CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ontwerp bestemmingsplan GKII

Gemeenteraad 3 juli 2025, gemeente HulstBij agendapunt: Raadsvoorstel tot vaststelling wijziging bestemmingsplan Groote Kreek II21.799 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Het hemelwater dat niet aan deze criteria voldoet, zal worden ingezameld en afgevoerd naar de RWZI. Huidige situatie De bodem in het plangebied bestaat uit leemarm en zwak lemig fijn zand. In het plangebied komen er twee grondwatertrappen voor, grondwatertrap V en VII. Bij een grondwatertrap V is er sprake van een GHG van >40 cm-mv en een GLG van >120 cm-mv. De grondwatertrap VII heeft een GHG van >80cm-mv en geen gedefinieerde GLG. Het plangebied maakt geen deel uit van een waterwingebied of een grondwaterbeschermingsgebied. De maaiveldhoogte ter plaatse bedraagt circa 1,0-3,0 meter +NAP. Waterkwantiteit Het plangebied is omsingeld door watergangen, de watergangen ten noorden en ten oosten behoren tot het type ''primaire watergang'' zoals vastgesteld in de legger oppervlaktewater van het waterschap Scheldestromen. De watergangen ten westen en ten zuiden zijn getypeerd als ''secundaire watergangen'' (zie figuur 4.5.1 voor ligging plangebied en watergangen). Voor dit type watergang geldt een beschermingszone van 10 meter. Binnen deze beschermingszone gelden conform de Keur van waterschap Scheldestromen beperkingen voor bouwen en aanleggen om te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast.

32/48

Figuur 4.5.1 Plangebied en watergangen + beschermingzones (Waterschap Scheldestromen) Binnen het plangebied of in de nabije omgeving liggen geen oppervlaktewaterlichamen die zijn aangewezen vanuit de Kaderrichtlijn Water. Verder bevinden zich tevens geen natte ecologische verbindingszone zoals opgenomen in het (provinciale) Natuurnetwerk Nederland binnen of in de nabijheid van het plangebied. Veiligheid en waterkeringen

33/48

Hulst is gelegen in Dijkring 32 (Zeeuws Vlaanderen). Regionale waterkeringen zijn overige waterkeringen die geen direct buiten water keren, maar wel van belang zijn bij eventuele calamiteiten. Deze keringen, die ook wel compartimenteringsdijken worden genoemd, zijn de overblijfselen van de polder en dijkenstructuur van weleer. Omwille van hun natuurlijke, landschappelijke, of cultuurhistorische functie waren deze voormalige waterkeringen reeds op vele vlakken ruimtelijk van belang en beschermenswaardig. Omwille van hun potentiële nut in geval van een dijkdoorbraak bij een primaire waterkering zijn deze regionale keringen door de provincie aangewezen als regionale waterkering. De regionale waterkeringen kunnen ondanks het kleinere formaat en mindere staat van onderhoud toch een groot overstromingsbeperkend of overstromingsvoorkomende rol vervullen. Afvalwaterketen en riolering In de Groote Kreek, de woonwijk ten noorden van het plangebied zijn alle woningen aangesloten op de riolering. Binnen de gemeentegrenzen ligt eveneens een aantal rioolwatertransportleidingen. Dit zijn de belangrijkste toevoerleidingen naar de rioolwaterzuiveringsinstallaties in en buiten de gemeente. Toekomstige situatie De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van een woonwijk met circa 133 woningen. Binnen de ontwerpschets wordt er ongeveer 40 % verhard oppervlak gerealiseerd.

Binnen de woonwijk wordt er ook groen en water gerealiseerd. Bodem en grondwater De beoogde ontwikkeling heeft geen gevolgen voor bodem en grondwater. Waterkwantiteit Voor de ontwikkeling is het aanmeldformulier watertoets van het waterschap ingevuld. Deze is bijgevoegd in bijlage 10. Uit een gobale verkenning van het verhard oppervlak blijkt een toename van 41.000 m² ter plaatse van de beoogde woonwijk. Op basis van een waterbergingsopgave van 75 mm waterberging per m² verhard oppervlak betekent dit een waterbergingsopgave van 3.080 m³. Om dit te realiseren wordt een grote waterpartij aangelegd en is er ruimte voor diverse WADI's aan de zuidzijde. Voor de uitbreiding van de Waterstraat wordt aan de oostzijde ruimte gecreëerd voor voldoende waterberging. Omdat er nog geen definitief plan gereed is en het bestemmingsplan flexibel in te richten is wordt in de regels van het bestemmingsplan een voorwaardelijke verplichting opgenomen voor het realiseren van voldoende waterberging. Afvalwaterketen en riolering Conform de Leidraad Riolering en vigerend waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de aan te leggen gemeentelijke riolering.

Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: hemelwater vasthouden voor benutting; (in-) filtratie van afstromend hemelwater; afstromend hemelwater afvoeren naar oppervlaktewater;

34/48

afstromend hemelwater afvoeren naar RWZI. Bij de uitwerking van de plannen zal rekening gehouden worden met deze volgorde. Het inrichtingsplan is er op gericht hemelwater op te kunnen vangen in de waterpartijen. Watersysteemkwaliteit en ecologie Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem is het van belang om duurzame, niet-uitloogbare materialen te gebruiken, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Veiligheid en waterkeringen De ontwikkeling heeft geen invloed op de waterveiligheid in de omgeving. Waterbeheer Voor aanpassingen aan het bestaande watersysteem dient bij het waterschap vergunning te worden aangevraagd op grond van de 'Keur'. Dit geldt dus bijvoorbeeld voor het graven van nieuwe watergangen, het aanbrengen van een stuw of het afvoeren van hemelwater naar het oppervlaktewater. In de Keur is ook geregeld dat een beschermingszone voor watergangen en waterkeringen in acht dient te worden genomen. Dit betekent dat binnen de beschermingszone niet zonder ontheffing van het waterschap gebouwd, geplant of opgeslagen mag worden. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit, het profiel en/of de veiligheid wordt aangetast, de aan- of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Ook voor het onderhoud gelden bepalingen uit de 'Keur'.

Het onderhoud en de toestand van de (hoofd)watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Hiervoor wordt bij de inrichting rekening gehouden met de onderhoudsstrook. Voor de verbreding van de Waterstraat is gemeente in contact met het Waterschap over de exacte inrichting en de benodigde vergunningen. Klimaatbestendigheid Bij de ontwikkeling van de wijk is rekening gehouden met waterberging en wordt gestuurd op veel groen in de wijk en beperkte hoeveelheden verharding in de tuinen en openbaar gebied om zo wateroverlast bij extreme regenval en hittestress tegen te gaan. Daarbij wordt aangesloten bij de Klimaatadaptatiestrategied van de Provincie Zeeland Conclusie In de regels van het bestemmingsplan wordt geborgd dat er voldoende waterberging wordt aangelegd om in de opgave te voorzien. Afhankelijk van het definitief inrichtingsplan zal bepaald worden hoeveel deze opgave daadwerkelijk bedraagt en zal dit afgestemd worden met het waterschap.

4.6

Luchtkwaliteit

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, titel 5.2, van de Wet milieubeheer. De Wet milieubeheer bevat grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, fijn stof, lood,

35/48

koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs wegen vooral de grenswaarden voor stikstofdioxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in de volgende tabel weergegeven. Tabel 1: Grenswaarden maatgevende stoffen Wet milieubeheer Stof Toetsing van Grenswaarde Stikstofdioxide (NO2) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ Uurgemiddelde concentratie Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³ Fijn stof (PM10) Jaargemiddelde concentratie 40 µg/m³ 24-uurgemiddelde concentratie Max. 35 keer p.j. Meer dan 50 µg / m³ Fijn stof (PM2,5) Jaargemiddelde concentratie 25 µg/m³ Besluit niet in betekenende mate (nibm) In het Besluit nibm en de bijbehorende regeling is exact bepaald in welke gevallen een project vanwege de beperkte gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% toename van concentratie NO2 (stikstof dioxide) en PM10 (fijn stof) in de buitenlucht; een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg of kantoorlocaties met maximaal 100.000 m² bvo bij één ontsluitingsweg.

Onderzoek De beoogde ontwikkeling voorziet in de realisatie van een woonwijk met circa 133 woningen. Dit aantal valt ruim onder de drempelwaarde van 1.500 woningen die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden voor luchtkwaliteit. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de CIML-kaart van het RIVM. De dichtstbijzijnde maatgevende weg betreft de Hoofdweg bij Terneuzen. Uit de CIML-kaart blijkt dat in 2021 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze Hoofdweg ruimschoots onder de grenswaarden lagen. De concentraties luchtverontreinigende stoffen voor deze weg bedroegen in 2021; 16,21 µg/m3 voor NO2, 15,18 µg/m3 voor PM10 en 8,08 µg/m3 voor PM2,5. Het aantal overschrijdingsdagen van de 24-uur gemiddelde concentratie PM10 bedroeg 6 dagen. Aangezien direct langs deze weg ruimschoots aan de grenswaarden wordt voldaan, zal dit ook ter plaatse van het plangebied het geval zijn. Concentraties luchtverontreinigende stoffen nemen immers af naarmate een locatie verder van de maatgevende weg ligt. Gezien de grote afstand tussen de Hoofdweg bij Terneuzen en het plangebied is de luchtkwaliteit nader bepaald aan de hand van kaarten van de Atlas Leefomgeving (bron RIVM).

Ter plaatse van het plangebied was er in 2021 sprake van een concentratie van 11,60 µg/m3 voor NO2. Voor fijnstof zijn de volgende waardes gemeten; 14,47 µg/m3 voor PM10 en 7,90 voor PM2,5. De waardes ter plaatse voldoen aan de grenswaarde, negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.

36/48

Conclusie Het aspect luchtkwaliteit staat de vaststelling van het bestemmingsplan niet in de weg.

4.7

Ecologie

Toetsingskader Met de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn alle bepalingen met betrekking tot de bescherming van natuurgebieden en dier- en plantensoorten samengebracht in één wet. De Wnb implementeert diverse Europeesrechtelijke regelgeving, zoals de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn in de Nederlandse wetgeving. Gebiedsbescherming Bescherming van natuurgebieden wordt gewaarborgd door de Wet natuurbescherming (Wnb) en de Wet Ruimtelijke Ordening (Wro). Natura 2000-gebieden worden beschermd door de Wnb en het Natuurnetwerk Nederland (NNN) wordt beschermd door de Wro. Natura-2000 gebieden De Minister van Economische Zaken (EZ) wijst gebieden aan die deel uitmaken van het Europese netwerk van natuurgebieden: Natura 2000. Een dergelijk besluit bevat de instandhoudingsdoelstellingen voor de leefgebieden van vogelsoorten (Vogelrichtlijn) en de instandhoudingsdoelstellingen voor de natuurlijke habitats en habitats van soorten (Habitatrichtlijn). De bescherming van deze gebieden heeft externe werking, zodat ook ingrepen die buiten deze gebieden plaatsvinden verstoring kunnen veroorzaken en moeten worden getoetst op het effect van de ingreep op soorten en habitats. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Gebieden die deel uitmaken van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) worden aangewezen in de provinciale verordening.

Voor dit soort gebieden geldt het 'nee, tenzij' principe, wat inhoudt dat binnen deze gebieden in beginsel geen nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen mogen plaatsvinden. Soortenbescherming In de Wnb wordt een onderscheid gemaakt tussen: soorten die worden beschermd in de Vogelrichtlijn; soorten die worden beschermd in de Habitatrichtlijn; overige soorten. De Wnb bevat onder andere verbodsbepalingen ten aanzien van het opzettelijk vernielen of beschadigen van nesten, eieren en rustplaatsen van vogels als bedoeld in artikel 1 van de vogelrichtlijn. Gedeputeerde Staten (hierna: GS) kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen Provinciale Staten (hierna: PS) vrijstelling verlenen van dit verbod. De voorwaarden waaraan voldaan moet worden om ontheffing of vrijstelling te kunnen verlenen zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Vogelrichtlijn. Verder is het verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel

37/48

a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen of te verstoren. GS kunnen hiervan ontheffing verlenen en bij verordening kunnen PS vrijstelling verlenen van dit verbod. De gronden voor verlening van ontheffing of vrijstelling zijn opgenomen in de Wnb en vloeien direct voort uit de Habitatrichtlijn. Onderzoek Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals Natura 2000 (figuur 4.6.1) of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is gelegen op een afstand van circa 2,5 kilometer en betreft het gebied 'Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel'. Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt wel tot een toename van verkeersbewegingen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype ligt op 2,5 kilometer. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met behulp van de AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekend. Deze is in bijlage 14 toegevoegd.

In deze stikstofberekening is uitgegaan met een worst-case situatie met realisatie van de maximale hoeveel van van 133 woningen. Uit de berekening blijkt dat geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol N/ha/jr in zowel de gebruiks- als realisatiefases op Nederlandse Natura 2000 gebieden. De bijdrage van maximaal 0,01 mol/ha/j op Vlaamse Natura 2000-gebieden blijft ruim onder de drempelwaarde. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het nabijgelegen Natura 2000-gebieden kunnen daarmee worden uitgesloten.

Figuur 4.7.1 plangebied en natura 2000 gebied 'Westerschelde & Saeftinghe' (atlas Natuurlijk Kapitaal) Het plangebied ligt niet in een Natuurnetwerk Zeeland-gebied. Het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Zeeland-gebied grenst aan het plangebied (figuur 4.7.2). De toename woningen zou extra recreatiedruk op het

38/48

NNZ kunnen veroorzaken. Dit kan voorkomen worden door recreatiepaden in het plangebied zelf aan te leggen. Dit wordt gedaan door een interne wandelroute aan te leggen die in verbinding staat met de bestaande wandelpaden. Daarnaast is het ontwerp van de weg aangepast naar een variant die grotendeels over het bestaande tracé loopt. Wel dient rekening gehouden te worden met verstoring door licht en verkeersslachtoffers door toename verkeer op deze route. Dit kan door het toepassen van faunapassages en grondwallen en/of beplanting die voorkomt dat licht in het natuurgebied schijnt.

Figuur 4.7.2 Plangebied woonwijk en Natuurnetwerk Zeeland (provincie Zeeland) Soortenbescherming Om de ecologische gevolgen van de beoogde ontwikkeling in kaart te brengen is een ecologische quickscan uitgevoerd. Landbouwgronden beoogde woonwijk Het onderzoek naar de gronden van de beoogde woonwijk is in bijlage 11 toegevoegd. Hieruit blijkt dat er mogelijk vleermuizen vliegen en foerageren, gedurende en na realisatie van de plannen kunnen deze soorten er blijven vliegen en foerageren. Verlichting bij de realisatie zou vleermuisvriendelijk uitgevoerd moeten worden. Negatieve effecten op verblijfplaatsen van vleermuizen en broedvogels (al dan niet met vaste rust- en verblijfplaatsen) wordt uitgesloten. Voor het overige zijn geen beschermde soorten te verwachten. Wel geldt de algemene zorgplicht. Op grond van de quickscan worden effecten op beschermde

39/48

planten- en overige diersoorten uitgesloten; de realisatie van de Groote Kreek II te Hulst is niet in strijd met het gestelde binnen de Wet natuurbescherming. Er zijn maatregelen geformuleerd die gehanteerd kunnen worden tijdens de uitvoering van het project: Er dient rekening gehouden te worden met de broedperiode. Door te werken buiten de broedperiode kan verstoring van broedende vogels / overtreding Wet natuurbescherming voorkomen worden. Er dient rekening gehouden te worden met zoogdieren. Indien er verlichting geplaatst wordt dient deze te bestaan uit de meest vleermuisvriendelijke verlichting die op dat moment beschikbaar is. Langs de straten dienen amfibievriendelijke straatkolken aangebracht te worden. Beoogde verbreding Waterstaat Er is een quickscan ecologie uitgevoerd voor de verbreding van de Waterstraat, deze is opgenomen in bijlage 12. Uit deze quickscan blijkt dat in de omgeving van het plangebied bij de Waterstraat beschermde soorten voorkomen. Er dient onderzocht of te worden of deze soorten daadwerkelijk in het plangebied voorkomen en wat de functie van het plangebied is. Het gaat daarbij om grondgebonden zoogdieren en vleermuizen, broedvogels en amfibieën. Naar aanleiding van de resultaten van de quickscan en nader onderzoek naar grondgebonden zoogdieren, vleermuizen, broedvogels, de rugstreeppad en de levendbarende hagedis uitgevoerd.

Dit onderzoek is opgenomen in bijage 13. Uit dit onderzoek blijkt dat er diverse grondgebonden zoogdieren in de nabijheid zijn waargenomen (wezel, eekhoorn en konijn), maar geen nestlocaties zijn vastgesteld. Gevolgen van de activiteit kunnen zijn dat er extra barrièrewerking optreedt en is er meer kans op verkeerslachtoffers. Dit kan voorkomen worden door het plaatsen van faunapassages met bijbehorende rasters bij de locaties waar de Molenstraat en de Waterstraat doorsneden wordt. De faunapassages dienen geschikt te zijn voor kleine zoogdieren. Er zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld binnen 25 meter van het geplande tracé. Wel is vastgesteld dat een deel van het geplande tracé gebruikt wordt als vliegroute en foerageergebied voor de volgende soorten: Baardvleermuis* Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis* Franjestaart* Rosse vleermuis* Laatvlieger Gewone grootoorvleermuis* Grijze Grootoorvleermuis* Mopsvleermuis* *= soort die gevoelig is voor licht Vliegroutes en foerageergebieden van vleermuizen kunnen verstoord worden indien er verlichting wordt aangebracht. Dit effect kan gemitigeerd worden door:

40/48

Het plaatsen van zo min mogelijk verlichting. Het goed afstellen van verlichting op alleen de rijbaan. Een beperkte hoogte van de verlichtingsmasten. Het gebruik van vleermuisvriendelijkere verlichting. Verstoring door verlichting door verkeer dat over de aan te leggen rotonde bij de MolenstraatWaterstraat rijdt en in het natuurgebied schijnt kan voorkomen worden door het aanbrengen van bijvoorbeeld beplanting of grondwallen. Nadelige effecten op vliegroutes kunnen ook ontstaan indien er onderbrekingen in beplanting komen van 30 meter of meer. Welke mitigerende maatregelen er noodzakelijk zijn en of er een ontheffing in het kader van de Wet natuurbescherming noodzakelijks is dient nader bepaald te worden indien het tracé nader uitgewerkt is. Broedvogels kunnen voorkomen in en nabij het plangebied. Het betreft algemene soorten als winterkoning, roodborst, heggenmus, merel, zanglijster, zwartkop en vink. Werkzaamheden die broedvogels kunnen verstoren dienen uitgevoerd te worden buiten de broedperiode. Conclusie Er dient onderzoek te worden gedaan naar de effecten van het verbreden van de waterstraat op beschermde soorten. Daarnaast dienen een aantal maatregelen getroffen te worden zoals, werken buiten het broedseizoen, gebruik van vleermuisvriendelijke verlichting en amfibievriendelijke kolken. De Wnb staat de ontwikkeling niet in de weg.

4.8

Bedrijven en milieuzonering

Toetsingskader In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het van belang dat bij de aanwezigheid van bedrijven in de omgeving van milieugevoelige functies zoals woningen: ter plaatse van de naastgelegen woningen een goed woon- en leefmilieu kan worden gegarandeerd; rekening wordt gehouden met de bedrijfsvoering en de milieuruimte van de betreffende bedrijven. Om de belangenafweging tussen bedrijvigheid en nieuwe woningen in voldoende mate mee te nemen, wordt in dit plan gebruikgemaakt van de VNG publicatie Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In deze publicatie is een lijst opgenomen waarin de meest voorkomende bedrijven en bedrijfsactiviteiten zijn gerangschikt naar mate van milieubelasting. Voor elke bedrijfsactiviteit is de maximale richtafstand ten opzichte van milieugevoelige functies aangegeven op grond waarvan de categorie-indeling heeft plaatsgevonden. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk'. Milieuzonering beperkt zich tot de milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geluid, geur, gevaar en stof. De richtafstanden gelden ten opzichte van het omgevingstype 'rustige woonwijk/rustig buitengebied'. Voor het omgevingstype 'gemengd gebied' gelden kleinere afstanden. De richtafstanden gelden voor de aangegeven bedrijfsactiviteiten in het algemeen.

Op basis van onderzoek naar de specifieke milieusituatie van een bedrijf kunnen kleinere aan te houden afstanden gerechtvaardigd zijn. Hiermee kan dan onderbouwd worden afgeweken van de richtafstanden indien de specifieke bedrijfsvoering van het betreffende bedrijf daar aanleiding toe geeft.

41/48

Onderzoek en conclusie Het plan bestaat uit het mogelijk maken van een woonwijk, een gevoelige functie. Het plangebied is binnen het bestemmingsplan 'Buitengebied Hulst' bestemd als 'Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden'. Ten oosten en zuiden wordt het plangebied begrensd door gelijke agrarische gronden. De bestemming 'Agrarisch met waarden – Natuur en landschapswaarden' is gekenmerkt als een duurzame agrarische bedrijfsuitvoering waarnaast agrarisch grondgebruik ook kleinschalig kampeer activiteiten en kleinschalige verkoop van streekproducten is toegestaan. Het plangebied ligt niet in of nabij een intensieve veehouderij. Verder is op grond van het bestemmingsplan Buitengebied Hulst binnen een afstand van 50 meter tot gronden met de bestemming 'Wonen' het aanleggen van een fruitboomgaard niet toegestaan. De spuitzones voor fruitteelt zijn dus gewaarborgd. Er zijn geen bedrijven in de nabije omgeving waardoor overlast kan ontstaan voor de beoogde woningen. De dichtstbijzijnde bedrijvigheid bevindt zich ten noorden van het plangebied; een rioolzuiveringsinstallatie op een afstand van circa 590 meter. De milieucontouren, zoals vastgesteld in de VNG-publicatie Bedrijven en milieuzonering (2019), komen niet in de buurt van het plangebied.

4.9

Geluid

Het aspect geluid kan betrekking hebben op: wegverkeerslawaai; industrielawaai; inrichtingslawaai. De locatie valt niet binnen de geluidzone van een gezoneerd bedrijventerrein. Het aspect industrielawaai is daarom niet relevant. Het aspect inrichtingslawaai is evenmin relevant omdat er in de omgeving van het plangebied geen activiteiten worden uitgeoefend die volgens de Wet milieubeheer (Wm) zijn aan te merken als een inrichting. Op het aspect wegverkeerslawaai wordt hierna ingegaan. Toetsingskader Woningen zijn volgens de Wet geluidhinder (Wgh) geluidgevoelige functies waarvoor, indien deze liggen binnen de geluidzone van een gezoneerde weg, akoestisch onderzoek uitgevoerd moet worden. Langs alle wegen - met uitzondering van 30 km/uur-wegen en woonerven - bevinden zich op grond van de Wgh geluidzones waarbinnen de geluidhinder vanwege de weg moet worden getoetst. De breedte van de geluidzone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van binnen- of buitenstedelijke ligging. Op grond van het criterium ‘goede ruimtelijke ordening’ kan ook voor wegen waarvoor geen wettelijke geluidzone geldt (30 km/uur gebied) akoestisch onderzoek toch noodzakelijk zijn. Onderzoek In het kader van de bestemmingsplanprocedure dient een toetsing aan de Wet geluidhinder plaats te vinden omdat de woningen aangemerkt worden als geluidgevoelige functie in de zin van de Wet geluidhinder én omdat

42/48

ze liggen in de geluidzone van de Waterstraat. Daarnaast is onderzocht worden of het verbreden van de Waterstraat en de aanleg van de rotonde een reconstructie is in de zin van de Wet geluidhinder. Tenslotte zijn ook de gevolgen voor de bestaande woningen in beeld gebracht in het kader van een goede ruimtelijke ordening. Het onderzoek is opgenomen in bijlage 9. Resultaten De resultaten uit het onderzoek zijn: De geluidbelasting vanwege de Waterstraat (gezoneerd) voldoet aan de voorkeursgrenswaarde. Het laten vaststellenvan hogere waarden is niet aan de orde. De geluidbelasting vanwege de het niet gezoneerde deel van de Waterstraat is hoger dan de richtwaarde van 48 dB. De maximaal aanvaardbare waarde wordt niet overschreden. Een effectieve maatregel om de geluidbelasting te reduceren is het toepassen van asfaltverharding. Dit is ter overweging voor de gemeente. Het fysiek wijzigen van de Waterstraat (verbreden en deels verleggen) is niet akoestisch onderzocht omdat er geen geluidgevoelige functies in de geluidzone van dit weggedeelte van de Waterstraat liggen. Het fysiek wijzigen van de Molenstraat door de aanleg van een rotonde met de Waterstraat is geen reconstructie in de zin van de Wet geluidhinder voor de onderzochte bestaande woningen.

De gevolgen voor de bestaande woningen langs de toekomstige ontsluitingsroutes van de woonwijk Groote Kreek II zal nauwelijks waarneembaar zijn en daarmee in het kader van een goede ruimtelijke ordening aanvaardbaar. Conclusie De ontwikkeling van fase 1 van de woonwijk Groote Kreek II voldoet aan de grenswaarden van de Wet geluidhinder. Het laten vaststellen van hogere waarden is niet aan de orde. De realisatie van nieuwe woningen kan plaatsvinden in een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Ook na de fysieke wijziging aan bestaande wegen blijft er voor bestaande woningen sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat.

4.10 Externe veiligheid Toetsingskader Bij ruimtelijke plannen dient ten aanzien van externe veiligheid naar verschillende aspecten te worden gekeken, namelijk: bedrijven waar activiteiten plaatsvinden die gevolgen hebben voor de externe veiligheid; vervoer van gevaarlijke stoffen over wegen, spoor, water of door buisleidingen. Voor zowel bedrijvigheid als vervoer van gevaarlijke stoffen zijn twee aspecten van belang, te weten het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans per jaar dat een persoon dodelijk wordt getroffen door een ongeval, indien hij zich onafgebroken (dat wil zeggen 24 uur per dag gedurende het hele jaar) en onbeschermd op een bepaalde plaats zou bevinden. Het PR wordt weergegeven met risicocontouren rondom een inrichting dan wel infrastructuur. Het GR drukt de kans per jaar uit dat een groep van minimaal een bepaalde omvang overlijdt als direct gevolg van een ongeval waarbij gevaarlijke stoffen betrokken zijn. De norm voor het GR is een oriëntatiewaarde. Het bevoegd gezag heeft een verantwoordingsplicht als het GR toeneemt en/of de oriëntatiewaarde overschrijdt.

43/48

Vervoer van gevaarlijke stoffen Per 1 april 2015 is het Besluit externe veiligheid transportroutes (BEVT) en de regeling Basisnet in werking getreden. Het BEVT vormt de wet- en regelgeving, en de concrete uitwerking volgt in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) duidelijkheid te bieden over het maximale aantal transporten van, en de bijbehorende maximale risico's die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Het Basisnet is onderverdeeld in drie onderdelen: Basisnet Spoor, Basisnet Weg en Basisnet Water. Het BEVT en het bijbehorende Basisnet maakt bij het PR onderscheid in bestaande en nieuwe situaties. Voor bestaande situaties geldt een grenswaarde voor het PR van 10-5 per jaar ter plaatse van kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en een streefwaarde van 10-6 per jaar. Voor nieuwe situaties geldt de 10-6 waarde als grenswaarde voor kwetsbare objecten, en als richtwaarde bij beperkt kwetsbare objecten. In het Basisnet Weg en het Basisnet Water zijn veiligheidsafstanden (PR 10-6 contour) opgenomen vanaf het midden van de transportroute. Tevens worden in het Basisnet de plasbrandaandachtsgebieden benoemd voor transportroutes. Het Basisnet vermeldt dat op een afstand van 200 m vanaf de rand van het tracé in principe geen beperkingen hoeven te worden gesteld aan het ruimtegebruik.

Er geldt een oriënterende waarde voor het groepsrisico en onder voorwaarden een verantwoordingsplicht tot 200 m binnen de transportroute. Besluit externe veiligheid buisleidingen In het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) wordt aangesloten bij de risicobenadering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) zodat ook voor buisleidingen normen voor het PR en het GR gelden. Op grond van het Bevb dient zowel bij consoliderende bestemmingsplannen als bij ontwikkelingen inzicht te worden gegeven in de afstand tot het PR en de hoogte van het GR als gevolg van het transport van gevaarlijke stoffen door buisleidingen. Toetsing De beoogde ontwikkeling maakt gevoelige objecten mogelijk, hierdoor dient de omgeving te worden onderzocht naar risicovolle objecten en het vervoer van gevaarlijke stoffen via de weg, het water, het spoor of buisleidingen. Overeenkomstig de risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het plangebied een aantal risicovolle inrichtingen gelegen, zie onderstaand figuur.

44/48

Figuur 4.10.1. Risicokaart, Atlas Leefomgeving. Blauwe omkadering geeft plangebied weer (Ministerie LenW, 2023) Op een afstand van circa 750m staat het bedrijf St. Paul Nederland B.V. Smart Cheese Solutions. Binnen dit bedrijf wordt er gebruik gemaakt van een koeling werkend op ammoniak (800 kg NH3). De koeling kent geen PR 10-6 contour. Het plangebied is buiten de invloedsgebieden gelegen en heeft zodoende geen invloed op het groepsrisico. Op een afstand van 460m staat Zwembad Reynaertland. Bij het zwembad wordt er 1500 liter chloor opgeslagen. De chlooropslag kent geen PR 10-6 contour. Het plangebied is buiten de invloedsgebieden gelegen en heeft zodoende geen invloed op het groepsrisico. Verder worden binnen of in de nabije omgeving van het plangebied geen gevaarlijke stoffen vervoerd over de weg, het water of het spoor. Ten slotte is er ook een gasleiding rondom het plangebied gesitueerd. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen dan ook worden uitgesloten. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

4.11 Kabels en leidingen Toetsingskader Rond planologisch relevante leidingen dient rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden (belemmeringenzones). Toetsing Het plangebied wordt omringd door de volgende kabels en leidingen:

45/48

Hoge druk gasleiding (Enduris B.V.) Laagspanning (Enduris B.V.) Water (Enduris B.V.) Riolering (Gemeente Hulst) De ligging van deze kabels en leidingen is deels buiten het plangebied, dan wel onder de bestaande weg aan de westzijde en daarmee niet beperkend. Echter bij de realisatie van de ontsluiting aan de westzijde dient rekening gehouden te worden met de gasleiding en waterleiding. En bij de ontsluiting aan de noordzijde dient rekening gehouden te worden met de riolering (loopt van oost naar west op het Zuiderpad). In een later planstadium wanneer de ontsluiting definitief is zal hier aandacht aan moeten worden besteed. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen dan worden uitgesloten. Conclusie De hoge druk gasleiding en de waterleiding worden beschermd doormiddel van een dubbelbestemming. Het aspect kabels en leidingen vormt zodoende geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling.

46/48

Hoofdstuk 5

5.1

Financiële aspecten

Economische uitvoerbaarheid

In de Wro is in afdeling 6.4 de regelgeving rondom grondexploitatie opgenomen. Centrale doelstelling daarvan is om in de situatie van particuliere grondexploitatie te komen tot een verbetering van het gemeentelijk kostenverhaal en de versterking van de gemeentelijke regie bij locatieontwikkeling. In artikel 6.12 van de Wro is bepaald dat de gemeenteraad een exploitatieplan vast moet stellen voor gronden waarop een bij Algemene Maatregel van Bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. Bij drie ruimtelijke besluiten kan het nodig zijn om een exploitatieplan vast te stellen, namelijk bij de vaststelling van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of een omgevingsvergunning met afwijking. Om daadwerkelijk na te kunnen gaan of een exploitatieplan noodzakelijk is, dient beoordeeld te worden of er sprake is van een bouwplan zoals bedoeld in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro).

In dit artikel is omschreven om welke bouwplannen het gaat, namelijk: de bouw van één of meer woningen; de bouw van één of meer andere hoofdgebouwen; de uitbreiding van een hoofdgebouw met ten minste 1.000 m² bvo of met één of meer woningen; de verbouwing van één of meer aangesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor woondoeleinden, mits ten minste 10 woningen worden gerealiseerd; de verbouwing van één of meer aaneengesloten gebouwen die voor andere doeleinden in gebruik of ingericht waren, voor detailhandel, dienstverlening, kantoor of horecadoeleinden, mits de cumulatieve oppervlakte van de nieuwe functies ten minste 1.500 m² bvo bedraagt; de bouw van kassen met een oppervlakte van ten minste 1.000 m² bvo. Bovendien is een exploitatieplan nodig als locatie-eisen (aan openbare ruimte of woningbouwcategorieën) gesteld moeten worden en/of het bepalen van een tijdvak of fasering noodzakelijk is. Geen exploitatieplan is nodig indien het verhaal van de kosten van grondexploitatie anderszins verzekerd is. De grond is in eigendom bij de gemeente. De gemeente zal in de grondverkoop de gemeentelijke kosten verdisconteren. Er is een exploitatieberekening uitgevoerd. Uit deze berekening is gebleken dat het plan financieel uitvoerbaar is. De financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan is voldoende verzekerd.

47/48

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Participatie Er is een klankbordgroep opgericht met omwonenden van de planontwikkeling. Hiermee zijn brainstormsessies geweest. Daarnaast zijn er verschillende informatiesessies gehouden met de omwonenden. Aandachtspunten die hieruit voortgekomen zijn, zijn meegenomen bij de planontwikkeling. 5.2.2 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties: Waterschap Scheldestromen Provincie Zeeland Veiligheidsregio Zeeland Van Provincie Zeeland en de veiligheidsregio Zeeland zijn overlegreacties ontvangen. Met het Waterschap Scheldestromen is voorafgaand aan de toesturen van het concept bestemmingsplan overleg gepleegd. Naar aanleiding van de overlegreactie van de provincie zijn aanpassingen gedaan aan de stikstofberekening en de paragraaf ecologie. Daarnaast is aandacht besteed aan de bijdrage aan de doelstellingen van de Woondeal Zeeland Veiligheidsregio Zeeland heeft aangeven dat advies met betrekking tot externe veiligheid niet noodzakelijk is omdat het plangebied niet is gelegen binnen het invloedsgebied van risicobronnen in het kader van externe veiligheid. Wel zijn adviezen en andachtspunten voor de uitwerking aangegeven.

5.2.3 Zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan zal gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden voor de vaststellingsprocedure (op grond van artikel 3.8, lid 1, Wet ruimtelijke ordening). Tijdens deze periode kan een ieder een zienswijze kenbaar maken. De zienswijzen worden samengevat en van beantwoording voorzien en opgenomen in de bijlagen bij deze toelichting. 5.2.4 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.

48/48

bestemmingsplan

Groote Kreek II Hulst

DATUM IMRO IDN

1-12-2023 NL.IMRO.0677.bphulgrkreek2-0001

PROJECT PROJECTLEIDER

Groote Kreek H. Wenting

OPDRACHTGEVER PROJECTNUMMER

Gemeente Hulst 20191016

AUTEUR STATUS

L. ten Braak ontwerp

Inhoudsopgave

Regels Hoofdstuk 1

Inleidende regels

5

Artikel 1

Begrippen

5

Artikel 2

Wijze van meten

10

Bestemmingsregels

12

Artikel 3

Groen

12

Artikel 4

Verkeer

13

Artikel 5

Water

14

Artikel 6

Woongebied

15

Artikel 7

Leiding - Gas

19

Artikel 8

Leiding - Water

21

Artikel 9

Waarde - Archeologie 2

23

Algemene regels

26

Artikel 10

Anti-dubbeltelbepaling

26

Artikel 11

Algemene bouwregels

27

Artikel 12

Algemene afwijkingsregels

28

Artikel 13

Algemene wijzigingsregels

29

Artikel 14

Overige regels

30

Overgangs- en slotregels

31

Artikel 15

Overgangsrecht

31

Artikel 16

Slotregel

32

Hoofdstuk 2

Hoofdstuk 3

Hoofdstuk 4

3/32

4

Regels

4/32

Hoofdstuk 1

Artikel 1

Inleidende regels

Begrippen

1.1 plan het bestemmingsplan Groote Kreek II van de gemeente Hulst. 1.2 bestemmingsplan de geometrisch bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.0677.bphulgrkreek2-0001 met de bijbehorende regels en bijlagen. 1.3 aan- en uitbouw een aan een hoofdgebouw gebouwd gebouw dat in bouwkundig opzicht te onderscheiden is van het hoofdgebouw. 1.4 aan-huis-gebonden-beroep een dienstverlenend beroep, dat in een woning of bij de woning behorend bijgebouw uitsluitend door de bewoner(s) van de woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en voor zover deze beroepen een ruimtelijke uitstraling hebben die met de woonfunctie in overeenstemming is. 1.5 aanduiding een geometrisch bepaald vlak of een figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waarvoor ingevolge dit bestemmingsplan regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden. 1.6 aanduidingsgrens de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft. 1.7 antenne-installatie een installatie bestaande uit een antenne, een antennedrager, de bedrading en de al dan niet in een techniekkast opgenomen apparatuur, met de daarbij behorende bevestigingsconstructie. 1.8 antennedrager een antennemast of andere constructie bedoeld voor de bevestiging van een antenne.

1.9 archeologisch deskundige de beleidsmedewerker archeologie van de gemeente, de gemeentelijk adviseur archeologie of een door het College van Burgemeester en Wethouders aangewezen deskundige op het gebied van archeologie. 1.10 archeologisch rapport een rapport van een archeologisch onderzoeksbureau of een goed onderbouwd advies van een deskundige op het gebied van archeologie.

5/32

1.11 archeologische waarde vindplaats of vondst met een oudheidkundige waarde. Het betreft hier met name archeologische relicten in hun oorspronkelijke ruimtelijke context. Zowel grote complexen/ structuren zoals nederzettingsterreinen, als afzonderlijke vondsten kunnen met deze term worden aangeduid. 1.12 bebouwing een of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 1.13 bebouwingspercentage een in de regels of op de verbeelding aangegeven percentage dat de grootte van het gedeelte van het bouwvlak of bouwperceel aangeeft, dat maximaal mag worden bebouwd, tenzij in de regels anders is bepaald 1.14 bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen, die op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan tot stand zijn gekomen of tot stand zullen komen met inachtneming van het bepaalde bij of krachtens de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.15 bestemmingsgrens de grens van een bestemmingsvlak. 1.16

bestemmingsvlak

een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming. 1.17 bevoegd gezag bevoegd gezag zoals bedoeld in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht. 1.18 bijgebouw een vrijstaand gebouw dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.19 bouwen het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen van een standplaats. 1.20 bouwgrens de grens van een bouwvlak. 1.21 bouwperceel een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge deze regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. 1.22 bouwperceelgrens een grens van een bouwperceel.

6/32

1.23 bouwvlak een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zijn toegelaten. 1.24 bouwwerk elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct of indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond. 1.25 bouwwerk, geen gebouw zijnde een bouwwerk als bedoeld in lid 1.24, niet zijnde een gebouw. 1.26 cultuurhistorische waarde de aan een bouwwerk of gebied toegekende waarde in verband met ouderdom en/of historische gaafheid. 1.27 dak een uitwendige scheidingsconstructie als bovenafsluiting van een bouwwerk. 1.28 dakkapel een constructie ter vergroting van een gebouw, die zich tussen de dakgoot en de nok van een dakvlak bevindt, waarbij deze constructie onder de noklijn is gelegen en de onderzijde van de constructie in het dakvlak is geplaatst. 1.29 detailhandel het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroep of bedrijf.

1.30 dienstverlening het bedrijfsmatig verlenen van diensten, waarbij het publiek rechtstreeks (al dan niet via een balie) te woord wordt gestaan en geholpen, zoals reis- en uitzendbureaus, kapsalons, pedicures, wasserettes, makelaarskantoren en bankfilialen. 1.31 evenement het geheel van al dan niet incidentele dan wel al dan niet kortdurende, maar wel tijdelijke activiteiten, dat plaatsvindt bij een voor publiek toegankelijke gebeurtenis, zoals een feest, kermis, optocht, braderie, wedstrijd of andere bijeenkomst tot ontspanning of vermaak, of een vertoning, voorstelling of herdenking, waarbij het schenken van alcoholische dranken is toegestaan.

1.32 gebouw elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt.

7/32

1.33 hoofdgebouw een gebouw of een gedeelte daarvan, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken. 1.34 huishouden een aantal, aan elkaar door familieband of anderszins gerelateerde, personen, die gezamenlijk één eenheid vormt en als zodanig ook gebruik maakt van één woning. 1.35 kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten activiteiten die in een woning of bij de woning behorend bijgebouw door een bewoner op bedrijfsmatige wijze worden uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate zijn woonfunctie behoudt met een ruimtelijke uitstraling die daarbij past. 1.36 NEN door de Stichting Nederlands Normalisatie-instituut uitgegeven norm, zoals deze luidde op het moment van vaststelling van het plan. 1.37 nultredenwoning een woning die van buitenaf bereikbaar is zonder trap te lopen én waar zowel keuken, badkamer, toilet en tenminste één slaapkamer bereikbaar zijn zonder trap te lopen. 1.38 nutsvoorzieningen voorzieningen voor het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen, voorzieningen voor (ondergrondse) afvalinzameling en apparatuur voor telecommunicatie.

1.39 opgraven/ opgraving de ontsluiting van een vindplaats met als doel de informatie te verzamelen en vast te leggen die nodig is voor het beantwoorden van de in het Programma van Eisen verwoorde onderzoeksvra(a)g(en) en het behalen van de onderzoeksdoelstellingen. 1.40 ophoging het blijvend verhogen van het bestaande maaiveld door het aanbrengen van grond of andersoortige materialen. Tijdelijke ophoging tot een maximum van 6 maanden in relatie tot de agrarische bedrijfsvoering wordt niet gezien als een ophoging. 1.41 overkapping een bouwwerk, geen gebouw zijnde, voorzien van een dak dat in functioneel en bouwkundig opzicht ondergeschikt is aan een op hetzelfde bouwperceel gelegen hoofdgebouw. 1.42 peil a. voor gebouwen die onmiddellijk aan de weg grenzen: de hoogte van die weg; b. in andere gevallen en voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld, op het tijdstip van inwerkingtreding van dit plan.

8/32

1.43 perceel een of meerdere aaneengesloten kadastrale percelen behorend bij het hoofdgebouw. 1.44 Staat van Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten de Staat van Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten die van deze regels deel uit maakt. 1.45 verstoring aantasting van een gebied met archeologische waarden. Dit verschijnsel kan zich voordoen: door erosie, afgraving of egalisatie, door (diepe) bewerking van de bovengrond, door zetting als gevolg van ophoging, door verdroging en verzuring. 1.46 voorgevel de naar de weggekeerde gevel van het hoofdgebouw of, indien het een hoofdgebouw betreft met meer dan één naar de weggekeerde gevel de gevel die door zijn aard, functie, constructie of uitstraling als belangrijkste gevel kan worden aangemerkt. 1.47 voorgevelrooilijn de denkbeeldige lijn die in het verlengde van de gevel van de voorgevel van het hoofdgebouw loopt. 1.48 vrijstellingsdiepte de in Vrijstellingenkaart voor dat gebied, aangegeven vrijstellingsdiepte. 1.49 waterhuishoudkundige voorzieningen voorzieningen die nodig zijn voor een goede waterkering, wateraanvoer, waterafvoer, waterberging, (hemel)waterinfiltratie en waterkwaliteit. Hierbij kan onder meer gedacht worden aan voorzieningen als duikers, stuwen, infiltratievoorzieningen, gemalen, inlaten, ondergrondse bergbezinkbassins en dergelijke.

1.50 woning een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden; 1.51 woonschip elk vaartuig of drijvend voorwerp, dat uitsluitend of hoofdzakelijk wordt gebruikt als woning of recreatieverblijf.

9/32

Artikel 2

Wijze van meten

Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1 afstand de afstand tussen bouwwerken onderling en de afstand van bouwwerken tot perceelsgrenzen worden daar gemeten waar deze afstanden het kleinst zijn. 2.2 bouwhoogte van een antenne-installatie a. ingeval van een vrijstaande (schotel)antenne-installatie: tussen het peil en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie; b. ingeval van een op of aan een bouwwerk gebouwde (schotel)antenne-installatie: tussen de voet van de (schotel)antenne-installatie en het hoogste punt van de (schotel)antenne-installatie. 2.3 bouwhoogte van een bouwwerk vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen. 2.4 breedte, lengte en diepte van een gebouw tussen (de lijnen getrokken door) de buitenzijde van de gevels en het hart van de scheidingsmuren. 2.5 goothoogte van een bouwwerk a. vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; indien zich op een gebouw één of meer dakkapellen bevinden waarvan de gezamenlijke breedte meer bedraagt dan 50% van de gevelbreedte, wordt de bovenkant van de goot, c.q.

de druiplijn of het boeibord van de dakkapel(len) als goothoogte aangemerkt. b. bij een asymmetrische dakvorm met één hellend dakvlak dat loopt over de volledige breedte, of diepte van een gebouw, wordt de goot- en/of boeiboordhoogte gemeten op het hoogste snijpunt van het dakvlak met de daaronder gelegen gevel; onder de gevel wordt ook verstaan het hart van de scheidsmuren met een gebouw op een aangrenzend bouwperceel. 2.6 inhoud van een bouwwerk tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen. 2.7 oppervlakte van een bouwwerk a. voor bouwwerken met wanden: tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; b. voor bouwwerken zonder wanden (open overkappingen en daarmee vergelijkbare bouwwerken geen gebouwen zijnde): de overdekte grondoppervlakte (gemeten loodrecht onder het dakoppervlak).

10/32

2.8 oppervlakte van een overkapping tussen de buitenzijde van de afdekking van de overkapping, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van de overkapping. 2.9 vloeroppervlakte de gebruiksoppervlakte volgens NEN2580.

11/32

Hoofdstuk 2 Artikel 3

Bestemmingsregels

Groen

3.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. groen, water, speelvoorzieningen en voet- en fietspaden; b. ter plaatste van de aanduiding 'ontsluiting' tevens wegen; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals nutsvoorzieningen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: gebouwen en overkappingen a. op deze gronden mag worden gebouwd:

b. de hoogte bedraagt niet meer dan: 1. bewegwijzering 2. straatmeubilair 3. lichtmasten en overige masten 4. ballenvangers 5. overig bouwwerk, geen gebouw zijnde 6. vrijstaande antennemast 8. muren en terreinafscheidingen c. de oppervlakte bedraagt niet meer dan:

12/32

uitsluitend voor ontmoetingsplaatsen en nutsvoorzieningen 3m 15 m²

bouwwerk, geen gebouw zijnde ja

4,5 m 3m 10 m 4m 3m 15 m 1m -

Artikel 4

Verkeer

4.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Verkeer' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wegen, voet- en fietspaden; b. verblijfsgebied met een functie voor verblijf, verplaatsing en gebruik ten dienste van de aangrenzende bestemmingen; c. bij deze bestemming behorende voorzieningen, zoals parkeervoorzieningen, nutsvoorzieningen, groen, water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 4.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: gebouwen en overkappingen a. op deze gronden mag worden gebouwd:

b. de hoogte bedraagt niet meer dan: 1. bewegwijzering 2. straatmeubilair 3. lichtmasten en overige masten 4. overig bouwwerk, geen gebouw zijnde 5. vrijstaande antennemast c. de oppervlakte bedraagt niet meer dan:

uitsluitend voor ontmoetingsplaatsen en voor nutsvoorzieningen 3m 15 m²

bouwwerk, geen gebouw zijnde ja

4,5 m 3m 10 m 3m 15 m -

4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Uitvoeringsverbod zonder omgevingsvergunning Het is verboden op of in de gronden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of de volgende werkzaamheden uit te voeren: het verbreden van de bestaande weg. 4.3.2 Voorwaarden voor een omgevingsvergunning De werken of werkzaamheden als bedoeld in lid 4.3.1 zijn slechts toelaatbaar, indien: a. voldoende faunapassages zijn aangelegd en duurzaam in stand worden gehouden; b. het aantal, de locatie en ontwerp van de faunapassages is goedgekeurd door een ecologisch adviesbureau.

13/32

Artikel 5

Water

5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Water' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. water; b. waterhuishoudkundige voorzieningen; c. ondergeschikt groen; d. bruggen voor verkeer. 5.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. uitsluitend keermuren voor de waterbeheersing, oeverbeschoeiingen, duikers, bruggen en steigers mogen worden gebouwd. 5.3 Specifieke gebruiksregels Met betrekking tot het gebruik gelden de volgende regels: a. het gebruik van het water voor een ligplaats voor een woonschip is niet toegestaan. 5.4 Nadere eisen 5.4.1 Omvang en situering van bouwwerken, geen gebouwen zijnde Het bevoegd gezag is in het belang van de waterhuishouding en het waterbeheer bevoegd nadere eisen te stellen omtrent de omvang en situering van aanlegsteigers.

14/32

Artikel 6

Woongebied

6.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Woongebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. wonen in een woning daaronder begrepen de uitoefening van aan-huis-gebonden-beroepen en kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten met de daarbij behorende wegen, paden, verblijfsgebieden, groenvoorzieningen, water, en waterhuishoudkundige voorzieningen en andere binnen een woongebied voorkomende functies, zoals nutsvoorzieningen, kleinschalige speelvoorzieningen, geluidwerende voorzieningen, voorzieningen ten behoeve van afvalinzameling, ondergrondse bergbezinkbassins; 6.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. als woningtypen zijn toegestaan: aaneengebouwd, geschakeld, vrijstaand en ter plaatste van de aanduiding 'gestapeld': tevens gestapeld; b. de voorgevel van het hoofdgebouw wordt georiënteerd op de aan het bouwperceel grenzende weg; c. en tevens geldt: hoofdgebouw 1. op deze gronden mag worden gebouwd: a. binnen het ja bouwvlak b. buiten het nee bouwvlak 2. de hoogte bedraagt niet meer dan: a. goothoogte binnen zie aanduiding het bouwvlak 'maximum goothoogte (m)' c. bouwhoogte zie aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)'

1. bewegwijzering

15/32

-

aan- en uitbouw, bijgebouw, overkapping

bouwwerk, geen gebouw zijnde, geen overkapping zijnde

ja

ja

nee

ja

3,3 m

niet van toepassing

7,3 m

- muren en terreinafscheidingen achter de voorgevelrooilijn van hoofdgebouwen: 2 m; - muren en terreinafscheidingen voor de voorgevelrooilijn van hoofdgebouwen: 1 m; - lichtmasten en overige masten: 10 m - zend-/ontvangstinstallatie ter plaatse van de aanduiding zend-/ontvangstinstallatie: 60m - overig bouwwerk, geen gebouw zijnde 3 m 4,5 m

-

2. straatmeubilair 3. lichtmasten en overige masten 4. ballenvangers 5. overig bouwwerk, geen gebouw zijnde 6. vrijstaande antennemast 8. muren en terreinafscheidingen 3. de oppervlakte bedraagt niet meer dan: a. algemeen per bouwperceel mag maximaal 50% van de oppervlakte worden bebouwd; b. met dien verstande: b1. perceel kleiner dan 40% tot ten hoogste 60 m² 1.000 m² b2. perceel groter of ten hoogste 90 m² gelijk aan 1.000 m² b3. perceel groter of ten hoogste 120 m² gelijk aan 2.500 m²

3m 10 m 4m 3m 15 m 1m

niet gemaximeerd niet gemaximeerd niet gemaximeerd

4. de afstand tot de perceelsgrens bedraagt: bij vrijstaande ten minste 1 meter achter woningen bedraagt de de voorgevel van het afstand tot de hoofdgebouw zijdelingse perceelsgrens bedraagt ten minste 1 meter 5. het aantal woningen bedraagt niet meer dan: a. binnen het totale maximaal 133 niet van toepassing niet van toepassing plangebied b. aantal woningen maximaal 35 niet van toepassing niet van toepassing gestapeld bedraagt niet meer dan

6.3 Specifieke gebruiksregels 6.3.1 Bewoning bijgebouw Zelfstandige bewoning van een bijgebouw is niet toegestaan. 6.3.2 Uitoefening aan-huis-gebonden-beroepen Uitoefening van aan-huis-gebonden-beroepen is toegestaan in een woning en in een aan- en uitbouw of bijgebouw, met inachtneming van de volgende regels:

16/32

a. b. c. d.

de activiteit is in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt aan de woning en de woonomgeving; de vloeroppervlakte voor deze andere activiteiten bedraagt in totaal ten hoogste 25 m²; het beroep of de activiteit dient door de bewoner te worden uitgeoefend; het gebruik mag geen zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat deze kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; e. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met de beroepsmatige activiteiten. 6.3.3 Uitoefening kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten Uitoefening van kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten is toegestaan in een woning en in een aan- en uitbouw of bijgebouw met inachtneming van de volgende regels: a. de activiteit is in zijn uiterlijke verschijningsvorm ondergeschikt aan de woning en de woonomgeving; b. de vloeroppervlakte voor deze andere activiteiten bedraagt in totaal ten hoogste 25 m²; c. het beroep of de activiteit dient door de bewoner te worden uitgeoefend; d. het betreft een activiteit zoals genoemd in de Staat van Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten of is naar aard en invloed op de omgeving daarmee gelijk te stellen; e.

het gebruik mag geen zodanige verkeersaantrekkende werking hebben dat deze kan leiden tot een nadelige beïnvloeding van de normale afwikkeling van het verkeer dan wel tot een onevenredige parkeerdruk op de openbare ruimte; f. er vindt geen detailhandel plaats, uitgezonderd een beperkte verkoop die verband houdt met de bedrijfsmatige activiteiten, tenzij in de Staat van Kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten anders is bepaald. 6.3.4 Overige activiteiten en functies Paardenbakken zijn niet toegestaan. 6.3.5 Voorwaardelijke verplichting landschappelijke inpassing Het gebruiken en/of laten gebruiken van de voor 'Woongebied' aangewezen gronden en conform '6.1', is alleen toegestaan als de landschappelijke inpassing overeenkomstig een door een landschapsdeskundige goedgekeurd landschappelijk inpassingsplan is gerealiseerd en in stand wordt gehouden. 6.3.6 Voorwaardelijke verpichting waterberging a. Strijdig met de bestemming is het gebruik als bedoeld onder 6.1 zonder de realisatie en instandhouding van een waterberging die op basis van het definitieve inrichtingsplan als opgave met het waterschap is vastgesteld; b. De nader met het waterschap vastgestelde bergingsopgave en inrichting hiervan zoals bedoeld onder a wordt opgenomen in de omgevingsvergunning voor realisatie van plan; c.

Het bevoegd gezag kan, met instemming van het waterschap, bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde onder a als de kans op wateroverlast niet toeneemt; d. Het bevoegd gezag kan, met instemming van het waterschap, aan het verlenen van de omgevingsvergunning, bedoeld in artikel 6.3.6, onder c, een financiële voorwaarde verbinden.

17/32

6.4 Afwijken van de gebruiksregels 6.4.1 Afwijken voor logies en ontbijt (bed&breakfast) Het bevoegd gezag kan bij omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in 6.1 en ter plaatse van een woning logies en ontbijt toestaan met inachtneming van de volgende regels: e. bed&breakfast is toegestaan mits de hoofdfunctie van de woning gehandhaafd blijft; f. de exploitant ook hoofdbewoner is van de woning; g. de landschappelijke, cultuurhistorische en/of architectonische waarden van het perceel, het pand of complex dienen behouden te blijven; h. de voorziening mag door de bouwkundige opzet, indeling en maatvoering niet functioneren als een zelfstandige woning; i. bed&breakfast mag gelijktijdig aan maximaal 6 personen worden aangeboden; j. parkeren dient plaats te vinden op eigen terrein, tenzij op en/of langs de openbare weg in de huidige situatie voldoende parkeergelegenheid op loopafstand aanwezig is; k. de bed&breakfast mag niet leiden tot onevenredige nadelige gevolgen voor het woon- en leefklimaat en de gebruiksfuncties van naastgelegen percelen.

18/32

Artikel 7

Leiding - Gas

7.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Gas' aangewezen gronden zijn – behalve voor de andere aldaar voorkomende bestemming(en) – mede bestemd voor een aardgastransportleiding. 7.2 Bouwregels Voor het bouwen gelden de volgende regels: a. op deze gronden mogen voor de in lid 7.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd met een bouwhoogte van ten hoogste 3 m; b. voor de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag – met inachtneming van de voor de betrokken bestemming(en) geldende (bouw)regels – uitsluitend worden gebouwd, indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte, voor zover gelegen op of onder peil, niet wordt uitgebreid en gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering. 7.3 Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van de bouwregels voor het bouwen overeenkomstig de andere daar voorkomende bestemming(en) (lid 7.2 onder b) indien de veiligheid van de betrokken leiding niet wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies is ingewonnen bij de betrokken leidingexploitant. Een omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen kwetsbare objecten worden toegelaten.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15587243/1