CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 10 BP bijlagen_Hulst Stationsweg 1-3-5

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente HulstBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling wijziging bestemmingsplan Stationsweg 1 t/m 5 Hulst25.929 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

Stationsweg 1 t/m 5, Hulst

Gemeente Hulst

Datum: 25 oktober 2023 Projectnummer: 230167

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding Het project Leeswijzer

3 3 4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

5

2.1 2.2 2.3 2.4

Stedelijke ontwikkeling Markt- of verzorgingsgebied Behoefte Bestaand stedelijk gebied

5 6 7 11

3

Conclusie

13

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Op 1 oktober 2012 is de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ toegevoegd aan het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). Op 1 juli 2017 is een wijziging van het Bro in werking getreden, waarbij de Ladder voor duurzame verstedelijking is aangepast. De (gewijzigde) Ladder is in artikel 3.1.6 Bro lid 2 vastgelegd en luidt als volgt: De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Het doel dat hiermee wordt beoogd is het stimuleren van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik en het bewerkstelligen van een goede ruimtelijke ordening, onder meer door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden, het bevorderen van vraaggerichte programmering en het voorkomen van overprogrammering. Met de ladder wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke besluiten nagestreefd. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling moet daarom altijd worden afgewogen en gemotiveerd. Daarbij moet een beschrijving worden gegeven van de behoefte aan de betreffende ontwikkeling.

Indien de ontwikkeling buiten bestaand stedelijk gebied mogelijk wordt gemaakt, dient te worden gemotiveerd waarom de ontwikkeling niet binnen bestaand stedelijk gebied wordt voorzien. Wat onder ‘stedelijke ontwikkeling’ en ‘bestaand stedelijk gebied’ wordt verstaan is in het Bro opgenomen en is verder uitgekristalliseerd in jurisprudentie. Een stedelijke ontwikkeling is volgens het Bro ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Onder ‘bestaand stedelijk gebied’ verstaat het Bro een ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’.

1.2

Het plan Aan de Stationsweg 1 tot en met 5 te Hulst bevinden zich een aantal horeca- en winkelpanden die deels leeg staan. Om verdere leegstand en verpaupering te voorkomen, is gezocht naar een nieuwe invulling. Deze is gevonden in de vorm van woningbouw, waarbij wordt voorzien in maximaal 12 woningen. Het woningaanbod richt zich voornamelijk op kleinere huishoudens. Er zijn 11 appartementen beoogd en één grondgebonden woning. Door de aanwezigheid van een lift heeft het plan een levensloopbestendig karakter. Tot slot voorziet het plan in een ondergrondse parkeervoorziening, die via de Stationsweg te bereiken is. Navolgende afbeelding geeft de toekomstige situatie ter plaatse van het plangebied weer.

3

Impressie toekomstige situatie (bron: Roos Ros architecten, bewerkt door SAB).

Het voorgenomen plan is niet mogelijk binnen de ter plaatse geldende juridischplanologische kaders. De locatie waar de nieuwe bebouwing is gesitueerd is momenteel voorzien van de bestemming ‘Centrum’, waarbinnen het oprichten van nieuwe woningen niet is toegestaan. Daarom moet voor de ontwikkeling een planologische procedure doorlopen worden. In het kader van deze procedure moet worden aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met een goede ruimtelijke ordening. Eén van de aspecten die onderdeel uitmaakt van een goede ruimtelijke ordening is een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Deze toets vindt in dit rapport plaats.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgt de toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking. Binnen de toets zal allereerst bepaald worden of en, zo ja, waarom sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Vervolgens wordt het markt- of verzorgingsgebied bepaald. Daarna volgt de toetsing of de ontwikkeling voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve behoefte en wordt gekeken of de ontwikkeling binnen bestaand stedelijk gebied plaatsvindt. Hoofdstuk 3 bevat een eindconclusie als gevolg van de toets aan de Ladder.

4

2

Toets Ladder voor duurzame verstedelijking

2.1

Stedelijke ontwikkeling

2.1.1

Algemeen Allereerst moet de vraag worden beantwoord of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Wat onder een stedelijke ontwikkeling wordt verstaan is in het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) opgenomen. Een nieuwe stedelijke ontwikkeling is volgens het besluit ‘een ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen’. Andere stedelijke voorzieningen betreffen volgens de Nota van Toelichting (2017) “accommodaties voor onderwijs, zorg, cultuur, bestuur en indoor sport en leisure”.

2.1.2

Toetsing De voorgenomen ontwikkeling betreft de realisatie van 12 woningen in de bebouwde kom van Hulst. Relevant is of deze ontwikkeling is aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in het Bro. Bij de beantwoording van deze vraag moet volgens de Afdeling in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre de ontwikkeling, in vergelijking met het voorgaande plan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte de voorliggende ontwikkeling mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande plan. Uit jurisprudentie1 blijkt dat een woningbouwplan dat voorziet in de realisatie van maximaal 11 woningen binnen een dorpskern niet hoeft te worden aangemerkt als woningbouwlocatie of een andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1, eerste lid, aanhef en onder i, van het Bro. Een woningbouwplan dat voorziet in de ontwikkeling van 12 woningen wordt daarentegen wel aangemerkt als een nieuwe stedelijke ontwikkeling2. Het plangebied heeft in het vigerende bestemmingsplan een centrum bestemming. In de toekomstige situatie krijgt het plangebied een woonbestemming, met ruimte voor 12 woningen. Met de toevoeging van 12 woningen aan het gebied, wordt gesteld dat er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Daarom wordt voor het woningbouwplan de toetsing aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen.

2.1.3

Conclusie Gelet op het voorgaande is voorliggende woningbouwontwikkeling aan te merken als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro. Daarom is voor het plan een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking doorlopen. Deze toets vindt in dit document plaats.

1 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 16 september 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:2921). 2 Zie hiervoor de uitspraak van de ABRvS d.d. 25 maart 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:953).

5

2.2

Markt- of verzorgingsgebied

2.2.1

Algemeen Wanneer er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling dient de behoefte aan de ontwikkeling die mogelijk wordt gemaakt te worden beschreven. De behoefte dient te worden bepaald binnen het ruimtelijk markt- of verzorgingsgebied van de ontwikkeling. De aard en omvang van de ontwikkeling zijn leidend voor het schaalniveau waarop de ruimtebehoefte moet worden afgewogen. Het verzorgingsgebied moet van geval tot geval worden bekeken en kan sterk verschillen per functie.

2.2.2

Toetsing De kwantitatieve en kwalitatieve vraag wordt mede bepaald door de omvang van het marktgebied. Het marktgebied verschilt per ontwikkeling en valt niet per se samen met de bestuurlijke regio. Een belangrijke indicator voor de omvang van de marktregio is het aantal verhuisbewegingen binnen en naar de betreffende regio of gemeente. Wanneer de verhuisbewegingen voor de gemeente Hulst worden geanalyseerd, blijkt uit gegevens van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat ruim meer dan de helft van alle gevestigde personen uit de gemeente zelf afkomstig is. Tabel: Totaal aantal verhuisbewegingen gemeente Hulst in 2021. Verhuisbewegingen Hulst

Aantal

Aandeel (%)

Binnen gemeente Hulst

1.343

58,3%

Vanuit andere gemeenten

653

28,4%

Vanuit het buitenland

307

13,3%

Totaal aantal verhuizingen

2.303

100%

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek. Tabel: Verhuisbewegingen naar Hulst naar herkomst in 2021. Gemeente

Aantal

Aandeel (%)

Hulst

1.343

58,3%

Terneuzen

251

10,9%

Breda

42

1,8%

Westerwolde

25

1,1%

Sluis

22

1,0%

Rotterdam

18

0,8%

Eindhoven

17

0,7%

Tilburg

17

0,7%

Elders

568

24,7%

Totaal

2.303

100%

Bron: Centraal Bureau voor de Statistiek.

Daarnaast is er voornamelijk een verhuisrelatie met de naastgelegen gemeente Terneuzen. Tevens is er sprake van een aanzienlijke verhuisrelatie met het buitenland, wat mogelijk te verklaren is door de ligging nabij de Belgische grens. In mindere mate is er ook een verhuisrelatie met de gemeenten Breda, Westerwolde en Sluis.

6

2.2.3

Conclusie Gelet op het voorgaande kan worden gesteld dat het verzorgingsgebied zich primair richt op de gemeente Hulst. Het voorliggende plan voorziet niet in de toevoeging van woningen waarvan een dusdanige aantrekkingskracht uit gaat, dat dit bewoners van buiten de gemeente zal trekken. Op basis van het type woningen, de ligging van de beoogde ontwikkeling en de verhuisbewegingen uit het verleden, geldt de verwachting dat de woningbouwontwikkeling geen bovengemeentelijke aantrekkingskracht heeft. Het verzorgingsgebied betreft in principe dus de gemeente Hulst.

2.3

Behoefte

2.3.1

Algemeen Aangetoond moet worden dat de nieuwe stedelijke ontwikkeling voorziet in een behoefte binnen het markt- of verzorgingsgebied. Bij het bepalen van de behoefte is zowel de kwantitatieve als de kwalitatieve behoefte van belang.

2.3.2

Kwantitatieve behoefte Kwantitatieve huishoudensontwikkeling De vraag naar woningen wordt in belangrijke mate bepaald door demografische ontwikkelingen. Voor de kwantitatieve woningbehoefte geldt dat het sterk afhankelijk is van de ontwikkeling van het aantal huishoudens. De ‘Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose Zeeland 2022’ geeft inzicht in de verwachte ontwikkeling van het aantal huishoudens binnen de provincie Zeeland, evenals per gemeente of regio. De gemeente Hulst vormt samen met de gemeenten Terneuzen en Sluis de woonregio Zeeuws Vlaanderen. Uit de prognose volgt dat, zoals onderstaande tabel ook laat zien, dat verwacht wordt dat het aantal huishoudens de komende jaren op gemeentelijk, regionaal en provinciaal niveau toe zal nemen. Tabel: huishoudensprognose 2022-2040 (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose Zeeland 2022).

2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034

Gemeente Hulst 12780 12862 12932 12992 13051 13128 13185 13228 13275 13300 13323 13349 13362

Woningmarktregio Provincie Zeeuws Vlaanderen Zeeland 50160 178738 50461 180394 50734 182036 50982 183730 51253 185290 51494 186767 51688 188131 51886 189482 52046 190810 52178 191968 52309 193144 52416 194280 52471 195216

7

2035 2036 2037 2038 2039 2040

13382 13391 13381 13360 13394 13386

52536 52556 52597 52587 52629 52601

196158 197006 197856 198648 199399 200020

Uit de bovenstaande tabel is af te leiden dat de gemeente Hulst de komende jaren een positieve huishoudensprognose kent. De prognose is dat het aantal huishoudens in de gemeente Hulst tussen 2022 en 2036 met meer dan 600 huishoudens toeneemt tot bijna 13.400 huishoudens. Na 2036 stagneert het aantal huishoudens in de gemeente. Ook op regionaal en provinciaal niveau wordt tussen 2022 en 2040 een groei van het aantal huishoudens verwacht. Dashboard ladderruimte Zeeuws-Vlaanderen Zoals eerder aangegeven, vormt de gemeente Hulst samen met de gemeenten Terneuzen en Sluis de woningmarktregio Zeeuws Vlaanderen. Volgens het dashboard Zeeuwse woningmarktregio’s3 bedraagt de huidige woningbehoefte in Zeeuws Vlaanderen 2.149 woningen en worden 927 woningen gesloopt. Indien gekeken wordt naar de gemeente Hulst dan bedraagt de woningbehoefte 543 woningen en er worden 433 woningen gesloopt. In het dashboard is de ‘Ladderruimte’ opgenomen. Dit betreft de ruimte die een regio/gemeente heeft om de kwantitatieve behoefte van nieuwe woningbouwplannen te kunnen onderbouwen voor de Ladder voor duurzame verstelijking. Deze ‘Ladderruimte’ wordt berekend door van de woningbouwopgave de harde plancapaciteit af te trekken. In het dashboard wordt geconcludeerd dat er in de regio Zeeuws Vlaanderen nog voor 1.293 woningen ‘Ladderruimte’ over is.

De Ladderruimte voor de gemeente Hulst bedraagt 623 woningen. De ‘Ladderruimte inclusief voor ladderruimte gereserveerde plannen’ betreft de Ladderruimte, waarbij rekening is gehouden met de ‘zachte plancapaciteit’. Daarbij dient opgemerkt te worden dat deze zachte plancapaciteit nog geen juridisch-planologische status kent en het daarmee nog deels onzeker is of de volledig weergegeven zachte plancapaciteit uiteindelijk ook gerealiseerd zal worden. Als gekeken wordt naar de ‘Ladderruimte inclusief voor ladderruimte gereserveerde plannen’, blijkt dat er ruimte is om nog 280 extra woningen te realiseren en dus toe te voegen aan de plancapaciteit in de gemeente Hulst. Zeeuwse Woondeal Het Rijk, de provincie Zeeland en de Zeeuwse gemeenten hebben gezamenlijk de Zeeuwse Woondeal gesloten. Om het huidige woningtekort aan te pakken is het noodzakelijk om de komende jaren het bouwtempo flink te verhogen en sneller en meer woningen bij te bouwen. In heel Nederland zijn tot en met 2030 in totaal 900.000 woningen nodig. Hiervan worden 16.500 woningen gerealiseerd in de provincie Zeeland. De gemeente Hulst draagt bij aan de regionale opgave, door de realisatie van 825 woningen voor 2030. In de bijlage van de woondeal is opgenomen dat de gemeente Hulst een netto plancapaciteit van 685 woningen heeft en een harde plancapaciteit van 275 woningen.

Dat maakt dat er nog meer dan voldoende woningen

3

Geraadpleegd op 6 juli 2023 8

aan de planvoorraad toegevoegd kunnen worden om te kunnen voorzien in de afspraken uit de woondeal. Conclusie Gelet op de positieve huishoudensontwikkeling in de gemeente Hulst, het feit dat er onvoldoende plancapaciteit is om in de woningbehoefte te kunnen voorzien en de gemeente Hulst nog onvoldoende plancapaciteit heeft om te kunnen voorzien in de kwantitatieve opgave vanuit de Zeeuwse Woondeal, wordt geconcludeerd dat het plan past binnen de kwantitatieve woningbehoefte van het marktgebied. 2.3.3

Kwalitatieve behoefte Kwalitatieve huishoudensontwikkeling Naast de kwantitatieve behoefte, bepaalt ook de kwalitatieve behoefte de woningvraag. De kwalitatieve behoefte richt zich op doelgroepen, woningtypen, prijsklassen en dergelijke. Deze behoefte is sterk afhankelijk van de (geprognosticeerde) huishoudenssopbouw qua samenstelling en leeftijd en resulteert in een bepaalde woonwens. Wanneer wordt gekeken naar de ontwikkeling van doelgroepen is in de ‘Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose Zeeland 2022’ te zien dat in de gemeente Hulst voornamelijk het aantal alleenstaanden toeneemt. Voor de doelgroep ‘paren met kinderen’ blijft het aantal tussen 2022 en 2040 gelijk. Het aantal mensen binnen de doelgroep ‘paren zonder kind(eren)’ neemt in dezelfde periode zelfs af. Onderstaande tabel illustreert de prognose per huishoudenstype in de gemeente Hulst. Tabel: bevolkingsprognose 2022-2040 per huishoudenstypen in de gemeente Hulst (bron: Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose Zeeland 2022).

Hulst Alleenstaand Eenouder 2022 2023 2024 2025 2026 2027 2028 2029 2030 2031 2032 2033 2034 2035 2036 2037 2038 2039 2040

4283 4341 4395 4448 4505 4573 4624 4670 4716 4752 4776 4816 4830 4859 4902 4916 4901 4955 4958

Overige huis- Paar met Paar zonder houdens kind(eren) kind(eren)

772 789 812 827 833 841 859 876 881 882 886 886 897 918 916 904 910 921 923

36 38 38 35 38 40 41 40 39 45 46 45 44 47 44 48 51 52 51

9

3069 3043 3024 3004 2990 2978 2969 2956 2959 2971 2977 2984 2988 2985 2994 3015 3040 3048 3069

4620 4651 4663 4678 4685 4696 4692 4686 4680 4650 4638 4618 4603 4573 4535 4498 4458 4418 4385

Totaal 12780 12862 12932 12992 13051 13128 13185 13228 13275 13300 13323 13349 13362 13382 13391 13381 13360 13394 13386

De laatste versie van de ‘Provinciale bevolkings- en huishoudensprognose Zeeland’ uit 2022 geeft wel inzicht in de huishoudensontwikkeling per huishoudenstype, maar de leeftijdsspecifieke uitwerking moet nog gepubliceerd worden. Voor de bepaling van de leeftijdsspecifieke behoefte wordt in deze Ladder daarom gebruik gemaakt van de gegevens uit de ‘Kwalitatief WoningmarktOnderzoek Zeeland 2019’. Hierin is op regionaal en gemeentelijk niveau gekeken naar de leeftijdsspecifieke huishoudensprognose. In de hierna opgenomen tabel is te zien dat het aantal huishoudens tussen de 75 en 85 jaar oud sterk zal toenemen de komende 10 jaar. In 2029 zal circa 62% van het totale aandeel bewoners ouder dan 75 jaar zijn. Daarnaast is er ook een toename van het aandeel 15-45 jarigen. Met name de stijging binnen de groep 35-45 jarigen is aanzienlijk groot. Alle overige categorieën hebben te maken met krimp. De prognose voor de leeftijdsspecifieke huishoudensontwikkeling ziet er als volgt uit:

Prognose aandeel leeftijdsgroep huishoudens tot 2029 (Bron: KWOZ 2019 van Stec Groep).

Voor de gemeente Hulst geldt dat wat betreft de oudere huishoudensgroepen min of meer eenzelfde beeld geldt als voor Zeeuws-Vlaanderen. Voor de wat jongere huishoudensgroepen geldt echter een andere verwachting dan regionaal aanwezig is doordat er een krimp van deze huishoudensgroepen wordt geprognosticeerd.

Prognose ontwikkeling huishoudensgroepen Hulst tot 2029/2040 (Bron: KWOZ 2019 van Stec Groep).

10

Regionale Woonvisie Zeeuws-Vlaanderen De gemeenten Hulst, Sluis en Terneuzen hebben in 2022 gezamenlijk een regionale woonvisie vastgesteld. In deze visie hebben de gemeenten onderling en met stakeholders nadrukkelijk overlegd om de opgaven voor de woningmarkt in de regio te signaleren. Hieruit volgen vijf ambities die de basis vormen voor deze visie: 1. Kansen grijpen op de woningmarkt! 2. Goed wonen voor alle doelgroepen 3. Vitaliteit en leefbaarheid op peil houden 4. Kwalitatief goede bestaande woningvoorraad 5. Plancapaciteit afgestemd op kwantitatieve en kwalitatieve behoefte Conclusie Gelet op de prognose van de kwalitatieve huishoudensontwikkeling (sterke groei van het aandeel kleinere huishoudens), kan gesteld worden dat het woonprogramma, bestaande uit voornamelijk appartementen met een levensloopbestendig karakter, aansluit bij de demografische tendens binnen de gemeente Hulst. Het levensloopbestendige karakter van voorliggend plan geeft antwoord op de kwalitatieve woonbehoefte van senioren en draagt bij aan de doorstroming op de woningmarkt. Dit sluit aan bij de ambities op regionaal en gemeentelijk niveau. Bovendien wordt de ontwikkeling binnen de bebouwde kom van Hulst gerealiseerd. Gelet op het voorgaande voorziet voorliggend plan in een kwalitatieve behoefte van het marktgebied. 2.3.4

Conclusie Voorliggend plan voorziet in een kwantitatieve en kwalitatieve woningbehoefte in de gemeente Hulst en anticipeert op de demografische ontwikkelingen door in te zetten op een levensloopbestendige woonvoorraad. Het is daarmee verantwoord om voorliggend plan toe te voegen aan de planvoorraad. Daarbij komt dat de ontwikkeling bijdraagt aan de (groeiende) kwantitatieve druk van de regio Zeeuws-Vlaanderen en de gemeente Hulst. Het woningbouwbeleid op regionaal niveau biedt hiervoor de ruimte, evenals de provinciale Zeeuwse Woondeal. Deze ontwikkeling levert daarmee een bijdrage aan de kwantitatieve en kwalitatieve woonopgave en verlichting van de druk op de woningmarkt. Dit tezamen maakt dat de ontwikkeling van het plangebied voorziet in een behoefte van het marktgebied.

2.4

Bestaand stedelijk gebied

2.4.1

Algemeen Nu is gebleken dat de ontwikkeling voorziet in een behoefte, moet worden aangetoond in hoeverre die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins. Het Bro definieert het bestaand stedelijk gebied als: bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. Naast de criteria uit de definitie moet de geldende bestemming ook betrokken worden bij het beoordelen of sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in bestaand stedelijk gebied.

11

2.4.2

Toetsing Het plangebied maakt onderdeel uit van de bebouwde kom van Hulst. Momenteel kent het plangebied een centrumbestemming en is in de bestaande bebouwing detailhandel en horeca gevestigd. De omgeving van het plangebied is gevormd door centrumfuncties (onder andere woningen, kantoren, detailhandel en maatschappelijke voorzieningen). Dit tezamen maakt dat, gelet op de huidige ruimtelijke structuren en bebouwing rondom het plangebied en de ter plaatse geldende bestemmingen, wordt geconcludeerd dat het plangebied in het bestaand stedelijk gebied ligt. Bovendien kan, gezien de heersende functies in de omgeving van het plangebied en het karakter van de locatie, gesteld worden dat de voorgestelde ruimtelijke ontwikkeling op deze locatie past. Momenteel is de omgeving van het plangebied immers deels ook al ingericht ten behoeve van wonen. Ook wordt de ontwikkeling ruimtelijk gezien zo veel mogelijk ingepast in de ruimtelijke structuren van de omgeving.

2.4.3

Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorliggende ontwikkeling wordt voorzien in bestaand stedelijk gebied. Bovendien is gemotiveerd dat de voorgestelde ontwikkeling op deze locatie past. De geconstateerde kwantitatieve en kwalitatieve behoefte wordt dan ook gerealiseerd in bestaand stedelijk gebied.

12

3

Conclusie Op basis van het voorafgaande kan geconcludeerd worden dat de Ladder voor duurzame verstedelijking positief is doorlopen. De ontwikkeling voorziet in een behoefte en vindt binnen bestaand stedelijk gebied plaats. Daarmee wordt de ontwikkeling als haalbaar geacht voor wat betreft de Ladder voor duurzame verstedelijking.

13

Vormvrije m.e.r.-beoordeling

Stationsweg 1 t/m 5, Hulst

Gemeente Hulst

Datum: 6 november 2023 Projectnummer: 230167

INHOUD

1

Inleiding

3

1.1 1.2 1.3

Aanleiding De m.e.r.-beoordeling Leeswijzer

3 3 5

2

Kenmerken van het plan

6

2.1 2.2 2.3 2.4

Inleiding Beschrijving plan Omvang van het plan Overige kenmerken van het plan

6 6 6 7

3

Plaats van het plan

8

3.1 3.2 3.3

Inleiding Het bestaande grondgebruik Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

8 8 8

4

Kenmerken van het potentiële effect

13

4.1 4.2 4.3 4.4 4.5 4.6

Inleiding Natuur Archeologie Verkeer Geluid Luchtkwaliteit

13 14 16 17 18 18

5

Conclusie

20

1

Inleiding

1.1

Aanleiding Aan de Stationsweg 1 tot en met 5 te Hulst bevindt zich een aantal horeca-en winkelpanden die deels leeg hebben gestaan en nu tijdelijk zijn ingevuld. Om verdere leegstand en verpaupering te voorkomen is gekeken naar een andere invulling van het plangebied. Het voornemen bestaat om de bebouwing te vervangen door een woningbouwontwikkeling in de vorm van maximaal 12 woningen en een ondergrondse parkeervoorziening De ontwikkeling past niet binnen het vigerende juridisch-planologisch kader, aangezien het gehele plangebied in het huidige bestemmingsplan de bestemming ‘Centrum’ heeft. Ter plaatse van deze bestemming is wonen uitsluitend toegestaan in bestaande woningen. Binnen het plangebied zijn geen bestaande woningen gesitueerd. Ook voldoet de beoogde nieuwbouw niet aan de maximum bouwhoogte uit het geldende bestemmingsplan. Om de realisatie van de gewenste ontwikkeling toch mogelijk te maken, moet een nieuw bestemmingsplan worden vastgesteld. In de toelichting van het bestemmingsplan moet de haalbaarheid van de ontwikkeling worden aangetoond en in dat kader vindt toetsing plaats aan van toepassing zijn de wetgeving.

Uit toetsing van de ontwikkeling aan de m.e.r.-wetgeving, blijkt dat de beoogde ontwikkeling is aan te merken als een activiteit als bedoeld in categorie D.11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r., namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’. Het onderhavige plan blijft onder de bij deze activiteit genoemde drempelwaarden, die in paragraaf 1.2 nader worden besproken. Vanwege het feit dat onder de drempelwaarden wordt gebleven, is een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Ook dient op basis van het Besluit m.e.r. en de Wet milieubeheer een m.e.r.-beoordelingsbesluit te worden genomen door het bevoegde gezag voorafgaand aan het in procedure brengen van het ontwerpbestemmingsplan. Het bevoegde gezag neemt de beslissing of, vanwege de belangrijke nadelige gevolgen die de activiteit mogelijk voor het milieu kan hebben, een m.e.r. moet worden doorlopen. In het kader van voorgaande is voorliggende vormvrije m.e.r. beoordeling opgesteld. Deze kan tevens worden gebruikt als aanmeldingsnotitie. Op basis van deze aanmeldingsnotitie kan het bevoegde gezag de gevolgen beoordelen van het plan en de beslissing nemen of er een m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk is in het kader van dit plan.

1.2

De m.e.r.-beoordeling Het instrument milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (hierna: m.e.r.) is een hulpmiddel om het milieubelang een volwaardige plaats te geven in de besluitvorming. De wettelijke basis voor de m.e.r. is de Wet milieubeheer. In de uitvoeringswetgeving, het Besluit m.e.r., staat wanneer een m.e.r. of (vormvrije) m.e.r.-beoordeling aan de orde is. De activiteit die het plan mogelijk maakt, de omvang ervan en het besluit over de activiteit zijn daarbij bepalend. In de onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit m.e.r. staat of sprake is

3

van m.e.r.-plicht of (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsplicht. Per categorie van activiteiten is een drempelwaarde voor de omvang van de activiteit gegeven.

Schema m.e.r.-plicht vanwege Besluit m.e.r. (Bron: www.Infomil.nl).

Bovenstaande afbeelding laat zien dat wanneer een besluit over een activiteit die qua omvang boven de C-drempel blijft voor dat besluit een m.e.r.-plicht geldt. Tussen de C- en D-drempel geldt een m.e.r.-beoordelingsplicht. Onder de D-drempel moet het bevoegd gezag via een vormvrije beoordeling nagaan of een formele m.e.r.-beoordeling nodig is. In een m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Als dat zo is, moet een m.e.r.-procedure worden doorlopen. Ook in de vormvrije m.e.r.-beoordeling bekijkt het bevoegd gezag of een ontwikkeling mogelijk belangrijke nadelige milieugevolgen heeft. Deze beoordeling is qua inhoud vormvrij. Als belangrijke nadelige gevolgen niet zijn uit te sluiten, dan moet de formele m.e.r.-beoordelingsprocedure worden doorlopen. Uiteraard kan ook direct voor een m.e.r. gekozen worden. Sinds een recente wetswijziging, waarmee een herziening van de Europese m.e.r.richtlijn is geïmplementeerd, is ook de vormvrije m.e.r.-beoordeling aan regels gebonden. De toetsingscriteria lagen al vast, maar nu zijn er ook procedureregels. Voorafgaand aan de besluitvorming over het besluit, moet een aanmeldingsnotitie worden ingediend bij het bevoegd gezag.

Op grond van de inhoud van deze notitie moet het bevoegd gezag binnen zes weken gemotiveerd oordelen of voor de activiteit een MER moet worden opgesteld. Dit besluit hoeft niet openbaar te worden gemaakt. Wel zal in het ontwerp van het besluit aan deze m.e.r.-beoordelingsbeslissing moeten worden toegelicht. Voor ontwikkelingen, die een kader vormen voor een activiteit waarvoor op grond van de bijlage bij het Besluit m.e.r. een m.e.r. moet worden doorlopen dan wel een formele m.e.r.-beoordeling moet worden uitgevoerd, moet een planMER worden opgesteld. Toetsing aan Besluit m.e.r. Onderhavige ontwikkeling (de realisatie van maximaal 12 nieuwe woningen) wordt als een activiteit genoemd in bijlage onderdeel D van het Besluit m.e.r. Categorie D.11.2 betreft namelijk ‘de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen’.

4

De drempelwaarde is als volgt geformuleerd: “in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op: 1°. een oppervlakte van 100 hectare of meer, 2°. een aaneengesloten gebied en 2.000 of meer woningen omvat, of 3°. een bedrijfsvloeroppervlakte van 200.000 m2 of meer.” De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van maximaal 12 nieuwe woningen. Het totale plangebied is circa 1.032 m2 groot. Onderhavige activiteit blijft daarmee ruim onder de drempelwaarde en dus kan volstaan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling. Doel vormvrije m.e.r-beoordeling Het doel van een vormvrije m.e.r.-beoordeling is het geven van inzicht in de milieueffecten van de voorgenomen activiteit aan het bevoegd gezag. Er wordt in een vormvrije m.e.r.-beoordeling een antwoord gegeven op de vraag of er vanwege de uitvoering van de activiteiten belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn te verwachten. In voorliggend rapport wordt inzicht gegeven in de milieueffecten en daarmee vormt dit rapport de benodigde vormvrije m.e.r.-beoordeling. Het rapport is de aanmeldingsnotitie waarmee het college een m.e.r.-beoordelingsbeslissing wordt gevraagd over de bijbehorende ruimtelijke onderbouwing. Criteria voor toetsing In het voorliggend rapport wordt op de milieueffecten van het voornoemde plan ingegaan, waarbij, conform artikel 2, lid 5 van het Besluit m.e.r.

juncto de leden 1 tot en met 3 van artikel 7.16 van de Wet milieubeheer, ingezoomd wordt op de volgende onderdelen: − kenmerken van de activiteit; − plaats waar de activiteit wordt verricht; − kenmerken van de gevolgen van de activiteit. Aan de hand van de behandeling van deze criteria wordt onderzocht of voor de ontwikkelingen al dan geen belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu te verwachten zijn.

1.3

Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk volgen drie hoofdstukken waarin nader wordt ingegaan op het onderhavige plan en de eventuele milieugevolgen. Navolgend wordt ingegaan op de kenmerken van het plan in hoofdstuk 2, in hoofdstuk 3 wordt de plaats van het plan beschreven en de kenmerken van het potentiële effect komen in hoofdstuk 4 aan bod. Het rapport wordt afgesloten met een eindconclusie in hoofdstuk 5.

5

2 2.1

Kenmerken van het plan Inleiding In dit hoofdstuk worden de kenmerken van de ontwikkeling besproken. De aard en de omvang van de ontwikkeling worden in beeld gebracht. Ook wordt gekeken naar overige aspecten: cumulatie, het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, de productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder en de risico op ongevallen.

2.2

Beschrijving plan Binnen het plangebied, gelegen aan de Stationsweg, komt leegstand voor. Om verdere leegstand en verpaupering te voorkomen, is gezocht naar een nieuwe invulling. Omdat het plangebied onderdeel uitmaakt van het beschermde stadsgezicht van Hulst is het belangrijk dat de ontwikkeling in lijn is met de aanwezige cultuurhistorische waarden van het gebied. Voor ontwikkelingen aan de Stationsweg zijn dan ook stedenbouwkundige uitgangspunten opgesteld. Daarbij geldt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het Informeel Productie Eiland, waar ingezet wordt op het herkenbaar houden van de informele karakteristiek van dit eiland. De informele ruimtelijke opzet komt onder meer tot uiting in een geschakelde structuur met een kleine stedenbouwkundige korrel (een ruimtelijke eenheid in hoogte, breedte en diepte) en wisselende rooilijnen en kaprichtingen. De opgestelde stedenbouwkundige uitgangspunten zijn als vertrekpunt gehanteerd voor de ontwikkeling in het plangebied, waarbij ingezet wordt op het realiseren van een zogenoemd informeel geschakeld kappenlandschap. Dit komt tot uiting door te werken met verspringingen in de voorgevelrooilijn en een bouwvolume dat bestaat uit verschillende kappen, kaprichtingen en goothoogtes. Dit heeft uiteindelijk geleid tot een woningbouwplan waarbinnen ruimte is voor maximaal 12 woningen.

Het gaat om één grondgebonden woning en elf gestapelde woningen. De grondgebonden woning betreft het meest noordelijk deel van de bebouwing. Het appartementencomplex grenst hier direct ten zuiden aan. De bebouwing kent door de verschillende kappen ook verschillende hoogtes die op de verbeelding zijn aangegeven. De bebouwing wordt maximaal 14 meter hoog, waardoor ruimte is voor twee lagen met kap. Alle daken krijg een maximale dakhelling van 60°. Het woningaanbod richt zich voornamelijk op kleinere huishoudens. Door de aanwezigheid van een lift heeft het plan een levensloopbestendig karakter. Tot slot voorziet het plan in een ondergrondse parkeervoorziening, die via de Stationsweg te bereiken is.

2.3

Omvang van het plan Met deze ontwikkeling wordt voorzien in maximaal 12 nieuwe woningen. Het zal gaan om één grondgebonden woning en 11 appartementen. De bebouwing heeft een maximale bouwhoogte van 14 meter.

6

2.4

Overige kenmerken van het plan

2.4.1

Cumulatie met andere projecten Cumulatie met andere planen is niet aan de orde. Er wordt dus geen cumulatie verwacht met andere ontwikkelingen in de directe nabijheid van het plangebied.

2.4.2

Gebruik van natuurlijke hulpbronnen Natuurlijke hulpbronnen zijn alle in de natuur aanwezige stoffen die van economisch nut kunnen zijn. Naast natuurlijke grondstoffen, die in productieprocessen gebruikt worden, maken hulpbronnen (economische) activiteiten mogelijk (deze worden daarbij niet verbruikt). De toetsing in deze paragraaf blijft beperkt tot het gebruik van natuurlijke hulpbronnen die binnen dan wel in de directe nabijheid van het plangebied voorkomen. Tijdens de realisatie van de beoogde nieuwbouw wordt tijdelijk gebruik gemaakt van brandstof, elektriciteit, eventueel spoelwater en eventueel grond bij de graafwerkzaamheden. De precieze hoeveelheden en te gebruiken bouwstoffen zijn op dit moment nog niet inzichtelijk te maken. De nieuwe functie maakt geen gebruik van natuurlijke hulpbronnen in de direct nabijheid van het plangebied. In het geheel legt de ontwikkeling hiermee geen bijzonder beslag op natuurlijke hulpbronnen.

2.4.3

Productie van afvalstoffen, verontreiniging en hinder Tijdens de tijdelijke realisatie van de ontwikkeling wordt gewerkt met stikstof- en fijnstof-emitterende materieel (machines, etc.). Hiernaast zullen de aanlegwerkzaamheden in beperkte mate gepaard gaan met afvalstoffen (zoals overtollig bouwmaterialen) en hinder (bijv. geluid). Verder vindt geen productie plaats die leidt tot gevaarlijke of milieubelastende afvalstoffen. De ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende functie. Er is daarom sprake van mogelijke effecten op het gebied van geluid, lucht en verkeer (bijvoorbeeld hinder, doorstroming, veiligheid).

2.4.4

Risico van ongevallen Onderhavige ontwikkeling vormt in algemene zin geen bijzonder risico voor de omgeving. Het plan brengt geen wezenlijke risico’s met zich mee.

7

3 3.1

Plaats van het plan Inleiding In dit hoofdstuk wordt gekeken naar de omgeving waarin de activiteiten plaatsvinden, alsmede de eventuele kwetsbaarheid van dit gebied voor de voorgenomen activiteiten. Daarbij wordt niet alleen gekeken naar het plangebied zelf, maar ook naar de aangrenzende gebieden.

3.2

Het bestaande grondgebruik Het plangebied ligt aan Stationsweg 1 t/m 5 en is circa 1.032 m2 groot. Het perceel ligt op een eilandje direct ten zuiden van de vesting Hulst genaamd ‘Informeel Productie Eilandje’. Rondom het plangebied bevinden zich voornamelijk woningen en enkele andere centrumfuncties, zoals winkels en cafés.

3.3

Het opnamevermogen van het natuurlijk milieu

3.3.1

Inleiding Het opnamevermogen van het natuurlijke milieu heeft te maken met de gevoeligheid van gebieden voor ontwikkelingen. In het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling is een analyse gedaan naar het voorkomen van en het mogelijke effect van de ontwikkeling op zogenaamde gevoelige gebieden, zoals gedefinieerd in bijlage III van de EU-Richtlijn. Echter, behalve gebieden die op grond van de richtlijn als gevoelig worden beschouwd, zijn er ook gebieden waar krachtens nationale en provinciale regels in het kader van deze vormvrije m.e.r.-beoordeling rekening mee dient te worden gehouden. Het resultaat van de analyse wordt hierna beknopt gepresenteerd. Wanneer er een grote relevantie is voor de in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling centraal staande ingrepen, wordt er een toelichting gegeven.

3.3.2

Overzicht gevoelige gebieden bijlage III EU-Richtlijn In de navolgende tabel is de toetsing opgenomen aan alle typen gebieden zoals genoemd in bijlage III van de Richtlijn. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Wetlands

Conventie van Ramsar

Op minder dan 2 kilometer afstand van het plangebied bevindt zich een wetland (zie verder onder 1).

8

Kustgebieden

Het plangebied is niet gelegen in een kustgebied.

Berggebieden en bosgebieden

Wet natuurbescherming

Het plangebied is niet gelegen

Reservaten en natuurparken:

Nationale Landschappen zijn

Het plangebied ligt niet in een

•

Nationale Landschappen

benoemd in de Nota Ruimte

Nationaal Landschap.

•

Nationale parken

Nationale Parken zijn onderdeel

Het plangebied ligt niet in een

van de EHS.

Nationaal Park.

Wet natuurbescherming

In de omgeving van het plange-

in een berg- en bosgebied.

3.3.2.1

Speciale beschermingszones, door de lidstaten aangewezen

bied liggen Natura 2000-gebie-

krachtens Richtlijn 79/409/EEG

den (zie verder onder 1).

(Vogelrichtlijn) en Richtlijn 92/43/EEG (Habitatrichtlijn) Gebieden waarin de bij commu-

Europese milieurichtlijnen (o.a.

Het plangebied ligt niet in gebie-

nautaire wetgeving vastgestelde

kaderrichtlijn Luchtkwaliteit, ka-

den waar basis van communau-

normen inzake milieukwaliteit

derrichtlijn water)

taire wetgeving reeds normen

reeds worden overschreden

worden overschreden.

Gebieden met hoge bevolkings-

Het plangebied is niet gelegen

dichtheid

in een gebied met hoge bevolkingsdichtheid.

Landschappen van

•

Verdrag van Valletta

In het plangebied zijn geen his-

•

historisch belang

•

Monumentenwet

torische bouwwerken, monu-

•

cultureel belang

•

Gemeentelijk landschaps-

mentale panden of structuren

ontwikkelingsplan

met een cultuurhistorische of

o •

beschermd stads- en dorpsgezicht

beeldbepalende waarde te be-

archeologisch belang

noemen. Wel ligt het plangebied in een historisch dorpsgezicht (zie verder onder 2). Het plangebied heeft volgens het vigerend bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ (zie verder onder 3).

1. Natura 2000 en wetlands Natura 2000 is het netwerk van natuurgebieden in de Europese Unie, die worden beschermd op grond van de Vogelrichtlijn (1979) en de Habitatrichtlijn (1992). Deze richtlijnen geven aan welke typen natuur en welke soorten beschermd moeten worden. De lidstaten wijzen daarvoor speciale beschermingszones aan en moeten instandhoudingsmaatregelen nemen om deze gebieden te beschermen. De conventie van Ramsar zorgt voor het behoud en het oordeelkundig gebruik van alle watergebieden door middel van plaatselijke, regionale en nationale acties en internationale samenwerking, als bijdrage aan het tot stand komen van een duurzame ontwikkeling in de gehele wereld. De Ramsar conventie heeft geleid tot de aanwijzing van 43 Nederlandse wetlands als Wetland of International Importance. De wetlands hebben ook een status als vogel- of habitatrichtlijn gebied en worden op deze wijze wettelijk beschermd.

9

Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied of wetland. Wel liggen er diverse Natura 2000-gebieden in de directe omgeving van het plangebied, waarvan de Schorren van de Beneden Schelde tevens een status als wetland hebben. Dit is in navolgende afbeelding weergegeven.

Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natura 2000-gebieden (Bron: AERIUS).

Op voorhand kan niet worden gesteld dat geen sprake is van negatieve milieueffecten op de Natura 2000-gebieden/wetlands. Daarom wordt in hoofdstuk 4 nader ingegaan op het aspect natuur. 2. Cultuurhistorie Binnen en direct rondom het plangebied zijn geen gemeentelijke of Rijksmonumenten gelegen. Wel maakt het plangebied onderdeel uit van een beschermd stadsgezicht. Gelet op deze status heeft de gemeente Hulst voor ontwikkelingen aan de Stationsweg dan ook stedenbouwkundige uitgangspunten opgesteld om zo ontwikkelingen aan te laten sluiten bij de cultuurhistorie. Daarbij geldt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het Informeel Productie Eiland, waar ingezet wordt op het herkenbaar houden van de informele karakteristiek van dit eiland. De informele ruimtelijke komt onder meer tot uiting in een geschakelde structuur met een kleine stedenbouwkundige korrel (een ruimtelijke eenheid in hoogte, breedte en diepte) en wisselende rooilijnen en kaprichtingen. De opgestelde stedenbouwkundige uitgangspunten zijn als vertrekpunt gehanteerd voor de ontwikkeling in het plangebied, waarbij ingezet wordt op het realiseren van een zogenoemd informeel geschakeld kappenlandschap. Dit komt door uiting door te werken met verspringingen in de voorgevelrooilijn en een bouwvolume wat bestaat uit verschillende kappen, kaprichtingen en goothoogtes.

Op deze manier sluit de ontwikkeling aan op de cultuurhistorische kenmerken van de locatie en haar omgeving. Gezien voorgaande kunnen voor wat betreft cultuurhistorie op voorhand

10

negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom niet nader onderzocht. 3. Archeologische waarden Door ondertekening van het verdrag van Valletta (1992) heeft Nederland zich verplicht om bij ruimtelijke planvorming nadrukkelijk rekening te houden met het niet-zichtbare deel van cultuurhistorisch erfgoed, te weten de archeologische waarden. In de Erfgoedwet is geregeld hoe met in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische waarden moet worden omgegaan. Het streven is om deze belangen tijdig bij het plan te betrekken. Bij ingrepen waarbij de ondergrond wordt geroerd, dient te worden aangetoond dat de eventueel aanwezige archeologische waarden niet worden aangetast. In het vigerend bestemmingsplan ‘Binnenstad Hulst Geconsolideerd’ is de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 1’ opgenomen voor de gronden van het plangebied. Bij gronden die in deze verwachtingszone vallen is een archeologisch onderzoek verplicht bij bodemingrepen die groter zijn dan 50 m2 en dieper dan 40 centimeter onder het maaiveld. Met voorliggend plan worden deze grenzen overschreden. Daarom kunnen voor wat betreft archeologie op voorhand geen negatieve milieueffecten worden uitgesloten. Dit aspect wordt in hoofdstuk 4 daarom nader onderzocht. 3.3.3

Toetsing overige gevoelige gebieden Naast de gebiedstypen die specifiek zijn genoemd in bijlage III van de Richtlijn, is getoetst aan de gevoelige gebieden op grond van overig nationale of provinciale wetgeving of beleid. Type gebied

Juridisch kader

Relevantie voor de activiteit

Natuurnetwerk Nederland (voor-

Provinciale verordening

Het plangebied ligt gedeeltelijk

heen: Ecologische Hoofdstruc-

deel uit van het Natuurnetwerk

tuur)

Nederland (NNN), voorheen de Ecologische Hoofdstructuur (EHS) (zie onder 4).

Gebied geschikt voor be-

Wet natuurbescherming

schermde soorten

Het plangebied is mogelijk geschikt voor beschermde soorten (zie verder onder 5).

Weidevogelgebied en ganzen-

Provinciale verordening

foerageergebied

Het plangebied ligt niet in een beschermingsgebied voor weidevogels en ligt ook niet in de nabijheid van een dergelijk gebied.

Stiltegebied

Bodembeschermingsgebied

Wet milieubeheer

Het plangebied is niet gelegen in

Provinciale verordening

een stiltegebied.

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een bodembeschermingsgebied.

Grondwaterbeschermingsgebied

Provinciale verordening

Het plangebied is niet gelegen in een grondwaterbeschermingsgebied.

11

4. NNN (voormalige EHS) Het Nationaal Natuurnetwerk (NNN), de opvolger van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), is een Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk.

Globale ligging van het plangebied (rood omcirkeld) ten opzichte van Natuurnetwerk Zeeland (groen) (Bron: Provincie Zeeland).

Het plangebied ligt nabij NNN (zie hiervoor opgenomen afbeelding). Negatieve effecten zijn op voorhand niet uit te sluiten en daarom wordt dit aspect in hoofdstuk 4 nader beschouwd. 5. Beschermde soorten Gelet op het karakter van het plangebied en haar omgeving kunnen mogelijk beschermde dier- of plantensoorten aanwezig zijn, dit aspect wordt daarom in hoofdstuk 4 nader onderzocht.

12

4 4.1

Kenmerken van het potentiële effect Inleiding In dit hoofdstuk wordt een beeld geschetst van de potentiële effecten van de activiteiten. In dit hoofdstuk gaat het om de interactie tussen beide voorgaande hoofdstukken. Hetgeen beschreven is over de kenmerken van de ontwikkeling en de plaats van de ontwikkeling zijn bepalend voor de milieuaspecten die in dit hoofdstuk nader aan de orde worden gesteld. Voor alle thema’s geldt dat conform de Europese richtlijn gelet wordt op de duur, frequentie en onomkeerbaarheid van het effect. Tevens wordt aandacht besteed aan de mogelijke cumulatieve effecten op de diverse aspecten als gevolg van de ontwikkeling.. Hoofdstuk 2 laat zien dat de ontwikkeling de realisatie maximaal 12 nieuwe woningen aan de Stationsweg 1 t/m 5 in Hulst betreft. Dit is een ontwikkeling die zorgt voor de aantrekking van enig verkeer. Hoofdstuk 3 laat zien dat de omgeving van het plangebied een beperkt aantal kwetsbaarheden kent. In de omgeving van het plangebied bevinden zich Natura 2000-gebieden/wetlands en Natuurnetwerk Zeeland. Verder kunnen beschermde dier- of plantensoorten en/of archeologische waarden in het plangebied aanwezig zijn.

Nader te beoordelen aspecten Op basis van de voorgaande twee hoofdstukken worden de volgende milieuaspecten in dit hoofdstuk nader behandeld: − natuur: het plan kan wat betreft soortenbescherming leiden tot negatieve milieueffecten op beschermde flora en fauna. Ook zijn er vanuit de gebiedsbescherming mogelijk negatieve milieueffecten op Natura 2000/wetlands en het Natuurnetwerk Zeeland. − archeologie: in het plangebied zijn mogelijke archeologische waarden aanwezig die door de beoogde bodemingrepen beïnvloed kunnen worden; − verkeer: de ontwikkeling zal leiden tot een toename van het (gemotoriseerde) verkeer. Er zal nader worden beoordeeld of sprake is van negatieve (milieu-) effecten op het gebied van doorstroming en veiligheid. − geluidshinder: de ontwikkeling heeft een verkeersaantrekkende werking en leidt dus mogelijk ook tot een toename van geluidshinder (door verkeer) op de omgeving. − luchtkwaliteit: de toename van het verkeer kan leiden tot een verslechtering van de luchtkwaliteit als gevolg van verkeer. Aspecten waarbij op voorhand geen effecten zijn te verwachten Van de overige milieuaspecten wordt op basis van de beoordeling van de kenmerken van de concrete ontwikkeling en de bestaande situatie zoals omschreven in de voorgaande hoofdstukken op voorhand verwacht dat deze niet leiden tot betekenisvolle milieueffecten.

Om alle aspecten nog kort langs te lopen: − landschap: het plangebied is niet aangemerkt als een (cultuurhistorisch) waardevol landschap;

13

− water: er is in het stedenbouwkundig rekening gehouden met waterberging. Negatieve gevolgen voor de waterhuishouding zijn op voorhand daarom niet te verwachten; − externe veiligheid: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot externe veiligheidseffecten; − cultuurhistorie: de functies in onderhavig plan leiden niet tot negatieve effecten van cultuurhistorische waarden; − bodem: onderhavige ontwikkeling bevat geen onderdelen die mogelijk bedreigend zijn voor de bodem; − geurhinder: de functies in onderhavige ontwikkeling leiden niet tot geurhinder. De voorgaande aspecten worden daarom in deze vormvrije m.e.r.-beoordeling niet nader besproken. Opzet van de beoordeling De inhoud van de vormvrije m.e.r.-beoordeling is met name gebaseerd op algemeen beschikbare informatie, aangevuld met onderzoeken die zijn uitgevoerd ten behoeve van het bestemmingsplan. Daarbij geldt dat – indien noodzakelijk – aandacht is voor: − het grensoverschrijdende karakter van het effect; − de waarschijnlijkheid van het effect; − de duur, de frequentie en de omkeerbaarheid van het effect.

4.2

Natuur

4.2.1

Huidige situatie Het plangebied bevindt zich net buiten de vesting Hulst op het ‘Informeel Productie Eiland’. De directe omgeving van het plangebied kenmerkt zich voornamelijk door de aanwezigheid van woonhuizen en centrumfuncties als winkels en cafés. OP iets groetere afstand liggen de Vlaamse natuurgebieden ‘Bossen en heiden van Zandig Vlaanderen: oostelijk deel’ en ‘Schorren en Polders van de Benedenschelde’. Ook liggen de Nederlandse Natura-2000 gebieden ‘Vogelkreek’ en ‘Westerschelde & Saeftinghe’ in de buurt van het plangebied.

4.2.2

Effecten ontwikkeling Beschermde natuurgebieden (Natura 2000/wetlands) Natura 2000-gebieden ‘Bossen en heiden van Zandig Vlaanderen: oostelijk deel’, ‘Schorren en Polders van de Benedenschelde’, Vogelkreek’ en ‘Westerschelde & Saeftinghe’ liggen in de buurt van het plangebied. Een negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van deze Natura 2000-gebieden/wetlands is vanwege een mogelijke toename in stikstofdepositie door de ruimtelijke ontwikkeling in het plangebied niet uit te sluiten. Daarom is een onderzoek stikstofdepositie uitgevoerd 1, waarin de mogelijke effecten van de ontwikkeling op stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden zijn onderzocht. Uit het onderzoek blijkt dat negatieve effecten door stikstofdepositie op deze gebieden als gevolg van stikstofemissie van dit plan zijn uit te sluiten. Omdat negatieve effecten zijn uit te sluiten is een nadere beoordeling, in de vorm van een 1

SAB (2023). Onderzoek stikstofdepositie. Hulst, Stationsweg 1. 8 november 2023. 14

passende beoordeling, niet nodig. Gelet op deze resultaten zijn er geen significant nadelige effecten te verwachten op de omliggende Natura 2000-gebieden/wetlands. Beschermde natuurgebieden (Natuurnetwerk Zeeland) Het plangebied grenst direct aan het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ). Voor het Natuurnetwerk Zeeland geldt een ‘nee, tenzij-beschermingsregime’. Een Nee, tenzij toets is in de Provincie Zeeland benodigd op het moment dat werkzaamheden in het Natuurnetwerk Zeeland (NNZ) of binnen een straal van 100 meter van het NNZ mogelijk significant negatieve effecten kunnen hebben op het functioneren van het Natuurnetwerk Nederland. De NNZ-gronden betreffen een wal die als ‘binnendijk’ in de begrenzing is opgenomen. Voor binnendijken geldt geen afwegingszone van 100 meter. Er is in dit geval dan ook geen Nee-tenzij-toets nodig. Er is dan ook geen sprake van aantasting van het NNN. Het NNZ vormt dan ook geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de ontwikkeling. Beschermde soorten Uit een uitgevoerde quick scan natuur2 blijkt dat in en rondom het plangebied in het wild levende planten en dieren aanwezig kunnen zijn. Iedereen dient voldoende zorg in acht te nemen voor deze soorten en hun directe leefomgeving. Uit de quick scan volgt verder dat in en rondom het plangebied vogels kunnen broeden.

Om overtreding van de wet te voorkomen wordt geadviseerd om de geplande ruimtelijke ontwikkelingen buiten de broedperiode te starten. Op deze manier worden geen in gebruik zijnde nesten beschadigd of vernield. Mogelijk zijn ook nestplaatsen aanwezig van huismus en gierzwaluw. Nestplaatsen van deze soorten zijn jaarrond beschermd. Verder zijn volgens de quick scan mogelijk verblijfplaatsen en essentieel foerageergebied van vleermuizen aanwezig. Om uitsluitsel te krijgen over de aan- of afwezigheid van deze soorten wordt nader onderzoek uitgevoerd. Indien essentiële elementen aanwezig blijken, dan moeten voor de werkzaamheden mitigerende maatregelen worden getroffen om negatieve effecten zoveel mogelijk te voorkomen. Ook is voor de werkzaamheden dan waarschijnlijk een ontheffing van de Wet natuurbescherming noodzakelijk. Uitgegaan kan worden dat de voornoemde werkwijzen worden gevolgd en de benodigde nadere maatregelen ook daadwerkelijk worden uitgevoerd. Zo kunnen de negatieve gevolgen van het plan minimaal blijven. Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat er op zijn hoogst sprake zal zijn van een zeer beperkt negatief milieueffect. In ieder geval kan worden uitgesloten dat sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu. Tot slot wordt aangeraden om ondiepe poelen zo snel mogelijk te dempen en het terrein zo kort mogelijk braak te laten liggen.

Hiermee kan vestiging van de rugstreeppad worden voorkomen. Andere essentiële elementen, zoals essentieel leefgebied of verblijfplaatsen, van andere beschermde soorten waarvoor geen provinciale vrijstelling geldt, zijn niet aanwezig. De bescherming van deze categorie soorten staat de ontwikkeling niet in de weg.

2

SAB (2023), Quick scan natuur Hulst, Stationsweg 1. 27 juni 2023. 15

Op basis van het voorgaande wordt geconcludeerd dat geen sprake is van een belangrijk nadelig gevolg voor het milieu.

4.3

Archeologie

4.3.1

Huidige situatie Als gevolg van de archeologische verwachtingswaarde in het plangebied is een archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek3 uitgevoerd. Uit het bureauonderzoek volgt dat het plangebied in een dekzandgebied ligt. De top van het dekzand ligt tussen 0 en -2 m NAP (1 tot 3 m -mv). Hierop ligt vermoedelijk een opgebracht pakket waarmee de stadsgracht is opgevuld. Het plangebied ligt ten zuiden van de historische kern van Hulst. In de 15e eeuw zijn de eerste verdedigingswerken rond de stad aangelegd. Op de 16e eeuwse stadsplattegrond van Van Deventer bevindt zich bebouwing direct ten zuiden van de stadsgracht. Het plangebied ligt waarschijnlijk gedeeltelijk ter hoogte van deze gracht en deze bebouwing. Aan het einde van de 16 e eeuw wordt op deze plek een ravelijn aangelegd. Het zuidoosten van het plangebied ligt ter hoogte van de ravelijnsgracht. De ravelijnsgracht in het zuidoosten wordt gedempt omstreeks 1900 in de periode dat de huidige bebouwing wordt gerealiseerd. Onder de huidige bebouwing in het plangebied bevinden zich dus vermoedelijk resten van een ravelijn en van middeleeuwse en 16e eeuwse grachten. Daarnaast kunnen archeologische resten van 16e eeuwse bebouwing en voorgangers hiervan aanwezig zijn.

4.3.2

Effecten ontwikkeling Om meer informatie te verzamelen over de aard en intactheid van het bodemprofiel is een booronderzoek uitgevoerd waarbij vier boringen zijn gezet tot maximaal 500 cm mv. Uit boringen blijkt dat de ondergrond bestaat uit kalkrijke (kreek)beddingafzettingen. Deze afzettingen worden afgedekt door 200 tot 300 cm dik omgewerkt pakket. In het zuiden van het plangebied is mogelijk nog een (restant van een) grachtvulling of (rest)geulafzettingen aanwezig. In het omgewerkte pakket kunnen archeologische resten aanwezig zijn uit vermoedelijk de Middeleeuwen en Nieuwe tijd. In de onderliggende grachtvulling of (rest)geulafzettingen kunnen oudere resten aanwezig zijn. Gezien de verwachte verstoring tot maximaal 400 cm -mv zullen door de graafwerkzaamheden eventuele archeologische resten verstoord worden. Om nader te bepalen welke archeologische resten aanwezig zijn en wat daarvan de waarde is, wordt in een vervolgfase nader onderzoek uitgevoerd door middel van een proefsleuvenonderzoek variant begeleiding. Het gaat in dat geval om een archeologische begeleiding van de civiele graafwerkzaamheden die nodig zijn voor de aanleg van de ondergrondse kelder. Omdat het plangebied voor een groot deel bebouwd is, wordt de begeleiding uitgevoerd na de sloop van de bebouwing tot aan het maaiveld.

Indien tijdens de begeleiding blijkt dat sprake is van behoudenswaardige archeologische resten die door de ingreep worden bedreigt dan wordt aanbevolen deze op te graven. De werkwijze van het onderzoek dient vastgelegd te worden in een door de bevoegde 3

Bureau voor Archeologie (2023) “Archeologisch bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van boringen in de verkennende fase Stationsweg 1-5, Hulst”. Rapport 1321, 10 november 2023. 16

overheid goed te keuren Programma van Eisen (PvE). Om deze vervolgstappen juridisch-planologisch te kunnen waarborgen is de bestaande archeologische dubbelbestemming in het plangebied gehandhaafd. Gezien voorgaande zijn de (mogelijke) archeologische waarden in het plangebied in voldoende mate beschermd middels een archeologische dubbelbestemming. Hierdoor kan in ieder geval worden uitgesloten dat sprake zal zijn van een belangrijk nadelig milieueffect.

4.4

Verkeer

4.4.1

Huidige situatie Onderhavig plangebied betreft een bebouwde locatie binnen de bebouwde kom van Hulst. De locatie heeft in de huidige situatie een verkeersaantrekkende werking.

4.4.2

Effecten ontwikkeling Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij een bepaalde ontwikkeling, hanteert het CROW 4 kencijfers voor wat betreft verkeersgeneratie. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (excl. openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de desbetreffende voorziening toe rijdt en hiervan wegrijdt. Gelet op de ligging van het plangebied in Hulst worden de kencijfers voor het gebied ‘schil centrum’ gehanteerd. De gemeente Hulst kent volgens het CBS de stedelijkheidsgraad ‘weinig stedelijk’. Het voorgenomen plan betreft de realisatie van maximaal 12 dure koopappartementen. In onderstaande tabel is de verkeersgeneratie weergeven in de toekomstige situatie. functie

aantal

kencijfer

per

verkeersgeneratie

min

max

min

max

Koop, appartement, duur

11

6,9

7,7

woning

75,9

84,7

Koop, huis, tussen/hoek

1

6,9

7,7

woning

6,9

7,7

82,8

92,4

Totaal (afgerond)

Uit de bovenstaande tabel blijkt dat er afgerond maximaal 93 verkeersbewegingen worden veroorzaakt door toedoen van onderhavige ontwikkeling. Mede op basis van het feit dat het plangebied momenteel een horecafunctie wordt aangenomen dat het toekomstige verkeer zonder problemen kan worden opgenomen in het heersende verkeersbeeld ter plaatse. Gezien voorgaande worden voor wat betreft verkeer geen negatieve (milieu)effecten verwacht op het gebied van doorstroming en veiligheid.

4

CROW, publicatie 381, van parkeerkencijfers naar parkeernomen. 17

4.5

Geluid

4.5.1

Huidige situatie Het plangebied is binnenstedelijk gelegen waarbij verwacht mag worden dat reeds sprake is van een merkbare geluidsbelasting gezien binnenstedelijke ligging.

4.5.2

Effecten ontwikkeling De beoogde ontwikkeling zorgt voor de aantrekking van meer verkeer en daarmee potentieel hogere geluidswaarden. Onderhavig plan zal worden ontsloten via de Stationsweg. Ter hoogte van het plangebied is de etmaalintensiteit in 2033 op de Stationsweg circa 3.190 verkeersbewegingen. Uit de Wet geluidhinder is af te leiden dat bij een geluidstoename van 1,5 dB de geluidstoename merkbaar toeneemt en mogelijk maatregelen gewenst zijn. Deze toename komt neer op een verkeerstoename als gevolg van de ontwikkeling van circa 40% (licht verkeer). Zoals in de voorgaande paragraaf is gesteld, is de verkeersaantrekking (worstcase) geschat op circa 93 motorvoertuigen per etmaal. Deze toename bedraagt circa 2,9%. Er is dus naar verwachting geen sprake van een merkbare geluidstoename. Gezien voorgaande is voor wat betreft geluid geen sprake van een significant negatief (milieu)effect.

4.6

Luchtkwaliteit

4.6.1

Huidige situatie Om inzicht te krijgen in de huidige luchtkwaliteit zijn de kaarten met de achtergrondconcentraties van stikstofdioxide (NO2), fijnstof (PM10) en zeer fijnstof (PM10) bestudeerd. De navolgende tabel brengt de achtergrondconcentraties in de huidige situatie in beeld. Daarnaast is inzicht gegeven in de wettelijke grenswaarden voor de betreffende stoffen vanuit de ‘Wet Luchtkwaliteit’ (Titel 5.2 Wet milieubeheer); dit bedragen de jaargemiddelde immissieconcentraties. Zoals te zien is zijn de achtergrondconcentraties voor stikstofdioxide en fijnstof in de huidige situatie ruim beneden de gestelde grenswaarden. Kenmerk Stikstofdioxide (NO2) fijnstof (PM10) zeer fijnstof (PM2,5)

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15579398/1