluidgevoelig gebouw toegevoegd, dan dient een akoestisch onderzoek naar wegverkeerslawaai te worden uitgevoerd.
Binnen het onderzoeksgebied bevinden zich de Jacobus de Waalstraat, Boudeloodijk en Remortelstraat. Deze wegen hebben allemaal een verkeersintensiteit lager dan 1.000mvt/etmaal en vallen dus niet onder het toepassingsbereik
27
van het Bkl. Uit een meting, welke is uitgevoerd in de periode 19 maart – 3 april 2024 blijkt dat de gemiddelde weekdagintensiteit 295 motorvoertuigen bedraagt. Met de toename van 20-25 motorvoertuigen als gevolg van het plan blijft de verkeersintensiteit ruimschoots onder de 1.000mvt/etmaal. Een geluidonderzoek is op grond van het Bkl dus niet noodzakelijk, omdat er van uit kan worden gegaan dat het geluid niet hoger kan zijn dan de standaardwaarde van Lden = 53 dB uit artikel 5.78t van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). De woningen liggen bovendien op een afstand van ruim 20 meter uit de weg en voldoen aan de actuele eisen ten aanzien van isolatie. Er is voorts geen sprake van relevante andere geluidbronnen in de omgeving. Een onderzoek naar industrielawaai is daarom ook niet nodig. Conclusie Er is sprake van een goed geluidklimaat en dit aspect vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan. 4.6.5. Luchtkwaliteit Bij het toelaten van activiteiten moeten , in het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, de gevolgen voor de luchtkwaliteit worden beoordeeld.. Als sprake is van een zeer beperkte bijdrage aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10 is geen beoordeling nodig of aan de omgevingswaarde wordt voldaan.
Er is sprake van een 'niet in betekenende mate bijdrage’ wanneer de toename van de concentratie NO2 en PM10 in de buitenlucht niet hoger is dan 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van PM10 en NO2. Daarnaast is een aantal categorieën aangewezen die in elk geval als ‘niet in betekenende mate’ worden aangemerkt. Bij activiteiten en werken die binnen deze categorieën vallen hoeft verder niet door middel van berekeningen of op een andere manier aangetoond te worden dat de toename van de concentraties niet de van toepassing zijnde grens voor NIBM overschrijdt. Motivering In artikel 5.54 Bkl zijn de standaardgevallen genoemd die niet in betekende mate bijdragen aan de concentratie van stikstofdioxide (NO2) en PM10. Hierin is onder andere aangegeven, dat gebouwen met een woonfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan, met ten hoogste 1.500 woningen en één ontsluitingsweg aan te merken zijn als een categorie die ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie van stikstofdioxide. De voorgenomen ontwikkeling betreft het realiseren van 4 woningen. Dit valt onder de hiervoor genoemde categorie. De instructieregels voor de bescherming van de kwaliteit van de buitenlucht zijn derhalve niet van toepassing. Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor het wijzigen van het omgevingsplan.
4.6.6. Milieueffectrapportage De wetgeving omtrent de milieueffectrapportage (m.e.r) is opgenomen in afdeling 16.4 van de Omgevingswet en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit. In bijlage V van het Omgevingsbesluit zijn diverse activiteiten opgenomen waarvoor een m.e.r.-beoordelingsplicht geldt. Hierbij moet beoordeeld worden of er aanzienlijke milieueffecten te verwachten zijn. Motivering Bij de ontwikkeling van woningen moet beoordeeld worden of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject. Voor de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra en de aanleg van parkeerterreinen als bedoeld in kolom 1 onder J11 uit bijlage V Omgevingsbesluit geldt een mer-beoordelingsplicht waarbij een zogenaamde ‘mededeling’ van het voornemen voor de planontwikkeling moet worden gedaan (voorheen de aanmeldnotitie).
28
Of er sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject is afhankelijk van de aard en omvang van de ontwikkeling. In onderhavig plan worden vier nieuwe woningen mogelijk gemaakt aan de Jacobus de Waalstraat te Lamswaarde. Tevens vervallen op de locatie aan het Hof te Zandeplein vier woningen. Het project wordt, gezien de aard en omvang, niet aangemerkt als een 'stedelijk ontwikkelingsproject'. Er zijn geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten, omdat de milieueffecten zeer beperkt zijn (zie paragraaf 4.1 t/m 4.6). Conclusie Het opstellen van een ‘mededeling’ van het voornemen voor het bouwplan is op grond van het Omgevingsbesluit niet nodig.
29
5. CONCLUSIE 5.1. EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES Om het omgevingsplan te wijzigen, moet gemotiveerd worden dat de ontwikkeling met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL) aanvaardbaar wordt geacht, volgens artikel 8.0a, tweede lid van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl). Daarnaast moet ook voldaan worden aan de instructieregels en instructies van zowel de provincie als het Rijk (artikel 8.0b Bkl). In de voorgaande hoofdstukken is ingegaan op het geldende beleid en zijn de relevante milieu- en omgevingsaspecten beschouwd. Hieronder is aangegeven of aan een aspect voldaan wordt, niet wordt voldaan of onder voorwaarden kan worden voldaan. Kan aan aspect worden voldaan Kan onder voorwaarden worden voldaan Kan niet aan aspect worden voldaan
V ~ X
Ondergrond Archeologie Bodemkwaliteit Kabels en leidingen Niet Gesprongen Explosieven
V ~ ~ V
Natuur en water Weging van het waterbelang Natuur
~ ~
Omgevingskwaliteit Ladder voor duurzame verstedelijking Landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit en welstand Cultuurhistorische waarden
V V V
Mobiliteit en bereikbaarheid Verkeersgeneratie Vervoersmodaliteit en ontsluiting Parkeren
V V V
Duurzaamheid Duurzame energie en circulaire economie Biodiversiteit en natuurinclusiviteit
V V
Gezonde leefomgeving Groen Milieuzonering Omgevingsveiligheid Geluid Luchtkwaliteit Milieueffectrapportage
V V V V V V
30
5.2. BELANGENAFWEGING Het plan past binnen het door de overheden vastgestelde beleidskader en draagt bij aan een uniek woonmilieu. Daarbij is een nader onderzoek naar natuurwaarden nog een aandachtspunt. In ieder geval geeft het plan voldoende ruimte om eventuele maatregelen te treffen zodat verbodsbepalingen ten aanzien van de ‘activiteit flora en fauna’ uit de Omgevingswet niet hoeven te worden overtreden. Voorts is speciale aandacht nodig voor de bruikbaarheid van de grond onder het bestaande parkeerterrein. Dit kan op de locatie zelf niet worden hergebruikt. In de uitvoering dient hiermee rekening te worden gehouden. Met Stedin is nader overleg nodig over de toegankelijkheid van hun kabels. Watercompensatie is mogelijk door het verbreden van de bestaande sloot aan de oostzijde. De benodigde watercompensatie kan als voorwaarde aan de vergunning worden gekoppeld. Geconcludeerd kan worden dat er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
31
6. UITVOERBAARHEID 6.1. ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID Het wijzigen van het omgevingsplan voor dit transformatiegebied is gericht op uitvoering van het project. Om te waarborgen dat het project ook daadwerkelijk wordt gerealiseerd moet aangetoond worden dat het ook financieel uitvoerbaar is. Zo wordt voorkomen dat wijzigingen worden vastgesteld die uiteindelijk niet uitgevoerd kunnen worden. Er is sprake van een ontwikkeling welke volledig op initiatief en voor eigen rekening van de grondeigenaar (tevens initiatiefnemer) plaatsvindt. De te verhalen kosten voor de gemeente betreffen eventuele nadeelcompensatie en proceskosten. Ten aanzien van deze aspecten is het mogelijk een privaatrechtelijke overeenkomst te sluiten tussen de gemeente en de initiatiefnemer zodat er geen publiekrechtelijk kostenverhaal nodig is. Deze overeenkomst zal voor het ter inzage leggen van het ontwerp van de wijziging van het omgevingsplan worden gesloten. De ontwikkeling heeft voor de gemeente geen financiële negatieve gevolgen.
6.2. MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID 6.2.1 Participatie Participatie is een belangrijk onderdeel van de Omgevingswet. Een initiatiefnemer moet bij het aanvragen van een omgevingsvergunning aangeven of hij aan participatie heeft gedaan en wat de resultaten zijn. Dit aanvraagvereiste omvat geen verplichting voor de aanvrager om aan participatie te doen. De gemeenteraad kan echter gevallen aanwijzen waarin participatie verplicht is. Motivering De initiatiefnemer heeft direct omwonenden geïnformeerd over het planvoornemen. De uitkomsten van deze gesprekken zijn opgenomen in een participatieverslag (bijlage 5). Gesproken is met de eigenaren van Boudeloodijk 10, Jacobus de Waalstraat 28 en Jacobus de Waalstraat 30. Gebleken is dat er vanuit die omwonenden geen bezwaren zijn tegen het planvoornemen. Daarnaast heeft ook overleg plaatsgevonden met het Waterschap Scheldestromen. In overleg met het waterschap is gekomen tot de uitkomsten van de watertoets. Conclusie Er is in de directe omgeving draagvlak voor het plan. 6.2.2 Procedure De wijziging van het omgevingsplan dient voor een periode van 6 weken als ontwerp ter inzage te worden gelegd. Vaststelling zal plaatsvinden door de gemeenteraad. Daarbij wordt rekening gehouden met eventueel ingediende zienswijzen.
32
BIJLAGEN
BIJLAGE 1 BODEMONDERZOEK
Postbus 75 4140 AB Leerdam Prins Mauritsstraat 17 4141 JC Leerdam T +31 88 99 04 800
MILIEUHYGIËNISCH BODEM- EN WATERBODEMONDERZOEK Voormalige Golfbaan Lamswaarde
Ref.: NL202027149-R22-265 6 april 2022
iDea Compact
RPS advies- en ingenieursbureau bv
Contactpersoon
De heer A. Wirken
Projectleider
Fredo van der Stere
Adres
Bremhorst 4
Auteur
Chris Stuij
4847 CK TETERINGEN
Gecontroleerd door:
Fredo van der Sterre
Projectreferentie Totaal aantal pagina’s
NL202027149-B22-265 22
projectleider: adviseur/auteur: controleur:
Fredo van der Sterre Chris Stuij Fredo van der Sterre
In verband met digitale verwerking van deze rapportage ontbreekt de handtekening. Dit rapport is aantoonbaar gecontroleerd en vrijgegeven.
Versie
Omschrijving
Rapport datum
1.0
Milieuhygiënisch bodemonderzoek voormalige golfbaan Lamswaarde
6 april 2022
Dit rapport is vertrouwelijk. Geen enkel deel van dit rapport mag aan derden openbaar worden gemaakt zonder schriftelijke toestemming van RPS advies- en ingenieursbureau bv of van de opdrachtgever. Alleen aan het originele complete rapport kunnen rechten worden ontleend. Dit rapport mag UITSLUITEND in zijn geheel worden gereproduceerd.
rps.nl Ref.: NL202027149-R22-265 | 6 april 2022
Pagina 2 van 22
INHOUDSOPGAVE 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING ................................................................................................................................... 4 Algemeen ..................................................................................................................................... 4 Aanleiding & doelstelling .............................................................................................................. 4 Toegepaste normen ..................................................................................................................... 4 Opbouw rapportage...................................................................................................................... 4
2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
VOORONDERZOEK NEN 5725 .................................................................................................. 5 Afbakening onderzoekslocatie ..................................................................................................... 5 Historische gegevens ................................................................................................................... 6 Bodemkwaliteitskaart ................................................................................................................... 7 Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) ............................................................................................ 7 Kabels en leidingen ...................................................................................................................... 8 Conventionele Explosieven .......................................................................................................... 8 Asbest .......................................................................................................................................... 8 Bodemopbouw en geohydrologie ................................................................................................. 8 Conclusie vooronderzoek ............................................................................................................. 8
3 3.1 3.2
OPZET MILIEUHYGIËNISCH BODEMONDERZOEK .............................................................. 10 Onderzoeksopzet verkennend bodemonderzoek ...................................................................... 10 Onderzoeksopzet waterbodemonderzoek deellocatie 3 ............................................................ 11
4 4.1 4.2 4.3 4.4
RESULTATEN VELDWERK ..................................................................................................... 12 Algemeen ................................................................................................................................... 12 Resultaten verkennend bodemonderzoek ................................................................................. 12 Resultaten verkennen waterbodemonderzoek .......................................................................... 12 Meetresultaten grondwater ........................................................................................................ 13
5 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5
CHEMISCH ANALYSTISCH ONDERZOEK ............................................................................. 14 Samenstelling (meng)monsters ................................................................................................. 14 Toelichting toetsingskader ......................................................................................................... 15 Toetsingsresultaten en interpretatie verkennend bodemonderzoek .......................................... 18 Toetsingsresultaten en interpretatie grondwateronderzoek ....................................................... 19 Toetsingsresultaten en interpretatie verkennend waterbodemonderzoek ................................. 20
6 6.1 6.2 6.3
CONCLUSIE EN AANBEVELING ............................................................................................. 21 Conclusie .................................................................................................................................... 21 Conclusies verkennend waterbodemonderzoek ........................................................................ 21 Aanbevelingen en hergebruiksmogelijkheden ........................................................................... 21
BIJLAGEN 1. 2. 3. 4. 5. 6. 7.
Boorpuntenkaart Boorprofielen Samenvatting Bbk Analysecertificaten Toetsingsresultaten Foto’s Gegevens vooronderzoek
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 3 van 22
1
INLEIDING
1.1
Algemeen
In opdracht van iDea Compact is een milieuhygiënisch bodem- en waterbodemonderzoek uitgevoerd op het voormalige golfterrein in Lamswaarde. In dit rapport zijn de resultaten van het onderzoek beschreven. Het project staat bij RPS geregistreerd onder nummer NL202027149.
1.2
Aanleiding & doelstelling
Aanleiding voor het bodemonderzoek is de voorgenomen herontwikkeling van het terrein. Doelstelling van het (water)bodemonderzoek is het vaststellen van de actuele milieuhygiënische kwaliteit van de bodem en waterbodem. Een en ander teneinde vast te stellen of eventueel toekomstige werkzaamheden al dan niet plaatsvinden in een geval van ernstige bodemverontreiniging en of de uitvoerend aannemer al dan niet rekening dient te houden met de toepassing van aanvullende arbeidshygiënische maatregelen.
1.3
Toegepaste normen
Het vooronderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725:2017 (Nederlandse Norm: 'Bodem - Landbodem Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek') en NEN 5717:2017 (Nederlandse Norm: ‘Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch vooronderzoek). Het vooronderzoek is uitgevoerd voorafgaand aan het feitelijk onderzoek van de bodem (= veld- en laboratoriumonderzoek). De bij het vooronderzoek verzamelde informatie is gebruikt voor het verkrijgen van een adequate invulling van het veld- en laboratoriumonderzoek en draagt bij aan de verklaring van de resultaten van het bodem- en waterbodemonderzoek. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740:2009+A1:2016 (Nederlandse Norm: ‘Bodem Landbodem - Strategie voor het uitvoeren van verkennend bodemonderzoek - Onderzoek naar de milieuhygiënische kwaliteit van bodem en grond’). Het waterbodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5720:2017 (Nederlandse Norm: ‘Bodem – Waterbodem – Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek). De veldwerkzaamheden voor het verkennend bodemonderzoek zijn uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn BRL 2000 (beoordelingsrichtlijn voor het SIKB proces-certificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) met onderliggende protocollen 2001 en 2002.
De veldwerkzaamheden voor het verkennend waterbodemonderzoek zijn uitgevoerd conform de beoordelingsrichtlijn BRL 2000 met onderliggend protocol 2003.
1.4
Opbouw rapportage
In hoofdstuk 2 zijn de resultaten en bevindingen van het vooronderzoek beschreven. In hoofdstuk 3 is de opzet van het bodemonderzoek uitgewerkt. Vervolgens zijn de daadwerkelijk uitgevoerde veldwerkzaamheden beschreven in hoofdstuk 4. Hoofdstuk 5 beschrijft het uitgevoerde chemisch analytisch onderzoek en geeft een interpretatie van de resultaten. In hoofdstuk 6 zijn ten slotte de conclusies van het onderzoek weergegeven.
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 4 van 22
2
VOORONDERZOEK NEN 5725
2.1
Afbakening onderzoekslocatie
De onderzoekslocatie bevindt zich aan de Jacobus de Waalstraat in Lamswaarde (gemeente Hulst). De locatie ligt in het landelijk gebied direct ten noorden van de dorpskern van Lamswaarde. De directe omgeving van de onderzoekslocatie kenmerkt zich door agrarisch gebruik en de verbouwing van gewassen. De ligging van de onderzoekslocatie is weergegeven in figuur 2.1. De afbakening van de onderzoekslocatie is weergegeven in bijlage 1.
Figuur 2.1: ligging onderzoekslocatie Tabel 2.1: algemene gegevens onderzoekslocatie algemene gegevens deellocatie 2 kadastrale aanduiding x-,y-coördinaten (globaal middelpunt) oppervlakte onderzoekslocatie huidig gebruik bebouwing op het terrein terreinverharding deellocatie 3 kadastrale aanduiding x-,y-coördinaten (globaal middelpunt) oppervlakte onderzoekslocatie huidig gebruik bebouwing op het terrein terreinverharding deellocatie 4
informatiebron Hontenisse, sectie K, nummers 197 62.157 – 373.956
ArcGis ArcGis
circa 14.639 m² voormalig golfterrein geen onverhard, parkeerplaats aanwezig met een oppervlakte van ca. 760 m2, type verharding onbekend
ArcGis ArcGis ArcGis ArcGis
Hontenisse, sectie K, nummers 1601 62.285 – 373.976
ArcGis ArcGis
circa 24.737 m² voormalig golfterrein geen geheel onverhard, aantal vijvers op terrein aanwezig
ArcGis ArcGis ArcGis ArcGis
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 5 van 22
algemene gegevens kadastrale aanduiding x-,y-coördinaten (globaal middelpunt) oppervlakte onderzoekslocatie huidig gebruik / bestemming bebouwing op het terrein terreinverharding
Hontenisse, sectie K, nummers 1298 62.301 – 373.846
informatiebron ArcGis ArcGis
circa 15.928 m² weiland geen geheel onverhard
ArcGis ArcGis ArcGis ArcGis
Waterpartijen De waterpartijen betreffen vijvers op het voormalige golfterrein. Deze vijvers zijn gelijktijdig met de aanleg van het golfterrein aangelegd. Deze vijvers vervullen geen functie binnen het watersysteem in de omgeving. Over het algemeen zijn de vijvers aangelegd om regenwater te verwerken en te dienen als waterreservoirs voor irrigatie van de golfbaan. De bij het graven van de vijvers uitgekomen grond is gebruikt om greens, tees, fairways en roughgebieden op te hogen en te onduleren. De vijvers zijn conform de definitie uit de NEN 5717 getypeerd als “overig water”. Het water heeft een lage tot geen stroomsnelheid. Hierdoor is erosie minimaal en vindt er netto meer sedimentatie dan erosie plaats. Locatie-inspectie Op 14 maart 2022 is direct voorafgaand aan de veldwerkzaamheden een locatie-inspectie uitgevoerd door een veldteam van de firma BodemBasics. Hierbij is aandacht besteed aan potentieel bodembedreigende activiteiten en locatie- en omgevingsspecifieke veiligheidsrisico’s. Geconstateerd is dat de parkeerplaats op deellocatie 2 uit een halfverharding bestaat met daaronder een puinfundatie. Tijdens de locatie-inspectie zijn geen verdachte omstandigheden geconstateerd. In bijlage 6 zijn de foto’s van de locatie-inspectie opgenomen.
2.2
Historische gegevens
Verontreinigende activiteiten Voor bodeminformatie is het bodemloket van bevoegd gezag Via bodemloket.nl geraadpleegd. Daarnaast is bij de gemeente Hulst een informatieverzoek ingediend. Op de onderzoekslocatie hebben voor zover bekend geen verontreinigende activiteiten plaatsgevonden. In de nabijheid (<25 m) van de onderzoekslocatie zijn de in de onderstaande tabel weergegeven (voormalige) verontreinigende activiteiten bekend. Tabel 2.2: (historische) bedrijfsactiviteiten locatienaam locatiecode Jac de Waalstraat 39-41 AA067710531 Jac de Waalstraat 37 AA067710536
activiteit
beginjaar
eindjaar
dieseltank (ondergronds) hbo-tank (ondergronds) hbo-tank (ondergronds)
onbekend onbekend onbekend
onbekend onbekend 1995
Tank Jac. De Waalstraat 37 De tank ter plaatse van de Jac. De Waalstraat 37 is in 1995 gesaneerd. Volgens het certificaat (KIWA) zijn er geen verontreinigingen aangetroffen. De tank is inwendig gereinigd en daarna verwijderd.
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 6 van 22
Bestrijdingsmiddelen De onderzoekslocatie bevindt zich in een omgeving waar veel gewassen worden verbouwd. Dit maakt de onderzoekslocatie verdacht op het voorkomen van verontreiniging met organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Eerder uitgevoerde (water)bodemonderzoeken De beschikbare bodemonderzoeken en/of beschikkingen zijn hieronder beschreven. Op de onderzoekslocatie zelf zijn geen onderzoeken bekend. In de nabijheid van de onderzoekslocatie (binnen 25 meter) is één bodemonderzoek bekend. Voor zover bekend zijn de waterpartijen niet eerder onderzocht en/of gebaggerd. Verkennend bodemonderzoek Jac. De Waalstraat 41 te Lamswaarde (2007) Aanleiding voor het bodemonderzoek was de voorgenomen uitbreiding van het horecadeel met een dakterras en terrasoverkapping. Het onderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5740 van het Nederland Normalisatie Instituut (1999). De locatie ligt in het noorden van de kern Lamswaarde aan de rand van de bebouwde kom ten zuiden en westen van de huidige te onderzoeken percelen. In de bovengrond van de zuidelijke terreinhelft zijn lichte verontreinigingen met zink, PAK(10) en minerale olie aangetroffen. In de bovengrond van de noordelijke terreinhelft en in de ondergrond zijn geen verontreinigingen aangetroffen. Het grondwater is licht verontreinigd met lood. De boorpuntenkaart is toegevoegd als bijlage 7. Bron: Verkennend bodemonderzoek Jac.
De Waalstraat 41 te Lamswaarde, projectnummer: 07A0256, Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium “Zeeuws-Vlaanderen” B.V., 24 mei 2007.
2.3
Bodemkwaliteitskaart
Op basis van de Nota bodembeheer voor de landbodem van Zeeuws-Vlaanderen is de verwachting dat de bodem ter plaatse voldoet aan de bodemkwaliteitsklasse achtergrondwaarde. Uit de bodemkwaliteitskaart blijkt het volgende: • De bodemfunctie ter plaatse van de deellocaties is overig. • De bodemkwaliteit van 0,00 tot 0,50 m-mv valt onder de achtergrondwaarde. • De bodemkwaliteit van 0,50 tot 2,00 m-mv valt onder de klasse industrie. • Op de bodemtoepassingskaart ligt de onderzoekslocatie in de zone achtergrondwaarde.
Bron: Nota bodembeheer voor de landbodem van Zeeuws-Vlaanderen, projectnummer: P19-15, Marmos Bodemmanagement., 2 januari 2009.
2.4
Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS)
Poly- en perfluoralkylstoffen (PFAS) zijn chemische stoffen die van nature niet in het milieu voorkomen. De stofgroep bestaat uit ruim 6000 stoffen. Hiertoe behoren onder meer de stoffen perfluoroctaanzuur (PFOA), perfluoroctaansulfonaat (PFOS) en HFPO-DA (GenX). PFAS zijn stoffen die door mensen zijn gemaakt vanwege hun specifieke eigenschappen, zoals brandwerendheid en vuil- en waterafstotendheid. Ze worden toegepast is allerlei alledaagse toepassingen, zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Inmiddels worden er al meer dan vijftig jaar producten gemaakt en gebruikt waar PFAS in voorkomt.
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 7 van 22
Door het wijdverbreide gebruik en door emissies en incidenten wordt PFAS in Nederland en breder in Europa, inmiddels niet alleen bij puntbronnen, maar diffuus verspreid in het milieu aangetroffen. In heel Nederland zijn de bovengrond en geroerde bodems verdacht op het (diffuus) voorkomen van PFAS. In de waterbodem komt PFAS voor in de bovenste lagen, maar soms ook in de diepere lagen. Bron: tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie en website bodemplus FAQ PFAS
2.5
Kabels en leidingen
In verband met het uit te voeren bodemonderzoek op de locatie is bij het Kadaster Klic een graafmelding gedaan. Op de locatie zijn diverse kabels en leidingen aanwezig. Er volgt geen eisvoorzorgsmaatregel uit de graafmelding. Boringen worden buiten de bekende kabels en leidingtracés verricht.
2.6
Conventionele Explosieven
Er zijn geen gegevens bekend over de aanwezigheid van conventionele explosieven. Bron: https://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
2.7
Asbest
Tijdens de locatie-inspectie zijn geen asbestverdachte omstandigheden geconstateerd. Vanwege de onbekende aard en herkomst van het puin dat is gebruikt als fundatie onder parkeerplaats is deze laag formeel wel verdacht op het voorkomen van asbest.
2.8
Bodemopbouw en geohydrologie
Voor gegevens over de bodemopbouw en geohydrologie is gebruikgemaakt van de gegevens in de rapportage opgesteld door Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium “Zeeuws-Vlaanderen” B.V. (2007): De deklaag op locatie en in de omgeving varieert van 0,00 tot 4,00 m. Deze slecht doorlatende laag ligt aan het maaiveld als een holoceen klei/veendek (Westland Formatie) en wigt uit tegen de dekzanden van de Formatie van Twente langs de Belgische grens. De ondergrond is geologische opgebouwd uit mariene, fluviatiele en eolische sedimenten. De oudste lagen behoren tot het Tertiar (Eoceen), de jongste afzettingen stammen uit het Kwartair (Holoceen). Het watervoerend pakket is overwegend samengesteld uit fijne tot matig grove zanden van mariene, fluviatiele en eolische oorsprong. Dit pakket verkeert onder freatische condities, de dikte is ongeveer 25 à 30 m en het doorlaatvermogen bedraagt circa 80 m2/d. De bergingscoëfficiënt bedraagt ongeveer 0,10 m. De eerste scheidende laag binnen het watervoerend pakket wordt gevormd door kleiafzettingen van de Formatie van Rupel. De dikte is circa 5,00 m. De locatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied, de regionale grondwaterstromingsrichting is globaal zuidelijk, er is niets bekend betreffende lokale invloeden (particuliere grondwateronttrekking). Bron: Verkennend bodemonderzoek Jac.
De Waalstraat 41 te Lamswaarde, projectnummer: 07A0256, Grond-, Gewas- en Milieulaboratorium “Zeeuws-Vlaanderen” B.V., 24 mei 2007.
2.9
Conclusie vooronderzoek
Bodem Uit het vooronderzoek komen geen verdenkingen, anders dan PFAS en OCB, op verontreinigingen in de bodem naar voren. Vanwege het langdurige antropogene gebruik is de onderzoekslocatie echter wel rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 8 van 22
verdacht op het diffuus voorkomen van een heterogeen verdeelde verontreiniging op schaal van monsterneming met parameters vertegenwoordigd in het standaardpakket grond. Verwacht wordt dat de toplaag ten hoogste licht verontreinigd is. Het onderzoek van de percelen vindt vanwege de grootte plaats conform de NEN 5740, strategie “grootschalige onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-GR-NL)”. Wij achten de inspanning onder deze strategie voldoende intensief om een representatief beeld van de verontreinigingssituatie te verkrijgen. Waterbodem Het onderzoek in de vijvers wordt uitgevoerd conform het gestelde in de NEN5720, strategie overig water, normale onderzoeksinspanning (ON).
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 9 van 22
3
OPZET MILIEUHYGIËNISCH BODEMONDERZOEK
3.1
Onderzoeksopzet verkennend bodemonderzoek
Het bodemonderzoek wordt uitgevoerd overeenkomstig de richtlijn voor verkennend bodemonderzoek de NEN 5740+A1 (NNi, 2016). Als onderzoeksstrategie wordt voor de grote percelen (>1 ha) de onderzoeksstrategie voor een “grootschalige onverdachte niet-lijnvormige locatie (ONV-GR-NL)” gehanteerd. Het veldwerk en de bemonstering worden door ons uitgevoerd overeenkomstig de beoordelingsrichtlijn SIKB 2000 met onderliggende protocollen 2001 en 2002 onder Kwalibo-erkenning. Een overzicht van de uit te voeren werkzaamheden is opgenomen in tabel 3.1. tabel 3.1: uitgangspunten en opzet verkennend bodemonderzoek (incl. PFAS) Ddeellocatie
strategie
oppervlakte
aantal boringen
aantal analyses
tot 0,50 m-mv
tot 2,0 m-mv
tot grondwater
peilbuisA
grondB
grondwaterC
bovengrond 2 ondergrond 2 bovengrond 3 ondergrond 2 bovengrond 2 ondergrond 2
2
2
ONV-GR-NL
1,46 ha
14
-
4
2
3
ONV-GR-NL
2,47 ha
17
-
4
3
4
ONV-GR-NL
1,97 ha
14
-
4
2
3 2
A Indien het grondwater zich dieper dan 5,0 m-mv bevindt, vervalt de peilbuis. B Standaard pakket grond + OCB + per deellocatie twee PFAS analyses. C Standaard pakket grondwater
De boorlocaties worden, waar mogelijk, ingemeten met behulp van gps met een nauwkeurigheid op submeterniveau of ten opzichte van de bestaande bebouwing of topografie. Per boring wordt het bodemprofiel opgenomen conform de NEN 5104. Monsters worden genomen per bodemlaag van maximaal 0,5 m. Binnen de richtlijn is het niet toegestaan om zintuiglijk verdachte en onverdachte grond en grond van verschillende bodemtypen met elkaar te mengen. In voorkomend geval zijn extra analyses noodzakelijk. Het grondwater wordt bemonsterd na een rusttijd van een week Laboratoriumonderzoek Het laboratoriumonderzoek wordt uitgevoerd door een RvA-geaccrediteerd milieulaboratorium. Voor analyses op grond en grondwater geldt het AS3000 (Accreditatieschema 3000). De grond(meng)monsters laten wij analyseren op het standaardpakket bodem aangevuld met OCB en PFAS (conform advieslijst Bodem+, d.d. 12 juli 2019). Het standaard pakket grond bestaat uit: droge stof, lutum en organisch stof, barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink (zware metalen), PAK, 10 van VROM, PCB (7) en minerale olie (GC), inclusief clean-up. De grondwatermonsters laten wij analyseren op het standaardpakket grondwater aangevuld met OCB en PFAS.
Het standaard pakket grondwater bestaat uit: barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, lood, molybdeen, nikkel en zink (zware metalen), vluchtige aromaten (benzeen, tolueen, ethylbenzeen, xylenen en naftaleen (BTEXN), bromoform, chloorbenzenen, gechloreerde koolwaterstoffen (11), styreen en vinylchloride, minerale olie (GC). rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 10 van 22
De resultaten van het laboratoriumonderzoek worden getoetst aan de berekende achtergrond-/ streef- en interventiewaarden, zoals genoemd in de Wet bodembescherming.
3.2
Onderzoeksopzet waterbodemonderzoek deellocatie 3
Het verkennend waterbodemonderzoek voeren wij uit conform de NEN 5720:2017 “Bodem - Waterbodem Strategie voor het uitvoeren van milieuhygiënisch onderzoek” (NNi). Vooralsnog gaan wij hierbij uit van de strategie “Overig water, normale onderzoeksinspanning, ON”. In tabel 3.2 is een samenvatting opgenomen van de te verrichten werkzaamheden. Tabel 3.2: onderzoeksopzet verkennend waterbodemonderzoek onderzoekslocatie
vijvers golfbaan (deellocatie 3)
oppervlakte/
aantal
aantal boringen tot
lengte
monstervakken
0,5 m in vaste
4.200 m2
2
waterbodem 6
aantal analysesA
4
A Standaard waterbodempakket voor regionale wateren aangevuld met OCB en PFAS (PFAS alleen op eventueel aanwezige sliblaag).
De veldwerkzaamheden en de bemonstering worden uitgevoerd conform het gestelde in de beoordelingsrichtlijn BRL 2000 (Beoordelingsrichtlijn voor het SIKB procescertificaat veldwerk bij milieuhygiënisch bodemonderzoek) met het onderliggende protocol 2003 onder Kwalibo-erkenning. Voor de gekozen onderzoeksstrategie houdt dit in dat per monstervak zes steken tot 0,50 m in de vaste bodem worden genomen. Vooralsnog gaan we uit van één mengmonster van de sliblaag en één mengmonster van de vaste bodem per monstervak (totaal vier mengmonsters). De boringen worden verricht met een zuigerboor. De locatie van de monsterpunten wordt vastgelegd (gps) en per boring wordt conform de NEN 5104 een boorprofiel (boorstaat) opgesteld. Monsters worden genomen per bodemlaag van maximaal 0,5 m (sliblaag tot maximaal 1,0 m). Het laboratoriumonderzoek wordt uitgevoerd door een RvA-geaccrediteerd milieulaboratorium. De mengmonsters laten wij in het laboratorium samenstellen en na AS 3000 voorbehandeling analyseren op het standaard waterbodempakket voor regionale wateren aangevuld met OCB en PFAS (conform advieslijst Bodem+, d.d. 12 juli 2019).
Het standaard waterbodempakker bestaat uit: droge stof, organische stof (gloeiverlies), zware metalen (barium, cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, nikkel, lood en zink), PAK (10 VROM), minerale olie GC, PCB (7) Binnen de richtlijn is het niet toegestaan om zintuiglijke verdachte en onverdachte waterbodem en/of verschillende bodemtypen met elkaar te mengen. In voorkomend geval kan het voorkomen dat extra boringen gezet moeten worden en extra analyses noodzakelijk zijn. In deze aanbieding is ervan uitgegaan dat de analyses niet uitgevoerd hoeven te worden onder asbestcondities. Als de monsters tijdens de uitvoering van de werkzaamheden asbestverdacht blijken, zetten wij deze in onder asbestcondities. De hiermee gemoeide meerkosten worden verrekend met de opdrachtgever. De resultaten van het laboratoriumonderzoek worden getoetst aan de toetsingsnormen van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk). rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 11 van 22
4
RESULTATEN VELDWERK
4.1
Algemeen
De veldwerkzaamheden zijn op 14 t/m 16 maart 2022 overeenkomstig de onderzoeksopzetten beschreven in hoofdstuk 3 uitgevoerd. De werkzaamheden zijn uitgevoerd door veldteams van de firma BodemBasics B.V. De werkzaamheden zijn hierbij uitgevoerd conform het gestelde in de BRL SIKB 2000, protocollen 2001, 2002 en 2003 onder Kwalibo-erkenning (certificaat NC-SIK-20330).
4.2
Resultaten verkennend bodemonderzoek
De boringen zijn verricht met een Edelmanboor, hierbij is per maximaal 0,5 m bodemtraject en/of per laagwisseling en monster genomen. Tijdens de veldwerkzaamheden is per monsternamepunt een beschrijving conform de NEN 5104 gemaakt van de aanwezige bodem. De profielbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 2. Deellocatie 2 De bodem van 0,00 tot 1,00 m-mv bestaat hoofdzakelijk uit sterk zandig, zwak humeus klei. Van 1,00 tot 2,00 m-mv bestaat de bodem over het algemeen uit sterk kleiig veen. Plaatselijk bestaat de ondergrond volledig uit zandig klei. Ter plaatse van de parkeerplaats is een 0,20 m dikke puinfundatie aanwezig. Tot 0,50 m onder de puinfundatie bevindt zich een zintuigelijk schoon sterk zandig kleipakket. Het freatisch grondwater bevindt zich op een diepte van circa 1,20 m-mv. Deellocatie 3 Van 0,00 tot 1,00 m-mv bestaat de bodem uit zandig, zwak humeus klei. Van 1,00 tot 2,00 m-mv bestaat de bodem over het algemeen uit sterk kleiig veen. Plaatselijk bestaat de ondergrond uit matig fijn zand of sterk zandig klei. Het freatisch grondwater is aangetroffen op een diepte variërend tussen 1,20 en 1,50 m-mv. Ter plaatse van de golfbaan “bunkers” bestaat de bodem uit matig fijn zand. Deellocatie 4 De bovengrond bestaat hoofdzakelijk uit sterk zandig, zwak humeus klei.
In de ondergrond wisselen kleiige veenlagen, matig fijne zandlagen en sterk siltige kleilagen elkaar plaatselijk af. Het freatisch grondwater is aangetroffen op een diepte van 2,00 tot 3,00 m-mv. Zintuigelijke waarnemingen Tijdens de boor- en bemonsteringswerkzaamheden zijn visueel geen kenmerken waargenomen die mogelijk duiden op de aanwezigheid van een bodemverontreiniging.
4.3
Resultaten verkennen waterbodemonderzoek
De waterbodem is tot ongeveer 0,5 m in de bodem bemonsterd, met behulp van een zuigerboor. Tijdens de veldwerkzaamheden is per monsternamepunt een beschrijving conform de NEN 5104 gemaakt van de aanwezige waterbodem. De profielbeschrijvingen zijn opgenomen in bijlage 2. Over het algemeen bestaat de waterbodem in de vijvers uit een dun laagje slib met daaronder in monstervak 1 een kleiige veenbodem. In monstervak 2 is sprake van een vaste bodem bestaand uit matig zandig klei. In de waterbodem zijn zintuigelijk geen kenmerken waargenomen die mogelijk duiden op de aanwezigheid van een verontreiniging. rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 12 van 22
4.4
Meetresultaten grondwater
Tijdens de bemonstering van de peilbuizen op 23 maart 2022 zijn het elektrisch geleidingsvermogen (EC), de troebelheid (NTU) en de zuurgraad (pH) van het grondwater vastgesteld met behulp van een geijkte troebelheid/PH/EC-meter. De bemonstering is uitgevoerd door de C.A.P. Snoeren van BodemBasics B.V. onder Kwalibo-erkenning (certificaat NC-SIK-20330). Het EC wordt als maat gehanteerd voor de hoeveelheid opgeloste zouten in het water en wordt uitgedrukt in micro-Siemens per centimeter (µS/cm) of mili-Siemens per centimeter (mS/cm). In tabel 4.1 zijn de resultaten van deze metingen weergegeven. Tabel 4.1 gegevens grondwatermonster nummer filterstelling pH peilbuis (m-mv) deellocatie 2 204 1,70 – 2,70 7,98 216 2,00 – 3,00 7,72 deellocatie 3 301 3,20 – 4,20 7,95 317 2,00 – 3,00 7,84 319 2,00 – 3,00 7,86 deellocatie 43 401 3,50 – 3,70 7,82 414 2,70 – 3,70 7,79
EC (µS/cm)
troebelheid (NTU)
gws tijdens plaatsing gws tijdens bemonstering (m-mv) (m-mv)
759 1.370
9,43 10,2
1,10 0,50
1,20 1,50
1.028 3.660 1.220
8,73 9,73 10,37
2,60 1,30 0,60
2,70 1,50 1,50
1.352 1.359
8,16 11,27
0,70 0,80
3,00 2,20
De pH en EC zijn voor de onderzoekslocatie als normale waarden beschouwd. Met betrekking tot troebelheid dient te worden gesteld dat wanneer de waarde hoger ligt dan 10 NTU, eventueel gemeten verontreinigingen in het grondwater met slecht oplosbare organische parameters (onder andere PAK en PCB), deze mede veroorzaakt kunnen zijn door gronddeeltjes.
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 13 van 22
5
CHEMISCH ANALYSTISCH ONDERZOEK
5.1
Samenstelling (meng)monsters
De deelmonsters van de bodem en waterbodem ten behoeve van het milieuhygiënisch laboratoriumonderzoek zijn gekoeld overgedragen aan het RvA-geaccrediteerd milieulaboratorium van OMEGAM in Amsterdam. In tabel 5.1 en 5.3 zijn respectievelijk de specificaties voor de grond-, waterbodem- en grondwatermonsters aangegeven. Tabel 5.1: samenstelling grond(meng)monsters nummer samenstelling mengmonster mengmonster
diepte
grondslag
analysepakket
(m-mv) deellocatie 2 2.1BG 2.2BG 2.3OG 2.4OG 2.5 deellocatie 3 3.1BG 3.2BG 3.3BG 3.4OG 3.5OG deellocatie 4 4.1BG 4.2BG 4.3OG 4.4OG
201-1, 204-1, 208-1, 215-1 211-1, 217-1, 219-1, 220-1 201-2, 204-2, 212-2, 216-2 204-3, 208-3, 212-3, 215-3 101-1, 102-1
0,00 tot 0,50 0,00 tot 0,50 0,50 tot 1,00 1,00 tot 1,50 0,20 tot 0,70
klei, sterk zandig, zwak humeus klei, sterk zandig, zwak humeus klei, matig zandig veen, kleiig klei, sterk zandig
STAP+OCB+PFAS STAP+OCB+PFAS STAP+OCB STAP+OCB STAP+OCB
303-1, 304-1, 306-1, 307-1 309-1, 311-1, 313-1, 316-1 318-1, 319-1, 320-1, 324-1 301-2, 314-2, 317-2, 322-2 301-6, 305-3, 319-3, 322-3
0,00 tot 0,50 0,00 tot 0,50 0,00 tot 0,50 0,50 tot 1,00 1,00 tot 3,00
klei, sterk zandig, zwak humeus klei, sterk zandig, zwak humeus klei, sterk zandig, zwak humeus klei, matig zandig veen, kleiig
STAP+OCB+PFAS STAP+OCB STAP+OCB+PFAS STAP+OCB STAP+OCB
401-1, 405-1, 408-1, 410-1 412-1, 414-1, 415-1, 420-1 409-2, 412-2, 414-2, 418-2 401-6, 414-5
0,00 tot 0,50 0,00 tot 0,50 0,50 tot 1,00 2,00 tot 3,00
klei, sterk zandig, zwak humeus klei, sterk zandig, zwak humeus klei, sterk zandig klei, sterk siltig
STAP+OCB+PFAS STAP+OCB+PFAS STAP+OCB STAP+OCB
filterstelling (m-mv)
analysepakket incl. AS3000
204 206
1,70 tot 2,70 2,00 tot 3,00
STAPW STAPW
301 317 319
3,20 tot 4,20 2,00 tot 3,00 2,00 tot 3,00
STAPW STAPW STAPW
401 414
3,50 tot 4,50 2,70 tot 3,70
STAPW STAPW
diepte (m-wb) 0,00 - 0,12 0,08 - 0,72 0,00 - 0,09 0,07 - 0,59
grondslag
tabel 5.2: gegevens grondwatermonster monster boring deellocatie 2 204 216 deellocatie 3 301 317 319 deellocatie 4 401 414
Tabel 5.3: samenstelling waterbodemmonster meng samenstelling mengmonster monster MM1-1 3001 t/m 3006 MM2-1 3001 t/m 3006 MM1-2 3007 t/m 3012 MM2-2 3007 t/m 3012
slib veen, sterk kleiig slib klei, matig zandig, laagjes veen
analysepakket incl. AS3000 STAPS+ OCB + PFAS STAPS+ OCB STAPS+ OCB + PFAS STAPS+ OCB
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 14 van 22
5.2
Toelichting toetsingskader
De analyseresultaten van het bodemonderzoek zijn getoetst aan de Wet bodembescherming en indicatief aan het Besluit bodemkwaliteit (Bbk, zie bijlage 3). De analyseresultaten van het waterbodemonderzoek zijn getoetst aan de van toepassing zijnde generieke toepassingskaders en normwaarden uit het Bbk. De analyseresultaten van het PFAS-onderzoek in de bodem en waterbodem zijn getoetst aan de normwaarden uit het aangepaste tijdelijk handelingskader PFAS-houdende grond en baggerspecie. Wet bodembescherming Toetsing van de analyseresultaten vindt plaats aan de toetsingswaarden zoals die op 1 juli 2013 van kracht zijn geworden (Circulaire Bodemsanering 2013, Staatscourant 16675, d.d. 27 juni 2013), zie ook ‘Toelichting op het Wbb’ in bijlage 3. De analyseresultaten zijn getoetst met BoToVa (Bodem Toets- en Validatieservice van SIKB-IHW) via de webapplicatie @MIS. Grond In de Wbb wordt onderscheid gemaakt tussen de AW2000-waarde (voorheen: ‘streefwaarde’) en de interventiewaarden. Als actiewaarde (tussenwaarde) voor nader onderzoek geldt ½ maal de interventie- plus de achtergrondwaarde ((AW+I) * ½). Hiervoor worden de navolgende coderingen gebruikt in dit rapport: AW2000 T I
= = =
achtergrondwaarde actiewaarde voor nader onderzoek (voorheen tussenwaarde) interventiewaarde
Dit leidt tot de volgende indeling: gehalte < AW2000 - niet verontreinigd gehalte > AW2000 en < T - licht verontreinigd gehalte > T en < I - matig verontreinigd gehalte > I - sterk verontreinigd Alvorens de analyseresultaten te toetsen zijn deze naar standaard bodem omgerekend (organische stof 10% en humus 25%). Voor barium geldt dat per 1 april 2009 wettelijk geen eis meer is vastgesteld. De analysecertificaten van de grondmonsters zijn opgenomen in bijlage 4. In bijlage 5 zijn alle analyseresultaten van de monsters weergegeven die getoetst zijn aan de geldende achtergrond-/streef- en interventiewaarden. Besluit bodemkwaliteit Het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) is gebaseerd op een risicobenadering met als uitgangspunt een directe relatie tussen de (chemische) kwaliteit en het gebruik van de bodem. In het Bbk zijn verschillende toepassingsmogelijkheden voor grond en baggerspecie opgenomen met daarbij behorende toetsingskaders. Voor dit waterbodemonderzoek zijn de volgende toetsingskaders van toepassing: • Toetsingskader voor toepassen van baggerspecie op landbodem. • Toetsingskader voor toepassen van baggerspecie in oppervlaktewater.
Landelijk toetsingskader Per- en Polyfluoralkylstoffen (PFAS) De normstelling voor het toepassen van PFAS-houdende grond en baggerspecie is in december 2021 door de minister van Infrastructuur en Waterstaat, vastgelegd in het Handelingskader voor hergebruik van PFAShoudende grond en baggerspecie (d.d. 13-12-2021). In onderstaande tabel 5.4 zijn de toepassingsnormen rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 15 van 22
van grond op de landbodem en in oppervlaktewater weergegeven. Voor de toepassing en verspreiding van baggerspecie gelden de in tabel 5.5 weergegeven normen Tabel 5.4 Toepassingsnormen voor het toepassen van PFAS-houdende grond (in µg/kg d.s.)1 Toepassingssituatie Toepassingsnorm2, 3, 4, 5, 7 PFOS PFOA overige PFAS Op de landbodem Grond toepassen Bodemfunctieklasse bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur landbouw/natuur, wonen of industrie 1,4 1,9 1,4 wonen of industrie landbouw/natuur 1,4 1,9 1,4 wonen of industrie wonen of industrie 3,0 7,0 3,0 Grond en baggerspecie grootschalig toepassen 3,0 7,0 3,0 Grond en baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden Gebiedskwaliteit, indien niet bekend 0,1 In een oppervlaktewaterlichaam8 In een Rijksoppervlaktewaterlichaam uitgezonderd de diepe plas het toepassen van grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies4. 3,7 0,8 0,8 In een ander oppervlaktewaterlichaam uitgezonderd de diepe plas het toepassen van grond in ophogingen in waterbouwkundige constructies 4. 1,1 0,8 0,8 Toepassen in niet-vrijliggende diepe plassen die in open verbinding staan met een rijkswater1, 6 3,7 0,8 0,8 Toepassen in andere diepe plassen5, 6 1,1 0,8 0,8 1.
Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: Een met water gevulde verdieping / put in de (water)bodem die ontstaan is als gevolg van zand-, grind-, of kleiwinning of dijkdoorbraak (zoals wielen en kolken). Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders. Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet. 2. Op de waarden uit deze tabel hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt. Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie. 3. Tenzij een lokale maximale waarde is vastgesteld. 4.
PFOS en PFOA worden getoetst aan de hand van de sommatie van de concentraties lineair en vertakt. Overige PFAS worden getoetst per stof (dus niet gesommeerd). 5. Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden, kan niet van de toepassingswaarde in de tabel worden uitgegaan. In deze gevallen zal de waterbeheerder als bevoegd gezag in overleg met gemeente en provincie een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld. Hierbij moet op basis van de zorgplichten zelf worden bepaald welke kwaliteit grond en baggerspecie verantwoord kan worden toegepast. 6. Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen. 7. Indien meetgehalten onder de bepalingsgrens liggen, mag de beoordelaar naar analogie van bijlage G, onderdeel IV van de Rbk (Regeling bodemkwaliteit), ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de toepassingswaarden. 8.
Hier wordt met ‘oppervlaktewaterlichaam’ bedoeld: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem en oevers (met uitzondering van uitdrukkelijk krachtens de Waterwet aangewezen drogere oevergebieden), alsmede flora en fauna.
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 16 van 22
Tabel 5.5 toepassingsnormen voor het toepassen en verspreiden van baggerspecie (in µg/kg d.s.)1 Toepassingssituatie Toepassingsnorm2, 3, 4, 5, 7 Op de landbodem Verspreiden baggerspecie op de kant of weilanddepot PFOS = 3 PFOA = 7 overige PFAS = 3 Baggerspecie toepassen op een landbodem met de PFOS = 1,4 bodemfunctieklasse of bodemkwaliteitsklasse landbouw/natuur PFOA = 1,9 overige individuele PFAS = 1,4 Baggerspecie toepassen op een landbodem met de PFOS = 3 bodemfunctieklasse en van bodemkwaliteitsklasse wonen of industrie PFOA = 7 overige PFAS = 3 Baggerspecie toepassen in grondwaterbeschermingsgebieden Gebiedskwaliteit, indien niet bekend geldt voor alle PFAS 0,1 (=bepalingsgrens) Baggerspecie grootschalig toepassen op de landbodem PFOS = 3 PFOA = 7 overage PFAS = 3 In een oppervlaktewaterlichaam9 Baggerspecie verspreiden in het hetzelfde oppervlaktewaterlichaam Toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters8 of aansluitende (sedimentdelende)10, stroomafwaartsgelegen oppervlaktewaterlichamen Baggerspecie toepassen in hetzelfde oppervlaktewaterlichaam in toepasbaar, wel meten en toetsen op uitschieters8 ophogingen in waterbouwkundige constructies, uitgezonderd de diepe plas Baggerspecie toepassen in een ander oppervlaktewater-lichamen, Rijkswater: PFOS = 3,7 met uitzondering van de diepe plas1 Overige PFAS = 0,8 - verspreiden van baggerspecie (bij niet-sedimentdelende
oppervlaktewaterlichamen) en Anders PFOS = 1,1 - het toepassen van baggerspecie en grond in ophogingen in Overige PFAS = 0,8 waterbouwkundige constructies. Baggerspecie toepassen in niet vrijliggende diepe plassen (in open PFOS = 3,7 verbinding met Rijkswater)1, 6 overige PFAS = 0,8 Baggerspecie toepassen in andere diepe plassen5, 6 PFOS = 1,1 overige PFAS = 0,8 1. Onder ‘diepe plas’ wordt verstaan: Een met water gevulde verdieping / put in de (water)bodem die ontstaan is als gevolg van zand-, grind-, of kleiwinning of dijkdoorbraak (zoals wielen en kolken). Onder ‘vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, die niet is gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk en die bovendien boven de spronglaag nauwelijks wordt gevoed door oppervlaktewater van elders (de verblijftijd van het water is voor 90% van het jaar langer dan een maand). Als de diepe plas is gelegen in een groter oppervlaktewaterlichaam wordt de rest van het oppervlaktewaterlichaam beschouwd als oppervlaktewater van elders. Onder ‘niet-vrijliggende diepe plas’ wordt verstaan: diepe plas, gelegen in een oppervlaktewaterlichaam in beheer bij het Rijk, of diepe plas die niet aan de definitie van vrijliggende plas voldoet. 2. Op de waarden uit deze tabel hoeft geen bodemtypecorrectie te worden toegepast als het gehalte van organische stof minder dan 10% bedraagt.
Als het gehalte organisch stof ligt tussen 10-30% dient wel een bodemtypecorrectie uitgevoerd te worden. Als het gehalte organisch stof boven de 30% is aangetoond dient het gehalte organisch stof van 30% gebruikt te worden bij de bodemtypecorrectie. 3. Tenzij een lokale maximale waarde is vastgesteld. 4. PFOS en PFOA worden getoetst aan de hand van de sommatie van de concentraties lineair en vertakt. Overige PFAS worden getoetst per stof (dus niet gesommeerd). 5. Voor plassen waar nog geen verondieping heeft plaatsgevonden, kan niet van de toepassingswaarde in de tabel worden uitgegaan. In deze gevallen zal de waterbeheerder als bevoegd gezag in overleg met gemeente en provincie een uitvoerige afweging moeten maken of deze verondieping gewenst is en welke voorwaarden hieraan moeten worden gesteld. Hierbij moet op basis van de zorgplichten zelf worden bepaald welke kwaliteit grond en baggerspecie verantwoord kan worden toegepast. 6. Alleen indien in de nabijheid van de diepe plas geen kwetsbaar object is gelegen. Hiervoor is een toetsingskader opgenomen in de Handreiking voor de herinrichting van diepe plassen. 7.
Indien meetgehalten onder de bepalingsgrens liggen, mag de beoordelaar naar analogie van bijlage G, onderdeel IV van de Rbk (Regeling bodemkwaliteit), ervan uitgaan dat de kwaliteit van de grond, grondwater, baggerspecie, bodem, bodem of oever van een oppervlaktewaterlichaam voldoet aan de toepassingswaarden. 8. Metingen om uitschieters te identificeren zijn bedoeld om te bepalen of er in partijen mogelijk sprake kan zijn van puntbronvervuilingen. Als vuistregel kan hiervoor de P95-waarde van een bepaalde PFAS worden gehanteerd. Bagger uit Rijkswateren: PFOS = 8,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,8 μg/kg d.s., EtFOSAA = 5,5 μg/kg d.s., MeFOSAA = 1,0 μg/kg d.s. Op basis hiervan kan voor overige PFAS de laagste van de genoemde waarden, 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden. Bagger uit regionale wateren: PFOS = 2,2 μg/kg d.s., PFOA = 0,9 μg/kg d.s., EtFOSAA = 1,8 μg/kg d.s. Voor overige PFAS kan de waarde 0,8 μg/kg d.s., worden aangehouden. Hogere dan voornoemde waarden in respectievelijk bagger uit Rijkswateren en regionale wateren kunnen een aanwijzing zijn voor de aanwezigheid van een puntbronvervuiling in de partij. Wat vervolgens de mogelijkheden zijn voor de betreffende partij,
rps.nl Ref.: NL202027149-R21-265 | 6 april 2022
Pagina 17 van 22
9. 10.
hangt onder meer af van de aantallen gemeten uitschieters, de hoogte van de gemeten waarden en de lokale situatie. Dit is aan het bevoegd gezag om te beoordelen. Hier wordt met ‘oppervlaktewaterlichaam’ bedoeld: samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende bodem en oevers (met uitzondering van uitdrukkelijk krachtens de Waterwet aangewezen drogere oevergebieden), alsmede flora en fauna. Oppervlaktewaterlichamen zijn ‘sedimentdelend’ als sediment vrij uitgewisseld kan worden tussen de oppervlaktewaterlichamen door stroming, wind of getij.
Voor de toepassing van PFAS-houdende grond en baggerspecie is niet alleen het handelingskader van belang, maar dient vanzelfsprekend ook te worden voldaan aan alle verplichtingen die voor het toepassen voortvloeien uit het Besluit bodemkwaliteit. Bron: Handelingskader voor hergebruik PFAS-houdende grond en baggerspecie, geactualiseerde versie 13 december 2021
Voor de gemeenten die voorafgaande aan de publicatie van het handelingskader, al gebiedsspecifiek beleid hebben vastgesteld blijft dit beleid van kracht. Hiernaast hebben gemeenten de mogelijkheid gebiedsspecifiek beleid vast te stellen. Lokaal kunnen derhalve afwijkende normen voor hergebruik van PFAShoudende grond geleden. Bron: website bodemplus, FAQ PFAS.
5.3
Toetsingsresultaten en interpretatie verkennend bodemonderzoek
De analysecertificaten van de grondmonsters zijn opgenomen in bijlage 4. In bijlage 5 zijn de volledige Botova toetsingen aan de geldende achtergrond en interventiewaarden (Wbb) en maximale bodemkwaliteitswaarden (Bbk) opgenomen. In de onderstaande tabel zijn de toetsingsresultaten samengevat. De kwaliteit is ook weergegeven op kaartmateriaal bijgevoegd als bijlage 1. Tabel 5.6 analyseresultaten grond(meng)monsters (meng) Wbb overschrijdende Bbk monster parameter(s) deellocatie 2 2.1BG <achtergrondwaarde altijd toepasbaar 2.2BG >achtergrondwaarde PAK(10), som altijd toepasbaar DDD 2.3OG <achtergrondwaarde altijd toepasbaar 2.4OG >achtergrondwaarde molybdeen altijd toepasbaar 2.5 >achtergrondwaarde som chlordaan industrie deellocatie 3 3.1BG <achtergrondwaarde altijd toepasbaar 3.2BG >achtergrondwaarde PCB(7) industrie 3.3BG <achtergrondwaarde altijd toepasbaar 3.4OG <achtergrondwaarde altijd toepasbaar 3.5OG >achtergrondwaarde molybdeen altijd toepasbaar deellocaie 4 4.1BG >interventiewaarde zink NT>interventiewaarde >achtergrondwaarde cadmium 4.2BG <achtergrondwaarde altijd toepasbaar 4.3OG <achtergrondwaarde altijd toepasbaar 4.4OG >achtergrondwaarde molybdeen wonen
overschrijdende PFOA PFOS overige PFAS parameter(s) µg/kg d.s µg/kg d.s. µg/kg d.s -
0,7 0,2
0,7 0,2
-
som chlordaan
-
-
-
PCB(7) -
0,7 0,6 -
0,5 0,5 -
-
zink
0,8
0,7
-
molybdeen
0,8 -
0,7 -
-
Uit toetsing aan de generieke toepassingskaders blijken de mengmonsters over het algemeen niet tot licht verontreinigd (>achtergrondwaarde). Bij indicatieve toetsing aan de normwaarden van het Besluit bodemkwaliteit zijn de mengmonsters veelal ingedeeld in de bodemkwaliteitsklasse “altijd toepasbaar”.