CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

21-297 BP Reynaertcollege - versie 231128

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente HulstBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Reynaertcollege Hulst29.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

Samenvattend ligt het plangebied op een dagzomende pleistocene dekzandrug ten noorden van de oude stadskern van Hulst. De pleistocene afzettingen reiken naar verwachting tot een diepte van ongeveer 7,50 m -mv/ 5,75 m -NAP. Holocene afzettingen zijn volgens de beschikbare gegevens dus niet te verwachten. Wel kan er op het dekzand nog (een restant van) een esdek aanwezig zijn.

24

ARTEFACT RAPPORT 628

2.3

Historie

2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling 31

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Het beschrijven van de historische situatie dient meerdere doelen. Er wordt archeologisch inhoudelijk gekeken of eventueel sprake is van historische bebouwing, mogelijke (vaar)wegen en/of subrecent gebruik, waarbij vastgesteld moet worden of sprake is van verstoringen (bijvoorbeeld ontgrondingen, stortingen en verhardingen). Bij het tot stand komen van voorliggend onderzoeksrapport werd gebruikt gemaakt van meerdere historische of oude kaarten. Enkel de kaarten waarop nieuwe, afwijkende of kenmerkende informatie met betrekking tot het plangebied wordt weergegeven, zijn afgebeeld in dit rapport. Hierbij dient opgemerkt dat de projecties die gemaakt op oude kaarten vrij betrouwbaar zijn voor alle kaarten daterend vanaf het midden van de 18 de eeuw, toen, dikwijls voor militaire doeleinden, topografische kaarten ontwikkeld werden met vrij grote schaalnauwkeurigheid. De projecties op de kaarten daterend voor deze periode moeten dan ook als indicatief worden beschouwd. Hulst is ontstaan op de plaats waar een inbraakgeul in de Vroege Middeleeuwen de brede dekzandrug doorsneed. Deze geul, vermoedelijk de Saxvliet genaamd, verbond Hulst met de huidige Westerschelde (toen De Honte).32 De eerste nederzetting was mogelijk een opgeworpen hoogte die door een burcht werd beschermd.

De locatie hiervan moet gezocht worden ter plaatse van de huidige Vestdijkstraat, Bonte Hondtstraat, Grote Markt en Grote Zwanenstraat met als hoogste punt de Steenstraat. Op de kaart van Vredius (een reconstructiekaart uit de 17de eeuw) met daarop de situatie omstreeks 861, komt de naam ‘Hulstum’ reeds voor. De Duitse keizer Otto II schonk het Castrum Hulstum aan de bisschop van Utrecht in 892. De naam Castrum is een aanwijzing voor een versterkte plaats. Hulst is dus wellicht ontstaan (zoals veel Vlaamse steden) als een nederzetting op verhoogde plaats met een burcht en enkele boerderijen daaromheen.33 In 1012 werd het oostelijk deel van het huidige Zeeuws-Vlaanderen in belening gegeven door de Duitse Keizer Hendrik II aan de Vlaamse graaf Boudewijn IV. Het behoorde tot het graafschap van Gent, waarbij Hulst het centrum vormde van het bestuursdistrict Hulster Ambacht. Hulst kwam in de 11de eeuw als bestuurscentrum tot bloei en kerken werden gebouwd of herbouwd. In 1108 schonk de bisschop van Utrecht de Capellum Hulstum aan het kapittel van Sint-Salvator. In 1180 kreeg Hulst stadsrechten verleend door graaf Filips van den Elzas. 34 De economische pijlers van de stad waren de lakenhandel, moernering en zoutproductie en -handel. Naast de functie als handelsstad (met verschillende markten) vestigden er zich ook monniken.

Verschillende orden stichtten binnen de stad een refugehuis, als persoonlijke beschermingsmaatregel in deze oorlogsgevoelige tijden. In de 12de en 13de eeuw hadden de Heren van Maelstede een slot in Hulst (het stamslot bevond zich in Kapelle, Beveland). Deze heren hadden grote belangen in het gebied van de Vier Ambachten en met name in Hulst. Het kasteel lag ten oosten van de stad (zie paragraaf 2.4). Wolfert II zou in de 13de eeuw de oude Sint-Pieterskapel en het kasteel hebben verbouwd. Toch blijkt uit de stadsrekeningen dat Hulst tot 1341 een onversterkte plaats was. 35 Op een 17deeeuwse kopie van de zogenaamde Dampierrekaart (figuur 10), die een beeld schetst van de situatie in het noorden van het Graafschap Vlaanderen omstreeks 1274, is Hulst als onversterkte stad te zien. In detail is hier het Hulster Ambacht weergegeven (gele kleur), met Hulst als centrale plaats. Het plangebied ligt ten noordoosten van de stad (de globale ligging is met een rode cirkel aangeduid).

31 Deze paragraaf is gebaseerd op, en deels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken van Artefact naar

plangebieden in Hulst, gewijzigd naar het onderhavige plangebied en aangevuld met specifieke en aanvullende gegevens. 32 Brand 1972, 7. 33 De Meulemeester 1993, 139. 34 Brand 1972, 3-7. 35 Brand 1972, 29.

25

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Figuur 10 Uitsnede uit een 17de-eeuwse kopie naar de zgn. kaart van Gwijde van Dampierre uit 1274. Bron: Rijksarchief Gent; RAG-065-7.

Het gebied ten noorden van Hulst – en daarmee ook het plangebied – maakte in het begin van de 13de eeuw deel uit van de zogenoemde Oude Polder. Deze werd aan de noordzijde begrensd door de Platte Dijk. Na het afgraven van de Platte Dijk werd de Oude Polder bij de Dullaertpolder gevoegd. Deze was omstreeks 1358 ontstaan als afdamming van o.a. de Dullaertkreek, de tegenwoordige Polsvliet.36 Vanaf de tweede helft van de 14de eeuw werd Hulst systematisch versterkt. In 1452 werd de stad veroverd door de Gentenaren en voor een groot deel verwoest. Vervolgens kreeg de stad tussen 1460 en 1471 verdedigingswerken in de vorm van een aarden wal met daarvoor een gracht.37 De stadsplattegrond van Jacob van Deventer uit omstreeks 1560 laat Hulst zien als een cirkelvormige, versterkte stad met een brede stadsgracht (figuur 11). Langs de toegangswegen buiten de stad is verspreid bebouwing aanwezig. Vanwege de nauwkeurige maatvoering is het plangebied goed op deze kaart te projecteren; het wegenpatroon aan de noordzijde van de stad lijkt op het huidige. Zo zijn er al wegen aanwezig waarvan de loop overeenkomt met die van respectievelijk de Zoutestraat, Zandstraat en Carmelweg. Uit projectie van het plangebied blijkt dat ter hoogte van het westen van het plangebied volgens deze kaart bebouwing aanwezig was in de 16de eeuw.

Van dichterbij is de bebouwing nogal grof weergegeven (figuur 12), waardoor de kaart niet veel informatie kan opleveren over de kenmerken van de gebouwplattegrond(en) die mogelijk aanwezig is/zijn. Het kan bovendien slechts een schematische weergave zijn.

36 Wilderom 1973, 139-141. 37 Stockman 2004, 247.

26

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Figuur 11 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op een uitsnede uit de stadsplattegrond

van Hulst door Jacob van Deventer uit omstreeks 1560. Bron: Koeman en Visser 1992.

Figuur 12 Uitvergroting van westelijk deel van het plangebied op uitsnede van de stadsplattegrond van

Hulst door Jacob van Deventer uit omstreeks 1560. Bron: Koeman en Visser 1992.

27

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Aan het eind van de 16de eeuw verzandde de havengeul van Hulst en kwam een einde aan de economische bloeiperiode van de stad.38 Toch bleef Hulst een belangrijke politieke en militaire rol spelen. Tijdens de Staats-Spaanse oorlog vanaf de tweede helft van de 16de eeuw werden de vestingwerken gemoderniseerd. De Spaanse troepen, die Hulst in deze vroege fase controleerden, lieten de bestaande circulaire verdedigingsgordel moderniseren met bastions voor de poorten. Tussen 1578 en 1583 werd Hulst weer door de Gentenaren bezet, totdat ze zich overgaven aan de Hertog van Parma. In 1591 veroverde Prins Maurits Hulst. Deze liet onder andere ravelijnen aanleggen in de grachten tussen de bastions. Hij begon ook met de aanleg van forten rondom de stad. Fort Nassau moest de havengeul verdedigen en de linie naar het oosten met de forten Moerschans en Zandberg moest aanvallen vanuit het oosten opvangen. Dit betekende ook dat het gebied ten oosten en ten zuiden van Hulst systematisch geïnundeerd werd. Vanaf het laatste kwart van de 16de eeuw kwam in de wijde omgeving van Hulst dan ook geregeld gebied onder water te staan. Hierbij moet genuanceerd worden dat wellicht enkel de lagergelegen gebieden effectief onder water stonden. Hoger gelegen terreinen zullen wellicht alleen drassig zijn geweest.

Ondanks de nieuwe verdedigingsgordel rondom de stad was Hulst slechts een korte tijd onder controle van Staatse troepen. Op de Zelandia Comitatus, de kaart van Zeeland van Visscher en Roman uit het midden van de 17 de eeuw, zijn de nieuwe vestingwerken rond de stad en de linies en forten buiten de stad duidelijk afgebeeld (figuur 13). De weergave van wegen en bebouwing is minder gedetailleerd. In de directe omgeving van het plangebied zijn geen wegen en gebouwen afgebeeld.

Figuur 13 Ligging van het plangebied (rode cirkel; bij benadering) op kaart Zelandia Comitatus van Visscher en Roman uit circa 1650. Bron: Geoloket Cultuurhistorie Provincie Zeeland.

Ook in de 18de eeuw bleef Hulst niet gespaard van oorlogsgeweld. Omstreeks 1700, tijdens de Spaanse Successieoorlog, werd Hulst versterkt met enkele buitenwerken. Na de Oostenrijkse Successieoorlog van 1747/1748 moest de vesting worden hersteld. Op kaartmateriaal van Hattinga, vervaardigd halverwege de 18de eeuw, staan Hulst

38 Brand 1972, 158-159.

28

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

en omgeving gedetailleerd weergegeven. Daarmee is het plangebied vrij nauwkeurig te projecteren. Op de ‘Kaarte van de Jurisdictie der Stadt Hulst’ van D.W.C. Hattinga uit 1746 (niet afgebeeld) staan de toegangswegen naar de stad duidelijk weergegeven, evenals percelering en de nodige topografische aanduidingen. De Zoutestraat (‘Soute Straat’) wordt bij naam genoemd, evenals de Zandstraat (‘Sant Straat’). De tegenwoordige Carmelweg, gelegen tussen de Zoutestraat en Zandstraat, staat weergegeven, maar zonder naamaanduiding. De noordelijke begrenzing van het plangebied valt op de kaart samen met de begrenzing van de jurisdictie van Hulst; het plangebied viel dus net binnen de jurisdictie van de stad. Het plangebied maakt deel uit van ‘Den Elfden Gank’ van de ‘Ouden Polder ofte Dullaart’. Bebouwing wordt op deze kaart niet weergegeven. De ‘Kaarte van Hulster Ambagt’, eveneens vervaardigd door Hattinga (figuur 14), geeft behalve de percelering wel bebouwing aan. Zo lijkt er sprake van bebouwing op een perceel dat grenst aan de zuidoosthoek van het plangebied, en op een perceel ten zuiden van het plangebied, aan de overzijde van de tegenwoordige Carmelweg. Het plangebied zelf is volgens deze kaart geheel onbebouwd. Hattinga geeft de percelering gedetailleerd weer. Het plangebied strekt zich op de kaart uit over vijf percelen.

Bovendien loopt er een noord-zuid georiënteerde weg of pad centraal door het plangebied, vanaf de Carmelweg in het zuiden. Ten noorden van het plangebied buigt de weg in westelijke richting af naar de Zandstraat. Ook op 19de- en vroeg-20ste-eeuws kaartmateriaal is dit pad nog weergegeven.

Figuur 14 Projectie van het plangebied (rode polygoon) op uitsnede van de ‘Kaarte van Hulster Ambagt’, vervaardigd door D.W.C. Hattinga in 1746. Bron: Zeeuws Archief, Atlassen Hattinga, nr. 483.

Op het einde van de 18de eeuw werd onder Frans bewind werk gemaakt met het opheffen van de vesting Hulst. In het begin van de 19de eeuw werd de vesting verkocht aan de gemeente Hulst. Deze probeerde uiteindelijk in 1918 de wallen en poorten te slechten, maar de bevolking kwam hiertegen in opstand. De vestingwerken bleven bewaard. 39

39 Stockman 2004, 247-249.

29

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

In de eerste helft van de 19de eeuw verschenen nog nauwkeuriger kaarten: de Kadastrale Minuutplans uit de periode tussen 1815 en 1832 (figuur 15). Deze kaarten hadden tot doel belasting te heffen op grondbezit en gebouwen. Op de Kadastrale Minuut staat de huidige Carmelweg, ten zuiden van het plangebied, aangeduid als het ‘Lykstraatje’. In het wegenpatroon in de omgeving van het plangebied zijn weinig veranderingen te zien vergeleken met de kaart van Hattinga. Ook de percelering in en rond het plangebied lijkt op de percelering op Hattinga’s kaart. Mogelijk zijn er enige perceelsgrenzen enigszins verschoven, maar het is ook mogelijk dat de verschillen te verklaren zijn door onnauwkeurigheden op de oudere kaart. Het plangebied beslaat op de Kadastrale Minuut delen van de percelen B 90, 92, 93, 94, 97 en 98. Volgens de Oorspronkelijk Aanwijzende Tafels was perceel 90, in het zuidwesten van het plangebied, een tuin in het bezit van zilversmid Johannis Josephus van Houdt uit Hulst. Er stonden drie kleine gebouwde structuren op, waarvan de twee oostelijke vierkant van vorm waren en een oppervlak hadden van circa 2 bij 2 meter; de meest oostelijke hiervan valt binnen het plangebied. Het meest westelijke van de drie bouwwerken staat aangeduid als perceel B 91; dit betreft een zomerhuis. De naastgelegen percelen 92 en 93 waren bouwland dat eveneens toebehoorde aan Van Houdt.

De zilversmid bezat overigens ook nog een huis met erf aan de Vischmarkt 9 in de oude stadskern van Hulst (perceel A 428 op de Kadastrale Minuut). Hij was zeker niet de enige die er buiten de stad een zomerhuis op nahield; in de omgeving van het plangebied waren wel meer percelen voorzien van een zomerhuisje, veelal in het bezit van particulieren. Perceel 94 was bouwland in het bezit van Henry Ferdinand van Raden baron, districtscommissaris uit Hulst. Perceel 97 bestond uit bos en was het eigendom van Hendrik Josephus Piron uit Sint Niklaas. De weg die op Hattinga’s kaart door het plangebied loopt, is op het Minuutplan nog steeds te zien, als een pad dat perceel 97 doorkruist. Perceel 98 was bouwland in het bezit van P.F. Maertens uit Hulst.

Figuur 15 Projectie van het plangebied (blauwgroene polygoon) op uitsnede van de gedigitaliseerde Kadastrale Minuut, omstreeks 1830. Bron: Geoloket Provincie Zeeland.

30

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Op kaartmateriaal van later datum is te zien dat later in de 19 de eeuw geen enkele bebouwing meer in het plangebied aanwezig was en dat het voornamelijk bestond uit percelen bouwland en bosgrond. In 1910-1911 werd in het zuiden van het plangebied, aan de Carmelweg, een klooster gebouwd. Het betreft het Sint Joseph Juvenaat, gesticht door Franse Maristen paters-missionarissen. Deze kloosterorganisatie werd opgericht in 1816 in Lyon; haar doelstellingen bestonden uit missiewerk (in Melanesië en Polynesië), onderwijs en pastoraat. Het juvenaat was het eerste gymnasium in Zeeland. Tot 1966 werd er onderwijs gegeven. Er woonden ook zusters Dienaressen van Jezus Christus Priester. Tevens werd er vanaf 1972 ook onderdak gegeven aan alleenstaanden via de stichting Boslust.40 In 1999 verlieten de Paters Maristen het plangebied en verhuisden naar een gebouw in de Zandstraat. Het voormalige kloosterterrein werd in 2000 in gebruik genomen door het Reynaertcollege, een fusie van drie middelbare scholen uit Hulst. De school liet hiertoe het klooster intern verbouwen. De schoolingang kwam aan de Zoutestraat (het adres van het klooster was de Carmelweg geweest).41 Aan de noordzijde werd het pand in 2007 uitgebreid met een moderne aanbouw. Ook kwam er een aparte sporthal aan de westzijde van het terrein.42 Het klooster staat pas aangegeven op topografische kaarten vanaf 1950 (figuur 16) .

Behalve het kloostergebouw zelf stond op het terrein (ten noorden van het kloostergebouw) nog wat losse bebouwing. Ook waren verspreid over het terrein bomen geplaatst. Ten oosten van het plangebied, aan de overzijde van de Zoutestraat, had de bebouwing zich op dat moment flink uitgebreid. Op kaartmateriaal uit de tweede helft van de 20ste eeuw is te zien dat er af en toe enkele aanpassingen en uitbreidingen plaatsvonden aan de bijgebouwen van het klooster. Vanaf de jaren ’70 staat een weg in het plangebied aangegeven; deze liep vanaf de Carmelweg noordelijk langs het hoofdgebouw, in noordoostelijke richting langs de achterliggende bijgebouwen. In de jaren ’80 verdwenen enkele bijgebouwen weer van de kaart. Zones langs respectievelijk de Zandstraat en de Zoutestraat werden beplant met bomen. Op topografische kaarten vanaf 2008 is de grote aanbouw achter het bestaande kloostergebouw te zien. Alle bestaande bijgebouwen zijn weg. Ten noordwesten van het hoofdgebouw is de vrijstaande sportzaal verrezen en ten westen van het hoofdgebouw bevindt zich een rechthoekig waterbassin. Verder is een groot deel van het plangebied inmiddels verhard. Samenvattend blijkt uit historische gegevens dat het plangebied deel uitmaakt van een poldergebied dat sinds de Middeleeuwen een voornamelijk agrarische functie heeft vervuld ten noorden van de historische stadskern van Hulst.

Het bestond in elk geval in de 18de en 19de eeuw uit meerdere percelen. Op basis van historisch kaartmateriaal kan worden vermoed dat in het uiterste westen van het plangebied in de 16 de eeuw bebouwing heeft gestaan. In de 19de eeuw heeft in het uiterste zuidwesten van het plangebied een kleine gebouwde structuur gestaan die onderdeel was van een tuin met een buiten het plangebied gelegen zomerhuis. Verder lijkt het plangebied tot de vroege 20ste eeuw alleen als bouwland en soms deels als bos te zijn gebruikt. Vanaf 1911 werd het een kloosterterrein en verscheen in het plangebied bebouwing, waarvan het hoofdgebouw thans nog aanwezig is. Sinds de 21ste eeuw heeft het Reynaertcollege het terrein en voormalig kloostergebouw in gebruik, waarbij ten behoeve van de school tevens een aanbouw en een vrijstaande sportzaal zijn gerealiseerd.

40 Website van Erfgoedcentrum Nederlands Kloosterleven. 41 Krantenbank Zeeland, diverse artikelen PZC, 1996 tot heden. 42 Website van het Reynaertcollege.

31

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Figuur 16 Projectie van het plangebied (blauwgroene polygoon) op de Topografische (Militaire) Kaarten uit 1916, 1950, 1960, 1970, 1980, 1990 en 2010. Bron: Esri Nederland, Kadaster.

32

ARTEFACT RAPPORT 628

2.3.2

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Verstoringsgeschiedenis

Bodemloket, gemeente In het bodemloket worden de bodemkwaliteit en de status/voortgang van eventueel uitgevoerde onderzoeken weergegeven. Raadpleging van het Bodemloket 43 leert dat in het plangebied verkennend bodemonderzoek is uitgevoerd in 1996.44 Op basis van het bodemonderzoek is geconcludeerd dat de locatie voldoende is onderzocht in het kader van de Wet bodembescherming. Op het terrein waren septictanks aanwezig ter hoogte van het voormalige toiletgebouw, en een opslag voor dierlijke mest. In hoeverre de opslag voor dierlijke mest zich boven- of ondergronds heeft bevonden, wordt in het rapport niet gemeld. De opslag bevond zich ten noorden van het huidige schoolgebouw. De locatie van het toiletgebouw en septictanks is thans bebouwd; dit geldt ook voor een voormalig vulpunt van een olietank die zich destijds in het hoofdgebouw bevond. In het bodemonderzoek werden in de bovenste 0,50 m -mv plaatselijk licht verhoogde concentraties PAK, lood, zink, koper, kwik en EOX gemeten; dieper dan 0,50 m -mv werden geen verhoogde concentraties aangetoond. In het grondwater werden plaatselijk licht verhoogde concentraties lood, tetrachlooretheen en minerale olie aangetoond. De gemeten concentraties waren niet dusdanig dat nader onderzoek nodig was.

Navraag bij de gemeente leert dat in het plangebied geen bijzonderheden worden verwacht op het gebied van verstoringen, verontreinigingen of andere aandachtsgebieden. 45

KLIC De graafmelding geeft binnen het plangebied aanwijzingen voor enkele verstoringen van de bodem. Het betreft kabels en leidingen. Daarnaast heeft het Reynaertcollege een tekening aangeleverd met hierop kabels en leidingen die niet op de KLIC staan aangegeven. In het algemeen lopen de meeste kabels en leidingen door het westen, zuiden en oosten van het plangebied. Ter hoogte van deze kabels en leidingen moet rekening worden gehouden met een plaatselijke verstoring in de vorm van een smalle gegraven sleuf van waarschijnlijk circa een meter diep.

Gegevens archief, opdrachtgever, topografische kaarten Uit bouwtekeningen afkomstig uit het gemeentearchief van Hulst en topografische kaarten uit de 20ste eeuw kan worden opgemaakt dat in de loop der jaren een aanzienlijk deel van het plangebied, met name ten noorden van het hoofdgebouw (figuur 17), op verschillende momenten bebouwd is geweest met diverse bijgebouwen van het klooster, zoals een boerderij, opslagruimtes en een kippenhok. Deze zijn thans allemaal verdwenen. De bouw en sloop hiervan zal plaatselijk tot enige mate van verstoring hebben geleid, afhankelijk van hoe zwaar het betreffende bouwwerk gefundeerd was. Raadpleging van (de website van) het Zeeuws Archief leverde geen aanvullende informatie op omtrent eventuele verstoringen van het plangebied.

43 www.bodemloket.nl, geraadpleegd op 1 juni 2021. 44 De Klerk 1996. 45 Mondelinge communicatie dhr. G.J.J. de Vaan, gemeente Hulst, d.d. 2 juni 2021.

33

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Figuur 17 Zones waar sprake kan zijn van (enige) verstoring als gevolg van bebouwing in de 20ste eeuw. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

2.4

Archeologische waarden

Archeologische monumenten De Archeologische Monumentkaart (AMK) is een digitaal bestand waarin de archeologische monumententerreinen, waaronder de wettelijk beschermde monumenten, werden bijgehouden. Sinds 2014 wordt dit bestand echter niet meer bijgewerkt, waardoor het als statisch bestand kan worden beschouwd. (Een deel van) de monumententerreinen zijn opgenomen op de gemeentelijke beleidskaarten en benoemd als gemeentelijke monumenten. Binnen een straal van 1 km rond het plangebied liggen drie AMK-terreinen (voor de ligging, zie figuur 18): -

Ongeveer 500 m ten zuiden van het plangebied ligt de oude stadskern van Hulst (datering: Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd), een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (monumentnummer 13481).

-

Ruim 600 m ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich een beschermd AMK-terrein van zeer hoge waarde (monumentnummer 652) en tevens een archeologisch rijksmonument (Rijksmonumentnummer 45653). Het betreft een terrein met resten van het laatmiddeleeuwse kasteel Maalstede (Maelstede). Het kasteel is gebouwd omstreeks 1200 of wellicht al eerder. Aan het eind van de 16e eeuw was het grotendeels verdwenen. In 1968 zijn bij een proefopgraving fundamenten aangetroffen die voornamelijk uit rode en gele kloostermoppen bestonden. 34

ARTEFACT RAPPORT 628

-

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Ruim 800 m ten oosten van het plangebied ligt een terrein met resten van de Moerschans (datering: Nieuwe tijd A – Nieuwe tijd C), een AMK-terrein van hoge archeologische waarde (monumentnummer 13533). Dit Staatse fort werd in 1591 aangelegd door prins Maurits en via een linie verbonden met Hulst en de oostelijk gelegen forten De Rape en Zandberg. Vermoedelijk was het aanvankelijk een vierkante, gesloten veldschans en is het omstreeks 1700 met bastions op de hoeken versterkt.

Eerder uitgevoerd onderzoek en vondstlocaties Archis is het geautomatiseerde Archeologisch Informatiesysteem voor Nederland. Het bestaat uit een databank waarin allerlei gegevens over archeologische onderzoeken, vindplaatsen en terreinen in Nederland zijn opgeslagen. Het raadplegen van Archis leert dat binnen het plangebied nog geen onderzoek heeft plaatsgevonden en dat er evenmin archeologische vondstlocaties bekend zijn. In de omgeving van het plangebied zijn echter meerdere onderzoeken uitgevoerd. Hieronder worden de onderzoeken besproken die in een straal van 500 m rond het plangebied hebben plaatsgevonden. De nummers in de linker kolom corresponderen met de groene nummers op figuur 18.

7

Figuur 18 Monumenten, onderzoeken en vondstlocaties. Gegevens ontleend aan Archis 3.

35

ARTEFACT RAPPORT 628

Nr.

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Uitvoerder

Aard en resultaten onderzoek

1

Onderzoek nummer 2045300100

SOB Research

Archeologisch booronderzoek (2004) Zoutestraat 40. 46 Dekzandafzettingen aangetroffen, maar geen podzol; aangenomen wordt dat top niet meer intact aanwezig is. Op dekzand recentelijk opgebrachte ophooglagen met vondsten uit Late MiddeleeuwenNieuwe Tijd. Net boven top dekzand drie fragmenten laatmiddeleeuws aardewerk, mogelijk indicatief voor vindplaats uit die tijd, mogelijk in relatie met bebouwing op kaart Van Deventer. Geen vervolgonderzoek vanwege beperkte verstoringsdiepte.

2

2053725100

SOB Research

Archeologisch booronderzoek (2003) Koolstraat 17. 47 Dekzand aangetroffen, maar geen podzol of Allerødlaag. In diverse boringen verstoringen door 20ste-eeuwse bebouwing. Geen vervolgonderzoek.

3

2074331100

SOB Research

Archeologisch booronderzoek (2005) Zandstraat 14. 48 Dekzandafzettingen grotendeels intact, geen aanwijzingen Allerødlaag. Geen relevante archeologische indicatoren, geen vervolgonderzoek.

4

2092962100

SOB Research

Archeologisch booronderzoek (2002) Verpleegtehuis de Blaauwe Hoeve. 49 Dekzandafzettingen, plaatselijk met esdek. Dekzand op veel plaatsen sterk verstoord. In westelijk deel plangebied aanwijzingen voor bewoning (hoeve) Nieuwe Tijd. Advies: geen vervolgonderzoek, wellicht waarnemingen doen ter hoogte van de vermoedelijke hoeve.

5

2117959100

Archeomedia

Archeologisch booronderzoek (2006) Zoutestraat 2-2a (rapport niet online beschikbaar). Funderingen/muurresten en laatmiddeleeuwse leeflaag en fosfaat aangeboord. In Tachtigjarige Oorlog lag hier ravelijn, op kaart Van Deventer was ook al bebouwing (huis of herberg?) aanwezig.

6

2132270100

Archeomedia

Proefsleuvenonderzoek (2006) Zoutestraat 2-2a (rapport niet online beschikbaar). Sporen en vondsten uit waarschijnlijk drie bewoningsen/of gebruiksfasen 13de - midden 16de eeuw. Tevens deel van het ravelijn (Tachtigjarige Oorlog) en 18de-eeuwse egalisatielaag (vermoedelijk resten Oostenrijkse Successieoorlog). Behoudenswaardige vindplaats.

7

2147231100

ADC

Archeologisch booronderzoek (2007) Zoutestraat / IJzerenhandstraat. 50 Bodem overal verstoord tot 1,20-1,70 m -mv. Toch zijn sporen uit 16de eeuw (fundamenten; op basis van kaartmateriaal) niet uit te sluiten. Advies: vervolgonderzoek.

8

2270879100

Archeomedia

Archeologisch booronderzoek (2010) Zoutestraat 150. 51 Geen vindplaats aangetroffen. Mogelijk dieper dan 3,00 m -mv (maximale

46 Ras 2004. 47 Ras 2003. 48 Ras 2005 49 De Visser 2002. 50 Walstra & Huizer 2007. 51 Van der Ham 2010.

36

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

boordiepte) Usselo-bodem (pleistocene bodem). vervolgonderzoek bij verstoringen dieper dan 3,00 m -mv.

Advies:

9

2402332100

Artefact!

Archeologische begeleiding (2013-2015) Zoutestraat / 52 IJzerenhandstraat. Sporen (o.a. tonputten) uit Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd. Verbanden gevonden met oude kaarten, o.a. Van Deventer. Paleosol op circa 2,40 m -mv/ 1,05 m +NAP.

10

2416240100

Artefact!

Archeologisch booronderzoek (2013) Tegelberglaan / De Beaufortlaan.53 Oud landbouwdek (Apb-horizont) met aardewerk uit 17de-18de eeuw. Hieronder plaatselijk sporen van bodemvorming in pleistocene dekzand, deels intacte BC-horizont. Advies vervolgonderzoek.

11

3298778100

Artefact!

Archeologische begeleiding (2015) riolering Keldermanstraat - Van Dortmontlaan.54 Bodemprofiel plaatselijk nog intact. Enkele kuilen en greppels uit Nieuwe Tijd t/m 20ste eeuw. Paleosol vastgesteld op een diepte van circa 1,64-1,86 m -mv/ 0,36 m -NAP- 0,02 m +NAP.

12

4003216100

Artefact!

Archeologische begeleiding (2016) Zoutestraat / Koolstraat Rotonde. 55 Top pleistoceen dekzand intact, vervolgonderzoek geadviseerd voor toekomstig graafwerk. Op dekzand plaatselijk ophoog-/stortlagen uit 18de eeuw en later. Geen resten uit Late Middeleeuwen aangetroffen.

13

4861161100

Archol

Archeologisch booronderzoek (2020) Janseniuslaan / 56 Hontenissestraat. Plaggendek aanwezig. Dekzandprofiel bijna overal niet meer intact. Sporen kunnen nog aanwezig zijn in Chorizont. In enkele boringen tussen dekzand en plaggendek een laag overstromingsafzettingen (mogelijk door overstromingen/inundaties 15de-17de eeuw). Ondanks lage verwachting voor alle perioden toch advies archeologische inspectie na afloop van graafwerkzaamheden om inzicht te krijgen in verdronken en afgedekte middeleeuwse cultuurlandschap.

Binnen een straal van 500 m zijn ook enkele archeologische vondstlocaties bekend; het nummer in de linker kolom correspondeert met het blauwe nummer op figuur 18.

Nr.

Vondst locatie

Datering

Aard van de vondsten

14

1054540

NTV-NTM

Particuliere vondst (1987). Musketflint. Geen nadere informatie.

15

1073195

MEL-NT

Hoort bij onderzoeknr. 1. Drie aardewerkfragmenten.

16

1076429

MELB-NTL

Hoort bij onderzoeknr. 4. Aardewerk, weg en muur.

52 Coppens 2017. 53 D’hondt & Diependaele 2013. 54 Coppens 2015. 55 Depuydt & Coppens 2019. 56 De Boer 2020.

37

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

17

1083303

MELB-NTM

Hoort bij onderzoeknr. 6. Diverse grondsporen, aardewerk, bouwkeramiek, loden kogel, metaalslak, bot (ook menselijk), glas.

18

1088263

NTM-NTL

Particuliere vondst (2000). Gewelf van 5,5 bij 2,8 m. Onderzocht door AWN en Oudheidkundige Kring De Vier Ambachten. Vermoedelijk (militaire) waterkelder.

19

1120996

MEL-NTL

Hoort bij onderzoeknr. 11. Aardewerkfragmenten, kuil en greppels.

20

1132124

MELB-NTL

Hoort bij onderzoeknr. 9. Waterputten, greppels, fundering. Veel aardewerk, ook natuursteen, glas, metaal, dierlijk bot.

21

1143169

MELB-NTL

Particuliere metaaldetectorvondst (2013) in stortgrond IJzerenhandstraat. Twee metalen zegelstempels.

Uit de bovenstaande informatie valt op te maken dat de top van het pleistocene dekzand vaak, maar zeker niet altijd verstoord is. Geregeld wordt het dekzand afgedekt door een landbouwdek en/of ophooglagen. Er zijn in een straal van 500 m rond het plangebied meerdere vindplaatsen bekend, die alle dateren uit de Late Middeleeuwen en/of Nieuwe Tijd. Theoretisch kunnen in (de top van) het dekzand vindplaatsen van grotere ouderdom aanwezig zijn, maar die zijn in een straal van 500 m rond het plangebied (nog) niet aangetroffen. In de wijdere omgeving zijn in Zeeuws-Vlaanderen wel vindplaatsen bekend uit Mesolithicum, Neolithicum, Midden-Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen.

Overige meldingen In het Zeeuws Archeologisch Depot en de database van PAN is geen aanvullende informatie aanwezig met betrekking tot het plangebied.57

57

N. de Visser: 21U.004. Hulst Reynaertcollege advies, d.d. 15 maart 2021.

38

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Luchtfotoanalyse Luchtfoto’s kunnen aan de hand van herkenbare soil- en of cropmarks aanwijzingen geven voor de aanwezigheid van mogelijke archeologische vindplaatsen (of verstoringen) in de bodem. In het kader van dit onderzoek zijn luchtfoto’s geraadpleegd uit 1959, 1970 en 2003 (Geoloket Atlas van Zeeland), 1989 en 2003 (Luchtfotoatlas) en satellietfoto’s uit 2007 t/m 2020 (Esri Nederland, Geoloket Atlas van Zeeland). Van het plangebied zijn geen luchtfoto’s uit de Tweede Wereldoorlog beschikbaar. Op een luchtfoto uit 1959 (figuur 19) is in het plangebied het kloostergebouw te zien met hierachter nog enige bebouwing die inmiddels niet meer aanwezig is. De foto laat tevens zien dat een groot gebied ten noorden van het plangebied op dat moment nog onbebouwd was. Op een perceel zo’n 300 m ten oosten van het plangebied, op een minder scherp weergegeven deel, lijken enige lineaire verkleuringen zichtbaar (aangegeven met blauwe pijl op onderstaande afbeelding), maar op de omliggende percelen is het vervolg ervan niet te zien. Voor eventuele archeologische vindplaatsen in, 0f grenzend aan, het plangebied bieden de luchtfoto’s geen aanwijzingen.

Figuur 19 Plangebied geprojecteerd op uitsnede van luchtfoto uit 1959. Bron: Geoloket Atlas van Zeeland.

39

ARTEFACT RAPPORT 628

2.5

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Bouw- en cultuurhistorische waarden

Bouw- en cultuurhistorische waarden Om vast te stellen welke waardevolle bouw- of cultuurhistorische elementen voorkomen in of direct grenzend aan het plangebied, is het Geoloket Cultuurhistorie van de Provincie Zeeland geraadpleegd. Het hoofdgebouw van het oorspronkelijke Sint Joseph Juvenaat is een rijksmonument (monumentnummer 509701; figuur 20). Het klooster met geïntegreerde kloosterkapel in de rechtervleugel is gebouwd in 1910-1911, naar ontwerp van Aloys Dr. Otto, in NeoRomaanse trant. Voor de entree staat een Mariabeeld op een bakstenen sokkel. Iets ten zuiden van het gebouw staat een historische boom, waarvan de ouderdom niet staat weergegeven. Het betreft een valse christusdoorn. Ten westen van het plangebied staat een geslechte dijk weergegeven, daterend van omstreeks 1200. Deze volgt de loop van de tegenwoordige Zandstraat.

Figuur 20 Voorgevel van het Sint Joseph Juvenaat, gezien vanaf de Carmelweg in 1998. Bron: Fotocollectie RCE, documentnummer 337.886.

Militair erfgoed De Indicatieve Kaart Militair Erfgoed (IKME) geeft een overzicht van de (verwachte) ligging van resten van ondergronds en bovengronds militair erfgoed (vooralsnog enkel uit de Tweede Wereldoorlog). Raadpleging van de kaart leert dat binnen, of direct grenzend aan, het plangebied geen militaire relicten worden weergegeven.

40

ARTEFACT RAPPORT 628

2.6

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Archeologisch verwachtingsmodel

Op basis van de in eerdere paragrafen beschreven informatie over de huidige situatie, de aardwetenschappelijke, de historische situatie en bekende archeologische waarden kan een specifieke archeologische verwachting worden opgesteld. Het plangebied ligt ten noorden van de oude stadskern van Hulst op een pleistocene dekzandrug die deel uitmaakt van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Door de hoge ligging is het gebied tijdens het Holoceen amper, of mogelijk zelfs nooit, overstroomd geweest. Het is niet uit te sluiten dat er veengroei heeft plaatsgevonden. Als dit het geval is geweest, is dit veen naar verwachting niet meer aanwezig (want afgegraven, geërodeerd en/of vergraven). Het pleistocene dekzand zal in principe direct onder de bouwvoor worden aangetroffen, wellicht onder (een restant van) een esdek uit de periode Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Hieronder wordt per verwacht geologisch niveau besproken wat voor archeologische resten uit welke perioden aangetroffen kunnen worden. Enkel perioden met een middelhoge of hoge verwachting zijn in verwachtingstabellen opgenomen. Het maaiveld ligt in het plangebied op een hoogte van 2,00 m +NAP.

Pleistoceen dekzandlandschap – Laagpakket van Wierden – Formatie van Boxtel Vindplaatsen uit het Paleolithicum kunnen worden verwacht in eventueel aanwezige paleosols. Dergelijke paleosols zijn in de regio aangetroffen, maar vindplaatsen uit deze periode zijn zeldzaam en moeilijk op te sporen. In ZeeuwsVlaanderen zijn slechts losse vondsten gedaan, maar nog geen sites gedocumenteerd. De verwachting wordt middelhoog ingeschat. Datering

Paleolithicum

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing

Omvang

Klein (nomadische kampen; <50 m2)

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

In dekzand, diepte in omgeving van plangebied onbekend

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Goed: afgedekt landschap met goede bewaarcondities

Mogelijke verstoringen

-

Omdat zich ter hoogte van het plangebied in het Holoceen mogelijk helemaal geen afzettingen op het pleistocene dekzand hebben gevormd, kunnen vindplaatsen uit de periode Mesolithicum t/m Vroege Middeleeuwen worden verwacht in de top van het dekzand. Zolang niet duidelijk is in hoeverre de top van dekzand nog intact aanwezig is in het plangebied, wordt de verwachting hierop hoog ingeschat. Uit het Mesolithicum zijn in de ruime omgeving al vindplaatsen aangetroffen. Archeologische waarden uit deze periode kunnen bestaan uit kleine nederzettingsterreinen, zogenaamde extractiekampen (5 tot 10 m 2), of basiskampen, die een ruimere omvang hebben. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich door een vondstverspreiding van vuursteen. Ook kunnen ondiepe grondsporen (crematiegraven, haardplaatsen) worden aangetroffen. De waarde van vuursteenvindplaatsen wordt grotendeels bepaald door de mate van intactheid van het bodemprofiel. Van belang is daarom de mate van verstoring van het bodemprofiel in beeld te brengen. De kans is aanwezig dat het bodemprofiel is aangetast door landbouw, boomwortels en/of 20ste-eeuwse bouwactiviteiten

41

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

(bijgebouwen van het klooster). Indien het bodemprofiel te zeer verstoord is, zal de verwachting voor vuursteenvindplaatsen naar beneden moeten worden bijgesteld. Datering

Mesolithicum

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen een vondststrooiing, ondiepe grondsporen

Omvang

Vuursteenvindplaats: zeer klein tot groot (< 50 m² - > 1.000 m²)

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Top dekzand: mogelijk direct onder de bouwvoor

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van later gebruik (o.a. landbouw, bomen, aanwezigheid van beschermend esdek)

Mogelijke verstoringen

Landbouw, bomen, kabels en leidingen, voormalige 20ste-eeuwse bebouwing (bijgebouwen klooster)

De hoge kans op het aantreffen van vindplaatsen uit het Neolithicum wordt ingegeven door de ligging op de dekzandrug, maar tevens door vuursteenvondsten uit deze periode die de laatste jaren op het dekzand zijn aangetroffen. Vindplaatsen kunnen bestaan uit woningen en erven. Huisplaatsen uit deze periode kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen) en vondststrooiingen met aardewerk en vuursteen. Net als het geval is voor vindplaatsen uit het Mesolithicum, kan bij een verstoring van het bodemprofiel de verwachting voor wat betreft vondststrooiingen naar beneden worden bijgesteld. Indien de verstoring beperkt is tot de bovenzijde van het podzolprofiel, blijft de kans op archeologische sporen bestaan. In de omgeving van het plangebied zijn nog maar weinig vindplaatsen aangetroffen uit de Brons‐ en IJzertijd. Dit heeft mede te maken met het natte karakter van het landschap gedurende deze periode. De hoge ligging van het plangebied zal echter interessant zijn geweest voor bewoning, waarbij het nattere landschap ten noorden van de dekzandrug zorgde voor een brede waaier aan jacht‐ en andere mogelijkheden. In hooggelegen overgangszones (zoals bijvoorbeeld bij Nieuw Namen, de Kop van Schouwen en de Brabantse Wal) zijn al resten uit deze periode aangetroffen.

Vindplaatsen kunnen bestaan uit woningen en erven, maar ook uit grafvelden. Vindplaatsen met huisplaatsen uit deze perioden kenmerken zich door het voorkomen van (dieper ingegraven) grondsporen (paalsporen, afvalkuilen, greppels, waterkuilen). Voor wat betreft grafvelden kunnen de sporen uit graven bestaan, maar ook uit grafheuvels, kringgreppels (rond de grafheuvels) en/of palenzettingen. Indien binnen het plangebied de bovenzijde van het bodemprofiel verstoord is, zullen de ondiepe archeologische sporen mogelijk verdwenen zijn, maar dieper reikende sporen kunnen wel bewaard zijn gebleven. Op basis van het bureauonderzoek is vastgesteld dat er een kans is dat zich binnen het plangebied veen heeft ontwikkeld. Indien dit daadwerkelijk is gebeurd, kan het gebied in de Bronstijd en Vroege IJzertijd juist minder interessant zijn geweest voor bewoning. Zolang echter onbekend is of, wanneer en hoelang zich veen heeft ontwikkeld, blijft de hoge archeologische verwachting behouden. Vindplaatsen uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen zijn bekend in de omgeving: voor wat betreft Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen in Axel en voor wat betreft IJzertijd en Romeinse tijd ten zuiden van de Belgische grens.

Vindplaatsen uit deze periode kunnen bestaan uit rurale nederzettingsterreinen met boerderijen (houten palen en paaltjes, greppelstructuren, afvalkuilen, waterputten, paalgaten), infrastructuur, aardewerk, botmateriaal, bewerkt natuursteen (vuursteen, maalstenen). Net als bij de voorgaande perioden zullen, indien de bovenzijde van het bodemprofiel verstoord is, de ondiepe archeologische sporen mogelijk verdwenen zijn. Dieper reikende sporen kunnen dan nog wel bewaard zijn gebleven.

42

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Indien er veenontwikkeling heeft plaatsgevonden, kunnen mogelijke vindplaatsen uit de Late IJzertijd, Romeinse tijd en Vroege Middeleeuwen zich op dit veen gesitueerd hebben. In dat geval kunnen deze bij het winnen van veen in de Late Middeleeuwen verloren zijn gegaan. Indien de veenlaag slechts dun was, kunnen veel dieper reikende sporen tot in het onderliggende dekzand doorgelopen hebben en bijgevolg bewaard zijn gebleven. Datering

Neolithicum – Vroege Middeleeuwen

Complextype

Algemeen – niet gespecificeerd: bewoning, begraving, infrastructuur, industrie en nijverheid, agrarische productie en voedselvoorziening

Soort vindplaats

Vindplaatsen met alleen grondsporen; vondststrooiing mogelijk

Omvang

Huisplaats: 500-2.000 m²; nederzetting: 2.000-8.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen worden bestempeld: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; mogelijk voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen

Vondstdichtheid

Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Top dekzand: mogelijk direct onder de bouwvoor

Locatie

Volledige plangebied

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van later gebruik (o.a. wel of geen veenwinning, landbouw, bomen, aanwezigheid van beschermend esdek) Landbouw, bomen, kabels en leidingen, voormalige 20ste-eeuwse bebouwing

Mogelijke verstoringen

In de Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd lag het plangebied buiten de stadskern van Hulst. Op basis van de historische informatie zijn er aanwijzingen voor bewoning/bebouwing van het uiterst westelijke deel van het plangebied halverwege de 16de eeuw, en voor een klein bouwwerk (2 x 2 m) gerelateerd aan een tuin in het zuidwesten van het plangebied in de eerste helft van de 19de eeuw. Voor deze twee zones binnen het plangebied geldt vooralsnog een hoge verwachting voor de Nieuwe Tijd (zone in zuidwesten), respectievelijk Nieuwe Tijd en (mogelijk) Late Middeleeuwen (zone in westen; i.v.m. kans dat de mogelijk aanwezige 16e-eeuwse bewoning een eerdere fase had in de Late Middeleeuwen). Voor het overige ziet het ernaar uit dat het plangebied tot aan de 20 ste eeuw enkel als landbouw- en bosgrond is gebruikt. Als gevolg van landbouwactiviteiten kan binnen het plangebied (een restant van) een esdek aanwezig zijn, dat contextloos vondstmateriaal kan bevatten. Datering

Late Middeleeuwen - Nieuwe Tijd

Complextype Soort vindplaats Omvang

Bewoning, erf, tuin. Vindplaatsen met alleen grondsporen (o.a. muurwerk) Huisplaats: 500-2.000 m²

Uiterlijke kenmerken

Vondstdichtheid

Voorkomen van archeologische indicatoren zoals aardewerk, verbrand bot, vuursteen, verbrande botanische resten. Maar ook indicatoren die niet met zekerheid als antropogeen kunnen bestempeld worden: onbewerkt natuursteen, onverbrand bot, onverbrand botanisch materiaal; voorkomen van 'vuile' laag of antropogeen doorwerkte bodem/sporen(niveau); voorkomen van leef-, cultuur- of ophooglagen Zeer laag tot laag: < 40 tot 80 per m²

Diepteligging

Direct onder het bestaande maaiveld

Locatie

In het westen resp. zuidwesten van plangebied

Gaafheid en conservering

Afhankelijk van later gebruik (landbouw, bomen, verstoringen)

Mogelijke verstoringen

Landbouw, bomen, kabels en leidingen, bebouwing

43

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

3

Inventariserend veldonderzoek

3.1

Methoden

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het Inventariserend Veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). In de aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland staat immers beschreven dat het, op basis van het voorafgaand bureauonderzoek, opgestelde archeologisch verwachtingsmodel door een verkennend booronderzoek moet worden getoetst. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4003 (IVO-O) van de KNA 4.1, de Aanvullende Richtlijnen van de Provincie Zeeland (2019) en het hiertoe opgestelde Plan van Aanpak58. Het verkennend booronderzoek is niet de meest geschikte methode voor het in kaart brengen van (de aan- of afwezigheid) van archeologische vindplaatsen; dit vormde evenwel ook niet het doel van het onderzoek, waarbij het bepalen van de landschappelijke vormeenheden en het toetsen van het archeologische verwachtingsmodel voorop stond. De strategie en werkwijze is afgestemd op de bovengenoemde richtlijnen en in onderstaande tabel opgenomen: Aantal boringen

24

Grid

Verspringend driehoeksgrid (35 x 35 m)

Dichtheid

8 boringen per hectare

Plaats- en hoogtebepaling

RTK-GNSS (GPS & GLONASS, max. afwijking horizontaal/verticaal= 2cm)

Boorgegevens

Digitaal vastgelegd op iPad

Gebruikte codelijsten - standaard

(afgeleide van) ASB (Archeologische Standaard Boorbeschrijvingsmethode) en ABR (Archeologisch Basis Register)

Boordiepte

Tot in Laagpakket van Wierden; 50% doorzetten ter opsporing paleosols

Gehanteerde boor

Edelmanboor (Ø 7 cm tot circa 1,0 m -mv), Gutsboor (Ø 3 cm)

Opsporen indicatoren

In het veld visueel door versnijden/verbrokkelen

Monstername

Geen

Oppervlaktekartering

Geen

Tijdens het beschrijven van de boringen is verder specifieke aandacht besteed aan de volgende geologische en bodemkundige kenmerken: ⎯ de aard, kleur en kalkgehalte van het sediment ⎯ aard van de laagovergangen (erosieverschijnselen) ⎯ de genese van de laag ⎯ bodemvormende kenmerken (bodemvorming/veraarding, ontkalking, rijping e.d.) ⎯ de diepteligging van het reductievlak Er is zoveel mogelijk geboord volgens een verspringend driehoeksgrid van 35 x 35 m. Op meerdere plaatsen is echter van het grid afgeweken vanwege de aanwezigheid van bebouwing, kabels, leidingen, boomwortels en/of vanwege slechte GPS-ontvangst. De boorpuntenkaart wordt afgebeeld op figuur 21, de boorstaten zijn opgenomen in bijlage 4.

58 Wattenberghe & Van den Berg, 07-06-2021: Plan van Aanpak Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende

boringen Hulst Zoutestraat 61a.

44

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Figuur 21 Boorpuntenkaart op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

3.2

Geologie en bodem

Het booronderzoek heeft een goed beeld opgeleverd van de bodemopbouw binnen het plangebied. In het hele plangebied bestaat de natuurlijke ondergrond uit pleistoceen dekzand. In twee boringen is in het pleistocene dekzand een mogelijke paleosol aangetroffen. In een aantal boringen is tevens nog een intacte, dan wel deels intacte podzolbodem waargenomen; in het merendeel van de boringen is de oorspronkelijke top van het dekzand echter verdwenen. Tevens zijn in een aantal boringen sporen van agrarisch landgebruik te zien. De natuurlijke ondergrond wordt op veel plaatsen afgedekt door een of meer opgebrachte lagen. Hieronder worden deze zaken nader beschreven. Natuurlijke ondergrond De natuurlijke ondergrond bestaat uit pleistoceen eolisch dekzand, behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Deze bestaat uit zwak siltig, zeer fijn zand. De overwegend lichte kleur varieert van witgrijs tot gele en bruine tinten. Het aantreffen van het Laagpakket van Wierden is in lijn met de resultaten van het bureauonderzoek. Mogelijke paleosol Een paleosol is een restant van een bodem uit een oudere periode dan het Holoceen. In Zeeuws-Vlaanderen worden dergelijke bodems soms in het pleistocene dekzand aangetroffen. Deze paleosols kunnen in theorie archeologische resten bevatten uit het Paleolithicum.

45

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

In twee boringen (boringen 14 en 22) is in de C-horizont mogelijk een (restant van een) paleosol aangetroffen. In boring 14, in de noordwestelijke randzone van het plangebied, is dit een o,65 m dikke, compacte donkerbruine laag met soms een humeus brokje. Deze laag is aanwezig vanaf een diepte van 1,75 m -mv/ 0,07 m -NAP. In boring 22, in het noordoosten van het plangebied, is vanaf 2,10 m -mv/ 0,31 m -NAP sprake van een 0,05 m dun zwak humeus, bruingrijs, donkerbruin gevlekt laagje met humeuze brokken. De vastgestelde dieptes wijken niet sterk af van de dieptes waarop in de omgeving een paleosol is aangetroffen (paragraaf 2.4). Voor beide boringen moet echter worden opgemerkt dat de betreffende laag zich minder duidelijk aftekende dan in andere onderzoeken is waargenomen. Bovendien is in de overige boringen niets aangetroffen dat voor een paleosol kan doorgaan, terwijl meer dan de helft van de boringen extra diep is doorgezet. Zodoende moet een slag om de arm worden gehouden of hier daadwerkelijk van een paleosol sprake is. Podzolbodem Een podzolbodem is een typisch fenomeen voor de dekzandbodems zoals ze ook hier voorkomen. Het vóórkomen van een podzol is een indicator voor de aanwezigheid van een intacte natuurlijke ondergrond en daarmee voor de mogelijke aanwezigheid van archeologische resten.

Is de podzol volledig intact, dan kan het gaan om vindplaatsen met zowel grondsporen als vondststrooiingen. Is de podzol deels intact, dan kunnen er nog vindplaatsen met grondsporen aanwezig zijn. Een podzol bestaat in intacte vorm uit de opeenvolging van een aanrijklaag (A-horizont), een bleke uitspoelingslaag (E-horizont), en een inspoelingslaag (B-horizont). De moederbodem, waarop geen bodemvormende processen invloed hebben gehad, duidt men aan met de term C-horizont. In minder sterk uitontwikkelde bodems treft men ook lagen aan die kenmerken van beide lagen combineren. In dat geval worden de bodemlagen of horizonten benoemd met een combinatie van letters waarvan ze karakteristieken vertonen. In geen van de 24 boringen is een E-horizont waargenomen, hetgeen betekent dat nergens een echt volledig intacte podzol is aangetroffen. Hieruit volgt dat het bovenste deel van de top van het dekzand niet meer aanwezig is. In acht boringen valt nog wel een deels intact bodemprofiel aan te wijzen. Dit zijn boringen 1, 2 en 5 in de zuidwestelijke hoek van het plangebied, 17, 18 en 22 in de noordoostelijke hoek, en 7 en 21 in het westen. In al deze boringen wordt de C-horizont afgedekt door een BC-horizont, met in een aantal gevallen hierop nog een B-horizont.

De B of BC bevindt rond dieptes van 0,25 – 0,85 m -mv/ 0,84 - 1,50 m +NAP en de C vanaf ongeveer 0,50 - 1,00 m -mv/ 0,70 - 1,20 m +NAP. In boringen 1, 2, 18 en 22, in respectievelijk het zuiden en het noordoosten van het plangebied, is verder sprake van een A-horizont die aan, of net onder, het maaiveld ligt, rond 1,70 - 1,80 m +NAP. Deze horizont vertoont hier sporen van bewerking in de vorm van ploegen. Dit zijn de enige vier boringen waarin geen sprake is van opgebrachte grond. In de overige 15 boringen is de mate van verstoring dermate groot dat alleen nog een C-horizont aanwezig is, in enkele gevallen wel afgedekt door een A-horizont. Alleen een C-horizont, al dan niet met een A, is aangetroffen in het hele zuidoostelijke deel van het plangebied (boringen 4, 9, 10, 11, 15 en 16). De top van de natuurlijke ondergrond werd hier gemeten op nogal uiteenlopende dieptes, variërend van 0,40 tot 1,60 m -mv en van 0 tot 72 m +NAP. Tevens geldt dit voor grote delen van de noordwestelijke helft van het plangebied (boringen 3, 6, 8, 12, 13, 14, 19, 20 en 23). De top van de natuurlijke ondergrond werd hier gemeten op dieptes variërend van 0,55 m tot maar liefst 2,10 -mv en van 0,15 m NAP tot 1,21 m +NAP.

Hoeveel er per boring precies van de natuurlijke ondergrond is verdwenen, is vaak lastig vast te stellen, omdat de onderlinge hoogteverschillen waarschijnlijk ook deels te verklaren zijn door het oorspronkelijke, plaatselijke microreliëf. Bij boring 12 is de diepste verstoring gemeten; hier werd onder drie opgebrachte lagen pas een C-horizont aangetroffen op een diepte van 2,10 m -mv/ 0,15 m -NAP. Mogelijk valt de verstoring op deze plek in verband te brengen met bebouwing die in de 20ste eeuw bij het kloostergebouw heeft gestaan. Ook de verstoringen ter hoogte van boringen 4, 19 en 23 vallen daar vermoedelijk wel door te verklaren. Niet voor elke verstoring is echter een verklaring aan te dragen op basis van historische gegevens. Daar waar de C direct wordt afgedekt door een A-horizont, zal op enig moment de bovenkant van de bestaande podzol zijn verstoord, waarna door landbouw of andere antropogene activiteiten een A-horizont ontstond. In boringen 6 en 15 is waargenomen dat de A regelmatig is geploegd dan wel bewerkt en dat hier sprake lijkt te zijn van een restant van een plaggendek/oude akkerlaag met een dikte van 0,45 – 0,60 m. Over boring 3 valt nog op te merken dat de A hier rode puinbrokjes bevat. Het is mogelijk dat de A ter hoogte van deze boring in verband te brengen is met de tuin die hier is geweest in de 19de eeuw (paragraaf 2.3.1).

In boring 24 bevat de AB-horizont puinspikkels; hier is op basis van historische informatie geen verklaring voor te geven. 46

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Opgebrachte lagen In het grootste deel van het plangebied wordt de natuurlijke ondergrond afgedekt door een of plaatselijk meer lagen opgebrachte grond. De totale dikte van het opgebrachte materiaal loopt per boring sterk uiteen, van 0,40 tot 2,10 m. De opgebrachte grond bevat in veel gevallen archeologische indicatoren (zie paragraaf 3.3), die op basis van hun aard niet precies te dateren zijn. Het ligt evenwel voor de hand om de opgebrachte grond te relateren aan de ontwikkeling en het landgebruik uit de tijd van het klooster in de 20ste eeuw en aan de verdere ontwikkeling van het terrein in de 21ste eeuw ten behoeve van het Reynaertcollege. Alleen in boringen 1, 2, 18 en 22 ontbreekt opgebrachte grond; dit zijn boringen waar een deels intacte podzol werd vastgesteld. In onderstaande figuur worden de zojuist beschreven resultaten samengevat.

Figuur 22 Weergave van de resultaten, per boring. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

47

ARTEFACT RAPPORT 628

3.3

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Archeologie

Tijdens het verkennend booronderzoek zijn in vijftien boringen archeologische indicatoren aangetroffen in de vorm van brokjes en spikkels puin dan wel baksteen en/of (in boring 11:) houtskool. Deze indicatoren bevinden zich meestal in de lagen opgebrachte grond en zijn waarschijnlijk voor het overgrote deel in de 20ste eeuw te dateren. In twee boringen (boringen 3 en 24) bevonden de indicatoren zich tevens in de A- respectievelijk AB-horizont. Wat betreft boring 3 is de A-horizont met indicatoren mogelijk in verband te brengen met de tuin die zich hier bevond in de 19de eeuw (figuur 15). Er zijn geen archeologische resten aangetroffen die zonder meer in verband te brengen zijn met 16de-eeuwse bebouwing in het westen van het plangebied, zoals deze staat aangegeven op de kaart van Van Deventer (figuren 11 en 12). Er zijn in de boringen in dit deel van het plangebied (boringen 7, 8 en 14) wel puinbrokjes/puinbrokken aangetroffen, maar deze bevonden zich in lagen opgebrachte grond.

48

ARTEFACT RAPPORT 628

4

Conclusie en Advies

4.1

Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Op basis van de beschikbare aardwetenschappelijke, archeologische en historische gegevens uit het bureauonderzoek werd een gespecificeerd archeologisch verwachtingsmodel opgesteld. Op basis van de resultaten van het uitgevoerde booronderzoek kunnen de onderstaande onderzoeksvragen beantwoord worden en het verwachtingsmodel bijgesteld en verfijnd worden. ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? In het plangebied is pleistoceen dekzand aanwezig. In het noordwesten en in het noordoosten van het plangebied is in dit dekzand mogelijk een (restant van een) paleosol aanwezig, op een diepte van 1,75 - 2,40 m -mv/ 0,07 – 0,72 m -NAP. De top van het dekzand is plaatselijk deels intact in zones in het zuiden, noordoosten en westen van het plangebied. Met name in het oosten en centrale deel van het plangebied is het profiel echter tot in de C-horizont verstoord geraakt. In verreweg het grootste deel van het plangebied wordt de natuurlijke ondergrond afgedekt door een of meer lagen opgebrachte grond. De aangetroffen lithostratigrafie is in lijn met het verwachtingsmodel dat was opgesteld op basis van het bureauonderzoek (paragraaf 2.6). ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? In een groot deel van het plangebied, met name in het oosten en het centrale deel, is de bodem niet meer intact.

De verstoringen zijn waarschijnlijk veroorzaakt door land- en/of bosbouw, het 20ste-eeuws gebruik van het terrein ten behoeve van het klooster en (in mindere mate) de 21ste-eeuwse ontwikkeling tot schoolterrein. ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Er zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van vindplaatsen vastgesteld. ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? Op basis van het bureauonderzoek is de verwachting voor het Paleolithicum in het hele plangebied middelhoog, voor Mesolithicum t/m Vroege Middeleeuwen in het hele plangebied hoog, en voor Late Middeleeuwen en Nieuwe Tijd in zones in het (zuid-)westen van het plangebied hoog. Op basis van het booronderzoek kan de verwachting op een aantal punten worden bijgesteld. De bijgestelde verwachting wordt weergegeven op figuur 23. -

Voor het Paleolithicum kan de middelhoge verwachting worden afgebakend tot twee zones in het noordwesten en noordoosten van het plangebied (roze gearceerd op figuur 23), vanwege het aantreffen van een mogelijke paleosol. Voor de rest van het plangebied, waar een dergelijke laag tot op de maximale boordiepte (circa 3,00 m -mv) niet is aangetroffen, kan de verwachting worden bijgesteld naar laag.

-

Voor het Mesolithicum kan de hoge verwachting voor het hele plangebied worden bijgesteld naar laag. Vindplaatsen uit deze periode kenmerken zich door vuursteenvindplaatsen of andere vondststrooiingen en/of enkele ondiepe grondsporen. Dergelijke vindplaatsen zijn alleen te verwachten in de top van een volledig intact profiel. Van een volledig intact profiel is echter nergens in het plangebied sprake.

-

Voor het Neolithicum t/m Vroege Middeleeuwen kan de hoge verwachting in stand blijven in zones in het zuiden, noordoosten en westen van het plangebied (de met groen aangegeven gebieden op figuur 23), waar een deels intacte podzol is aangetroffen.

-

Het booronderzoek geeft geen aanleiding om de hoge verwachting voor Late Middeleeuwen en Vroege Nieuwe Tijd in het westen van het plangebied (aangegeven met de blauwe arcering op figuur 23) aan te passen, voor wat betreft bewoning die staat aangegeven op de kaart van Van Deventer. Het feit dat hiervan 49

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

(nog) geen archeologische resten zijn aangetroffen en dat er plaatselijk verstoringen zijn vastgesteld, hoeft niet te betekenen dat hier helemaal geen resten, zoals funderingen, meer aanwezig zijn. Booronderzoek is immers niet de meest geschikte manier om een vindplaats op te sporen. -

Voor de 19de-eeuwse tuin in de zuidwesthoek van het plangebied (Late Nieuwe Tijd) kan de verwachting naar laag worden bijgesteld. Omdat van de oorspronkelijke top van het Laagpakket van Wierden in deze hoek niets meer over is, bestaan mogelijke archeologische resten hier waarschijnlijk alleen nog uit contextloos vondstmateriaal in de A-horizont. Omdat het om een tuin ging, zal de hoeveelheid en kwaliteit bovendien gering zijn.

Figuur 23 Verwachtingskaart op basis van het bureau- en booronderzoek. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors.

⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? Details van de voorgenomen planontwikkeling zijn nog niet bekend. Daar waar in het plangebied sprake is van geen, of slechts beperkte verstoring van de ondergrond, kunnen eventueel aanwezige archeologische waarden worden bedreigd door planontwikkeling. Dit verschilt per deel van het plangebied. In paragraaf 4.2 volgt daarom een advieskaart waarop duidelijk wordt om welke zones het gaat. ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd? De archeologische waarde van delen van het plangebied is niet in voldoende mate in kaart gebracht. In specifieke zones in het plangebied geldt een hoge dan wel middelhoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden 50

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14835979/1