BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant 21-11-2023-samengevoegd
Tekst van het document
Herziening bestemmingsplan Buitengebied Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
Bestemmingsplan Vergroting agrarisch bouwvlak en toename m2 leefoppervlak iv
Opsteller Contactgegevens: A.B. (Bram) Verhage Boulevard de Wielingen 33 4506 JJ Cadzand T: 0117-700550 E info@vlamingendezeeuw.nl Versie: 21 november 2023 IMRO-codering: NL.IMRO.0677.bpbuitenoudferdk20-001O Status: Ontwerp
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
1
INHOUD
1. 1.1 1.2 1.3
Inleiding ................................................................................................................ 3 Aanleiding............................................................................................................. 3 Huidige situatie ..................................................................................................... 3 Het plan ............................................................................................................... 4
2. 2.1 2.2 2.3
Planologisch beleidskader ...................................................................................... 7 Rijksbeleid ............................................................................................................ 7 Provinciaal beleid ................................................................................................... 8 Gemeentelijk beleid .............................................................................................. 10
3. Ruimtelijke aspecten ............................................................................................ 12 3.1 Natuur ................................................................................................................ 12 3.2 Cultuurhistorie ..................................................................................................... 13 3.3 Archeologie .......................................................................................................... 14 3.4 Mobiliteit en parkeren............................................................................................ 15 3.5 Technische infrastructuur....................................................................................... 16 3.6 Bodem ................................................................................................................ 16 3.7 Geur ................................................................................................................... 16 3.8 Geluid ................................................................................................................. 17 3.9 Luchtkwaliteit ....................................................................................................... 17 3.10 Mer-beoordeling ...................................................................................................
18 3.11 Externe veiligheid ................................................................................................. 19 3.12 Milieuzonering ...................................................................................................... 19 3.12 Waterparagraaf .................................................................................................... 19 4.
Afwegingen .......................................................................................................... 22
5. 5.1 5.2 5.3
Juridisch .............................................................................................................. 23 Algemeen ............................................................................................................ 23 Verbeelding.......................................................................................................... 23 Regels ................................................................................................................. 23
6.
Economische uitvoerbaarheid .............................................................................. 23
7.
Maatschappelijke haalbaarheid ............................................................................ 23
Bijlage 1. Plan Verduurzaming intensieve veehouderij Bijlage 2. Advies Agrarische Adviescommissie Zeeland Bijlage 3. Landschappelijke Inpassing Bijlage 4. Aerius stikstofdepositie
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
2
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding
Op de locatie aan de Oud Ferdinandusdijk 20 is het gemengde bedrijf met akkerbouw en een pluimveehouderij voor het houden van ouderdieren van initiatiefnemer gevestigd. Het bedrijf beschikt over de mogelijkheid voor het houden van in totaal 45.000 ouderdieren. Initiatiefnemer heeft de wens uitgesproken het bedrijf uit te breiden met een loods en een nieuwe stal. De gronden aan de westzijde van het bedrijf zijn bestemd met de bestemming ‘Agrarisch’ echter ontbreekt de aanduiding bouwvlak. Tevens dient het aantal toegestane bedrijfsvloeroppervlak te worden uitgebreid. Het college van burgemeester en wethouders heeft positief gereageerd op het verzoek van initiatiefnemer, mits het bedrijf een kwaliteitsslag doormaakt op het gebied van verduurzaming. Om de ontwikkeling mogelijk te maken dient op basis van artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening een partitiële herziening van het bestemmingsplan te worden opgesteld. Dit nieuwe bestemmingsplan vervangt gedeeltelijk het bestemmingsplan Buitengebied Hulst. Tevens dient het bestemmingsplan aantoonbaar te maken dat er sprake is van een goede ruimtelijke ordening. In onderhavige toelichting wordt een afweging gemaakt waarbij alle ruimtelijke relevante aspecten met betrekking tot het initiatief inzichtelijk gemaakt worden.
Uit dit rapport zal blijken dat aan deze voorwaarden voldaan kan worden en dat er derhalve medewerking verleend kan worden aan de bouw van de nieuwe stal.
1.2
Huidige situatie
Het plangebied aan de Oud Ferdinandusdijk is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hulst op een afstand van circa 270 meter van de bebouwde kom van Heikant. Kadastraal is de locatie bekend als gemeente Hulst, sectie N, nummers 608, 609 642 en 664. De meest nabijgelegen woning (Julianastraat 2) ligt op een afstand van circa 300 meter. Dit is eveneens het meest nabij gelegen geurgevoelige object.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
3
Figuur 1: Luchtfoto planlocatie (Ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 2: Locatie plangebied (Google Maps 2021)
1.3
Het plan
Het initiatief is erop gericht om het bestaande agrarisch bouwvlak te vergroten. Vergroting van het bouwvlak leidt ertoe dat er een nieuwe stal en opslagloods gerealiseerd kan worden. Door de toevoeging van bedrijfsbebouwing dient ook de maximale bedrijfsvloeroppervlakte intensieve
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
4
veehouderij te worden vergroot en als maximale maatvoering te worden opgenomen in het bestemmingsplan. In de huidige situatie heeft initiatiefnemer planologisch een toegestane bedrijfsvloeroppervlakte (bvo) van 6.335 m2. Dit betreft het totale planologische bvo ten behoeve van de hoofdtak intensieve veehouderij. Deze oppervlakte is echt onjuist opgenomen ten tijde van het bestemmingsplan Buitengebied. Onderstaande vergunningen zijn onherroepelijk verleend en conform vergunning gerealiseerd. Alle vergunningen zijn hierbij opgesomd: •
8 januari 1991: Vergunning voor bedrijfswoning en schuur nr. 9.
•
13 september 1994 : één stal die later wordt vervangen door stal nr. 1 + 2
•
26 september 1995: stal 3
•
24 maart 1997: stal 4
•
24 juli 2001: Stal 1 +2
•
8 februari 2006: stal 5 +6 (Zaaknummer: Br.2005090).
•
18 januari 2013: loods 8 (uitbreiding van stal nr. 1)
Het vergunde aantal vierkante meters ten behoeve van de intensieve veehouderij bedraagt op basis van deze gegevens echter 7.475 m2 bvo. Dit zijn alle vierkantemeters ten behoeve van intensieve veehouderij. Het totale aantal vergunde vierkante meters leefoppervlak bedraagt op dit moment 6.683 m2. Dit is de gezamenlijke oppervlakte van vaste vloeren in gebouwen en andere bouwwerken geen gebouw zijnde – mestdoorlatende vloeren daaronder begrepen – die worden of kunnen worden gebruikt voor de huisvesting van dieren ten behoeve van intensieve veehouderij, waaronder begrepen de hok- of stalruimten, inclusief scheidingswanden en gangpaden. Het gaat om ruimten waar dieren die onder het begrip intensieve veehouderij vallen, worden gehuisvest
Figuur 3: Tabel overzicht vierkante meters totale bvo en leefoppervlak iv
Het initiatief omvat de bouw van een stal van 14.10 x 91.70=1.293 m2 voor 15.315 ouderdieren. Tevens wordt ter ondersteuning van de bedrijfstak een locatie voor voerkeuken en mestopslag aangevraagd. Daarnaast gaat het initiatief uit van het bouwen van een loods van 15 x 35 meter ten behoeve van de akkerbouw voor de opslag van product en de stalling voor werktuigen. Het agrarisch bedrijf bewerkt jaarlijks 200 hectare landbouwgrond voor graan ten behoeve van het voedsel voor
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
5
de dieren. De opslag van graan vindt nu nog gedeeltelijk elders plaats. Deze noodzakelijke opslag zal plaatsvinden in de nieuwe loods. Daarnaast is het momenteel nog niet mogelijk alle wagens en containers inpandig te stallen waardoor de loods ook noodzakelijk is voor de stalling van werktuigen. De uitbreiding met de nieuwe stal komt daarmee op een totale oppervlakte van 7.976 m2 leefoppervlak en blijft hiermee onder de toegestane 8.000 m 2 welke het provinciaal beleid toestaat. Inclusief de uitbreiding van de landbouwloods komt de totale oppervlakte aan bvo op 10.315 m2. Dat is 46% van het totale bouwvlak (10.315/22.369x100=46%). Voor de nieuwbouwstal wordt uitgegaan van het plaatsen van een systeem met twee etages. In de bestaande stallen zullen de voerlijnen worden vernieuwd en worden uitgebreid. Middels deze uitbreiding van de voerlijnen kan het aantal kippen in de bestaande stallen worden uitgebreid van 45.000 tot 51.459 dieren. In totaal betreft het de uitbreiding van het huidig vergunde aantal ouderdieren van 45.000 naar 66.774 dieren. Voor de bezetting in de stallen wordt uitgegaan van de wettelijke norm van 0,13 m2 per ouderdier. Om een intensieve veehouderij uit kunnen breiden dient te worden voldaan aan voorwaarden inzake noodzaak voor de continuïteit van het bedrijf en het verduurzamen van het bedrijf. Deze toetsingscriteria
worden
beoordeeld
door
een
agrarisch
deskundige
zijnde
de
Agrarisch
Adviescommissie Zeeland (AAZ). Initiatiefnemer heeft een ontwikkelingsplan voorgelegd aan de AAZ welke is bijgevoegd als bijlage 1. Vervolgens heeft de AAZ advies uitgebracht welke is bijgevoegd als bijlage 2. Het advies van de Agrarische Adviescommissie Zeeland (AAZ) gaat uitgebreid in op beide aspecten. Betreffende de continuïteit van het bedrijf concludeert de AAZ als volgt: het bedrijf functioneert sinds 2005 in de huidige omvang. Hoewel een bedrijf met 45.000 ouderdieren heden ten dage nog steeds een bedrijf met een courante omvang betreft, is het relatieve schaalgroottevoordeel van voorliggend bedrijf en de reserveringscapaciteit die met dit bedrijf kan worden gerealiseerd afgenomen. Vanuit dat perspectief kan het verzoek van de ondernemer om het bedrijf te ontwikkelen worden gevolgd. De AAZ is van mening dat voor het behoud van het langere termijnperspectief van de bedrijfsvoering bedrijfsontwikkeling op enig moment noodzakelijk is, en dat om die reden de voorgestelde uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf. Het aspect verduurzaming wordt ingevuld middels het plaatsen van warmtewisselaars op de bestaande stallen, beperking van de ammoniakemissie op dierniveau, het voldoen met de nieuwbouwstal aan de Maatlat Duurzame Veehouderij en de lokale funding van veevoer. De AAZ concludeert dat hiermee voldaan wordt aan de verduurzaming van het bedrijf.
Wel dienen alle bestaande stallen van een warmtewisselaar te worden voorzien. Initiatiefnemer neemt dit advies over en zal alle stallen voorzien van warmtewisselaars. Tevens dient er sprake te zijn van een goede landschappelijke inpassing van het bedrijf. De landschappelijke inpassing is uitgewerkt in bijlage 3. De inpassing is niet enkel beperkt tot het gedeelte waar de uitbreiding plaats zal vinden. Ook en met name aan de zijde van de kern Heikant is een verdere inpassing van het bestaande bedrijf uitgewerkt. Het landschappelijke inpassingsplan is
als
voorwaardelijke
verplichting
worden
opgenomen
in
de
regels
behorende
bij
het
bestemmingsplan. Voor wat betreft de vormgeving en kleurstelling van de nieuwe stal is aangesloten bij de bestaande stallen. Met andere woorden de bouwhoogte blijft nagenoeg gelijk en de kleurstelling is neutraal
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
6
(grijs) waardoor de nieuwe stal geen prominente positie inneemt. Bovendien is de landschappelijke inpassing rondom de nieuwe stal zo vormgegeven dat zij wordt openomen in het landschap.
Figuur 4: Landschappelijke inpassing (OMNA Ontwerper van de Buitenruimte 14 juli 2022)
2.
Planologisch beleidskader
2.1
Rijksbeleid
Nationale Omgevingsvisie De NOVI bevat de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren beleid. Uit de Omgevingswet volgt dat al het strategische beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, én het nieuwe strategische beleid op het beleidsterrein van de fysieke leefomgeving wordt opgenomen in de NOVI. De NOVI komt als structuurvisie uit onder de bestaande Wet ruimtelijke ordening (Wro) en heeft als ondertitel Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Het Nationaal Milieubeleidsplan (NMP4, 2001) en de Rijksnatuurvisie 2014 gaan op in en worden vervangen door de NOVI en het bijbehorende Nationaal Milieubeleidskader. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) vervalt geheel, behalve paragraaf 4.9 Caribisch Nederland en Caribische Exclusieve Economische Zone. De NOVI geldt verder als wijziging van enkele onderdelen van het Nationaal Waterplan 2016-2021 (NWP) op grond van de Waterwet. Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als een omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
7
De Omgevingswet geeft aan de NOVI mee dat deze ‘met het oog op duurzame ontwikkeling, de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu, gericht is op het in onderlinge samenhang: (a) bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit en (b) doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften’. De NOVI stelt een nieuwe aanpak voor: integraal, samen met andere overheden en maatschappelijke organisaties, en met meer regie vanuit het Rijk. Met steeds een zorgvuldige afweging van belangen werken we aan onze prioriteiten: ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie, een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel, sterke en gezonde steden en regio’s en een toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. De uitwerking ervan in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) en het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) zijn opgenomen in het Besluit kwaliteit leefomgeving (BKL). Het BKL wordt van kracht zodra de Omgevingswet in werking treedt. Het BKL wordt dus uitwerking in regelgeving van het beleid dat in de NOVI staat. De betreffende onderdelen en/of artikelen in het Barro, Bro, en straks Bkl, blijven ook onder de NOVI gelden.
Bij nadere invulling van de uitvoeringsinstrumenten van de NOVI kan blijken dat het nodig is de uitvoeringsregels aan te passen. In relatie tot de gewenste ontwikkeling, zijnde de uitbreiding van het agrarisch bedrijf, dienen de onderstaande onderdelen uit het Barro te worden beoordeeld. Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Het Rijk heeft in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) nationaal ruimtelijk beleid geborgd. Het bevat regels die de beleidsruimte van andere overheden ten aanzien van de inhoud van ruimtelijke plannen inperken, daar waar nationale belangen dat noodzakelijk maken. Het Barro omvat 14 onderwerpen. De vergroting van het agrarisch bouwvlak is niet in strijd met een van deze 14 onderwerpen welke zijn opgenomen in het Barro.
2.2
Provinciaal beleid
Omgevingsvisie Zeeland 2021 Op 12 november 2021 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Zeeland 2021 vastgesteld. In dit Omgevingsplan zijn de hoofdlijnen voor het provinciaal ruimtelijk beleid uiteengezet. In de Omgevingsvisie zet de provincie Zeeland in op grondgebonden en biologische landbouw. Voor deze vormen van landbouw worden ruime ontwikkelingsmogelijkheden geboden. Voor de nietgrondgebonden
landbouw
(intensieve
veehouderij
en
glastuinbouw;
ref)
zijn
de
ontwikkelingsmogelijkheden beperkt. Het streven is naar behoud van omgevingskwaliteit, behoud van biodiversiteit, beperken milieubelasting, minder uitstoot van broeikasgassen en levering van grondstoffen voor de biobased industrie. Het ruimtelijk beleid voor de landbouw is gebaseerd op het onderscheid in grondgebondenheid en niet-grondgebondenheid.
De
provincie
hanteert
geen
maximale
oppervlaktematen
voor
grondgebonden agrarisch bouwvlakken.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
8
Initiatiefnemer exploiteert een bestaand volwaardig grondgebonden agrarisch bedrijf en volwaardige hoofdtak intensieve veehouderij. Voor de (biologisch) grondgebonden landbouw wil de Provincie Zeeland zoveel als mogelijk de 'eigenschaligheid' van agrarische ondernemers bevorderen. Onder eigenschaligheid wordt verstaan dat agrarische ondernemers inzetten op een verdere ontwikkeling van het agrarisch bedrijf die het beste aansluit bij de ondernemer, de omgeving, de afzetmarkt en de toegevoegde waarde die bij het desbetreffende bedrijf kan worden gerealiseerd. Afhankelijk van de bestaande bedrijfsstructuur zijn daarbij aspecten als schaalvergroting, verbreding, deeltijdlandbouw of combinaties daarvan aan de orde. Voor wat betreft de intensieve veehouderij zijn de kaders helder en is enkel ontwikkeling mogelijk in het kader van verduurzaming of specifieke houderij systemen. De maximale oppervlakte bedraagt 5.000 m2 of indien deze oppervlakte reeds is bereikt een uitbreiding van 20% of maximaal 8.000 m2. In het onderhavige geval is er sprake van uitbreiding van het bedrijfsvloeroppervlak intensieve veehouderij. De bestaande oppervlakte bedraagt 6.685 m2, de nieuwe stal resulteert in een totale oppervlakte van 7.978 m2. Deze toename is minder dan 20% en blijft onder de maximale maatvoering van 8.000 m2.
De vergroting van het agrarisch bouwvlak en het toepassen van zorgvuldig ruimtegebruik voldoen aan de uitgangspunten van eigenschaligheid en is niet in strijd met provinciaal beleid. Omgevingsverordening Zeeland 2018 In artikel 2.19 zijn voorwaarden opgenomen voor intensieve veehouderijbedrijven. Voor bedrijven die reeds de 5.000 m2 bedrijfsvloeroppervlakte omvat, zoals die van initiatiefnemer, zijn bij een uitbreiding de leden 6 t/m 10 van toepassing. Initiatiefnemer verzoekt een uitbreiding in het kader artikel 2.19 lid 7 van de Omgevingsverordening: Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 5.000 m² is toegelaten met
ten
hoogste
20%
van
het
bestaande
bedrijfsvloeroppervlak
of
tot
een
totaal
bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 8.000 m2 indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het een uitbreiding betreft a. waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf en b. de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en c. omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten Bovenstaande onderdelen zijn reeds omschreven in het hoofdstuk 1.3 waarbij werd verwezen naar de toetsing door de AAZ. Geconcludeerd wordt dat er sprake van een significante verduurzaming van het bedrijf, zeker indien alle bestaande stallen worden voorzien van warmtewisselaars. Dit advies volgt initiatiefnemer op. Dat de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf wordt eveneens bevestigd door de AAZ. Alle overige omgevingskwaliteiten worden beschreven in de volgende hoofdstukken, waarna geconcludeerd wordt dat omgevingskwaliteiten zich niet verzetten tegen de gewenste uitbreiding. Naast regelgeving omtrent uitbreiding van bouwen in het buitengebied duidt de Verordening gebieden
aan
met
een
bijzondere
verwachtingswaarde
aan.
Bij
het
opstellen
van
dit
bestemmingsplan zijn de kaarten behorend bij de Verordening geraadpleegd en beoordeeld of de
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
9
gewenste ontwikkeling van invloed is op gebieden met een bijzondere verwachtingswaarde. De locatie is gelegen in of in de nabijheid van een gebied welke is aangeduid in de artikelen 2.23 tot en met 2.27 en de daarbij behorende kaartmaterialen. Binnen 100 meter is namelijk een natuurgebied gelegen zijnde de binnendijk (Oud Ferdinandusdijk). De afwegingszone van 100 meter is echter niet van toepassing op binnendijken. Van de verstoring van bijzondere verwachtingswaarden is dan ook geen sprake. Aangaande de omgevingskwaliteiten worden in deze toelichting alle ruimtelijke factoren afgewogen. Geconcludeerd
kan
worden
dat
de
gewenste
ontwikkeling
zich
niet
verzet
tegen
de
omgevingskwaliteiten. De gewenste ontwikkeling is niet in strijd met provinciaal beleid.
2.3
Gemeentelijk beleid
Structuurvisie Hulst In de Structuurvisie Hulst, vastgesteld 15 mei 2012, heeft de gemeenteraad van Hulst op hoofdlijnen vastgelegd waar de gemeente Hulst op maatschappelijk, economisch en ruimtelijk gebied naar toe gaat in 2025. De agrarische sector is in Zeeuws-Vlaanderen van oudsher een belangrijke sector. Het betreft veelal de meer ‘traditionele’ landbouwbedrijven met een akkerbouwkundig bouwplan met granen, bieten, en aardappelen. Om in 2025 nog te kunnen spreken van een sterke landbouwsector zijn verschillende perspectieven denkbaar waaronder het aspect schaalvergroting. Om in de Europese markt concurrerend te kunnen produceren en aan steeds strengere milieu- en dierenwelzijnseisen te kunnen voldoen is een opschaling van de bedrijfsomvang noodzakelijk. Hiermee kunnen schaalvoordelen worden bereikt en is het financieel haalbaar om benodigde (uit regelgeving voortvloeiende) investeringen te doen. De schaalvergroting dient gepaard te gaan met een efficiënte inrichting van de productiestructuur en geringe externe milieubeperkingen vanwege de aanwezigheid van andere functies. De vergroting van het bouwvlak komt voort uit schaalvergroting en het efficiënter moeten benutten van het bouwvlak. De uitbreiding is in lijn met de Structuurvisie Hulst.
Buitengebied Hulst Op de gronden is het bestemmingsplan Buitengebied Hulst van de gemeente Hulst van kracht (vastgesteld door college van B&W d.d. 16-05-2013). Het bestaande agrarische bouwvlak is bestemd met de bestemming ‘Agrarisch‘ met functieaanduiding intensieve veehouderij en beschikt over een bouwvlak.
Tevens
zijn
de
maatvoeringen
maximum
goothoogte
6
meter
en
maximum
bedrijfsvloeroppervlak 6.335 m2 opgenomen. Agrarische activiteiten zijn op basis van het vigerende bestemmingsplan toegestaan. Het bestemmingsplan staat agrarische bedrijfsgebouwen en overige bouwwerken alleen toe in daarvoor aangewezen agrarische bouwvlakken. Het huidige bouwvlak is hieronder weergegeven in figuur 5.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
10
Figuur 5: Uitsnede Bestemmingsplan Oud Ferdinandusdijk 20
Het initiatief gaat uit van een uitbreiding van minder dan
20% (1.293 m2) van het
bedrijfsvloeroppervlak intensieve veehouderij. Het totaal oppervlak intensieve veehouderij bedraagt hiermee 7.978 m2. De uitbreiding voldoet hiermee wel aan de gestelde voorwaarden benoemd in het provinciaal beleid waar uitbreiding tot maximaal 8.000 m 2 is toegestaan. Het bestemmingsplan Buitengebied staat echter een maximale uitbreiding van 10% toe. Aangezien de uitbreiding van 10% te beperkt is om economische uit te voeren (te hoge investering voor de beperkte m 2 en kosten van de verduurzaming) heeft de gemeente Hulst besloten toch medewerking te verlenen op basis van de provinciale regelgeving. De gemeente stelt daarbij wel de volgende voorwaarden: -
Verbetering milieukwaliteit (verduurzaming) ten opzichte van de huidige situatie: Het aspect verduurzaming wordt ingevuld middels het plaatsen van warmtewisselaars op de bestaande stallen, er is sprake van beperking van de ammoniakemissie op dierniveau. Tevens zal de nieuwe stal voldoen aan de Maatlat Duurzame Veehouderij en is er sprake van lokale funding van veevoer. De AAZ concludeert dat hiermee voldaan wordt aan de verduurzaming van het bedrijf, zie bijlage 2.
-
Aantonen behoefte; De uitbreiding is noodzakelijk voor de continuïteit van het bedrijf, zie bijlage 2. De AAZ is van mening dat voor het behoud van het langere termijnperspectief van de bedrijfsvoering bedrijfsontwikkeling op enig moment noodzakelijk is, en dat om die reden de voorgestelde uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf.
-
Hoe wordt omgegaan met dierenwelzijn, waar wordt aan voldaan. De bezetting van de stallen is gebaseerd op de wettelijke normen 0,13 m 2 per ouderdier.
-
Duidelijk bedrijfsplan/inrichting stallen.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
11
De omgevingsvergunning milieu en bouw wordt gecoördineerd aangevraagd. Hierbij wordt ook verwezen naar de aanvraag omgevingsvergunning. -
Landschappelijke inpassing: In bijlage 3 is het plan voor landschappelijke inpassing bijgevoegd. Tevens wordt het plan opgenomen als voorwaardelijke verplichting bij de regels behorend bij het bestemmingsplan. Voor wat betreft de vormgeving en kleurstelling van de nieuwe stal is aangesloten bij de bestaande stallen. Met andere woorden de bouwhoogte blijft nagenoeg gelijk en de kleurstelling is neutraal (grijs) waardoor de nieuwe stal geen prominente positie inneemt. Bovendien is de landschappelijke inpassing rondom de nieuwe stal zo vormgegeven dat zij wordt openomen in het landschap. Materialen en vormgeving zijn opgenomen in de bijbehorende omgevingsvergunning bouw.
-
(minimaal) vormvrije mer beoordeling waarin nadrukkelijk aandacht wordt besteed aan het stikstofbeleid; De vormvrije mer beoordeling is opgesteld en bijgevoegd bij de omgevingsvergunning milieu.
-
Aandacht voor verkeersbewegingen In hoofdstuk 3.4 zijn de verkeersbewegingen nader omschreven.
-
Positief advies AAZ. Het positieve advies is bijgevoegd in bijlage 2.
Overige en genoemde aspecten zoals bodem, flora en fauna, archeologie, cultuurhistorie, watertoets, milieu en externe veiligheid zullen in het kader van een goede ruimtelijke ordening in de volgende hoofdstukken nader worden behandeld. 3.
Ruimtelijke aspecten
3.1
Natuur
De bescherming van de natuur in Nederland vindt plaats door Europese en nationale wetgeving. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen aangewezen Vogel- en Habitatrichtlijngebieden of Natura2000 gebieden. Het meest nabij gelegen beschermde Natura2000 gebied is de Vogel op een afstand van circa 9,1 kilometer. De gewenste ontwikkeling gaat uit van een afname van ammoniakdepositie waardoor de uitstoot op de Vogel eveneens afneemt. In het kader van de gewenste ontwikkeling is een Aerius projectberekening opgesteld welke is weergegeven in bijlage 4. Uit de AERIUS berekeningen blijkt dat bij de bouwfase het projecteffect nihil is. Bij de gebruiksfase neemt het projecteffect bij het beoogde gebruik af ten opzichte van het vergunde en feitelijk aanwezige gebruik van de stikstofdepositie op omliggende gebieden en heeft daarmee ook geen negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de betreffende gebieden. Ten opzichte van de vigerende toestemming Wet natuurbeschermingsvergunning en tevens feitelijk gerealiseerde situatie, is voor deze wijziging en afname in depositie geen negatieve effecten te verwachten en
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
12
bestaat daarom op basis van artikel 2.7, lid 2 van de Wet natuurbescherming geen vergunningplicht voor deze wijziging en uitbreiding. Het plangebied is niet gelegen in het Natuurnetwerk Zeeland. De naastgelegen aangrenzende dijk is bekend als bestaande natuur binnendijk nieuw. Op circa 160 meter ten noorden van het plangebied is het bestaande natuurgebied Karpersgat gelegen. Voor wat betreft de aangrenzende binnendijk is de afwegingszone van ontwikkelingen binnen 100 meter van natuurgebied niet van toepassing. De afstand tot Karpersgat is ruimer dan 100 meter. Gezien deze afstand en de aard van de functieverandering zijn er voor de beschermde gebieden geen significante negatieve effecten te verwachten als gevolg van het plan. Door de afname van stikstofdepositie kan er juist een positief effect optreden.
Figuur 6. Uitsnede kaart landschap en natuur (Geoweb)
Beschermde natuurwaarden
dienen
op
basis van
de
Wet natuurbescherming
te
worden
gerespecteerd. Soortenbescherming is daarbij van belang. De locatie waar nu gebouwd zal worden wordt jaarlijks intensief agrarisch gebruikt. Het huidige gebruik betreft agrarisch bouwvlak en landbouwgrond waar jaarlijks intensief gewassen op worden geteeld. Vanwege het intensieve gebruik is van een verstoring van aanwezige soorten geen sprake. Bijkomend aspect is de verplichte landschappelijke inpassing welke gerealiseerd moet worden. De inpassing zal een positieve uitwerking hebben op de leefomgeving van dieren en planten.
3.2
Cultuurhistorie
Op 1 januari 2012 is door middel van aanpassing van het Besluit ruimtelijke ordening bepaald dat cultuurhistorische belangen moeten worden meegewogen bij de voorbereiding van ruimtelijke
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
13
plannen. Het waarborgen van cultuurhistorische belangen en het meewegen van deze belangen is belangrijk. Hiervoor is een omschrijving van het plangebied noodzakelijk. Het plangebied is gelegen in het buitengebied van de gemeente Hulst. De omgeving wordt gekenmerkt door het agrarische landschap en is niet gelegen in of nabij een gebied welke is aangeduid in de provinciale ruimtelijke verordening, thema landschap en erfgoed. Dichtstbijzijnde cultuurhistorische waardevolle element betreft de Sint Theresiakerk welke op ruimte afstand (310 meter) is gelegen van het plangebied, zie Cultuurhistorische Waardenkaart, figuur 7.
Figuur 7: Uitsnede Cultuurhistorische Waardenkaart provincie Zeeland
De gewenste agrarische bebouwing past in het uitgestrekte gebied. In de directe omgeving of binnen het plangebied zijn geen Rijksmonumenten aanwezig. Het plangebied zelf is niet aangeduid als cultuurhistorisch waardevol. De wijziging betreft een uitbreiding van een bestaand agrarisch bedrijf. De ontwikkeling resulteert niet in nadelige gevolgen van de cultuurhistorische waarden in het plangebied of zijn omgeving.
3.3
Archeologie
In 1992 is het Verdrag van Valletta (Malta) door de landen van de EU, waaronder Nederland, ondertekend. Dit verdrag verplicht de Europese overheden tot het beschermen van archeologisch erfgoed. Hierbij wordt als uitgangspunt gehanteerd dat archeologische waarden in situ bewaard moeten blijven. Dat wil zeggen, dat er naar gestreefd moet worden om de waarden op de locatie te
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
14
behouden. Als dit niet mogelijk blijkt, bijvoorbeeld bij bouwplannen, dan moeten de waarden ex situ worden bewaard. Het verdrag van Valletta is doorvertaald in de Nederlandse wetgeving, thans de Erfgoedwet. De gemeente Hulst dient archeologische waarden te waarborgen. De huidige waarden zijn gewaarborgd in het bestemmingsplan Archeologische en Aardkundige waarden. Daarin is het huidige bouwvlak en de locatie van het nieuwe bouwvlak aangeduid met de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2. Deze waarde wordt ook een-op-een overgenomen op de verbeelding behorend bij het bestemmingsplan. Daarmee wordt aangegeven dat bouwwerkzaamheden welke de vrijstellingsdiepte van 40 centimeter en het vrijstellingsoppervlak van 500 m2 niet overschrijden worden vrijgesteld van archeologisch onderzoek. De bouwplannen welke ten grondslag liggen aan dit bestemmingsplan betreft de bouw van een stal met opslagruimte van 1.334 m2 en de bouw van een loods van 526 m2. De totale omvang van de gebouwen omvat meer dan 500 m2, echter omvat de daadwerkelijke bodemverstoring dieper dan 40 cm bedraagt met circa 160 m2 minder dan de maximale maatvoering van 500 m2. De constructie wordt geplaatst op een betonnen voet (plaats van circa 1,2 bij 1,2 meter en 30 cm dik).
Figuur 8: Uitsnede Bestemmingsplan Archeologische en Aardkundige waarden
3.4
Mobiliteit en parkeren
De ontsluiting van de locatie verloopt via de Oud Ferdinandusdijk. Dit is een lokale ontsluitingsweg voor bestemmingsverkeer. Er is geen fysieke scheiding tussen fiets- en autoverkeer. Het profiel van de wegen bestaat uit asfalt en grasbermen. De weg kent een beperkte verkeersintensiteit. Het plan leidt tot een relatieve toename van verkeer gezien over het hele jaar, maar echt extra dagelijks transport is bij de geringe uitbreiding niet merkbaar. Vrachtwagens worden bij een groter bedrijfsvoering efficiënter geladen waardoor van een zichtbare toename geen sprake is. Op de locatie zelf zijn voldoende parkeervoorzieningen aanwezig en er is er zodoende geen overlast te verwachten voor parkeren op de openbare weg. De bestaande uitritten zijn hiervoor voldoende.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
15
3.5
Technische infrastructuur
De omgeving is aangesloten op alle gangbare technische infrastructuur en andere nutsvoorzieningen (gas, water, elektra). Ten behoeve van het plan hoeven hiervoor geen structurele aanpassingen plaats te vinden.
3.6
Bodem
Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het projectgebied. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit voldoende is voor de beoogde nieuwe functie. De oppervlakte van het plangebied en de conclusie van het vooronderzoek (historisch onderzoek) zijn bepalend voor het uitvoeren van eventueel veld- en laboratoriumonderzoek. Bodemgebruiksfuncties nemen af naarmate bodemverontreinigingen en gerelateerde risico's toenemen. Sanerende maatregelen kunnen daardoor nodig zijn. De uitbreidingslocatie is op grond van gebruik en historie niet verdacht op mogelijk voorkomen van bodemverontreiniging. Voor de bodemkwaliteit mag worden verwacht dat deze niet belemmerend is voor voorgenomen wijziging. In kader van deze wijziging is geen onderzoek nodig. In het onderliggende geval betreft dit de bouw van een stal en een werktuigenberging. In de bedrijfsgebouwen zijn dan ook niet permanent personen aanwezig waardoor een bodemonderzoek niet noodzakelijk is.
3.7
Geur
In de ruime omgeving van het bedrijf zijn enkele geurgevoelige objecten gelegen. Dichtstbijzijnde object is Julianaweg 2 welke is gelegen binnen de bebouwde kom, zoals omschreven in de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv). In de Wgv wordt namelijk onderscheid gemaakt tussen geurgevoelige objecten binnen en buiten de bebouwde kom, behorende bij een veehouderij of niet bij een veehouderij en gelegen in concentratiegebieden of niet-concentratiegebieden zoals gedefinieerd in de Meststoffenwet. De geuremissie van de dierverblijven dient overeenkomstig de Wgv
echter
individueel
benaderd
te
worden.
Bij
de
beoordeling
van
de
aanvraag
omgevingsvergunning dient de geurbelasting op omliggende burgerwoningen niet hoger te zijn dan de hiervoor geldende normen, de normen kunnen per gemeente verschillend zijn, dit is vastgesteld middels een gemeentelijke geurverordening, danwel rechtsreeks voortkomend uit artikel 3 van de Wgv. Voor de verspreidingsberekeningen wordt gebruik gemaakt van het verspreidingsmodel V-stacks vergunning. V-stacks vergunning is een computerprogramma voor het berekenen van geur rond dierenverblijven. Aan de hand van V-stacks vergunning wordt de geurbelasting berekend en getoetst. Dit geldt alleen voor dieren waarvoor geuremissiefactoren zijn opgenomen in de Regeling geurhinder en veehouderij (Rgv). Het betreft een geuroverbelaste situatie. De geurmaatregel die wordt toegepast in het kader van de 50% regel uit de Wet geurhinder en veehouderij is dat de lengteventilatie wordt voorzien van stuwbakken en de lucht omhoog wordt gestuwd, hierbij verhoogd het emissiepunt en de luchtsnelheid, waardoor er verdunning plaats kan vinden. De geuremissie blijft in de beoogde situatie praktisch gelijk ten opzichte van de vergunde en aanwezige situatie. Hieronder zijn de geurberekeningen weergegeven op de omliggende gevoelige objecten in de vergunde en beoogde situatie. Hieruit blijkt ook dat de feitelijke belasting in de gebruiksfase praktisch gelijk blijft en aan de Wgv voldoet.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
16
Figuur 9: Uitkomst geurberekening gewenste ontwikkeling
3.8
Geluid
Conform de Wet geluidhinder (Wgh) dient een verplicht akoestisch onderzoek te worden verricht indien er sprake is van het projecteren van nieuwe geluidsgevoelige bebouwing binnen een geluidszone wegverkeerslawaai en/of spoorweglawaai. In het kader van een goede ruimtelijke ordening dienen ook andere geluidbronnen berekend te worden zoals 30 km/h wegen. Het voorliggend initiatief is gelegen aan de Oud Ferdinandusdijk. Deze straat betreft een 60 km weg en ligt daarmee binnen de daarvoor gestelde 250 meter afwegingszone. Er wordt echter geen geluidgevoelige bestemmingen (extra) mogelijk gemaakt met onderhavig plan. De te realiseren stal en werktuigenberging zijn geen geluidsgevoelige objecten. Het bedrijf produceert zelf ook geluid. Het bedrijf zal door de wijziging niet meer geluid produceren dan in de huidige situatie. In het ruimtelijk spoor wordt ook bij de richtafstanden rekening gehouden met mogelijke geluidhinder van het bedrijf en het bedrijf dient te voldoen aan de opgestelde voorwaarden in de omgevingsvergunning milieu.
3.9
Luchtkwaliteit
De Eerste Kamer heeft op 9 oktober 2007 het wetsvoorstel voor de wijziging van de ‘Wet milieubeheer’ goedgekeurd (Stb. 2007, 414). Vooral hoofdstuk 5 titel 2 uit genoemde wet is veranderd. Omdat titel 2 handelt over luchtkwaliteit staat de nieuwe titel 2 bekend als de 'Wet luchtkwaliteit'. Deze wet is op 15 november 2007 (Stb. 2007, 434) in werking getreden en vervangt het ‘Besluit luchtkwaliteit 2005’. De ‘Wet luchtkwaliteit’ voorziet onder meer in een gebiedsgerichte aanpak van de luchtkwaliteit via het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). De programma-aanpak
zorgt
voor
een
flexibele
koppeling
tussen
ruimtelijke
activiteiten
en
milieugevolgen. Van bepaalde projecten met getalsmatige grenzen is vastgesteld dat deze ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan de luchtverontreiniging. Deze mogen zonder toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit uitgevoerd worden. Een project draagt ‘niet in betekenende mate’ bij aan de luchtverontreiniging als de 3% grens niet wordt overschreden. De grens is gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijnstof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Voor woningbouw geldt bijvoorbeeld dat bij één ontsluitingsweg een aantal van 500 nieuwe woningen niet in betekenende mate van invloed zijn op de luchtkwaliteit. Er dient met name gekeken te worden naar de emissie van fijnstof (PM10). Op grond van de Wet luchtkwaliteit gelden grenswaarden waaraan voldaan moet worden. De grenswaarden waaraan getoetst wordt zijn: •
jaargemiddelde concentratie: 40 µg/m3;
•
daggemiddelde concentratie: 50 µg/m3;
•
aantal toegestane overschrijdingen daggemiddelde: 35 keer.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
17
Met de beoogde omschakeling naar een emissiearm systeem met warmtewisselaars neemt de fijnstofemissie vanuit de pluimveehouderij af. Het initiatief draagt niet in betekende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Er is wel een berekening gemaakt van de beoogde situatie. De wijze van berekening van de concentraties luchtverontreinigende stoffen is vastgelegd in de “Regeling beoordeling luchtkwaliteit 2007”. Voor de veehouderij zijn voor de diverse diersoorten en stalsystemen specifieke emissiefactoren vastgesteld. Deze zijn gekoppeld aan de diercodes zoals vermeld in de Regeling ammoniak en veehouderij. Uit de uitgebreide berekening blijkt dat ruim wordt voldaan aan de maximale emissiewaarde uit bijlage 2 van de Wet milieubeheer van 40 μg/m3 en maximale 35 overschrijdingsdagen. De berekening wordt geactualiseerd op het moment van vaststelling van het bestemmingsplan.
Figuur 10: berekening fijnstof
3.10
Mer-beoordeling
Het voorkomen van aantasting van het milieu is van groot maatschappelijk belang. Het is daarom zaak om het milieubelang volwaardig in de besluitvorming te betrekken. Om hier in de praktijk vorm aan te geven is het instrument milieueffectrapportage oftewel m.e.r. ontwikkeld. De m.e.r.beoordeling is een instrument met als hoofddoel het milieubelang volwaardig te laten meewegen bij de voorbereiding en vaststelling van plannen en besluiten. Er is sprake van een m.e.r.-plicht of m.e.r.-beoordelingsplicht wanneer het te realiseren project wordt genoemd in onderdeel C of D van de bijlage bij het Besluit mer. •
Activiteiten waarvoor de m.e.r.-plicht geldt (bijlage, onderdeel C)
•
Activiteiten waarvoor de m.e.r.-beoordelingsplicht geldt (bijlage, onderdeel D).
Daarnaast dient ook bij activiteiten onder de drempelwaarden uit onderdeel D getoetst te worden of er belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn. Dit betreft de zogenoemde vormvrije m.e.r. beoordeling. In onderhavige situatie vind een wijziging plaats ten behoeve van het huisvesten van de al aanwezige en vergunde vleeskuikenouderdieren (D14). Op grond van het Besluit m.e.r. moet het bevoegd gezag, voor alle activiteiten die beneden de m.e.r.beoordelingsdrempel liggen, bepalen of de activiteit daadwerkelijk geen belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Dit dient te gebeuren op grond van de criteria genoemd in bijlage III bij de EG - richtlijn milieueffectbeoordeling (2011/92/EU en 2014/52/EU). De criteria van bijlage III van de richtlijn omvatten: •
De kenmerken van het project (onder andere omvang en cumulatie);
•
De locatie van het project (de kenmerken van het plangebied in relatie met kwetsbaarheid
omgeving);
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
18
•
De kenmerken van het potentiële effect (mogelijke effecten van de activiteit, onder andere
bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid). Deze mer-beoordeling moet een antwoord geven op de vraag of belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten en over het al dan niet vereist zijn van een op te stellen milieueffectrapportage. In het kader van de voorliggende ontwikkeling is een vormvrije mer opgesteld en voorgelegd aan burgemeester en wethouders. Uit de afweging is gebleken dat de effecten niet van dien aard zijn dat een m.e.r.‐beoordeling aan de orde is. Op grond van het voorgaande zijn belangrijke nadelige milieueffecten uitgesloten, waardoor het uitvoeren van een m.e.r.‐beoordeling of MER niet zinvol wordt geacht.
3.11
Externe veiligheid
In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient zorg gedragen te worden dat er een scheiding in acht genomen wordt tussen gevoelige objecten (zoals woningen) en risicoveroorzakende bedrijven en/of transportassen. De locatie is niet gelegen binnen de invloedsfeer van objecten waarvoor een extern veiligheidsrisico geldt (zoals industrie vallend onder het Besluit externe veiligheid inrichtingen BEVI) volgens de Risicokaart van de Provincie Zeeland. Ook is er geen sprake van vervoer van gevaarlijke stoffen in de omgeving of buisleidingen met een toetsingszone. Geconcludeerd kan worden dat de vergroting van het bouwvlak niet binnen de plaatsgebonden risicocontour en/of het invloedsgebied van het groepsrisico van een risicovolle activiteit is gelegen. Een verdere uitwerking van de veiligheidsparagraaf is dan ook niet noodzakelijk.
3.12
Milieuzonering
Om tussen bedrijven en woningen een goede ruimtelijke afstemming te borgen, wordt in de ruimtelijke ordening veelal een milieuzonering gehanteerd. Deze dient ervoor te zorgen dat door het inachtnemen van voldoende afstand tussen bedrijven milieugevoelige objecten (zoals woningen) geen overlast, hinder of schade ontstaat. Deze ruimtelijke zonering is gebaseerd op het inachtnemen van voldoende fysieke afstand. Afhankelijk van het bedrijfstype en sector gelden verschillende afstanden. De vermelde afstanden zijn richtafstanden. Deze richtafstanden zijn opgenomen in de handreiking ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van de VNG. In de omgeving van het plangebied bevindt zich binnen een afstand van 200 meter geen andere bebouwing. Dichtstbijzijnde burgerwoning ligt op een afstand van circa 270 meter. Aan de richtafstanden wordt voldaan. De uitbreiding vindt plaats bij een reeds gevestigd bedrijf en is daarmee verbonden aan de specifieke wet- en regelgeving welke van toepassing is voor vergunningsplichtige bedrijven. De huidige situatie is vergund en de nieuwe situatie zal ook aan alle wettelijke eisen voldoen welke gesteld worden aan de omgevingsvergunning milieu.
3.12
Waterparagraaf
Sinds 1 november 2003 is de zogenaamde Watertoets verplicht. Dat wil zeggen dat in elk ruimtelijk plan gemotiveerd moet worden aangegeven hoe met het water in het gebied wordt omgegaan en wat de ruimtelijke veranderingen voor het water betekenen. Aangaande de aspecten omtrent water zal een watertoets worden opgesteld en worden toegezonden aan Waterschap Scheldestromen.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
19
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
Veiligheid waterkeringen Waarborgen van het veiligheidsniveau en
Het plan heeft geen relatie met de primaire
rekening houden met de daarvoor benodigde
of secundaire waterkeringen.
ruimte. Er
wordt
een
gerealiseerd
op
nieuwe de
stal
en
achterzijde
loods
van
het
perceel. De uitbreiding van dakoppervlak bedraagt 1.878 m². De uitbreiding van verhard oppervlak bedraagt 150 m². De capaciteit
voor
de
bedraagt hiermee
nieuwe
waterberging
1.8788x0,147=276 m3.
De realisatie van waterberging is tevens opgenomen als voorwaardelijke verplichting
Voorkomen overlast door oppervlaktewater
in
Het plan biedt voldoende ruimte voor het
bestemmingsplan.
vasthouden, bergen en afvoeren van water.
verharding zal door afvloeiing natuurlijk
Waarborgen van voldoende bouwpeil om
infiltreren in de bodem.
de
regels
behorend
bij
het
Hemelwater
van
de
overstroming vanuit oppervlaktewater in maatgevende situaties te voorkomen. Rekening houden met de gevolgen van klimaatverandering en de kans op extreme weersituaties.
huidige
na
situatie
realisa tie
dakopper vlak
8599
10477
1
5840
5990
2
0
0
3
0
0
4
dichte bodemver harding doorlaten de bodemver harding wateropp ervlak
Hemelwater zal worden opgevangen in een
Voorkomen overlast door hemel- en
solitaire infiltratievoorziening achter de nieuw
afvalwater
te bouwen stal. Dit op basis zoals in het
Waarborgen optimale werking van de
thema ‘Voorkomen overlast door
zuiveringen/ RWZI’s en van de (gemeentelijke)
oppervlaktewater’. Daarnaast is in de regels
rioleringen.
behorende bij het bestemmingsplan een
Afkoppelen van (schone) verharde oppervlakken
voorwaardelijke verplichting opgenomen voor
in verband met de reductie van hydraulische
het creëren van extra waterberging.
belasting van de RWZI, het transportsysteem
Vuilwater vanuit de bedrijfswoning is
en het beperken van overstorten.
aangesloten op een kleine sceptictank als IBA voorziening. Vanaf 2027 dienen deze sceptictanks te zijn vervangen.
Thema en water(beheer)doelstelling
Uitwerking
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
20
Grondwaterkwantiteit en verdroging
De locatie is niet gelegen in een bufferzone
Voorkomen en tegengaan van
rondom een natuurgebied.
grondwateroverlast
Er wordt geen grondwater onttrokken,
en -tekort. Rekening houdend met de
schoon hemelwater wordt door infiltratie
gevolgen
toegevoegd aan het grondwater. Er is geen
van klimaatverandering. Beschermen van
sprake van grondwateroverlast. Het
infiltratiegebieden en –mogelijkheden.
plangebied wordt gekenmerkt door geringe infiltratiemogelijkheden. Hemelwater zal via de waterberging
Grondwaterkwaliteit
infiltreren in de bodem. De waterberging
Behoud of realisatie van een goede
zal in de zomerperiode droog kunnen staan.
grondwaterkwaliteit. Denk aan
Gezien de dimensionering van de
grondwaterbeschermingsgebieden.
infiltratievoorziening is een overloop naar het oppervlaktewatersysteem niet noodzakelijk.
Oppervlaktewaterkwaliteit
Tijdens de bouw worden geen uitlogende
Behoud of realisatie van goede
materialen gebruikt. De kwaliteit van het
oppervlaktewaterkwaliteit. Vergroten van de
oppervlaktewater zal hierdoor niet afnemen.
veerkracht van het watersysteem. Toepassing
omdat naast het feit dat er geen uitloogbare
van de trits schoonhouden, scheiden,
bouwmaterialen worden gebruikt de
zuiveren.
hemelwaterafvoer via bodeminfiltratie plaatsvindt.
Volksgezondheid Minimaliseren risico watergerelateerde ziekten en plagen. Voorkomen van verdrinkingsgevaar/-risico’s via o.a. de
Nvt.
daarvoor benodigde ruimte.
Bodemdaling Voorkomen van maatregelen die (extra) maaiveldsdalingen in zettinggevoelige gebieden kunnen veroorzaken.
Het plangebied is aangeduid als weinig zettingsgevoelig gebied. Extra maatregelen zijn dan ook niet noodzakelijk.
Natte natuur Ontwikkeling/bescherming van een rijke
In de directe omgeving is geen bestemming
gevarieerde en natuurlijk karakteristieke
met de functie natte natuur.
aquatische natuur. De onderhoudswerkzaamheden aan
Onderhoud oppervlaktewater Oppervlaktewater moet adequaat onderhouden worden. Rekening houden met obstakelvrije onderhoudsstroken vrij van bebouwing en opgaande (hout)beplanting.
oppervlaktewateren kunnen plaatsvinden. De uitbreiding zelf zal geen invloed hebben op de onderhoudswerkzaamheden van de waterloop/wegsloot aan langs de Oud Ferdinandusdijk. Bij de realisatie van de Landschappelijke inpassing wordt aan de planzijde een afstand van minimaal 5 meter uit de insteek van de waterloop/wegsloot vrij gehouden.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
21
Andere belangen waterbeheer Relatie met eigendom waterbeheerder Ruimtelijke ontwikkelingen mogen de werking van objecten (terreinen, milieuzonering) van de waterbeheerder niet belemmeren.
De locatie is niet gelegen in de directe omgeving van objecten van de waterbeheerder.
Wegen in beheer bij het waterschap (alleen invullen voor zover van toepassing) * in de bouwfase: Vinden er transporten (grond/bouwmaterialen) plaats over waterschapswegen?
Ja, ten tijde van de bouw van de gebouwen
* na realisatie: verkeersaantrekkende werking Veroorzaakt uw plan structureel extra verkeer?
echter beperkt en enkel noodzakelijk voor
* na realisatie: bereikbaarheid Omschrijf hoe motorvoertuigen, fietsers en
toenemen.
voetgangers uw plan kunnen bereiken.
Het bedrijf blijft bereikbaar door middel van
Worden er hiervoor uitwegen gewijzigd of nieuw aangelegd? * na realisatie: parkeren Wordt er op uw eigen terrein geparkeerd? * na realisatie: (ver)bouwen Bent u voornemens om binnen 20 meter van een waterschapsweg een bouwwerk te (ver)bouwen? (zoals een woning of afscheiding (gefundeerd).
4.
zal tijdelijk transport plaatsvinden over de Oud Ferdinandusdijk. Deze transporten zijn het afleveren van bouwproducten. Het aantal verkeersbewegingen zal niet
de reeds aanwezige oprit Ja, er wordt op eigen terrein geparkeerd. De bedrijfsgebouwen worden niet binnen 20 meter van de weg gebouwd.
Afwegingen
Ten aanzien van de vergroting van het agrarisch bouwvlak van initiatiefnemer kan de volgende afweging gemaakt worden: •
een vergroting van het agrarisch bouwvlak past binnen de ruimtelijke beleidskaders van de provincie (Omgevingsvisie en Omgevingsverordening). Bijgedragen wordt aan de gewenste en noodzakelijke vernieuwing en verbreding van het landelijke gebied waarbij tevens voor het agrarische bedrijf de economische basis verbreed kan worden;
•
het bedrijf betreft een volwaardig agrarisch bedrijf;
•
vanuit de omgeving zijn er geen belemmeringen vanuit natuur, landschap, cultuurhistorie, waterhuishouding of milieu die de vergroting van het agrarisch bouwvlak op deze locatie in de weg staan;
•
voor omliggende (agrarische) bedrijven vormt het agrarisch bedrijf geen belemmering;
•
de te verwachten verkeerseffecten zijn zeer beperkt en passen in het lokale verkeersbeeld.
Geconcludeerd kan worden dat het plan ruimtelijk inpasbaar is in de omgeving.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
22
5.
Juridisch
5.1
Algemeen
Het bestemmingsplan kan, afhankelijk van het gevoerde beleid van de gemeente een meer of minder globaal karakter dragen. Met voorliggend bestemmingsplan wordt een planologisch-juridische regeling gegeven voor te ontwikkelen gronden binnen het plangebied. Voor de gronden van de planlocatie is aansluiting gezocht bij het vigerende bestemmingsplan Buitengebied Hulst. De regels sluiten verder aan bij de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP) 2012.
5.2 De
Verbeelding bestemming
´Agrarisch’
met
aanduiding
intensieve
veehouderij
blijft
behouden.
De
dubbelbestemming Archeologie-2 wordt ook op de verbeelding opgenomen. De maatvoering maximale goothoogte blijft behouden, de maximale bedrijfsvloeroppervlakte wordt vergroot naar 8.000 m2. Op het gedeelte van de uitbreiding wordt de functieaanduiding bouwvlak opgenomen. Tevens zijn de voorwaardelijke verplichting voor de waterberging en de landschappelijke inpassing opgenomen op de verbeelding.
5.3
Regels
De regels beschrijven de bestaande regeling voor agrarisch grondgebonden bedrijven. De regels bevatten regels met betrekking tot het bouwen en gebruiken van grond en gebouwen. Met deze standaardregels
wordt
aangesloten
op
het
vigerende
bestemmingsplan
Buitengebied,
Parapluherziening Huisvesting Arbeidsmigranten en het Bestemmingsplan Archeologische en Aardkundige waarden van de gemeente Hulst. 6.
Economische uitvoerbaarheid
Het plan zal geheel in particuliere handen uitgevoerd worden. Voor de gemeente zijn er geen financiële consequenties aan verbonden. Grondexploitatie Het exploitatieplan biedt de grondslag voor het publieksrechtelijk kostenverhaal. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1. Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan of besluit waarop het betrekking heeft. Dat kan een bestemmingsplan, een wijzigingsplan, een projectbesluit en een buiten toepassingsverklaring van een beheersverordening zijn. Onderhavig plan ziet niet toe op de bouw van een hoofdgebouw. Hierdoor is er geen sprake van een aangewezen bouwplan (ex art. 6.2.1 Bro), waardoor er geen exploitatieplan opgesteld hoeft te worden. Voor onderhavige ontwikkeling is een privaatrechtelijke overeenkomst gesloten voor wat betreft planschade en de realisatie van de landschappelijke inpassing. 7.
Maatschappelijke haalbaarheid
Het voorontwerpbestemmingsplan wordt als vooroverleg voor zes weken ter visie geleg. De inspraakreacties
worden
verwerkt
in
het
definitieve
ontwerpbestemmingsplan.
Het
ontwerpbestemmingsplan wordt vervolgens overeenkomstig de wettelijke procedure in de Wet ruimtelijke ordening wederom gedurende zes weken ter visie gelegd.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
23
Het planvoornemen zal gezien het bovenstaande niet leiden tot overwegende planologische bezwaren. De bestemmingswijziging betekent, na afweging van de verschillende belangen, een aanvaardbare invulling van het plangebied.
BP Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
24
Ontwikkeling verduurzaming intensieve veehouderij Uitbreiding pluimveebedrijf Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
Opdrachtgever P. Dhollander Oud Ferdinandusdijk 20 4566 RK Heikant Opsteller Verhage-Lemahieu Rondweg 1 4524 JL Sluis E:bram@verhage-lemahieu.nl
Derks Advies Boxmeerseweg 9 5835 AB Beugen E: info@derks-advies.nl
1. Inleiding De heer Dhollander is voornemens om het bestaande agrarische bedrijf uit te breiden. Het betreft een akkerbouwbedrijf met tevens zes pluimveestallen voor het houden van vleeskuikenouderdieren. Het bedrijf beschikt over een milieuvergunning voor het houden van in totaal 45.000 dieren. In de nieuwe situatie zal het pluimveebedrijf met 1 nieuwe stal uitbreiden zodat in totaal voor 66.774 vleeskuikenouderdieren ruimte wordt geboden op het terrein. De nieuwe stal wordt voorzien van een emissiearm systeem voor 15.315 vleeskuikenouderdieren. De totale bedrijfsvloeroppervlakte voor de pluimveehouderij omvat dan 7.978 m2.
Uitbreiding Het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Hulst biedt niet de mogelijkheid om een dergelijke uitbreiding rechtstreeks toe te passen. Om de uitbreiding te realiseren dient te worden voldaan aan de voorwaarden die door de provincie Zeeland gesteld worden in het kader van de uitbreiding en de verduurzaming van het agrarische bedrijf. Deze toelichting biedt de concrete invulling van het begrip verduurzaming. Artikel 2.19 lid 7 Omgevingsverordening 2018 provincie Zeeland Het aanwijzen van bestemmingen of het geven van regels in verband met de uitbreiding van een bestaande intensieve veehouderij met een bedrijfsvloeroppervlak groter dan 5000 m² is toegelaten met
ten
hoogste
20%
van
het
bestaande
bedrijfsvloeroppervlak
of
tot
een
totaal
bedrijfsvloeroppervlak van ten hoogste 8.000 m2 indien in de toelichting bij het bestemmingsplan aannemelijk wordt gemaakt dat het een uitbreiding betreft: a. waarmee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf en b. de uitbreiding noodzakelijk is voor de continuïteit van het bedrijf en c. omgevingskwaliteiten zich daartegen niet verzetten Ad a. De omgevingsvergunning wordt slechts verleend als hiermee een significante bijdrage wordt geleverd aan de verduurzaming van het bedrijf. Het huidige agrarische bedrijf heeft planologisch een bedrijfsvloeroppervlak van 6.335 m². De vergunde aantal vierkante meters bedragen 6.430 m2. Na uitvoering van de gewenste uitbreiding omvat de intensieve veehouderij een netto voor de dieren beschikbaar bedrijfsvloeroppervlak van 7.978 m². Dit betekent een uitbreiding van 1.293 m² bedrijfsvloeroppervlak. Nu provinciaal beleid de mogelijkheid biedt om een intensieve veehouderij uit te breiden tot 8.000 m2 wordt aangesloten op deze maximale uitbreidingsruimte. Om de planologische uitbreiding tot 7.978 m² te realiseren dient geïnvesteerd te worden op gebied van
duurzaamheid.
Investeren
in
duurzaamheid
is
vervolgens
gekoppeld
aan
de
vereveningsbijdrage. Wat de hoogte van de vereveningsbijdrage betreft dient de ondernemer op grond van de Provinciale handreiking, per 250 m² uitbreiding (ex dierenwelzijn) € 8.000,-- te verevenen. In totaliteit resulteert dit in totale vereveningsbijdrage van 1293:250x€8.000=€41.376
Verduurzaming pluimveehouderij Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
1
Door de toename van het aantal dieren neemt de totale geuremissie toe, echter de immissie op de meest belaste objecten neemt af. De toename van het aantal dieren resulteert voor de totale uitstoot van ammoniak en fijnstof in een afname.
Hoofdstuk twee geeft aan welke facetten het bedrijf zal toepassen om aan verduurzaming te voldoen. De keuze van de ondernemer is gericht op het maximaal voldoen aan de maatlat duurzame veehouderij. Daarnaast worden vier oude stallen uitgerust met een warmtewisselaar. De afronding van de verduurzaming is het landschappelijk inpassen van het bedrijf.
2. Aspecten verduurzaming 2.1 Maatlat duurzame veehouderij De verduurzaming van het veehouderijbedrijf is een belangrijk onderwerp in het kader van de uitbreiding van bestaande intensieve veehouderijen. Een van de mogelijkheden op basis waarvan deze verduurzaming beoordeeld kan worden is de maatlat duurzame veehouderij. De Maatlat Duurzame Veehouderij (MDV) bevordert investeringen in een duurzame veehouderij. Veestallen die voldoen aan de criteria van de MDV tonen daarmee aan dat zij voldoen aan de duurzaamheidsdoelstellingen van overheidsregelingen zoals MIA en Vamil. Deze doelstellingen zijn weergegeven in concrete criteria op het gebied van de thema’s ammoniakemissie, dierenwelzijn,
Verduurzaming pluimveehouderij Oud Ferdinandusdijk 20 Heikant
2
diergezondheid, energie, fijnstof en bedrijf & omgeving. Voor ieder thema is een maatlat opgesteld met keuzemaatregelen waar een puntenwaardering aan toegekend is. Per thema dient een minimaal aantal punten behaald te worden om voor certificering in aanmerking te komen. De nieuwe stal van de heer Dhollander wordt getoetst en beoordeeld op basis van dit principe en zal hiervoor een certificaat behalen. De aangegeven maatregelen resulteren in een enorme extra plus aangaande duurzaamheidsdoelstellingen. Naast de vergaande milieutechnische wijzigingen wordt het bedrijf tevens landschappelijke ingepast. Om te kunnen voldoen aan de Maatlat Duurzame veehouderij dienen er extra voorzieningen getroffen te worden. Naast het noodzakelijk aantal punten voor het betalen van de maatlatstal is het mogelijk om extra voorzieningen te treffen. De kosten per onderdeel zijn nader aan te duiden indien de aanvraag voor de Maatlat formeel is aangevraagd. 2.2 Aanpassingen bestaande stallen Door toepassing van warmtewisselaars op de stallen 1 tot en met 4 wordt een reductie van fijnstof bereikt. De norm voor de emissie van fijnstof in deze stallen is nu 43 gram. Met plaatsing van de wisselaars wordt dit 24,5 gram. De totale emissie van fijnstof word dan in deze stallen verlaagd van 1332 kg naar 873 kg.