CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

NRK HULST februari 2022

Gemeenteraad 7 juli 2022, gemeente HulstBij agendapunt: Voorstel tot het vaststellen van de "Nota Ruimtelijke Kwaliteit en "Verordening gemeentelijke adviescommissie"20.842 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Zicht op kerktorens en gebogen en gesloten straatwanden.

Gentse Poort vormt één van de drie stadspoorten.

Groene vestingwerken omringen binnenstad.

Aaneengesloten individuele panden met verspringende hoogten.

De bebouwing bestaat uit voornamelijk gesloten stadsblokken, die ieder kenmerkende stedenbouwkundige en architectonische eigenschappen hebben. Sommige oudere stadsblokken zijn voorzien van grote binnentuinen, waardoor monumentale bomen boven de bebouwing uitsteken. De bebouwing kent een verscheidenheid aan stijlen uit verschillende perioden. De bebouwing bestaat uit één of twee lagen met schilddaken en zadeldaken. In sommige delen is sprake van drie lagen met een kap of plat dak. De gevels aan de oudere straten bestaan afwisselend uit top- en lijstgevels met verspringende goot- en bouwhoogten. De individualiteit wordt versterkt door verschillende gevels en kleurverschillen in metselwerk afgewisseld met stucwerk. Er is voornamelijk sprake van een verticale gevelgeleding met verticale gevelopeningen met t-ramen, bovenlicht, natuurstenen omlijsting of rolbogen. De recentere stadsblokken met woonbebouwing kennen een grotere architectonische samenhang zoals de woonbebouwing rond het Smedenplein, Brouwersplein en langs de Lange Bellingstraat en Minnebrugstraat.

35

Beoordelingsniveau (bijzonder) Door het collectief/openbaar gebruik, de historische structuur en waardevolle bebouwing is de binnenstad met vestingwerken van bijzondere betekenis voor de gemeente. De historische kern van Hulst is vanwege het cultuurhistorische karakter aangemerkt als beschermd stadsgezicht. De kwetsbaarheid ligt in vervangende nieuwbouw, gevelveranderingen en het aanbrengen van reclame-uitingen en andere toevoegingen aan de gevels. Het bijzondere beoordelingsniveau is van toepassing. De beoordeling van bouwplannen richt zich vooral op behoud en waar mogelijk versterken van de cultuurhistorische waarde. De nadruk ligt voornamelijk op de zorgvuldige inpassing binnen de historische context van een vestingstad. In de beleidsnotitie ‘Het beeld van de Binnenstad’ zijn criteria geformuleerd voor reclame, gevelveranderingen en overige toevoegingen aan de gevel in de binnenstad van Hulst. In de beleidsnotitie ‘Zonnepanelen in het beschermd stads- en dorpsgezicht Hulst’ zijn criteria geformuleerd voor zonnepanelen. Met betrekking tot vergunningaanvragen die vallen binnen deze categorieën bouwwerken wordt verwezen naar de toetsingscriteria in deze beleidsnotities.

36

Criteria Algemeen

Plaatsing

• •

Waarborgen van de aanwezige cultuurhistorische karakteristieken. Een toevoeging of verandering dient de bestaande stedenbouwkundige structuur, de karakteristiek van de gebouwen en de detaillering, het kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt te nemen.

•

Behouden van bestaand verkavelingspatroon en bebouwingstypologie van direct omliggende kavels en bebouwing. Bij renovatie en (vervangende) nieuwbouw de oorspronkelijke positie en oriëntatie behouden. Plaatsing in de bestaande rooilijn of bij verspringing binnen de uitersten van de naastgelegen bebouwing. Bijgebouwen e.d. achter de voorgevel van het hoofdgebouw situeren.

• • • Massa en vorm

• •

• •

Bij renovatie of verbouwing samenstelling van de hoofdmassa respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw moeten maat en schaal passen bij de omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt. Goot- en bouwhoogten binnen de uitersten van de naastgelegen bebouwing. Kapvorm en -richting afgestemd op de aanwezige variatie in de omgeving.

Gevelkarakteristiek

• • •

• • • • •

Bestaande authentieke geveldetailleringen behouden.

• Kleur en materiaal

• •

• • • •

Indien aanwezig behouden van de individuele herkenbaarheid van bebouwing. Ook bij samenvoeging van meerdere panden. Bij renovatie of verbouwing de oorspronkelijke bouwstijl, gevelgeleding en -indeling en authentieke detaillering behouden. Bij (vervangende) nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving het uitgangspunt. Eigentijdse uitwerking van onderdelen van een gevel is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd. De architectonische eenheid van het oorspronkelijke pand of bouwblok behouden. Er dient een duidelijke relatie te zijn tussen de begane grond en de verdiepingen. Etalages /winkelpuien op straatniveau passen binnen de architectuur van het pand. Voorgevels georiënteerd op de openbare ruimte. Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte worden behandeld als voorgevels. Geen gesloten (blinde) gevels aan straatzijden. Bij renovatie of verbouwing het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik behouden. Bij (vervangende) nieuwbouw toepassen van metselwerk en keramische dakpannen passend in de omgeving. Eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd. In lichte kleur geschilderde (delen van) gevels en stucwerk zijn toegestaan indien deze ook in de omgeving voorkomen.

Geen sterk contrasterende kleuren en materialen. Geen grote oppervlakken aan glas, spiegelende oppervlakken en kunststof bij beplating van gevels. Aan, uit- en bijgebouwen en dakkapellen, voor over in het zicht gelegen, qua materiaal en kleur verwant aan het hoofdgebouw.

Karakteristieke pandsgewijze opbouw met individuele gevels bij nieuwbouw passend in straatbeeld Hulst.

37

4.2. STADSENTREES Beschrijving De Tivoliweg, de Zoutestraat en de combinatie van Steensedijk, Absdaalseweg en Maelstedeweg vormen de stadsentrees van Hulst. Deze van oudsher belangrijke verbindingsroutes van de vesting zijn van cultuurhistorische waarde ten aanzien van de stedenbouwkundige structuur van Hulst. Tivoliweg De Tivoliweg loopt vanaf de N290 tot de Dubbele Poort en bestaat uit een brede rijbaan met aan weerzijden een trottoir gedeeltelijk voorzien van een bomenrij. Aan weerzijden is bebouwing gesitueerd met dicht op elkaar gesitueerde vrijstaande woningen met voortuinen. Hierdoor ontstaat een groen straatbeeld met relatief gesloten straatwanden. De bebouwing bestaat uit één of twee bouwlagen met een kap. Voorkomende kapvormen zijn zadeldak, mansardekap en schilddak, met de noklijn haaks of evenwijdig aan de straat. De bebouwing varieert in bouwstijl, gevelopbouw en gevelindeling, maar is veelal opgebouwd uit roodbruin metselwerk en een dakbedekking van donkere of rode dakpannen. De traditionele bakstenenarchitectuur uit de eerste helft van de vorige eeuw overheerst. Detaillering bestaat natuurstenen plinten, daklijsten met overstek, verticale gevelopeningen met bovenlicht, rolbogen en speklagen. 38

Steensedijk, Absdaalseweg en Maelstedeweg Deze drie straten vormen de stadsentrees aan de zuidzijde van de vesting en komen uit op de Gentse Poort. De doorgaande wegen hebben een breed straatprofiel, ingericht met een rijbaan met aan weerzijden een troitoir en op sommige plaatsen een fietsstrook. De v/d Maelstedeweg en Stationstraat zijn (gedeeltelijk) aan één zijde bebouwd. De bebouwing is zeer divers en in tegenstelling tot de overige entrees stedelijker van aard met grotere en aaneengesloten panden. Er is sprake van vooral woonbebouwing, soms afgewisseld met bedrijfspanden. Op de kruising van de drie straten is een pleinruimte ontstaan met een parkeerterrein en rondom enkele grootschalige complexen van soms vier bouwlagen. Overige bebouwing aan de straten bestaat uit door één of twee bouwlagen met een kap in diverse vormen. De Steensedijk en Maelstedeweg bestaat uit aaneengesloten bebouwing terwijl aan de Abdaalseweg de bebouwing meer vrijstaander en landelijker is en voorzien van voortuinen. De architectuur van alle straten is zeer divers en verschilt per pand in bouwmassa, vormgeving en kleur- en materiaalgebruik.

Diversiteit aan architectuur langs Zoutestraat.

Traditionele baksteenarchitectuur langs Tivoliweg.

Zoutestraat De stadsentree Zoutestraat loopt vanaf buurtschap 't Jagertje tot de Bagijne Poort. De structuur wordt gekenmerkt door een licht gebogen brede rijbaan met klinkerbestrating en aan weerszijden een trottoir. De straat is grotendeels eenzijdig bebouwd en aan de andere zijde ingericht met bospercelen en weiden. De bebouwing kent een diversiteit aan vrijstaande woningen met voortuinen. De voorgevels verspringen ten opzichte van elkaar. De kavels en onderlinge afstand verschilt en worden kleiner naarmate de stad nadert. De bebouwing bestaat uit door één of twee lagen met veelal een zadeldak of mansardekap, met de noklijn wisselend haaks of evenwijdig aan de straat. Bouwstijlen, gevelopbouw en gevelindeling zijn gevarieerd. De woningen zijn veelal opgebouwd uit roodbruin metselwerk en een dakbedekking van donkere of rode dakpannen. Op sommige plekken is sprake van een samenhangend nieuwbouw buurtje met afwijkende materiaalgebruik en kleurstelling.

Zoutestraat

Tivoliweg

Absdaalseweg Maelstedeweg

Steensedijk

39

Beoordelingsniveau (normaal) De stadsentrees zijn van oudsher al de belangrijkste toegangswegen van Hulst. Het is van belang de autonome ligging en herkenbare ruimtelijke karakteristiek van de organisch gegroeide bebouwingslinten tussen planmatige uitbreidingen te behouden. De karakteristiek met grote mate aan diversiteit is kwetsbaar voor contextloze nieuwbouw. Het normale beoordelingsniveau is van toepassing. Uitgangspunt is dat nieuwbouw zorgvuldig wordt ingepast, waarbij een bepaalde mate aan eigenheid mogelijk is. Op stedenbouwkundige geëigende locaties zijn accenten in bouwmassa en vormgeving mogelijk. Om verrommeling te voorkomen is het bij toevoegingen en verbouwingen belangrijk om goed af te stemmen op de vormgeving van het hoofdgebouw.

Criteria Algemeen

• • •

Plaatsing

• • •

Massa en vorm

• •

• Gevelkarakteristiek

De criteria met betrekking tot kleurgebruik zijn in beginsel alleen van toepassing als er sprake is van een exces (repressieve welstandstoetsing).

• • • •

Kleur en materiaal

• • •

40

Waarborgen van de aanwezige cultuurhistorische karakteristieken. Behouden autonome ligging en uitstraling van de stadsentrees tussen planmatige uitbreidingen. Iedere bouwkundige toevoeging of verandering dient de bestaande stedenbouwkundige structuur en de karakteristiek van de gebouwen als uitgangspunt te nemen. Behouden van bestaand verkavelingspatroon en bebouwingstypologie van direct omliggende kavels en bebouwing. Plaatsing in de bestaande rooilijn of binnen de uitersten van de belendingen. Voorgevels georiënteerd op de openbare ruimte. Bij renovatie of verbouwing samenstelling van de hoofdmassa respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw moeten maat en schaal passen bij de omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt. Kapvorm en -richting afgestemd op de aanwezige variatie in de omgeving. Behouden van de individuele herkenbaarheid van bebouwing of bouwblok. Bij renovatie of verbouwing de oorspronkelijke bouwstijl en gevelgeleding behouden. Eigentijdse uitwerking van onderdelen van een gevel is mogelijk. Bij (vervangende) nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving het uitgangspunt. Een representatieve eigentijdse architectuur is mogelijk. Voorgevels dienen zich op de openbare ruimte te oriënteren. Bij renovatie of verbouwing het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik respecteren.

Bij (vervangende) nieuwbouw toepassen van metselwerk en keramische dakpannen of riet passend in de omgeving. Eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk. Geen sterk contrasterende kleuren en materialen.

4.3. DORPEN EN LINTEN Beschrijving De verschillende dorpen zijn ontstaan na verdichting van lintbebouwing langs hoofdroutes, meestal rond een kerk of een verzameling boerderijen. De bebouwingslinten liggen langs historische belangrijke (toegangs)routes. De bebouwing bestaat voornamelijk uit woon-, winkel- en (agrarische) bedrijfsbebouwing. In vrijwel alle kernen is sprake van op organische wijze aaneengeschakelde individuele en kleinschalige bebouwing. De bebouwing wordt incidenteel afgewisseld met seriematige woningbouw en grotere bedrijfspanden. Vooral de grotere kernen zoals Kloosterzande, Sint Jansteen en Vogelwaarde hebben een grotere bebouwingsdichtheid en relatief gesloten gevelwanden in het centrum. Naarmate de toegangswegen het buitengebied naderen worden de kavels groter en zijn er meer voortuinen. Ook ligt de bebouwing verder van elkaar waardoor de relatie met het buitengebied duidelijker is. Hierdoor is sprake van een geleidelijke overgang van het landschap naar de dorpskern. Bij de kleinere kernen - zoals Terhole en Kuitaart - en de meer landelijke bebouwingslinten - zoals Heikant en Kapellebrug - is sprake van een lagere dichtheid en vaak een grotere mate aan variatie in functie, bebouwingskenmerken, massa en vormgeving.

Deze kleinere kernen en landelijke bebouwingslinten hebben een grote relatie met het omliggende buitengebied. Door de grotere kavels en afstanden tussen bebouwing zijn er meer doorzichten naar het landschap. Daarnaast is het agrarisch gebruik hier duidelijk aanwezig. In sommige kernen - zoals in Paal - is de situering van bebouwing beneden of op de dijk zeer kenmerkend voor het straatbeeld. Vaak vormen de kerk, de pastorie en/of het voormalig raadshuis van oudsher de belangrijkste beeldbepalende panden. Deze historische gebouwen zijn veelal groter en bezitten ook een 'rijkere' architectuur. De overige bebouwing is kleinschalig en bestaat over het algemeen uit één of twee bouwlagen met een kap. In de dorpscentra kan sprake zijn van hogere bebouwing. Kappen bestaan uit zadel-, mansarde- of schilddak met de noklijn haaks of evenwijdig aan de straat. Er is grote variatie in kapvorm en –richting, gevelindeling en vormgeving. De gevels zijn hoofdzakelijk opgetrokken in rood- of lichtbruin metselwerk of zijn in een lichte kleur geschilderd of gestuukt. Nieuwbouw is vaak duidelijk herkenbaar aan afwijkend kleur- en materiaalgebruik. Ook bedrijfspanden wijken in materiaal- en kleurgebruik sterk af van de traditionele lintbebouwing.

Verdichting en diversiteit in dorpskernen (Sint Jansteen).

Landelijke bebouwingslinten (Heikant).

41

Beoordelingsniveau (normaal) Kenmerkend van de dorpskernen en linten is het organische gegroeide bebouwingspatroon met een gevarieerd bebouwingsbeeld, veelal een openbaar gebruik en/of de duidelijke relatie met het omliggende landschap. Het straatbeeld is kwetsbaar door nieuwbouw en toevoegingen aan de bebouwing die het beeld kunnen verstoren. Het normale beoordelingsniveau is van toepassing, gericht op een zorgvuldige inpassing van nieuwe bebouwingselementen passend binnen de bestaande omgeving. Voor de dorpen is het van belang de individuele herkenbaarheid van de kernen te respecteren.

Criteria Algemeen

De criteria met betrekking tot kleurgebruik zijn in beginsel alleen van toepassing als er sprake is van een exces (repressieve welstandstoetsing).

Massa en vorm

• • • •

Plaatsing

• • • • • • • •

42

Waarborgen van de aanwezige cultuurhistorische karakteristieken. Behouden autonome ligging en uitstraling van de kernen en linten tussen planmatige uitbreidingen. Het (dorpse) karakteristieke straatbeeld prevaleert boven de herkenbaarheid van de functie van het gebouw in het ontwerp. Iedere bouwkundige toevoeging of verandering dient de bestaande stedenbouwkundige structuur en de karakteristiek van de gebouwen als uitgangspunt te nemen. Behouden van bestaand verkavelingspatroon en bebouwingstypologie van direct omliggende kavels en bebouwing. Plaatsing in de bestaande rooilijn of binnen de uitersten van de belendingen. Voorgevels georiënteerd op de openbare ruimte. Zichtrelaties met het landschap behouden. Bij renovatie of verbouwing samenstelling van de hoofdmassa respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw moeten maat en schaal passen bij de oorspronkelijke of omliggende bebouwing met veelal heldere, enkelvoudige en eenduidige hoofdvormen. Accentuering van stedenbouwkundig geëigende situaties is mogelijk, met name bij verdichting in dorpskernen. Kapvorm en -richting afgestemd op de aanwezige variatie in de omgeving.

Gevelkarakteristiek

• • • •

Kleur en materiaal

• •

• •

Behouden van de individuele herkenbaarheid van bebouwing of bouwblok. Bij renovatie of verbouwing de oorspronkelijke bouwstijl en gevelgeleding behouden. Eigentijdse uitwerking van onderdelen van een gevel is mogelijk. Bij (vervangende) nieuwbouw vormt de bebouwing in de omgeving het uitgangspunt. Een representatieve eigentijdse architectuur is mogelijk. Zijgevels die duidelijk zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte worden behandeld als voorgevels. Bij renovatie of verbouwing het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw toepassen van metselwerk en dakpannen of riet passend in de omgeving. Toepassing van eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de aanwezige karakteristieken uitgevoerd. In wit of andere lichte kleur geschilderde gevels en stucwerk is mogelijk. Geen sterk contrasterende kleuren en materialen.

Wit geschilderde gevels overheersen in bijvoorbeeld Paal.

Kerk en pastorie vormen beeldbepalende gebouwen in dorpskernen.

43

4.4. WOONGEBIEDEN Beschrijving Bijna alle kernen herbergen in meer of mindere mate planmatige uitbreidingen van na 1945. Voor alle uitbreidingen geldt dat ze een gestructureerde opbouw hebben met overwegend rijwoningen afgewisseld met twee-onder-één-kap en vrijstaande woningen. Het bebouwingsbeeld is divers, maar per wijk, buurt of cluster is er samenhang. In de opbouw van deze wijken is een duidelijke functiescheiding aangebracht tussen wonen, werken, winkelen, groen en verkeer. De autonome stedenbouwkundige structuur ligt vlak achter de historische kern of is gekoppeld aan een bebouwingslint. Ze vormen de bebouwingsranden vanaf het open polderlandschap. De woongebieden zijn in grote mate vergelijkbaar en hebben dezelfde ruimtelijke eigenschappen. De verkaveling is - vooral bij de kleinere kernen - veelal gebaseerd op de aanwezige landschappelijke structuren. Dezelfde stedenbouwkundige patronen met woonblokken worden veelvuldig herhaald (‘stempelverkaveling’). De verkaveling heeft een (half-) open karakter, waardoor open straathoeken ontstaan. De belangrijkste karakteristiek is de grote samenhang door gelijkvormigheid en herhaling.

Rijwoningen en twee-onder-één-kap woningen bestaan doorgaans uit twee bouwlagen met een zadelkap evenwijdig aan de straat. Sommige recentere woningbouw zijn voorzien van platte daken. De gevels van een bouwblok vertonen een sterke samenhang. De woningen zijn veelal gepositioneerd in een rechte rooilijn en zijn voorzien van een voortuin. De woningen zijn opgebouwd in metselwerk en een kap van pannen en kennen een eenvoudige functionele gevelindeling. Naast de rijwoningen en twee-onder-één-kap woningen zijn er ook buurtjes en straten met vrijstaande woningen. Deze individuele woningen worden juist gekenmerkt door diversiteit aan vormgeving en een groene setting door ruimere kavels. De vrijstaande woningen variëren van één tot twee lagen met een kap en hebben over het algemeen een eenvoudige traditionele hoofdvorm. De kappen variëren in vorm en richting, maar vooral gebaseerd op de zadelkap. Er is sprake van een meer traditionele bouwstijl (verwerken en opnieuw interpreteren van vormen en waarden uit het verleden) tot modernistische stijlen (waarbij strakke lijnen en het platte dak centraal staan). Maar ook interpretaties van rentenierwoningen en boerderijwoningen komen veelvuldig voor.

Samenhangende woonblokken stroken met gelijk vormgegeven rijwoningen.

Diversiteit in individuele woningen.

44

De laatste decennia heeft op buurtniveau kleinere uitbreidingen of vervangende nieuwbouw plaatsgevonden. Deze zijn vaak als samenhangende complexen vormgegeven met een eigen architectuur en samenhang. Beoordelingsniveau (soepel en vrij) Voor alle planmatige woongebieden is het soepele beoordelingsniveau van toepassing. Dat betekent dat bij (vervangende) nieuwbouw en toevoegingen of wijzigingen van bebouwing alleen wordt gekeken naar de hoofdkenmerken die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Bouwplannen op het achtererf worden niet preventief beoordeeld.

Criteria Algemeen Plaatsing

• •

Waarborgen van de aanwezige samenhang op wijk-, buurt- of gebouwniveau. Aandacht voor uitstraling van bebouwing (dorpsranden) vanaf het landschap.

•

Behouden van bestaande verkavelingspatroon en bebouwingstypologie, tenzij er sprake is van een stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt. Aanwezige rooilijnen respecteren, waarbij het bestemmingsplan leidend is.

• Massa en vorm

•

Bij (vervangende) nieuwbouw moeten maat en schaal passen bij de omliggende bebouwing, tenzij er sprake is van een bijzondere stedenbouwkundige situatie die afwijking daarvan mogelijk maakt. Accenten door maatvoering zijn in beperkte mate mogelijk.

Gevelkarakteristiek

•

Respecteren van de samenhangende uitstraling van de buurt, complex of individueel gebouw. Behouden van de aanwezige ritmiek en herhaling. Bij (vervangende) nieuwbouw is een eigentijdse uitwerking mogelijk mits passend in de stedenbouwkundig context van de omgeving.

• • Materiaalgebruik

•

•

Binnen een bestaande stedenbouwkundig en/of architectonisch eenheid dienen de materialen van gevels, daken, kozijnen, ramen en deuren, evenals aangebouwde gedeeltes op elkaar te worden afgestemd. Bij (vervangende) nieuwbouw toepassen van metselwerk en dakpannen passend in de omgeving. Toepassing van eigentijdse materialen is mogelijk.

45

4.5. COMPLEXEN EN VOORZIENINGEN Gebiedsbeschrijving De grotere complexen en voorzieningen liggen verspreid in de gemeente, vooral in en rond de dorpskern Hulst. Het betreft (een verzameling van) grotere gebouwen die meestal vrij in de ruimte staan. De bebouwing is groter van schaal dan de omliggende woonbebouwing. Het gaat in de meeste gevallen om vrijliggende op zich zelf staande woonvoorzieningen, kantoren, scholen, ziekenhuizen, begraafplaatsen, verzorgingstehuizen, grootschalige detailhandel of grootwinkelbedrijven. In het algemeen is er sprake van sterk functiegerichte bebouwing, waarbij in het ontwerp de functie duidelijk zichtbaar is. Enkele grotere en bijzondere complexen zijn het Blauwe Hofke, de meubelboulevard aan de Industrieweg en het terrein van Tragel Zorg in Clinge.

In een enkele geval gaat het om oudere complexen die een nieuw gebruik heeft gekregen, zoals het Neo-Romaanse stijl gebouwde en monumentale klooster 'Sint Joseph' aan de Carmelweg wat nu in gebruik is als school. Hier is de cultuurhistorische waarde van het gebouw duidelijk afleesbaar. De meeste bebouwing heeft veelal een samengestelde hoofdvorm, waardoor de maat en schaal van het gebouw visueel worden gereduceerd. De hoogte van de (delen van) bebouwing varieert, van één laag tot soms vijf lagen, meestal met een plat dak. De gevelindeling is in belangrijke mate afhankelijk van de functie. Het materiaal- en kleurgebruik is doorgaans per gebouw verschillend. Hierdoor wordt de individualiteit van de diverse objecten nog verder versterkt.

Samenhangend wooncomplex in Hulst

Voormalige klooster Sint Joseph

46

Beoordelingsniveau (soepel) De gebouwen hebben doorgaans een eigen en individueel karakter of maken onderdeel uit van een groter complex met een bepaald samenhangend karakter. Vooral de uitstraling van het gebouw naar zijn omgeving is van belang. Enkele gebouwen hebben een historische waarde en zijn aangewezen als rijksmonument. Voor de gebieden geldt het soepele niveau waarbij planbeoordeling vooral gericht zijn op hoofdkenmerken en uitstraling naar de openbare weg. Daarom zal alleen toezicht plaatsvinden voor bouwactiviteiten aan de voorkant en zijkant zichtbaar vanaf openbaar toegankelijk gebied.

Criteria Algemeen

•

Waarborgen van het individuele karakter van een pand of samenhang van een ensemble van bebouwing en omgeving.

Plaatsing

•

Behouden van vrijstaand ligging van gebouwen in een cluster of in onderlinge samenhang op het terrein geplaatst. Behouden alzijdig karakter en de representatieve zijde oriënteren op de belangrijkste openbare ruimte of hoofdstructuur. Expeditie- en opslagruimte zoveel mogelijk aan de achterzijde van het gebouw situeren, uit het zicht.

• • Massa en vorm

• • • •

Gevelkarakteristiek

•

Behouden van de individuele herkenbaarheid van bebouwing. Bij (vervangende) nieuwbouw zorgvuldige inrichting van gevel. Ten minste aan de straatzijde en in de representatieve delen van het gebouw een duidelijke geleding (bijvoorbeeld door gevelopeningen en/of materiaaltoepassingen). Onderscheid in delen van het gebouw door gevel, kleur en materiaal, beperkt de grootschalige schaal. Entrees dienen duidelijk herkenbaar te zijn.

• • • •

Bij renovatie of verbouwing het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik respecteren. Kleur- en materiaalgebruik is individueel, terughoudend en in onderlinge samenhang. Samenhang in bebouwing per perceel of samenhangend ensemble behouden. Toepassing van eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk.

• •

•

Kleur en materiaal

Bij renovatie of verbouwing samenstelling en vorm van de hoofdmassa respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw streven naar een individuele en herkenbare massa en vorm. Bij (vervangende) nieuwbouw dient de massa altijd in goede verhouding te staan tot de beschikbare ruimte. Omvang van bijgebouwen en aan- en uitbouwen ondergeschikt aan het hoofdgebouw en terughoudend vormgeven.

47

4.6. BEDRIJVENTERREINEN Gebiedsbeschrijving Bedrijventerreinen hebben veelal een grootschalige inrichting en diversiteit in uitstraling met zowel kleinschalige bedrijven als grootschalige fabrieks- en bedrijfspanden. Het terrein Hogeweg net buiten de kern Hulst, de Oudeweg bij Kloosterzande en de betonfabriek bij Walsoorden zijn de grootste bedrijventerreinen. Daarnaast zijn er in en bij de dorpskernen vooral kleinere bedrijventerreinen gelegen. Sommige terreinen hebben een eigen herkenbare identiteit en/of samenhang. De bebouwing is veelal sober en eenvoudig vormgegeven en loopt uiteen van gesloten bedrijfsloodsen van betonplaten of damwandprofiel tot meer representatieve kantoorpanden en showrooms. De bebouwing is divers in omvang en vormgeving. De hoofdvorm bestaat veelal uit één tot drie bouwlagen, veelal plat afgedekt of voorzien van flauw hellend dak. De vormbehandeling, gevelopbouw en -indeling van de bebouwing is gevarieerd en ook het kleur- en materiaalgebruik op de bedrijventerreinen is wisselend.

Indien aanwezig zijn de representatieve onderdelen van het bedrijf of de bedrijfswoning naast de bedrijfsbebouwing of op de kop van de kavel gesitueerd, opgebouwd uit 1 à 2 bouwlagen van metselwerk en voor wat betreft bouwmassa en –hoogte ondergeschikt aan de overige bedrijfsbebouwing. Beoordelingsniveau (soepel) Het algemene beeld van kantoren- en bedrijventerreinen is onsamenhangend door de grote verschillen in functie, uitstraling, maat, architectuur en materiaalgebruik. Voor alle bedrijventerreinen is het soepele beoordelingsniveau van toepassing. Dat betekent dat bij (vervangende) nieuwbouw en toevoegingen of wijzigingen van bebouwing alleen wordt gekeken naar de hoofdkenmerken die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Bouwplannen op het achtererf worden niet preventief beoordeeld.

Bedrijf met eenvoudige hoofdvorm een eenduidige uitstraling.

Zorgvuldig materiaal- en kleurgebruik en duidelijk onderscheid in hoofddelen van gebouw.

48

Criteria Algemeen

•

Waarborgen van het individuele karakter van een pand of samenhang van bebouwing in relatie tot de omgeving.

Plaatsing

•

Behouden van vrijstaand ligging van gebouwen in een cluster of in onderlinge samenhang op het terrein geplaatst. Gebouwen vrij op het kavel plaatsen met één hoofdmassa per perceel. Representatieve zijde oriënteren op de belangrijkste openbare ruimte of hoofdstructuur. Expeditie- en opslagruimte zoveel mogelijk aan de achterzijde van het gebouw situeren, uit het zicht.

• • • Massa en vorm

• • •

Representatief vormgegeven voorkant van bedrijf.

• Gevelkarakteristiek

Kleur en materiaal

Bij renovatie of verbouwing samenstelling van de hoofdmassa respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw streven naar een individuele en herkenbare massa en vorm. Bij (vervangende) nieuwbouw dient de massa altijd in goede verhouding te staan tot de beschikbare ruimte. Omvang van bijgebouwen en aan- en uitbouwen ondergeschikt aan het hoofdgebouw en terughoudend vormgeven.

•

Behouden van de individuele herkenbaarheid van bebouwing. De functies dienen in de gevel afleesbaar te blijven. Onderscheid in delen van het gebouw door gevel, kleur en materiaal, beperkt de grootschalige schaal. Entrees dienen duidelijk herkenbaar te zijn.

• • • •

Bij renovatie of verbouwing het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik behouden. Kleur- en materiaalgebruik is individueel, terughoudend en in onderlinge samenhang. Samenhang in bebouwing per perceel of samenhangend ensemble behouden. Toepassing van eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk.

• • •

Minder representatief vormgegeven uitstraling.

49

4.7. BUITENGEBIED Gebiedsbeschrijving Door de ligging in het zeekleilandschap op de rand van de dekzandruggen zijn landschappelijk gezien een drietal zones te herkennen. Een buitendijks natuurgebied genaamd 'Verdronken Land van Saeftinghe' en bestaande uit slikken en schorren. Direct achter de zeedijk het open polderlandschap gelegen met een lappendeken aan polders en een rechtlijnige verkaveling en ontsluitingsstructuur. En tenslotte ten zuiden van de kern Hulst de dekzandruggen die in tegenstelling tot de poldergebieden een meer kleinschalige, complexe en besloten karakteristiek kennen. het verdronken land van Saeftinghe Het verdronken land van Saeftinghe is een uitgestrekt schorrengebied. Dit buitendijkse gebied bestaat uit kale zandplaten, slikken en water en begroeide schorren. Hier is door rivier- en getijdestromingen een grillig patroon van kreekbeddingen, oeverwallen en kommen. In dit buitendijkse gebied komt geen bebouwing voor. open polderlandschap Het polderland behoort tot het nieuwland en bestaat globaal gezien uit een patroon van grote zandige geulen en uitgestrekte kleiige vlakten. Het ruimtelijk beeld wordt gekenmerkt door een coulisselandschap van open gebieden begrenst door dijken begroeid met populieren. 50

Deze polders zijn grotendeels ingericht als akkerland afgewisseld met boomgaarden, weidegronden en kreken. Verspreid door de polders zijn dorpen, buurtschappen en boerderijen(clusters) gelegen. De bebouwing bestaat uit vrijstaande boerderijen en kleinschalige dijkbebouwing die tegen en op de polderdijken zijn gesitueerd. Positionering en oriëntatie van de bebouwing is gerelateerd aan de dijk, weg of kavelrichting en wordt veelal omgeven door opgaande erfbeplanting. De kleinschalige dijkbebouwing is hoofdzakelijk opgebouwd uit één bouwlaag van aardkleurig metselwerk, soms wit geschilderd, met een zadeldak van rode of donkere dakpannen en zijn soms voorzien van fraaie detailleringen.

Het verdronken land van Saeftinghe.

De - soms cultuurhistorisch waardevolle - boerderijen bestaan uit een woonhuis met bijbehorende schuren. Het woonhuis bestaat uit één bouwlaag van metselwerk in aardkleurige baksteen of ijsselsteentjes voorzien van een natuurstenen plint, kroonlijst en verticale gevelopeningen eventueel voorzien van rolbogen met sluitstenen en bovenlicht. De kap is vaak een zadeldak met de noklijn evenwijdig aan de voorgevel, bedekt met (kruis)pannen. Open polderlandschap begrenst door dijken en bomenrijen.

De oorspronkelijke schuren zijn opgebouwd uit baksteen of gepotdekseld donker hout met een wolfdak bedekt met riet of (kruis)pannen. Door schaalvergroting in de landbouw zijn steeds meer eigentijds vormgegeven agrarische bedrijfscomplexen zichtbaar in het open agrarisch gebied. Kenmerkend zijn de universeel vormgegeven loodsen/stallen met een flauw hellend zadeldak opgebouwd uit baksteen en/of donker groen damwandprofiel, lichte silo’s en woningen opgebouwd in metselwerk in lichte tinten en dakbedekking van donkere dakpannen. besloten (bos)gebieden Bosgebieden komen alleen in het zuiden voor rondom de kernen Hulst, Kapellebrug, Sint jansteen en Clinge. De beslotenheid van dit gebied zorgt ervoor dat bebouwingselementen een beperkte invloed hebben op de ruimtelijke beleving van het buitengebied. Het grillig gevormde bosgebied wordt afgewisseld met grootschalige agrarische gronden, sporadisch komen hierop boerderijen voor die aan de rand van het bos zijn gelegen. Een opmerkelijk element is de lange uitloper langs de liniedijk met opgaande begroeiing aan de westkant van de weg aangevuld met driehoekig gevormde verdikkingen. Deze oude overblijfselen van verdedigingswerken zijn kenmerkend voor het gebied rondom Hulst en verbinden de vestingwerken met het omliggende landschap.

In deze afwisseling van open en gesloten gebieden komt in beperkte mate bebouwing voor. Voornamelijk in Clinge lopen er stukken bos over in de bebouwing achter de dorpskern. Tussen Clinge en Kapellebrug ligt een grootschalig bosgebied waardoor een aantal belangrijke recreatieve routes lopen. De natuurlijke waarden van dit gebied zijn voornamelijk belangrijk door het gebrek aan verstorende bebouwingselementen en de grootschaligheid van het gebied. Welstandsniveau (soepel en normaal) De ruimtelijk visie voor het buitengebied heeft als uitgangspunt om de ruimtelijke kwaliteit te behouden, waarbij wordt gestreefd naar behoud en versterking van de grondgebonden landbouw. Met beperkte ruimte voor recreatie, wonen en werken in samenhang met het behoud van de waardevolle landschappelijke, natuurlijke en cultuurhistorische elementen.

Karakteristieke dijkbebouwing en -begroeiing.

Het welstandsbeleid is vooral gericht op een zorgvuldige inpassing, rekening houdend met de landschappelijke situatie en zichtbaarheid over een grote afstand. De situering van de bebouwing op de kavel en de relatie met de openbare weg is hier richtinggevend. Voor het grootste deel is voor het buitengebied het normale welstandsniveau van toepassing. De gebieden met natuur en/of landschappelijke waarden zijn aangewezen als normale welstandsgebieden.

De bosgebieden hebben vooral een natuur en recreatieve functie.

51

Criteria Algemeen

• • •

Plaatsing

• •

• •

Heldere en eenvoudige hoofdvormen kenmerkend agrarische bebouwing.

Massa en vorm

• • • • • •

Schaalvergroting is mogelijk mits rekening wordt gehouden met de landschappelijke setting en inpassing.

52

Waarborgen van de aanwezige landschappelijke setting. Iedere bouwkundige toevoeging of verandering dient de bestaande landschappelijke structuur, de karakteristiek van de gebouwen en de detaillering, het kleur- en materiaalgebruik ervan als uitgangspunt te nemen. Cultuurhistorische waarden van bebouwing en boerderijen behouden. Zie ook paragraaf 3.1 'Cultuurhistorisch waardevolle objecten en Monumenten'. Behouden van bestaand verkavelingspatroon en bebouwingstypologie van direct omliggende kavels en bebouwing. Bij (vervangende) nieuwbouw dient het hoofdgebouw (woning) aan de weg te worden gesitueerd, met de bijgebouwen en bedrijfsgebouwen compact gesitueerd op het achtererf. Behouden van de bestaande oriëntatiemogelijkheden en zichtrelaties met het landschap. Bijzondere functies kennen een zorgvuldige landschappelijke inpassing. Bij verbouwing of renovatie samenstelling van de hoofdmassa respecteren. Bij (vervangende) nieuwbouw is een eenvoudige hoofdvorm het uitgangspunt aansluitend op de massa en hoofdvorm van de oorspronkelijke of omliggende bebouwing of het ensemble van gebouwen als geheel. Platte daken zijn niet toegestaan. Kapvorm en -richting afgestemd op de bestaande mate aan variatie in de omgeving. De hoofdvorm van agrarische bedrijfsbebouwing rechthoekig en voorzien van een kap met een flauwe hellingshoek (tot 30o).

Behouden van een gevarieerd en kleinschalig bebouwingsbeeld aan of op de polderdijken. Aan- en uitbouwen en bijgebouwen zijn ondergeschikt en in een afgeleide architectuur.

Gevelkarakteristiek

•

•

• • • • Kleur en materiaal

• • •

• • • •

Bij renovatie of verbouwing de oorspronkelijke bouwstijl, gevelgeleding en -indeling en authentieke detaillering behouden. De architectonische eenheid van het oorspronkelijke pand behouden. (Vervangende) nieuwbouw dient in relatie tot het omliggende landschap of uitstraling van eventueel aanwezige bebouwingscluster te worden vormgegeven. Eigentijdse uitwerking van onderdelen van een gevel is mogelijk. Bij (vervangende) nieuwbouw zorgvuldige inrichting van gevel aan de straatzijde. In de nabijheid van de weg dienen voorgevels zich op de openbare ruimte te oriënteren. Bij grotere bedrijfsbebouwing met lange gevels dient deze te zijn voorzien van een visuele geleding. Bedrijfsbebouwing uitgevoerd met een onderbouw op een herkenbare en in verhouding uitgevoerde (gemetselde) plint. Bij renovatie of verbouwing het oorspronkelijke kleur- en materiaalgebruik behouden. Bij (vervangende) nieuwbouw toepassen van ingetogen kleur- en materiaalgebruik en afgestemd op het landschappelijke/natuurlijke karakter van de omgeving. Bedrijfsbebouwing in aardkleurig metselwerk, donker gepotdekseld hout of staalprofiel. Regulier damwandprofiel enkel uitgevoerd in een donkere kleur. Betonnen gevelplaten alleen toepassen in donkere kleur. Het dakvlak van woonbebouwing uitvoeren in donkere of rode dakpannen.

Het dakvlak van agrarische bedrijfsbebouwing uitvoeren in donkere kleur en met golfprofiel of damwandprofiel Toepassing van eigentijdse materiaal- en kleurgebruik is mogelijk mits ondergeschikt en met respect voor de oorspronkelijke of aanwezige karakteristieken uitgevoerd. Geen sterk contrasterende kleuren en materialen.

53

5. AFWIJKEN, HANDHAVING EN EXCESSEN 5.1. MOGELIJKHEDEN OM AF TE WIJKEN Afwijken van het advies Het college van burgemeester en wethouders volgt in hun oordeel in principe het advies van de commissie. Daarop zijn de volgende uitzonderingsmogelijkheden: Afwijken van het advies op inhoudelijke gronden Het college van burgemeester en wethouders kan op inhoudelijke grond afwijken van het advies van de commissie indien het college tot het oordeel komt dat de commissie de van toepassing zijnde criteria niet juist heeft geïnterpreteerd, of de commissie naar haar oordeel niet de juiste criteria heeft toegepast. Indien het college van burgemeester en wethouders op inhoudelijke grond afwijkt van het advies van de commissie wordt dit in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. Afwijken om andere redenen Het college van burgemeester en wethouders heeft de mogelijkheid om bij strijd van een bouwplan met redelijke eisen van welstand, toch de vergunning te verlenen indien het college van oordeel is dat daarvoor andere redenen zijn, bijvoorbeeld van economische of maatschappelijke aard of in het kader van de energietransitie.

54

Deze afwijking wordt in de beslissing op de aanvraag van de vergunning gemotiveerd. De commissie wordt hiervan op de hoogte gesteld. In Hulst zal het college van burgemeester en wethouders uiterst terughoudend zijn met het gebruik van deze mogelijkheid. Afwijken van de criteria Het kan voorkomen dat de gebiedsgerichte en de objectgerichte criteria ontoereikend zijn. Daarom kan het college van burgemeester en wethouders, na schriftelijk en gemotiveerd advies van de commissie, afwijken van deze criteria. In de praktijk betekent dit dat het betreffende plan alleen op grond van de algemene kwaliteitsprincipes wordt beoordeeld en dat de bijzondere schoonheid van het plan met deze principes wordt beargumenteerd. Daarbij geldt de stelregel: het is redelijk dat er hogere eisen worden gesteld aan de zeggingskracht en het architectonisch vakmanschap naarmate een bouwwerk zich sterker van zijn omgeving onderscheidt.

Ook wanneer een bouwwerk past binnen de gebiedsgerichte criteria, maar de kwaliteit zo onder de maat blijft dat het op den duur zijn omgeving negatief zal beïnvloeden, kan worden teruggegrepen op de algemene criteria. De commissie kan het college van burgemeester en wethouders in zo'n geval gemotiveerd en schriftelijk adviseren van de hardheidsclausule gebruik te maken en af te wijken van de gebiedsgerichte en objectgerichte criteria.

5.2. (HER)ONTWIKKELINGSPROJECTEN Deze nota Ruimtelijke Kwaliteit bevat geen criteria voor grotere ontwikkelingsprojecten die de bestaande ruimtelijke structuur en karakteristiek doorbreken. Daarbij gaat het om ontwikkelingen die veelal een nieuw bestemmingsplan nodig hebben, bijvoorbeeld het slopen van een bedrijventerrein om daar woningbouw mogelijk maken. Dan zijn ook nieuwe of aanvullende gebiedscriteria nodig. Nieuwe criteria zijn wenselijk als: • •

•

een ontwikkeling de bestaande fysieke structuur en karakteristiek doorbreekt; een ontwikkeling niet objectgericht is (dan volstaan de algemene welstandscriteria), maar van invloed is op een heel gebied; er sprake is van een stedenbouwkundig plan en veelal een nieuw bestemmingsplan.

Bij incidentele/individuele bouwplannen die vooral objectgericht zijn en toch afwijken van de bestaande karakteristiek volstaan de algemene welstandscriteria. Sloop en nieuwbouw van een pand wordt niet beschouwd als een (her)ontwikkelingsproject. Daarvoor worden de algemene criteria gebruikt waarmee afwijken van de bestaande context in samenspraak met de commissie plaatsvindt.

In de ontwikkelfase geldt, mits anders bepaald, het normale beoordelingsniveau. Na realisatie/oplevering vervalt het ontwikkelingsgerichte karakter. In de navolgende beheerfase voldoet het niveau zoals voor de vergelijkbare gebiedstypering in deze nota is opgenomen. Mogelijk vervalt daarmee een deel van de in de ontwikkelfase relevante criteria. Het beoordelingsniveau en de toepasbare criteria worden in het beeldkwaliteitplan of dergelijke aangegeven.

Procedure Zodra een (her)ontwikkelingsproject aan de orde is kan de gemeente een beeldkwaliteitplan, of een vergelijkbaar kader voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit, (laten) opstellen met een ontwikkelgericht karakter als sturingsinstrument voor de gewenste ruimtelijke kwaliteit. Een dergelijk kader kan naast criteria voor gebouwen ook uitgangspunten voor de inrichting van de openbare ruimte bevatten.

Inhoud De criteria voor de gebouwde omgeving in een beeldkwaliteitplan wordt bij voorkeur opgezet conform de indelingen van deze nota maar dient in ieder geval de volgende onderdelen te bevatten:

Het beeldkwaliteitplan of vergelijkbaar instrument wordt samen met het bestemmingsplan vastgesteld door de gemeenteraad, als uitbreiding van de nota Ruimtelijke Kwaliteit. Dit laatste om de commissie in staat te stellen de criteria als toetsingskader te gebruiken. Dat betekent dat in het raadsbesluit en in de inleiding van het beleidsdocument verwezen wordt naar artikel 12a van de Woningwet (na inwerkingtreden van de Omgevingswet artikel 4.19 van de Omgevingswet).

•

•

•

•

een duidelijke begrenzing van het plangebied waarop het beleid van toepassing is. De gemeente draagt zorg voor verwerking van het plangebied in de (digitale) welstandskaart; een korte gebiedsbeschrijving van de nieuw te verwachten situatie; het beleid, de te verwachten ontwikkelingen en het van toepassing zijnde welstandsniveau zoals beschreven in paragraaf 1.3 'Beoordelingsniveaus', inclusief argumentatie; de criteria.

55

5.3. HANDHAVING EN EXCESSENREGELING

In de welstandscriteria dient onderscheid gemaakt te worden in: plaatsing, massa en vorm, gevelkarakteristiek, kleur- en materiaalgebruik. •

•

•

•

56

Plaatsing: De positie van het gebouw/bouwwerk in relatie tot de belendingen, de stedenbouwkundige opzet en de publieke ruimte. Onderdelen: positie onderling, afstand onderling, plaatsing op kavel, bouwrichting, herhaling/ritmiek. Massa en vorm: In de ruimtelijke verschijningsvorm is de massa en de vorm van het gebouw het intermediair tussen stedenbouwkundige en architectonische beeldaspecten. Onderdelen: opbouw en hoogte hoofdmassa, profiel ruimte, samenstelling massa, kapvorm en –richting, relatieve omvang, vormbehandeling. Gevelkarakteristiek: De architectuurstijl in algemene zin en de uitwerking op gevelniveau. Onderdelen: geveloriëntatie, -indeling, -geleding, plasticiteit, gaafheid / oorspronkelijkheid, decoraties en ornamenten. Kleur en materiaal: De helderheid en variaties van de kleurtoepassingen en het materiaalgebruik. Kleur en materiaal zijn zeer beeldbepalend voor de verschijningsvorm van een gebouw, straat en/of gebied. Onderdelen: materiaalgebruik, kleurtoon en -toepassing.

Handhaving De gemeente geeft met deze nota regels voor het welstandstoezicht en zal zich ook inspannen voor de naleving daarvan. Als voor een vergunningplichtig bouwwerk geen omgevingsvergunning is aangevraagd, dan wel het bouwwerk na realisering afwijkt van de tekeningen waarop de omgevingsvergunning is afgegeven, krijgt de eigenaar de gelegenheid om (alsnog of opnieuw) een vergunning aan te vragen voor het gerealiseerde bouwwerk. Als deze omgevingsvergunning moet worden geweigerd vanwege een negatief advies van de commissie, dan zal de eigenaar de situatie moeten veranderen. Excessen Volgens artikel 12, lid 1 van de Woningwet (Ww) (na inwerkingtreden van de Omgevingswet artikel 22.7 van de bruidsschat voor het omgevingsplan (artikel 7.1 Invoeringsbesluit Omgevingswet)) mag een bestaand bouwwerk niet in ernstige mate in strijd zijn met redelijke eisen van welstand, beoordeeld naar de criteria zoals opgenomen in deze welstandsnota. Als er sprake is van in ernstige mate strijd met redelijke eisen van welstand is er sprake van een exces.

De gemeente Hulst hanteert bij het toepassen van deze excessenregeling het criterium dat bij een bouwwerk of deel daarvan sprake moet zijn van onmiskenbare strijdigheid met de in deze nota opgenomen criteria, en/of een buitensporigheid in het uiterlijk die ook voor nietdeskundigen duidelijk is en die afbreuk doet aan de ruimtelijke kwaliteit van een gebied. Naarmate de zichtbaarheid (vanuit het openbare gebied) groter is, of er meer hinder is voor de omgeving, zal eerder sprake zijn van een exces. Er ligt een hogere prioriteit bij het voorkomen van excessen in kwetsbare gebieden zoals gebieden met een bijzonder welstandsniveau en objecten zoals bij, of in de directe omgeving van monumenten of andere cultuurhistorisch waardevolle gebouwen. Met de komst van de Omgevingswet wordt de excessenregeling onderdeel van het gemeentelijke omgevingsplan. In het nieuwe omgevingsplan kan een specifieke zorgplicht met een mogelijkheid voor een maatwerkvoorschrift worden opgenomen.

Een exces heeft vaak betrekking op: •

•

•

•

•

•

het visueel of fysiek afsluiten van een bouwwerk voor zijn omgeving, zoals bijvoorbeeld het afdichten van gevelopeningen of het plaatsen van een ondoorzichtige erfafscheiding op locaties die juist om openheid vragen; het beplakken / dichtplakken van ruiten met folie, reclames met plakletters, etsglas etc. bij bedrijven en winkels, die zich juist naar de openbare ruimte dienen te presenteren met een optimale transparantie; het ontkennen of vernietigen van architectonische bijzonderheden bij aanpassing van een bouwwerk. Waaronder ook aantasting van de kenmerkende hoofdvorm van karakteristieke bebouwing zoals de Hallehuisboerderijen. armoedig materiaalgebruik bij erfafscheidingen, bijgebouwen en overkappingen die zichtbaar zijn vanuit de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaal zijn rietmatten, beddenspiralen, oude deuren, golfplaten, zeildoek; armoedig materiaalgebruik bij gevelbekleding die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte. Voorbeelden van armoedig materiaal zijn kunststof schroten en industriële beplating; een overdaad aan overbodige (technische) installaties die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte;

• •

•

•

toepassing van felle of contrasterende kleuren op gevels die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte; te opdringerige reclames die zichtbaar zijn vanaf de openbare ruimte, zoals te dominant aanwezige bewegende en/of lichtgevende reclames; verloedering en verwaarlozing door achterstallig onderhoud door; o gedeeltelijke afbraak, instorting of verwaarlozing van een gebouw of bouwwerk; o een gebouw dat aan de buitenzijde geheel of voor een groot deel is beschadigd (bijvoorbeeld kapotte ruiten, scheurvorming in muren, instortende dakdelen/ontbrekende pannen, ontbrekende of rottende kozijnen en dakgoten, afbladdering van verflagen etc.) een te grove inbreuk op wat in de omgeving gebruikelijk is (zie daarvoor de gebiedsgerichte welstandscriteria).

57

BIJLAGE 1: BEGRIPPEN A Aanbouwen een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht). Achtererfgebied erf achter de lijn die het hoofdgebouw doorkruist op 1 meter achter de voorkant en van daaruit evenwijdig loopt met het aangrenzend openbaar toegankelijk gebied, zonder het hoofdgebouw opnieuw te doorkruisen of in het erf achter het hoofdgebouw te komen (Definitie Besluit omgevingsrecht) Afdak dak dat is aangebracht tegen een muur of gebouw om tegen neerslag te beschermen. Antenne-installatie installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een of meer techniekkasten opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie.

B Band horizontale versiering in de gevel in afwijkend materiaal, meestal natuursteen of baksteen. Bebouwing één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde.

58

Bedrijfsbebouwing gebouwen ten behoeve van bedrijven zoals hallen, werkplaatsen en loodsen; hebben meestal een utilitair karakter. Beschermd monument Rijks-, gemeentelijk of provinciaal monument, aangewezen en beschermd op grond van resp. de Monumentenwet 1988, gemeentelijke Erfgoedverordening of de Provinciale monumentenverordening. Bestemmingsplan bestemmingsplan, provinciaal inpassingsplan of rijksinpassingsplan als bedoeld in de Wet ruimtelijke ordening dat van toepassing is op de plaats waar de activiteit wordt of zal worden verricht en de krachtens dat plan gestelde nadere eisen. Bevoegd gezag bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een aanvraag om een omgevingsvergunning of ten aanzien van een al verleende omgevingsvergunning. Bijbehorend bouwwerk functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw of ander bouwwerk met een dak. (Definitie Besluit omgevingsrecht) Bijgebouw een op zichzelf staand gebouw dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en door ligging, constructie en/of afmetingen daaraan ondergeschikt is. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht).

Blinde muur of gevel gevel of muur zonder raam, deur of andere opening. Boeiboord opstaande kant van een dakgoot of dakrand, meestal uitgevoerd in hout of plaatmateriaal. Boerderij gebouw of gebouwen op een erf met een (oorspronkelijk) agrarische functie en het daarbij horende woonhuis waaronder de hallehuisboerderijen en andere typen. Bouwblok een aan alle zijden door straten en wegen begrensde groep gebouwen, die een stedenbouwkundige eenheid vormt. Bouwen plaatsen, geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen, veranderen of vergroten. Bouwlaag verdieping van een gebouw. Een gedeelte van een gebouw, dat door op gelijke of nagenoeg gelijke hoogte liggende vloeren of balken is begrensd. Bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. Buitengebied buiten de bebouwde kom gelegen gebied, ook wel landelijk gebied genoemd. Bungalow meestal vrijstaande woning waarvan alle vertrekken op de begane grond zijn gesitueerd.

C Carport een bouwwerk, al dan niet aangebouwd aan een gebouw of ander bouwwerk en een van boven afgesloten c.q. afgedekte ruimte van een open constructie met maximaal één wand, bedoeld voor de stalling van motorvoertuigen.

D Dak afdekking van een gebouw, vlak of hellend, waarop dakbedekking is aangebracht . Dakhelling de hoek van het dak ten opzichte van een horizontale vlak. Dakkapel uitbouw op een hellend dakvlak . Daknok hoogste punt van een schuin dak. Dakopbouw een toevoeging aan de bouwmassa door het verhogen van de nok van het dak, die het silhouet van het oorspronkelijke dak verandert. Dakraam raam in een hellend dak. Dakvoet laagste punt van een schuin dak. Detail ontmoeting van verschillende bouwdelen zoals gevel en dak of gevel en raam.

E Ensemble architectonisch en stedenbouwkundig compositorisch geheel van meerdere panden.

Erf al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden. Erker een al dan niet tot de vloer uitgebouwde toevoeging aan de gevel van een gebouw .

F Flat groot kantoor- of woongebouw met meerdere verdiepingen.

G Galerij gang aan de buitenkant van een (flat)gebouw die toegang verschaft tot de afzonderlijke woningen. Gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt. Geleding verticale of horizontale indeling van de gevel door middel van inspringingen. Gepotdekseld gedeeltelijk over elkaar gespijkerde planken om inwatering tegen te gaan. Gevel buitenmuur van een gebouw (afhankelijk van de plaats de voor-, zij- of achtergevel).

H Hoekkeper de snijlijn van twee aangrenzende dakschilden die elkaar onder een uitspringende hoek snijden, hetgeen onder andere het geval is bij bv. schildaken en stolpdaken. Hoofdgebouw een gebouw, of een gedeelte daarvan, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. Hoogbouw gebouwen van meer dan vier lagen.

I Individueel gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw.

K Kavel grondstuk, kadastrale eenheid. Karakteristiek pand pand dat van waarde is op grond van de uitwendige hoofdvorm, bepaald door dakvorm, goothoogte, nokhoogte, nokrichting, dakhelling, gevelindeling en karakteristieke elementen. Karakteristieke elementen elementen aan een pand zoals windveren, makelaars, raamluiken, pannenspiegel (stolpboerderij), schoorsteen, dakkapel, kroonlijst, dakgoot, typerende detaillering van hout- en metselwerk. Keper zie hoekkeper Kern centrum van een dorp of stad.

59

Klossen uit de muur stekende houten of gemetselde blokjes ter ondersteuning van uitstekende onderdelen van een gebouw zoals dakgoten. Kop in het algemeen gebruikt om de smalle kant van een rechthoekige vorm aan te duiden, bijvoorbeeld bij een gebouw.

L Laag zie bouwlaag. Laagbouw gebouwen van één tot drie lagen. Landelijk gebied zie buitengebied. Latei draagbalk boven gevelopening. Lessenaarsdak dak met één hellend, niet onderbroken, dakvlak. Lichtkoepel raamconstructie in een plat dak, in de vorm van een koepel. Lijst een al dan niet versierde en geprofileerde rand als bekroning van de bovenzijde van een gevel. Lint langgerekte weg met daarlangs bebouwing. Luifel een plat uitgebouwd afdak, vaak boven een deur.

M Maaiveld bovenzijde van het terrein dat een bouwwerk omgeeft, de grens tussen grond en lucht Mansardekap dakvorm waarbij het onderste deel van het dak steiler is dan het bovenste deel waardoor een geknikte vorm ontstaat. Massa volume van een gebouw of bouwdeel. Metselverband het zichtbare patroon van metselwerk. 60

N Nok horizontale snijlijn van twee dakvlakken, de hoogste lijn van het dak.

O Omgevingsvergunning vergunning als bedoeld in artikel 2.1 of 2.2 van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. Onderbouw het onderdeel van een gebouw; heeft meestal betrekking op de begane grond van een gebouw. Ondergeschikt voert niet de boventoon. Ontsluiting de toegang tot een terrein of een gebouw. Oorspronkelijk gebouw het hoofdgebouw zoals dat ten tijde van de afronding van de bouwwerkzaamheden, overeenkomstig de voor het hoofdgebouw verleende vergunning, is opgeleverd. Als aan de hand van een originele vergunning niet meer is vast te stellen wat als oorspronkelijk hoofdgebouw kan worden aangemerkt, zal in de praktijk veelal aan de hand van de historische kenmerken van het hoofdgebouw (bijvoorbeeld steenkleur, voegwerk of andere detailleringen) bepaald kunnen worden wat de oorspronkelijke omvang was van het gebouw en welke gevels ‘oorspronkelijk’ zijn. Als dat ook verder geen uitkomst biedt zal het gehele hoofdgebouw (met uitzondering van de bouwkundig en functioneel ondergeschikte aangebouwde onderdelen) aangemerkt moeten worden als oorspronkelijk hoofdgebouw.

Openbaar toegankelijk gebied weg als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994, alsmede pleinen, parken, plantsoenen, vaarwater en ander openbaar gebied dat voor publiek algemeen toegankelijk is, met uitzondering van wegen uitsluitend bedoeld voor de ontsluiting van percelen door langzaam verkeer. Oriëntatie de richting van een gebouw. Overkapping een bouwwerk van één bouwlaag dat dient ter overdekking en niet of slechts gedeeltelijk met wanden is omgeven. Overstek bouwdeel dat vooruitsteekt ten opzichte van het eronder gelegen deel.

P Paneel rechthoekig vlak, geplaatst in een omlijsting Plaatmateriaal bouwmateriaal dat in plaatvorm. geleverd wordt, zoals hout (triplex en multiplex), kunststof (onder andere trespa) of staal (vlak of met profiel). Planmatige bebouwing groep gebouwen herkenbaar uitgevoerd volgens een vooraf opgesteld plan. Plint een duidelijk te onderscheiden horizontale lijn aan de onderzijde van een gebouw. Portiek gemeenschappelijk trappenhuis. Piramidedak dak bestaande uit vier gelijk hellende vlakken die elkaar bovenaan in een punt ontmoeten.

R

T

W

Rabatdelen planken met duidelijk duidelijke groeven. Renovatie vernieuwing van een gebouw. Rijtjeshuis huis als onderdeel van een reeks aaneengebouwde, gelijkende woningen. Rollaag horizontale rij stenen boven een gevelopening of aan de bovenzijde van een gemetselde wand. Rooilijn de lijn/grens waarachter bebouwing is toegestaan

Textuur de voelbare structuur van een materiaal (bij metselwerk dus de oneffenheden van de steen en het voegwerk).

Windveer plank aan weerskanten van een pannendak, bevestigd langs de buitenste rij pannen. Woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden.

S Serre voornamelijk uit glas (gevat in ijzer, hout of kunststof) bestaande uitbouw aan een woonhuis, die via deuren in directe verbinding met de tuin staat. Schilddak dak met vier hellende vlakken waarvan twee grote en twee kleine vlakken. Schuur bijgebouw ten behoeve van opslag. Situering de plaats van een bouwwerk in zijn omgeving. Solitair gebouw zelfstandig, op zichzelf staand gebouw (kan geschakeld).

U Uitbouw een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw. Ook wel 'bijbehorend bouwwerk' genoemd (Besluit omgevingsrecht).

Z Zadeldak dak met twee tegenoverliggende dakvlakken die bij de nok samenkomen. Zijgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de zijgevel van een bouwwerk.

V Voorgevellijn denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een bouwwerk. Voorgevelrooilijn als bedoeld in het bestemmingsplan, de beheersverordening dan wel de gemeentelijke bouwverordening. Voorerfgebied erf dat geen onderdeel is van het achtererfgebied. (Definitie Besluit omgevingsrecht)

61

BIJLAGE 2: OVERZICHTSKAART Een overzichtskaart met alle gebieden voor het gehele grondgebied inclusief de beoordelingsniveaus, zoals deze behoort bij deze nota Ruimtelijke Kwaliteit. De begrenzingen van de welstandsgebieden zijn gebaseerd op kadastrale grenzen en topografische kenmerken zoals straten, waterlopen en andere fysieke structuren. Bij twijfel over de begrenzingen zal de gemeente, dan wel de gemeentelijke adviescommissie, bepalen welk gebiedstypering van toepassing is.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/11576722/1