CConstaterende datHulst
Koppel je AI →
Document · PDF

21-297 BP Reynaertcollege - versie 231128

Gemeenteraad 12 december 2024, gemeente HulstBij agendapunt: Vaststellen bestemmingsplan Reynaertcollege Hulst29.324 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

De te hanteren afstanden worden gebaseerd op het plaatsgebonden risico (PR) en het groepsrisico (GR). Het PR is de kans dat een persoon, die zich continu onbeschermd op een zekere afstand van de risicovolle activiteit bevindt, komt te overlijden als gevolg van die activiteit. De wettelijke norm voor het plaatsgebonden risico bedraagt 10-6. Het groepsrisico (GR) geeft de kans per jaar dat een groep mensen van een zekere omvang (10, 100 of 1.000 mensen) binnen het invloedsgebied tegelijk slachtoffer wordt van een ongeval. Hiermee is het een maat voor de maatschappelijke ontwrichting in het geval dat er zich een ramp voordoet. Het groepsrisico wordt weergegeven in een curve waarin het aantal personen is afgezet tegen de kans per jaar op (gelijktijdig) overlijden. Ten aanzien van het groepsrisico bestaat er voor gemeenten een verantwoordingsplicht. Kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten staan gedefinieerd in Bevi artikel 1.

Conform artikel 5.16 van de Wet milieubeheer en de ‘Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen)’.

2

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 27

De volgende constateringen gelden: • Een middelbare school wordt gekenschetst als een kwetsbaar object. In dit geval wordt een bestaand kwetsbaar object uitgebreid. • In en nabij het plangebied bevinden zich geen inrichtingen waar gevaarlijke stoffen worden open/of overgeslagen. • Op de ‘Atlas Leefomgeving’ zijn voor het plangebied geen buisleidingen weergegeven die relevant zijn voor het aspect externe veiligheid. • Binnen de gemeente Hulst vindt beperkt vervoer van gevaarlijke stoffen over de weg plaats. Het gaat hierbij voornamelijk om het laden en lossen bij twee bedrijven. Hiervoor heeft de gemeente twee routes vastgelegd in de Routering vervoer van gevaarlijke stoffen. Deze routering is vastgesteld op 13 april 2017. De frequentie van het vervoer is zodanig dat de PR-contour ter plaatse niet buiten de weg is gelegen. De dichtstbijzijnde route ligt op 780 meter van het plangebied. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van ongevallen met giftige stoffen op deze route. In dit bestemmingsplan zijn redelijkerwijs geen ruimtelijk relevante maatregelen te nemen zoals het uitsluiten van nieuwe risicobronnen, uitsluiten van ontwikkelingen voor grote groepen personen of meer afstand tussen risicobron en ontvangers. Externe veiligheid vormt geen belemmering voor het bestemmingsplan.

Het advies van de veiligheidsregio is om de volgende maatregelen te realiseren teneinde de risico’s te beperken en de mogelijkheden tot zelfredzaamheid te vergroten: 1. Ventilatie: Maak de bebouwing luchtdicht afsluitbaar. Dit houdt in dat ramen, deuren en ventilatieroosters te sluiten zijn (inclusief automatische schuifdeuren) en dat de mechanische ventilatie met een eenvoudige druk op een knop uitgeschakeld kan worden. Met deze maatregelen wordt het binnendringen van giftige stoffen tegengegaan. 2. Risicocommunicatie: Informeer gebruikers over het handelingsperspectief bij een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit handelingsperspectief is als volgt: Blijf binnen of ga naar binnen. Sluit ramen, deuren en ventilatieroosters. Schakel de mechanische ventilatie uit. Schuil midden in het gebouw. Volg de instructies van de overheid via NL-alert, www.zeelandveilig.nl en eventueel calamiteitenzender Omroep Zeeland. Blijf binnen tot via deze kanalen het sein veilig is gegeven. Bijlage 1 bij dit advies omvat een infographic met dit handelingsperspectief. Ons advies is om dit aan alle toekomstige gebruikers te verstrekken. 3. BHV-/ontruimingsplan: Neem het scenario van een ongeval met gevaarlijke stoffen en het bovengenoemd handelingsperspectief op in het BHV-/ontruimingsplan van de organisatie.

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 28

5 Juridische vormgeving 5.1 Standaard vergelijkbare bestemmingsplannen (SVBP) De Wet ruimtelijke ordening (Wro) en het daarbij behorende Besluit ruimtelijke ordening (Bro) vormen het wettelijk kader voor het bestemmingsplan. Nieuwe ruimtelijke plannen moeten digitaal, uitwisselbaar en vergelijkbaar zijn. Tevens worden deze plannen en verordeningen digitaal beschikbaar gesteld voor burgers, bedrijven en medeoverheden. In het Bro is verankerd dat een vergelijkbaar ruimtelijk plan is opgebouwd volgens de Standaard Vergelijkbare BestemmingsPlannen (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan is opgebouwd en vormgegeven conform de bindende afspraken van de SVBP 2012.

5.2 Opzet bestemmingsregeling Verbeelding De grens van het bestemmingsplangebied is gelijk aan de buitenste grens van de percelen als genoemd in paragraaf 2.2. De nieuwbouw van de uitbreiding past net niet binnen het bouwvlak in het vigerende bestemmingsplan. Het bouwvlak wordt licht aangepast en binnen het bouwvlak vervalt het maximum bebouwingspercentage van 64% en wordt de maximum goothoogte 13 meter. Verder wordt de bestemming Groen ter plaatse van de beoogde fietsenstalling aan de zijde van de Zandstraat omgezet in de bestemming Maatschappelijk. Er wordt daarin op enige afstand van de Zandstraat en de zijdelingse perceelsgrens een bouwvlak gelegd met een maximum goothoogte van 3 meter voor het realiseren van de fietsenberging. Dit bouwvlak grenst aan het bouwvlak voor de gymzaal. De huidige configuratie van gymzaal en fietsenstalling beslaat bijna 60% van het bouwvlak, ten behoeve van enige flexibiliteit wordt het maximum bebouwingspercentage op 70% gezet. Ten slotte wordt de archeologische dubbelbestemming op grond van het archeologisch onderzoek en het advies daarover gewijzigd op het perceel Hulst sectie B nummer 2391. Ter plaatse vervalt voor een deel de dubbelbestemming Waarde Archeologie 2 (zie figuur 13). Planregels De regels die deel uitmaken van het bestemmingsplan 'Kernen Hulst 1H' zijn onverkort van toepassing op voorliggend bestemmingsplan.

Het begrip 'plan' en de slotregel zijn gewijzigd ten opzichte van het geldende bestemmingsplan.

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 29

6 Uitvoerbaarheid en handhaving 6.1 Economische uitvoerbaarheid Wanneer met een juridisch-planologisch plan een bouwplan, zoals gedefinieerd in artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening, mogelijk wordt gemaakt, dient conform artikel 6.12 Wet ruimtelijke ordening een exploitatieplan te worden opgesteld. De uitbreiding van het schoolgebouw is een bouwplan. Een exploitatieplan is niet nodig indien het kostenverhaal anderszins is verzekerd. De kosten voor het opstellen van het bestemmingsplan, de exploitatiekosten en eventuele planschade zijn voor rekening van de gemeente. Geconcludeerd kan worden dat de economische uitvoerbaarheid in voldoende mate is verzekerd.

6.2 Handhaving Handhaving van regelgeving vraagt om actuele regels. Regels die zijn gebaseerd op gedateerde inzichten, hebben hun geloofwaardigheid verloren en kunnen in redelijkheid ook niet meer afgedwongen worden. Door verouderde regels neemt de kans op misbruik daarvan ook toe. De regels van het bestemmingsplan leggen een ruimtelijk relevante norm vast, met in bepaalde gevallen een daaraan gekoppelde bevoegdheid tot afwijken, die het bestuur de mogelijkheid geeft in te spelen op de dynamiek van de samenleving. Op die wijze wordt ook de gelegenheid geboden een belangenafweging te maken van de individuele belangen ten opzichte van het algemeen belang. Afwijkingsbevoegdheden zijn echter gelimiteerd. Daar waar geen afwijkingen meer mogelijk zijn begint de handhaving. Handhaving van bestemmingsplannen en ruimtelijke regelgeving is de laatste jaren in een steeds verder toenemende belangstelling komen te staan van bestuurlijk Nederland. Door het plaatsvinden van enkele ingrijpende incidenten is de handhaving in een stroomversnelling gekomen. In toenemende mate spreken burgers de gemeente aan op het handhaven van de (eigen) regels. Ook in de jurisprudentie is een verandering tot stand gekomen. De rechter spreekt zich nadrukkelijk uit over het handhaven van de regelgeving en neemt zelfs in beginsel een plicht tot handhaving aan.

Daarnaast krijgt de rechtszekerheid van bestemmingsplannen bij de rechterlijke toetsing een steeds belangrijkere rol. Voor een aanvaardbaar handhavingsbeleid wordt in de eerste plaats gestreefd naar een voldoende draagvlak voor het bestemmingplan en de daarin opgenomen regels. Een bestemmingsplan met weinig draagvlak houdt immers het risico in dat het slecht wordt nageleefd en is dan weinig zinvol. In verband hiermee is het bestemmingsplan zodanig opgezet dat het voor zoveel mogelijk betrokkenen een duidelijke, toegankelijke en op de hedendaagse behoeften en eisen afgestemde bestemmingsregeling bevat. Verder wordt informatie verstrekt omtrent de inhoud van het bestemmingsplan. Hiermee wordt onder andere beoogd het begrip bij de burger te vergroten. Het geven van voorlichting vormt daarmee ook een belangrijke schakel in de handhavingsactiviteiten. Van gemeentewege worden hiertoe de nodige activiteiten ondernomen, waaronder een informatieavond. Daarnaast worden de regels in de praktijk toegepast en gehandhaafd. Ten aanzien van overtredingen zal een actief handhavingsbeleid worden gevoerd. Getracht wordt de controlewerkzaamheden ten Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 30

aanzien van geconstateerde overtredingen op een intensieve manier uit te voeren. Handhavingsactiviteiten worden zoveel mogelijk onderling afgestemd. Controle in het kader van het bestemmingsplan wordt gekoppeld aan controle in het kader van milieuwetgeving en omgekeerd. Dit is van belang om de benodigde inzet van extra middelen zo beperkt mogelijk te houden, maar ook om tot een samenhangend handhavingsbeleid te komen. Tegen activiteiten, die in strijd zijn met het bestemmingsplan zal het gemeentebestuur, administratiefrechtelijk optreden, op grond van de Gemeentewet en de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Wanneer eenmaal sancties moeten worden getroffen, zal dit op consistente wijze, maar met oog voor de juridische spelregels, worden gedaan. Indien de activiteiten niet kunnen worden gelegaliseerd, zullen de instrumenten van aanschrijving, stillegging bouw, bestuursdwang en dwangsom worden toegepast. De uitvoering van de strafrechtelijke vervolging ligt in handen van het Openbaar Ministerie.

6.3 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Op basis van artikel 3.1.1 Bro is het bestemmingsplan in vooroverleg gezonden naar de provincie Zeeland, het Waterschap Scheldestromen, de Veiligheidsregio Zeeland en de GGD. De GGD heeft niet gereageerd. Het waterschap heeft aangegeven akkoord te zijn. De provincie Zeeland heeft aangegeven dat bij de verbouwing van het monumentale deel van de school advies van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed nodig is en dat de Aeriusberekening moet worden geactualiseerd op basis van de nieuwste versie. De verbouwing van het monumentale deel komt bij de vergunningaanvraag aan de orde, niet bij het bestemmingsplam. De Aeriusberekening is geactualiseerd. De Veiligheidsregio Zeeland heeft aangegeven dat het plangebied wel binnen het invloedsgebied van de transportroute voor gevaarlijke stoffen ligt, maar dat er redelijkerwijs geen ruimtelijk relevante maatregelen te nemen zijn zoals het uitsluiten van nieuwe risicobronnen, uitsluiten van ontwikkelingen voor grote groepen personen of meer afstand tussen risicobron en ontvangers. Het advies om maatregelen te nemen die de veiligheid verhogen, zijn opgenomen in paragraaf 4.8. Het ontwerp bestemmingsplan wordt gedurende zes weken ter visie gelegd.

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 31

BESTEMMINGSPLAN REYNAERTCOLLEGE HULST Bijlagen bij de toelichting

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 32

Bijlage 1. Historische kaartenreeks

Plangebied en omgeving, omstreeks 1850 (bron Topotijdreis)

Plangebied en omgeving, omstreeks 1910 (bron Topotijdreis)

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 33

Plangebied en omgeving, omstreeks 1950 (bron Topotijdreis)

Plangebied en omgeving, omstreeks 1990 (bron Topotijdreis)

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 34

Plangebied en omgeving, omstreeks 2020 (bron Topotijdreis)

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 35

Bijlage 2. Archeologisch onderzoek (bureau- en inventariserend veldonderzoek) Artefact, juni 2023

Toelichting - Bestemmingsplan ‘Reynaertcollege Zoutestraat 61A Hulst’ - 36

ARTEFACT! RAPPORT 628

Hulst Zoutestraat 61a Gemeente Hulst Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

M. van den Berg J.E.M. Wattenberghe

Colofon Titel

Hulst Zoutestraat 61a. Gemeente Hulst. Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

Auteur(s)

M. van den Berg MA en drs. J.E.M. Wattenberghe

Artefact rapport

AR628

Status rapport

Definitief

Datum

4 augustus 2021

Projectcode

2021ART37

Projectleider veldwerk

Drs. F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

Projectmedewerker(s)

Drs. D. Kneuvels (veldwerk)

ISSN

2213 7424

Autorisatie

Naam

drs. F.G.R. D’hondt (Senior KNA Prospector)

Paraaf

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed! Riemensstraat 9 4543 BW Zaamslag T 0115 851614 E info@artefact-info.nl W www.artefact-info.nl

© Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed, 2021 Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed aanvaardt geen aansprakelijkheid voor eventuele schade voortvloeiend uit het gebruik van de resultaten van dit onderzoek of de toepassing van het hierin verwoorde advies. Alle figuren zijn vervaardigd door de auteur(s) tenzij anders vermeld.

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Inhoud Samenvatting ............................................................................................................................................................. 4 Administratieve Gegevens ...........................................................................................................................................5

1

Inleiding ........................................................................................................................... 7 1.1 Aanleiding van het onderzoek ..................................................................................................................... 7 1.2 Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen .............................................................................................8 1.3 Wettelijk kader en beleid ........................................................................................................................... 10 1.4 Plangebied en planvorming ....................................................................................................................... 11

2

Archeologisch bureauonderzoek ....................................................................................... 13 2.1 Methoden .................................................................................................................................................. 13 2.2 Landschap en geologie .............................................................................................................................. 14 2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling ..................................................................................................... 14

2.2.2

Aardkundige waarden ................................................................................................................. 20

2.3 Historie ...................................................................................................................................................... 25 2.3.1

Historisch-geografische ontwikkeling ...........................................................................................25

2.3.2

Verstoringsgeschiedenis ............................................................................................................... 33

2.4 Archeologische waarden ........................................................................................................................... 34 2.5 Bouw- en cultuurhistorische waarden ........................................................................................................40 2.6 Archeologisch verwachtingsmodel ............................................................................................................ 41

3

Inventariserend veldonderzoek ........................................................................................ 44 3.1 Methoden ..................................................................................................................................................44 3.2 Geologie en bodem ................................................................................................................................... 45 3.3 Archeologie ...............................................................................................................................................48

4

Conclusie en Advies ......................................................................................................... 49 4.1 Conclusie: beantwoording onderzoeksvragen ...........................................................................................49 4.2 Advies ....................................................................................................................................................... 51

Lijst met figuren ........................................................................................................................................................ 53 Bronnen .....................................................................................................................................................................54

Bijlage 1

AMZ-cyclus ..........................................................................................................................................58

Bijlage 2

Verklarende woordenlijst en afkortingen ..............................................................................................59

Bijlage 3

Tijdstabel ............................................................................................................................................ 60

Bijlage 4

Boorstaten .......................................................................................................................................... 62

3

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Samenvatting De gemeente Hulst heeft het voornemen om het bestaande Reynaertcollege aan de Zoutestraat 61a te Hulst (gemeente Hulst) uit te breiden. In het kader van de hiertoe benodigde bestemmingsplanwijziging heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd. In het kader van het bureauonderzoek werd een groot aantal bronnen bestudeerd, hetgeen heeft geleid tot een gespecificeerd verwachtingsmodel voor het plangebied. Dit model is vervolgens getoetst door het uitvoeren van een verkennend booronderzoek. Op basis van de resultaten van dit onderzoek kan gesteld worden dat: ⎯ In het plangebied pleistocene dekzandafzettingen aanwezig zijn van het Laagpakket van Wierden; ⎯ In delen van het plangebied de top van deze dekzandafzettingen nog deels intact is; ⎯ In twee boringen een mogelijke paleosol is aangetroffen; ⎯ In het westen van het plangebied volgens een kaart van Van Deventer bebouwing aanwezig was in de 16 de eeuw.

Op basis van deze bevindingen zijn in het plangebied drie zones aangewezen met een middelhoge en/of hoge verwachting op de aanwezigheid van archeologische waarden: ⎯ In zone A, in het westen van het plangebied, geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen en Late Middeleeuwen – Vroege Nieuwe Tijd. Deze kunnen hier aanwezig zijn vanaf een diepte van 0,75 m beneden maaiveld (-mv). Ook geldt in een deel van deze zone een middelhoge verwachting op archeologische resten uit het Paleolithicum; deze kunnen hier aanwezig zijn vanaf 1,75 m -mv. ⎯ In zone B, in het noordoosten van het plangebied, geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen. Deze kunnen hier aanwezig zijn vanaf een diepte van 0,25 m -mv. Ook geldt in een deel van deze zone een middelhoge verwachting op archeologische resten uit het Paleolithicum; deze kunnen hier aanwezig zijn vanaf 2,10 m -mv. ⎯ In zone C, in het zuiden van het plangebied, geldt een hoge verwachting op archeologische resten uit de periode Neolithicum – Vroege Middeleeuwen. Deze kunnen hier aanwezig zijn vanaf 0,25 m -mv.

Op basis hiervan wordt geadviseerd: ⎯ Dat de potentiële archeologische waarde van het plangebied nog niet in voldoende mate is vastgesteld; ⎯ Voor zones A, B en C in het nieuwe bestemmingsplan een dubbelbestemming waarde archeologie op te nemen; ⎯ Voor de delen van het plangebied die buiten zones A, B en C vallen, de dubbelbestemming te verwijderen; ⎯ Dat archeologisch vervolgonderzoek noodzakelijk is wanneer in deze zones bodemverstoringen plaatsvinden vanaf 0,25 m -mv (zones B en C) dan wel 0,75 m -mv (zone A). Indien, ondanks dit onderzoek, toch relevante archeologische vindplaatsen aan het licht komen, geldt een wettelijke meldingsplicht op grond van artikel 5.10 van de Erfgoedwet (2016). Voorliggend rapport is beoordeeld en goedgekeurd door de bevoegde overheid. De bevoegde overheid heeft ingestemd met het advies, behalve met de aanbeveling in het conceptrapport om de dieptevrijstellingsgrenzen aan te passen in het toekomstige bestemmingsplan. De vrijstellingsdieptes worden in de gemeente Hulst geregeld via de Vrijstellingenkaart. Hierop geldt voor het hele plangebied een vrijstellingsdiepte van 0,40 m -mv. In het kader van eventuele aanvragen voor omgevingsvergunningen kan echter gesteld worden dat archeologische resten te verwachten zijn vanaf 0,25 m -mv in zones B en C en vanaf 0,75 m -mv in zone A.

4

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Administratieve Gegevens Projectnaam

Hulst Zoutestraat 61a

Onderzoeksvorm

Archeologisch Bureauonderzoek en Inventariserend Veldonderzoek door middel van verkennende boringen

LOCATIE Provincie

Zeeland

Gemeente

Hulst

Plaats

Hulst

Adres / Locatie

Zoutestraat 61a

Hoekpunten coördinaten RD Centrum coördinaat RD

NW 62.282 / 367.448 ZW 62.236 / 367.305 62.325 / 367.335

Kaartblad

55A

Kadastraal perceel

Gemeente Hulst, Sectie B, Perceel 2391

Oppervlakte plangebied

26.767 m²

Vigerende bestemmingsplan

Kernen Hulst (2018)

NO 62.418 / 367.390 ZO 62.383 / 367.222

BEKENDE WAARDEN Gemeentelijke kern of vindplaats

Geen

AMK

Geen

Archis vondstlocatie

Geen

Zeeuws Archeologisch Depot

Geen

OPDRACHTGEVER Naam

Gemeente Hulst

Contactpersoon

Dhr. G.J.J. de Vaan

Adres

Postbus 49, 4560 AA Hulst

Telefoon

14 0114

Email

G.de.Vaan@gemeentehulst.nl

BEVOEGDE OVERHEID Naam

Gemeente Hulst

Contactpersoon

Dhr. G.J.J. de Vaan

Adres

Postbus 49, 4560 AA Hulst

Telefoon

14 0114

Email

G.de.Vaan@gemeentehulst.nl

5

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

ADVISEUR BEVOEGDE OVERHEID Naam

Edufact Advies in Erfgoed

Contactpersoon

Mevr. N. de Visser

Adres

Mariekerkseweg 34, 4364 AS Grijpskerke

Telefoon

06 232 846 62

Email

nathaliedevisser@edufact.nl

BEHEER EN PLAATS DOCUMENTATIE EN VONDSTEN Naam

Zeeuws Archeologisch Depot

Contactpersoon

dhr. J.J. H. van den Berg

Adres

Looierssingel 2, 4331 NK Middelburg Postbus 49, 4330 AA Middelburg

Telefoon

0118 670618

Email

jjh.vanden.berg@erfgoedzeeland.nl

E-depot

EDNA (E-Depot Nederlandse archeologie via www.easy.dans.knaw.nl)

UITVOERDER Naam

Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed.

Contactpersoon

dhr. J.E.M. Wattenberghe

Adres

Riemensstraat 9, 4543 BW Zaamslag

Telefoon

0115 851614

Email

janwattenberghe@artefact-info.nl

ONDERZOEKSGEGEVENS Planologische aanleiding

Bestemmingsplanwijziging

Begin/einddatum veldwerk

8 juni 2021

Projectnummer Artefact

2021ART37

Archis onderzoeksmelding

5074589100

Vindplaats(en)

-

6

ARTEFACT RAPPORT 628

1

Inleiding

1.1

Aanleiding van het onderzoek

HULST ZOUTESTRAAT 61A

In opdracht van de gemeente Hulst heeft Artefact! Advies en Onderzoek in Erfgoed een archeologisch bureauonderzoek en een inventariserend veldonderzoek door middel van verkennende boringen uitgevoerd binnen een plangebied aan de Zoutestraat 61a te Hulst (gemeente Hulst; figuren 1 en 2). De aanleiding tot het onderzoek wordt gevormd door het voornemen van de opdrachtgever om het bestaande Reynaertcollege uit te breiden. Er zijn nog geen concrete inrichtingsplannen bekend. Het plangebied omvat één perceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Hulst, Sectie B, Perceel 2391 en beslaat een oppervlakte van 26.767 m2.

Figuur 1 Ligging in Nederland. Bron: Esri Nederland, Community Map Contributors 2020.

Het plangebied is binnen bestemmingsplan Kernen Hulst (2018) gesitueerd in een gebied met enkelbestemming Maatschappelijk of Groen. Mogelijke archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 500 m2 én dieper reiken dan 0,40 m beneden maaiveld (-mv). Dergelijke werkzaamheden zijn wel vergunbaar mits een archeologisch onderzoeksrapport wordt voorgelegd waarin wordt aangetoond dat geen archeologische waarden aanwezig zijn, dat deze niet behoudenswaardig zijn of dat deze door de voorgenomen werkzaamheden niet onevenredig worden geschaad. De voorgenomen ontwikkeling past niet binnen het bestaande bestemmingsplan. Om de plannen mogelijk te maken, is een bestemmingsplanwijziging noodzakelijk. Voorliggend onderzoek is uitgevoerd voorafgaand aan het opstellen van het nieuwe bestemmingsplan en omvat het hele perceel. 7

ARTEFACT RAPPORT 628

1.2

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Doel van het onderzoek en onderzoeksvragen

Conform de AMZ- cyclus start een archeologisch onderzoek steeds met een bureauonderzoek. Het doel van een bureauonderzoek is het opstellen van een gespecificeerde, archeologische verwachting, met behulp van informatie van bestaande bronnen over bekende of verwachte archeologische waarden binnen een omschreven gebied. Het resultaat is een standaardrapport met een advies op basis waarvan de bevoegde overheid een besluit kan nemen over het al dan niet laten uitvoeren van vervolgonderzoek. 1 De resultaten van het standaardrapport bureauonderzoek kunnen leiden tot één van de volgende uitkomsten: ⎯ Er zijn onvoldoende data: er wordt nader archeologisch onderzoek geadviseerd conform protocol 4003 Inventariserend Veldonderzoek ⎯ Er zijn voldoende data: er wordt geen vervolgonderzoek geadviseerd Het doel van een inventariserend veldonderzoek is het aanvullen en toetsen van de gespecificeerde archeologische verwachting, zoals geformuleerd in het bureauonderzoek en/of in het Programma van Eisen. Het gaat om gebieds- of vindplaatsgericht onderzoek. Inventariserend veldonderzoek gebeurt door middel van waarnemingen in het veld, waarbij (extra) informatie wordt verkregen over bekende en/of verwachte archeologische waarden in een onderzoeksgebied.

Dit omvat de aan- of afwezigheid, de aard, de omvang, de datering, de gaafheid, de conservering en de inhoudelijke kwaliteit van de archeologische waarden. Het inventariserend veldonderzoek kan uitgevoerd worden als een IVOproefsleuvenonderzoek (IVO-P waarbij veldwerk bestaat uit het aanleggen van proefsleuven en/of proefputten) of als een IVO-overig (IVO-O waarbij het veldwerk kan bestaan uit oppervlaktekartering, boringen, profielputjes of geofysisch onderzoek). Een inventariserend veldonderzoek kent drie mogelijke fasen: een verkennende, een karterende en een waarderende fase. Het is vanzelfsprekend niet steeds noodzakelijk al deze fasen te doorlopen. ⎯ De verkennende fase heeft als doel om inzicht te krijgen in de vormeenheden van het landschap die van invloed zijn op de locatiekeuze in het verleden. Dit kan met een eenvoudige terreininspectie, maar ook door geo-archeologisch booronderzoek en het graven van profielputjes. Doel daarbij is het uitsluiten van kansarme zones en het selecteren van kansrijke zones voor de volgende vormen van onderzoek. ⎯ Tijdens de karterende fase wordt het terrein systematisch onderzocht op de aanwezigheid van vondsten en/of sporen.

⎯ Tijdens de waarderende fase kan het waarnemingsnet verdicht worden om de aard, omvang, datering, gaafheid, conservering en inhoudelijke kwaliteit van de archeologische resten vast te stellen Het resultaat van dit onderzoek is een standaardrapport met een waardering en een inhoudelijk selectieadvies (buiten normen van tijd en geld), op basis waarvan een beleidsbeslissing (meestal een selectiebesluit) kan worden genomen. Om te komen tot het resultaat moeten de veldactiviteiten uitgevoerd worden tot het niveau waarop de beleidsbeslissing gefundeerd genomen kan worden, d.w.z. dat de archeologische waarden van het terrein/vindplaats in voldoende mate zijn vastgesteld. Indien er onvoldoende data voor waardering en selectie-advies zijn, kunnen deze niet opgesteld worden.2 Het advies kan dan zijn: vrijgeven, vervolgonderzoek en/of planologische bescherming. Het voorliggend onderzoek betreft een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen (IVO-O, verkennende fase). Conform de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 20193 dient een archeologisch vooronderzoek in de Provincie Zeeland, behoudens anders besloten na overleg met de bevoegde overheid, immers (minimaal) te bestaan uit een bureauonderzoek gecombineerd met een inventariserend veldonderzoek door middel van boringen.

1 SIKB, Protocol 4002, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4. 2 SIKB, Protocol 4003, Versie 4.1, d.d. 19 februari 2018: p.4-5. 3 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

8

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Daarbij dienen volgende vragen te worden beantwoord: ⎯ Wat is de geo(morfo)logische situatie binnen het plangebied? ⎯ Is de bodem intact of werden verstoringen vastgesteld? ⎯ Werden binnen het plangebied (aanwijzingen voor de aanwezigheid van) vindplaatsen vastgesteld? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? ⎯ Bestaat binnen het plangebied een verwachting op het voorkomen van vindplaatsen? Zo ja, binnen welk deel van het plangebied en op welk niveau/diepte? Met andere woorden: kan het verwachtingsmodel uit het bureauonderzoek worden bijgesteld? ⎯ Worden de (vastgestelde of verwachte) archeologische waarden bedreigd door de voorgenomen planontwikkeling? ⎯ Is het plangebied in voldoende mate onderzocht? Zo nee, welke vorm van vervolgonderzoek wordt geadviseerd?

Figuur 2 Ligging van het plangebied op een uitsnede van de Topografische Kaart. Bron: Esri Nederland, Jan Willem van Aalst, www.imergis.nl.

9

ARTEFACT RAPPORT 628

1.3

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Wettelijk kader en beleid

Sinds 1 juli 2016 is de Erfgoedwet van kracht, hiermee is het Europese Verdrag van Malta binnen de Nederlandse wetgeving geïmplementeerd. Het verdrag beoogt het cultureel erfgoed, dat zich in de bodem bevindt, beter te beschermen. De Erfgoedwet regelt de bescherming van archeologisch erfgoed in de bodem, de inpassing ervan in de ruimtelijke ontwikkeling en de financiering van archeologische onderzoeken. De Erfgoedwet moet samen met de (nog in werking te treden) Omgevingswet een integrale bescherming van het cultureel erfgoed mogelijk maken. Op landelijk niveau is een Nationale Onderzoeksagenda Archeologie (NOaA2) opgesteld waarin het Zeeuws kleigebied als archeoregio een afzonderlijk hoofdstuk vormt en de regiogebonden onderzoeksthema’s en -vragen toegelicht worden. Daarnaast worden in deze NOaA2 ook per periode en complextype specifieke onderzoeksthema’s en –vragen geformuleerd die richtinggevend kunnen zijn bij onderzoek. Het beleid van de provincie Zeeland ten aanzien van de Archeologische Monumentenzorg (AMZ) is vastgelegd in de CultuurNota 2017-2020. In februari 2017 heeft het College van Gedeputeerde Staten van Zeeland het ‘Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017’ vastgesteld. 4 In het toetsingskader is vastgesteld wanneer archeologisch (voor)onderzoek noodzakelijk is indien de provincie als bevoegde overheid optreedt.

Daarnaast werd in 2016 de Provinciale Onderzoeksagenda Archeologie Zeeland 2017-2020 gepubliceerd waarin de kernthema’s en zwaartepunten voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland worden gepresenteerd: ⎯ Basale harde gegevens en diachrone datasets ⎯ Archeologisch onderzoek in diepere bodemontsluitingen ⎯ Uitwerking oud archeologisch onderzoek ⎯ Verdronken land en dorpen ⎯ Onderzoek naar infrastructuur ⎯ Verdedigingswerken in Zeeland ⎯ Boerderijen en rurale nederzettingen ⎯ Voedseleconomie van stad en platteland ⎯ Religieuze en rituele verschijningsvormen ⎯ Scheeps- en onderwaterarcheologie ⎯ Publiekswerking van archeologisch onderzoek Tot slot heeft de provincie een Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019. 5 De Gedeputeerde Staten van de Provincie Zeeland zijn bevoegde overheid in het kader van de Ontgrondingenwet. Met de komst van de (herziene) Wet op de archeologische Monumentenzorg (Wamz) in 2007, de Wet ruimtelijke ordening (Wro) in 2008 is de verantwoordelijkheid voor het cultureel erfgoed in grote mate gedecentraliseerd en verschoven van Rijk en provincie naar de gemeenten. Gemeenten worden verantwoordelijk gehouden voor de omgang met archeologische waarden. Daartoe dienen gemeenten een eigen archeologiebeleid te voeren en te verankeren in de ruimtelijke ordening.

Als gevolg van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 2010) zijn de burgemeester en wethouders bevoegde overheid in het kader van de omgevingsvergunning. In het gemeentelijke beleid van de gemeente Hulst 6 is geconcludeerd dat de gemeentelijke ondergrond in vier archeologisch relevante lagen kan worden onderverdeeld. Per laag is de archeologische waarde bepaald op basis van bekende landschappelijke en bodemkundige informatie, archeologische waarnemingen en bekende vindplaatsen. Wanneer de waarde nog niet is vastgesteld, geldt een archeologische verwachting. Dit gemeentelijk beleid is 4 Toetsingskader archeologie Provincie Zeeland 2017, Provinciaal blad 2017 nr. 605, 15 februari 2017. 5 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019. 6 Alkemade et al. 2011.

10

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

meegenomen in de bestemmingsplannen, waarbij gebieden met (een) archeologische (verwachtings)waarde een planologische bescherming hebben gekregen. De vrijstellingsgrenzen zijn toegekend op basis van de (verwachtings)waarde. Op de vigerende archeologische maatregelenkaart-in-lagen van de gemeente Hulst geldt voor het plangebied: •

Een hoge verwachting voor het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk; Laag 1)

•

Geen verwachting voor het Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop; Laag 2)

•

Geen verwachting voor het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk; Laag 3)

•

Een hoge verwachting voor het Pleistoceen (Formatie van Boxtel; Laag 4)

Het herziene archeologiebeleid van de gemeente Hulst (2016)7 voorziet tevens in een vrijstellingenkaart in dieptes. Binnen het plangebied is het bestemmingsplan Kernen Hulst (2018) van de gemeente Hulst vigerend en geldt een enkelbestemming Maatschappelijk of Groen. Mogelijke archeologische waarden worden planologisch beschermd door een dubbelbestemming waarde archeologie 2. Binnen dit gebied geldt een verbod op het uitvoeren van (graaf)werkzaamheden die respectievelijk groter zijn dan 500 m 2 én dieper reiken dan 0,40 m -mv. Als deze ondergrenzen overschreden worden, dient archeologisch onderzoek plaats te vinden.

1.4

Plangebied en planvorming

Het plangebied bevindt zich in de bebouwde kom van Hulst, ten noorden van de oude stadskern (figuren 1 t/m 3). Het plangebied omvat één perceel dat kadastraal bekend staat onder Gemeente Hulst, Sectie B, Perceel 2391 en beslaat een oppervlakte van 26.767 m2. Het perceel heeft een onregelmatige vorm; deels wordt het aan de zuidoostzijde begrensd door de Zoutestraat en aan de zuidwestzijde door de Carmelweg. Verder wordt het terrein begrensd door diverse andere percelen (nummers 2390, 2062, 3097, 2394 en 1404). Ten westen van het plangebied, parallel aan de Zoutestraat, bevindt zich de Zandstraat. Het plangebied bestaat uit twee gebouwen van het Reynaertcollege en omliggend terrein, dat deels verhard is. Een van de twee gebouwen betreft een historisch kloostergebouw. Ook is in het plangebied een historische boom aanwezig, net ten zuiden van het kloostergebouw. De opdrachtgever heeft het voornemen om het bestaande Reynaertcollege binnen het plangebied uit te breiden. Er zijn nog geen concrete inrichtingsplannen bekend. Het historisch kloostergebouw, een rijksmonument, blijft in ieder geval behouden.

7 Hulst Gemeenteblad Nr. 99271; 14 juni 2017.

11

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Figuur 3 Projectie van het plangebied op een uitsnede van de luchtfoto (2020). Bron: Esri Nederland, Beeldmateriaal.nl.

12

ARTEFACT RAPPORT 628

2

Archeologisch bureauonderzoek

2.1

Methoden

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Het voorliggend hoofdstuk omvat de resultaten van het archeologisch bureauonderzoek. Het onderzoek is uitgevoerd conform protocol 4002 van de KNA 4.1 en de Regeling aanvullende richtlijnen voor archeologisch onderzoek in de provincie Zeeland 2019.8 Hierbij werden de volgende processtappen doorlopen: Processtap

Specificatie

Hoofdstuk

Afbakenen plan/onderzoeksgebied; vaststellen consequenties toekomstig gebruik

LS01

1.4

Vermelden (en toepassen) overheidsbeleid

LS01

1.3

Beschrijven huidig gebruik

LS02

1.4

Beschrijven historische situatie

LS03

2.3.1

Beschrijven mogelijke verstoringen

LS03

2.3.2

Beschrijven mogelijke aanwezigheid bouwhistorische waarden ondergrond

LS02-03-04

2.5

Beschrijven bekende aardwetenschappelijke kenmerken

LS04

2.2.2

Beschrijven bekende archeologische kenmerken

LS04

2.4

Opstellen gespecificeerde verwachting

LS05

2.6

Tijdens het uitvoeren van de bovengenoemde processtappen werd een groot aantal bronnen van diverse aard geraadpleegd. Deze worden hieronder benoemd en in het bronnenoverzicht nader gespecificeerd. ⎯ (Landelijke en regionale) bodem-, geologische en geomorfologische (overzichts)kaarten ⎯ Paleogeografische kaarten ⎯ Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) ⎯ (Specialistische) literatuur ⎯ Rapporten van eerder uitgevoerd archeologisch en cultuurhistorisch onderzoek ⎯ Inrichtingsplannen en conditionerende onderzoeksrapporten: milieu, ecologie, niet-gesprongen explosieven ⎯ Lucht- en satellietfoto’s ⎯ Kaartmateriaal: topografische (militaire) kaarten, oud(st)e kadasterkaarten, oude en/of historische kaarten ⎯ Gemeentelijk en/of provinciaal archief ⎯ Archeologische Monumenten Kaart (AMK) ⎯ Het Archeologisch Informatie Systeem (Archis) ⎯ Centraal Monumenten Archief (CMA) en Centraal Archeologisch Archief (CAA) werden niet geraadpleegd omdat deze oude papieren archieven na de introductie door de ROB werden ingevoerd in Archis ⎯ Cultuurhistorie: gemeentelijke waardenkaart en/of de provinciale Cultuurhistorische Hoofdstructuur (CHS) ⎯ Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) ⎯ Gemeentelijke verwachtings- en beleidskaarten ⎯ Indicatieve Kaart Archeologische Waarden (IKAW), maar enkel indien geen meer gedetailleerde regionale kaarten beschikbaar zijn ⎯ Provinciaal depot:

archief van het Zeeuws Archeologisch Depot (ZAD)

8 Provinciaal Blad van Zeeland nr. 8080, 12 december 2019.

13

ARTEFACT RAPPORT 628

2.2

Landschap en geologie

2.2.1

Landschappelijke ontwikkeling 9

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Omdat de locatiekeuze van bewoning en nederzettingspatronen voor een groot deel worden bepaald door de mogelijkheden die het natuurlijke landschap daartoe bood, is het zinvol de landschappelijke ontwikkeling gedurende de laatste fase van het Pleistoceen en het Holoceen in beeld te krijgen. De landschappelijke evolutie van het Zeeuwse kustgebied kan worden geschetst aan de hand van de paleogeografische kaarten die door Vos en De Vries zijn gepubliceerd. 10 Paleogeografische kaarten zijn ontwikkeld door de analyse van grote hoeveelheden bodemdata en bieden aan de hand van momentopnamen inzicht in het waarschijnlijke landschapsbeeld. De veranderende landschappelijke omgeving gedurende de laatste 12.000 jaar, en de globale ligging van het plangebied, wordt afgebeeld op figuur 5. Zeeland maakt deel uit van het zuidwestelijk zeekleigebied, een sterk gestapeld landschap bestaande uit eolische afzettingen, mariene sedimenten en sedentaat (veen). Oostelijk Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied valt, vormt een vrij complex geologisch geheel. Enerzijds hebben holocene afzettingen met verschillende sedimentatiefasen zich ingesneden in het oudere landschap, anderzijds vormen zij een afdekkende laag waaronder het vroeg-holocene en pleistocene landschap nog intact bewaard kunnen zijn. Daartussen loopt een dekzandrug als landschappelijk relict uit de laatste ijstijd.

De oudste in Zeeland dagzomende afzettingen behoren tot de Formatie van Oosterhout. Deze afzettingen zijn gevormd in het Plioceen (5.300.000-2.600.000 jaar geleden), de periode die voorafging aan het Pleistoceen. Deze sterk gelaagde mariene zanden, okergeel tot bruinrood van kleur, met schelpenrijke lagen en plaatselijk harde ijzerhoudende banken, dagzomen in Nederland alleen in Nieuw Namen.11 In het Vroeg-Pleistoceen, tijdens het Tiglien (2.450.000-1.800.000 jaar geleden), ontstond een brede, oost-west georiënteerde erosiegeul, benoemd als de Vallei van Zeeland. De afzettingen in deze vallei zijn van fluviatiele oorsprong en worden benoemd als de Formatie van Maassluis. Deze afzettingen komen enkel voor in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 12 In het Laat-Pleistoceen, tijdens het Eemien (130.000-115.000 jaar geleden), hebben zich marien beïnvloede fluviatiele afzettingen gevormd. Deze (matig) grove zanden met een hoge grindfractie, schelpgruis en grove schelpen behoren tot de Eem Formatie werden enkel in West-Zeeuws-Vlaanderen herkend. Afzettingen van de Formatie van Maassluis en de Eem Formatie komen nergens in Zeeuws-Vlaanderen aan of nabij het oppervlak voor.

Tijdens de laatste ijstijd, het Weichselien (115.000-11.755 jaar geleden), werden vanuit het droog liggende Noordzeebekken eolische zanden afgezet, behorend tot het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Het betreft fijnzandige afzettingen met ingeschakelde leemlagen en een aantal gyttja- en venige gyttjalaagjes.13 De laatste ijstijd wordt gekenmerkt door een afwisseling van warmere en koudere fasen, de zogenaamde interstadialen en stadialen. Deze klimaatschommelingen manifesteerden zich vooral sterk in het Vroeg- en Laat-Glaciaal. In het algemeen zijn in West-Zeeuws-Vlaanderen met name de vroeg-glaciale interstadialen goed herkenbaar, terwijl in Oost-Zeeuws-Vlaanderen de laat-glaciale interstadialen beter vertegenwoordigd zijn, met name het Bøllinginterstadiaal (14.640 tot 14.030 BP) en Allerød-interstadiaal (13.900 tot 12.850 BP), waarin zich vegetatieniveaus hebben gevormd.14

9 Deze paragraaf is gebaseerd op, en grotendeels overgenomen uit, eerdere bureauonderzoeken van Artefact naar

plangebieden in Oost-Zeeuws-Vlaanderen. 10 Vos & De Vries 2013. 11 Van Rummelen 1977a. 12 Van Rummelen 1977b: 11. 13 Van Rummelen 1977b: 12. 14 Berendsen 2004: 220.

14

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Het dekzandlandschap van de Formatie van Boxtel wordt gekenmerkt door een brede dekzandrug. Deze duikt op ter hoogte van Gistel (West-Vlaanderen, België) en is met korte onderbrekingen van Maldegem tot Stekene (OostVlaanderen, België) in de ondergrond aanwezig (Grote Dekzandrug op figuur 4), om van daar meer naar het noorden af te buigen, over Hulst en Saaftinge tot bij Rilland (Rillandrug op figuur 4; het plangebied bevindt zich op het zuidelijke deel van de Rillandrug). Deze brede dekzandrug is ontstaan doordat de eolische zanden hier werden tegengehouden door hoger gelegen tertiaire klei. Ten noordwesten van deze dekzandrug, in het huidige Zeeuws-Vlaanderen, ontwikkelden zich verschillende zuidwest-noordoost georiënteerde stuifzandruggen, die naar het noorden toe lager werden. De Rillandrug verhinderde dat de toenmalige Schelde ter hoogte van het huidige Rilland een westelijke richting kon nemen. De rivier stroomde destijds via het doorbraakdal van Hoboken naar het noorden en mondde uit in de Rijn-Maasvallei. Pas veel later zou de rivier zeewaarts gaan stromen via de Oosterschelde. Tot ver in de Middeleeuwen was van de Westerschelde zoals we die nu kennen, nog maar weinig te bespeuren. 15

Figuur 4 Ligging van de pleistocene cuesta’s (asymmetrische heuvels) en dekzandruggen. Bron: Verbruggen 2002.

15 Verbruggen 2002: 11.

15

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

16

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Figuur 5 Paleogeografische ontwikkeling Zeeland. Blauwe stip: ligging plangebied. Bron: Vos & De Vries 2013.

17

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Vanaf het begin van het Holoceen veranderde het klimaat ingrijpend. Het smelten van het landijs van de laatste ijstijd en de daaruit voortvloeiende sterke stijging van de zeespiegel zorgde voor een nieuwe reeks van afzettingen. De sterke stuwing van het grondwater ten gevolge van de zeespiegelstijging veroorzaakte op veel plaatsen langs het westelijke Nederlandse kustgebied veengroei op het pleistocene substraat. Dit veen wordt tot het Basisveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop) gerekend. In Zeeuws-Vlaanderen is het Basisveen enkel als duidelijk te onderscheiden laag aangetroffen in het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen.16 Hier bevindt het veen zich tussen het pleistocene dekzand en de mariene afzettingen van het Laagpakket van Wormer (Formatie van Naaldwijk). Deze afzettingen van het Laagpakket van Wormer zijn ontstaan tijdens het holoceen maximum. Op dat ogenblik was de gemiddelde temperatuur het hoogst en bevond de zeespiegel zich op een maximum. Hierdoor ontstond in grote delen van Zeeland een getijdenlandschap, doorsneden door brede geulen. In deze geulen werden de oudere holocene en pleistocene afzettingen opgeruimd. Buiten deze getijdengeulen werden de aanwezige veen- en/of dekzandpakketten bedekt met dikke lagen marien sediment.

17 Enkel de lagergelegen delen in het uiterste westen van Zeeuws-Vlaanderen en het noordelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen werden tijdens het holoceen maximum overstroomd door de zee. In de overige delen van Zeeuws-Vlaanderen, waaronder het plangebied, vond door de hoge ligging van het pleistocene landschap geen overstroming plaats en zijn dan ook geen afzettingen van het Laagpakket van Wormer aanwezig. Door een verminderde invloed van de zee ontwikkelde zich hierna opnieuw een veenlaag, het zogenaamde Hollandveen Laagpakket (Formatie van Nieuwkoop). In de hoger gelegen delen van Zeeuws-Vlaanderen, waar de getijdenafzettingen van het Laagpakket van Wormer geen invloed hadden, ontwikkelde het veen zich rechtstreeks op de dagzomende pleistocene dekzandafzettingen. Hierbij kan geen onderscheid gemaakt worden tussen het Basisveen en het Hollandveen. In West-Zeeuws-Vlaanderen en het westelijk deel van Oost-Zeeuws-Vlaanderen begon de veenvorming pas laat door de hoge ligging van het pleistocene dekzand: tussen het Laat-Atlanticum in het noorden en in het zuiden in de tweede helft van het Subboreaal, tot het begin van het Subatlanticum. Overal is de veenvorming echter doorgegaan tot na de Romeinse tijd.

De gebieden achter de pleistocene dekzandrug tussen Hulst en het Land van Saaftinge werden beschermd tegen een groter wordende mariene invloed en overstromingen, waardoor ten oosten van deze rug de veengroei ononderbroken door kon gaan en het veen een veel grotere dikte bereikte dan in de westelijker gelegen gebieden. Volgens pollenanalyses bleef de veenvorming in dit zoetwatermilieu van de Schelde doorgaan tot circa 700 n. Chr. 18 Volgens de paleogeografische kaarten van Vos & De Vries (2013; figuur 5) was het plangebied tussen 800 v. Chr. en 1250 n. Chr. met veen begroeid. Dit is echter onderwerp van discussie. Over de maximale veenuitbreiding, waarbij eventueel ook dagzomende pleistocene dekzandruggen door een veenpakket afgedekt werden, zijn de meningen namelijk verdeeld. 19 De kans bestaat dat ook de hoger gelegen pleistocene dekzandgronden met veen begroeid zijn geweest, maar dat alle sporen van dit veen, door ontginning, verdwenen zijn. Door een combinatie van een klimatologisch nattere fase, een goede ontwatering van het veen, de bijhorende klink en wellicht ook door menselijk ingrijpen, kwam het kustgebied na een lange periode van veengroei weer geleidelijk onder invloed van de zee. In Zeeuws-Vlaanderen is die evolutie nauw verweven met de zeearm die zich vanaf de strandwal voor Knokke en Cadzand ging insnijden naar het oosten; dit zou later de Westerschelde worden.

Deze zeearm moet al in de pre-Romeinse tijd aanwezig zijn geweest in de vorm van en getijdengeul. 20 Via ontwateringsgeulen in het veen en vermoedelijk ook via door mensen gegraven kanalen werd deze geul gevoed. Door de geleidelijke daling van het veenlandschap ten gevolge van het inzakken van het veen en wellicht ook de ontginning van het veen, kon het zeewater gedurende de Romeinse tijd steeds verder het binnenland in dringen. In de loop van de 2de of 3de eeuw veranderde het veenlandschap dan ook geleidelijk opnieuw in een getijdenlandschap. Dit proces werd in het laatste kwart van de 3de eeuw versneld door de teloorgang van de beperkte waterbouwkundige infrastructuur die was aangelegd in de Romeinse tijd.21 Daar waar getijdengeulen zich in het bestaande landschap insneden, werden zandige pakketten afgezet. Buiten deze geulen werden de hoger gelegen veengronden afgedekt met fijner sediment, 16 Van Rummelen 1977b: 36. 17 Vos & Van Heeringen 1997: 53. 18 Vos & Van Heeringen 1997: 50-51, 60. 19 Zie onder andere Gottschalk 1984; Augustyn 1986 en De Kraker 1997.

20

Vos & Van Heeringen 1997. Deze getijdengeul is wellicht wat in historische bronnen uit de volle Middeleeuwen omschreven staat als de ‘Sincfal’. 21 Lases & De Kraker 2009: 30.

18

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

hoofdzakelijk zware klei. Deze afzettingen, die benoemd zijn als het Laagpakket van Walcheren (Formatie van Naaldwijk), liggen tot op heden in vrijwel heel Zeeland aan het oppervlak, behalve in relatief hooggelegen delen waaronder het plangebied. Aan de kust was dit proces omstreeks 750 na Chr. zo goed als voltooid, waardoor de menselijke invloed op dit gebied sterk toenam. Tussen het einde van de 10de en het einde van de 11de eeuw werden de getijdengeulen in de kustvlakte ingedijkt, wat uiteindelijk leidde tot de verhoging van het stormvloedniveau in het buitendijkse gebied.22 Aangezien het noordelijke deel van Zeeuws-Vlaanderen een vergelijkbaar landschap vertoont, kan gesteld worden dat dit hier ook gebeurd is. Bedijking zorgde ervoor dat de Honte zich kon ontwikkelen tot een brede getijdenstroom, hetgeen het binnendijkse gebied gevoeliger maakte voor stormvloeden, zoals die van 1375, de Sint-Elisabethsvloeden van 1404 en 1421 en de grootschalige overstroming van 1530. 23 Deze stormvloeden, maar ook militaire inundaties in de Tachtigjarige Oorlog, zorgden ervoor dat dit gebied weer sterk onder invloed van de zee kwam te staan.24 Smalle en brede inbraakgeulen sneden zich in in het landschap en de lagergelegen delen werden overspoeld. Tot ver landinwaarts werd een dik pakket sediment afgezet. Hierdoor raakten grote delen van het oude landschap bedekt.

25 Ook deze nieuwe sedimenten en geulafzettingen worden tot het Laagpakket van Walcheren gerekend. Het plangebied lag echter net te hoog om door deze afzettingen te worden bereikt (paragraaf 2.2.2).

22 Tys 2010. 23 De Kraker 1997: 21. 24 Strydonck & De Mulder 2000: 109. 25 Van Rummelen 1977b: 26-48.

19

ARTEFACT RAPPORT 628

2.2.2

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Aardkundige waarden

Geologie Op de Geologische Overzichtskaart van Nederland26 (niet afgebeeld) ligt het plangebied binnen een zone met code Bx5, wat betekent dat hier sprake is van dekzandafzettingen van het Laagpakket van Wierden (Formatie van Boxtel). Op de fijnmaziger Geologische Kaart van Nederland27 (figuur 6) bevindt het plangebied zich in een zone met code TW. Dit houdt in dat de ondergrond bestaat uit afzettingen van de Formatie van Twente (dit is oude nomenclatuur van het Laagpakket van Wierden), ontwikkeld als dekzand dikker dan 2 m. Volgens de Geologische Kaart zijn in het plangebied dus geen holocene afzettingen aanwezig. Dit is wel het geval direct ten westen van het plangebied: hier wordt het plangebied begrensd door een zone met code DP0.3a met witte stippen, hetgeen wil zeggen dat daar sprake is van afzettingen van Duinkerke IIIa op oudere afzettingen van Duinkerke (IIIa op DII; nieuwe nomenclatuur van afzettingen Duinkerke is Laagpakket van Walcheren), op zwak geërodeerd Pleistoceen. Het Hollandveen is door erosie verdwenen.

Figuur 6 Projectie van het plangebied (rode polygoon) en situering van de geselecteerde DINO-boringen op uitsnede van de Geologische Kaart. Bron: Van Rummelen 1977a.

26 TNO 2010, naar De Mulder et al. 2003. 27 Van Rummelen 1977a.

20

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) Data en Informatie van de Nederlandse Ondergrond (DINO) is bruikbaar om de diepteligging van de verschillende geologische niveaus te achterhalen. Raadpleging van de ondergrondgegevens in het DINOloket28 leert dat binnen het plangebied geen boringen bekend zijn. In de omgeving van het plangebied zijn meerdere boringen verricht. Hieronder worden vier hiervan besproken (voor situering: zie figuur 6): ten eerste de twee meest nabije boringen binnen dezelfde geologische zone (TW; boringen 1 en 2) en ten tweede de twee meest nabije boringen net buiten deze zone, aan de westzijde van het plangebied (zone DP0.3a; boringen 3 en 4). ⎯ In boring 1 (B55A0463), ongeveer 170 m ten noorden van het plangebied, is tot op de maximale boordiepte van 3,00 m -mv/ 1,50 m -NAP uiterst fijn zand aanwezig van de Formatie van Boxtel. ⎯ In boring 2 (B55A0212), ongeveer 200 m ten zuiden van het plangebied, zijn tot op de maximale boordiepte van 15 m -mv/ 13 m -NAP verschillende zandafzettingen aangetroffen. De lithostratigrafie is voor deze boring niet weergegeven. ⎯ In boring 3 (B55A0468), ongeveer 140 m ten noordwesten van het plangebied, is tot op een diepte van 0,80 m -mv/ 0,80 m +NAP uiterst fijn zand van het Laagpakket van Walcheren aanwezig.

Direct hieronder is uiterst fijn zand van de Formatie van Boxtel aangeboord, tot op de maximale boordiepte van 0,85 m -mv/ 0,75 m +NAP. ⎯ In boring 4 (B55A0465), ongeveer 90 m ten westen van het plangebied, is tot op de maximale boordiepte van 2,50 m -mv/ 0,90 m -NAP alleen uiterst fijn zand van de Formatie van Boxtel aangetroffen. De DINO-boringen bevestigen het beeld dat het plangebied zich bevindt in een gebied waar pleistocene zandafzettingen van de Formatie van Boxtel dagzomen. Uit een ‘appelboor’-ondergrondmodel van DINO valt af te leiden dat de afzettingen van het Formatie van Boxtel in het plangebied te verwachten zijn tot op een diepte van circa 7,50 m -mv/ 5,75 m -NAP. Hieronder zullen zandafzettingen van de Formatie van Oosterhout aanwezig zijn tot een diepte van 20,50 m -mv/ 18,75 m -NAP.

28 www.dinoloket.nl: geraadpleegd op 26 mei 2021.

21

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Bodem Op de Bodemkaart van Nederland 29 (figuur 7) bevindt het plangebied (en omgeving) zich in ongekarteerd gebied. Gezien het kaartbeeld ligt het waarschijnlijk op een bodem van het type zEZ21 met grondwatertrap VI. Dit betekent dat hier hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn, ontwikkeld in leemarm en zwak lemig, fijn zand. Dit betreft dikke eerdgronden waarin de podzolgronden diep bewerkt zijn. Plaatselijk kan hier enige ophoging ontstaan zijn door plaggenbemesting, waarbij een zogenaamd esdek is ontstaan. Afhankelijk van de mate van diepe bewerking van de bodem en de aanwezigheid van een opgebracht plaggenbemestingspakket kan het onderliggende podzolprofiel in meer of mindere mate aangetast zijn. Bij niet of nauwelijks aangetaste bodemprofielen bestaat het bodemprofiel uit een Aanp- (recente bouwvoor) en Aan2- (oudere bouwdek, niet recent bewerkt) op de oorspronkelijke A-horizont (begraven natuurlijke A-horizont). Onder de A-horizont ligt een B-horizont op C-horizont. Bij dieper geroerde bodems kunnen de A- en B-horizont in de Aan-horizont opgenomen zijn.

Figuur 7 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Bodemkaart van Nederland. Bron: Stichting voor Bodemkartering 1980.

Bij het bepalen van het grondwaterregime wordt gewerkt met grondwatertrappen (zie tabel 1). Deze trappen geven een klassenindeling weer van ten eerste de verschillende grondwaterstanden naar diepte en ten tweede de seizoensvariatie in de grondwaterstanden. De gemiddeld hoogste grondwaterstand (GHG) wordt doorgaans bepaald door de ontwatering van de percelen; de gemiddeld laagste grondwaterstand (GLG) wordt echter beïnvloed door de aard van de ondergrond. Deze trappen worden vastgesteld op een schaal van I tot en met VII, van respectievelijk extreem nat tot extreem droog. In gebieden met een grondwatertrap VI, waartoe het plangebied dus waarschijnlijk ook te rekenen valt, kent de bodem een gemiddeld hoogste grondwaterstand tussen 0,4 en 0,8 m -mv en een 29 Stichting voor Bodemkartering 1980.

22

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

gemiddeld laagste grondwaterstand dieper dan 1,2 m -mv. Dit betekent dat er sprake is van een relatief goede ontwatering. Hierdoor zijn dergelijke gebieden zeer geschikt voor landbouw. Mede daarom, met name in het verleden, vormden goed ontwaterde gebieden mogelijk een aantrekkelijk vestigingsgebied. Tabel 1 Indeling grondwatertrappen grondwatertrap I II III IV V VI GHG in cm -mv (< 20) (< 40) < 40 > 40 < 40 40 - 80 GLG in cm -mv < 50 50-80 80-120 80-120 > 120 > 120 GHG gemiddeld hoogste grondwaterstand / GLG gemiddeld laagste grondwaterstand

VII > 80 (> 160)

Geomorfologie Ook op de Geomorfologische Kaart van Nederland30 (figuur 8) ligt het plangebied in ongekarteerd gebied. Op basis van het kaartbeeld valt aan te nemen dat het deel uitmaakt van een zone met code 3L5, hetgeen wil zeggen dat het op een dekzandrug ligt met al dan niet een oud bouwlanddek. Aan de west-, noord- en oostzijde van de dekzandrug bevinden zich zones met code 2M14, hetgeen betekent dat hier een vlakte van ten dele verspoelde dekzanden aanwezig is, vervlakt door veen en/of overstromingsmateriaal. Ook is te zien dat de Zandstraat in het gekarteerde gebied deels valt binnen een zone met code 3K14: een dekzandrug.

Figuur 8 Projectie van het plangebied (rode polygoon) geprojecteerd op een uitsnede van de Geomorfologische Kaart van Nederland. Bron: Brus & De Lange 1987.

30 Brus & De Lange 1987.

23

ARTEFACT RAPPORT 628

HULST ZOUTESTRAAT 61A

Actueel Hoogtebestand Nederland Het Actueel Hoogtebestand Nederland (AHN) vormt een belangrijke aanvullende informatiebron voor de landschapsanalyse. Dit met behulp van laser-altimetrie (LiDAR) verkregen digitale bestand toont een goed beeld van het huidige reliëf in de omgeving van het plangebied (figuur 9). Te zien is dat het plangebied op een rug ligt die zich vanuit de oude stadskern van Hulst in noordoostelijke richting uitstrekt. De ligging ervan komt grofweg overeen met de zone waar volgens de Geologische Kaart afzettingen van het Laagpakket van Wierden aanwezig zijn, waar volgens de Bodemkaart hoge zwarte enkeerdgronden aanwezig zijn, en volgens de Geomorfologische Kaart een dekzandrug aanwezig is. De hoogteverschillen rond Hulst zijn aanzienlijk; in Hulst zelf ligt het maaiveld plaatselijk op circa 4,50 m +NAP, terwijl het maaiveld in de omgeving van de stad op veel plekken onder 1,00 m +NAP blijft. Ter hoogte van het plangebied ligt het maaiveld op een hoogte van circa 2,00 m +NAP. Omdat het plangebied binnen de bebouwde kom ligt, kan de AHN-kaart geen aanwijzingen geven voor archeologische vindplaatsen binnen, of in de directe omgeving van het plangebied.

Figuur 9 Projectie van het plangebied (zwarte polygoon) op bewerkte uitsnede Actueel Hoogtebestand Nederland. Bron: www.pdok.nl (AHN3 0,5 meter raster DTM).

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/14835979/1