Bijlage 5 Ontwerp Bestemmingsplan Stationsweg 1-3-5
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Toelichting
Stationsweg 1 t/m 5, Hulst
Gemeente Hulst
Datum: 12 december 2023 Projectnummer: 230167 ID: NL.IMRO.0677.BphulStationsw1tm5-001O
INHOUD TOELICHTING
1
Inleiding
3
1.1 1.2 1.3 1.4
Aanleiding Ligging van het plangebied Geldend juridisch-planologisch kader Leeswijzer
3 3 4 6
2
Het plan
7
2.1 2.2 2.3
Historische ontwikkeling Huidige situatie Toekomstige situatie
7 8 9
3
Beleidskader
11
3.1 3.2 3.3
Rijksbeleid Provinciaal beleid Gemeentelijk beleid
11 13 15
4
Milieu- en omgevingsaspecten
19
4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6 4.7 4.8 4.9 4.10 4.11 4.12
Milieueffectrapportage Bodem Geluid Luchtkwaliteit Bedrijven en milieuzonering Externe veiligheid Natuur Water Archeologie Cultuurhistorie Verkeer en parkeren Kabels en leidingen
19 20 21 21 23 24 27 29 34 35 36 38
5
Wijze van bestemmen
39
5.1 5.2
Algemeen Dit bestemmingsplan
39 40
6
Uitvoerbaarheid
42
6.1 6.2
Economische uitvoerbaarheid Maatschappelijke uitvoerbaarheid
42 42
Bijlagen − − − − − − − −
Bijlage 1: Toets Ladder voor duurzame verstedelijking Bijlage 2: Vormvrije m.e.r.-beoordeling Bijlage 3: Verkennend bodem- en asbestonderzoek Bijlage 4: Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai Bijlage 5: Quick scan bedrijven en milieuzonering Bijlage 6: Quick scan natuur Bijlage 7: Onderzoek stikstofdepositie Bijlage 8: Archeologisch bureau- en booronderzoek
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Aan de Stationsweg 1 tot en met 5 te Hulst bevinden zich een aantal horeca- en winkelpanden die gedeeltelijk leeg hebben gestaan en op dit moment een tijdelijke invulling hebben. Om verdere leegstand en verpaupering te voorkomen is gekeken naar een andere invulling van het plangebied. Het voornemen bestaat om de horeca- en winkelfunctie te vervangen door een woningbouwontwikkeling in de vorm van maximaal 12 woningen en een ondergrondse parkeervoorziening. De ontwikkeling past niet binnen het vigerende juridisch-planologisch kader, aangezien nieuwe woningen alleen op de verdiepingen mogen worden toegevoegd en het initiatief ook niet helemaal past binnen de geldende maximum goot- en bouwhoogte uit het bestemmingsplan. Om de realisatie van de gewenste ontwikkeling toch mogelijk te maken, moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld. Een bestemmingsplan bestaat uit het juridische bindend deel, de regels en verbeelding, en uit een toelichting. Voorliggend document voorziet in de toelichting van het bestemmingsplan.
1.2
Ligging van het plangebied Het plangebied ligt aan de Stationsweg 1 tot en met 5 in Hulst, in de gelijknamige gemeente, provincie Zeeland. De ontwikkellocatie ligt aan de zuidkant van de vesting Hulst. Direct ten westen van het plangebied loopt de Stationsweg in noord-zuidelijke en zuid-noordelijke richting, waarlangs verschillende functies gehuisvest zijn. Het gebied ten oosten van het plangebied is vrij van bebouwing. Op de navolgende afbeeldingen zijn de globale ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding van dit bestemmingsplan.
Globale ligging plangebied, aangeduid met zwarte ster (bron: PDOK Viewer).
3
Globale begrenzing plangebied, aangeduid met oranje stippellijn (bron: Roosros architecten).
1.3
Geldend juridisch-planologisch kader Ter plaatse van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Binnenstad Hulst' dat op 8 november 2012 is vastgesteld en de 'Tweede Herziening' die is vastgesteld op 10 juni 2015. 'Binnenstad Hulst geconsolideerd' vormt de leesbare versie hiervan. Op basis hiervan kennen de gronden van onderhavig plangebied de enkelbestemmingen ‘Centrum’ en ‘Verkeer - Verblijfsgebied' en de dubbelbestemmingen ‘Waarde - Archeologie 1’ en ‘Waarde - Beschermd stadsgezicht 2’. Navolgende afbeelding toont een uitsnede van de verbeelding van het vigerende bestemmingsplan, met daarop het plangebied globaal rood omlijnd. Centrum Vrijwel het gehele plangebied heeft de bestemming ’Centrum’. De voor ‘Centrum’ aangewezen gronden zijn bestemd voor cultuur en ontspanning, detailhandel, dienstverlening, horeca, kantoor, maatschappelijke voorzieningen, sport, woningen (uitsluitend in bestaande woningen), nutsvoorzieningen, wegen en paden, water en waterhuishoudkundige voorzieningen, groenvoorzieningen en parkeervoorzieningen. Binnen het noordelijk deel van het plangebied gelden een maximum bouw- en goothoogte van respectievelijk 11,5 en 7 meter. Binnen het zuidelijk deel van het plangebied gelden een maximum bouw- en goothoogte van respectievelijk 7,5 en 4,5 meter.
4
Uitsnede vigerend bestemmingsplan, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl).
Verkeer - Verblijfsgebied Een deel van het plangebied heeft een verkeersbestemming. Hier zijn voornamelijk verkeersfuncties toegestaan. Er kunnen alleen gebouwen ten behoeve van voorzieningen van algemeen nut onder voorwaarden worden gebouwd. Verder zijn er bouwregels opgenomen voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde. Waarde - Archeologie 1 Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming ’Waarde - Archeologie 1’. De voor 'Waarde - Archeologie 1' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de archeologische waarden van de gronden. Op deze gronden is uitsluitend bebouwing toegestaan, voor zover geen bouwwerkzaamheden dienen te worden verricht beneden het maaiveld en die een grondoppervlakte bestrijken die groter is dan 50 m 2. Waarde - Beschermd stadsgezicht 2 Het gehele plangebied heeft de dubbelbestemming ’Waarde - Beschermd stadsgezicht 2’. De voor 'Waarde - Beschermd stadsgezicht 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor behoud en/of herstel van het historische en ruimtelijk karakter van het Beschermd stadsgezicht.
Op deze gronden geldt dat bij het bouwen van bouwwerken de bestaande maatvoering (hoogte, oppervlakte, inhoud, situering) in principe niet mag worden vergroot of veranderd tot maximaal de aangegeven maatvoering van de overige aan deze gronden toegekende bestemming.
5
Strijdigheid met het geldende bestemmingsplan De beoogde ontwikkeling is op diverse punten in strijd met het geldende bestemmingsplan. De locatie waar de nieuwe woningen worden beoogd, is momenteel voorzien van de bestemming ‘Centrum’. Deze bestemming staat het gebruik van de gronden voor wonen uitsluitend in bestaande woningen toe. Daarmee is het plan in functioneel opzicht strijdig met het geldende bestemmingsplan. Bovendien overschrijdt de bouwhoogte van de beoogde nieuwbouw de maximum toegestane bouwhoogte uit het bestemmingsplan deels. Daarmee is de beoogde ontwikkeling ook in ruimtelijk opzicht strijdig met het geldende bestemmingsplan. Om de ontwikkeling alsnog mogelijk te maken dient een nieuw bestemmingsplan opgesteld te worden.
1.4
Leeswijzer Het bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na het inleidende hoofdstuk komt in hoofdstuk 2 de planbeschrijving aan de orde. In hoofdstuk 3 wordt de toets aan het beleidskader weergegeven, waarna in hoofdstuk 4 de haalbaarheid van het plan aangetoond wordt voor wat betreft milieu- en omgevingsaspecten. Hoofdstuk 5 geeft een toelichting op de juridische planopzet. Het laatste hoofdstuk (6) behandelt de uitvoerbaarheid.
6
2 2.1
Het plan Historische ontwikkeling Het plangebied maakt onderdeel uit van de kern Hulst, in de gelijknamige gemeente. Hulst heeft sinds het jaar 1180 stadsrechten, waarmee zij het recht kreeg om vestingwerken rondom de stad te realiseren. In de daaropvolgende eeuwen floreerde de stad. In het begin van de 17e eeuw zijn de oude vestingwerken vervangen door de huidige gracht- en aardewerken. Het historische stadsbeeld van Hulst uit die tijd is momenteel nog duidelijk waar te nemen. Bovendien is een aantal cultuurhistorische elementen nu nog zichtbaar binnen de oude vestingwerken en heeft Hulst daarmee haar historische aanzien grotendeels behouden. Bepaalde gebieden zijn hierdoor aangewezen als beschermd stadsgezicht. De vesting is middels drie poorten toegankelijk vanuit de omgeving. Aan de zuidzijde van de vesting ligt de Gentsepoort, die in zijn huidige vorm dateert uit 1780. Direct ten zuiden van deze poort is het plangebied gelegen. Op onderstaande afbeelding is de historische ontwikkeling van Hulst zichtbaar. Het plangebied is aangeduid met een rode cirkel.
Historische ontwikkeling vesting Hulst, plangebied aangeduid met rode cirkel (bron: Dorp, Stad & Land).
7
2.2
Huidige situatie Zoals eerder beschreven, is de historische binnenstad van Hulst gesitueerd binnen een vesting. Het plangebied is gelegen aan de Stationsweg, direct ten zuiden van deze vesting Hulst. Op onderstaande afbeelding is de ligging van het plangebied ten opzichte van de directe omgeving (waaronder de vesting) weergegeven.
Ligging plangebied (rode stip) in directe omgeving (bron: Roosros architecten).
In de Visie Stationsweg is aangegeven dat het plangebied is gelegen op het zogenoemde eilandje ‘Informeel Productie Eiland’. Deze naam verwijst naar de historische betekenis van het gebied. Het eilandje tussen de Binnenvest en de Kaai heeft in de geschiedenis van de vesting en in het bijzonder de ontwikkeling van de Stationsweg, een belangrijke rol gespeeld in het karakter hiervan. De kenmerkende schuine hoeken, ontstaan door het verloop van het water van de vesting, zijn nog steeds herkenbaar in de verkaveling. Vanaf het moment dat de gronden buiten de vesting bebouwd mochten worden, ontwikkelt op het eiland kleinschalige industriële bebouwing, gericht op de Stationsweg. Zo ontstaat een informeel ruimtelijk beeld. De hoofdgebouwen zijn gericht op de Stationsweg, met daarachter kleine bijgebouwen. Residentie “Reynaerde” op de noordhoek refereert daarbij aan een incidenteel industrieel pand met grotere korrel. Onderstaande afbeeldingen geven een impressie van de huidige situatie ter plaatse van het plangebied. De bovenste drie afbeeldingen betreffen luchtfoto’s
8
van het plangebied (links: vogelvlucht zuid, midden: vogelvlucht oost en rechts: vogelvlucht noord). De onderste drie foto’s zijn straatbeelden vanaf de Stationsweg.
Impressie huidige situatie ter plaatse van het plangebied (bron: Roosros architecten).
Binnen het plangebied zijn momenteel drie panden gehuisvest. In twee panden zit momenteel horeca gevestigd. Het andere pand is tijdelijk ingevuld met een winkelfunctie. De verwachting is dat de leegstand binnen het plangebied in de toekomst van structurelere aard gaat zijn.
2.3
Toekomstige situatie Zoals beschreven in de vorige paragraaf, is het plangebied momenteel tijdelijk ingevuld met horeca en een winkelfunctie nadat er ook een periode van gedeeltelijke leegstand is geweest. Om verdere leegstand en verpaupering te voorkomen, is gezocht naar een nieuwe invulling. Omdat het plangebied onderdeel uitmaakt van het beschermde stadsgezicht van Hulst is het belangrijk dat de ontwikkeling in lijn is met de aanwezige cultuurhistorische waarden van het gebied. Voor ontwikkelingen aan de Stationsweg zijn dan ook stedenbouwkundige uitgangspunten opgesteld. Daarbij geldt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het Informeel Productie Eiland, waar ingezet wordt op het herkenbaar houden van de informele karakteristiek van dit eiland. De informele ruimtelijke opzet komt onder meer tot uiting in een geschakelde structuur met een kleine stedenbouwkundige korrel (een ruimtelijke eenheid in hoogte, breedte en diepte) en wisselende rooilijnen en kaprichtingen. De opgestelde stedenbouwkundige uitgangspunten zijn als vertrekpunt gehanteerd voor de ontwikkeling in het plangebied, waarbij ingezet wordt op het realiseren van een zogenoemd informeel geschakeld kappenlandschap. Dit komt tot uiting door te werken met verspringingen in de voorgevelrooilijn en een bouwvolume dat bestaat uit verschillende kappen, kaprichtingen en goothoogtes.
Dit heeft uiteindelijk geleid tot een woningbouwplan waarbinnen ruimte is voor maximaal 12 woningen. Het gaat om één grondgebonden woning en elf gestapelde woningen. De grondgebonden woning betreft het meest noordelijk deel van de bebouwing. Het appartementencomplex
9
grenst hier direct ten zuiden aan. De bebouwing kent door de verschillende kappen ook verschillende hoogtes. De bebouwing wordt maximaal 14 meter hoog, waardoor ruimte is voor twee lagen met kap. Alle daken krijg een maximale dakhelling van 60°. Het woningaanbod richt zich voornamelijk op kleinere huishoudens. Door de aanwezigheid van een lift heeft het plan een levensloopbestendig karakter. Tot slot voorziet het plan in een ondergrondse parkeervoorziening, die via de Stationsweg te bereiken is. Navolgende afbeeldingen geven de toekomstige situatie ter plaatse van het plangebied weer.
Impressies aanzicht vanaf de Stationsweg (bron: Roos Ros architecten).
Impressie aanzicht vanaf de Vesting (bron: Roos Ros architecten).
10
3
Beleidskader
3.1
Rijksbeleid
3.1.1
De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) biedt een duurzaam perspectief voor de leefomgeving met ambities. In deze NOVI worden de nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Er worden vier prioriteiten voor Nederland geformuleerd: − ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; − duurzaam economisch groeipotentieel; − sterke en gezonde steden en regio's; − toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied. Om beleidskeuzes op een heldere en voorspelbare manier te maken, hanteert de NOVI drie afwegingsprincipes, die helpen bij het prioriteren en afwegen van de verschillende belangen en opgaven; 1. Combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: in het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Er wordt weer gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van ruimte. 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: er moet altijd gekeken worden naar de context van het gebied. Keuzes in verschillende gebieden kunnen daarom verschillen. 3. Afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat onze leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
Toetsing Met voorliggend plan wordt voorzien in een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit in het plangebied; de verouderde en deels leegstaande bebouwing wordt immers vervangen door nieuwbouw die aansluit bij de cultuurhistorische en ruimtelijke kenmerken en karakteristieken van de locatie en haar omgeving. Daarmee wordt gesteld dat dit plan in lijn is met het gedachtegoed van de NOVI.
3.1.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) bevestigt in juridische zin kaderstellende uitspraken. Het gaat onder meer om nationale belangen als Rijksvaarwegen, Defensie, Natuurnetwerk Nederland (NNN), Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen en Primaire waterkeringen. Slechts daar waar een directe doorwerking niet mogelijk is, bij het NNN en bij de Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, is gekozen voor indirecte doorwerking via provinciaal medebewind. Ten aanzien van de begrenzing van het NNN is bepaald dat niet het Rijk, maar de provincies die grenzen (nader) bepalen. Door de nationale 11
belangen vooraf in juridisch-planologische procedures te borgen, wordt met het Barro bijgedragen aan versnelling van de besluitvorming bij ruimtelijke ontwikkelingen en vermindering van de bestuurlijke drukte. Toetsing Het voorgenomen plan raakt geen van de nationale belangen en is niet in strijd met het bepaalde in het Barro. 3.1.3
Ladder voor duurzame verstedelijking Vanuit het rijk wordt een zorgvuldig gebruik van de schaarse ruimte bevorderd. Hiervoor is de ladder voor duurzame verstedelijking geïntroduceerd en als procesvereiste opgenomen in artikel 3.1.6 lid 2 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling. Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Toetsing Wat onder stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro opgenomen. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’.
Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het voorliggende project mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen moet worden aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. De beoogde woningbouw biedt ruimte aan 12 nieuwe woningen en dient daarom gekwalificeerd te worden als een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom is voor voorliggende ontwikkeling een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking1 opgesteld, die als bijlage bij deze toelichting is gevoegd. In de toets is aangetoond dat sprake is van zowel een kwantitatieve als een kwalitatieve behoefte. Bovendien vindt de ontwikkeling plaats binnen bestaand stedelijk gebied. Daarmee wordt geconcludeerd dat het plan de toets aan de Ladder positief heeft doorlopen.
3.1.4
Conclusie rijksbeleid Voorliggend plan is in lijn met het rijksbeleid.
1
SAB (2023). Ladder voor duurzame verstedelijking Stationsweg 1 t/m 5, Hulst. Projectnummer: 230167. 25 oktober 2023. 12
3.2
Provinciaal beleid
3.2.1
Zeeuwse Omgevingsvisie De Zeeuwse Omgevingsvisie is op 11 november 2021 vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Zeeland. De Zeeuwse Omgevingsvisie is een strategische langetermijnvisie voor Zeeland en beschrijft de volle breedte van de leefomgeving en alle andere onderwerpen die van belang zijn voor de toekomst van Zeeland. De Omgevingsvisie is opgesplitst in deel A en deel B. In deel A zijn vier Zeeuwse hoofdambities geformuleerd. In deel B worden aan de hand van deze ambities 27 bouwstenen beschreven die samen de visie vormen en worden de beleidsdoelstellingen voor 2030 beschreven, de acties die daaraan bijdragen en welke partijen daar een rol bij spelen. De vier hoofdambities luiden als volgt: 1 Uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland; 2 Balans in de grote wateren en het landelijk gebied; 3 Een duurzame en innovatieve economie; 4 Klimaatbestendig en CO2-neutraal Zeeland. Toetsing Voorliggend plan raakt voornamelijk de ambitie rondom uitstekend wonen, werken en leven in Zeeland. De Omgevingsvisie stelt op het gebied van wonen dat gestreefd moet worden naar een woningvoorraad, die qua omvang, locatie en type is afgestemd op de woonwensen van de Zeeuwse huishoudens. Bij woningbouwontwikkelingen staan de ruimtelijke doelen van bundeling en zorgvuldig ruimtegebruik bij de provincie hoog op de agenda.
Aangezien voorliggend plan voorziet in een behoefte voor het marktgebied (zie paragraaf 3.1.3), de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied wordt gerealiseerd en met de herontwikkeling een leegstandsprobleem wordt opgelost, wordt gesteld dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met de provinciale ambities op het gebied van wonen.
3.2.2
Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018 De Provinciale Omgevingsverordening 2018 Provincie Zeeland geeft aan welke onderdelen van het provinciale beleid (de provinciale belangen, zoals die in het Omgevingsplan zijn beschreven) bindende betekenis hebben voor gemeentelijke plannen. Zo worden er regels gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. Op 29 juni 2023 is de ‘Provinciale Omgevingsverordening Provincie Zeeland 2018, 12e wijziging’ vastgesteld. Toetsing Op het gebied van wonen bevat de provinciale omgevingsverordening enkel regels (artikel 2.7) ten aanzien van nieuwe kleinschalige woningbouwlocaties in het landelijk gebied. Gelet op het feit dat voorliggend plan is voorzien binnen bestaand stedelijk gebied vormen deze regels geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
13
Daarnaast geldt dat het plangebied direct grenst aan gronden die door de provincie zijn aangewezen als ‘Bestaande natuur’. Conform artikel 2.23 geldt dat voor bestaande natuurgronden is vastgelegd dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied. In paragraaf 4.7 wordt toegelicht dat hier bij voorliggend plan geen sprake van is. Gelet op het voorgaande is de ontwikkeling in lijn met de regels uit de Provinciale Omgevingsverordening. 3.2.3
Zeeuwse Woondeal Het Rijk, de provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten hebben gezamenlijk de Zeeuwse Woondeal gesloten. Om het huidige woningtekort aan te pakken is het noodzakelijk om de komende jaren het bouwtempo flink te verhogen en sneller en meer woningen bij te bouwen. In heel Nederland zijn tot en met 2030 in totaal 900.000 woningen nodig. Hiervan worden 16.500 woningen gerealiseerd in de provincie Zeeland. Toetsing De gemeente Hulst draagt bij aan de regionale opgave door de realisatie van 825 woningen voor 2030. In de bijlage van de woondeal is opgenomen dat de gemeente Hulst een netto plancapaciteit van 685 woningen heeft en een harde plancapaciteit van 275 woningen. Dat maakt dat er nog meer dan voldoende woningen aan de planvoorraad toegevoegd kunnen worden om te kunnen voorzien in de afspraken uit de woondeal en voorliggend plan een bijdrage kan leveren aan het waarmaken van de woningbouwafspraken.
3.2.4
Kwalitatief Woningmarktonderzoek Zeeland 2019 (KWOZ) De Provincie Zeeland heeft de ambitie om in 2040 een toekomstbestendige woningvoorraad te hebben die in kwantiteit en kwaliteit 100% aansluit bij de vraag. Om te komen tot een 100% match tussen vraag en aanbod is een uitgebreide woningmarktanalyse, als gezamenlijke basis voor passend woonbeleid op provinciaal, regionaal en gemeentelijk niveau wenselijk. Om die reden is een uitgebreide woningmarktanalyse in de vorm van het “Kwalitatief WoningmarktOnderzoek Zeeland 2019” (KWOZ) uitgevoerd. In het onderzoek ligt de focus voor een belangrijk deel op de omvang en kwaliteit van - en de opgaven in - de bestaande woningvoorraad. Een groot deel van de toekomstige woningen staat er immers nu al, maar de opgaven ten aanzien van onder andere verduurzaming, levensloopgeschiktheid en bouwtechnische kwaliteit zijn groot. De uitgebreide analyses zoals uitgewerkt in deze rapportage moeten daarom in samenhang worden gezien met strategievorming en het concreet aanpakken van de bestaande voorraad in de vorm van (financiële) arrangementen. Toetsing Het KWOZ laat zien dat er tot 2040 nog circa 11.550 extra huishoudens in Zeeland worden verwacht. Deze groei zit overwegend in 65-plusdoelgroep. Er wordt een sterke verschuiving gesignaleerd in behoefte van reguliere grondgebonden woningen naar nultredenwoningen als gevolg van aanhoudende vergrijzing.
De gemeentespecifieke factsheet voor Hulst laat zien dat er nog een groei van circa 430 huishoudens tot 2040 14
wordt verwacht en dat deze groei volledig in de 65-plusdoelgroep zit. Ook in Hulst is de behoefte aan nultredenwoningen groot. Met voorliggend plan wordt zowel kwantitatief als kwalitatief een bijdrage geleverd aan deze opgave. De beoogde appartementen beschikken immers over een lift en zijn daarmee te kwalificeren als nultredenwoningen. 3.2.5
Conclusie provinciaal beleid Voorliggend plan is in lijn met het provinciaal beleid.
3.3
Gemeentelijk beleid
3.3.1
Structuurvisie Hulst Op 15 mei 2012 is de “Structuurvisie Hulst” vastgesteld. Hierin worden vijf thema’s beschreven, die de gemeenten Hulst, Terneuzen en Sluis samen hebben opgesteld om de onderscheidende kwaliteiten van Zeeuws-Vlaanderen beter voor het voetlicht te brengen. Het betreffen de volgende thema’s: 1 Versterken economische basis; 2 Boeien en binden van mensen en bezoekers (promotie); 3 Vergroten ruimtelijke en natuurlijke kwaliteiten; 4 Partnerschap (werp de blik naar buiten en zoek coalities); 5 Regionale samenwerking (eendracht maakt macht). Ten aanzien van het aspect ‘wonen’ wordt aangegeven dat de toekomstige woningbehoefte in de gemeente Hulst sterk samenhangt met demografische ontwikkelingen. Door de vergrijzing en ontgroening is er een toenemende vraag naar woningen voor kleinere huishoudens. De bestaande voorraad in de gemeente Hulst bestaat voornamelijk uit grondgebonden rijwoningen. In kwalitatieve zin is er daarmee sprake van een enorme discrepantie tussen de bestaande woningvoorraad en de te verwachten woningvraag. Een herstructurering van de bestaande woningvoorraad is nodig, met name op plekken die voor kleine huishoudens interessant zijn. Er zullen andere typen woningen gebouwd moeten worden, zoals nultredenwoningen en levensloopbestendige woningen. Toetsing Het plangebied ligt binnen de bebouwde kom van Hulst.
Voorliggend plan betreft de realisatie van 12 nieuwe woningen. Het programma bestaat uit één grondgebonden woning en elf appartementen, waarmee het plan zich voornamelijk richt op kleinere huishoudens. De appartementen hebben een levensloopbestendig karakter. Bovendien wordt met deze ontwikkeling leegstaande bebouwing vervangen door nieuwbouw die aansluit bij de kenmerken en karakteristieken van de locatie en haar omgeving. Daarmee past deze ontwikkeling binnen de ambities van de gemeente Hulst, zoals geformuleerd in de gemeentelijke structuurvisie.
15
3.3.2
Regionale woonvisie Zeeuws Vlaanderen De gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen hebben gezamenlijk een regionale woonvisie opgesteld (vastgesteld: 22 juli 2022). In deze visie hebben de gemeenten onderling en met stakeholders nadrukkelijk overlegd om de opgaven voor de woningmarkt in de regio te signaleren. Hierin wordt beschreven dat de regio te maken heeft met een vergrijzende bevolking. Daarnaast verwacht de regio dat de groei van het aantal huishoudens op termijn stagneert en mogelijk zelfs afneemt. Deze demografische ontwikkelingen zijn grotendeels onontkoombaar, ouderen worden immers ouder en komen uiteindelijk te overlijden. Ook worden huishoudens steeds kleiner. Toch ziet de regio kansen in Zeeuws Vlaanderen. Hierbij wordt met name gefocust op het aantrekken van Vlamingen, maar ook buitenlandse werknemers en young professionals vanuit heel Europa. In de regionale woonvisie zijn vijf ambities geformuleerd, die de basis vormen voor het regionale woonbeleid: 1 Kansen grijpen op de woningmarkt! 2 Goed wonen voor alle doelgroepen 3 Vitaliteit en leefbaarheid op peil houden 4 Kwalitatief goede bestaande woningvoorraad 5 Plancapaciteit afgestemd op kwantitatieve en kwalitatieve behoeften. Toetsing Voorliggend plan sluit aan bij alle vijf de ambities uit de regionale woonvisie.
Allereerst voorziet het plan in nieuwbouw op een plek waar recentelijk sprake is van gedeeltelijke leegstand, die nu tijdelijk is opgelost. Door op een binnenstedelijke locatie 12 woningen te realiseren ter plaatse van drie (deels lege) horeca- en winkelpanden, wordt het gebruik van de gronden geoptimaliseerd. Hierdoor wordt bijgedragen aan ambitie 1. Doordat deze woningen uitstekend aansluiten op de wensen van senioren, kan voorliggend plan bijdragen aan de doorstroom op de huizenmarkt in Hulst. Hierdoor vergroot de ontwikkeling (indirect) de woningvoorraad voor verschillende doelgroepen (ambitie 2). Door het vergroten van het aantal woningen in de bebouwde kom van Hulst, kan een bescheiden bijdrage geleverd worden aan het draagvlak ten behoeve van het behoud en/of uitbreiding van bepaalde voorzieningen. Dit zal een positieve uitwerking hebben op de vitaliteit en leefbaarheid in de omgeving (ambitie 3). De nieuwbouwwoningen zullen bijdragen aan de vernieuwing van de bestaande woningvoorraad in de regio (ambitie 4). Tot slot is voorliggend plan afgestemd op de kwantitatieve en kwalitatieve behoefte (ambitie 5), zoals aangetoond middels de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking in paragraaf 3.1.3.
3.3.3
Beleidsnotitie “Ruimte voor Woonkwaliteit” en “Plan van aanpak ‘Ruimte voor Woonkwaliteit’ in de gemeente Hulst 2020” Op 12 mei 2020 heeft het college van Gedeputeerde Staten van Zeeland de beleidsnotitie “Ruimte voor Woonkwaliteit” vastgesteld. Hierin is onderbouwd hoe gemeenten ondanks een overcapaciteit aan woningbouwplannen, onder voorwaarden toch nieuwe woningbouwplannen in procedure kunnen brengen mits deze plannen aansluiten bij de kwalitatieve criteria van het gemeentelijke plan van aanpak.
16
Op 15 december 2020 is het Plan van aanpak ‘Ruimte voor Woonkwaliteit’ in de gemeente Hulst 2020 door het college van B&W vastgesteld. In het Plan van aanpak is onderbouwd op welke manier de harde plancapaciteit teruggebracht wordt. Deze onderbouwing is te gebruiken als argument om vooruitlopend op de acties van het Plan van aanpak kwalitatief goede toevoegingen aan de harde plancapaciteit toe te staan, ook al is er geen ladderruimte meer. Als een in kwalitatief opzicht gewenst woningbouwplan in procedure wordt gebracht door de gemeente Hulst, zullen Gedeputeerde Staten onder verwijzing naar dit plan van aanpak reageren met instemming. Er wordt op die manier namelijk bijgedragen aan de gezamenlijk doelstelling op het gebied van wonen en er is sprake is van een goede onderbouwing van de Ladder voor duurzame verstedelijking. In de tussentijd werken de gemeente en Provincie Zeeland actief aan het terugdringen van de harde plancapaciteit. Toetsing Onderhavig plan voldoet aan de kwalitatieve criteria van het Plan van aanpak ‘Ruimte voor Woonkwaliteit’ in de gemeente Hulst 2020. Er is in het plan sprake van appartementen/nultredenwoningen binnen de grens van het bestaand stedelijk gebied in een centrumdorps woonmilieu. Er is tevens sprake van een herstructureringsplan met sloop en terugbouw van woningen.
Met het ‘Plan van aanpak’ ontstaat hierdoor de ruimte voor realisatie van het plan. 3.3.4
Beleidsregels nieuwe woningbouwverzoeken In 2018 heeft de gemeente Hulst beleidsregels vastgesteld voor nieuwe woningbouwverzoeken. De beleidsregels zijn opgesteld omdat een scheefgroei werd geconstateerd tussen de woningvoorraad en de werkelijke woningbehoefte. Met de beleidsregels beoogt de gemeente om de juiste woningen te ontwikkelen en de woningmarkt gezond te houden. Toetsing Voor voorliggend plan is met name artikel 5 van de beleidsregels relevant, namelijk de bepalingen voor het toevoegen van woningen. In deze bepalingen worden verschillende situaties genoemd waar een woningbouwinitiatief aan moet kunnen voldoen. In voorliggende situatie kan voldaan worden aan de bepaling dat de ontwikkeling plaatsvindt op een vrijkomende detailhandelslocatie buiten het kernwinkelgebied. Tevens geldt dat in het kader van de Ladder voor duurzame verstedelijking de behoefte van de ontwikkeling is aangetoond (zie paragraaf 3.1.3). Tot slot wordt in het artikel aangegeven dat een ontwikkeling moet voldoen aan verschillende voorwaarden rondom het principe van een goede ruimtelijke ordening, zoals het hebben van aandacht voor een goede bodemkwaliteit, archeologisch onderzoek, de Wet natuurbescherming en de watertoets. In voorliggende toelichting wordt aan deze aspecten getoetst en wordt de haalbaarheid van de ontwikkeling toegelicht.
Op die manier voldoet de ontwikkeling aan de vereisten uit de beleidsregels.
3.3.5
Retailstructuurvisie Hulst 2025 Met de Retailstructuurvisie Hulst 2025 geeft de gemeente een antwoord op de snelle veranderingen die zich in het winkellandschap voordoen en ook in Hulst merkbaar zijn. Doel van de visie is om de verschillende winkelgebieden naar de toekomst te
17
garanderen en de van oudsher sterke aantrekkingskracht van Hulst op toeristen nieuwe impulsen te geven. Onderdeel van de visie is een uitvoeringsagenda waarin onder meer wordt ingezet op het verminderen van de hoeveelheid winkelmeters en meer kwaliteit toe te voegen om zo tot een sterke retailstructuur te werken. De binnenstad, het stationsplein e.o. en Morres vormen daarbij de drie hoofdwinkelgebieden in Hulst. Toetsing In de Retailstructuurvisie maakt het plangebied geen onderdeel uit van het kernwinkelgebied van Hulst. Wel bevindt het plangebied zich op de verbindingsroute richting het Stationsplein en Morres. Doordat met deze ontwikkeling winkelmeters worden ingewisseld voor een woonfunctie wordt een bijdrage geleverd aan de ambitie uit de visie om de winkelmeters te verminderen. Tegelijkertijd wordt met de ontwikkeling gezorgd dat de verbindingsroute tussen de winkelgebieden aantrekkelijk is. Op deze manier sluit de ontwikkeling aan op de ambities uit de gemeentelijke retailstructuurvisie. 3.3.6
Visie Stationsweg De Stationsweg in Hulst ligt binnen het ‘beschermd stadsgezicht’ van Hulst. Dit betekent dat het een gebied is met een bijzonder cultuurhistorisch karakter. De bescherming is bedoeld om dit karakter te behouden. Tegelijkertijd zijn aan de Stationsweg locaties die aandacht vragen. Dat is door het huidige gebruik, doordat ze leeg staan of door de staat van het gebouw. Om bij nieuwe ontwikkelingen het cultuurhistorische karakter van de straat niet aan te laten tasten is een visie voor het gebied opgesteld. In de visie is een plan met uitgangspunten voor de toekomst van de straat gemaakt. Toetsing De opgestelde stedenbouwkundige uitgangspunten voor de Stationsweg uit de visie zijn als vertrekpunt gehanteerd voor de ontwikkeling in het plangebied, waarbij ingezet wordt op het realiseren van een zogenoemd informeel geschakeld kappenlandschap. Dit komt tot uiting door te werken met verspringingen in de voorgevelrooilijn en een bouwvolume dat bestaat uit verschillende kappen, kaprichtingen en goothoogtes. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een woningbouwplan waarbinnen ruimte is voor maximaal 12 woningen. Het gaat om één grondgebonden woning en elf gestapelde woningen. De grondgebonden woning betreft het meest noordelijk deel van de bebouwing. Het appartementencomplex grenst hier direct ten zuiden aan.
De bebouwing kent door de verschillende kappen ook verschillende hoogtes die op de verbeelding zijn aangegeven. De bebouwing wordt maximaal 14 meter hoog, waardoor ruimte is voor twee lagen met kap. Alle daken krijg een maximale dakhelling van 60°. Deze kenmerken van de ontwikkeling sluiten aan de geformuleerde uitgangspunten uit de visie.
3.3.7
Conclusie gemeentelijk beleid Voorliggend plan is in lijn met het gemeentelijk beleid.
18
4 4.1
Milieu- en omgevingsaspecten Milieueffectrapportage Algemeen De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r. In de bijlage van het Besluit m.e.r zijn twee onderdelen (C en D) opgenomen. In onderdeel C zijn activiteiten genoemd waarbij direct sprake is van een m.e.r.-plicht als bij besluiten de genoemde drempelwaarden worden overschreden. Voor de activiteiten die zijn genoemd in onderdeel D geldt dat als de drempelwaarden worden overschreden een m.e.r.-beoordeling dient plaats te vinden. Voor besluiten met een omvang onder de drempelwaarden moet een zogenaamde vormvrije m.e.r.-beoordeling worden gedaan. Het bevoegd gezag (het college van burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) moet voorafgaande aan het besluit inzake het plan formeel de beslissing nemen of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. Het bevoegd gezag kan dit besluit nemen aan de hand van een ‘aanmeldingsnotitie’.
Het uiteindelijke besluit dient als bijlage bij de stukken van het ruimtelijke plan worden gevoegd. Toetsing Onderhavig plan betreft de realisatie van maximaal 12 nieuwe woningen aan de Stationsweg in Hulst. Het plan kan worden gekwalificeerd als de wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen als genoemd in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r.. Bij de uitleg van de Europese m.e.r.-richtlijn wordt immers aangegeven dat 'stedelijke ontwikkelingsprojecten' breed moet worden geïnterpreteerd. Bij de activiteit zijn drie relevante indicatieve drempelwaarden opgenomen, namelijk: − een oppervlakte van 100 hectare of meer; − een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen; − een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m² of meer. Het plangebied is circa 1.032 m2 groot. Hiermee blijft het project ver onder de indicatieve drempelwaarden en kan in eerste instantie met een vormvrije m.e.r.-beoordeling worden volstaan. In de vormvrije m.e.r.-beoordeling wordt beoordeeld of de activiteit belangrijke nadelige milieugevolgen kan hebben. Hierbij moet in het bijzonder worden nagegaan of er sprake is van de omstandigheden als bedoeld in bijlage III van de Europese Richtlijn betreffende de milieueffectbeoordeling.
19
Conclusie Er is een vormvrije m.e.r.-beoordeling2 uitgevoerd. Hieruit volgt dat er geen sprake is van bijzondere omstandigheden ten aanzien van de kenmerken en locatie van het plan, die zouden kunnen leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu. Voor de beoordeelde milieuaspecten geldt dat er hoogstens een beperkt negatief effect kan optreden (soortenbescherming en archeologie). De conclusie is dan ook dat belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten. Significant negatieve effecten hoeven niet te worden verwacht. Het volgen van een m.e.r.-(beoordelings-) procedure is daarom niet nodig.
4.2
Bodem Algemeen In het kader van het bestemmingsplan moet zijn aangetoond dat de bodem en het grondwater geschikt zijn voor het beoogde gebruik. Hiertoe is het uitvoeren van een verkennend milieukundig bodem- en grondwateronderzoek noodzakelijk. Toetsing In het kader van de voorgenomen ontwikkeling is een verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek3 uitgevoerd. Doel van het bodemonderzoek is het vaststellen van de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse van de locatie en nagaan of er mogelijke gebruiksbeperkingen bestaan in relatie tot het beoogde gebruik (wonen). Doordat het plangebied momenteel deels nog in gebruik en bebouwd is, is het vooralsnog niet mogelijk om inpandige boringen uit te voeren en is het in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen noodzakelijk om de bodemkwaliteit onder het pand te bepalen.
Uit het onderzoek volgt dat: − de bodem op de locatie in de bovengrond zwak baksteenhoudend is; − de bovengrond aan de noordzijde matig tot sterk verontreinigd is met lood; − in de bovengrond van het buitenterrein verder licht verhoogde gehalten zware metalen en PAK (10 van VROM) zijn aangetroffen; − in de ondergrond van het gehele terrein licht verhoogde gehalten kwik, lood en PAK (10 van VROM) zijn aangetroffen; − het grondwater licht is verontreinigd met barium, molybdeen en xylenen; − de grond plaatselijk zeer licht asbesthoudend is en dat de concentratie ruim onder de interventie- of toetsingswaarde voor nader onderzoek ligt; − er zijn geen inpandige boringen uitgevoerd, derhalve kan geen uitspraak gedaan worden over de bodemkwaliteit onder het pand; − de hypothese dat de locatie onverdacht is verworpen dient te worden. Uit de onderzoeksresultaten volgt dat het terrein, op basis van de milieuhygiënische kwaliteit, niet geschikt is voor het voorgenomen gebruik (wonen). Daartoe wordt aanbevolen om de omvang en herkomst van de aangetroffen verontreiniging met lood nader in beeld te brengen en te bepalen of sprake is van ernstige bodemverontreiniging
2
SAB (2023). Vormvrije m.e.r.-beoordeling. Stationsweg 1 t/m 5, Hulst. Projectnummer: 230167. 6 november 2023.
3
De Klinker (2023). “Verkennend bodemonderzoek en asbestonderzoek Stationsweg 1, 3 en 5 Hulst”. Rapportnummer: K2320086, 7 juni 2023. 20
en of spoedige sanering noodzakelijk is. Dit onderzoek zal in het kader van de omgevingsvergunning voor het bouwen uitgevoerd worden. Dit is als voorwaardelijke verplichting vastgelegd in de regels van dit bestemmingsplan. Indien noodzakelijk worden de gronden voorafgaand aan de bouwwerkzaamheden gesaneerd. Conclusie Met inachtneming van het voorgaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het plan.
4.3
Geluid Algemeen De mate waarin het geluid onder andere het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). In het bestemmingsplan moet volgens de Wgh worden aangetoond dat gevoelige functies, zoals een woning, een aanvaardbare geluidsbelasting hebben als gevolg van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Indien nieuwe geluidsgevoelige functies worden toegestaan, stelt de Wgh de verplichting akoestisch onderzoek te verrichten naar de geluidsbelasting ten gevolge van omliggende (spoor)wegen en industrieterreinen. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van nieuwe geluidgevoelige functies in de vorm van woningen binnen de akoestische onderzoekszone van de Stationsweg, Absdaalseweg, Van der Maelstedeweg, Havenfort, Stationsplein en Zoetevaart. Om die reden is een akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai4 uitgevoerd. In het kader van een goede ruimtelijke ordening zijn in het onderzoek ook de omliggende 30 km/uurwegen meegenomen. Uit het onderzoek volgt dat uitsluitend als gevolg van de Stationsweg de voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt overschreden. De maximale ontheffingswaarde wordt niet overschreden. Maatregelenonderzoek wijst uit dat bron- en overdrachtsmaatregelen niet doelmatig dan wel wenselijk/mogelijk zijn.
Omdat de overschrijding afkomstig is van het deel van de Stationsweg waar 30 km/uur gereden mag worden, is het aanvragen van een hogere grenswaarde niet mogelijk. Wel zal bij de aanvraag omgevingsvergunning voor het bouwen aangetoond moeten worden dat de binnenwaarde uit het Bouwbesluit 2012 kan worden gewaarborgd. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.4
Luchtkwaliteit Algemeen Eisen met betrekking tot luchtkwaliteit zijn verankerd in de Wet milieubeheer hoofdstuk 5, titel 5.2 en vormen een implementatie van diverse Europese richtlijnen omtrent luchtkwaliteit waarin onder andere grenswaarden voor vervuilende stoffen in de buitenlucht zijn vastgesteld ter bescherming van mens en milieu. In Nederland zijn 4
SAB (2023). Akoestisch onderzoek wegverkeerslawaai. Stationsweg, Hulst. Projectnummer: 230167. 1 december 2023. 21
stikstofdioxide (NO2) en zwevende deeltjes als PM10 (fijn stof) de maatgevende stoffen waar de concentratieniveaus het dichtst bij de grenswaarden liggen. Overschrijdingen van de grenswaarden komen, uitzonderlijke situaties daargelaten, bij andere stoffen niet voor. Vanaf 1 januari 2015 dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteit ook te toetsen aan de grenswaarde voor PM2,5. Op basis van onderzoek door het Planbureau voor de Leefomgeving kan worden gesteld dat als aan de grenswaarden voor PM 10 wordt voldaan, ook aan de grenswaarde voor PM2,5 wordt voldaan. Hoewel de luchtkwaliteit de afgelopen jaren flink is verbeterd kan Nederland niet voldoen aan de luchtkwaliteitseisen die in 2010 van kracht zijn geworden. De EU heeft Nederland derogatie (uitstel) verleend op grond van het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Dit betreft een gemeenschappelijke aanpak van het Rijk en diverse regio’s om samen te werken aan een schonere lucht waarbij ruimte wordt geboden aan noodzakelijke ruimtelijke ontwikkelingen. Plannen die in betekenende mate bijdragen aan luchtverontreiniging worden opgenomen in een gebiedsgericht programma van het NSL. Het maatregelenpakket in het NSL is hiermee in evenwicht en zodanig dat op termijn de luchtkwaliteit in heel Nederland onder de grenswaarden ligt.
Plannen die ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bijdragen aan luchtverontreiniging hoeven niet langer individueel getoetst te worden aan de Europese grenswaarden aangezien deze niet leiden tot een significante verslechtering van de luchtkwaliteit. Deze grens is in de AMvB NIBM gelegd bij 3% van de grenswaarde van een stof: Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moeten worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Voor een aantal functies (o.a. woningen, kantoren, tuin- en akkerbouw) is dit gekwantificeerd in de ministeriële regeling NIBM. Uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening wordt afgewogen of het aanvaardbaar is het project op deze plaats te realiseren. Hierbij kan de blootstelling aan luchtverontreiniging een rol spelen, ook als het project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de luchtverontreiniging. Er is sprake van een significante blootstellingsduur als de verblijfsduur die gemiddeld bij de functie te verwachten is een aanzienlijk deel van de dag betreft. Volgens de toelichting op de Regeling Beoordeling luchtkwaliteit is dit onder andere het geval bij een woning, school of sportterrein. Gevoelige bestemmingen als scholen, kinderdagverblijven, bejaarden- en zorgtehuizen genieten op grond van de gelijknamige AMvB extra bescherming.
Substantiële uitbreiding of nieuwvestiging binnen 50 meter van een provinciale weg of 300 meter van een Rijksweg is alleen toegestaan als de concentraties luchtvervuilende stoffen zich onder de grenswaarden bevinden waardoor geen onacceptabele gezondheidsrisico’s optreden. Toetsing Voorliggend plan voorziet in de realisatie van maximaal 12 woningen. Daarmee draagt het plan ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit en is er verder geen nader onderzoek nodig. Invulling van de NIBM-tool bevestigt deze conclusie (zie navolgend). In het kader van een goede ruimtelijke ordening is de lokale luchtkwaliteit geanalyseerd, zodat onacceptabele gezondheidsrisico’s kunnen worden uitgesloten. Hiertoe is de monitoringstool uit de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. De monitoringstool geeft inzicht in de concentraties stikstofdioxide (NO 2) en
22
fijn stof (PM2.5 en PM10) in het plangebied voor 2020. De monitoringstool maakt duidelijk dat de concentraties luchtvervuilende stoffen in 2020 in het plangebied onder de grenswaarden liggen die op Europees niveau zijn vastgesteld (zie navolgend). De blootstelling aan luchtverontreiniging is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico’s.
Berekening NIBM-tool (Bron: Infomil / ministerie van Infrastructuur en Milieu).
Zichtjaar
Concentraties wegen direct rondom het plangebied stikstofdioxide (NO2), jaargem. concentratie
fijn stof (PM10), jaargem. concentratie
fijn stof (PM2.5), jaargem. concentratie
2020
12,4 μg/m3
14,5 μg/m3
7,9 μg/m3
Grenswaarden
40,0 μg/m3
40,0 μg/m3
25,0 μg/m3
Conclusie Op basis van het voorgaande kan geconcludeerd worden dat, zowel vanuit de Wet Milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening, luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de voorgenomen ontwikkeling in het plangebied.
4.5
Bedrijven en milieuzonering Algemeen Indien door middel van een ruimtelijke ontwikkeling nieuwe, gevoelige functies mogelijk worden gemaakt, moet worden aangetoond dat een goed leefmilieu mogelijk kan worden gemaakt. Hierbij moet rekening worden gehouden met omliggende functies met een milieuzone. Anderzijds mogen omliggende bedrijven niet in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden aangetast door de realisatie van een nieuwe gevoelige functie. Wat betreft de aanbevolen richtafstanden tussen functies met een milieuzone en gevoelige functies is de VNG-publicatie als leidraad voor milieuzonering gebruikt 5. In de VNG-publicatie zijn richtafstanden voor diverse omgevings- en gebiedstypen opgenomen. Het gaat onder andere om de volgende omgevings- en gebiedstypen: ‘rustige woonwijk’, ‘rustig buitengebied’ en ‘gemengd gebied’.
5
VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’, 2009. 23
In een rustige woonwijk en een rustig buitengebied komen vrijwel geen andere functies dan de woonfunctie voor. Gemengde gebieden betreffen gebieden die langs hoofdinfrastructuur liggen en/of gebieden met matige tot sterke functiemenging. In een dergelijk gebied komen direct naast woningen andere functies voor, zoals winkels, maatschappelijke voorzieningenhoreca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Voor gemengde gebieden kunnen de richtafstanden worden verminderd. De afstand wordt gemeten vanaf het op de verbeelding aangeduide deel voor de bedrijfsmatige activiteit tot aan de gevel van nieuwe of bestaande gevoelige functies gelegen buiten betreffend perceel. Toetsing In voorliggende situatie worden nieuwe geluidgevoelige functies mogelijk gemaakt in een omgeving waar diverse hinderveroorzakende functies aanwezig zijn. Om die reden is een quick scan bedrijven en milieuzonering 6 uitgevoerd. Het plangebied ligt in een gebied waar bewust functiemenging wordt nagestreefd. Om die reden is bijlage 4 van de VNG-publicatie toegepast in de quick scan. Uit een inventarisatie van omliggende percelen met hinderveroorzakende functies volgt dat uitsluitend centrumfuncties rondom het plangebied aanwezig zijn.
Dergelijke functies zijn binnen de functiemengingslijst te typeren als A of B. Dat maakt dat activiteiten uitgevoerd kunnen worden mits deze bouwkundig afgescheiden zijn van hindergevoelige functies. Daar is in voorliggende situatie sprake van, waardoor wordt voldaan aan de voorwaarden van functiemenging, zoals opgenomen in de VNG-publicatie. Daarom worden deze gronden met bijbehorende functies niet onevenredig geschaad in hun ontwikkelingsmogelijkheden en ter plaatse van de ontwikkellocatie een goed woon- en leefklimaat is gewaarborgd Conclusie Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van dit plan.
4.6
Externe veiligheid Algemeen Het aspect externe veiligheid betreft het risico op een ongeval waarbij een gevaarlijke stof aanwezig is. Deze gevaarlijke stoffen kennen twee verschillende bronnen. Dit zijn de stationaire bronnen (chemische fabriek, lpg-vulpunt) en de mobiele bronnen (route gevaarlijke stoffen). Er wordt onderscheid gemaakt tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Er wordt bij externe veiligheid onderscheid gemaakt in plaatsgebonden risico en groepsrisico. Het plaatsgebonden risico mag in principe nergens groter zijn dan 1 op 1 miljoen (ofwel 10-6). Dit is de kans dat een denkbeeldig persoon, die zich een jaar lang permanent op de betreffende plek bevindt (de plek waarvoor het risico is uitgerekend), dodelijk verongelukt door een ongeval. Deze kans mag niet groter zijn dan eens in de
6
SAB (2023). Quick scan bedrijven en milieuzonering Stationsweg Hulst. Projectnummer: 230167. 14 juli 2023. 24
miljoen jaar. Elke ruimtelijke ontwikkeling wordt getoetst aan het plaatsgebonden risico van 10-6 als grenswaarde. Het groepsrisico geeft de kans aan dat in één keer een groep mensen die zich in de omgeving van een risicosituatie bevindt, dodelijk door een ongeval wordt getroffen. Groepsrisico legt een relatie tussen de kans op een ramp en het aantal mogelijke slachtoffers. Bij groepsrisico is het dan ook niet een contour die bepalend is, maar het aantal mensen dat zich gedurende een bepaalde periode binnen de effectafstand van een risicovolle activiteit ophoudt. Welke kans nog acceptabel geacht wordt, is afhankelijk van de omvang van de ramp. Toetsing Het voorliggende plan ziet op het mogelijk maken van nieuwe kwetsbare objecten (woningen). Om te inventariseren of er stationaire en mobiele bronnen in de nabijheid van het plangebied zijn gelegen is de Atlas Leefomgeving geraadpleegd. In navolgende risico-inventarisatie is gekeken naar de volgende aspecten die van invloed kunnen zijn op het plangebied: − risicovolle inrichtingen; − transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen; − transport van gevaarlijke stoffen over spoor, water en weg. Raadpleging van de Atlas Leefomgeving leert dat er in de omgeving van het plangebied een aantal risicobronnen aanwezig is.
Een uitsnede van de kaart ‘Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten’ is afgebeeld op onderstaande afbeelding.
Uitsnede kaart ‘Veiligheidsinformatie milieubelastende activiteiten’, plangebied aangeduid met blauwe cursor (bron: Atlas Leefomgeving).
Risicovolle inrichtingen In de directe omgeving van het plangebied zijn geen risicovolle inrichtingen gelegen. De dichtstbijzijnde risicovolle inrichting ligt op circa 560 meter afstand ten westen van 25
het plangebied (Spoorweg 2). Geconcludeerd wordt dat de risicovolle inrichtingen, gezien de afstand tot het plangebied, geen belemmering vormen voor het plan. Een nader onderzoek van de risicovolle inrichtingen is derhalve niet noodzakelijk Transport van gevaarlijke stoffen Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich enkele relevante buisleidingen. Onderstaande tabel geeft de kenmerken van de nabijgelegen aardgasleidingen weer. Bovendien ligt ten oosten van het plangebied de leiding ‘DOW 6”Ethyleen’. Deze leiding ligt met een afstand van 3.400 meter tot het plangebied ruimschoots buiten de vaste onderzoekszone. Gasleiding
Uitwendige
Werkdruk
100% letaliteits-
1% letaliteits-
Afstand tot
grens
grens
plangebied
diameter A-530-06
168 mm
66,20 bar
60 meter
90 meter
900 meter
A-642
762 mm
79,9 bar
170 meter
400 meter
2.800 meter
Geconcludeerd wordt dat de buisleidingen, gezien de afstand tot het plangebied, geen belemmering kunnen vormen voor onderhavig plan. Een nader onderzoek van de buisleidingen is derhalve niet noodzakelijk. Spoor In de nabijheid van het plangebied zijn geen spoorlijnen gelegen. Water Zoals te zien in onderstaande tabel zijn twee waterwegen gelegen in de nabijheid van het plangebied. Waterweg
Stofcategorie
Invloedsgebied
Afstand tot plangebied
Westerschelde en haar mondingen
GT3
1.070 meter
10.400 meter
Kanaal Gent - Terneuzen
LT2
800 meter
14.600 meter
Geconcludeerd wordt dat het plangebied niet in het invloedsgebied van deze watertrajecten ligt. Een nader onderzoek is derhalve niet noodzakelijk. Weg Er zijn geen wegen waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd in de omgeving van het plangebied. Nader onderzoek is daarmee niet noodzakelijk. Gelet op voorgaande blijkt dat de ontwikkellocatie niet binnen het invloedsgebied van risicovolle inrichtingen, buisleidingen en weg-, water- of spoortrajecten gelegen is. Advies Veiligheidsregio Zeeland De veiligheidsregio heeft aangegeven dat er geen ruimtelijk relevante maatregelen nodig zijn aangaande externe veiligheidsrisico’s. Wel geeft de veiligheidsregio aan dat er rondom de onderwerpen bereikbaarheid, opstelplaatsen en bluswatervoorzieningen een adviespunten gelden die zijn gedeeld met de initiatiefnemer. De initiatiefnemer neemt deze punten mee in de verdere uitwerking van de plannen.
26
Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.7
Natuur Algemeen Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening gehouden worden met de aanwezige natuurwaarden in en om de locatie. Vanaf 1 januari 2017 geldt hiervoor de Wet natuurbescherming. Deze wet beschermt bepaalde plant- en diersoorten, natuurgebieden en bossen. Voordat ontwikkelingen mogen plaatsvinden, moet worden aangetoond dat in het kader van de huidige natuurwet- en regelgeving van een negatief effect geen sprake is, dan wel dat daarvoor respectievelijk een vergunning of ontheffing worden verkregen. Toetsing Aan de hand van een quick scan natuur7 is onderzocht of er beschermde natuurwaarden, volgens de nu geldende natuurwet- en regelgeving, aan- of afwezig zijn in het plangebied. Naast beschermde natuurwaarden in het plangebied is ook nagegaan of de ruimtelijke ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt, mogelijk negatieve effecten kan hebben op beschermde natuur buiten het plangebied. Navolgend worden de conclusies uit de quick scan uiteengezet. Gebiedsbescherming De Vlaamse natuurgebieden ‘Bossen en heiden van Zandig Vlaanderen: oostelijk deel’ en ‘Schorren en Polders van de Benedenschelde’ liggen in de buurt van het plangebied. Ook liggen de Nederlandse Natura-2000 gebieden ‘Vogelkreek’ en ‘Westerschelde & Saeftinghe’ in de buurt van het plangebied.
Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van de natuurgebieden is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Daarom is voor de ontwikkeling een onderzoek stikstofdepositie 8 uitgevoerd. Hierin zijn de stikstofeffecten van de beoogde ontwikkeling inzichtelijk gemaakt voor zowel de aanleg- als gebruiksfase. Uit de uitgevoerde berekeningen blijkt dat er geen rekenresultaten hoger zijn dan 0,00 mol stikstof/ha/j op de stikstofgevoelige habitattypen in de omliggende Natura 2000-gebieden. Ook voor rekenpunten op buitenlandse Natura 2000- gebieden zijn geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j. Er zijn daardoor geen nadelige milieueffecten te verwachten op de omliggende Natura 2000gebieden. Geconcludeerd wordt dat aan de hand van de gehanteerde parameters significant negatieve effecten derhalve worden uitgesloten. Er is geen vergunning ten behoeve van de Wet natuurbescherming benodigd. Verder blijkt uit de quick scan dat dat in de buurt van het plangebied het Natuurnetwerk Zeeland ligt. Voor het Natuurnetwerk Zeeland geldt een ‘nee, tenzij-beschermingsregime’. Een Nee, tenzij toets is in de Provincie Zeeland benodigd op het moment dat werkzaamheden in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) of binnen een straal
7
SAB (2023). Quick scan natuur Hulst, Stationsweg 1-3-5. 27 juni 2023.
8
SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie Hulst, Stationsweg 1-3-5. 4 december 2023. 27
van 100 meter van het NNZ mogelijk significant negatieve effecten kunnen hebben op het functioneren van het Natuurnetwerk Nederland. De NNZ-gronden betreffen een wal die als ‘binnendijk’ in de begrenzing is opgenomen. Voor binnendijken geldt geen afwegingszone van 100 meter. Er is in dit geval dan ook geen Nee-tenzij-toets nodig. Er is dan ook geen sprake van aantasting van het NNN. Het NNZ vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Soortenbescherming In en rondom het plangebied kunnen in het wild levende planten en dieren aanwezig zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. In en nabij het plangebied kunnen ook soorten voorkomen die zijn beschermd onder de Wet natuurbescherming, maar waarvoor een provinciale vrijstelling van de verboden geldt, voor werkzaamheden die men uitvoert in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting. Door de provinciale vrijstelling staat de aanwezigheid van deze soorten de geplande ontwikkeling niet in de weg. Daarnaast zijn mogelijk nog enkele essentiële elementen aanwezig, voor soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt. Zo blijkt uit de quick scan dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden. Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkeling buiten de broedperiode te starten.
Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen aanwezig van huismus en gierzwaluw. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Verder zijn mogelijk verblijfplaatsen van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten wordt nader soortgericht onderzoek uitgevoerd naar deze soorten. Voor vaststelling van het plan zullen de onderzoeken volledig afgerond zijn. Op het moment is het niet waarschijnlijk dat de rugstreeppad in het plangebied voorkomt, omdat de combinatie van zanderig terrein en ondiepe poelen ontbreekt. Als het plangebied in een later stadium uit braakliggend terrein zal bestaan, is het echter niet onmogelijk dat de soort zich in het plangebied zal vestigen. Aangeraden wordt om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen. Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Houtopstanden Bij deze ruimtelijke ontwikkeling wordt geen houtopstand geveld waarop de regels van de Wet natuurbescherming van toepassing zijn. De bescherming van houtopstanden vormt dan ook geen beperking voor de beoogde ruimtelijke ontwikkeling. Conclusie p.m.