Absdaalseweg 70 Hulst Tuincentrum ontwerp 8-11-2021
Tekst van het document
34/274
Figuur 4.6 Waterberging nieuw situatie (bron: Breddels Architecten) 4.12.3 Conclusie Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de waterhuishoudkundige situatie ter plaatse.
4.13 Conclusie sectorale onderzoeken Uit voorgaande paragrafen blijkt dat ervan uitgaande dat een eventuele ontheffing voor beschermde soorten vleermuizen of marters verleend kan worden, de sectorale aspecten geen belemmering vormen voor de vaststelling van onderliggend bestemmingsplan.
35/274
Hoofdstuk 5 5.1
Toelichting op de juridische regeling
Wettelijk kader
Een bestemmingsplan bestaat uit juridisch bindende regels en een verbeelding en gaat vergezeld van een toelichting. De regels bevatten het juridisch instrumentarium voor het gebruik van gronden (en bouwwerken) en bepalingen omtrent de toegelaten bebouwing. De verbeelding vormt samen met de regels het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. Op de verbeelding is aangegeven welke bestemmingen en aanduidingen op een bepaalde locatie gelden. Door de koppeling aan de regels wordt bepaald welke gebruiksmogelijkheden en bouwactiviteiten ter plaatse zijn toegestaan en welke regels gelden voor werkzaamheden.
5.2
Opzet van de bestemmingsregeling
Ten aanzien van de opzet van het bestemmingsplan (verbeelding en regels) is het volgende van belang. Karakter bestemmingsplan Dit bestemmingsplan is gericht op een goede borging van de functiemogelijkheden van het tuincentrum en aanvullende functies, hovenier en kwekerij. Daarbij wordt zoveel mogelijk aangesloten bij de bestemmingsregeling zoals vervat in geldende bestemmingsplan 'Absdaalsweg 70'. In het kader van de Dienstenrichtlijn rechtvaardigt een zwaarwegend algemeen belang, bijvoorbeeld een goede ruimtelijke ordening en de bescherming van de detailhandelsstructuur, het opnemen van een vestigingsbeperkingen voor detailhandel en horeca. Op de projectlocatie is geen verbreding gewenst naar andere vormen van detailhandel en horeca. Als rekening wordt gehouden met de directe omgeving van de projectlocatie kan gekozen worden voor de hoofdbestemming 'Agrarisch' met de functieaanduidingen: Tuincentrum met ondergeschikte horeca tot maximaal 450 m2; Hoveniersbedrijf. Een kwekerij is reeds toegestaan binnen de hoofdbestemming 'Agrarisch'. Daarnaast vindt een tuincentrum vaak haar oorsprong vanuit een kwekerijbedrijf. De consument heeft behoefte aan planten voor de eigen tuin. Kwekers speelden hierop in en gingen eigen tuinplanten verkopen. In een later stadium verkochten ze er een aantal andere planten bij, om zo een breder assortiment te kunnen bieden.
Daarna volgden een beperkt assortiment in (tuin)gereedschappen, kunstmest en andere tuinartikelen, gevolgd door kamerplanten, tuinmeubelen, barbecues etc. Omdat de gemeente op de projectlocatie geen andere detailhandelsfuncties wil toestaan is gekozen voor de hoofdbestemming 'agrarisch'. Een tuincentrum vindt haar oorsprong binnen deze bestemming en daarmee wordt ruimtelijk direct een onderscheid gemaakt waarom een tuincentrum wel is toegestaan en een bouwmarkt of
36/274
supermarkt niet. Door te kiezen voor de 'enge' hoofdbestemming 'agrarisch' in plaats van een 'brede' bestemming 'gemengd' is het voor eenieder duidelijk wat is toegestaan. Opzet verbeelding Algemeen Het bestemmingsplan moet voldoen aan de eis van rechtszekerheid. Dit betekent dat een bestemmingsregeling duidelijk en voor één uitleg vatbaar is. In aansluiting hierop en in relatie tot digitale ontwikkelingen verdient het de voorkeur de bestemmingsregeling zo veel mogelijk op de plankaart te visualiseren en de planregels zo transparant mogelijk te houden. Uitgangspunt is dat zoveel mogelijk informatie op de plankaart wordt aangegeven en dat de plankaart digitaal wordt opgebouwd. Daarbij is gebruik gemaakt van een combinatie van de BGT (Basisregistratie Grootschalige Topografie) en de digitale kadastrale ondergrond. Bestemmingen en aanduidingen De verbeelding bestaat uit een enkelbestemming: 'Agrarisch' en de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2'. Daarnaast geldt de gebiedsaanduiding 'geluidzone - industrie' in het deel van het plangebied. Er is één bouwvlak aanwezig dat het gehele plangebied beslaat. Aan dit bouwvlak zijn de maximale goot- en bouwhoogte en het maximale bebouwingspercentage verbonden. Daarnaast zijn doormiddel van functieaanduidingen de specifieke functies tuincentrum en hovenier toegestaan.
Opzet planregels Overeenkomstig SVBP2012 kent de indeling in hoofdstukken waarin de regels zijn opgenomen de volgende vaste volgorde. in hoofdstuk 1 (inleidende regels) worden in de regels gehanteerde begrippen, voor zover nodig, gedefinieerd, en wordt de wijze van meten bepaald; in hoofdstuk 2 (bestemmingsregels) worden alfabetisch de regels gegeven waarmee de bestemmingen die op de verbeelding voorkomen nader worden omschreven; hoofdstuk 3 (algemene regels) bevat een anti-dubbeltelbepaling en een algemene bouwregel; hoofdstuk 4 (slotregel) ten slotte de titel van het plan. Een bestemmingsartikel (Hoofdstuk 2, Bestemmingsregels) wordt als volgt opgebouwd: bestemmingsomschrijving; bouwregels (onderverdeeld in toelaatbaarheid van bouwwerken en bouwhoogte, oppervlakte en inhoud); afwijken van de bouwregels; specifieke gebruiksregels; omgevingsvergunning voor het uitvoeren van werkzaamheden; wijzigingsbevoegdheid Een bestemmingsartikel behoeft niet alle elementen te bevatten. Dit is afhankelijk van de aard van de bestemming. Alle bestemmingen bevatten wel een bestemmingsomschrijving en bouwregels.
5.3
Gehanteerde bestemmingen
Artikel 3 Agrarisch
37/274
Binnen de bestemming Agrarisch is een kwekerij toegestaan. Daarnaast is ter plaatse van de aanduiding 'tuincentrum' een tuincentrum met ondersteunende horeca tot maximaal 450 m2 toegestaan en ter plaatse van de aanduiding 'hovenier' een hoveniersbedrijf. Ook is een bedrijfswoning toegestaan. Artikel 4 Waarde - Archeologie 2 Binnen deze bestemming is onder meer een vergunningstelsel voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde of werkzaamheden opgenomen ten behoeve van het behoud van de ter plaatse aanwezige archeologische waarden. Hiervoor geldt dat bij een verstoring groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm beneden het maaiveld aanvullend archeologisch onderzoek noodzakelijk is.
38/274
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Voor bouwplannen zoals die zijn aangewezen in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het uitgangspunt dat de gemeenteraad een exploitatieplan vaststelt. Van de verplichting een exploitatieplan vast te stellen kan onder andere worden afgeweken als het verhaal van kosten van de grondexploitatie anderszins is verzekerd, bijvoorbeeld door een anterieure overeenkomst. De grond waar het bestemmingsplan betrekking op heeft is volledig in eigendom bij de initiatiefnemer. De gemeente Hulst zal in een anterieure overeenkomst de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan vastleggen. De initiatiefnemer zal de ontwikkeling volledig bekostigen. Hiervoor zijn voldoende middelen beschikbaar. Conclusie De gemeente Hulst acht de financiële uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan op grond van het voorgaande afdoende gewaarborgd.
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Op grond van artikel 3.1.6 Bro dient inzicht te worden gegeven in de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan. Het gaat daarbij zowel om de wijze waarop burgers en maatschappelijke organisaties bij de planvoorbereiding zijn betrokken alsook om de resultaten van het overleg ex artikel 3.1.1 Bro 6.2.1 Vooroverleg In het kader van het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 van het Besluit ruimtelijke ordening is het concept-ontwerpbestemmingsplan toegezonden aan de diverse overleginstanties. Provincie Zeeland De provincie merkt op dat er nog aanvullend onderzoek naar vleermuizen, wezel en hermelijn gedaan moet worden en de conclusie, dat de staat van instandhouding van deze soorten niet in het geding is, daarom ook niet wordt onderbouwd (in de quickscan ecologie en toelichting van het bestemmingsplan). Ook geeft provincie aan dat de in de toelichting opgenomen lijst vrijgestelde soorten niet meer actueel is. Daarnaast dient de stikstofberekening met de inmiddels beschikbare nieuwste versie van Aerius Calculator (2020) te worden uitgevoerd. De opmerkingen in het kader van het vooroverleg zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. Tevens is het inmiddels uitgevoerd aanvullend onderzoek soortenbescherming en een nieuwe versie van de AERIUS berekening toegevoegd.
Waterschap Scheldestromen Vraagt de oppervlakten verharding aan te passen naar de laatste versie van het watercompensatieplan en
39/274
daarnaast een aanvulling te doen op de tekst onder de kopjes 'voorkomen overlast door hemel- en afvalwater' en 'Onderhoud oppervlaktewater'. Voor het overige heeft het waterschap geen aanvullende opmerkingen of eisen. De opmerkingen in het kader van het vooroverleg zijn verwerkt in het ontwerpbestemmingsplan. 6.2.2 Zienswijzen Met de terinzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan (voor de duur van zes weken) wordt de formele vaststellingsprocedure gestart. Gedurende deze periode kan iedereen op het ontwerp bestemmingsplan een schriftelijke of mondelinge zienswijze indienen. De zienswijzen worden samengevat en voorzien van beantwoording. Deze zienswijzen zullen worden beoordeeld op het feit of, en zo ja, in hoeverre het ontwerp aanpassing behoeft. Vervolgens zal het college van B&W de gemeenteraad voorstellen het bestemmingsplan al dan niet gewijzigd vast te stellen. 6.2.3 Beroep Na vaststelling wordt het bestemmingsplan voor de tweede maal zes weken ter visie gelegd. Gedurende deze periode kunnen belanghebbenden tegen het vaststellingsbesluit beroep instellen bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State. Indien geen beroep wordt ingesteld, is het plan na deze beroepstermijn onherroepelijk en treedt het plan in werking.
40/274
Bijlagen toelichting
41/274
42/274
Bijlage 1
43/274
Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
Ontwikkeling Tuincentrum, Absdaalseweg 70 - Hulst Aanmeldnotitie vormvrije m.e.r.-beoordeling
identificatie
planstatus
projectnummer:
datum:
20200322
08-11-2021
projectleider:
opdrachtgever:
ir. R. Louws
Seghers-Schout BV
auteur(s):
status:
ing. M. Enthoven
Definitief
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
Inhoud
1.
Inleiding
5
2.
Plaats en kenmerken van het project Plaats van het project Kenmerken van het project Cumulatie met andere projecten
7
7 10 12
3.
Kenmerken van de milieueffecten
13
4.
Conclusie
18
1.1. 1.2. 1.3. 2.1. 2.2. 2.3. 3.1. 3.2. 3.3. 3.4. 3.5. 3.6. 3.7. 3.8. 3.9.
Bijlagen
Aanleiding Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in? Leeswijzer
Verkeer en parkeren Geluid Luchtkwaliteit Externe veiligheid Bodem en water Ecologie Cultuurhistorie en archeologie Sloop- en aanlegwerkzaamheden Mitigerende maatregelen
Bijlage 1 – Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2 – Aanmeldformulier watertoets Bijlage 3 – Stikstofberekeningen AERIUS Bijlage 4 – Quickscan ecologie Bijlage 5 – Aanvullend ecologisch onderzoek soortenbescherming. Bijlage 6 – Archeologisch onderzoek Bijlage 7 – Evaluatierapport proefsleuvenonderzoek
20200322
5 5 5
13 13 13 14 14 15 16 17 17
19 20 21 22 23 24 25 26
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
5
1. Inleiding
1.1.
Aanleiding
Seghers-Schout BV is voornemens op de locatie Absdaalseweg 70 in Hulst een nieuw tuincentrum te realiseren. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan ‘Absdaalseweg 70, Hulst’, vastgesteld op 13 juli 2017. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken wordt een nieuw bestemmingsplan opgesteld. In het Besluit milieueffectrapportage is in onderdeel D 11.2 van de bijlage opgenomen dat de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject m.e.r.-beoordelingsplichtig is in gevallen waarin de activiteit betrekking heeft op een oppervlakte van 100 hectare of meer, een aaneengesloten gebied en 2000 of meer woningen omvat, of een bedrijfsoppervlakte van 200.000 m2 of meer bezit. De beoogde ontwikkeling betreft iets meer dan één hectare met een bedrijfsoppervlakte van circa 10.000 m2 en blijft daarmee (ruim) onder de drempelwaarde. Dit betekent dat kan worden volstaan met een zogenaamde ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’. Dit document bevat deze beoordeling.
1.2.
Wat houdt een m.e.r.- beoordeling in?
In een m.e.r.- beoordeling wordt getoetst of een m.e.r. procedure doorlopen moet worden. De wettelijke regeling voor de m.e.r.-beoordeling gaat uit van het principe 'nee, tenzij'. Dat wil zeggen, een volwaardige m.e.r.-procedure is alleen noodzakelijk als sprake is van 'belangrijke nadelige gevolgen' die het betreffende project voor het milieu kan hebben. Daarbij moet het bevoegd gezag rekening houden met de omstandigheden zoals aangegeven in bijlage III van de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling, te weten: • de plaats van het project; • de omvang van het project; • de kenmerken van de potentiële milieueffecten (in samenhang met de eerste twee criteria). Het bevoegd gezag dient een m.e.r-beoordelingsbeslissing te nemen, waarin wordt aangegeven of wel of geen MER nodig is, gelet op de omvang van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële (milieu)effecten en mogelijke mitigerende maatregelen. Deze beslissing wordt als bijlage bij het bestemmingsplan opgenomen.
1.3.
Leeswijzer
Deze m.e.r.-beoordelingsnotitie: • beschrijft in hoofdstuk 2 de plaats en omvang van het project; • licht in hoofdstuk 3 de verwachte effecten voor de verschillende milieueffecten toe; • geeft ten slotte in hoofdstuk 4 de conclusie weer voor de m.e.r.-beoordeling.
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
6
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
7
2. Plaats en kenmerken van het project
2.1.
Plaats van het project
Het plangebied ligt ten westen van de kern Hulst aan de Absdaalseweg 70. De omgeving bevat verschillende bedrijfsgebouwen en landbouwgronden.
Figuur 2.1: Ligging plangebied. (bron: Luchtfoto Kadaster Nederland)
Ligging plangebied ten opzichte van beschermde/bijzondere gebieden Conform het huidige bestemmingsplan kent het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde-Archeologie 2’. Voor deze dubbelbestemming geldt voor alle bodemverstorende activiteiten met een oppervlakte groter dan 500 m2 en bodemingrepen dieper dan 40 cm een archeologische onderzoeksplicht. Verder zijn de cultuurhistorische waardevolle objecten door de provincie aangegeven op de cultuurhistorische waardenkaart. Op de uitsnede in figuur 2.2 is te zien dat er binnen het plangebied geen bouwhistorische objecten aanwezig zijn. Ten noorden van het plangebied ligt de spoorlijn Terneuzen-Mechelen, deze voormalige spoorwegverbinding, gerealiseerd eind 19e eeuw, is op verschillende plaatsen in het landschap te herkennen. De ontwikkeling heeft geen effect op de herkenbaarheid van dit cultuurhistorisch waardevolle object. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen overige cultuurhistorisch waardevolle objecten aanwezig.
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
8
Figuur 2.2: Uitsnede cultuurhistorische waardenkaart. (bron: Provincie Zeeland)
Het plangebied is niet gelegen binnen Natura 2000-gebied (figuur 2.3). Het dichtstbijzijnde Natura 2000gebied is gelegen op circa 3,8 km en betreft het gebied ‘Bossen en heiden van zandig Vlaanderen: oostelijk deel’. In Nederland betreft het de ‘Vogelkreek’ op circa 7 km afstand. Het plangebied is eveneens niet gelegen binnen het Natuurnetwerk Nederland (figuur 2.4). Verder is het project niet gelegen binnen waterwin-, stilte, grondwaterbeschermings- en/of milieubeschermingsgebieden (figuur 2.5).
Figuur 2.3: Ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000-gebied. (bron: Provincie Zeeland)
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
9
Figuur 2.4: Ligging plangebied ten opzichte van Natuurnetwerk Nederland (NNN). (bron: Provincie Zeeland)
Figuur 2.5: Ligging plangebied ten opzichte van waterwin-, stilte-, grondwaterbeschermings- en milieubeschermingsgebieden. (bron: Provincie Zeeland)
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
10
2.2.
Kenmerken van het project
Het nieuwe tuincentrum wordt in het midden van het plangebied gerealiseerd, recht tegenover de bestaande rotonde op de Absdaalseweg. Voor de bebouwing van het tuincentrum zal een parkeerplaats met 299 parkeerplaatsen worden gerealiseerd. De oude bebouwing (het tuincentrum en de bedrijfswoning) wordt gesloopt. De ontsluiting van het terrein voor bezoekers vindt plaats door middel van de aansluiting op de Absdaalseweg ter hoogte van de bestaande rotonde. De bevoorrading gebeurt via een aparte ontsluiting op de parallelweg aan de westzijde van het plangebied.
Figuur 2.6: Inrichting plangebied. (bron: Breddels Architecten)
Het nieuwe tuincentrum zal in twee fasen worden ontwikkeld. In de eerste fase is sprake van bebouwing meet een oppervlakte van circa 6.850 m² en een buitenverkoopruimte van 1.300 m² met een open kolommen structuur met een beweegbaar regenscherm. In de tweede fase wordt de bebouwing uitgebreid naar 8.308 m² door naar oost en westzijde uit te bouwen. De buitenverkoopruimte blijft qua oppervlakte gelijk in deze fase, maar schuift op in oostelijke richting. Het totaaloppervlak van het tuincentrum (incl. buitenruimte) bedraagt na de realisatie van de tweede fase 9.608 m²
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
11
In het nieuwe tuincentrum zal ruimte zijn voor binnen- en buitenverkoop. Daarnaast wordt ondersteunende horeca voorzien met een oppervlak van maximaal 450 m² en zijn branchevreemde producten (10% van het bvo met een maximum van 400 m²) toegestaan. De bebouwing wordt grotendeels van staal en glas en refereert naar kassenbouw met schuine daken en een nokhoogte van 8 meter. Het entreegebouw is een uitzondering, deze heeft een staal met houten gevel en heeft ook een hoogteaccent met een nokhoogte van 12,7 meter. Aan de noordzijde van het gebouw, grotendeels uit het zicht vanaf de Absdaalseweg bevindt zich het magazijn. Dit deel van het gebouw heeft een plat dak en een bouwhoogte van 10 meter. De parkeerplaats die voor de bebouwing ligt is ingericht met verschillende bomen en hagen.
Figuur 2.7: Impressie voorgevels fase 2. (bron: Breddels Architecten)
Figuur 2.8: Impressie entreegebouw. (bron: Breddels Architecten)
Ontsluiting
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
12
De locatie is ontsloten op de Absdaalseweg en Langeweg of N258. Verkeer en parkeren Aan de hand van kencijfers van het CROW is voor het plangebied de verkeersgeneratie berekend. Uit de berekening blijkt dat de totale extra verkeersgeneratie maximaal 464 mvt/etmaal bedraagt. Aan de hand van de kencijfers van het CROW is de parkeerbehoefte inzichtelijk gemaakt. Er geldt een parkeerbehoefte van 274 parkeerplaatsen.
2.3.
Cumulatie met andere projecten
Voor zover bekend zijn er redelijkerwijs geen te verwachten toekomstige ontwikkelingen in de buurt waarmee cumulatie verwacht kan worden.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
13
3. Kenmerken van de milieueffecten
In dit hoofdstuk worden de belangrijkste milieueffecten van de beoogde ontwikkeling beschreven. Het is gebruikelijk de milieueffecten van de beoogde situatie te vergelijken met de referentiesituatie. De referentiesituatie bestaat uit de huidige situatie inclusief autonome ontwikkelingen.
3.1.
Verkeer en parkeren
Verkeer en ontsluiting De toename aan verkeersgeneratie bedraagt maximaal 443 mvt/etmaal. Dit betreft een geringe verkeersgeneratie. De bestaande infrastructuur in de omgeving zal het extra verkeer zonder problemen kunnen afwikkelen. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten. Parkeren De parkeerbehoefte betreft 276 parkeerplaatsen. Bij de uitvoering worden 301 parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.2.
Geluid
De beoogde ontwikkeling betreft geen geluidsgevoelig object. Een akoestisch onderzoek is daarom niet noodzakelijk. Het aspect akoestiek is niet van belang voor deze ontwikkeling. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling kunnen zodoende worden uitgesloten.
3.3.
Luchtkwaliteit
De verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling bedraagt maximaal 464 mvt/etmaal. De maximale bijdragen als gevolg van deze verkeersgeneratie zijn berekend met behulp van de NIBM-tool (tabel 3.1). De maximale bijdrage voor NO2 bedraagt 0,30 µg/m³. Voor PM10 bedraagt de maximale bijdrage 0,07 µg/m³. Uit de berekening blijkt dat de beoogde ontwikkeling ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de concentratie luchtverontreinigende stoffen en is vrijgesteld van toetsing aan de grenswaarde.
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
14
Tabel 3.1: Worst-case berekening, m.b.v. NIBM-tool, bijdrage luchtverontreinigende stoffen.
In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een indicatie van de luchtkwaliteit ter plaatse van het plangebied gegeven. Dit is gedaan aan de hand van de NSL-monitoringstool die bij het Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit hoort. De dichtstbijzijnde wegen waarvoor informatie beschikbaar is, bevinden zich nabij de kern Terneuzen, ruim 12 kilometer ten westen van de kern Hulst. Uit de NSL-monitoringstool blijkt dat in 2017 de jaargemiddelde concentraties stikstofdioxide en fijn stof langs deze weg ruimschoots onder de grenswaarden uit de Wet milieubeheer zijn gelegen. Gezien de ligging van het plangebied (in het buitengebied aan de rand van Hulst) is, ter plaatste van het plangebied, sprake van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Het aspect luchtkwaliteit zal niet leiden tot significant negatieve milieueffecten.
3.4.
Externe veiligheid
Overeenkomstig de professionele risicokaart waarin relevante risicobronnen getoond worden, zijn in de nabije omgeving van het plangebied geen risicovolle inrichtingen gelegen. Ook vindt er geen relevant vervoer van gevaarlijke stoffen plaats. Significant milieueffecten voor het aspect externe veiligheid zijn uitgesloten.
3.5.
Bodem en water
De bedrijfshal wordt gebouwd binnen de vigerende bestemming Gemengd, waar een tuincentrum reeds is toegestaan. De bestemming wordt niet aangepast en er is ook geen sprake van de realisatie van een gevoelige bestemming. In 2014 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd naar een deel van de gronden waar in de huidige situatie sprake is van een kwekerij (Econsultancy, 10 oktober 2014, rapport nummer 14095997). Uit dit onderzoek is gebleken dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met kobalt en dieldrin. In dit onderzoek is gesteld dat de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem niet tot gebruiksbeperkingen of gezondheidsrisico's zal leiden. Ook bij het aanvragen van een omgevingsvergunning zullen de aangetoonde verontreinigingen geen bezwaar vormen. De bodem is geschikt voor de beoogde functie. Wel dient rekening gehouden te worden met de resultaten uit het bodemonderzoek. Verder zal de beoogde ontwikkeling geen negatief effect hebben op de bodem. Water Ten behoeve van de ontwikkeling is de watertoets doorlopen (bijlage 2). Conform de legger oppervlaktewaterlichamen liggen er geen oppervlaktewateren in het plangebied. Wel liggen ten zuiden en ten noorden van het plangebied secundaire watergangen. De beschermingszone ten behoeve van
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
15
onderhoud aan deze watergangen dient vrij te blijven van obstakels. Tevens bevinden zich in, of in de directe omgeving van, het plangebied geen waterkeringen. Met de ontwikkeling wordt de oppervlakte verharding vergroot. De dichte bodemverharding neemt toe met ongeveer 5.812 m². Conform de eisen van het waterschap dient totaal 436 m3 aan oppervlaktewater ter compensatie worden gerealiseerd. Hiertoe wordt de bestaande niet waterdragende sloot aan de noordzijde verbreed. Hier is dan ruim voldoende ruimte om aan de waterbergingsopgave te voldoen. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater duurzame, nietuitloogbare materialen gebruikt, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase. Het huishoudelijk afvalwater van het plangebied wordt gescheiden en afgevoerd via het bestaande gemeentelijke rioolstelstel en aangeboden voor zuivering. Het hemelwater wordt afgevoerd op een waterbassin en hergebruikt. Negatieve effecten als gevolg van de beoogde ontwikkeling op het watersysteem ter plaatse kunnen daarmee worden uitgesloten.
3.6.
Ecologie
Gebiedsbescherming Zoals beschreven in paragraaf 2.1 is het plangebied niet gelegen binnen beschermd natuurgebied, zoals Natura 2000 of Natuurnetwerk Nederland (NNN). Directe effecten zoals areaalverlies en versnippering kunnen hierdoor worden uitgesloten. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling en de afstand tot natuurgebieden kunnen ook verstoring en verandering van de waterhuishouding worden uitgesloten. De beoogde ontwikkeling leidt wel tot een toename van verkeersbewegingen. Het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige habitattype ligt op circa 7 km. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling is met behulp van de AERIUS Calculator de stikstofdepositie berekend. De berekeningen zijn in de bijlage toegevoegd (bijlage 3). Uit berekeningen voor de gebruiks- en aanlegfase blijkt dat er geen sprake is van stikstofdeposities die hoger zijn dan 0,00 mol/ha/j op Natura 2000-gebied. Er is geen vergunning conform de Wet natuurbescherming nodig. Soortenbescherming Om de gevolgen van de ontwikkeling op de beschermde natuurwaarden te beoordelen is een Quickscan beschermde natuurwaarden uitgevoerd (bijlage 4). In de Quickscan wordt geconcludeerd dat het te slopen woonhuis geschikt is als dagverblijf voor vleermuizen en kleine marterachtigen.
Om te bepalen of vleermuizen daadwerkelijk gebruik maken van de bebouwing is een nader onderzoek uitgevoerd te worden conform het vleermuisprotocol 2017 (bijlage 5). Daarnaast heeft de te kappen beplanting mogelijk een waarde voor kleine marterachtigen (wezel, hermelijn). Indien de beplanting gekapt wordt kan een deel van het functionele leefgebied verdwijnen. Om te bepalen kleine marterachtigen voorkomen is een onderzoek uitgevoerd middels gericht onderzoek (marterbox/struikrover) (bijlage 5). Tijdens dit onderzoek zijn is een eenmalige waarneming van een steenuil gedaan, betreft een zwervend exemplaar er zijn geen nesten, of territoria van steenuilen aangetroffen. Daarnaast zijn geen Op de onderzoekslocatie zijn geen kleine marterachtigen aangetroffen. Tijdens het onderzoek is 1 dagverblijf (zomerverblijf) van een gewone dwergvleermuis vastgesteld op 20 september. Deze is vastgesteld aan de noordzijde van de bebouwing van het tuincentrum. Vóór aanvang van de sloopwerkzaamheden van de sloopwerkzaamheden dient het volgende in acht te worden genomen dan wel dienen de volgende alternatieve voorzieningen in de directe omgeving geplaatst te worden (op advies van een ecologisch deskundige):
4 vleermuiskasten die geschikt zijn als zomerverblijfplaats;
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
16
er dient een gewenningsperiode in acht genomen te worden, zodat er voldoende tijd is om de alternatieve voorzieningen te ontdekken; in nieuwbouw dienen dezelfde hoeveelheid voorzieningen aangebracht te worden, 4 stuks; om te voorkomen dat dieren tijdens de sloop gedood worden, dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Indien de sloopwerkzaamheden (deels) uitgevoerd wordt in de broedperiode, dient er rekening gehouden te worden met broedende vogels. Dit geldt ook voor andere soorten (turkse tortel, kauw, winterkoning, heggenmus, merel, pimpelmees, spreeuw, koolmees). Mitigerende maatregelen om te voorkomen dat dieren gedood worden kunnen zijn: het maken van tochtgaten op hoeken van gebouwen, het handmatig verwijderen van gevelbeplating/bekisting aan buitenzijde. Maatregelen dienen uitgevoerd te worden onder ecologische begeleiding. Dit wil zeggen een vleermuisdeskundige bepaalt in overleg met de sloper waar de maatregelen (veilig) uitgevoerd kunnen worden. De maatregelen worden 1 week voor de sloop uitgevoerd. In de betreffende periode dient het minimaal 1 keer hoger dan 10oC te zijn bij zonsondergang. Vlak voor de sloop wordt nog een keer gecontroleerd of er vleermuizen (uitvliegers) aanwezig zijn.
Gewone dwergvleermuis De gewone dwergvleermuis is de meest algemene vleermuis van Nederland. Ook in Zeeland komt de soort veel voor. In de omgeving van Hulst zijn meerdere zomerverblijfplaatsen aanwezig. De dichtheid van vleermuizen in het plangebied is erg laag. Er is gedurende het onderzoek ook maar 1 keer een dagverblijf van 1 exemplaar aangetroffen. Er worden voldoende alternatieve voorzieningen voorzien. Door de sloop van de bebouwing is de gunstige staat van instandhouding voor de gewone dwergvleermuis dan ook niet in het geding Voor het slopen van de bebouwing van het tuincentrum (niet de woning) is ontheffing van de WnB vereist. Deze zal worden aangevraagd. Gezien het voorgaande en met inachtneming van genoemde maatregelen is het aannemelijk dat ontheffing verleend zal worden.
3.7.
Cultuurhistorie en archeologie
Cultuurhistorie Zoals beschreven in paragraaf 2.1 zijn in en nabij het plangebied geen cultuurhistorische waarden aanwezig die aangetast worden door de ontwikkeling. Negatieve effecten op deze waarden zijn dan ook uitgesloten. Archeologie Zoals aangegeven in paragraaf 2.1 geldt voor het plangebied de dubbelbestemming 'Waarde – Archeologie 2'. Aan deze dubbelbestemming is een archeologische onderzoeksplicht verbonden wanneer door toedoen van de beoogde ontwikkeling bodemingrepen respectievelijk meer dan 500 m2 bedragen en dieper dan 0,4 meter. De oppervlakte van de werkzaamheden bedraagt meer dan 500 m2. Er is archeologisch bureau- en booronderzoek uitgevoerd naar de mogelijke aanwezigheid van archeologische waarden in het gebied (bijlage 6). In dit onderzoek is geconcludeerd dat het hele plangebied een hoge verwachting heeft voor grondsporen uit het Neolithicum en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (tot 1585). In het noordoosten van het plangebied is in 2014 vastgesteld dat er sprake is van een vindplaats uit de Late Middeleeuwen. Daarnaast heeft het deel van het plangebied waar restanten van podzolbodems zijn aangetroffen, ook een hoge verwachting voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
17
Naar aanleiding van de resultaten bureau- en booronderzoek is archeologisch proefsleuvenonderzoek uitgevoerd. Uit het evaluatierapport (bijlage 7) blijkt dat ter plaatse van het plangebied diverse greppels/sloten aangetroffen. Verder zijn er verspreid over de locatie nog andere sporen aangetroffen; paalkuilen (91x), kuilen (55) en een kringgreppel. De sporen zijn aangetroffen vanaf circa 40 tot 50 cm mv. De gronden zijn tot deze diepte vrijgesteld. Afhankelijk van het ontwerp en de daarbij horende bodemroerende werkzaamheden is voor de omgevingsvergunning is mogelijk nog aanvullende onderzoek noodzakelijk. Er is, conform gemeentelijk beleid advies van de regioarcheoloog, een archeologische dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 2' opgenomen voor het gehele plangebied.
3.8.
Sloop- en aanlegwerkzaamheden
Gelet op de tijdelijkheid van sloop- en aanlegwerkzaamheden kunnen blijvende negatieve milieueffecten uitgesloten worden. Tevens zal vanwege de kleinschaligheid ook geen sprake zijn van significante negatieve milieueffecten, zoals geluid- en stofoverlast, ten tijde van de werkzaamheden.
3.9.
Mitigerende maatregelen
Uit de voorgaande sectorale analyses blijkt dat rekening moet worden gehouden met: Ten aanzien van eventuele archeologische waarden dient voor aanvang van de werkzaamheden een archeologisch onderzoek te worden uitgevoerd; De beschermingszones van de secundaire watergangen ten noorden en zuiden van het plangebied dienen ten behoeve van onderhoud vrij te blijven van obstakels; Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van het oppervlakte- en grondwater dienen duurzame, niet-uitloogbare materialen gebruikt te worden, zowel gedurende de bouw- als de gebruiksfase; Er zullen mitigerende maatregelen getroffen moeten worden ter compensatie van het verwijderen van het aanwezige zomerverblijf van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor zal tevens ontheffing van de Wnb moeten worden aangevraagd.
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
18
4. Conclusie
Uit de informatie in deze notitie blijkt dat het plangebied niet ligt in kwetsbaar gebied en/of gebied met een beschermde status. De aard en omvang van het plan leiden niet tot belangrijke nadelige milieugevolgen. Door rekening te houden met de mitigerende maatregelen uit paragraaf 3.9 is het doorlopen van een volledige m.e.r.-procedure niet noodzakelijk.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
19
Bijlagen (niet opgenomen, als losse bijlagen bij de toelichting van het bestemmingsplan opgenomen
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20
Bijlage 1 – Verkennend bodemonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
21
Bijlage 2 – Aanmeldformulier watertoets
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
22
Bijlage 3 – Stikstofberekeningen AERIUS
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
23
Bijlage 4 – Quickscan ecologie
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
24
Bijlage 5 – Aanvullend ecologisch onderzoek soortenbescherming.
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
25
Bijlage 6 – Archeologisch onderzoek
20200322
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
26
Bijlage 7 – Evaluatierapport proefsleuvenonderzoek
Rho adviseurs voor leefruimte vestiging Rotterdam
20200322
70/274
Bijlage 2
71/274
Archeologisch bureau- en booronderzoek
BUREAUONDERZOEK EN INVENTARISEREND VELDONDERZOEK, VERKENNENDE FASE ABSDAALSEWEG 70 TE HULST GEMEENTE HULST
Bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek, verkennende fase Absdaalseweg 70 te Hulst Opdrachtgever
Rho Adviseurs voor leefruimte Postbus 430 4330 AK Middelburg
Rapportnummer
13107.001
Versienummer1
1
Datum
11 september 2020
Vestiging
Zuid-Holland Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam 088 - 5001600 rotterdam@econsultancy.nl
Opsteller
Drs. A.J. Wullink
Paraaf
Kwaliteitscontrole
Ir. F.F.J.M. Top
Paraaf
© Econsultancy bv, Vestiging Foto’s en tekeningen: Econsultancy bv, tenzij anders vermeld. Niets uit deze uitgave mag worden vermenigvuldigd en/of openbaar gemaakt worden door middel van druk, fotokopie of op welke wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgevers. Econsultancy aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit de toepassing van de adviezen of het gebruik van de resultaten van dit onderzoek. ISSN: 2210-8777 (Analoog rapport) ISSN: 2210-8785 (Digitaal rapport E-depot) 1 Versie 1 betreft een rapport waarvan geen beoordeling van de bevoegde overheid is ontvangen, bij versie 2 is het rapport wel
beoordeeld door de bevoegde overheid.
Econsultancy Archeologisch Rapport
ADMINISTRATIEVE GEGEVENS Soort onderzoek
Bureauonderzoek en verkennend booronderzoek
Provincie
Zeeland
Gemeente
Hulst
Plaats
Hulst
Locatiegegevens
Absdaalseweg 70
Projectnaam
Tuincentrum Hulst
Projectcode
13107.001
Planologische aanleiding
Bestemmingsplanwijziging
RD-coördinaten plangebied
60.274/366.030; 60.525/366.099; 60.576/365.913; 60.313/365.841
Oppervlakte plangebied
Circa 5 ha
Kadastrale perceelnummers
Hulst, sectie N, nummers 924, 1043, 1045, 1046 en 1047 (deels).
AMK-status
Geen
ZAA-vondstmeldingen
Geen
ARCHIS-vondsmeldingen
4876958100
Rijks- en gemeentelijke monumenten
Geen
Onderzoeksmelding ARCHIS
4544613100
Opdrachtgever
Rho adviseurs voor leefruimte Mw. L. ten Braak Postbus 430 4330 AK Middelburg
T: 0118-689054 E: lotte.tenbraak@rho.nl
Uitvoerder
Econsultancy Rotterdam Drs. A.J. Wullink Max Euwelaan 21-29 3062 MA Rotterdam
T: 06-36538355 E: wullink@econsultancy.nl
Bevoegde overheid
Gemeente Hulst Postbus 49 4560 AA Hulst
T: 14 0114 E: info@gemeentehulst.nl
Begeleiding, beoordeling en toetsing
M. Burger
T: 06-40985677 E: marionburger@erfgoed-advies.com
Econsultancy Archeologisch Rapport
Beheer en plaats van vondsten
Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD) Stichting Cultureel Erfgoed Zeeland Depotbeheerder: J.H.H. Van den Berg Postbus 49 4330 AA Middelburg
T: 0118-670618 E: depot@erfgoedzeeland.nl E: jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl
Levering van digitale gegevens
Een digitale versie van het definitieve rapport dient te worden toegezonden aan de RCE. In het onderzoek gegenereerde digitale data dienen aangeleverd te worden aan het edepot, www.edna.nl. Er moet worden gestreefd naar aanlevering van de gegevens van boringen aan het DINO-loket (in de toekomst Basisregistratie Ondergrond)
Nieuw aangetroffen vindplaatsen
-
Complextype(n) en datering
-
Kwaliteitszorg Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor protocollen 4003 en 4004 van de BRL SIKB 4000. Verder is Econsultancy lid van de Nederlandse Vereniging van Archeologische Opgravingsbedrijven (NVAO). De leden van de NVAO bieden kwalitatief hoogstaand archeologisch onderzoek. Het lidmaatschap is een waarborg voor kwaliteit en betrouwbaarheid. Tevens is Econsultancy aangesloten bij de Vereniging van Ondernemers in Archeologie (VOiA). De VOiA behartigt de belangen van meer dan 100 bedrijven in alle takken van de archeologie. Betrouwbaarheid Dit onderzoek is op zorgvuldige wijze uitgevoerd, conform de toepasselijke en van kracht zijnde regelgeving. Een booronderzoek wordt in het algemeen uitgevoerd door het steekproefsgewijs onderzoeken van de bodem, waardoor het, op basis van de resultaten van een booronderzoek, onmogelijk is garanties af te geven ten aanzien van de aan- of afwezigheid van archeologische waarden. In dit kader dient ook opgemerkt te worden dat geraadpleegde bronnen niet altijd zonder fouten en volledig zijn. Daar Econsultancy voor het verkrijgen van historische informatie afhankelijk is van deze bronnen, kan Econsultancy niet instaan voor de juistheid en volledigheid van deze informatie.
Econsultancy Archeologisch Rapport
SAMENVATTING Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Absdaalseweg 70 te Hulst in de gemeente Hulst. De initiatiefnemer heeft het voornemen het bestaande tuincentrum te slopen en te herbouwen. Ook wordt de bestaande parkeerplaats uitgebreid. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. Het onderzoek is uitgevoerd als een bureauonderzoek en een verkennend booronderzoek. Uit het vooronderzoek, waarbij de resultaten van onderhavig veldonderzoek en dat van eerder onderzoek wordt meegenomen, kan worden geconcludeerd dat het hele plangebied een hoge verwachting heeft voor grondsporen uit het Neolithicum en uit de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd (tot 1585). In het noordoosten van het plangebied is in 2014 vastgesteld dat er sprake is van een vindplaats uit de Late Middeleeuwen. Daarnaast heeft het deel van het plangebied waar restanten van podzolbodems zijn aangetroffen, ook een hoge verwachting voor het Laat-Paleolithicum en het Mesolithicum. Het archeologisch niveau bevindt zich onder het eerddek op een diepte tussen 40 en 110 cm -mv.
De nieuwbouwplannen vormen een mogelijke bedreiging voor aanwezige archeologische waarden. De toekomstige bebouwing zal namelijk op schoon zand, dus op/in het sporenvlak worden gefundeerd. Econsultancy adviseert om bij de op handen zijnde bestemmingsplanwijziging de bestaande dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’ te handhaven. Dit betekent dat, voordat toekomstige vergunningplichtige grondwerkzaamheden kunnen plaatsvinden, er eerst verder archeologisch onderzoek moet worden uitgevoerd. Gezien de verwachting op met name grondsporen, kan dit onderzoek het best worden uitgevoerd in de vorm van een inventariserend veldonderzoek, karterende/waarderende fase, door middel van proefsleuven. Dit onderzoek moet worden uitgevoerd aan de hand van een door de bevoegde overheid goedgekeurd Programma van Eisen (PvE). Bovenstaand advies is van Econsultancy. Wij willen de opdrachtgever erop wijzen dat dit advies nog niet betekent dat de bodemverstorende activiteiten of daarop voorbereidende activiteiten kunnen worden ondernomen. De resultaten van dit onderzoek zullen eerst moeten worden beoordeeld door de bevoegde overheid (gemeente Hulst), die vervolgens een besluit of en in welke vorm vervolgonderzoek moet worden uitgevoerd. Er is geprobeerd een zo gefundeerd mogelijk advies te geven op grond van de gebruikte onderzoeksmethode.
De aanwezigheid van archeologische sporen of resten in het plangebied kan nooit volledig worden uitgesloten. Econsultancy wil de opdrachtgever er daarom ook op wijzen dat, mochten tijdens de geplande werkzaamheden toch archeologische waarden worden aangetroffen, er conform artikel 5.10 van de Erfgoedwet uit juli 2016 een meldingsplicht geldt bij het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed, de gemeente Hulst of de provincie Zeeland).
Rapport 13107.001 versie 1
INHOUDSOPGAVE
1
INLEIDING .................................................................................................................................. 1
2
BUREAUONDERZOEK .............................................................................................................. 2 2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8 2.9
3
INVENTARISEREND VELDONDERZOEK .............................................................................. 12 3.1 3.2 3.3 3.4
4
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................... 2 Methoden .......................................................................................................................... 2 Afbakening en huidige situatie van het plangebied .......................................................... 3 Toekomstige situatie ......................................................................................................... 3 Aardwetenschappelijke context ........................................................................................ 4 Beschrijving van het historische gebruik .......................................................................... 5 Archeologische waarden .................................................................................................. 7 Gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel .......................................................... 9 Conclusie bureauonderzoek ........................................................................................... 11
Doelstelling en onderzoeksvragen ................................................................................. 12 Methoden ........................................................................................................................ 12 Resultaten ....................................................................................................................... 12 Conclusie veldonderzoek ............................................................................................... 13
CONCLUSIE EN ADVIES ......................................................................................................... 15
LITERATUUR ...................................................................................................................................... 16 BRONNEN .......................................................................................................................................... 17
Rapport 13107.001 versie 1
LIJST VAN TABELLEN Tabel I. Tabel II. Tabel III.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied Verleende bouwvergunningen Gespecificeerde archeologische verwachting
LIJST VAN AFBEELDINGEN Figuur 1. Figuur 2. Figuur 3. Figuur 4. Figuur 5. Figuur 6. Figuur 7. Figuur 8. Figuur 9. Figuur 10. Figuur 11. Figuur 12. Figuur 13. Figuur 14. Figuur 15.
Ligging van het plangebied binnen Nederland Het plangebied op de kadastrale kaart Het plangebied op een luchtfoto Toekomstige situatie Paleogeografische ontwikkeling in het plangebied Het plangebied op de geomorfologische kaart Maaiveldhoogte in het plangebied Het plangebied op de bodemkaart Het plangebied op historisch kaartmateriaal Archeologische waarden en onderzoeken Resultaten Spanjaard, 2014 Het plangebied op archeologische beleidskaart Boorpuntenkaart Resultaten inventariserend veldonderzoek Verwachting
BIJLAGEN Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 6
Overzicht geologische en archeologische tijdvakken Onderzoeksmeldingen Vondstmeldingen Boorprofielen
Rapport 13107.001 versie 1
1
INLEIDING
Econsultancy heeft in opdracht van Rho Adviseurs voor leefruimte een archeologisch onderzoek uitgevoerd voor een plangebied gelegen aan de Absdaalseweg 70 te Hulst in de gemeente Hulst. De initiatiefnemer heeft het voornemen het bestaande tuincentrum te slopen en te herbouwen. Ook wordt de bestaande parkeerplaats uitgebreid. Om deze ontwikkeling mogelijk te maken, moet eerst een wijziging van het bestemmingsplan worden doorgevoerd. Hierbij moet ook inzichtelijk te worden gemaakt welke archeologische waarden binnen het plangebied kunnen worden verwacht. De noodzaak tot archeologisch onderzoek vloeit voort uit het Verdrag van Malta (1992), de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 2006) en de Erfgoedwet (2016). Het onderzoek wordt uitgevoerd onder certificaat op grond van de BRL SIKB 4000 (versie 4.1, 24‑05‑2018). Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform het beleid van provincie Zeeland en de gemeente Hulst. Econsultancy is onder meer gecertificeerd voor de KNA-protocollen 4001, 4002, 4003 en 4004 uit de BRL SIKB 4000. Het archeologisch onderzoek bestaat uit een bureauonderzoek (KNA-protocol 4002, hoofdstuk 2) en een inventariserend veldonderzoek, verkennende fase, door middel van boringen (IVO-O; KNAprotocol 4003, hoofdstuk 0).
Omdat het plangebied in het verleden al voor een deel is onderzocht, beperkt het veldonderzoek zich tot het niet eerder onderzochte en onbebouwde deel van het plangebied. Op basis van de resultaten van het onderzoek en in relatie tot de geplande bodemverstoringen wordt geadviseerd of en in welke vorm vervolgonderzoek nodig is (hoofdstuk 4). Het archeologisch onderzoek is uitgevoerd in augustus en september 2020 door A.J. Wullink (senior KNA-prospector). Het rapport is gecontroleerd door ir. F.F.J.M. Top
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 1 van 17
2 2.1
BUREAUONDERZOEK Doelstelling en onderzoeksvragen
Het doel van het bureauonderzoek is om een antwoord te vinden op de vraag wat de gespecificeerde archeologische verwachting voor het plangebied is. Om deze vraag te beantwoorden wordt een inventarisatie gemaakt van bekende aardwetenschappelijke, archeologische en (cultuur)historische gegevens. Aan de hand deze inventarisatie wordt het gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. 2.2
Methoden
Het bureauonderzoek is uitgevoerd conform KNA-protocol 40022, volgens specificaties LS01, LS02, LS03, LS04 en LS05. De resultaten van dit onderzoek worden in dit rapport weergegeven volgens specificatie LS06. Daarnaast wordt het onderzoek uitgevoerd conform het opgestelde beleid voor archeologisch onderzoek binnen de provincie Zeeland en de gemeente Hulst. Binnen dit onderzoek zijn de volgende werkzaamheden verricht:
afbakening van het plangebied en vaststellen van de consequenties van het mogelijk toekomstige gebruik (LS01); beschrijving van de huidige en toekomstige situatie (LS02); beschrijving van de historische situatie en mogelijke verstoringen (LS03); beschrijving van bekende archeologische en historische waarden en aardwetenschappelijke gegevens (LS04); opstellen van een gespecificeerde verwachting (LS05).
Bij het uitvoeren van deze werkzaamheden zijn de volgende bronnen geraadpleegd:
het Archeologische Informatie Systeem (ARCHIS); de Archeologische Monumenten Kaart (AMK); geologische kaarten, geomorfologische kaarten en bodemkaarten; de centrale toegangspoort tot Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINOLoket); relevante (wetenschappelijke) literatuur en historisch kaartmateriaal; bouwhistorische gegevens; de recente topografische kaart (schaal 1:25.000); recente luchtfoto’s; het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN); de archeologische verwachtingskaarten van de gemeente Hulst; plaatselijke (amateur-)archeoloog c.q. heemkundevereniging.
2 SIKB, 2018
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 2 van 17
2.3
Afbakening en huidige situatie van het plangebied
Afbakening Het plangebied ligt in het buitengebied ten westen van Hulst en grenst in het zuiden aan de Absdaalseweg. Kadastraal gezien ligt het plangebied in de gemeente Hulst, sectie N en beslaat percelen 924, 1043, 1045, 1046 en een deel van perceel 1047. Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5 hectare. De ligging van het plangebied is weergegeven in figuur 1 en figuur 2. Huidige situatie Het plangebied maakt deel uit van een terrein dat wordt gebruikt als tuincentrum en kwekerij. In het zuidwesten van het plangebied staat het pand waarin het tuincentrum is gevestigd. Dit pand heeft een oppervlakte van circa 6.000 m2. Ten oosten hiervan liggen een woning met tuin (oppervlakte circa 1.700 m2) en een geasfalteerde parkeerplaats (oppervlakte circa 6.500 m2). De rest van het terrein is grotendeels onverhard en in gebruik als kwekerij. De huidige situatie is weergegeven in figuur 3. Vigerend beleid De omgang met archeologische waarden wordt binnen de gemeente Hulst geregeld in het paraplubestemmingsplan archeologische en aardkundige waarden uit 2016. Dit paraplubestemmingsplan is afgeleid van de archeologische beleidskaart van de gemeente Hulst.3 Volgens het bestemmingsplan heeft het plangebied een dubbelbestemming ‘waarde – archeologie 2’. Volgens de bijbehorende planregels is archeologisch onderzoek noodzakelijk bij ingrepen groter dan 500 m2 en dieper dan 40 cm –mv.
Deze dubbelbestemming is overgenomen in het bestemmingsplan Absdaalseweg 70 uit 2017. Milieukundige situatie Binnen het plangebied is door Econsultancy in 2014 een bodemonderzoek uitgevoerd. Uit dit onderzoek blijkt dat de bovengrond plaatselijk licht verontreinigd is met kobalt en met dieldrin. In de ondergrond zijn analytisch geen verontreinigingen aangetoond. In het grondwater zijn evenmin verontreinigingen geconstateerd. De resultaten van het onderzoek hebben geen aanleiding gegeven tot nader onderzoek.4 2.4
Toekomstige situatie
In het plangebied is een nieuw pand ter vervanging van het bestaande tuincentrum gepland. Ook zal de parkeergelegenheid vernieuwd en uitgebreid worden. Hierbij zal een gebied met een oppervlakte tussen 6.250 m2 en 9.130 m2 worden bebouwd en nog eens 2.010 m2 zal worden heringericht. Het precieze te bebouwen oppervlak is afhankelijk van welk plan er uiteindelijk gekozen wordt. Het nieuwe parkeerterrein wordt circa 12.000 m2; hiervoor zal de bestaande woning gesloopt worden. De diepte van deze werkzaamheden is nog onbekend (zie figuur 4). Er wordt echter verwacht dat de bebouwing op de vaste grondslag, dat wil zeggen in het dekzand, gefundeerd zal worden. De top van het dekzand is tevens het archeologisch interessante niveau. De geplande werkzaamheden kunnen tot gevolg hebben dat eventueel aanwezige archeologische waarden worden verstoord.
3 De Visser, 2016 4 Winkelhorst, 2014
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 3 van 17
2.5
Aardwetenschappelijke context
De volgende aardwetenschappelijke gegevens zijn bekend van het plangebied: Tabel I.
Aardwetenschappelijke gegevens plangebied
Type gegevens
Gegevensomschrijving
Geologie
Formatie van Naaldwijk op Formatie van Boxtel
Geomorfologie
Vlakte van ten dele verspoelde dekzanden met een kleidek
Bodemkunde
Hoge zwarte enkeerdgronden, poldervaaggronden
Grondwatertrap
Onbekend, VI
Landschappelijke ontwikkeling en geologie Volgens de geologische kaart van Zeeuws-Vlaanderen worden in het plangebied pleistocene afzettingen met een dek van mariene afzettingen verwacht.5 De top van de pleistocene afzettingen bestaat uit nat-eolische afzettingen uit het Laat-Pleniglaciaal (26.000 – 13.000 jaar geleden) en eolische dekzanden uit het Laat-Glaciaal (13.000 - 10.000 jaar geleden). De nat-eolische zanden worden tot de Formatie van Boxtel gerekend en staan ook wel bekend als Oude Dekzanden. De laatglaciale dekzanden worden binnen de Formatie van Boxtel tot het Laagpakket van Wierden gerekend en worden ook wel Jonge Dekzanden genoemd.6 Binnen het pakket dekzanden kan een paleosol zijn gevormd, de zogenaamde Laag van Usselo uit het Allerød-interstadiaal. Door de holocene zeespiegelstijging ontstaat in Zeeland een getijdegebied. Dit getijdegebied wordt aan de landzijde door een veenmoeras begrensd. Doordat het plangebied relatief hoog ligt, blijft het lang buiten de mariene invloedsfeer. Zoals de paleogeografische kaarten in figuur 5 laten zien, raakt het plangebied pas tussen 1500 en 500 v. Chr. (Bronstijd/IJzertijd) overveend. In de Late IJzertijd en Romeinse tijd wordt het veengebied ontgonnen. Hierdoor daalt het maaiveld en neemt de mariene invloed in Zeeland weer toe. In de Vroege Middeleeuwen ontstaat zo een uitgebreid getijdegebied. Rond 800 n. Chr.
(figuur 5I) ligt dit getijdegebied ten noorden en oosten van het plangebied, dat zelf nog door veen wordt afgedekt. De mariene afzettingen uit deze periode worden tot het Laagpakket van Walcheren, Formatie van Naaldwijk gerekend. Het getijdegebied wordt in de Late Middeleeuwen ingepolderd en ook het resterende veengebied wordt (opnieuw) ontgonnen. Door de ontginning of door het afgraven van veen ten behoeve van turfwinning verdwijnt het veen uiteindelijk en komen de dekzanden weer aan het maaiveld te liggen. Tijdens de Opstand ligt Zeeuws-Vlaanderen op de frontlijn tussen de Staatse en Spaanse troepen. Om Hulst, een vestingstad, wordt meerdere malen gevochten. In de jaren 1580 wordt het gebied rondom Hulst geïnundeerd, waardoor een nieuw systeem van kreken ontstaat. Op het dekzand wordt nu een dak van zeeklei (Laagpakket van Walcheren) afgezet. Hierbij wordt de top van het dekzand deels geërodeerd. Uit een archeologisch proefsleuvenonderzoek ten zuiden van het plangebied, langs de Absdaalseweg, blijkt dat de top van het dekzand grotendeels intact is. Ten zuidwesten van het plangebied wordt het dekzand afgedekt door 0,5 tot 1 m klei van het Laagpakket van Walcheren. In het dekzand is een gooreerdgrond ontwikkeld. Ten zuidoosten van het plangebied is een het kleidek slechts enkele decimeters dik. In de top van het dekzand is een restant van een podzolprofiel aanwezig.7
5 Rijks Geologische Dienst, 1963 6 De Mulder e.a., 2003 7 Ter Wal, 2007
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 4 van 17
Geomorfologie en maaiveldhoogte Volgens de geomorfologische kaart van Nederland (figuur 6) ligt het plangebied op een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden, die wordt bedekt door overstromingsmateriaal en/of veen. De afdekkende lagen hebben het oorspronkelijke reliëf uitgevlakt. Ten noorden van het plangebied liggen dekzandwelvingen met een oud landbouwdek. Op het AHN3 (figuur 7) is te zien dat het landschap in de omgeving van het plangebied ligt golvend is. In het plangebied varieert de maaiveldhoogte van 1,6 tot 2 m NAP. Voor een deel zal het maaiveld kunstmatig zijn uitgevlakt, namelijk ter plaatse van de parkeerplaats. De woning naast het tuincentrum ligt nog iets hoger, namelijk rond 2,6 m NAP. Bodem en grondwater Volgens de bodemkaart van Nederland (figuur 8) worden in het grootste deel van het plangebied hoge zwarte enkeerdgronden verwacht. Enkeerdgronden zijn antropogene bodems met een dik (>50 cm) eerddek, dat in de Late Middeleeuwen en Nieuwe tijd door plaggenbemesting is gevormd. Het oorspronkelijke bodemprofiel is veelal een podzolbodem of een beek- of gooreerdgrond geweest. De enkeerdgrond is gevormd in lemig fijn zand. Mogelijk is dit lemige zand ontstaan door vermenging van het oorspronkelijke dekzand met het kleidek uit de Nieuwe tijd. In het westen van het plangebied komen kalkrijke poldervaaggronden voor.
Deze poldervaaggronden zijn gevormd in de overstromingskleien die in de Nieuwe tijd zijn afgezet. Poldervaaggronden kenmerken zich door een slecht ontwikkelde A-horizont en worden gevormd in gebieden met periodieke hoge grondwaterstanden waardoor hoog in het profiel (binnen 50 cm -mv) roestvlekken voorkomen. Het pleistocene zand wordt hier binnen 40 tot 120 cm -mv verwacht. De grondwatertrap in de enkeerdgronden is niet bepaald, maar de poldervaaggronden hebben grondwatertrap VI. Dit betekent dat de hoogste grondwaterstand (winterpeil) tussen 40 en 80 cm –mv staat en de laagste grondwaterstand (zomerpeil) beneden 120 cm -mv. De grondwaterstand is van invloed op de conservering van organische archeologische resten, zoals hout, leer en bot. Deze resten worden boven de laagste grondwaterstand niet of slecht geconserveerd verwacht. 2.6
Beschrijving van het historische gebruik
Bewoningsgeschiedenis en historisch kaartmateriaal Archeologische vondsten laten zien dat het relatief hooggelegen zuidelijke deel van ZeeuwsVlaanderen vanaf het Laat-Paleolithicum tot in het Neolithicum wordt bewoond. In de loop van het Neolithicum en Bronstijd raakt ook dit gebied overveend en wordt het gebied ongeschikt voor bewoning. Het veengebied wordt in de Late IJzertijd en de Romeinse tijd ontgonnen en bewoond. In de Late Romeinse tijd raakt het gebied ontvolkt, enerzijds doordat het gebied door mariene erosie en overstromingen wordt geplaagd, anderzijds door de troebelen waarin het Romeinse Rijk in geraakt. Voor zover het voormalige veengebied niet in een getijdegebied verandert, verwildert het weer en vindt er in de Vroege Middeleeuwen opnieuw veengroei plaats.
Rapport 13107.001 versie 1
Pagina 5 van 17
Zeeuws-Vlaanderen maakt in de Middeleeuwen deel uit van het graafschap Vlaanderen. Hulst is in de 11e eeuw ontstaan. De eerste vermelding dateert uit 1108 en Hulst figureert ook in het 12e eeuwse epos Van den vos Reinaerde. In 1180 krijgt Hulst stadsrechten. Het gebied ten westen van Hulst, waarin ook het plangebied ligt, staat bekend als Absdale. Absdale wordt ook in Van den Vos Reinaerde genoemd, als Abtsdael. De naam is afgeleid van het Latijnse Abbatis Vallis, ‘dal van de abt’.8 Absdale wordt in 1299 gekocht door de abdij Ten Duinen (bij Koskijde, in Vlaanderen). De abdij had ook een uithof, Te Zande, in het huidige Kloosterzande. Van hieruit werd het gebied bedijkt en daarna ontgonnen. Hierbij is het veen verdwenen. Tijdens de Opstand komt het gebied in frontlinie tussen de Staatse en Spaanse troepen te liggen. In de periode 1583-1585 wordt het gebied rondom Hulst geïnundeerd, waardoor hier een getijdegebied ontstaat. In 1617 wordt de Absdale opnieuw ingepolderd. De stad zelf wordt meerdere malen belegerd en wisselt enige malen van eigenaar, maar komt uiteindelijk in 1645 en daarna met de Vrede van Münster (1648) in handen van de Republiek. Op de kaart van Visscher-Roman uit circa 1650 (figuur 9A) is de ligging van het plangebied in de Polder van Absdael te zien. De kaart geeft geen informatie over huiserven.
Wel is te zien dat ten noorden van het plangebied een weg loopt. In 1672, aan het begin van de Hollandse Oorlog, wordt het gebied rondom Hulst opnieuw geïnundeerd ter verdediging van de vesting Hulst. In de Absdaalse polder ontstaat een stelsel van getijdekreken, zoals goed is te zien op de kaart van Hattinga uit circa 1750 (figuur 9B). De kaart laat zien dat het wegenpatroon van voor de 2e inundatie nog steeds (deels) aanwezig is. Verder zijn in het gebied een aantal stallen aanwezig en iets ten oosten van het plangebied ligt ook een waterput. Dit laat zien dat het gebied in de 18e eeuw wel wordt gebruikt (vermoedelijk om schapen te weiden). Uiteindelijk wordt het gebied 1788/89 opnieuw ingepolderd.9 De nieuwe situatie is voor het eerst goed te zien op het kadastrale verzamelplan uit de periode 1811 – 1832 (figuur 9C). Ten zuiden van het plangebied is de Absdaalseweg aangelegd. De weg die in de 17e en 18e eeuw ten noorden van het plangebied lag is niet meer aanwezig. Het gebied is in gebruik als akkerland en in het plangebied en daarbuiten is geen bebouwing aanwezig. Rond 1880 is er weinig veranderd. Langs de Absdaalseweg is nog geen sprake van bebouwing. Wel is iets ten noorden van het plangebied een spoorlijn aangelegd. Tot het eind van de jaren 1970 (figuur 9E) verandert er weinig in het plangebied.