Absdaalseweg 70 Hulst Tuincentrum ontwerp 8-11-2021
Tekst van het document
Dan, in 1980 (figuur 9F), staat voor het eerst een woning op de kaart en is het resterende deel van het terrein als boomkwekerij in gebruik genomen. Uit de bouwvergunningen (zie volgende kopje) kan overigens worden afgeleid dat de kwekerij al in de jaren 1960 wordt gerealiseerd. Rond 1999 (figuur 9G) is de rotonde ten zuiden van het plangebied aangelegd en is naast de woning een bedrijfshal gerealiseerd. In 2014 (figuur 9H) is de parallelweg gerealiseerd en is de bedrijfshal uitgebreid. Ook is de parkeerplaats uitgebreid ten opzichte van 1999.
8 Van Berkel & Samplonius, 2006 9 Zeeuws-Archief, toegang 3811
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 6 van 17
Bouwhistorische gegevens Bij de gemeente Hulst is het gemeentelijk archief geraadpleegd (contactpersoon mevrouw R. Verstraeten). Op 23 juli zijn de relevante bouwtekeningen digitaal ontvangen en bestudeerd. Tabel II geeft een opsomming van de verleende bouwvergunningen voor het plangebied. Tabel II.
Verleende bouwvergunningen
Naam aanvrager
Jaartal
Omschrijving
A.A.M. van Haelst
1968
Bouw van kweek- en verkoophallen, fundering 70 cm onder maaiveld. 1 kelder tot 170 cm onder maaiveld (5 x 3 m).
A.A.M. van Haelst
1969
Bouw bungalow, funderingen 1,55 beneden peil
A.A.M. van Haelst
1975
Uitbreiding bedrijfsruimte, funderingen ca. 70 cm onder maaiveld
A.A.M. van Haelst
1979
Bouw van een loods, funderingen ca. 90 cm onder maaiveld.
A.A.M. van Haelst
1980
Uitbreiding opslagruimte, funderingen ca. 84 cm onder maaiveld
A.A.M. van Haelst
1983
Uitbreiding winkel tuincentrum, gefundeerd op palen ca. 1 m onder peil
A.A.M. van Haelst
1985
Vergroten kas
A.A.M. van Haelst
1990
Vernieuwen en uitbreiden kas
A.A.M. van Haelst
1992
Aanpassing gevel kas
In 1968 is er begonnen met de bouw van kassen en een winkel, waarna er ook een vergunning is verleend voor een bungalow. De kassen en winkel zijn vervolgens meerdere malen uitgebreid. De bungalow is vrij diep gefundeerd, op circa 1,55 m onder maaiveld. De winkel heeft een kleine kelder van 3 bij 5 meter, die op 1,7 m onder maaiveld is aangelegd. De funderingen van de loods, kassen en winkelruimtes hebben de bodem lokaal verstoord tot maximaal 1 m onder maaiveld. De vloer van de kas is maximaal 22 cm dik en heeft dus niet geleid tot diepe verstoringen. Rijks- en gemeentemonumenten binnen attentiegebied Binnen het plangebied of in een straal van 50 m daar omheen liggen geen rijksmonumenten, gemeentelijke monumenten of MIP-objecten. Tweede Wereldoorlog Om vast te stellen of mogelijke archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied aanwezig zijn, is een aantal publicaties geraadpleegd.10 Het raadplegen van deze bronnen geeft geen redenen om aan te nemen dat er archeologische waarden uit de Tweede Wereldoorlog in het plangebied te verwachten zijn. 2.7
Archeologische waarden
Binnen het plangebied en in de directe omgeving hiervan zijn een aantal archeologische onderzoeken uitgevoerd, waarbij ook archeologische resten zijn aangetroffen. Ook zijn er enkele losse vondsten gedaan. Er liggen geen archeologische monumenten in de omgeving van het plangebied. De locatie van de uitgevoerde onderzoeken en aangetroffen vindplaatsen is weergegeven in figuur 10. Een beschrijving van de onderzoeken en vondsten is in bijlages 2 en 3 opgenomen.
10
Amersfoort & Kamphuis, 1990/Jong, 1969 – 1994/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed/VEO Bommenkaart/Ruimingskaart/Klep & Schoenmaker, 1995/Zwanenburg, 1990.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 7 van 17
Archeologische onderzoeken Delen van het plangebied zijn eerder onderzocht. In het oostelijke deel van het plangebied is in 2014 door Econsultancy een bureauonderzoek en verkennend booronderzoek uitgevoerd (zaakid’s 2463975100 en 2465068100). Het booronderzoek heeft aangetoond dat in het plangebied dekzanden aanwezig zijn waarin oorspronkelijk een podzolbodem is gevormd. De top van de podzolbodem is verstoord door antropogene ingrepen. Plaatselijk is een dik humeus en kleiig eerddek aanwezig. Dit eerddek is waarschijnlijk ontstaan doordat een dun kleidek uit de Nieuwe tijd door de top van het dekzand is verploegd. Er lijkt geen sprake te zijn van een plaggendek. Tijdens het veldonderzoek is in het noordoosten van het huidige plangebied aardewerk uit de Late Middeleeuwen (1300 – 1450) aangetroffen. Geadviseerd is om een vervolgonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren (zie ook figuur 11).11 Het zuidelijke deel van het plangebied is in 2006 en 2007 onderzocht in het kader van de aanleg van de N258 en de parallelweg ten noorden hiervan (de huidige Absdaalseweg). Tijdens dit booronderzoek (zaakid. 2112514100) zijn ten westen van het plangebied dekzanden met een kleidek aangetroffen. De top van de dekzanden is verspoeld door mariene activiteit. In het plangebied zelf zijn geen boringen geplaatst.
Op basis van het booronderzoek zijn drie locaties aangewezen waarvoor een vervolgonderzoek doormiddel van proefsleuven is geadviseerd.12 Het proefsleuvenonderzoek (zaakidentificatienummer 2141197100) is in 2007 uitgevoerd.13 Het plangebied van dit proefsleuvenonderzoek is doorlopend getekend, waardoor het lijkt alsof dit ook binnen het huidige plangebied is uitgevoerd, dit is niet het geval.14 Op locatie II zijn in werkput 15, 20 m ten westen van het plangebied spitsporen en greppel aangetroffen onder de akkerlaag. Deze sporen zijn ouder dan de akkerlaag. Het sporenvlak is aangelegd op 80 cm -mv (ca. 0,45 m NAP). Binnen locatie I (775 m W van het plangebied) is een vindplaats uit de Late Middeleeuwen aangetroffen. Binnen locatie III (160 m O van het plangebied) is een vuursteenvindplaats aangetroffen. Locatie III is in 2013 verder onderzocht door middel van een definitieve opgraving (zaakid. 2389909100). Hierbij zijn zowel sporen uit het Mesolithicum als uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd aangetroffen. Resten uit de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd zijn aangetroffen in de vorm van perceelgreppels met aardewerk uit de 12e – 16e eeuw. Verder is een structuur met vier paalkuilen aangetroffen. Door gebrek aan vondstmateriaal kon deze structuur niet worden gedateerd. Evenmin is de functie duidelijk. Mogelijk gaat het om een spieker.
Uit het Laat-Mesolithicum zijn een crematiegraf en een boomval met een grote hoeveelheid vuursteen aangetroffen. Ook is een haardkuil met verbrande hazelnootfragmenten, verbrand dennenhars en houtskool gevonden, die werd gedateerd in VroegMesolithicum.15 Locatie I is in 2017 verder onderzocht door middel van een archeologische begeleiding door Artefact! (zaakid. 4560724100). De rapportage van dit onderzoek is nog niet beschikbaar in Archis. Volgens Heemkundekring De Vier Ambachten, die ook bij de begeleiding aanwezig waren, zijn er mogelijk bewoningssporen uit de Karolingische periode (Vroege Middeleeuwen) aangetroffen.16
11 Spanjaard, 2014 12 Ras, 2006. 13 Ter Wal, 2007. 14 In het adviesdocument van Mw. De Visser wordt vermeld dat locatie III binnen het huidige plangebied zou liggen. Deze
locatie bevindt zich echter ten oosten van het plangebied. 15 Coppens en Depuydt, 2017. 16 Pers. mededeling M.A. Buise, Heemkundekring de Vier Ambachten
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 8 van 17
In 2013 is direct ten zuiden van het plangebied een booronderzoek uitgevoerd voor de aanleg van een rotonde (zaakid. 2371464100). Uit dit onderzoek is gebleken dat in het westelijke deel van het plangebied een kleidek op dekzand aanwezig was. Het bodemprofiel in het dekzand is hier grotendeels intact. In het overige deel van het onderzochte gebied is geen klei afgezet op het dekzand. Het bodemprofiel is hier deels intact, waardoor er sprake is van een hoge trefkans. Er is geadviseerd een proefsleuvenonderzoek uit te voeren. Dat is, voor zover bekend, niet gebeurd. In het onderzoeksgebied zijn verder nog twee bureauonderzoeken en vier booronderzoeken uitgevoerd. In één geval is vervolgonderzoek door middel van proefsleuven aanbevolen. Losse vondsten Naast de vindplaatsen die zijn aangetroffen bij de hierboven besproken onderzoeken, zijn er nog een aantal losse vondsten gedaan die ook wijzen op bewoning in het Mesolithicum en in de Middeleeuwen/Nieuwe tijd (zie bijlage 3). Archeologische verwachting Volgens de archeologische beleidskaart van de gemeente Hulst (figuur 12) heeft het plangebied een hoge archeologische verwachting. Waar getijdegeulen de top van de pleistocene zanden hebben geërodeerd, is de verwachting laag. Bekende vindplaatsen langs de Absdaalseweg zijn aangemerkt als terreinen van archeologische waarde. 2.8
Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel
Op grond van het bureauonderzoek is de volgende gespecificeerde archeologische verwachting opgesteld (zie Tabel III). Tabel III.
Gespecificeerde archeologische verwachting
Archeologische periode
Verwachting en complextype
Te verwachten resten
Relatieve diepte t.o.v. het maaiveld
Laat-Paleolithicum
Hoog; kampementen
Vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool; haardkuilen
In het pakket dekzand, als een laatglaciale bodem aanwezig is (Laag van Usselo)
Laat-Paleolithicum - Mesolithicum
Hoog; kampementen
Vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool; haardkuilen
Onder de bouwvoor/afdekkende kleilaag, in de top van het dekzand als er een restant van een podzolbodem aanwezig is.
Neolithicum
Hoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; vuur- en natuursteen, aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem
Onder de bouwvoor/afdekkende kleilaag, in de top van het dekzand
Bronstijd – Vroege Middeleeuwen
-
-
-
Late Middeleeuwen - Nieuwe tijd (tot 1585)
Hoog; bewoningssporen, sporen van landgebruik
Akkerlagen, cultuurlagen, ophooglagen; sloten/greppels, afvalkuilen, paalkuilen, waterputten; aardewerk, houtskool, (on)verbrand bot, verbrand leem, baksteen, fosfaatvlekken
Onder de bouwvoor/afdekkende kleilaag, in de top van het dekzand
Nieuwe tijd (na 1585)
Laag; sporen van landgebruik
Greppels en sloten
Vanaf het maaiveld
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 9 van 17
Het plangebied ligt in een dekzandgebied, dat in de loop van het Neolithicum of de Bronstijd is overveend. Het gebied is in de Late Middeleeuwen ingepolderd (Absdale Polder) en ontgonnen. Bij de ontginning is het veen verdwenen. Tijdens de Opstand en later tijdens de Hollandse Oorlog is de Absdale Polder geïnundeerd, waardoor op het dekzand een dun pakket zeeklei is afgezet. De top van het dekzand is hierbij deels geërodeerd. Aan het eind van de 18e eeuw wordt de Absdale Polder opnieuw bedijkt. Na de herbedijking wordt de Absdaalseweg aangelegd. Tot in de jaren 1960 is er geen sprake van bebouwing langs deze weg. Aan het eind van de jaren 1960 worden de bestaande kwekerij en het tuincentrum gerealiseerd. Op basis van de landschappelijke ontwikkeling worden in de top van het dekzand archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum, uit de Late Middeleeuwen en uit de Nieuwe tijd (tot 1585) verwacht. Archeologische resten uit het Laat-Paleolithicum kunnen ook in het pakket dekzand worden verwacht, als er een Usselo-bodem aanwezig is. Resten uit de periode Bronstijd – Vroege Middeleeuwen worden niet verwacht. In deze periode is het gebied overveend en eventuele resten zijn met het veen verdwenen. De verwachting voor archeologische resten uit de Nieuwe tijd (na 1585) worden op basis van de historische ontwikkeling niet verwacht.
Uit het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum worden kampementen en eventueel begravingen van jagers-verzamelaars verwacht. Deze resten manifesteren zich in de vorm van een vondstlaag met strooiing van vuursteen en houtskool en grondsporen in de vorm van haardkuilen en eventueel grafkuilen met crematieresten. Resten uit deze periode worden alleen verwacht als de top van het dekzand nog intact is, dat wil zeggen: een restant van een podzolbodem bevat. Uit het Neolithicum en de Late Middeleeuwen worden voornamelijk bewoningssporen en sporen van landgebruik van landbouwers verwacht, in de vorm van cultuur- en akkerlagen met strooiing van houtskool, vuursteen (Neolithicum), aardewerk en verbrand leem en grondsporen zoals paal- en afvalkuilen, greppels en waterputten. Deze resten worden in de top van het dekzand, direct onder de bouwvoor en/of een kleidek verwacht. Eventuele oudere archeologische lagen kunnen bij de ontginning van het gebied in de Late Middeleeuwen zijn verdwenen. Grondsporen, met name de diepere, worden tot in de C-horizont van de oorspronkelijke bodem verwacht en kunnen dus ook nog aanwezig zijn als het oorspronkelijke bodemprofiel is afgetopt. Sporen van landgebruik uit de Nieuwe tijd worden verwacht vanaf het maaiveld, voornamelijk in de vorm van greppels en sloten.
Bodemverstoring De archeologische verwachting wordt beïnvloed door de mate van intactheid van het bodemprofiel. In het plangebied. Met name door mariene erosie in de Nieuwe tijd kan de archeologische verwachting voor de top van het dekzand worden beïnvloed.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 10 van 17
2.9
Conclusie bureauonderzoek
Doel van het bureauonderzoek is een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Uit het bureauonderzoek is gebleken dat in het plangebied archeologische resten uit de periode Laat-Paleolithicum – Neolithicum en de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd kunnen worden verwacht. Om de archeologische verwachting te toetsen is een vervolgonderzoek noodzakelijk. Dit onderzoek kan het beste worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen. Dit onderzoek heeft tot doel om de landschappelijke opbouw en de mate van verstoring vast te stellen en hiermee de archeologische verwachting voor beide deellocaties te bepalen. Het zuidelijke en oostelijke deel van het plangebied zijn in het verleden al onderzocht door middel van een verkennend booronderzoek. Deze delen hoeven dus niet nogmaals te worden onderzocht. Wel is voor deze delen geadviseerd om een karterend/waarderend inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven uit te voeren. Dit advies is nog steeds van toepassing. Hierop zal in het laatste hoofdstuk van dit rapport worden teruggekomen.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 11 van 17
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK
3.1
Doelstelling en onderzoeksvragen
Het inventariserend veldonderzoek (IVO-overig, verkennende fase) heeft tot doel de in het bureauonderzoek opgestelde gespecificeerde archeologische verwachting aan te vullen en te toetsen. Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. 3.2
Methoden
Het inventariserend veldonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 400317, volgens specificaties VS01, VS03 en VS05. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform beleid voor archeologisch onderzoek binnen de gemeente Hulst en de provincie Zeeland. Het veldonderzoek is in augustus 2020 uitgevoerd door drs. A.J. Wullink (senior KNA-prospector). Voorafgaand aan het veldwerk is door drs. A.J. Wullink een Plan van Aanpak (PvA) opgesteld. Het veldonderzoek beperkt zich tot het deel van het plangebied dat nog niet is onderzocht in het verleden en ook niet is bebouwd. In totaal zijn er 15 boringen tot maximaal 2 m –mv geplaatst (zie figuur 13). De boringen zijn zoveel mogelijk in een grid van 40 x 35 m geplaatst (8 boringen /ha). Ter plaatse van de parkeerplaats (boringen 1, 2 en 4 is van het grid afgeweken door boringen in groenperkjes te plaatsen. Boring 2 is uiteindelijk meerdere keren in een puinlaag gestaakt. De locatie van de boringen is bepaald met behulp van GPS. De maaiveldhoogte is afgeleid van het AHN3. Voor de boringen is gebruik gemaakt van een Edelmanboor met een diameter van 7 De boringen zijn lithologisch beschreven conform de Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode.18 3.3
Resultaten
De boorbeschrijvingen zijn te vinden in bijlage 5. De resultaten van het booronderzoek worden verbeeld in figuur 14. De bodemopbouw in het plangebied is vrij eenduidig. In alle boringen, behalve boringen 6, 12 en 16, wordt, meestal direct aan het maaiveld, een humeus pakket matig fijn zand aangetroffen. Dit pakket is meestal zwak siltig, maar soms ook matig siltig. De top is gehomogeniseerd, maar naar onderen toe komen gele vlekken in het pakket voor. In het gehomogeniseerde deel komt ook vaak wat baksteen puin voor. In boringen 1 en 10 is de top van het pakket sterk puinhoudend. In boringen 4, 14 en 15 wordt op het humeuze pakket een pakket grijsgeel tot beigegrijs zand aangetroffen. Het humeuze zandpakket is geïnterpreteerd als een subrecent geroerd of opgebracht eerddek. De dikte van het pakket varieert van 40 tot 110 cm.
17 SIKB, 2018 18 Bosch, 2005
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 12 van 17
In boringen 6, 12 en 16 ontbreekt de humeuze toplaag. In boring 6 is onder een recent opgebracht zanddek 30 cm uiterst siltig klei aangetroffen. In boringen 12 en 16 is aan het maaiveld 60 cm uiterst siltige klei aangetroffen. Deze klei is na de inundaties in de 16e – 18e eeuw afgezet. In boringen 6 en 12 is onder het kleidek een zwak tot matig siltig zandpakket aangetroffen Dit zijn ten tijde van de inundaties verspoelde dekzanden. De basis van de mariene klei en het verspoelde dekzand ligt tussen 0,7 en 1,3 m NAP. Onder het humeuze zandpakket of onder de mariene klei en het verspoelde dekzand wordt matig fijn, zwak siltig zand aangetroffen. Dit zijn laatglaciale dekzanden. In vier boringen (3, 4, 11, 15) is in de top van het dekzand een restant van een podzolbodem (Bh- en BC-horizont) aangetroffen. In de overige boringen is direct onder de humeuze toplaag het oorspronkelijke moedermateriaal, de C-horizont, aangetroffen. De top van de dekzanden ligt tussen 0,6 en 1,5 m NAP. In boringen 7, 8, 9, 11, 12, 13 en 16 is in de ondergrond een humeus niveau waargenomen. Dit niveau ligt tussen 0,1 en 0,6 m NAP en is 5 tot 20 cm dik. In boringen 7, 8 en 9 bestaat dit niveau uit een veenlaagje, in de andere vier boringen uit humeus zand. Onder dit niveau lijkt het zand wat fijner, siltiger en slechter gesorteerd te zijn.
Waarschijnlijk vormt dit humeuze niveau de overgang tussen laatglaciaal dekzand naar laatpleniglaciale nateolische zanden. Het veen duidt op vrij natte omstandigheden met stagnerend grondwater. Toch kan met name in boringen 11, 12, 13 en 16 niet worden uitgesloten dat dit niveau een bodem uit het Bølling-Allerød-interstadiaal betreft. Consequenties archeologische verwachting De bodemopbouw in het plangebied komt in grote lijnen overeen met hetgeen werd verwacht. In het plangebied zijn dekzanden aangetroffen met daarop een dik antropogeen eerddek, dat waarschijnlijk na de herinpoldering in de 18e eeuw is ontstaan. Slechts in enkele boringen is op het dekzand een kleidek aangetroffen. Het oorspronkelijk podzolprofiel is in het grootste deel van het onderzochte gebied niet meer aanwezig. In de ondergrond is in een aantal boringen een laatpleniglaciaal of laatglaciaal bodemniveau aangetroffen. Voor de archeologische verwachting betekent dit het volgende. De top van dekzand, is grotendeels verstoord. Een eventuele vondstlaag is hier verdwenen. Dit betekent dat de verwachting voor jagersverzamelaars uit het Laat-Paleolithicum en Mesolithicum in het grootste deel van het plangebied van hoog naar laag kan worden bijgesteld. Een uitzondering hierop volgt het gebied rondom boringen 3 en 4 en 11 en 15.
Verder is een mogelijke bodem uit het Laat-Glaciaal aangetroffen in een deel van het plangebied. Dit niveau heeft een hoge verwachting voor resten van jagers-verzamelaars uit het Laat-Paleolithicum. In het hele onderzochte gebied blijft de kans bestaan dat grondsporen uit het Neolithicum en de Late Middeleeuwen/Nieuwe tijd bewaard zijn gebleven. Deze worden direct onder het eerddek verwacht. 3.4
Conclusie veldonderzoek
Het veldonderzoek heeft tot doel antwoord te vinden op de vraag wat de bodemopbouw en de mate van verstoring is binnen het plangebied en hoe dit de archeologische verwachting beïnvloed in het kader van de voorgenomen bodemingrepen. Het plangebied heeft aangetoond dat in het plangebied dekzanden met een antropogeen eerddek voorkomen. Lokaal is het dekzand met klei afgedekt. Onder het eerddek is in een vier boringen nog een restant van een podzolbodem aanwezig. In zeven boringen is een laatpleniglaciaal of laatglaciaal maaiveld niveauaanwezig. In vier gevallen gaat het mogelijk om een Allerød-bodem.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 13 van 17
Geconcludeerd wordt dat het hele onderzochte gebied een hoge verwachting heeft voor grondsporen uit het Neolithicum en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (tot 1585). Daarnaast heeft een klein deel van het plangebied een nog een hoge verwachting voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. Het archeologisch niveau bevindt zich onder het eerddek op een diepte tussen 40 en 110 cm mv.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 14 van 17
4
CONCLUSIE EN ADVIES
Uit het vooronderzoek, waarbij de resultaten van onderhavig veldonderzoek en dat van eerder onderzoek wordt meegenomen, kan worden geconcludeerd dat het hele plangebied een hoge verwachting heeft voor grondsporen uit het Neolithicum en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (tot 1585). In het noordoosten van het plangebied is in 2014 vastgesteld dat er sprake is van een vindplaats uit de Late Middeleeuwen. Daarnaast heeft het deel van het plangebied waar restanten van podzolbodems zijn aangetroffen, ook een hoge verwachting voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. De verwachting is gevisualiseerd in figuur 15. Het archeologisch niveau bevindt zich onder het eerddek op een diepte tussen 40 en 110 cm -mv. De nieuwbouwplannen vormen een mogelijke bedreiging voor aanwezige archeologische waarden. De toekomstige bebouwing zal namelijk op schoon zand, dus op/in het sporenvlak worden gefundeerd. Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’ te handhaven. Dit betekent dat, voordat toekomstige vergunningplichtige grondwerkzaamheden kunnen plaatsvinden, er eerst verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd.
Gezien de verwachting op met name grondsporen, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase, door middel van proefsleuven. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd aan de hand van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Hulst), die vervolgens een besluit of en in welke vorm vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode. De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed19, de gemeente Hulst of de provincie Zeeland.
19 Infodesk email: info@cultureelerfgoed.nl of tel: 033-4217456.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 15 van 17
LITERATUUR
Amersfoort H. en Kamphuis P.H. Mei 1940. De strijd op Nederlands grondgebied [Boek]. - 'sGravenhage : [sn], 1990. Bosch J.H.A. Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode, Versie 5.2 [Rapport] : TNOrapport NITG 05-043-A. - Utrecht : NITG-TNO, 2005. D'Hondt F.G.R. Verkennend booronderzoek Hulst N290. Realisatie rotondes, gemeente Hulst [Rapport] : Transect-rapport 83. - Utrecht : Transect, 2013. E. Coppens en Depuydt S. Begraven onder een boom. Hulst Abdaalseweg. Definitieve archeologische opgraving. [Rapport] : Sweco archeologische rapporten 2124. - Eindhoven : Sweco, 2017. Jong L. de Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog [Boek]. - 's-Gravenhage : [sn], 1969 - 1994. Jongmans A.G. [et al.] Landschappen van Nederland [Boek]. - Wageningen : [sn], 2013. Maas G.J., Delft P.J. van en Heidema H. Toelichting bij de legenda Geomorfologische kaart van Nederland 1:50.000 [Online]. Wageningen Environmental Research, 2017. http://legendageomorfologie.wur.nl/. Mulder E.F.J. de [et al.] De ondergrond van Nederland [Boek]. - Houten : [sn], 2003. Provincie Zeeland Besluit van gedeputeerde staten van Zeeland houdende de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland [Rapport] : Provinciaal Blad 3112. [sl] : Provincie Zeeland, 2017. Ras J.
Inventariserend veldonderzoek door middel van grondboringen aanleg N258; noordelijke parallelweg Absdale-Hulst [Rapport] : SOB Research-rapport 1230-0603. - Heinenoord : SOB Research, 2006. Rijks Geologische Dienst Geologische kaart van Nederland, kaartblad Zeeuwsch-Vlaanderen (Oostblad) [Boek]. - Haarlem : Rijks Geologische Dienst, 1963. SIKB BRL SIKB 4000. Beoordelingsrichtlijn Archeologie [Boek]. - Gouda : SIKB, 2018. - Versie 4.1, 24 mei 2018. Spanjaard G.W.J. Archeologisch bureauonderzoek en verkennend booronderzoek Absdaalseweg nabij nr. 70 te Hulst in de gemeente Hulst. [Rapport] : Econsultancy-rapport 14116293. - Doetinchem : Econsultancy, 2014. Visser N.J.G. de Hulst Archeologie en Aardkundebeleid [Rapport] : Edufact Rapport 6. - Middelburg : Edufact - Advies in Erfgoed, 2016. Vos P. [et al.] Atlas van Nederland in het Holoceen. Landschap en bewoning vanaf de laatste ijstijd tot nu. [Boek]. - Amsterdam : Prometheus, 2018. Vries F. de [et al.] De Bodemkaart van Nederland digitaal; Toelichting bij inhoud, actualiteit en methodiek en korte beschrijving van additionele informatie [Rapport] : Alterra-rapport 811. Wageningen : Alterra, 2003. Wal A. van der Hulst, Absdaalseweg Locaties I, II en III. Inventariserend veldonderzoek door middel van proefsleuven. [Rapport] : BAAC-rapport 06.410. - 's-Hertogenbosch : BAAC, 2007. Winkelhorst J.
Verkennend bodemonderzoek Absdaalseweg nabij nr. 70 te Hulst in de gemeente Hulst [Rapport] : Econsultancy-rapport 14095997. - Doetinchem : Econsultancy, 2014. Zwanenburg G.J. En nooit was het stil - Kroniek van een luchtoorlog [Boek]. - Emmen : Koninklijke Luchtmacht/Bureau Drukwerk en Formulierenbeheer, 1990.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 16 van 17
BRONNEN AHN; internetsite, september 2020. http://www.ahn.nl Archeologisch informatiesysteem Archis3, Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE), Amersfoort, september 2020. https://archis.cultureelerfgoed.nl Bodemloket, internetsite, september 2020. http://www.bodemloket.nl Beeldbank Cultureelerfgoed; internetsite, september 2020 http://www.beeldbank.cultureelerfgoed.nl Dinoloket; internetsite, september 2020. http://www.dinoloket.nl/ Indicatieve kaart Militair Erfgoed; internetsite, september 2020. http://www.ikme.nl/ Kadaster Topotijdreis; internetsite, september 2020. http://www.topotijdreis.nl/ Ruimingskaart; internetsite, maart 2018. http://www.beobom.nl/ruimingskaart/ SIKB; internetsite, september 2020. http://www.sikb.nl VEO Bommenkaart; internetsite, maart 2018. http://www.explosievenopsporing.nl/veo-bommenkaart/
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 17 van 17
Figuur 1.
Ligging van het plangebied binnen Nederland
Rapport 13107.001 versie 1
Figuur 2.
Het plangebied op de kadastrale kaart
Rapport 13107.001 versie 1
Figuur 3.
Het plangebied op een luchtfoto
Rapport 13107.001 versie 1
Figuur 4.
Toekomstige situatie
Rapport 13107.001 versie 1