CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Integraal Huisvestingsplan (IHP) Hulst d.d 1 juli 2025

Gemeenteraad 18 september 2025, gemeente HulstBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststellen Integraal Huisvestingsplan Onderwijs 2025-204017.221 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

1 alinea's met “sluiting”: 835

Momenteel wordt een deel van deze ruimte, namelijk 90 m² bvo, verhuurd aan de kinderopvangpartner. De Quickscan-methodiek adviseert om voor het bouwdeel uit 1951 rekening te houden met een voorziening binnen 5 tot 10 jaar en voor het bouwdeel uit 2014 na 20 jaar.

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

6 St. Willibrordus

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044

60,5 1951 1.533 90

230 230 227 231 238 233 225 1.357 1.357 1.341 1.362 1.399 1.373 1.331 266 266 282 261 224 250 292 176 176 192 171 134 160 202

Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

Scenario binnen IHP Binnen de looptijd van dit IHP wordt rekening gehouden met een voorziening voor het bouwdeel uit 1951. Vooralsnog wordt uitgegaan van termijn 2 (4 – 8jaar), welke mede

Pagina 19 van 38

afhankelijk is van de woningbouwontwikkelingen rondom Groote Kreek II. Voor het vernieuwbouwdeel uit 2014 is binnen dit IHP geen huisvestingsvraagstuk. 5.2.1.4 Speciaal basisonderwijs SBO De Brug is een school voor speciaal basisonderwijs en is net buiten de poort van Hulst gehuisvest. Het speciaal basisonderwijsonderwijs heeft een regionale functie en daarmee een groot verzorgingsgebied. Het gebouw is in 1952 gerealiseerd. Als gevolg van het werken aan naar meer inclusief onderwijs (meer kinderen thuisnabij passend onderwijs) en het daarvoor verbreden van de basisondersteuning bij de reguliere scholen, zullen er op termijn geen SBO-scholen in Zeeuws-Vlaanderen zijn. Voor het speciaal basisonderwijs is om deze reden in dit IHP geen scenario uitgewerkt.

5.2.2 Kloosterzande, Vogelwaarde, Graauw en Lamswaarde In de kernen aan de noordzijde van Hulst zijn vier basisscholen gevestigd, Kindcentrum ’t Getij in Kloosterzande, Kindcentrum de Oostvogel in Lamswaarde, Kindcentrum de Schakel in Vogelwaarde en Kindcentrum ter Doest in Graauw. 5.2.2.1 Kloosterzande In Kloosterzande is één school aanwezig, namelijk Kindcentrum ’t Getij. De school kenmerkt zich als een stabiele en relatief grote school voor de omgeving. Het gebouw is in 1982 gerealiseerd. In 2013 is het gebouw uitgebreid en intern verbouwd, maar Elevantio geeft aan dat het onderwijskundig een lastig gebouw blijft. Normatief gezien heeft de school een groot overschot. Door de afname in de leerlingenprognose loopt dit overschot verder toe. Een deel van deze ruimte wordt momenteel verhuurt aan de kinderopvang, 210 m2. De Quickscan-methodiek adviseert om rekening te houden met een voorziening binnen 5 tot 10 jaar. Vanwege het asbest dak is een investering op korte termijn echter noodzakelijk. 13 t Getij

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

60,0 1982 1.760 260

Referentie: 1734801-0106.1.1.

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044 Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

241 246 255 239 199 196 203 1.412 1.437 1.481 1.402 1.201 1.186 1.221 608 583 539 618 819 834 799 348 323 279 358 559 574 539

Scenario binnen IHP Op basis van de omvangrijke opgave in termijn 2 en opgave rondom het asbest, wordt geadviseerd om deze school naar voren te trekken. Het IHP gaat daarom uit van een huisvestingsvoorziening voor ‘t Getij in termijn 1 (0 – 4 jaar). 5.2.2.2 Lamswaarde In Lamswaarde is één school aanwezig, namelijk Kindcentrum de Oostvogel. Het gebouw van de Oostvogel is gebouwd in 1978. De school is aan de binnenzijde gerenoveerd en voldoet daarmee aan de onderwijsvisie van de school. Volgens de prognose van de gemeente daalt het leerlingenaantal van Kindcentrum de Oostvogel in de aankomende jaren. Deze daling is niet herkenbaar voor schoolbestuur Elevantio. Verwachting van Elevantio is dat met door sluiting van basisschool het Vogelnest het aantal leerlingen in de toekomst juist toeneemt. Normatief gezien heeft de basisschool een overschot aan ruimte. Deze ruimte wordt (deels) verhuurd aan de kinderopvangpartner, 60 m2 bvo. Ondanks dat de school aan de binnenzijde is gerenoveerd, bestaat er technisch gezien nog uitdagingen. De Quickscan-methodiek adviseert rekening te houden met een huisvestingsvoorziening binnen 5 – 10 jaar. De voorkeur van het schoolbestuur Elevantio gaat daarbij uit naar een renovatie en duurzaamheidsslag. 11 De Oostvogel

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

61,0 1978 604 60

Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044 55 477 187 127

55 477 187 127

54 470 194 134

51 458 206 146

49 445 219 159

46 433 231 171

45 426 238 178

Scenario binnen IHP Voor Kindcentrum de Oostvogel wordt binnen het IHP rekening gehouden met een voorziening in termijn 2 (4 – 8 jaar). 5.2.2.3 Vogelwaarde In Vogelwaarde is één school aanwezig, Kindcentrum de Schakel. Het gebouw van het kindcentrum is gebouwd in 2004, wat het een relatief nieuwe school maakt.

Pagina 20 van 38

De indeling van het gebouw is klassikaal opgebouwd en mist leerpleinen. Hierdoor voldoet het gebouw niet aan de onderwijsvisie van de school. De basisschool heeft normatief een groot overschot, wat in de toekomst verder oploopt. De overmaat wordt momenteel ingezet voor onderwijs en (deels) verhuurd aan de kinderopvangpartner, 60 m2 bvo. De Quickscan-methodiek adviseert rekening te houden met een voorziening voor de Schakel binnen 10 – 20 jaar. 9 De Schakel

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

68,0 2004 1.263 60

Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

124 828 495 435

123 823 500 440

114 776 547 487

109 750 573 513

106 735 588 528

100 709 614 554

101 714 609 549

5.2.2.4 Graauw In Graauw is één school aanwezig. Kindcentrum ter Doest vormt een tandem met basisschool Sint-Bernardus in Clinge en basisschool Sint-Jozef in Nieuw-Namen. Het gebouw is in 2003 gerealiseerd. Volgens de prognoses blijft het leerlingaantal van Kindcentrum ter Doest in de aankomende jaren stabiel. De basisschool heeft normatief een overschot aan ruimte. Momenteel wordt een deel van deze ruimte, namelijk 90 m² bvo, verhuurd aan de kinderopvangpartner. De Quickscan-methodiek adviseert om voor Kindcentrum ter Doest rekening te houden met een voorziening binnen 10 – 20 jaar. 3 Ter Doest

65,0 2003 699 90

Referentie: 1734801-0106.1.1.

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044 Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

5.2.3 Sint Jansteen, Clinge, Heikant en Nieuw Namen In de zuidelijk gelegen kernen (grenzend aan Hulst en de Belgische grens) zijn vier scholen gelegen, Kindcentrum Inghelosenberghe in Sint Jansteen, Kindcentrum Heidepoort in Heikant, Kindcentrum Sint Bernardus in Clinge en Kindcentrum Sint Jozef in Nieuw Namen.

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044

Scenario binnen IHP Op basis van het bouwjaar en de score van de Quickscan wordt er in dit IHP rekening gehouden met een huisvestingsvoorziening voor de Schakel in termijn 4 (12 – 16 jaar).

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

Scenario binnen IHP In het IHP wordt rekening gehouden met een huisvestingsvoorziening voor Kindcentrum Ter Doest in termijn 3 (8 – 12 jaar)

60 502 287 197

63 517 272 182

61 507 282 192

60 502 287 197

60 502 287 197

59 497 292 202

58 491 298 208

5.2.3.1 Sint Jansteen In Sint Jansteen is één school aanwezig: Kindcentrum Inghelosenberghe. Het gebouw gebouwd in 2022. Volgens de prognoses blijft het leerlingaantal van Kindcentrum Inghelosenberghe in de aankomende jaren nagenoeg stabiel. De school heeft normatief een overschot aan ruimte. Er is geen kinderopvangpartner gehuisvest in het gebouw. De Quickscan-methodiek adviseert rekening te houden met een voorziening na 20 jaar of langer. 2 Inghelosenberghe

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

83,0 2022 1.409 10

Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044 208 218 208 208 216 205 190 1.246 1.298 1.246 1.246 1.289 1.232 1.157 173 121 173 173 130 187 262 163 111 163 163 120 177 252

Scenario binnen IHP Binnen het IHP is er voor Kindcentrum Inghelosenberghe geen huisvestingsvraagstuk. 5.2.3.2 Heikant In Heikant is één school aanwezig, Kindcentrum Heidepoort. Het gebouw van Kindcentrum Heidepoort is gebouwd in 1963. De binnenzijde van het gebouw is in 2020 verbouwd.

Pagina 21 van 38

Tijdens de verbouwing in 2020 zijn leerpleinen gerealiseerd en is de school voorzien van een nieuw inbouwpakket. Het gebouw past daarmee bij de onderwijsvisie van de school. Normatief gezien heeft de school een overschot. De overmaat wordt momenteel ingezet voor onderwijs en (deels) verhuurd aan de kinderopvangpartner, 60 m2 bvo. De Quickscan-methodiek adviseert rekening te houden met een voorziening voor de Schakel binnen 10 – 20 jaar. 5 Heidepoort

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

65,5 1963 808 120

Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044 71 561 367 247

72 568 360 240

70 555 373 253

70 555 373 253

65 529 399 279

62 517 411 291

60 505 423 303

Scenario binnen IHP Het IHP gaat uit van een huisvestingsvoorziening voor Kindcentrum Heidepoort in termijn 4 (12 – 16 jaar). 5.2.3.3 Clinge In Clinge waarde is één school aanwezig, Kindcentrum Sint Bernardus. De school vormt een tandem met Kindcentrum ter Doest in Graauw en Kindcentrum Sint-Jozef in Nieuw-Namen. Het gebouw is gebouwd in 2001. Normatief gezien heeft de school een overschot. De overmaat wordt momenteel ingezet voor onderwijs en (deels) verhuurd aan de kinderopvangpartner, 87 m2 bvo. In het verleden is een deel van het gebouw afgestoten naar de gemeente. Momenteel is in dit deel een huisartsenpraktijk gevestigd. De Quickscan-methodiek adviseert rekening te houden met een voorziening voor de Schakel binnen 10 – 20 jaar. 1 St. Bernardus

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

65,0 2001 985 87

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

Scenario binnen IHP In het IHP wordt rekening gehouden met een huisvestingsvoorziening voor Kindcentrum Sint Bernardus in termijn 3 (8 – 12 jaar). 5.2.3.4 Nieuw-Namen In Nieuw-Namen is één school aanwezig, namelijk Kindcentrum Sint Jozef. Samen met Kindcentrum ter Doest in Graauw en Kindcentrum Sint-Bernardus in Clinge vormt het Sint Jozef een Tandemschool. Het gebouw is gebouwd in 1981. Hoewel er in Nieuw-Namen sprake is van weglek van leerlingen naar België, blijft het leerlingenaantal in de leerlingenprognose van xxllnc. Sociaal (2024) de aankomende jaren stabiel. Momenteel is er weinig instroom van nieuwe leerlingen en is er sprake van een kleine onderbouw (4-7-jarigen). Voor Sint Jozef is, in samenwerking met Elevantio, de gemeente Hulst en de gemeente Beveren-Kruibeke-Zwijndrecht (België) een onderzoek opgestart. De basisschool heeft normatief een overschot aan ruimte. De overmaat wordt momenteel ingezet voor onderwijs en wordt een deel van deze ruimte, namelijk 60 m² bvo, verhuurd aan de kinderopvangpartner. De Quickscan-methodiek adviseert rekening te houden met een voorziening binnen 5 – 10 jaar. 4 St Jozef

QuickScan Bouwjaar bvo Onderwijs [m2] bvo Opvang [m2]

60,0 1981 560 70

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044 Leerlingenprognose Ruimtebehoefte Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs [m2] Tekort/overschot Onderwijs & Opvang [m2]

34 374 256 186

34 374 256 186

29 350 280 210

31 360 270 200

31 360 270 200

32 365 265 195

32 365 265 195

Scenario binnen IHP Voor Kindcentrum Sint Jozef wordt binnen het IHP rekening gehouden met een voorziening in termijn 2 (4 – 8 jaar).

2025 2026 2028 2030 2035 2040 2044 87 639 433 346

88 645 427 340

88 645 427 340

86 634 438 351

86 634 438 351

86 634 438 351

86 634 438 351

Pagina 22 van 38

5.3. Programmering IHP Hulst In de vorige paragrafen is per kern/deelgebied omschreven welke maatregelen noodzakelijk zijn om het scholenlandschap in Hulst toekomstbestendig te maken. De benoemde projecten zijn in het onderstaande figuur geprioriteerd en in tijd uitgezet. Naast projecten en onderzoeken dient in elke termijn rekening gehouden te worden met de actualisatie van het IHP. Tabel 5: Programmering IHP Hulst

P la nning S c ho o lna a m / pro je c t

IH P M a a t re ge l

KC kern Hulst No o rd (No belho rst, M o erschans en De Wereldbo o m)

Haalbaarheidso nderzo ek

KC 't Getij

Haalbaarheidso nderzo ek

No belho rst

Huisvestingsvo o rziening

t Getij

Huisvestingsvo o rziening

Int e gra a l huis v e s t ings pla n

A ctualisatie IHP

M o erschans

Huisvestingsvo o rziening

St Jo zef

Huisvestingsvo o rziening

St. Willibro rdus (bo uwdeel 1951)

Huisvestingsvo o rziening

De Wereldbo o m (Reynaert)

Huisvestingsvo o rziening

De Oo stvo gel

Huisvestingsvo o rziening

Int e gra a l huis v e s t ings pla n

A ctualisatie IHP

St. B ernardus

Huisvestingsvo o rziening

Ter Do est

Huisvestingsvo o rziening

Int e gra a l huis v e s t ings pla n

A ctualisatie IHP

Heidepo o rt

Huisvestingsvo o rziening

De Schakel

Huisvestingsvo o rziening

Int e gra a l huis v e s t ings pla n

A ctualisatie IHP

Referentie: 1734801-0106.1.1.

T e rm ijn 1

T e rm ijn 2

T e rm ijn 3

T e rm ijn 4

2025 - 2028

2029 - 2032

2033 - 2036

2037 - 2040

Pagina 23 van 38

6. Financiële vertaling

•

De in hoofdstuk 5 gepresenteerde scenario’s voor het primair onderwijs worden in dit hoofdstuk voorzien van een financieel kader. Er wordt eerst ingegaan op het kwaliteitsniveau en de kostenverdeling, waarna de randvoorwaarden worden benoemd en tot slot de investeringskosten worden uitgewerkt.

• •

Duurzaam bouwen (circulair): beperkte aanvulling om het schoolgebouw meer circulair te realiseren, o.a. door inzet van groenbeton. Exploitatiegericht bouwen: toepassen van onderhoudsarme vloer- en wandafwerking en aluminium kozijnen om hoge exploitatiekosten te voorkomen. Vergroten zichtlijnen (binnen) zorgt voor extra transparantie voor o.a. kinderopvang en onderwijs en verplaatsbare paneelwanden voor interne flexibiliteit passend bij het onderwijsconcept.

6.1. IHP-kwaliteit Passend bij de ambitie (bouwstenen) en argumenten is onderstaande IHP-kwaliteit bepaald (zie bijlage II: Energieprestaties voor een uitgebreidere toelichting op energieprestaties en kwaliteitsniveau): Basiskwaliteit Onderstaand kwaliteitsniveau wordt per project minimaal nagestreefd: • Wettelijk minimum: Besluit bouwwerken leefomgeving (Bbl - voorheen Bouwbesluit), inclusief BENG. • Gevelbeeld niveau welstand: toeslag om een bouwbesluit school ingepast te krijgen binnen de bestaande omgeving, waarbij rekening is gehouden met minimale eisen vanuit Welstand • Frisse Scholen: Dit betreft een optimale prijs-kwaliteitverhouding voor onderdelen zoals ventilatiecapaciteit, lichtinval, akoestiek en temperatuur (kwaliteitsadvies HEVO: onderdeel kengetal kostenconfigurator). Dit betreft in wezen de impact van het gebouw op de gezondheid (conform bijlage III: Kwaliteitsadvies Frisse Scholen). Let wel, de aanvullende kosten voor Energieneutraal (ENG) zijn hier niet in meegenomen. Dit is wel het advies van HEVO (zie aanvullende kwaliteit). Aanvullende kwaliteit Onderstaande aanvullende kosten worden per project overwogen en zijn (vooralsnog) geen onderdeel van IHP-kwaliteit. Bij aanvang van het project overwegen gemeente en schoolbestuur of hierin wordt voorzien.

Onderstaande opsomming is onuitputtelijk, de genoemde onderdelen komen voort uit de kostenconfigurator (keuzemenu). • Aanvullende kosten Energieneutraal (ENG) schoolgebouw (zie bijlage II: Energieprestaties voor een uitgebreidere toelichting op energieprestaties) • Toekomstbestendig en flexibel gebouw: door uit te gaan van niet-dragende wanden (herindeelbaar gebouw) en ventilatie in verkeersruimten toe te passen zodat ruimtelijke- en functiewijzingen gedaan kunnen worden.

Referentie: 1734801-0106.1.1.

6.2. Verdeling kwaliteit Gemeenten zijn verantwoordelijk voor de voorziening huisvesting, zoals nieuwbouw en uitbreiding van scholen. Dit moet de gemeente bekostigen uit het gemeentefonds, waarin het rijk een vergoeding stort. Vanuit de VNG wordt geadviseerd welk normbedrag gekoppeld kan worden aan de benodigde voorziening. Dit bedrag wordt jaarlijks geïndexeerd en stelt geen eisen aan het kwaliteitsniveau. In het IHP wordt benoemd welke basiskwaliteit wordt nagestreefd en welke gedeelte door de gemeente wordt gefinancierd. Hiermee wordt voorkomen dat grote verschillen in kwaliteit tussen de verschillende scholen ontstaat. Tijdens het opstellen van het IHP heeft de gemeente Hulst de uitgesproken om uitsluitend te voorzien in de beschreven basiskwaliteit. Daarbij heeft het schoolbestuur uitgesproken om te kijken naar hun financiële mogelijkheden om een bijdrage te leveren voor de genoemde aanvullende kwaliteit. Daarbij zal het schoolbestuur gebruik maken vanuit de principes van Total Cost of Ownership (TCO). Hierbij maakt het schoolbestuur gebruik van de vergoeding voor materiële instandhouding (mivergoeding) die zij ontvangen van het rijk.

De aanvullende kwaliteit wordt bijvoorbeeld gefinancierd vanuit een verwacht exploitatievoordeel (op energiekosten) gedurende een deel van de levensduur van het gebouw en een besparing op onderhoud aan het bestaande gebouw voorafgaand aan een nieuwbouwopgave (besparing op investeringen in de lopende meerjarenonderhoudsplanning). Het schoolbestuur geeft aan dat zij aan de voorkant voorzichtig zijn in het toezeggen van bijdragen aan TCO. Daarvoor zijn de volgende argumenten benoemd: • De onzekerheid over het overheidsbeleid ten aanzien van de vergoeding voor materiële instandhouding.

Pagina 24 van 38

• •

De hoogte van de onderhoudskosten voor ENG-gebouwen is nog onvoldoende gebenchmarkt en de netcongestie zorgt voor extra kosten, zoals een accu pakket. In de huidige situatie is, in het primair onderwijs, nog sprake van een investeringsverbod. Ook als de verwachte wijziging van de wet op dit onderdeel wordt doorgevoerd, mogen schoolbesturen alleen onder strikte voorwaarden investeren in onderwijshuisvesting.

In de volgende paragraaf is weergegeven welke investeringskosten tot de basiskwaliteit horen en daarmee voor rekening van de gemeente komen (exclusief bijkomende kosten). Daarvoor heeft de gemeente de basiskwaliteit voor onderwijshuisvesting gedefinieerd en gewaarborgd. Het betreffen die onderdelen die essentieel zijn voor een goed schoolgebouw en daarom niet afhankelijk dienen te zijn van een bijdrage van een schoolbestuur. Het schoolbestuur kan ervoor kiezen bij te dragen aan aanvullende kwaliteit. Het schoolbestuur wil in de haalbaarheidsonderzoeken (businesscases) onderzoeken hoe de stap van BENG naar ENG gefinancierd kan worden: energieneutraliteit. Recente ontwikkelingen maken dat dit niet langer vanzelfsprekend is door o.a. netcongestie, onzekerheid omtrent de salderingsregeling en terughoudendheid van het schoolbestuur door hogere onderhoudskosten bij ENG installaties.

Aantal leerlingen Uitgangspunt bouwlagen Normatief Bruto vloeroppervlak (m2) Onderdeel Bouwbesluit + BENG Gevelbeeld niveau welstand Frisse Scholen kwaliteitsadvies HEVO (excl ENG) Totaal Aanvullende kosten ENG Toekomstbestendig en flexibel gebouw Tabel 6: Kostenkengetal nieuwbouw voor PO.

Referentie: 1734801-0106.1.1.

€ € € € € €

Primair Onderwijs 200 300 1 2 1206 1709

400 2 2212

IHP kwaliteit (basis) Kosten per vierk ante meter 3.312 € 3.125 € 2.835 € 2.786 108 € 96 € 103 € 97 309 € 295 € 273 € 268 3.729 € 3.516 € 3.211 € 3.151 131 € 130 € 109 € 107 175 € 173 € 173 € 173

6.4. Financiële uitgangspunten De overzichten op de volgende pagina’s tonen de investeringskosten. Daarbij zijn de volgende uitgangspunten gehanteerd: 1.

De kostenconfigurator is gehanteerd voor het bepalen van de investeringskosten inclusief btw en prijspeil 1 januari 2025. Periodieke indexatie op basis van BDBindex als basis voor de financiële vertaling van dit IHP is noodzakelijk. Het prijsniveau is gebaseerd op de regio Hulst. Risico’s ten aanzien van de bouwkosten zijn ook te vinden in de algemene prijsontwikkeling van bouwprojecten in Nederland en de regio. De kostenconfigurator gaat uit van normale marktomstandigheden voor wat betreft beschikbaarheid van materialen en inschrijvingen van aannemers bij projecten.

2.

In de investeringskosten zijn ook diverse honoraria en vaste aanvullende kosten opgenomen. Daarbij is rekening gehouden met de volgende kosten: honoraria (voor ontwerpteamleden (architect, installatieadviseur, constructeur, bouwfysicus en projectmanager (niet voor interne projectleider gemeente), aansluitkosten, heffingen, verzekeringen, beperkte risicoverrekening en onvoorzien. De aanvullende kosten zijn gebaseerd op een eenvoudig gebouw met een compacte gebouwvorm en een daarbij passende voorbereidings- en uitvoeringsplanning.

3.

Bijkomende kosten die locatiegebonden zijn, of anderszins niet vallen onder de bouwkosten en bijkomende kosten voor de realisatie van een schoolgebouw, zijn niet opgenomen in de kengetallen. Per scenario komen er nog diverse kosten bij, dit kan sterk verschillen. De kosten waarmee rekening moet worden gehouden zijn

6.3. Kosten De bepaling van de kwaliteitsambitie en verdeling van deze kwaliteit leidt tot indicatieve investeringsbedragen per m² bruto vloeroppervlakte (bvo). Met behulp van de kostenconfiguratoren van HEVO zijn de geldende investeringsniveaus per vierkante meter bepaald. Deze methodiek maakt onderscheid naar type onderwijs (sector) en de gebouwgrootte (aantal leerlingen). De ervaring leert dat het kostenkengetal van een kleine school hoger ligt dan van een grote school (schaalvoordelen en aantal bouwlagen; compact bouwen). De kostenconfigurator is een actueel rekenmodel dat rekening houdt met de verschillende wet- en regelgevingen binnen de onderwijshuisvesting en ambities binnen het IHP.

100 1 703

Pagina 25 van 38

4.

5.

6.

7.

8.

onder andere kosten voor tijdelijke huisvesting, grondkosten, kosten voor infrastructurele aanpassingen, kosten voor bouwrijp maken, sloopkosten en asbestsanering, interne kosten voor gemeente/schoolbestuur bijvoorbeeld voor adviezen of projectbegeleiding, kosten voor organisatorische ondersteuning, voorfinanciering kinderopvang, inrichtingskosten (losse inrichting) en verhuiskosten. Ook financieringskosten zoals rentekosten, startkosten of faseringskosten zijn niet opgenomen. Deze kosten kunnen hoog oplopen, zeker als tijdelijke huisvesting benodigd is. Gemiddeld gezien betreft het op een totaalprogramma van een gemeente (dus over alle schoolgebouwen berekend) 20% van de investeringskosten uit het IHP. Het kan echter zijn dat voor het ene schoolgebouw slechts 10% nodig is en het volgende schoolgebouw 50% aan extra kosten met zich meebrengt. Dit is met name afhankelijk van de noodzaak tot tijdelijke huisvesting. Deze zijn in dit IHP geschat op 20%. Per scenario worden deze na het IHP nader gespecificeerd en onderbouwd in de haalbaarheidsonderzoeken.

6.5. Overzicht investeringskosten onderwijs

Investeringsraming termijn 5 jaar Omvang Jaartal Project (termijn) onderwijs oplevering (m2 bvo) Termijn 1 2025-2029 Nobelhorst 1327 2029 t Getij 1186 2029 Totaal

€ € €

4.665.732 € 4.422.594 € 9.088.326 €

Er is voor de ruimtebehoefte bij de doorrekening van de investeringskosten uitgegaan van het geprognosticeerde leerlingenaantal in 2040 (over 15 jaar) uit dit IHP (zie paragraaf 4.1); de prognoses worden jaarlijks geactualiseerd. In de haalbaarheidsonderzoeken, voorafgaand aan het afgeven van een voorbereidingskrediet, wordt het leerlingenaantal nogmaals herijkt.

Termijn 2 Moerschans St Jozef St. Willibrordus De Wereldboom De Oostvogel Totaal

€ € € € € €

2.442.495 1.361.085 3.438.138 745.800 1.614.657 9.602.175

€ € €

2.364.186 € 1.853.313 € 4.217.499 €

€ € € €

1.927.893 2.643.861 4.571.754 27.479.754

Binnen de financiële vertaling zijn de verwachte indicatieve investeringskosten per periode van vier jaar opgenomen (0 – 4 jaar, 4 – 8 jaar, 8 – 12 jaar en 12 – 16 jaar). Voor De Wereldboom (Reyneart) is rekening gehouden met de normatieve m2 die nodig zijn ter aanvulling van de locatie Ark. Voor St. Willibrordus is in de investeringsraming alleen rekening gehouden met de m2 uit het bouwjaar 1951. Vooralsnog is voor de investeringskosten voor iedere vernieuwings- en uitbreidingsopgave uitgegaan van nieuwbouw. In de haalbaarheidsonderzoeken zal de afweging tussen nieuwbouw/ renovatie en clustering plaatsvinden en worden de locatiegebonden kosten in beeld gebracht, zie opsomming punt 3. Het streven is om projecten te realiseren in de termijn waarin de projecten zijn genoemd. Indien er op projectniveau vertraging ontstaat in een of meerdere projecten, blijft het mogelijk om andere projecten parallel op te pakken.

Referentie: 1734801-0106.1.1.

In het navolgende overzicht worden indicatieve investeringskosten inclusief btw prijspeil 1 januari 2025 (per termijn) weergegeven. In de termijnen in onderstaande tabel is vooralsnog rekening gehouden met de vervangingstermijn uit de QuickScan van de locaties die onderdeel zijn van “Toekomstscenario kern Hulst Noord” (Nobelhorst, Moerschans en de Wereldboom). Tabel 7: Meerjaren investeringsraming IHP Hulst

655 365 922 200 433

2030-2034 2034 2034 2034 2034 2034

634 497

2035-2039 2039 2039

517 709

2040-2044 2044 2044

Termijn 3 St. Bernardus Ter Doest Totaal Termijn 4 Heidepoort De Schakel Totaal

Kosten IHP kwaliteit

Bijkomende kosten

€ € € € € €

€ € € €

Totaal kosten per project en termijn

933.146 € 884.519 € 1.817.665 €

5.598.878 5.307.113 10.905.991

€ € € € € €

2.930.994 1.633.302 4.125.766 894.960 1.937.588 11.522.610

472.837 € 370.663 € 843.500 €

2.837.023 2.223.976 5.060.999

€ € € €

2.313.472 3.172.633 5.486.105 32.975.705

488.499 272.217 687.628 149.160 322.931 1.920.435

385.579 528.772 914.351 5.495.951

Toekomstscenario kern Hulst Noord In het “toekomstscenario voor kern Hulst Noord” wordt uitgegaan van een 435 leerlingen. Op basis van drie vaste voeten en een norm van 5,03 m² bruto vloeroppervlak per leerling, bedraagt de totale onderwijsruimte 2.788 m² BVO. De raming op basis van de IHP-kwaliteit komt hiermee uit op € 8.785.000. Dit is nog

Pagina 26 van 38

exclusief de opslag voor bijkomende kosten. Gezien de complexiteit van dit project is de opslag bewust op 30% gezet. In het haalbaarheidsonderzoek wordt duidelijk welk totaal bedrag daadwerkelijk nodig is. Ook de doorlooptijd (planning) van het project zal dan inzichtelijk worden. Vooralsnog wordt ervan uitgegaan dat het project in termijn 2 (4 – 8 jaar) wordt opgeleverd, waarbij het haalbaarheidsonderzoek op korte termijn wordt opgestart. Indien voor onderstaand scenario wordt gekozen, vervallen de kosten voor de locaties Nobelhorst, Moerschans en Wereldboom uit het tabel 7.

Jaartal oplevering 3151

2030-2034 2034

Kosten IHP kwaliteit €

Bijkomende kosten

8.785.146 €

Totaal kosten per project en termijn

2.635.544 €

11.420.689

6.6. Overzicht voorfinanciering kinderopvang Daar waar nieuwbouwprojecten gerealiseerd worden, geldt dat verkend wordt hoeveel kinderopvang nodig en/of wenselijk is. Indien de gemeente zorgt voor een voorfinanciering van de kinderopvang, geldt dat deze middels een kostenprijs dekkende huur wordt terugverdiend (dekking). Het is ook mogelijk dat een kinderopvang zelf investeert in haar huisvesting. In dat geval ligt het eigendom ook bij de kinderopvang en vraagt dit om een juridische check vanuit Didam arrest. De kosten voor kinderopvang worden in het haalbaarheidsonderzoek inzichtelijk gemaakt.

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Met inachtneming van de beoogde haalbaarheidsonderzoeken die de komende periode worden opgestart is een totaal post opgenomen. Onderstaand een opsomming van de haalbaarheidsonderzoeken. Voor de KC Noord is uitgegaan van een locatieverkenning (stedenbouwkundig advies). Voor KC ’t Getij is uitgegaan van de afweging renovatie/nieuwbouw. Tabel 9: Benodigde kredieten voor het opstarten van de verschillende onderzoeken

Tabel 8: Investeringsraming Toekomstscenario kern Hulst Noord Investeringsraming toekomstscenario Kern Hulst Noord Omvang Aantal Project onderwijs leerlingen (m2 bvo) Termijn 2 Kindcentrum Hulst Noord 435 5,03 2788

6.7. Overzicht kosten vervolgstudies

Vervolgstudies Project (termijn) Termijn 1 KC Hulst Noord Incl. stedenbouwkundig advies KC 't Getij Project termijn 2 (opstarten) Herijking IHP Totaal

Kosten €

50.000

€ € € €

25.000 25.000 30.000 130.000

Pagina 27 van 38

7. Vervolg IHP Bij de uitvoering van het IHP dient rekening gehouden te worden met een aantal processtappen en uitgangspunten.

7.1. Opstellen uitvoeringsprogramma Na vaststelling van het IHP starten gemeente en schoolbestuur met het opstellen van een uitvoeringsprogramma. Dit programma bestaat uit twee hoofdonderdelen: 1.

2.

Afspraken programmaniveau: afspraken die gelden voor het gehele programma, ofwel voor alle projecten als genoemd in de eerste termijn (0 tot 5 jaar). Deze afspraken gaan over (1) het inrichten van een organisatie voor het realiseren van het uitvoeringsprogramma (2) het ontwikkelen van een financiële werkwijze voor uniformiteit tussen projecten en (3) het maken van samenwerkingsafspraken. Afspraken projectniveau: er wordt een planning gemaakt voor de volgordelijkheid van projecten. Denk aan beschikbare locaties, tijdelijke huisvesting en het bundelen van projecten op onderdelen zoals Technische en Ruimtelijk Functionele programma’s van eisen.

7.2. Opstellen Haalbaarheidsonderzoeken Wanneer het uitvoeringsprogramma is vastgesteld kan worden gestart met de initiatieffase van projecten door haalbaarheidsonderzoeken uit te voeren. In de haalbaarheidsonderzoeken worden projecten geconcretiseerd en geactualiseerd. Dit is de fase voordat een project wordt opgestart. Optioneel kan ervoor worden gekozen om de haalbaarheidsonderzoeken onderdeel te maken van het uitvoeringsprogramma, zodat de afspraken projectniveau (zie punt 2 van par. 7.1.) nog concreter gemaakt kunnen worden. De haalbaarheidsonderzoeken hebben o.a. als doel om: • Een keuze te maken tussen nieuwbouw of renovatie • De definitieve leerlingenaantallen per project te bepalen. • De totale kosten verder te specificeren (o.a. de bijkomende kosten en Total Cost of Ownership)

Referentie: 1734801-0106.1.1.

•

De verbinding te leggen met doelgroepen als kinderopvang, overige maatschappelijke partners en eventueel docenten, leerlingen, ouders, bedrijven, de wijk etc.

Zoals omschreven in de bouwsteen Regie wordt na de haalbaarheidsstudie ter goedkeuring aan de Gemeenteraad voorgelegd. Daarna starten de volgende fasen: • Definitiefase • Ontwerpfase • Aanbesteding en realisatie • Exploitatie- of gebruiksfase

7.3. Verbeteringen Duurzaamheid en Binnenmilieu Door vaststelling van het IHP krijgt het schoolbestuur zicht op de vervangings-/ vernieuwingstermijnen van hun gebouwen. Dit stelt schoolbestuur in staat om vanuit hun verantwoordelijkheid voor onderhoud en exploitatie te investeren in duurzaamheid en het binnenklimaat. Daarbij kan met name worden ingezet op duurzaamheidsmaatregelen waarbij de terugverdientijden de vervangings-/ vernieuwingstermijn niet overschrijden. Zo gaan investeringen in duurzaamheid niet ten koste van middelen voor onderwijs. Ook kan schoolbestuur het binnenklimaat verbeteren. De tussentijdse verduurzaming en verbetering van schoolgebouwen is daarmee een verantwoordelijkheid van het schoolbestuur, dit kan worden verwerkt in de meerjarenonderhoudsplanning van de gebouwen. Voor onderzoek en aanpassing van het binnenmilieu heeft de gemeente formeel geen zorgplicht. Gemeente kiest ervoor een reservering op te nemen voor het uitvoeren van nadere onderzoeken ten behoeve van het binnenmilieu in een aantal gebouwen.

7.4. Disclaimer Dit IHP is opgesteld onder de wet- en regelgeving zoals deze geldt op het moment van het opstellen daarvan. Echter, wet- en regelgeving is onderhavig aan voortschrijdend inzicht; zo ook de wetgeving met betrekking tot het huisvestingsstelsel voor het funderend onderwijs in Nederland. Bij (substantiële) wijzigingen van bijvoorbeeld het genoemde stelsel, de Algemene Uitkeringen van het gemeentefonds, de wijze van bepalen van normbedragen, wijzigingen ten aanzien van Bouwbesluit, energieakkoorden of enig andere substantiële ontwikkeling, kan het nodig zijn om dit IHP (op onderdelen) aan te passen aan de dan geldende realiteit en mogelijkheden.

Pagina 28 van 38

Bijlage I: Wettelijke en beleidskaders Dit hoofdstuk gaat in op de beleidskaders die gelden voor het IHP: de wettelijke taak van gemeente en schoolbesturen op het gebied van onderwijshuisvesting en relevante ontwikkelingen. Zorgplicht Gemeenten hebben op het gebied van onderwijshuisvesting de zogeheten zorgplicht. De onderwijswetgeving stelt dat een gemeente dient te voorzien in voldoende en adequate huisvesting voor het primair onderwijs (PO), (voortgezet) speciaal onderwijs ((V)SO) en voortgezet onderwijs (VO). De voorzieningen in de huisvesting waarvoor de gemeente verantwoordelijk is zijn vastgelegd in de wetgeving. Daarbij gaat het onder andere om (vervangende) nieuwbouw, uitbreiding en herstel van constructiefouten. Het onderhoud (binnen- en buitenkant) en de exploitatie van schoolgebouwen is de verantwoordelijkheid van de schoolbesturen. Renovatie is (vooralsnog) niet wettelijk geregeld. Verordening Voorzieningen Huisvesting Onderwijs De uitvoering van de zorgplicht wordt geregeld via een juridisch instrument, de verordening. Op grond van de Gemeentewet (artikel 149), de Wet op het primair onderwijs (artikel 102), de Wet op de expertisecentra (artikel 100) en de Wet op het voortgezet onderwijs (artikel 76) is de gemeenteraad verplicht bij verordening een regeling vast te stellen.

De verordening bevat de basis van het onderwijshuisvestingsbeleid en regelt uitgangspunten voor onder andere de voorzieningen die schoolbesturen jaarlijks kunnen aanvragen bij een gemeente, criteria voor het toetsen van deze aanvragen en procedurele afspraken. Eigendom Schoolbesturen hebben het (juridisch) eigendom van een schoolgebouw met de daarbij behorende ondergrond. Dit houdt in dat een schoolbestuur als eigenaar van een schoolgebouw en ondergrond juridisch aansprakelijk is. Wanneer een schoolbestuur geen gebruik meer maakt van het gebouw valt het gebouw om niet terug in het juridisch eigendom van de gemeente. De reden hiervoor is dat de gemeente het gebouw en de ondergrond heeft bekostigd. De gemeente heeft dus het economisch claimrecht. Schoolbesturen kunnen vanwege hun positie een gedeelte

Referentie: 1734801-0106.1.1.

van het gebouw in medegebruik (voor andere culturele, maatschappelijke of recreatieve doeleinden) geven aan instellingen die uit de openbare kas worden bekostigd met een ideëel doel. Verhuren is mogelijk als de gemeente daar, met inachtneming van de verordening, voorafgaand toestemming voor geeft. Kinderopvang Op 1 januari 2018 is de Wet harmonisatie kinderopvang en peuterspeelzaalwerk in werking getreden. Daarbij zijn kinderopvang en peuterspeelzalen geharmoniseerd, waardoor men tegenwoordig spreekt van peuteropvang. Voor de peuteropvang is daarbij een landelijk kwaliteitskader ingevoerd dat grotendeels gelijk is aan de kinderopvang. De GGD is aangesteld als toezichthouder op de kwaliteit voor zowel de kinderopvang als peuterspeelzalen. Daarnaast is er met de invoering van de Wet OKE voor gemeenten een verplichting gekomen om voldoende aanbod vroeg- en voorschoolse educatie (VVE) te realiseren, waarbij de financiële drempels voor ouders van doelgroepkinderen zo laag mogelijk moeten zijn. Huidig stelsel De huidige rolverdeling (waarbij gemeenten verantwoordelijk zijn voor nieuwbouw en schoolbesturen verantwoordelijk zijn voor onderhoud, aanpassing en exploitatie) vertoont tekortkomingen. Het stelsel biedt beide partijen theoretisch de mogelijkheid om de eigen uitgaven te beperken.

Gemeenten kunnen eigen uitgaven beperken door relatief goedkope gebouwen neer te zetten, met als gevolg hoge onderhouds- en exploitatiekosten. Schoolbesturen kunnen de eigen uitgaven beperken door weinig te investeren in onderhoud en eerder nieuwbouw aan te vragen bij de gemeente. Daarbij komt dat een aantal zaken, zoals bekostiging als gevolg van aangescherpte eisen in het Bouwbesluit en maatschappelijk wenselijke voorzieningen waaronder op het gebied van duurzaamheid, en de voorziening renovatie niet geregeld zijn. Wetsvoorstel stelselwijziging Op 15 december 2016 hebben de PO-raad, de VO-raad en de VNG het gezamenlijk wetsvoorstel “planmatige aanpak onderwijshuisvesting” gestuurd aan toenmalig staatssecretaris Sander Dekker om de tekortkomingen in het huidige stelsel voor onderwijshuisvesting op te lossen. Het uitgangspunt van dit voorstel is dat gemeenten en schoolbesturen een gezamenlijke verantwoordelijkheid hebben voor de (kwaliteit van de) huisvesting van scholen. In 2018 is het verder uitgewerkte voorstel

Pagina 29 van 38

gepubliceerd door PO-raad, VO-raad en VNG. Het wetsvoorstel is in behandeling en de verwachting is dat in 2026 wordt vastgesteld en in werking treedt. Parrallel daaraan is de VNG begonnen met de actualisatie van de model verordening. Het voorstel pleit voor aanpassing van het stelsel om een aantal van de geconstateerde tekortkomingen op te heffen. Daarbij worden de nadelen van de scheiding van de financiële middelen zoveel mogelijk opgeheven. Gemeenten en schoolbesturen komen in een meer gelijkwaardige positie ten opzichte van elkaar. Belangrijke elementen uit het voorstel zijn: • De in de wet beschreven jaarcyclus voor aanvragen onderwijshuisvesting wordt vervangen door een langere periode, waarin gemeenten na overleg met betrokken schoolbesturen het huisvestingsbeleid en het investeringsprogramma voor een periode van 4 jaar vastleggen in een meerjarenprogramma (IHP), met een doorkijk tot ten minste het 16e jaar. • De mogelijkheid om renovatie als volwaardig alternatief voor vervangende nieuwbouw in te kunnen zetten. Renovatie moet worden opgenomen als voorziening in de wet. Renovatie dient daarbij te leiden tot een startsituatie (of startconditie) die in functioneel en kwalitatief opzicht gelijkwaardig is aan nieuwbouw en gericht is op levensduurverlenging van ten minste 25 jaar.

• Het investeringsverbod voor het PO en (V)SO wordt zodanig aangepast dat het overeenkomt met de betreffende bepalingen uit de Wet op het voortgezet onderwijs. PO- en (V)SO-besturen krijgen daarmee de mogelijkheid om in huisvesting te investeren. • De concretisering van het Huisvestingsvoorstel van de sectorraden en de VNG gaat uit van het handhaven van de huidige financieringsstromen. Aanvullend kan de versoepeling van het investeringsverbod leiden tot een gezamenlijke financiering die de kwaliteit van onderwijshuisvesting kan vergroten dan wel het moment van investeren kan vervroegen.

arme gebouwenvoorraad. HEVO heeft deze doorrekening uitgevoerd. Deze doorrekening richt zich enerzijds op de effectiviteit van mogelijke scenario’s op de totale reductie van gebouwgebonden CO2-productie en anderzijds op de kosteneffectiviteit van de verschillende maatregelen die op de gebouwenvoorraad kunnen worden toegepast. Op het gebied van de te behalen doelstellingen is de opdracht aan de sectoren om: • Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 49% in 2030 ten opzichte van de situatie in 1990. • Te komen tot een gebouwgebonden CO2-reductie van 95% in 2050 ten opzichte van de situatie in 1990. Naast de doelstellingen op het gebied van CO2-reductie, hebben de beide sectorraden daaraan toegevoegd dat een duurzaam schoolgebouw een schoolgebouw is dat optimaal ten dienste staat van het onderwijs dat erin aangeboden wordt. Een goed binnenklimaat resulteert in een hoger leerrendement en minder ziekteverzuim. Een schoolgebouw is daarmee niet alleen duurzaam voor wat betreft de CO2-uitstoot of het energieverbruik; het is een gebouw dat aansluit bij de onderwijskundige visie van de school, past bij het aantal leerlingen en toekomstbestendig is bij veranderingen. De doelstellingen zijn als volgt: Doelstelling Referentiejaar 1990 CO2-reductie 2030 49,0% CO2-productie 2030 51,0% CO2-reductie 2050 95,0% CO2-productie 2050 5,0%

Vooruitlopend op de kaders van de vigerende wetgeving streeft de gemeente ernaar mee te gaan met deze ontwikkeling. Ontwikkeling klimaatakkoord In het klimaatakkoord is vastgelegd dat de PO-raad en de VO-raad sectorale routekaarten, behorende bij de klimaatopgave, dienen door te rekenen naar een CO2-

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Pagina 30 van 38

Bijlage II: Energieprestaties Onderstaand de verschillende definities van energieprestaties van gebouwen: BENG (bijna energieneutraal gebouw) Bij een BENG-gebouw worden gebouwgebonden energieverbruik en energieopwekking met elkaar vergeleken. Een BENG-gebouw kent een hoger energieverbruik in verhouding tot de energieopwekking. Door de toepassing van de norm NTA8800 wordt getoetst of het gebouw voldoet aan wetgeving voor BENG, die vanaf 1 januari 2021 wettelijk verplicht is. ENG (energieneutraal gebouw) Het gebouw heeft een EPC volgens NEN 7120 van nul. Alleen het gebouwgebonden energieverbruik op jaarbasis telt mee en is nul14. NOM (Nul op de Meter) Om een NOM-gebouw te realiseren moet er naast de energie die benodigd is voor de gebouwgebonden installaties ook gekeken worden naar het algemeen energieverbruik door de gebruikers. Bij een NOM-gebouw zijn het totale energieverbruik en energieopwekking in balans. Door verschillen in de kosten voor inkoop van energie en vergoeding voor teruglevering aan het net kent een NOM-gebouw alsnog kosten voor energie. Klimaatneutraal Klimaatneutraal wil zeggen dat bepaalde activiteiten (al dan niet binnen een bepaald gebied of op een bepaalde plek) geen positief of negatief effect hebben op het klimaat.

Het begrip ‘klimaatneutraal’ wordt vooral gebruikt om aan te geven dat bepaalde activiteiten geen negatief effect hebben op het klimaat, waarmee men wil zeggen: geen emissie van CO2 en andere broeikasgassen15.

14

https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemene-begrippen

Referentie: 1734801-0106.1.1.

15

https://www.rvo.nl/onderwerpen/duurzaam-ondernemen/gebouwen/wetten-en-regels/algemene-begrippen

Pagina 31 van 38

Bijlage III: Kwaliteitsadvies Frisse Scholen

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Pagina 32 van 38

hebben gezamenlijk de intentie om de huur voor langere tijd te laten voortbestaan. Indien er toch een capaciteitsvraagstuk ontstaat voor het onderwijs gaan partijen, ieder vanuit de eigen verantwoordelijkheid, gezamenlijk in gesprek en op zoek naar een passende oplossing.

Bijlage IV: Medegebruik Indien er sprake is van een partner, spreken we van medegebruik en verhuur. Wanneer onderwijs en partners, bijvoorbeeld kinderopvang, zich samen huisvesten krijgen deze Kindcentra te maken met huisvestingsvraagstukken ten aanzien van capaciteit, eigendom, tariefstelling en financiering. Deze vraagstukken worden in deze bijlage behandeld en voorzien van uitgangspunten. Eerst wordt kort ingegaan op het wettelijk kader.

Bij volgtijdelijk gebruik door buitenschoolse opvang (BSO) uit te gaan van medegebruik in plaats van verhuur. De gemeente wordt jaarlijks geïnformeerd over het volgtijdelijk gebruik. Ook kunnen de gemeente, het schoolbestuur en de kinderopvang in gesprek gaan over de mogelijkheid om een beroep te kunnen doen op ruimten voor BSO welke in eigendom zijn van kinderopvang en waar overdag ruimte is voor onderwijs indien er een capaciteitsvraagstuk ontstaat. Daarnaast onderschrijven gemeente, schoolbestuur en de kinderopvangorganisaties het belang van de BSO in het kader van een aanbod voor de gehele dag. De BSO maakt vaak gebruik van gemeenschappelijke ruimten, die bij groei van het onderwijs gevorderd of ingezet kunnen worden. Dit houdt in dat de BSO functie niet langer kan worden ingevuld. Gemeenten, schoolbestuur en kinderopvang streven daarom naar oplossingen voor capaciteitsgebrek waarbij de BSO functie niet hoeft te wijken.

Wettelijk Kader De gemeente heeft een zorgplicht om te voorzien in huisvesting voor het onderwijs maar niet voor kinderopvang. Kinderopvangorganisaties worden wettelijk gezien als commerciële organisaties die de gemeente niet mag bevoordelen ten opzichte van andere commerciële organisatie. De gemeente heeft zich als economisch eigenaar in relatie tot medegebruik en verhuur te houden aan de Wet Markt en Overheid. De Wet Markt en Overheid is een hoofdstuk (4b) binnen de Mededingingswet en bevat 4 gedragsregels. Deze gedragsregels omschrijven onder andere dat overheden alle kosten die zij maken voor een dienst moeten doorberekenen in de prijs. Dit geldt dus ook bij verhuur van ruimten aan kinderopvangorganisaties. Deze bouwsteen, zal zich in lijn met het IHP, richten op nieuwe situaties die ontstaan bij nieuwbouw of renovatie van schoolgebouwen. De verhuur aan kinderopvangorganisaties in bestaande situaties valt buiten de scope van dit IHP. 1.

Capaciteit: de wijze waarop om wordt gegaan met huurbescherming voor kinderopvangorganisaties en het onderscheid tussen medegebruik en verhuur. a.

Nieuwe situaties Bij exclusief gebruik door kinderopvang en/of buitenschoolse opvang kan extra capaciteit worden gerealiseerd, wat valt onder een huurcontract met een kostendekkend tarief. Er wordt uitgegaan van langjarige huurcontracten van minimaal 10 jaar. Hierdoor ontstaat huurbescherming voor de kinderopvangorganisatie gedurende de looptijd van het contract. Dit houdt in dat ruimten van de kinderopvang door de gemeente niet gevorderd kunnen worden. De gemeente, het schoolbestuur en de kinderopvangorganisaties

Referentie: 1734801-0106.1.1.

2.

Eigendom: de wijze waarop de eigendomssituatie wordt bepaald. a. Nieuwe situaties: als het gebouw exclusief door kinderopvang en/of buitenschoolse opvang wordt gebruikt, wordt per locatie bekeken of de eigendomsverhouding moet worden aangepast. Hierbij wordt gekeken wie de eigenaar moet zijn voor het deel voor de kinderopvang; de gemeente, de eigenaar, het schoolbestuur of een vereniging van eigenaren. Daarbij worden de voor- en nadelen van elke optie meegewogen. Opmerking: Op 26 november 2021 heeft de Hoge Raad uitspraak gedaan in de zaak Didam. Dit arrest heeft betrekking op een casus in de gemeente Montferland omtrent (onderhandse) verkoop van onroerend goed. De Hoge Raad heeft geoordeeld dat de gemeente, als ze een onroerende zaak wil verkopen, aan potentiële gegadigden de mogelijkheid moet bieden om mee te dingen. Dat moet vanuit objectieve, toetsbare en redelijke criteria plaatsvinden.

Pagina 33 van 38

Dit heeft ook gevolgen voor Kindcentra. Indien de gemeente het juridisch eigendom van de ruimten voor kinderopvang behoudt (en dus niet overdraagt aan het schoolbestuur zoals in de reguliere situatie) is een aanbesteding mogelijk noodzakelijk. Dit kan onwenselijk zijn omdat schoolbestuur reeds samenwerkingen heeft met bestaande kinderopvangorganisaties waarbij de pedagogiek en didactiek op elkaar is afgestemd. 3.

Tariefstelling: de wijze waarop het tarief wordt bepaald. a. Nieuwe situaties: bij exclusief gebruik door kinderopvang en/of buitenschoolse opvang een tarief wordt bepaald op basis van de kostprijs dekkende methode. Indien er geen Kindcentra tot stand kan komen (bv door de beperkte omvang van het aantal kinderen) dan gaan gemeente, scholen en kinderopvang overleg.

4.

Financiering: de wijze waarop de ruimten worden gefinancierd. a. Nieuwe situaties: voorfinanciering door de gemeente alsmede financiering door kinderopvangorganisaties zijn beide mogelijk. Gezien de onderstaande voorwaarden ligt voorfinanciering door de gemeente voor de hand. In het geval dat de gemeente financiert wordt gesproken over voorfinanciering, omdat het doel is dat de kapitaallasten volledig door huuropbrengsten worden terugverdiend. De volgende voorwaarden zijn van toepassing: • Het gaat om exclusief gebruik van ruimten door een aanbieder van kinderopvang. • De kapitaallast wordt binnen een redelijke termijn terugverdiend uit de huurinkomsten. • Het beoogde gebruik is beargumenteerd aan de hand van een behoefteonderzoek. b.

In het geval dat de kinderopvang financiert zijn de volgende voorwaarden toepassing: • De organisatie voor kinderopvang maakt met de bouwheer afspraken over de betrokkenheid van de ondernemer bij het ontwerp en de

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Pagina 34 van 38

Bijlage V: Methodiek analyse en opgave Dit hoofdstuk behandelt de gehanteerde methodes voor de analyse en de opgavenontwikkeling.

gebouw is, maar of een pand een goed schoolgebouw is. In de beoordeling van het gebouwenbestand is daarom naast de bouwkundige staat ook gekeken naar onderwijskundige functionaliteit, binnenmilieu, veiligheid, exploitatie en uitstraling van de schoolgebouwen. Dit zijn thema’s voor strategisch vastgoedbeleid.

Capaciteitsanalyse onderwijs Voor alle schoolgebouwen is de beschikbare capaciteit voor het onderwijs geanalyseerd. De capaciteitsanalyse maakt een ruimtetekort of -overschot per gebouw inzichtelijk. De ruimtebehoefte van het onderwijs wordt bepaald door de leerlingentelling en de -prognose te vertalen naar ruimtebehoefte (op basis van de criteria in de verordening). Voor het PO is dit bijvoorbeeld 5,03 m² per leerling en 200 m² vaste voet per school. Deze ruimtebehoefte wordt vergeleken met het aantal vierkante meters dat beschikbaar is: de bruto vloeroppervlakte (bvo). Opmerking: dit is een genormeerde ruimtebehoefteberekening. In de praktijk zijn er efficiënte en minder efficiënte gebouwen. Wanneer een school bijvoorbeeld veel gangen heeft, of een grote aula, kan er een genormeerd ruimteoverschot zijn, terwijl dit niet zo wordt ervaren. Er is relatief immers minder effectieve onderwijsruimte. Ook wordt in de praktijk gebruik gemaakt van de mogelijkheid tot medegebruik of verhuur van ruimten. In het IHP is vanwege het beleidsrijke karakter ruimte voor nuance op de resultaten uit deze ruimtebehoefteberekeningen. Naast het inzichtelijk maken van eventuele ruimtetekorten is de capaciteitsanalyse van belang omdat een eventueel ruimteoverschot het schoolbestuur geld kost voor exploitatie en onderhoud.

Schoolbestuur ontvangt een vergoeding voor materiële instandhouding op basis van het aantal leerlingen en niet op basis van het aantal m² in een school. Bovendien vormen ruimteoverschotten een risico voor de gemeente. Wanneer een gebouw geheel leeg komt te staan, zal de eigenaar (het schoolbestuur) dit terug willen geven aan de gemeente. Daarnaast dient de gemeente (op basis van de verordening) te voorzien in oplossingen voor ruimtetekorten, waarmee kan worden verwezen naar leegstand.

Kwaliteitsanalyse onderwijs: quickscans Op basis van de verordening is alleen de bouwkundige staat een formeel toetsingscriterium. Voor het IHP is het echter niet alleen de vraag of een pand een goed

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Figuur 4: elementen van de quickscan-beoordelingsmethodiek

Op basis van de door HEVO ontwikkelde ‘quickscan’ zijn alle gebouwen op deze criteria beoordeeld en voorzien van een gewogen score, die inzicht geeft in de vervangingstermijn. De totaalscore geeft op uniforme wijze richting aan de mate van urgentie tot een levensduurverlengende ingreep in relatie tot de gebouwkwaliteit: • Bij < 57 punten: binnen 0-5 jaar (rood). • Bij 57 - 63 punten: binnen 5-10 jaar (oranje). • Bij 63 - 69 punten: binnen 10-20 jaar (lichtgroen). • Bij 69 > punten: over meer dan 20 jaar (donkergroen). De quickscan leidt tot een advies voor de vervangingstermijn, ofwel het ‘natuurlijke vervangingsmoment’ van een schoolgebouw. Daarbij zijn de verantwoordelijkheden van de gemeente en het schoolbestuur afgestemd. Het natuurlijke vervangingsmoment voor schoolgebouwen is cruciaal omdat het van belang is dat bij ingrepen ((ver)nieuwbouw of renovatie) alle thema’s integraal aangepakt kunnen worden. Immers, bijvoorbeeld een energieneutraal gebouw dat onderwijskundig niet geschikt is, is een ongeschikt schoolgebouw.

Pagina 35 van 38

De QuickScan scores zijn input voor de opgavenontwikkeling. Bij het besluit tot vervanging middels (ver)nieuwbouw/renovatie is bij de opgavenontwikkeling ook gekeken naar andere overwegingen (zie hoofdstuk 5). Partijen kunnen ook besluiten om op elementniveau (bijvoorbeeld binnenmilieu) los van het natuurlijke vervangingsmoment te investeren.

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Pagina 36 van 38

Bijlage VI: Kinderopvang binnen de scholen

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Pagina 37 van 38

Colofon Uitgave: Datum:

HEVO B.V. 1 juli 2025

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●●

Niets uit deze uitgave mag zonder uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van HEVO B.V. worden gekopieerd, noch aan derden ter inzage worden gegeven

Referentie: 1734801-0106.1.1.

Pagina 38 van 38

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15869718/1