FHToelichting
Tekst van het document
De geplande woonlocatie ligt niet binnen de risicoafstanden van Bevi-bedrijven. Risicovolle inrichtingen Voor risicovolle inrichtingen is het Besluit externe veiligheid (Bevi) van toepassing. Voorbeelden van deze risicovolle bedrijven zijn lpg-tankstations, ammoniakkoelinstallaties en chemische fabrieken. Het Bevi is opgesteld om de risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven te beperken. De normstelling van het Bevi richt zich zowel op vergunningverlening als ruimtelijke ordening. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object in het invloedsgebied toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. Volgens de risicokaart van de provincie Zeeland bevindt zich op circa 300 meter van het plangebied een bedrijfspand van CZAV. De risicoafstand voor dit bedrijf wat valt onder de risicovolle inrichtingen waarbij het Bevi van toepassing is bedraagt 60 meter. Externe veiligheid transport In het Besluit externe veiligheid transportroutes, dat per 1 april 2015 in werking is getreden, heeft het Rijk het beleid vastgelegd met betrekking tot de afweging van veiligheidsbelangen die een rol spelen bij het vervoer van gevaarlijke stoffen.
In het besluit zijn regels opgenomen voor het realiseren van (beperkt) kwetsbare objecten binnen de zogeheten basisnetafstanden van een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Deze basisafstanden zijn vastgelegd in de Regeling Basisnet. Het besluit is onder meer van toepassing op omgevingsbesluiten, zoals het vaststellen van een bestemmingsplan. De Hulsterweg N689 maakt deel uit van de gemeentelijke routering vervoer gevaarlijke stoffen. Het bouwvlak van de woonbestemming ligt op minimaal 140 meter van de Hulsterweg. Op het bouwvlak is ruimte voor één huishouden. De bewoners zijn zelfredzaam. Het risico neemt niet onverantwoord toe.
BESTEMMINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT ONG. LAMSWAARDE – TOELICHTING STATUS : ONTWERP VERSIEDATUM : 17 JUNI 2019
PAGINA 28 | 34
Buisleidingen Voor buisleidingen waardoor gevaarlijke stoffen worden vervoerd, is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) van toepassing. Op grond van het Bevb geldt voor de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar object dichtbij dergelijke buisleidingen, een grenswaarde van 10-6/jr voor het plaatsgebonden risico. Voor beperkt kwetsbare objecten geldt deze waarde als richtwaarde. Indien een ruimtelijk plan de aanleg, bouw of vestiging van een kwetsbaar of een beperkt kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een buisleiding toelaat, dient tevens het groepsrisico te worden verantwoord. In dit bestemmingsplan wordt in een deel van het plangebied bouwen mogelijk gemaakt. Bij de verdere uitwerking van de bouwplannen is het Bouwbesluit van toepassing en wordt de brandweer/Veiligheidsregio Zeeland betrokken. Externe veiligheid vormt dan ook geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.
4.9.
Besluit Milieueffectrapportage
In het Besluit milieueffectrapportage is bepaald dat een milieueffectbeoordeling uitgevoerd moet worden als een project belangrijke nadelige gevolgen heeft voor het milieu. Het gaat dan om een project dat genoemd is in de bijlage onder C of D van het Besluit-m.e.r. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling op een perceel van circa 3 hectare waarbij wordt gebouwd en gebruikgemaakt wordt van een bestemmingswijziging van de huidige agrarische bestemming naar een woonbestemming met de aanduiding ‘landhuis’. Een dergelijke ontwikkeling wordt niet benoemd in bijlage D van het Besluit-m.e.r. Het opstellen van een m.e.r.-beoordeling of Plan-m.e.r. is derhalve niet aan de orde.
BESTEMMINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT ONG. LAMSWAARDE – TOELICHTING STATUS : ONTWERP VERSIEDATUM : 17 JUNI 2019
PAGINA 29 | 34
5.
JURIDISCHE VORMGEVING
5.1.
Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP)
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormen het wettelijk kader voor het bestemmingsplan. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar zijn. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. In het Bro is verankerd dat een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP 2012.
5.2.
Opzet bestemmingsregeling
Planvorm De keuze van de planvorm wordt in belangrijke mate bepaald door het gewenste ruimtelijke beleid en de regiefunctie van de gemeente. Het spanningsveld tussen flexibiliteit en rechtszekerheid speelt hierin een belangrijke rol. Gedetailleerde bestemmingsplannen bieden in beginsel meer rechtszekerheid, terwijl globale eindplannen meer ontwikkelingsmogelijkheden bieden binnen één bestemming. Overigens is een mengvorm van bovenstaande plannen mogelijk. Het voorliggende bestemmingsplan kan getypeerd worden als een plan met flexibele opzet, waarbinnen het voornemen gestalte kan krijgen. De grenzen zijn zo opgezet dat de rechtszekerheid voor de omwonenden niet in het geding is. Opzet verbeelding Op de verbeelding wordt aangegeven welke bestemming geldt voor de betreffende gronden en waar bebouwing is toegestaan. Door middel van hoofdletters wordt de bestemming aangeduid, zoals ‘W’ voor ‘Wonen’. Op het renvooi wordt de betekenis aangegeven van de bestemmingen en de aanduidingen. Tevens wordt in een onder hoek op de analoge verbeelding de naam van het bestemmingsplan aangegeven, de datum van terinzagelegging, vaststelling en (eventueel) van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Ook is het identificatienummer van het bestemmingsplan en het kaartblad aangegeven. De analoge verbeelding bestaat uit 1 kaartblad en renvooi op een schaal van 1:1.000.
Opzet planregels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde: - In hoofdstuk 1 ‘inleidende regels’ worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig,
gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald. - In hoofdstuk 2 ‘bestemmingsregels’ worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen
die op de plankaart voorkomen nader worden omschreven. - Hoofdstuk 3 ‘algemene regels’ bevat een aantal regels die voor alle bestemmingen gelden, zoals een anti-dubbeltelregel, een procedureregel, dan wel regels die voor de nodige flexibiliteit kunnen zorgen, zoals algemene afwijkingsregel of wijzigingsbevoegdheden. - Hoofdstuk 4 ‘overgangs- en slotregels’ ten slotte geeft overgangsrecht voor bestaand gebruik en bestaande bebouwing en de titel van het plan.
BESTEMMINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT ONG. LAMSWAARDE – TOELICHTING STATUS : ONTWERP VERSIEDATUM : 17 JUNI 2019
PAGINA 30 | 34
Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: Bestemmingsomschrijving: - bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); - afwijken van de bouwregels; - specifieke gebruiksregels; - afwijken van de gebruiksregels; - wijzigingsbevoegdheid; - omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden. Een bestemmingsartikel behoeft niet alle bovengenoemde elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
5.3.
Gehanteerde bestemmingen
Dit bestemmingsplan vervangt voor het voorliggende plangebied het vigerende bestemmingsplan ‘buitengebied Hulst’. Inleidende regels (hoofdstuk 1) Hoofdstuk 1 bestaat uit begripsbepalingen en de wijze van meten. Voor de begripsbepalingen is waar mogelijk gebruik gemaakt van de standaardbepalingen uit de SVBP2012. In dit artikel worden de begrippen gedefinieerd die van het 'normale' spraakgebruik afwijken of een specifiek juridische betekenis hebben. Bij de toetsing aan het bestemmingsplan zal moeten worden uitgegaan van de in dit artikel aan de betreffende begrippen toegekende betekenis. Hoofdbestemming (hoofdstuk 2) Het plangebied is gelegen in de hoofdbestemming ‘Agrarisch’ en wordt gewijzigd naar de hoofdbestemming ‘Wonen’. In deze hoofdbestemming worden de functies behorende bij ‘Wonen’, mogelijk gemaakt. Algemene regels (hoofdstuk 3) In dit hoofdstuk zijn algemene regels opgenomen. Ze gelden dus voor het gehele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel in artikel 4, algemene bouwregels in artikel 5, algemene aanduidingsregels in artikel 6 en algemene procedureregels in artikel 7. Overgangs- en slotbepalingen (hoofdstuk 4) In dit hoofdstuk is in artikel 8 aangegeven onder welke naam het bestemmingsplan moet worden aangehaald.
BESTEMMINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT ONG. LAMSWAARDE – TOELICHTING STATUS : ONTWERP VERSIEDATUM : 17 JUNI 2019
PAGINA 31 | 34
6.
ECONOMISCHE EN MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID
6.1.
Economische uitvoerbaarheid
In het kader van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient de financieel-economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan te worden aangetoond. Op grond van het bepaalde in artikel 6.12, eerste lid, van de Wet ruimtelijke ordening stelt de gemeenteraad een exploitatieplan vast voor gronden waarop een bouwplan is voorzien. De gemeenteraad – of het college van B&W indien deze bevoegdheid gedelegeerd is – kan besluiten om geen exploitatieplan vast te stellen als het verhaal van kosten anderszins verzekerd is. De beoogde bestemmingswijziging betreft een particulier initiatief. De kosten voor het initiatief – zijnde het voorliggende bestemmingsplan – zijn voor rekening van de initiatiefnemer. Voor de gemeente zijn aan onderhavig plan geen financiële consequenties verbonden. Het plan is hierdoor dan ook economisch uitvoerbaar.
6.2.
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op basis van artikel 3.1.1 Bro wordt het bestemmingsplan door de gemeente in vooroverleg gezonden naar de provincie Zeeland en waterschap Scheldestromen. Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter inzage gelegd.
BESTEMMINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT ONG. LAMSWAARDE – TOELICHTING STATUS : ONTWERP VERSIEDATUM : 17 JUNI 2019
PAGINA 32 | 34
BIBLIOGRAFIE CROW. (september 2008). Parkeerkencijfers - basis voor parkeernormering (Publicatie 182). Geraadpleegd van https://bsbveilig.files.wordpress.com/2013/10/crow-parkeernormen-publ-182.pdf Gemeente Hulst. (s.d.). Gemeentelijk Verkeersveiligheidsplan Hulst 2011-2020, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.gemeentehulst.nl/de_Gemeente/Beleid_en_regelgeving/gemeentelijk_beleid Gemeente Hulst. (1 juli 2015). Nota Ruimtelijk Beleid. Geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.google.nl/url?sa=t&rct=j&q=&esrc=s&source=web&cd=1&cad=rja&uact=8&ved=2a hUKEwi3ptaDz_HeAhWMqaQKHYfHCbkQFjAAegQICBAC&url=https%3A%2F%2Fwww.gemee ntehulst.nl%2Fde_Gemeente%2FBeleid_en_regelgeving%2Fgemeentelijk_beleid%2FNota_Ruimtelij ke_Kwaliteit.pdf&usg=AOvVaw3zZtd2wmhno0UOXaSQYVqGeonovum. (s.d.). RO-Standaard SVBP 2012, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://ro-standaarden.geonovum.nl/2012/SVBP/1.2/SVBP2012-v1.2.pdf Gisnet. (s.d.). Structuurvisie gemeente Hulst, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://www.gisnet.nl/ruimtelijkeplannen/Hulst/RO-Online/2008/NL.IMRO.0677.strhulstooo0/d_NL.IMRO.0677.strhulst-ooo0.pdf InfoMil. (s.d.). Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb), geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/veiligheid/buisleidingen/ InfoMil. (s.d.).
Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/veiligheid/bevi-revi/#hfc2932e1-1d68-464e-8d851d26bcc43276 InfoMil. (s.d.). Besluit Milieueffectrapportage (Besluit m.e.r.), geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/integrale/mer/procedurehandleiding/wanneerbeoordeling/besluit-0/ InfoMil. (s.d.). Geldend reken- en meetvoorschrift geluid 2012, versie vanaf 1 juli 2012, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/geluid/regelgeving/wetgeluidhinder/wegverkeerslawaai/akoestisch-rapport/rekenen-meten/#GeldendRekenenmeetvoorschriftversievanafjuli InfoMil. (s.d.). VI-Lucht en Geluid, geraadpleegd op 14 mei 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/inschatten/ InfoMil. (s.d.). Niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging (NIBM), geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/luchtwater/luchtkwaliteit/regelgeving/wet-milieubeheer/nibm/#WanneeriseenprojectNIBM InfoMil. (s.d.). NIBM-tool voor berekening van NO2 en PM10. Geraadpleegd op 4 mei 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/lucht-water/luchtkwaliteit/slag/hulpmiddelen/nibm-tool/ InfoMil. (s.d.).
Standaard rekenmethode 1 RMG 2012, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/geluid/regelgeving/wetgeluidhinder/wegverkeerslawaai/akoestisch-rapport/virtuele-map/standaard-0/ InfoMil. (s.d.). Ladder duurzame ontwikkeling, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.infomil.nl/onderwerpen/ruimte/gebiedsontwikkeling/ladder-duurzame/handreikingladder/ Overheid. (s.d.). Besluit externe veiligheid transportroutes, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://wetten.overheid.nl/BWBR0034233/2015-04-01
BESTEMMINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT ONG. LAMSWAARDE – TOELICHTING STATUS : ONTWERP VERSIEDATUM : 17 JUNI 2019
PAGINA 33 | 34
Provincie Zeeland. (s.d.). Kaarten Natuurnetwerk, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.zeeland.nl/kaarten-en-cijfers/kaarten/natuur-en-landschap-kaart Provincie Zeeland. (s.d.). Omgevingsplan Zeeland 2012 – 2018, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.zeeland.nl/digitaalarchief/zee1201358 Provincie Zeeland. (s.d.). Omgevingsplan Zeeland 2018, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.zeeland.nl/digitaalarchief/zee1800160 Provincie Zeeland. (s.d.). Zettingsgevoeligheid, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=ZeeuwsBodemvenster&theme0=A&opacity=0.6&lay ers0=Zettingsgevoeligheid Ruimtelijke plannen. (s.d.). Archeologische beleidskaart, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0677.ppArcheologie001V/b_NL.IMRO.0677.ppArcheologie-001V_tb2.pdf Ruimtelijke plannen. (s.d.). Archeologische vrijstellingskaart, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0677.ppArcheologie001V/b_NL.IMRO.0677.ppArcheologie-001V_rb1.pdf Ruimtelijke plannen. (s.d.). Bestemmingsplan buitengebied, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0677.bpbuitengebied001V/r_NL.IMRO.0677.bpbuitengebied-001V_index.html Waterschap Scheldestromen. (s.d.).
Beschermingszone oppervlaktewaterlichaam, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://scheldestromen.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=34a19a6fd0a14069880 d974f8373dd8d Waterschap Scheldestromen. (s.d.). Beschermingszone waterwingebied, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://scheldestromen.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=c6cb7df65cec4dd28855 058e1c47ab9c Waterschap Scheldestromen. (s.d.). Rioleringsgebieden, geraadpleegd op 15 februari 2019, van http://scheldestromen.maps.arcgis.com/apps/webappviewer/index.html?id=69df5948a17946afbcb0 122df892ad7f Waterschap Scheldestromen. (s.d.). Waterbeheerplan 2016-2021, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://scheldestromen.nl/waterbeheer-de-toekomst Witteveen+Bos. (13 september 2006). Stedelijk Waterplan Zeeuws-Vlaanderen (Visienota Hulst). Geraadpleegd van https://www.gemeentehulst.nl/de_Gemeente/Beleid_en_regelgeving/gemeentelijk_beleid Zeeuws Bodemvenster. (s.d.). Bodemgegevens Zeeland, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.zeeuwsbodemvenster.nl/bodemwinkel Zeeuws Bodemvenster. (s.d.). Bodemkwaliteitskaart Zeeuws-Vlaanderen, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://www.zeeuwsbodemvenster.nl/sites/zlbodemvenster/files/wbkk_zeeuws_vlaanderen.pdf Zeeuws Bodemvenster. (s.d.).
Infiltratiemogelijkheden, geraadpleegd op 15 februari 2019, van https://intgwbp.zeeland.nl/geoloket/?Viewer=ZeeuwsBodemvenster&theme0=A&opacity=0.6&lay ers0=Infiltratie
BESTEMMINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT ONG. LAMSWAARDE – TOELICHTING STATUS : ONTWERP VERSIEDATUM : 17 JUNI 2019
PAGINA 34 | 34
APPENDIX 1 | AANMELDFORMULIER WATERTOETS
Aanmeldformulier watertoets De watertoets of waterschapstoets geeft inzicht in de consequenties van uw plan voor de taken van Waterschap Scheldestromen. Voorafgaand aan het overleg stuurt u ons een zo volledig mogelijk ingevuld aanmeldformulier (vervang onze cursieve toelichtingen in de rechter kolom door uw invullingen). Dit formulier is de agenda voor ons contact met u (in persoon, per mail en/of telefonisch). De watertoetstabel met definitieve invullingen en eventueel aanvullende documenten is inhoudelijk gelijk aan de, wettelijk verplichte, waterparagraaf van het ruimtelijk plan. Het ruimtelijk plan vormt de basis voor ruimtelijke besluitvorming en vergunningverlening.
Uw gegevens
Gegevens initiatiefnemer
Formulier ingevuld door
(particulier/bedrijf)
(werkend voor initiatiefnemer, b.v. adviesbureau)
Naam: Organisatie: Adres: Postcode + plaats: E-mailadres:
D.G.M. van Boven Van Boven Projectmanagement De Droge Kreek 11 4561DV Hulst info@vanbovenprojectmanagement.nl
D.G.M. van Boven Van Boven Projectmanagement De Droge Kreek 11 4561DV Hulst info@vanbovenprojectmanagement.nl
Telefoonnummer: Datum aanvraag:
06-46325327 16 december 2018
06-46325327 16 december 2018
Gegevens van het plan Wat is de (concept)plannaam:
Wijzigingsplan Frederik Hendrikstraat Kuitaart
Waar is het plan gelegen:
Frederik Hendrikstraat o.g. Kuitaart Sectie K 1425 Kavelgrootte 3,05 ha.
Beknopte planomschrijving Het wijzigingsplan voorziet in een nieuwe ruimtelijke ontwikkeling waarbij wordt gebouwd. Er vindt een bestemmingswijziging plaats van agrarisch naar wonen met de functieaanduiding landhuis. Dit betekend dat minimaal 50% van het kavel ingericht moet worden als zijnde natuur (opgaand hout). Het hoofdgebouw mag maximaal een grondoppervlakte hebben van 225 m2.
Watertoetstabel
De watertoetstabel ondersteunt de onderbouwing van de wateraspecten in een ruimtelijk plan. Thema en water(beheer)doelstelling Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en rekening houden met de daarvoor benodigde ruimte.
Het plan heeft geen relatie met de primaire of secundaire waterkeringen.
2
Vermeld de totale oppervlakken (in m2) van: Het huidige dakoppervlak bestaat uit het aanwezig schuurtje van 8 x 3 meter. Het overige deel is thans agrarisch en waterdoorlatend. In de nieuwe situatie mag maximaal 5% van het totale kaveloppervlak van 30.545 m2 bebouwd worden, dat is afgerond 1528 m2 dakoppervlak (bij een plat dak). Aanname voor dichte verharding van terrassen etc. is 1000 m2.
Voorkomen overlast door oppervlaktewater Het plan biedt voldoende ruimte voor het vasthouden, bergen en afvoeren van water. Waarborgen van voldoende bouwpeil om overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
Voorkomen overlast door hemel- en afvalwater
Waarborgen optimale werking van de zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke) rioleringen. Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken in verband met de reductie van hydraulische belasting van de RWZI, het transportsysteem en het beperken van overstorten.
Thema en water(beheer)doelstelling
Grondwaterkwantiteit en verdroging
Voorkomen en tegengaan van grondwateroverlast en -tekort. Rekening houdend met de gevolgen van klimaatverandering. Beschermen van infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
Er zal nog 15.000 m2 ingericht moeten worden als zijnde natuur, aanname is dat 2.000 m2 hiervan water zal zijn (kreken/singels/poelen). Gezien de lage ligging van het perceel zijn wij voornemens om de woning wat hoger te bouwen dan het huidige maaiveld, middels het ophogen van het gehele perceel, of met een terp o.i.d. (nader uit te werken, initiatiefnemer is zich bewust van de lage ligging). huidige situatie
na realisatie
dakoppervlak
24
1528
1
dichte bodemverharding
0
1000
2
doorlatende bodemverharding
30521
26017
3
wateroppervlak
0
2000
4
Hemelwater (HWA) wordt opgevangen op het dak en stort over in watertank t.b.v. toilet en wasmachine. Hemelwater zijnde geen dakwater infiltreert in het plangebied. Het vuilwater (DWA) zal aangesloten worden op een nog nader uit te werken helofytenfilter-systeem. Er komt vanuit dit perceel geen belasting op de RWZI. Dus geen aansluiting op de aanwezige systemen in de straat, zijnde gemengd riool of drukriool. Uitwerking Dit plan omvat het bouwen (hoofdgebouw en bijgebouwen) van maximaal 5% van 30.545m2, ofwel afgerond 1528 m2. Het hemelwater van het hoofdgebouw wordt opgevangen op het dak en stort over in een watertank t.b.v. toilet en wasmachine. Het water van de bijgebouwen en eventuele verhardingen kan vrij infiltreren in het overige gebied van 2,9 ha. Er wordt geen grondwater onttrokken.
3
Grondwaterkwaliteit
Behoud of realisatie van een goede grondwaterkwaliteit. Denk aan grondwaterbeschermingsgebieden.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Behoud of realisatie van goede oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de veerkracht van het watersysteem. Toepassing van de trits schoonhouden, scheiden, zuiveren.
Volksgezondheid
Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling
Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Natte natuur
Ontwikkeling/bescherming van een rijke gevarieerde en natuurlijk karakteristieke aquatische natuur.
Onderhoud oppervlaktewater
Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
Tijdens de bouw worden geen of zo min mogelijk uitlogende materialen gebruikt. De kwaliteit van het grondwater zal hierdoor niet afnemen. De planlocatie ligt niet in een grondwaterbeschermingsgebied. De ontwikkeling zal geen significante gevolgen hebben voor dit gebied. Tijdens de bouw worden geen of zo min mogelijk uitlogende materialen gebruikt. De kwaliteit van het grondwater zal hierdoor niet afnemen. Al het hemelwater wordt opgevangen op het dak en stort over in een watertank die gebruikt kan worden voor doeleinden als (toilet en wasmachine).
Een extra voorziening voor waterberging is niet noodzakelijk. Verdrinkingsgevaar en of risico daaromtrent zijn niet aan de orde. De planlocatie is aangeduid als weinig zettingsgevoelig gebied. Extra maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk. Ten westen van het plangebied ligt de 'Kleine Vogel'. Aan de oostzijde ligt bebouwing en bos. De aanwezig Flora & Fauna waarden binnen het plangebied zijn geïnventariseerd middels een Quickscan. De noord- en oostzijde van het plangebied zal dusdanig ingericht worden dat het een toevoeging is aan de biodiversiteit in deze omgeving. Hiervoor zal advies gevraagd worden aan diverse ecologen. De onderhoudswerkzaamheden aan oppervlaktewateren kunnen plaatsvinden. De obstakelvrije afstand tot de sloot/watergang aan de west- en noordzijde van het plangebied blijft conform de beschermingszone minimaal 7 meter.
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder
Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing)
* in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen? * na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer? * na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en voetgangers uw plan kunnen bereiken.
De ruimtelijke ontwikkeling levert geen belemmering op voor de werking van waterschapsobjecten.
•
•
Ja, plangebied is gelegen aan de Frederik Hendrikstraat, wegtype A. Type transport, nader te bepalen (vermoedelijk grond en bouwmaterialen). Nee het plan geeft geen structureel extra verkeer, het betreft de bouw van 1 woning.
4
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd?
•
* na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd?
•
* na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
Tot slot
Wij verzoeken u het formulier zo volledig mogelijk in te vullen en met een overzichtskaart van het plan te mailen naar waterschap Scheldestromen: info@scheldestromen.nl of postbus 1000, 4330 ZW Middelburg. Het waterschap coördineert de watertoets ook voor Rijkswaterstaat als die betrokken is.
•
Het perceel aan de Frederik Hendrikstraat wordt ontsloten middels 3 reeds aanwezige dammen. Het perceel voorziet in parkeren op eigen terrein! Conform de geldende parkeernorm van de gemeente Hulst moet het perceel voorzien in 3 parkeerplaatsen. Het hoofdgebouw zal conform de geldende regels op dit perceel minimaal 25 meter vanaf de Frederik Hendrikstraat worden gebouwd. Hoofd- en bijgebouwen moeten minimaal 10 meter uit de erfgrens gebouwd worden. Locatie hoofdgebouw komt naar verwachting in het centrum van het perceel. Locatie bijgebouwen is nog niet bekend, maar deze worden geplaatst conform de daarvoor geldende afstanden t.o.v. de perceelgrenzen. Langs de westzijde van het perceel bevindt zich de beschermingszone van 7 meter breed, vooralsnog is de wens om deze vrij te houden zone, aan de oostzijde af te schermen met knotwilgen of takkenrillen o.i.d. (groene afscheiding).
APPENDIX 2 | QUICKSCAN FLORA & FAUNA
Quickscan Frederik Hendrikstraat te Lamswaarde In het kader van de Wet Natuurbescherming
Tekst, foto's en samenstelling
E.W.A. Michels
In opdracht van
D. van Boven
Rapportnummer
2018_130143-01_01
Status rapport
Definitief
Datum oplevering rapport
19-november-2018
Aantal pagina's Wijze van citeren
24 Michels, E.W.A., 2018, Quickscan Frederik Hendrikstraat, Lamswaarde. In het kader van de Wet Natuurbescherming. Rapport 130143-01-01, Ecodat BV ecologisch adviesbureau, Etten-Leur
1. 1.
I NHOUD Inleiding en samenvatting .................................................................................................................... 4
1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.2 Doel ............................................................................................................................................................... 4 1.3 Samenvatting................................................................................................................................................ 4 2.
Beschrijving van het projectgebied ....................................................................................................... 5
2.1
Ligging en omgeving ................................................................................................................................. 5
2.2 Huidige situatie ............................................................................................................................................ 6 3. Wettelijk kader ........................................................................................................................................ 8 4.
Werkwijze en onderzoeksinspanning. ................................................................................................ 10
4.1
Zoogdieren ......................................................................................................................................... 10
4.2
Vogels ..................................................................................................................................................... 11
4.3
Vaatplanten ....................................................................................................................................... 12
4.4
Reptielen................................................................................................................................................. 12
4.5
Amfibieën ............................................................................................................................................... 13
4.6
Vissen ...................................................................................................................................................... 13
4.7
Insecten .............................................................................................................................................. 14
5.
Resultaten.......................................................................................................................................... 15
5.1
Zoogdieren ......................................................................................................................................... 15
5.2
Vogels ................................................................................................................................................. 17
5.3
Vaatplanten ....................................................................................................................................... 17
5.4
Reptielen ............................................................................................................................................ 18
5.5
Amfibieën........................................................................................................................................... 18
5.6
Vissen ................................................................................................................................................. 19
5.7
Insecten .................................................................................................................................................. 19
6.
Conclusies en aanbevelingen .............................................................................................................. 21
6.1
Potenties ............................................................................................................................................ 21
6.2
Mogelijke effecten ............................................................................................................................. 21
6.3 Vervolgtraject ............................................................................................................................................. 21 Geraadpleegde bronnen............................................................................................................................. 22 Bijlage 01 ................................................................................................................................................... 23
2
3
1. I NLEIDING EN SAMENVATTING 1.1 Aanleiding De familie Van Boven (hierna initiatiefnemer) is voornemens om in het plangebied aan de Frederik Hendrikstraat, gemeente Lamswaarde (kadastraal perceel HTN01-K-1425) een deel van het agrarisch terrein bouwrijp te maken en hierop een nieuwbouw te realiseren. Volgens nationale en internationale regelgeving is het verplicht om voordat een ingreep plaatsvindt onderzoek te doen naar het eventuele voorkomen van beschermde flora en fauna.
1.2 Doel Met behulp van dit onderzoek worden de volgende vragen beantwoord: • • •
Welke beschermde soorten flora en fauna komen voor in het projectgebied? Welke functies heeft het projectgebied voor de aanwezige beschermde soorten? Leidt de ingreep (mogelijk) tot overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming?
1.3 Samenvatting Omdat er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor flora en/of fauna zal er geen aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn en kunnen de geplande werkzaamheden uitgevoerd worden. Hierbij dient men zich nog immer te houden aan de zorgplicht richting de flora en fauna.
4
2. B ESCHRIJVING VAN HET PROJECTGEBIED 2.1 Ligging en omgeving Het projectgebied behelst:
Figuur 1: Perceel HTN01-K-1425 te Lamswaarde
Het projectgebied is momenteel een agrarisch perceel met hoofdzakelijk in de zomerperiode maïs.
Figuur 2: projectgebied (rood omkaderd)
5
2.2 H UIDIGE SITUATIE Opstallen Het perceel kent een houten schuur met een golfplaten dak.
Figuur 3: projectgebied met rechts het houten schuurtje
Groene elementen Het perceel kent een agrarisch karakter met voornamelijk in de zomer een beplanting van maïs. Aan de westzijde ligt een waterloop. Aan de oostzijde ligt een klein bosperceel. De directe verdere omgeving heeft een agrarische bestemming.
Ecologische potenties Het projectgebied bestaat uit een akker en een houten schuur.
SCAN GEBIEDSBESCHERMING Europese Natura 2000-gebieden Het projectgebied bevindt zich niet in de directe nabijheid van een gebied dat is aangewezen als Europees Natura 2000-gebied. Op een afstand van 200 meter ten westen van het projectgebied ligt het Natura 2000-gebied "Vogelkreek". Het Natura 2000-gebied betreft een habitatrichtlijngebied. De bestemmingsplanwijziging heeft, gelet op de omvang, soort activiteiten en de tussenliggende afstand, geen invloed op dit gebied. Eventueel verstorende factoren zoals oppervlakteverlies, versnippering, verdroging en verstoring door trilling, licht en geluid zijn met de voorgenomen planontwikkeling niet van toepassing. 6
Figuur 3: Natura2000 .
Nationaal Natuurnetwerk (NNN, in de wet EHS) Het projectgebied maakt geen onderdeel uit van het Nationaal Natuurnetwerk. De ligging van gebieden die onderdeel uitmaken van NNN zijn in het hier onderstaande figuur (4) weergegeven. Met de voorgenomen planontwikkeling is er geen sprake van directe vernietiging van het NNN. Van negatieve uitstralingseffecten door geluid, licht en verdroging op het Nationaal Natuur Netwerk is geen sprake.
Figuur 4: Provinciale NNW (groen en geel).
7
3. W ETTELIJK KADER De Wet natuurbescherming bevat de voormalige wetten: de Natuurbeschermingswet 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. De Wet natuurbescherming beschermt in beginsel soorten. Activiteiten waarbij schade gedaan wordt aan beschermde dieren of planten zijn verboden. Tenzij dit uitdrukkelijk is toegestaan (het “nee, tenzij”-principe). Het is dan ook altijd zaak dat, waar mogelijk, activiteiten zonder schade aan beschermde dieren en planten uitgevoerd worden. De wet erkent de intrinsieke waarde van in het wild levende diersoorten. In de wet is dan ook een zorgplicht opgenomen: iedereen moet 'voldoende zorg' in acht nemen voor alle in het wild voorkomende dieren en planten en hun leefomgeving (dus niet alleen de beschermde). Via de Wet natuurbescherming (Wnb) is de bescherming van diverse planten en dieren in Nederland vastgelegd. Naast de algemeen geldende zorgplicht voor alle in het wild levende planten en dieren (artikel 1.11 van de Wnb) geldt voor een aantal soorten een aanvullend beschermingsregime. Deze aanvullend beschermde soorten zijn onderverdeeld in drie groepen, namelijk: • • •
vogels (artikel 3.1, alle soorten uit de Europese Vogelrichtlijn); overige strikt beschermde soorten, waaronder soorten uit de Europese Habitatrichtlijn (artikel 3.5, dit betreffen o.a. vleermuizen); nationaal beschermde soorten, waaronder soorten uit de Rode Lijst (artikel 3.10).
Het is volgens de Wet natuurbescherming niet toegestaan om (het leefgebied van) beschermde soorten aan te tasten. Dit is vastgelegd middels verbodsbepalingen: activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten zijn verboden.
Vrijstelling binnen provincie Zeeland Provincies hebben de bevoegdheid om middels een provinciale verordening vrijstelling te verlenen voor nationaal beschermde soorten in het kader van bestendig beheer en onderhoud en ruimtelijke ontwikkeling. In het geval van de provincie Zeeland worden de volgende nationaal beschermde soorten vrijgesteld: bruine kikker, gewone pad, kleine watersalamander, meerkikker, middelste groene kikker, aardmuis, bosmuis, bunzing, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, ondergrondse woelmuis, ree, rosse woelmuis, tweekleurige bosspitsmuis, veldmuis, vos, wezel en woelrat. Deze soorten worden daarom in voorliggende rapportage buiten beschouwing gelaten.
Voorzorgsmaatregelen Een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming is veelal te voorkomen door (voorafgaand aan de werkzaamheden) voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze voorzorgsmaatregelen zijn gericht op het behoud van de functionaliteit van de groeiplaats van flora en de voortplanting- en/of vaste rust- en verblijfplaats van fauna. Daarnaast voorkomen de voorzorgsmaatregelen de negatieve gevolgen van een activiteit op individuen (o.a. doding en verwonding). 8
Ontheffingsplicht Een ontheffingsplicht (artikel 3.3, 3.8 en 3.10 uit de Wnb) is van toepassing als een overtreding van de verbodsbepalingen uit de Wet natuurbescherming niet kan worden voorkomen door het nemen van voorzorgsmaatregelen. Het is mogelijk om met een goed onderbouwd projectplan een ontheffing aan te vragen bij de desbetreffende provincie (Zeeland). De provincie toetst de aanvraag vervolgens aan drie criteria: • • •
Dient het planvoornemen in één van de in de wet genoemde belangen (bv.in het belang van de instandhouding van natuurlijke habitats)? Is er een andere ‘bevredigende’ oplossing mogelijk? Doet de ontheffing afbreuk aan de gunstige staat van instandhouding van de soort?
Gebiedsbescherming Via de Wet natuurbescherming is tevens de bescherming van gebieden vastgelegd (voormalige Natuurbeschermingswet 1998). De gebiedsbescherming houdt samengevat in dat een ingreep, in of nabij Natura 2000-gebieden, geen dusdanig negatieve effecten op de kwalificerende habitats en/of soorten mag hebben dat deze zich op de lange termijn niet kunnen handhaven. Voor projecten die een (significant) negatief effect kunnen hebben op de instandhoudingsdoelen van het betreffende Natura 2000-gebied is een vergunningaanvraag noodzakelijk. Naast de bescherming van Natura 2000-gebieden via de Wet natuurbescherming kunnen gebieden via de ruimtelijke kaders beschermd worden middels het Natuurnetwerk Nederland (NNN, voorheen was dit de EHS).
9
4. W ERKWIJZE EN ONDERZOEKSINSPANNING . 4.1
Z OOGDIEREN
Bureaustudie In de Quickscanhulp worden alle soorten uit categorie 1 en 2 benoemd, dus ook de soorten waarvoor door de provincie Zeeland vrijstelling is verleend. Deze soorten waarvoor vrijstelling is verleend betreffen onder andere de bosmuis, dwergmuis, egel, haas, huisspitsmuis, konijn, ree, vos etc. Volgens de Quickscanhulp komen de volgende soorten voor op korte afstand van het projectgebied waarvoor geen provinciale vrijstelling is verleend: • • • • • • • • • • • • • •
Baardvleermuis Bruinvis Damhert Eekhoorn Gewone zeehond Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Waterspitsmuis Watervleermuis
Voor alle soorten geldt dat zij binnen een afstand van 1 tot 5 km (vleermuizen tot 10 km) waargenomen zijn. Veldwerk Gedurende het veldbezoek is grondig gezocht naar sporen zoals uitwerpselen en vraatsporen, zoals afgebeten veren of loopsporen van bijvoorbeeld marterachtigen. Deze zijn niet aangetroffen. Verwacht wordt dat enkele soorten, waarvoor door de provincie Zeeland vrijstelling is verleend (zoals egel, haas, konijn en aantal muizensoorten) in het projectgebied aanwezig zijn. Vleermuizen kennen verschillende soorten gebiedsfuncties (wijze waarop het projectgebied gebruikt kan worden). Het gebiedsgebruik van een vleermuis(soort) wordt daarbij onderverdeeld in verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebieden. Het veldwerk bestond uit het, ter plaatse, inschatten of er potentiele verblijfplaatsen (zoals holen, scheuren in oksel van takken, losse boombast, etc.) aanwezig zijn, of er mogelijkheden zijn voor de aanwezigheid van vliegroutes (zoals ononderbroken lijnvormige elementen) en of er mogelijk foerageergebieden (zoals beplantingen) zijn. Het onderzoek heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden.
10
4.2
V OGELS Jaarrond beschermde soorten
Het onderzoek naar vogels heeft zich gericht op de mogelijke aanwezigheid van nesten van vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is.
Bureaustudie Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er een vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het projectgebied. Hierbij is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen en waarneming.nl. Volgens de Quickscanhulp komen de volgende soorten voor op korte afstand van het projectgebied: • • • • • • • • • • • • • •
Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart Havik Huismus Kerkuil Ooievaar Ransuil Roek Sperwer Slechtvalk Steenuil Wespendief
Veldwerk Het veldwerk bestond uit het, ter plaatse, inschatten of er potentiele nestplaatsen, van vogels waarvan het nest jaarrond beschermd is, in het projectgebied aanwezig zijn.
Het onderzoek heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden.
11
4.3
V AATPLANTEN Bureaustudie
Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er een vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het projectgebied. Hierbij is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen en waarneming.nl. Volgens de Quickscanhulp komen de volgende soorten voor op korte afstand van het projectgebied: • • • • •
Bergnachtorchis Dreps Kleine wolfsmelk Kruipend moerasscherm Naakte lathyrus Veldwerk
Het veldwerk bestond uit het, ter plaatse, inschatten of er potentiele groeiplaatsen voor beschermde flora in het projectgebied aanwezig zijn.
Het onderzoek heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden.
4.4
R EPTIELEN Bureaustudie
De meeste reptielen houden zich voornamelijk op in geleidelijke overgangssituaties tussen natuurlijke biotopen in bos-, heide- en veengebieden. Alvorens het onderzoek ter plaatse op te starten is er een vooronderzoek gedaan om vast te stellen van welke soorten de aanwezigheid bekend is in de omgeving van het projectgebied. Hierbij is gebruik gemaakt van verspreidingsatlassen en waarneming.nl. Volgens de Quickscanhulp komen de volgende soorten voor op korte afstand van het projectgebied: •
Levendbarende hagedis Veldwerk
In het terrein is gekeken naar de geschiktheid van de biotoop.
Het onderzoek heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden. 12
4.5
A MFIBIEËN Bureaustudie
In de Quickscanhulp worden alle soorten uit categorie 2 benoemd, dus ook de soorten waarvoor door de provincie Zeeland vrijstelling is verleend. Deze soorten waarvoor vrijstelling is verleend betreffen onder andere de bruine kikker, gewone pad en kleine watersalamander. De volgende soorten, welke voorkomen op een afstand van 0 tot 1 km van het projectgebied, waarvoor geen vrijstelling is verleend, zijn volgens de Quickscanhulp in de nabijheid: • • •
Alpenwatersalamander Kamsalamander Rugstreeppad Veldwerk
In het terrein is gekeken naar de geschiktheid van de biotoop.
Het onderzoek heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden.
4.6
V ISSEN Bureaustudie
Binnen één kilometer in de omgeving van het projectgebied zijn er bij de Quickscanhulp geen waarnemingen van beschermde soorten bekend.
Veldwerk In het projectgebied is geen oppervlaktewater aanwezig. Daardoor is er geen sprake van het aantasten van beschermde vissoorten.
Het onderzoek heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden.
13
4.7
I NSECTEN Bureaustudie
Conform de Quickscanhulp komt er een beschermde insectensoort (bosbeekjuffer) voor op een afstand van 1 tot 5 km van het projectgebied. Uit de verdere literatuurstudie is het niet aannemelijk dat er in het projectgebied beschermde ongewervelden voorkomen. Volgens de Quickscanhulp komen de volgende soorten voor op korte afstand van het projectgebied: •
Gevlekte witsnuitlibel Veldwerk
In het terrein is gekeken naar de geschiktheid van de biotoop.
Het onderzoek heeft op 16 oktober 2018 plaatsgevonden.
14
5. R ESULTATEN In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijk aanwezig zijn van beschermde soorten volgens het bureauonderzoek.
5.1
Z OOGDIEREN Bureaustudie
Uit de bureaustudie kwam naar voren dat de volgende soorten in en rond het projectgebied mogelijk aanwezig zijn: • • • • • • • • • • • • • •
Baardvleermuis Bruinvis Damhert Eekhoorn Gewone zeehond Franjestaart Gewone dwergvleermuis Gewone grootoorvleermuis Grijze grootoorvleermuis Laatvlieger Rosse vleermuis Ruige dwergvleermuis Waterspitsmuis Watervleermuis Veldonderzoek
Vleermuizen Het perceel is in de zomermaanden geschikt om dienst te doen als foerageergelegenheid voor vleermuizen.
Overige zoogdieren Bruinvis, damhert, eekhoorn, gewone zeehond en waterspitsmuis verlangen andere voorwaarden aan een verblijf dan er in het projectgebied voorhanden is.
15
Advies Vaste verblijfplaatsen en foerageergebieden van vleermuizen zijn strikt beschermd door de Wet natuurbescherming. Na inspectie van de houten schuur kan de aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen in de schuur uitgesloten worden. De foerageermogelijkheid voor vleermuizen zal niet aangetast, maar eerder nog, naar alle waarschijnlijkheid, zelfs verbeterd worden. Ter plaatse is nu ca. 3 ha aan akkergronden in de zomer beplant voor de productie van maïs. Deze zijn voor de meeste vleermuissoorten niet de habitat waar zij jagen. Slechts de laatvlieger en de rosse vleermuis foerageren boven dit soort gronden. De meeste vleermuissoorten jagen boven bomen, struweel, bloemrijke delen en boven water. Een interview met de initiatiefnemer leerde dat hij het gebied voor minimaal 50% als natuur in wil gaan richten. Hiertoe zullen ook grote aantallen bomen en struiken aangeplant worden. Deze zijn voor de meeste vleermuissoorten van groter belang om te kunnen foerageren. Zeker het feit dat er vele soorten bomen en struiken gebruikt worden zorgen voor een grote biodiversiteit en soortenrijkdom waarvan diverse soorten vleermuizen kunnen profiteren. Het verlies aan akkerland betekend een verlies aan insecten die gebonden zijn aan de maïscultuur en daarmee aan areaal voor (m.n.) de laatvlieger. De laatvlieger foerageert tevens boven halfopen landschappen met opgaand houtopslag.
Gelet op het feit dat dit sterk uitgebreid wordt, is er per saldo dan ook sprake van een sterkte vergroting in voedselrijkdom en -diversiteit voor de laatvlieger. De directe regio wordt daarnaast ook nog gekenmerkt door een groot aanbod aan akkerlanden (zie bijgaande kaart van de directe omgeving). Hiermee zijn er voor de laatvlieger en de rosse vleermuis voldoende alternatieven in de directe omgeving.
Figuur 5: directe omgeving van het plangebied.
Door de geplande ingreep kan gesteld worden dat de foerageermogelijkheden uitgebreid worden. De gezonde staat van instandhouding van de vleermuissoorten zal niet in gevaar komen.
16
Overige zoogdiersoorten: Er zijn geen mogelijkheden voor marterachtigen om te verblijven. De aanwezigheid van vaste verblijfplaatsen kan derhalve uitgesloten worden. Ook inspectie op sporen hebben geen aan wijzigingen opgeleverd. Voor wat betreft de waterspitsmuis geldt dat op de akker hij geen leefomgeving kent en dat de beoogde ingreep eerder leefmilieu schept dan wegneemt. Er zijn geen negatieve effecten te verwachten ten gevolge van de geplande ingreep.
5.2
V OGELS Bureaustudie
Zoals eerder vermeld richt het onderzoek zich met name op de mogelijke aanwezigheid van nesten van broedvogels waarvan het nest het gehele jaar is beschermd. Op grond van de bureaustudie zijn er geen nestgelegenheden te verwachten van deze broedvogels.
Veldonderzoek Tijdens het veldbezoek werd duidelijk dat in het projectgebied er geen nestgelegenheid aanwezig is voor beschermde soorten waarvan het nest een jaarrond beschermde status heeft.
Advies Omdat er beschermde soorten te verwachten zijn, zullen er derhalve geen negatieve effecten ontstaan ten gevolge van de ingreep, kan volstaan worden met de zorgplicht.
5.3
V AATPLANTEN Bureaustudie
Uit de bureaustudie kwam naar voren dat er in de direct omgeving diverse beschermde soorten aanwezig zouden kunnen zijn: • • • • •
Bergnachtorchis Dreps Kleine wolfsmelk Kruipend moerasscherm Naakte lathyrus
17
Veldonderzoek Het veldwerk maakte duidelijk dat geen van de beschermde soorten (flora) op het projectgebied aanwezig zal zijn. Beschermde flora heeft doorgaans unieke standplaatsfactoren nodig om tot bloei te komen. Deze zijn niet aanwezig in het projectgebied voor de hierboven genoemde soorten.
Advies Omdat er geen beschermde soorten te verwachten zijn kan volstaan worden met de zorgplicht.
5.4
R EPTIELEN Bureaustudie
Uit de bureaustudie kwam naar voren dat er in de direct omgeving diverse beschermde soorten aanwezig zouden kunnen zijn: •
Levendbarende hagedis Veldonderzoek
In het projectgebied zelf is geen geschikt leefgebied voor reptielen aanwezig. Gezien de terreingesteldheid van het projectgebied en het gebruik is niet te verwachten dat het projectgebied een rol vervult voor reptielen. Advies Omdat er geen beschermde soorten te verwachten zijn kan volstaan worden met de zorgplicht.
5.5
A MFIBIEËN Bureaustudie
Uit de bureaustudie is gebleken dat er mogelijk beschermde amfibieën aanwezig zouden kunnen zijn in de directe omgeving van het projectgebied: • • •
Alpenwatersalamander Kamsalamander Rugstreeppad
18
Veldonderzoek Het projectgebied vormt alleen in de zomer een zeer marginaal leefgebied voor algemeen voorkomende amfibieën. Deze zijn licht beschermd. Strikt beschermde amfibiesoorten eisen echter een veel specifieker en stabieler leefgebied dan in het projectgebied aanwezig is. De zwaarder beschermde soorten zijn niet te verwachten. Voor algemeen voorkomende amfibiesoorten als gewone pad en de bruine kikker geldt een vrijstelling in de provincie Zeeland. Negatieven effecten zijn niet te verwachten op de beschermde amfibiesoorten.
Advies Omdat er geen beschermde soorten te verwachten zijn kan volstaan worden met de zorgplicht.
5.6
V ISSEN Bureaustudie
Binnen één kilometer in de omgeving van het projectgebied zijn er bij de Quickscanhulp geen waarnemingen van beschermde soorten bekend.
Veldonderzoek In het projectgebied is een oppervlaktewater aanwezig. Maar geen water met de kwaliteit die noodzakelijk is voor beschermde soorten om te kunnen huisvesten.
Advies Omdat er geen beschermde soorten te verwachten zijn kan volstaan worden met de zorgplicht.
5.7
I NSECTEN Bureaustudie
Uit de bureaustudie is gebleken dat er mogelijk beschermde insecten aanwezig zouden kunnen zijn in de directe omgeving van het projectgebied: •
Gevlekte witsnuitlibel
19
Uit verdere literatuurstudie is naar voren gekomen dat het niet aannemelijk is dat er in het projectgebied beschermde ongewervelden voorkomen.
Veldonderzoek De habitateisen van beschermde soorten binnen deze groep zijn vaak zeer locatie-specifiek en gebonden aan zeer bijzondere biotopen. Iedere soort is afhankelijk van een bepaald habitat. Deze habitats liggen niet in het projectgebied. Het groen in het projectgebied is te sterk gecultiveerd. Hierdoor is het niet aannemelijk dat er in het projectgebied beschermde ongewervelden voorkomen.
Advies Omdat er geen beschermde soorten te verwachten zijn kan volstaan worden met de zorgplicht.
20
6. C ONCLUSIES EN AANBEVELINGEN 6.1
P OTENTIES
Het projectgebied bestaat uit een akkerland met in de zomer een beplanting van maïs. Op het perceel bevindt zich nog een kleine houten schuur. De potenties voor beschermde natuurwaarden beperken zich tot zoogdieren (vleermuizen).
6.2
M OGELIJKE EFFECTEN
Middels de geplande ingreep zullen er geen negatieve effecten ontstaan voor beschermde flora en/of fauna.
6.3 V ERVOLGTRAJECT Omdat er geen negatieve effecten te verwachten zijn voor flora en/of fauna zal er geen aanvullend onderzoek noodzakelijk zijn en kunnen de geplande werkzaamheden uitgevoerd worden.
21
G ERAADPLEEGDE BRONNEN * Bronnen waarnaar in de rapportage niet specifiek is verwezen *
Dijk, A.J. van, 2004. Handleiding Broedvogel Monitoring Project (Broedvogelinventarisatie in Proefvlakken). SOVON Vogelonderzoek Nederland, Beek-Ubbergen.
*
Janssen, J.A.M. en J.H.J. Schaminée, 2004. Europese Natuur in Nederland. Soorten van de Habitatrichtlijn. KNNV Uitgeverij, Utrecht.
*
Schober, W, 2001. Gids van de vleermuizen van Europa, Azoren en Canarische eilanden. Tirion Uitgevers, Baarn.
*
Voute, A.M., 1991.Vleermuizen. Waanders uitgevers, Zwolle.
*
Dietz, von Helversen & Nill, 2007. Vleermuzien, alle soorten van Europa en noordwest Afrika, Tirion Uitgevers, Baarn.
*
SOVON Vogelonderzoek Nederland, 2002. Atlas van de Nederlandse Broedvogels 1998-2000. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, KNNV uitgeverij & European Invertebrate Survey Nederland, Leiden.
*
Twisk, van Diepenbeek & J.P. Bekker, 2010. Veldgids Europese Zoogdieren. KNNV uitgeverij, Utrecht.
*
Vleermuisvakberaad Netwerk Groene Bureaus, Zoogdiervereniging en
*
Gegevensautoriteit Natuur, Vleermuisprotocol 2012, 24 februari 2012.
*
www.gegevensautoriteitnatuur.nl en www.netwerkgroenebureaus.
*
www.vleermuis.net. Het netwerk voor informatie over vleermuizen in Nederland. Vleermuiswerkgroep Nederland (VLEN) van de Zoogdiervereniging VZZ, Arnhem.
*
Floron, 2011. Atlas van de Nederlandse flora, KNNV Uitgeverij, Utrecht.
*
http://www.verspreidingsatlas.nl
*
www.waarneming.nl
22
B IJLAGE 01 Soort Soortgroep Bruine kikker Amfibieën Gewone pad Amfibieën Egel Zoogdieren Haas Zoogdieren Konijn Zoogdieren Ree Zoogdieren Vos Zoogdieren Kruipend moerasscherm Vaatplanten Gewone grootoorvleermuis Zoogdieren Boomvalk Vogels Buizerd Vogels Gierzwaluw Vogels Grote Gele Kwikstaart Vogels Havik Vogels Huismus Vogels Kerkuil Vogels Ooievaar Vogels Ransuil Vogels Roek Vogels Slechtvalk Vogels Sperwer Vogels Steenuil Vogels Kleine watersalamander Amfibieën Bergnachtorchis Vaatplanten Kleine wolfsmelk Vaatplanten Aardmuis Zoogdieren Bosmuis Zoogdieren Bunzing Zoogdieren Dwergmuis Zoogdieren Dwergspitsmuis Zoogdieren Eekhoorn Zoogdieren Gewone zeehond Zoogdieren Huisspitsmuis Zoogdieren Ondergrondse woelmuis Zoogdieren Veldmuis Zoogdieren Veldspitsmuis Zoogdieren Waterspitsmuis Zoogdieren Wezel Zoogdieren Woelrat Zoogdieren Kamsalamander Amfibieën Rugstreeppad Amfibieën Baardvleermuis Zoogdieren Bruinvis Zoogdieren
Bescherming Afstand wnb-andere soorten 0 - 1 km wnb-andere soorten 0 - 1 km wnb-andere soorten 0 - 1 km wnb-andere soorten 0 - 1 km wnb-andere soorten 0 - 1 km wnb-andere soorten 0 - 1 km wnb-andere soorten 0 - 1 km wnb-hrl 0 - 1 km wnb-hrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-vrl 0 - 1 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-andere soorten 1 - 5 km wnb-hrl 1 - 5 km wnb-hrl 1 - 5 km wnb-hrl 1 - 5 km wnb-hrl 1 - 5 km 23
Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Watervleermuis Wespendief Alpenwatersalamander Levendbarende hagedis Dreps Naakte lathyrus Damhert Hermelijn Gevlekte witsnuitlibel Grijze grootoorvleermuis
Zoogdieren wnb-hrl 1 - 5 km Zoogdieren wnb-hrl 1 - 5 km Zoogdieren wnb-hrl 1 - 5 km Vogels wnb-vrl 1 - 5 km Amfibieën wnb-andere soorten 5 - 10 km Reptielen wnb-andere soorten 5 - 10 km Vaatplanten wnb-andere soorten 5 - 10 km Vaatplanten wnb-andere soorten 5 - 10 km Zoogdieren wnb-andere soorten 5 - 10 km Zoogdieren wnb-andere soorten 5 - 10 km Insecten - Libellen wnb-hrl 5 - 10 km Zoogdieren wnb-hrl 5 - 10 km
provinciale vrijstelling geen geschikt habitat aanwezig geschikt habitat aanwezig
24
APPENDIX 3 | BEPLANTINGSPLAN
BEPLANTINGSPLAN FREDERIK HENDRIKSTRAAT
Van Boven Projectmanagement www.vanbovenprojectmanagement.nl
INHOUDSOPGAVE 1
2
INLEIDING
1
VERDIEPINGSSLAG BESTEMMINGSPLAN UITGANGSPUNTEN BEPLANTINGSPLAN ECOLOGISCHE FUNCTIE LEESWIJZER
1 1 1 2
ONTWIKKELING NATUURLANDSCHAP
3
SCENARIO 1 SCENARIO 2 SCENARIO 3 SCENARIO 4 SCENARIO 5 SCENARIO 6 3
RUIGTEVELD – N12.06 KRUIDEN- EN FAUNARIJK GRASLAND – N12.02 DROOG SCHRAALLAND – N11.01 ELZENRIJK ESSEN-IEPENBOS – N14.03 VOGELKERS-ESSENBOS – N14.03 EIKEN-HAAGBEUKENBOS – N15.02
LIJNELEMENTEN IN HET LANDSCHAP KNOTBOMEN – L01.08 TAKKENRIL HOUTSINGEL – L01.02 STRUWEELHAAG – L01.06
4
PUNTELEMENTEN IN HET LANDSCHAP SOLITAIRE BOMEN – L01.13 POELEN – L01.01 GERIEFBOS – L01.11
5
ONTWIKKELING ERFBEPLANTING HISTORISCHE HOOGSTAMBOOMGAARD – L01.09
3 5 6 7 8 9 10 10 11 12 13 15 15 15 15 16 16
6
MATRIX BIODIVERSITEIT
18
7
AANBEVELINGEN
21
APPENDIX 1
CONCEPT INRICHTING
22
1
INLEIDING
Voor het beschrijven van de te realiseren natuur wordt in dit beplantingsplan gebruikgemaakt van de natuurtypen van de Index Natuur en Landschap. Het beschrijven van de te realiseren landschapselementen op het perceel gebeurt aan de hand van de landschapselementtypen. Een landschapsanalyse biedt een beknopt overzicht van de belangrijkste landschapselementen en probeert te laten zien hoe een landschap is ontstaan, hoe het werkt en welke processen het voorkomen van planten en dieren in het landschap bepalen. Deze inzichten vormen de basis voor verdere visieontwikkeling van dit beplantingsplan.
Verdiepingsslag bestemmingsplan Dit beplantingsplan is een verdiepingsslag op de bijbehorende bestemmingsplanwijziging. Het beplantingsplan geeft meer inzicht in de te realiseren beplantingen en vegetaties. Het is een concrete uitwerking van het verhogen van de landschapskwaliteit en het verhogen van de ecologische waarde op het perceel.
Uitgangspunten beplantingsplan In het beplantingsplan staan de grote kaders voor de ontwikkeling van het perceel beschreven. Vanuit de context is zorgvuldig naar de locatie en ondergrond gekeken. Naast de landschappelijke analyse geeft het bestaande beleid randvoorwaarden voor het perceel. Op basis van deze gegevens zijn uitgangspunten geformuleerd voor de ruimtelijke opbouw van het perceel. Deze uitgangspunten zijn verwerkt in een conceptschets. Hierbij gaat het om de volgende uitgangspunten: § Bij de positiebepaling van de bebouwing is rekening gehouden met de omwonenden, waarbij het molenbiotoop leidend is geweest. § Bij de inrichting is rekening gehouden met onderhouds- en beheerswerkzaamheden van het Waterschap. § Bij de inrichting is rekening gehouden met behoud van de openheid en het versterken van zichtlijnen.
Ecologische functie Bij het realiseren van ruimte-voor-ruimte dient nieuwe natuur gerealiseerd te worden. De ecologische functie van het perceel heeft dan ook ruimschoots aandacht gekregen. Met de ontwikkeling van het perceel kan een forse verhoging van de diversiteit aan planten- en dierenleven tot stand komen. Middels een verschralingsbeheer worden de soortenarme graslanden deels omgevormd tot botanisch waardevolle gras- en akkerlanden, rijk aan soorten. Er worden hagen, heesters en bomen geplant. Naast een grote verrijking van het aantal soorten bomen en planten is juist de combinatie van botanisch waardevol grasen akkerland, hagen en bomen van grote waarde voor diverse diersoorten. Diverse vogels van half open terreinen vinden hier hun broedgelegenheid. Veel soorten dieren gedijen juist in een combinatie van genoemde biotopen. Het kleinschalige gebied zal ook een trekpleister vormen voor vlinders, bijen en andere insecten en kleine zoogdieren zoals muizen, vleermuizen en marters.
PAGINA 1 | 22
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt de ontwikkeling van het natuurlandschap uiteengezet. De mogelijke soorten vegetatie worden onderzocht en diverse scenario’s ter invulling worden geschetst. Het natuurlandschap aan de noordzijde van het perceel beslaat zo’n 1,5ha. In hoofdstuk 3 worden de rechtlijnige landschapselementen behandeld. Dit zijn de struweelhagen, de takkenrillen, de houtsingel en de knotbomen (schietwilgen). Deze elementen vormen de hoofdstructuur wat betreft hoog opgaande beplanting. Per element wordt een beschrijving gegeven (gebruik), de ecologische functie, de te gebruiken soorten, plantafstanden en het beheer. Per element is daarbij zoveel mogelijk informatie gegeven over de aanplant en beheermaatregelen met een tijdschema. Zodoende is de begin- en eindkwaliteit op een maximale manier verzekerd. In hoofdstuk 4 worden de puntelementen in het landschap behandeld. Dit zijn de solitaire bomen, poelen en het geriefbos. In hoofdstuk 5 wordt de erfbeplanting op het perceel nader uitgewerkt, hierbij wordt voornamelijk ingegaan op de hoogstamboomgaard. In Appendix 1 is een concept van de inrichtingstekening opgenomen met daarbij een globaal overzicht van de totale invulling met beplantingen (Appendix 1).