FHToelichting
Tekst van het document
PAGINA 2 | 22
2
ONTWIKKELING NATUURLANDSCHAP
Hieronder worden zes verschillende scenario’s geschetst als mogelijke landschapsinrichting voor het perceel. De vegetatie wordt afgestemd op de geologie, geomorfologie, reliëf en hydrologie conform de basisvoorwaarden van de landschapsecologische systeemanalyse om zodoende een passende natuurstreefwaarde te bereiken. Soms betreft het elkaars opvolgers in termen van successie, een combinatie van diverse scenario’s behoort daarom ook tot de mogelijkheden.
Scenario 1 Ruigteveld – N12.06 Door de natuurlijke verlandingsvegetatie verder door te trekken op het perceel krijgen oevervogels meer ruimte. De rietkragen vormen het leefgebied van de Baardman, Kleine karekiet, Rietgors, Rietzanger, …. Doordat de rietkragen naadloos overgaan in ruigtelanden wordt het leefgebied van de Patrijs, Scholekster en Veldleeuwerik vergroot. Vogels krijgen door de solitaire bomen de gelegenheid om te migreren vanuit en naar de omliggende en aanpalende percelen. Door gebruik te maken van solitaire beplanting ontstaat een Afbeelding 1. Sfeerimpressie soortenrijke ruigtes en verlucht perceel wat gunstig is voor het molenbiotoop. De solitaire bomen N12.06 aansluiting op het coulisselandschap van de aanpalende percelen zorgt voor een organische overgang naar het lagergelegen landschap om de kreek. Door het creëren van poelen wordt het kreekzoomhabitat verder versterkt tot ver op het perceel, hier krijgen vissen, kikkers, vogels opnieuw meer leefruimte. Door de beschutte ligging leent dit gebied zich uitstekend als broedplaats voor de Grutto, Tureluur en Kluut. Het betreft ruigten en zomen op natte, vaak stikstofrijke plaatsen, die in mindere mate onder invloed staan van overstromingen, hetzij door oppervlaktewater, hetzij door opstijgend grondwater.
Kernkwaliteiten zijn hier de openheid en de grote natuurlijke variatie die zich uitstekend leent als broedplaats voor weidevogels. Deze ruigten zijn van belang voor bijvoorbeeld blauwborst, sprinkhaanzanger en velduil. Plaatselijk in overgangen naar brakke rietvegetaties komen Heemst, Moerasmelkdistel en Moeraslathyrus voor. Nitrofiele boszomen en -ruigten komen voor langs schaduwrijke randen van bossen of dreven, op zones die nooit overstromen. De belangrijkste kensoorten zijn Grote brandnetel, Kleefkruid, Hondsdraf, zonderlook, Witte dovenetel en Zevenblad, naast soorten als Dagkoekoeksbloem, Geel nagelkruid, Bosandoorn en Robertskruid.
PAGINA 3 | 22
Deze voedselrijke ruigten herbergen doorgaans een grote faunistische diversiteit. Zonnige, kruidenrijke zomen langs bosranden, met veel schermbloemigen en composieten, trekken grote aantallen bloembezoekende insecten zoals vlinders en zweefvliegen aan. Veel insecten van open milieus zijn op ruigten aangewezen voor hun voortplanting: doordat de vegetatie niet of slechts onregelmatig gemaaid of begraasd wordt, kunnen de soorten er hun levenscyclus ongestoord voltooien. Ook de bodemactieve ongewervelde fauna, o.a. spinnen, is doorgaans heel rijk aan soorten.
Afbeelding 2. Sfeerimpressie nitrofiele boszoom
BOOMLAAG
STRUIKLAAG
Solitaire bomen
Solitaire heesters
KRUIDLAAG Grote wederik
Lysimachia vulgaris
Geel nagelkruid
Geum urbanum
Gewone smeerwortel
Symphytum officinale
Bosandoorn
Stachys silvatica
Grote kattenstaart
Lythrum salicaria
Donderkruid
Inula conyzae
Moerasandoorn
Stachys palustris
Gewone agrimonie
Agrimonia eupatoria
Grote brandnetel
Urtica dioica
Grote kaardebol
Dipsacus fullonum
Kleefkruid
Galium aparine
Moerasmelkdistel
Sonchus palustris
Hondsdraf
Glechoma hederacea
Heemst
Althaea officinalis
Witte dovenetel
Lamium album
Dubbelkelk
Picris Echioides
Zevenblad
Aegopodium podagraria
Kattendoorn
Ononis spinosa
IJzerhard
Verbena officinalis
Kamgras
Cynosurus cristatus
PAGINA 4 | 22
Scenario 2 Kruiden- en faunarijk grasland – N12.02 Kruiden- en faunarijk grasland omvat graslanden die kruidenrijk zijn, maar niet tot de schraallanden, vochtig hooiland, zilt grasland en overstromingsgrasland of glanshaverhooiland behoren. De vegetatie kan behoren tot allerlei verbonden van graslandvegetaties; ondermeer kamgrasvegetaties of de meer algemene witbolgraslanden. Diverse soorten ruigte en struweel kunnen in dit grasland voorkomen. Het grasland wordt meestal extensief beweid of gehooid en niet of slechts licht bemest. Afbeelding 3. Kruiden- en faunarijk grasland N12.02 Kruidenrijk grasland kan een tussenfase zijn als de benodigde abiotische omstandigheden voor schraallanden niet (of nog niet) gerealiseerd kunnen worden. Kruiden- en faunarijk grasland wordt bij een goede kwaliteit gekenmerkt door variatie in structuur (ruigte en plaatselijk struweel, hogere en lage vegetatie) en een kruidenrijke graslandbegroeiing die rijk is aan kleine fauna. Gradiënten binnen (grond)waterpeil en voedselrijkdom zorgen voor diverse vegetatietypen. Kenmerkende of bijzondere soorten van schralere beheertypen ontbreken grotendeels binnen Kruidenen faunarijk grasland, maar graslanden zijn vaak wel rijk aan minder zeldzame soorten. Het type is o.a. van belang voor vlinders en andere insecten, vogels en kleine zoogdieren De graslanden worden doorgaans niet bemest.
Om verzuring tegen te gaan kan, bij uitzondering, ruige stalmest of bekalking toegepast worden. MATIG TOT DROOG KRUIDEN- EN FAUNARIJK GRASLAND Matig tot droog kruiden- en faunarijke grasland is een voorfase in de successie naar droge schraallanden, en bestaat uit graskruidenmengsel en bloemrijk grasland. De grassen hebben een fijn mozaïekpatroon en zijn homogeen verdeeld over het perceel. Naast grassen uit eerdere successiefasen groeit hier ook reukgras, roodzwenkgras en gewoon struisgras. Het kruidenmengsel bestaat uit algemene soorten als veldzuring, scherpe boterbloem, gewone hoornbloem, smalle weegbree en pinksterbloem. In vochtigere omstandigheden groeit er ook echte koekoeksbloem, kleine klaver en gewoon biggenkruid. Het volgende subtype van de variant is van toepassing op de ondergrond van het perceel: Kalkarme klei-, zavel en lössgronden: het grasland ontwikkelt zich van een graskruidenmengsel met smalle weegbree en duizendblad of met fluitenkruid en kraailook tot bloemrijk grasland met biggenkruid, gewone veldbies en akkerhoornbloem of met margriet, knoopkruid en glad walstro. BOOMLAAG
STRUIKLAAG
Solitaire bomen
Solitaire heesters
KRUIDLAAG Kamgras
Cynosurus cristatus
Gewoon struisgras
Agrostis capillaris
Klavervreter
Orobanche minor
Duizendblad
Achillea millefolium
Wilde Marjolein
Origanum vulgare
Muizenoor
Hieracium pilosella
Echte koekoeksbloem
Silene flos-cuculi
Smalle weegbree
Plantago lanceolata
Gewone brunel
Prunella vulgaris
Fijn schapengras
Festuca ovina subsp. tenuifolia
Gewone margriet
Leucanthemum vulgare
Schapenzuring
Rumex acetosella
Grote ratelaar
Rhinanthus angustifolius
Gewone veldbies
Luzula campestris
Knoopkruid
Centaurea jacea
Rood zwenkgras
Festuca rubra
Gewone agrimonie
Agrimonia eupatoria
Gewoon reukgras
Anthoxanthum odoratum
Korenbloem
Centaurea cyanus
Akkerhoornbloem
Cerastium arvense PAGINA 5 | 22
Scenario 3 Droog schraalland – N11.01 Droog schraalland omvat open, droge, laagproductieve, kruidenrijke, grazige vegetaties op droge lemige zandgronden, rivierduinen en op löss en kalk in het heuvelland.
Afbeelding 4. Glanshaverhooiland N12.03
Naast soortenrijke korte vegetaties zijn ook overgangen met zoomvegetaties en struwelen (met o.a. sleedoorn, rozen of jeneverbes) van belang voor de hier vaak aanwezige hoge soortenrijkdom. Droog schraalland is afhankelijk van voldoende Afbeelding 5. Droog schraalland N11.01 basenrijkdom. Meestal levert de bodem deze basen, maar of via water (bv. korte overstroming) of door sedimentatie van vers zand, kunnen ook bufferstoffen van elders aangevoerd worden. Ook mieren en mollen kunnen een rol spelen door niet uitgeloogd zand naar de oppervlakte te brengen. Droog schraalland is op zeer arme zandgrond vaak aanwezig langs paden of vormt een overgang vaak tussen heide en vochtig hooiland. Op lemige zandbodems en op rivierduinen kan droog schraalland op grotere oppervlakten voorkomen. In Zuid-Limburg gaat het om hellinggraslanden, waarin zowel heischrale graslanden als kalkgraslanden voorkomen. Er zijn vaak gradiënten aanwezig in basenrijkdom of vocht, die voor overgangen naar andere graslanden of heiden zorgen. Droge schraallanden zijn zeldzaam in het West-Europese laagland en zijn op Europees niveau van grote waarde, vooral de heischrale vegetaties en stroomdalgraslanden langs de grote rivieren. Zinkweiden zijn uiterst zeldzaam en beperkt zich in Nederland tot een enkele locatie in het geuldal.
Ook nationaal is droog schraalland van belang als leefgebied van: tijmblauwtje, aardbeivlinder, bruin dikkopje, bruin blauwtje, bruine vuurvlinder, klaverblauwtje, sleedoornpage, kalkgraslanddikkopje, veldparelmoervlinder, koninginnepage, veldkrekel, zoemertje, zilverhaver, kleine pimpernel, betonie, berggamander, bevertjes, breed fakkelgras, duitse gentiaan, voorjaarsganzerik, voorjaarszegge, veldgentiaan, wondklaver, wilde tijm, welriekende agrimonie, zacht vetkruid, tripmadam, breukkruid, zwolse anjer, stijf hardgras en vele orchideeën. Door ontginning, verzuring en vermesting is droog schraalland in Nederland vrijwel verdwenen en het voorkomen van de vele karakteristieke soorten is ernstig bedreigd. De belangrijkste bedreiging voor de restanten van droog schraalland is vermesting in de vorm van stikstofdepositie waardoor de soorten van het schraalland worden verdrongen door algemene grassen. Droge schraallanden kennen meestal een lange geschiedenis van begrazing. De graslanden worden doorgaans niet bemest. Droog schraalland omvat droge graslanden met lage open vegetatie die gedomineerd worden door kenmerkende soorten en vegetaties van heischraal grasland, kalkgrasland, droog stroomdalgrasland of zinkweide. Soortenarme droge graslanden, zonder deze kenmerkende soorten en vegetaties, worden gerekend tot het beheertype kruiden- en faunarijk grasland. BOOMLAAG
STRUIKLAAG
Solitaire bomen
Solitaire heesters
KRUIDLAAG Kamgras
Cynosurus cristatus
Welriekende agrimonie
Agrimonia procera
Grasklokje
Campanula rotundifolia
Madeliefje
Bellis perennis
Moeras rolklaver
Lotus pedunculatus
Glad Walstro
Galium mollugo
Veldlathyrus
Lathyrus pratensis
PAGINA 6 | 22
Scenario 4 Elzenrijk Essen-Iepenbos – N14.03 Het Elzenrijk Essen-Iepenbos (Fraxino-Ulmetum) komt overwegend voor op bodems die ’s winters vanuit de waterloop kortstondig kunnen overstromen. De boomlaag is soortenrijk: naast Es komen ook Vogelkers, Grauwe abeel, Gladde iep, Zomereik en Zoete kers voor. Typisch is de rijke voorjaarsflora. Het zomeraspect bestaat uit allerlei vochtminnende soorten (o.a. Moerasspirea, Gele lis, Moeraszegge, Echte valeriaan) en meer ruderale soorten (zoals Dagkoekoeksbloem en Grote brandnetel). Op de hoger gelegen plaatsen kan successie worden waargenomen Afbeelding 6. Sfeerimpressie Elzenrijk Essen-Iepenbos naar Eiken-Haagbeukenbos (scenario 6). Het Elzenrijk Essen-Iepenbos is eerder van een vochtige dan natte standplaats en overstroomt zeer zelden, bij deze bossen zijn de nutriënten niet limiterend. In het gesprek met de heer Jan Vervaet van Waterschap Scheldestromen werd aangegeven dat het peilbeheer in de toekomst mogelijk een hogere waterstand nastreeft. Dit is de voornaamste motivatie voor selectie van dit natuurstreefbeeld. BOOMLAAG
STRUIKLAAG
Gewone esdoorn
Acer pseudoplatanus
Gladde iep
Ulmus minor
Gewone es
Fraxinus excelsior
Zomereik
Quercus robur
Beuk
Fagus sylvatica
Witte paardenkastanje
Aesculus hippocastanum
Zwarte els
Alnus glutinosa
Zoete kers
Gewone vogelkers
Prunus padus
Aalbes
Ribes rubrum
Eenstijlige meidoorn
Crataegus monogyna
Gewone vlier
Sambucus nigra
Wilde kardinaalsmuts
Euonymus europaeus
KRUIDLAAG Hondstarwegras
Elymus caninus
Prunus avium
Donkere ooievaarsbek
Geranium phaeum
Grauwe abeel
Populus x canescens
Bloedzuring
Rumex sanguineus
Schietwilg
Salix alba
Dagkoekoeksbloem
Silene dioica
Zwarte populier
Populis nigra
Reuzenzwenkgras
Festuca gigantea
PAGINA 7 | 22
Scenario 5 Vogelkers-Essenbos – N14.03 Het Vogelkers-Essenbos (Pruno-Fraxinetum) heeft een soortenrijke boomlaag: naast Es komen ook Vogelkers, Grauwe abeel, Gladde iep, Zomereik en Zoete kers voor. Typisch is de rijke voorjaarsflora. Het zomeraspect bestaat uit allerlei vochtminnende soorten (o.a. Moesdistel, Echte valeriaan, Moerasspirea, Kale jonker, Gele lis, Moeraszegge,) en meer ruderale soorten (zoals Dagkoekoeksbloem en Grote brandnetel). Op kwelplaatsen zijn vaak ook soorten uit het vorige scenario aanwezig. Op de hoger gelegen plaatsen kan successie worden waargenomen naar Eiken- Afbeelding 7. Sfeerimpressie Vogelkers-Essenbos Haagbeukenbos (scenario 6). Het Vogelkers-Essenbos is eerder van een vochtige dan natte standplaats en overstroomt zeer zelden. Bij Vogelkers-Essenbos zijn de nutriënten niet limiterend. In het gesprek met de heer Jan Vervaet van Waterschap Scheldestromen werd aangegeven dat het peilbeheer in de toekomst mogelijk een hogere waterstand nastreeft. Dit is de voornaamste motivatie voor selectie van dit natuurstreefbeeld. BOOMLAAG
STRUIKLAAG
Zwarte els
Alnus glutinosa
Gewone vlier
Sambucus nigra
Zomereik
Quercus robur
Rode kornoelje
Cornus sanguinea
Beuk
Fagus sylvatica
Prunus spinosa
Gewone esdoorn
Acer pseudoplatanus
Sleedoorn KRUIDLAAG
Gewone es
Fraxinus excelsior
Moerasspirea
Filipendula ulmaria
Zoete kers
Prunus avium
Hop
Humulus lupulus
Gladde iep
Ulmus minor
Rietgras
Phalaris arundinacea
Grauwe abeel
Populus x canescens
Dalkruid
Maianthemum bifolium
PAGINA 8 | 22
Scenario 6 Eiken-Haagbeukenbos – N15.02 Eiken-Haagbeukenbos (Stellario-Carpinetum) is een associatie uit de klasse van de eiken- en beukenbossen op voedselrijke grond, een bosplantengemeenschap die voorkomt op voedselrijke, lemige bodems, en gekenmerkt wordt door een gevarieerde boom- en struiklaag met een goed ontwikkelde voorjaarsflora. Kenmerkende soorten in de kruidlaag met neutrale tot kalkrijke bodem zoals Bosbingelkruid, Heelkruid,, Amandelwolfsmelk en Vogelnestje. Een neutraal iets Afbeelding 8. Sfeerimpressie Eiken-Haagbeukenbos voedselrijker type geeft soorten als Bosbingelkruid, Slanke sleutelbloem, en Eenbes. Dit habitattype is o.a. zeer belangrijk voor de vogelrichtlijnsoorten Middelste bonte en Zwarte specht en Wespendief, en verder ook voor een groot aantal vogels van structuurrijke loofbossen (o.a. Fluiter, Bonte vliegenvanger, Boomklever, Bosuil). Bomen met holtes zijn essentieel voor soorten als Boommarter, vleermuizen en voor behoud en ontwikkeling van een rijke gemeenschap van ongewervelde dieren (o.a. Boskrekel), mossen en fungi. Voldoende structuurrijkdom impliceert ook open plekken, poelen, mantels en zomen, met geassocieerde fauna en flora. Ook voor Kamsalamander is dit habitattype zeer belangrijk. De vochttoestand kan sterk wisselen gedurende het jaar door de ondiepe grondwatertafel in natte gronden.
Deze bossen komen voor op valleibodems, depressies en zones grenzend aan rivier- en beekbegeleidende bossen, maar ook bij kreken met bodems met een hangwatertafel. BOOMLAAG
STRUIKLAAG
Haagbeuk
Carpinus betulus
Gewone vlier
Sambucus nigra
Zomereik
Quercus robur
Gelderse roos
Viburnum opulus
Beuk
Fagus sylvatica
Hazelaar
Corylus avellana
Gewone esdoorn
Acer pseudoplatanus
Eenstijlige meidoorn
Crataegus monogyna
Gewone es
Fraxinus excelsior
Spaanse aak
Acer campestre
Tamme kastanje
Castanea sativa
KRUIDLAAG
Amerikaanse eik
Quercus rubra
Daslook
Allium ursinum
Zoete kers
Prunus avium
Wilde kamperfoelie
Lonicera periclymenum
Gladde iep
Ulmus minor
Bosanemoon
Anemone nemorosa
Grauwe abeel
Populus x canescens
Gevlekt longkruid
Pulmonaria officinalis
PAGINA 9 | 22
3
LIJNELEMENTEN IN HET LANDSCHAP
Naast het inrichten van nieuwe natuur, zijn er ook enkele lijnelementen in het landschap voorzien. Hierbij dient wel opgemerkt te worden dat deze lijnelementen maar verenigbaar zijn in de eerste drie scenario’s. De elementen knotbomen, takkenrillen en houtsingel kunnen niet in combinatie met een bos cfr. scenario 4, 5 en 6 worden uitgevoerd.
Knotbomen – L01.08 In het plan komt een dubbele bomenrij met geknotte schietwilgen voor, gesitueerd aan de westzijde van het perceel. De bomenrij begeleidt de inrit langs de singel tot aan het einde van het perceel langs het water.
Afbeelding 10. Locatie op het perceel
Afbeelding 9. Sfeerimpressie van geknotte schietwilg
GEBRUIK De rijen knotwilgen geven structuur en richting zonder overheersend te zijn. Ze begeleiden de inrit en laten daarbij het open karakter van het landschap intact. De knotwilgen staan langs de slootkant en zijn een uiting van nattere terreinomstandigheden. ECOLOGISCHE FUNCTIE Het gebruik van bomenrijen gebeurt vanwege de landschappelijke waarde ervan, maar ook om een betere biodiversiteit te bewerkstelligen. De holtes in deze bomen bieden onderdak aan soorten als de Boommarter, vleermuizen en voor behoud en ontwikkeling van een rijke gemeenschap van ongewervelde dieren (o.a. Boskrekel), mossen en fungi. SOORT EN AANTALLEN Naam
Maat
Verband
Afstand
Aantal
Salix alba - schietwilg
10-12
om-en-om
10m
14 oprit + 22 onderhoudspad
BEHEER Maatregelen Knotten
2020
2021
2022
2023 x
2024
2025
2026 x
2027
2028
2029 x
PAGINA 10 | 22
Takkenril Een ander horizontaal lijnelement dat initiatiefnemer wenst te realiseren betreft de takkenril. Gesitueerd aan de westzijde van het perceel, aan de overkant van de oprit tot ver in het grasland. Snoeiafval afkomstig van het perceel wordt hierin verwerkt. Dit soort elementen vormen een schuilplaats voor de Egel, insecten, het winterkoninkje, et cetera.
Afbeelding 11. Locatie takkenrillen op het perceel
Afbeelding 12. Sfeerimpressie takkenril
GEBRUIK Een takkenril kan dienstdoen als afscheiding of omheining. Het is daarnaast een opslagplaats voor snoeien houtafval. ECOLOGISCHE FUNCTIE Een takkenril is een schuilplaats voor vogels, egels maar vormt ook een corridor voor migratie. Het vormt een foerageergebied vanwege de vele insecten en ongewervelden die hier leven en doet dienst als schuilplaats. Vanwege het vele dode hout is het zeer in trek bij fungi. Nota bene: beheermaatregelen zijn niet nodig aangezien het hier een cultuurelement betreft zonder levende natuur.
PAGINA 11 | 22
Houtsingel – L01.02 Aan de oostzijde van het perceel is reeds een houtsingel aanwezig. Door het perceel in te richten met lage begroeiing gaat de houtsingel langzaam over in een nitrofiele boszoom.
Afbeelding 13. Locatie van de houtsingel op het perceel
Afbeelding 14. Sfeerimpressie houtsingel
GEBRUIK De houtsingel geeft luwte van de koude noordoostenwind aan de boomgaard. Daarnaast benadrukt het wederom de openheid van het landschap en het open karakter. ECOLOGISCHE FUNCTIE Houtsingels zijn belangrijke schuilplaatsen voor fauna in het landschap. Het vormt een foerageergebied en verblijfsplaats voor veel soorten vogels, alsmede leefgebied voor tal van insecten en ongewervelden. SOORT EN AANTALLEN Naam
Maat
Verband
Afstand
Aantal
Bestaande situatie, soorten nader te bepalen
volgroeid
achter elkaar
300m
onbekend
BEHEER Maatregelen
2020
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Periodiek afzetten
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
PAGINA 12 | 22
Struweelhaag – L01.06 Aan de zuidzijde vormt een struweelhaag van hazelaar, eenstijlige meidoorn, sleedoorn, rode kornoelje en lijsterbes de perceelsgrens. Het is zowel een toevluchtsoord voor vogels als een ingang tot de boomgaard voor klein wild vanaf de wegzijde, dit zal het aantaal aanrijdingen reduceren in vergelijking met een afrastering van het perceel. Een struweelhaag is een vrijliggend lijnvormig landschapselement, met een aaneengesloten opgaande beplanting van struweel (inheemse, overwegend doornachtige struiken en kleine bomen) en een kruidachtige begroeiing van inheemse grassen en kruiden die zich spontaan kunnen ontwikkelen. Struweelhagen hebben een minimale lengte van 25 meter en een maximale breedte van 5 meter. GEBRUIK De struweelhagen dienden voornamelijk als veekering. Ze werden, afhankelijk van de streek, op verschillende manieren gevlochten om een ondoordringbare wand te verkrijgen. De struweelhaag heeft een hoge recreatieve waarde door soorten te gebruiken die bloeien in het voorjaar (zoals meidoorn) en bessen/vruchten dragen in het najaar. Struweelhagen bestaan uit soorten die in hun natuurlijke vorm een grote hoogte bereiken en bieden variatie in hoogte door incidenteel plek te bieden voor kleine bomen of grote struiken.
ECOLOGISCHE FUNCTIE Struweelhagen vormen een (vrijwel) gesloten struiklaag en zijn daarom een belangrijk leefgebied voor aan struwelen en zomen gebonden flora en fauna in het cultuurlandschap. Het landschapselement biedt veel dekking en heeft daarom een vrij grote betekenis als treken pendelroute voor kleine zoogdieren. Ondanks dat het landschapselement vanuit floristisch en faunistisch oogpunt niet erg soortenrijk is, kunnen er betrekkelijk hoge dichtheden aan dieren voorkomen. Daarbij moet vooral gedacht worden aan zangvogels (braamsluiper, grasmus, putter, kneu, e.d.) en incidenteel soorten als geelgors, roodborsttapuit en bosrietzanger. Struweelhagen zijn tevens van belang ter oriëntatie voor vleermuizen. Met een gunstige ligging kunnen struweelhagen bijdragen aan een warmer microklimaat, en zijn dan vooral van belang voor insecten, amfibiën en reptielen. Wanneer dat microklimaat ontbreekt, kunnen struweelhagen vooral van belang zijn voor broedvogels en planten van een meer extensief beheer. Daarnaast kan het struweel zorgen voor eetbare vruchten, schors, hout, et cetera.
Afbeelding 16. Locatie van de struweelhaag op het perceel
Afbeelding 15. Sfeerimpressie van een struweelhaag
PAGINA 13 | 22
SOORT EN AANTALLEN Naam
Maat
Verband
Afstand
Aantal
Bestaande situatie, soorten nader te bepalen
volgroeid
lijn
300m
onbekend
2024
2025
BEHEER Maatregelen Periodiek afzetten
2020
2021
2022
2023
2026
2027
2028
2029
x
x
x
x
PAGINA 14 | 22
4
Puntelementen in het landschap
Lijnelementen benadrukken de lijnen en ordenen het landschap. Puntelementen zijn als het ware de stapstenen in een vijver. Dieren gebruiken ze om te migreren en om te schuilen.
Solitaire bomen – L01.13 Bomen hadden vroeger altijd een functie. De bomen in het landschap fungeerden veelal als schaduwboom voor het vee. Ook brand en timmerhout was veelal afkomstig uit het landschap. Solitaire bomen zijn, in tegenstelling tot bomen die in een bos staan, in staat zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm en zijn daarom kenmerkende elementen in het landschap.
Poelen – L01.01 Door het graven van een viertal depressies krijgen de watervogels meer ruimte. Het water in de poelen is helder met een watervegetatie van Schedefonteinkruid, Zilte waterranonkel, Zittende en Gesteelde zannichellia. Deze poelen vormen belangrijke broedplaatsen voor libellen, waterjuffers, kamsalamander maar ook zoogdieren als de waterspitsmuis en de watervleermuis.
Afbeelding 17. Locatie van de poelen op het perceel
Afbeelding 18. Sfeerimpressie van poelen
Geriefbos – L01.11 Optioneel is aan de noordzijde een geriefbos voorzien. Dit bos heeft als functie hout te leveren voor gereedschap en het leveren van vulmateriaal voor de takkenrillen. Daarbij wordt ook getracht hakhoutstoven te maken, deze voorzien de boomgaard van noodzakelijk dood hout en hebben landschappelijke waarde.
Afbeelding 19. Hakhoutstoof PAGINA 15 | 22
5
ONTWIKKELING ERFBEPLANTING
De erfbeplanting bestaat zowel uit inheemse soorten als exoten. Soorten kunnen om diverse redenen gekozen worden, vanwege hun vruchtdracht, herfstkleuren of bloeiwijze. Voor dit perceel zijn overwegend inheemse soorten gekozen. Bestuivers zijn uitermate belangrijk op het perceel. Een insectenhotel biedt onderdak aan wilde bijen, vlinders, krekels en tal van andere ongewervelden. Naast de ecologische functie heeft het ook een educatieve functie voor klanten en bezoekers van het perceel. Voor een uitgebreide indruk van de bebouwing en de beplanting op het bouwperceel is een voorlopige schets opgenomen in Appendix 1. Afbeelding 20. Sfeerimpressie insectenhotel
Historische hoogstamboomgaard – L01.09 Om de biodiversiteit verder te stimuleren is initiatiefnemer van plan om een historische hoogstamboomgaard aan te leggen aan de zuidzijde van het perceel. Deze boomgaarden zijn zeldzaam in Zeeland en daarnaast zijn zij uitermate belangrijk voor bestuivers. Het bewaren van historisch erfgoed en het oogsten van onbespoten fruit is een belangrijke bijkomstigheid voor initiatiefnemer.
Afbeelding 21. Sfeerimpressie historische hoogstamboomgaard
GEBRUIK De boomgaard versterkt het groene karakter van het perceel en geeft een extra cultuurhistorische betekenis. Van oudsher kwamen op landgoederen zeldzame bomensoorten voor, zoals de notarisappel. Deze zeldzame oude fruitrassen worden ook hier weer toegepast. ECOLOGISCHE FUNCTIE Hoogstam fruitbomen vertegenwoordigen een bijzondere natuurwaarde op het landgoed, omdat insecten profiteren van bloesem, de bomen bij het ouder worden steeds meer nest- en schuilgelegenheid bieden aan vogels (mede door het ontstaan van nestholten) en het valfruit een voedselbron vormt voor insecten, vogels en zoogdieren.
SOORT EN AANTALLEN PAGINA 16 | 22
Een indicatieve lijst is te raadplegen op: https://landschapsbeheerzeeland.nl/sites/default/files/201809/assortimentslijst_boeren_planten_bomen_2018-2019-met_links.pdf BEHEER Maatregelen
2020
2021
2022
2023
2024
2025
2026
2027
2028
2029
Maaien & afvoeren
x
x
x
x
x
x
x
x
x
x
Begrazing
Ad hoc
Vormsnoei
x
Onderhoudssnoei
x
Boompalen controleren
x
Boompalen verwijderen
x
x
x
x
x x
Om een optimale bestuiving van de gewassen in de boomgaard te faciliteren, is een bijenstal voorzien aan de zuidoostzijde van het perceel. In de luwte en gemakkelijk toegankelijk vanaf een eigen dam. Drachtbomen, notenbomen en fruitbomen vormen een gezonde en gevarieerde mix in combinatie met de verschillende struiken op het perceel, voldoende voor een gevarieerd dieet voor de bestuivers. Vanzelfsprekend hebben de boomgaard, het insectenhotel en de bijenstal naast een ecologische functie ook een educatieve en sensibiliseringsfunctie naar bezoekers en omwonenden van het perceel.
Afbeelding 22. Locatie van de hoogstamboomgaard op het perceel
PAGINA 17 | 22
6 MATRIX BIODIVERSITEIT Landschapselement ERFBEPLANTING
Struweelhaag
Omschrijving
Geschikte soorten
Boomgaard Een hoogstamboomgaard is een karakteristiek landschapselement, bestaande uit meerdere fruitbomen op een weide, vaak omhaagd.
Aan de zuidzijde van het perceel is Hoogstam Zie bomenlijst SLZ een boomgaard voorzien. https://landschapsbeheerzeeland.nl/ sites/default/files/201809/assortimentslijst_boeren_plante n_bomen_2018-2019-met_links.pdf
De hoogstamboomgaard ligt altijd op of tegen het erf, aan de voor en/of zijkant van de boerderij. De boomgaard had relatief veel zorg nodig en lag daarom altijd dicht bij de boerderij. Door het gebruik van hoogstammen kon er ook vee onder lopen. Door de ligging dicht bij de boerderij werd het vee dat extra aandacht nodig had daar geweid.
PUNTELEMENTEN IN HET LANDSCHAP Scenario 1
Scenario 1
Solitaire bomen Solitaire bomen zijn, in tegenstelling tot bomen die in een bos staan, in staat zich volledig vrij groeiend te ontwikkelen met een natuurlijke kroonvorm en zijn daarom kenmerkende elementen in het landschap.
Bomen in het landschap Zomereik, Gewone es, Populier, Winterlinde, Zwarte els, Beuk
Geriefbos Een geriefbosje is een bosje dat voornamelijk uit struiken bestaat en vaak niet groter is dan 500m2. De soorten zijn vooral besdragende struiken om vogels aan te trekken.
Struiken Vuilboom, Meidoorn, Sleedoorn, Hondsroos, Gelderse roos, Inheemse vogelkers, Hazelaar, Krentenboompje, Rode kornoelje, Veldesdoorn, Lijsterbes
Poelen Vaak gebruikt als drinkwaterplaatsen voor vee
Plaats op perceel
Voorwaarden
Over het gehele perceel zijn solitaire Realisatie alleen mogelijk in bomen voorzien. combinatie met scenario 1, 2 en 3.
Bomen op het erf Zomereik, Walnoot, Winterlinde, Tamme kastanje, Paardenkastanje, Beuk Geriefhoutbosjes komen voor op het Realisatie alleen mogelijk in erf. Het element werd door de boer combinatie met scenario 1, gebruikt voor het dagelijks gerief. Het 2 en 3. bosje behoort daarom aan de achterzijde van het erf.
Aan de noordzijde van het perceel zijn poelen voorzien.
PAGINA 18 | 22
LIJNELEMENTEN IN HET LANDSCHAP
Houtsingel Een lijnvormig landschapselement van 4 tot maximaal 20 meter breed en bestaat uit bomen (50%) en struiken.
Bomen Zomereik, Beuk, Gewone es, Zwarte els, Zoete Kers, Berk
Houtsingels komen voor op de hogere delen van het landschap, veelal rondom de akkers. Plaatselijk kunnen zij overgaan in een graft, een natuurlijke verlaging in het landschap achter de houtsingel door erosie.
Struiken Hazelaar, Lijsterbes, Gelderse roos, Vuilboom, Meidoorn, Hondsroos, Veldesdoorn
Aan de oostzijde van het perceel is reeds een houtsingel aanwezig.
Realisatie alleen mogelijk in combinatie met scenario 1, 2 en 3.
Aan de westzijde van het perceel is Knotbomen Bomen Een knotboom is een boom die regelmatig geknot wordt op een Schietwilg, Zwarte els, Gewone es. een wilgensingel voorzien. bepaalde hoogte. Meestal gebeurt dit op zo’n 2 meter stamhoogte. Door het regelmatig terugsnoeien ontstaat er na verloop van tijd op de stam een knoestige ‘knot’.
Realisatie alleen mogelijk in combinatie met scenario 1, 2 en 3.
Knotbomen staan met name in de natte delen van het landschap. Met name langs sloten.
Struweelhaag Een struweelhaag is een lijnvormig landschapselement met een aaneengesloten opgaande beplanting inheemse, overwegend doornachtige struiken, die vrijuit mogen groeien. Vrijuit groeiende hagen komen voor in de vaak lagere nattere delen en op de overgangen van hoog naar laag van het landschap.
Takkenril Hoewel het feitelijk geen landschapselement betreft, heeft een takkenril een duidelijke ecologische functie. Het herbergen van dood materiaal afkomstig van het perceel.
Aan de zuidzijde van het perceel is Struiken Meidoorn, Sleedoorn, Hondsroos, een boomgaard voorzien. Veldesdoorn, Heggenroos, Rode kornoelje, Hazelaar, Lijsterbes, Egelantier, Brem
Aan de westzijde, rechts naast de oprit en in het grasland zijn takkenrillen voorzien.
PAGINA 19 | 22
SCENARIO 1 SCENARIO 2 SCENARIO 3
Ruigteveld
zie pagina 3
Aan de noordzijde van het perceel is ruigteveld voorzien.
Kruiden- en faunarijk grasland
zie pagina 5
Aan de noordzijde van het perceel is grasland voorzien.
Droog schraalland
zie pagina 6
Aan de noordzijde van het perceel is Dit natuurstreefbeeld is lastig schraalland voorzien. te bereiken door de nutriëntenrijke bodem. Schapenbegrazing noodzakelijk
SCENARIO 4 SCENARIO 5 SCENARIO 6
Elzenrijk Essen-Iepenbos
zie pagina 7
Aan de noordzijde van het perceel is De aanwezigheid van een bos voorzien. voldoende hangwater en/of grondwater is belangrijk.
Vogelkers-Essenbos
zie pagina 8
Aan de noordzijde van het perceel is De aanwezigheid van een bos voorzien. voldoende hangwater en/of grondwater is belangrijk.
Eiken-Haakbeukenbos
zie pagina 9
Aan de noordzijde van het perceel is een bos voorzien.
PAGINA 20 | 22
7
AANBEVELINGEN
Gezien de enorme potentie en diversiteit aan opties is het aan te raden om door verantwoord beheer tot een geleidelijke totstandkoming te zorgen van de gewenste scenario’s. Allereerst zal de grond, die door jarenlange landbouwactiviteiten plaatselijk verdicht en verslempt is, belucht moeten worden. Om erosie door wind te voorkomen kan het perceel daarna ingezaaid worden met een groenbemesters van hoge kwaliteit. Deze groenbemesters zorgen op hun beurt weer voor een toename in de beschikbare organische koolstof in de bodem. Door maaien, begrazing en verantwoord beheer en onderhoud wordt gestaag gewerkt naar een perceel van hoge ecologische kwaliteit. Vanwege de openheid van het landschap en de hoge mate van variatie biedt een combinatie van scenario één, twee en drie het meeste landschappelijke waarde. Hier zorgt een samenspel van cultuur- en natuurlandschap voor een grote mate van biodiversiteit.
Afbeelding 23. Alle landschapselementen op het perceel
PAGINA 21 | 22
APPENDIX 1
CONCEPT INRICHTING
PAGINA 22 | 22