2024 BIJLAGEN Notite beantwoording zienswijzen en ambtshalve wijzigingen Buitengebied 2023
Tekst van het document
Deze natuurtoets beperkt zich tot deze Natura 2000-gebieden. Zeker is dat het voornemen geen effect heeft op enig ander Natura 2000gebied en de daar geformuleerde instandhoudingsdoelstellingen.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
19
Projectgerelateerd
5
Aanpak effectbeoordeling
De aanpak van de effectbeoordeling is in dit hoofdstuk toegelicht. De instandhoudingsdoelstellingen uit de aanwijzingsbesluiten voor de verschillende hier relevante Natura 2000-gebieden vormen het toetsingskader. De doelen zijn gericht op areaal, kwaliteit en bij soorten op aantallen waarvoor een behouds-, uitbreidings-, of verbeteropgave geldt. De staat van instandhouding is gunstig als de trend vanaf het moment van aanwijzing neutraal of positief is en/of dat de gestelde aantallen bijvoorbeeld broedvogels en of overwinterende vogels worden gehaald. Voor de bepaling van het voorkomen van habitattypen, soorten en bijbehorend leefgebied binnen een Natura 2000-gebied, wordt gebruik gemaakt van de meest actuele informatie in beheerplannen, PASgebiedsanalyses (2017) en de vigerende habitattypen- en leefgebiedkaarten. Waar andere bronnen zijn geraadpleegd is dat expliciet vermeld.
5.1
Oppervlakteverlies/mechanische effecten en verstoring
Oppervlakteverlies/mechanische effecten De beoordeling of oppervlakteverlies en/of mechanische effecten een wezenlijke invloed hebben op de gunstige staat van instandhouding van een habitattype of soort is beoordeeld aan de hand van: • Omvang en duur van het oppervlakteverlies (tijdelijk/permanent); • Belang van het gebied voor habitattypen en voor soorten; • Kwaliteit van het habitattype/leefgebied ter plaatse; • Omvang van het habitattype binnen Natura 2000-gebied; • Trend voor het habitattype. Habitattypen met een positieve trend kunnen een (tijdelijk) verlies gemakkelijker opvangen dan habitattypen met een negatieve trend. Verstoring (geluid en aanwezigheid van mensen) Verstoring van vogels en andere diersoorten kan optreden door geluid en beweging. De toegankelijkheid van de dijk en het voorland door recreanten heeft invloed op de mate van verstoring. Dit wordt meegewogen in de effectbeoordeling. De beoordeling of er sprake is van een wezenlijke invloed op de gunstige staat van instandhouding van een soort is beoordeeld aan de hand van: • Het aantal dieren waarop effecten optreden; • Omvang en duur van het effect; • Belang van het beïnvloede gebied als foerageer-, rust-, of broedgebied; • Gevoeligheid voor verstoring; • Omvang van de populatie in relatie tot de instandhoudingsdoelstelling; • Trendontwikkeling van de betreffende populatie.
Soorten met een positieve trend kunnen een verlies of verstoring van een aantal individuen gemakkelijker opvangen dan soorten met een negatieve trend; • De mogelijkheid uit te wijken naar andere gebieden. Dit is zowel afhankelijk van de aanwezigheid van geschikte gebieden in de omgeving als de mobiliteit van de soort.
5.2
Stikstofdepositie
Bij de ecologische effectbeoordeling staat de kritische depositiewaarde (KDW) centraal alsook de instandhoudingsdoelen, de kwaliteit en sturende factoren van de habitattypen en/of soorten. Hieronder zijn de verschillende aspecten en de aanpak voor effectbeoordeling toegelicht. Kritische depositiewaarde Onder de KDW vastgesteld door van Dobben et al. (2012) wordt bedoeld: de grens waarboven het risico niet kan worden uitgesloten dat de kwaliteit van het habitattype significant wordt aangetast als gevolg van de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische depositie. 29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
20
Projectgerelateerd
Een kritisch depositieniveau is gedefinieerd als de maximaal toelaatbare hoeveelheid atmosferische depositie waarbij, volgens de huidige wetenschappelijke kennis, negatieve effecten op de structuur en de functies van ecosystemen niet voorkomen 4. Wanneer de atmosferische depositie hoger is dan de KDW van het habitat bestaat er een risico op een significant negatief effect, waardoor het instandhoudingsdoel voor een habitat (in termen van kwaliteit en oppervlakte) niet duurzaam kan worden gerealiseerd. Hoe hoger de overschrijding van het kritische niveau en hoe langduriger die overschrijding, hoe groter het risico met ongewenste effecten op de abiotiek met gevolgen voor de biodiversiteit. Voor de achtergronddepositie is de depositiekaart van 2018 de meest actuele en volledige openbare depositiekaart. Jaarlijks neemt de achtergronddepositie geleidelijk af. Dit wordt door het RIVM bijgehouden. Het gehanteerde jaar 2018 als achtergronddepositie is daarmee ongunstiger dan de jaren hierop volgend. Ecologische relevantie van stikstof Stikstofdepositie uit de lucht heeft een vermestende en verzurende werking op de bodem. Omdat soorten verschillend reageren op de invloed van stikstof, ontstaan veranderingen in de concurrentieverhouding tussen soorten.
Dit leidt tot verdringing van minder concurrentiekrachtige, vaak aan voedselarme situaties aangepaste soorten door stikstof minnende (nitrofiele) soorten, vaak snelgroeiende soorten. Dit omdat een groot deel van de soorten in half-natuurlijke en natuurlijke ecosystemen juist is aangepast aan een lage stikstofbeschikbaarheid in de bodem. De samenstelling van vegetaties (en daarmee ook (de kwaliteit) van habitattypen) kan daardoor veranderen. Over het algemeen leidt een toename van de voedselbeschikbaarheid daarmee tot verlies van langzaam groeiende, vaak voor de habitattypen kenmerkende soorten. De kwaliteit van de habitattypen neemt daardoor af. Afhankelijk van het bodemtype, het habitattype en de sleutelfactoren (onder meer grond- en oppervlaktewaterhuishouding, toegepast (natuur)beheer, natuurlijke dynamiek) heeft stikstofdepositie in meer of mindere mate een effect. Een waarneembaar effect op de kwaliteit van een habitattype ten gevolge van een overschrijding van de kritische depositiewaarde, dan wel van een depositietoename ten gevolge van een project of andere handeling, ontstaat wanneer hier lange tijd sprake van is. Wel geldt dat hoe hoger de overschrijding of hoe groter de bijdrage, hoe sneller een effect merkbaar zal zijn (van Dobben et al. 2012).
Habitattypen/leefgebieden Bij de effectbeoordeling van habitattypen en leefgebied wordt alleen gekeken naar die locaties waar sprake is van een stikstofdepositietoename in een situatie van een overschrijding van de KDW. Vervolgens is bepaald wat de sleutelfactoren zijn. Dit zijn de factoren die bepalend zijn voor het voorkomen en de kwaliteit. Het betreft vaak de sturende factoren (grond)waterhuishouding, toegepast (natuur)beheer en aanwezigheid van (natuurlijk) dynamiek. Bij de beoordeling zijn de ecologische eisen en andere gebiedsspecifieke informatie van de betreffende habitattypen/leefgebieden betrokken. Hierbij is gebruik gemaakt van de meest recente profielendocumenten, herstelstrategieën, beheerplannen en gebiedsanalyses, naast algemene landschapsecologische kennis.
4
Compendium voor de leefomgeving-vermesting en verzuring: oorzaken en effecten: https://www.clo.nl/indicatoren/nl0178vermesting-en-verzuring-oorzaken-en-effecten 29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
21
Projectgerelateerd
6
Effectbeoordeling Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe
In deze paragraaf worden de effecten op Natura 2000-instandhoudingsdoelen van Westerschelde & Saeftinghe bepaald en beoordeeld conform de methode zoals beschreven in voorgaand hoofdstuk. Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe is aangewezen als Natura 2000-gebied in het kader van de Habitatrichtlijn en de Vogelrichtlijn. In figuur 6-1 is de ligging nabij gemaal Paal weergegeven. In het aanwijzingsbesluit zijn instandhoudingsdoelstellingen opgenomen voor habitattypen, habitatsoorten, broedvogels en niet-broedvogels (zie bijlage 2).
Figuur 6-1. Ligging huidige uitstroomconstructie gemaal Paal (blauw omcirkeld) en Natura 2000-gebied Westerschelde & Saeftinghe (groen).
6.1
Oppervlakteverlies/mechanische effecten
De werkzaamheden grenzend aan de uitstroomconstructie zullen bestaat uit grondverzet voor de damwandverankering. Daarnaast zal met materieel worden gemanoeuvreerd. Er is nog geen definitief beeld van het tijdelijk ruimtebeslag, maar vooralsnog wordt uitgegaan van ca. 840 m2 op het schor en ca. 1.000 m2 op de dijk en uitstroomconstructie (figuur 6-1 geeft een indicatie van de locatie). In de uiteindelijke plannen zal dit zoveel mogelijk worden beperkt.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
22
Projectgerelateerd
De huidige uitstroomconstructie moet vermoedelijk worden uitgebreid. Het ontwerp hiervoor is nog niet gereed, maar uitgaande van ontwerpprincipes vergelijkbaar met de huidige uitstroomconstructie is er sprake van definitief ruimtebeslag van maximaal 80 m2 door het aanbrengen van een glooiingsconstructie in verband met de veiligheid van de waterkering (figuur 3-6). Op de locaties met permanent en tijdelijk ruimtebeslag op het schor is in de huidige situatie habitattype H1330A Schorren en Zilte graslanden (buitendijks) aanwezig. Figuur 3-2 en onderstaand figuur 6-2 geven een beeld van de aanwezige vegetaties. Overige habitattypen of leefgebiedtypen zijn niet aanwezig.
Figuur 6-2. Beeld van de vegetatie op het schor grenzend aan de bestaande uitstroom van gemaal Paal.
6.2
Verstoring (geluid, optisch)
De verschillende soort(groep)en van de Westerschelde kennen verschillende verstoringsafstanden. Op basis van beschikbare literatuur zijn verstoringsafstanden per soortgroep bepaald. De soorten nauwe korfslak en groenknolorchis zijn niet gevoelig voor verstoring (geluid, optisch). Bij verstoring van dieren in open gebieden kunnen effecten van geluidsverstoring en optische verstoring nauwelijks van elkaar worden gescheiden. Daarnaast blijken verstoringsafstanden veelal groter dan de afstanden waarop een geluidbelasting optreedt die hoger is dan de ecologische drempelwaarde van ca. 50 dB(A). In dit rapport worden daarom de effecten van geluidsverstoring en optische verstoring niet afzonderlijk bepaald.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
23
Projectgerelateerd
Habitatsoorten De relevant habitatsoorten zijn gewone zeehond en grijze zeehond (doelstelling in ontwerp). Deze soorten zijn gevoelig voor optische verstoring en/of geluidsverstoring. Voor het bepalen van de verstoring maken we onderscheid tussen verstoring van dieren wanneer ze op het land zijn en dieren in het water. Gezien de voorgenomen ingreep is alleen sprake van mogelijke verstoring bij dieren op land. De maximale verstoringsafstand van rustende zeehonden die uit de literatuur bekend is, is 1.200 meter (Brasseur & Reijnders, 1994). Hierbij wordt geen onderscheid gemaakt tussen grijze en gewone zeehonden, de reactie is vergelijkbaar. Het betreft een afstand waarop rustende zeehonden verstoord kunnen worden door recreatieve motorboten. Uit dit onderzoek bleek dat grotere luidruchtigere bronnen (zoals motorboten) op een grotere afstand verstoring veroorzaken dan kleinere en stille bronnen (zoals kano’s). Uit recenter onderzoek van Didderen & Bouma (2012) naar verstoring door baggerschepen blijkt deze verstoringsafstand doorgaans minder dan 1.200 meter te zijn. Vermoedelijk speelt de voorspelbaarheid van de beweging een belangrijke rol. Voor dit onderzoek houden we 1.200 meter aan als verstoringsafstand voor zeehonden. Vogels Voor vogels is de verstoringsgevoeligheid soortspecifiek en variabel per periode in hun levenscyclus. Door Jongbloed et al.
(2011) is afgeleid dat voor broedvogels, hoogwatervluchtplaatsen (hvp’s) en de meeste vogelsoorten op groot open water een verstoringsafstand van 500 meter voldoende beschermend is tegen verstoring door diverse varende objecten op het water en bij de waterkant. Ruiende vogels zijn verstoringsgevoeliger. Voor ruiende bergeenden wordt dan ook een grotere verstoringsafstand gehanteerd: 1.500 meter (Dirksen et al., 2005; Krijgsveld et al., 2008). De genoemde afstanden zijn alertafstanden en dus worst case. Hoewel de voorgenomen activiteiten niet één op één vergelijkbaar zijn, lijkt de door Jongbloed et al genoemde verstoringsafstanden een worst case benadering voor de verstoring en daarmee goed toepasbaar voor dit onderzoek. Gesteld kan worden dat verstoring van broedvogels, hvp´s en foeragerende vogels kan worden uitgesloten wanneer de afstand meer dan 500 meter bedraagt. Voor ruiende bergeenden kunnen effecten worden uitgesloten wanneer de afstand meer dan 1500 meter bedraagt. Deze afstanden zijn groter dan de opvliegafstanden die door Spaans et al (1996) zijn bepaald voor wadvogels bij benadering door een mens (maximaal 300 meter voor de meest gevoelige soort, de wulp). Tussen 300 en 500 meter zijn verstorende effecten mogelijk, maar niet zeker.
6.3
Stikstofdepositie
In onderstaande tabel is de berekende maximale tijdelijke depositietoename opgenomen. Daarnaast is aangegeven of de KDW wordt overschreden (achtergronddepositie 2018). Tabel 6-1 Maximale tijdelijke depositietoename in de aanlegfase Habitattype/leefgebiedtype
Maximale depositietoename (mol N/ha/j)
Overschrijding KDW?
H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
0,66
Nee
H1320 Slijkgrasvelden
0,66
Nee
H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks)
2,41
Ja, zeer lokaal
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
24
Projectgerelateerd
6.4
Effectbeoordeling
6.4.1
Habitattypen
H1330A Schorren en zilte graslanden De doelstelling voor het habitattype is uitbreiding oppervlak en verbetering kwaliteit. Trend en kwaliteit Binnen het Natura 2000-gebied is in totaal 2.270 ha aanwezig (AERIUS 2019). Grote oppervlakten komen voor in het oostelijk deel van de Westerschelde (Verdronken Land van Saeftinghe, Bathse schor, Schor van Waarde, Plaat van Walsoorden, Platen van Hulst en Zuidgors), waarbij Saeftinghe de grootste oppervlakte vormt. In het westelijk deel wordt dit type minder aangetroffen. Hier is het areaal enigszins afgenomen als gevolg van erosie van schorranden. In 2006 werd in de gehele Westerschelde 2.283 hectare van het habitattype H1330 aangetroffen, ongeveer hetzelfde als in 1994 (2251 ha) en 1998 (2329 ha). Als we de ecotopen in de Westerschelde bekijken zoals beschreven door Jentink (2017) dan ontstaat een vergelijkbaar beeld van de areaalontwikkeling (tabel 6-2). Wanneer op het meest oostelijk deel van de Westerschelde wordt ingezoomd (dat deel waar het projectgebied ligt) is te zien dat het areaal licht fluctueert maar zeker niet is afgenomen (tabel 6-3). Tabel 6-2. Overzicht areaal (ha) ecotoop Schor in de Westerschelde (Jentink, 2017), aangevuld met ecotoopkartering 2018. Het ecotoop Schor komt grofweg overeen met de habitattypen H1320 Schorren met slijkgras en H1330A Schorren en Zilte graslanden Ecotooptype
1996
2001
2004
2008
2010
2011
2012
2015
2016
2018
Schor
2740
2765
2725
2817
2909
3001
3023
3101
3140
3199
Tabel 6-3. Overzicht oppervlak begroeid schor (ha) in het oostelijk deel van Westerschelde per deelgebied. * is kartering van 1990 (Reitsma & De Jong, 2018) deelgebied
1993
1998
2004
2011
2017
Baalhoek
2,9
2,1
6,1
4,9
4,0
Platen van Valkenisse
9,9
13,7
104,9
158,8
103,2
Saeftinghe
2039,8*
2078,4
2119,1
2409,9
2369,1
In de Westerschelde bevinden de meeste schorren zich in een climax-situatie en zijn overal ongeveer van dezelfde leeftijd door de introductie van Engels slijkgras. Er vindt onvoldoende erosie plaats bovenop deze hoge schorren, waardoor er geen vorming van nieuwe platen plaatsvindt, terwijl op veel plaatsen de lage pionier zone bijna ontbreekt. Een complete zonering van lage kwelder (aansluitend op habitattypen H1310 en H1320), hoge kwelder en kwelderzoom is niet aanwezig. Mede door de enorme nutriëntenvrachten uit het verleden is het schor opgebouwd met zeer nutriëntenrijk sediment. Dit alles resulteert in een matige beoordeling van de kwaliteit. Doordat verschillende habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling naast elkaar voorkomen, kan natuurlijke fluctuatie van afwisselende aangroei en erosie met alle verschillende ontwikkelingsstadia in één gebied niet kan optreden zonder netto verlies aan het habitattype. Het Natuurherstelpakket Westerschelde geeft mogelijk verlichting en kan deze verschillende ontwikkelingsstadia weer terugbrengen en voor de beoogde uitbreiding en kwaliteitsverbetering op gebiedsniveau zorgen 5.
5
https://www.vnsc.eu/projecten/natuurpakket-westerschelde/
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
25
Projectgerelateerd
Beoordeling effecten De werkzaamheden aan de uitstroomconstructie van gemaal Paal zorgen ervoor dat habitattypen H1330A Schorren en zilte graslanden tijdelijke ruimtebeslag (en mechanische effecten) ondervindt op maximaal ca. 840 m2 en permanent ruimtebeslag op maximaal 80m2. Daarnaast is sprake van een depositietoename. De maximale depositietoename is weliswaar 2,41 mol N/ha/j, maar op de locatie met overschrijding van de KDW bedraagt de toename 0,01 mol N/ha/j. Beoordeeld moet worden wat het ecologisch effect is van een depositietoename van 0,01 ml N/ha/j op deze locatie. De locatie met overschrijding van de KDW betreft één hexagon op het schor bij Bath. In de Gebiedsanalyse (Provincie Zeeland, 2017) wordt over dit hexagon het volgende opgemerkt: “De kwaliteit van het schor wordt hier op basis van een recent onderzoek als goed beoordeeld. In 2016 is de provincie Zeeland tijdens het PAS-veldbezoek op deze locatie geweest. De ontwikkeling van het stikstofgevoelige habitattype laat geen ontwikkelingen zien die niet waren voorzien en die extra ingrijpen noodzakelijk maken. Vanwege de goede kwaliteit van het schor op dit moment (Damm, 2014) en het feit dat de stikstofdepositie alleen maar afneemt, wordt als maatregel voorgesteld om jaarlijks de kwaliteit van het schor te monitoren.
Indien uit de beoordeling blijkt dat de kwaliteit afneemt zal eenmalig geplagd worden, waarmee een grote hoeveelheid stikstof wordt verwijderd. Dit is voldoende om het behoud van de kwaliteit te verzekeren.” Er zijn geen aanwijzingen voor een afname van kwaliteit op deze locatie sinds 2016. Geconcludeerd wordt dan ook dat de depositietoename van 0,01 mol N/ha/j niet zal resulteren in een ecologisch effect. De vegetatie ter plaatse van het permanent en tijdelijk ruimtebeslag is in de huidige situatie sterk vergrast (figuur 6-2), de kwaliteit is op zijn hoogst matig te noemen. Het permanent ruimtebeslag op maximaal 80 m2 omvat 0,00035% van het totale areaal van het habitattype binnen het Natura 2000-gebied. Dit gebied wordt permanent ongeschikt voor het habitattype doordat verharding wordt aangebracht. Het permanent ruimtebeslag blijft ruim onder het minimumoppervlak van 1 are, omvat geen belangrijke leefgebieden en/of groeiplaatsen en wordt, aansluitend bij de leidraad significantie (Steunpunt Natura 2000, 2009) beoordeeld als niet significant. Het tijdelijk ruimtebeslag bedraagt 0,0037% van het totale areaal. Dit gebied is gedurende de werkzaamheden niet geschikt voor het habitattype, na afloop van de werkzaamheden kan de vegetatie zich hier weer herstellen, wat gezien de karakteristieken van het habitattype zeker verwacht kan worden.
Daarnaast moet worden beoordeeld of uitbreiding en kwaliteitsverbetering binnen redelijke termijn nog mogelijk is of niet. In het beheerplan is geschetst op welke wijze invulling wordt gegeven aan het behalen van de uitbreidings- en verbeteringsdoelstelling, namelijk door de uitvoering van het Natuurherstelproject Westerschelde. Het voornemen doet geen afbreuk aan deze maatregel. Uitbreiding en kwaliteitsverbetering blijft mogelijk. Het tijdelijk en permanent ruimtebeslag in H1330A Schorren en zilte graslanden is daarmee niet significant. Negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding zijn uitgesloten. Wel is sprake van een negatief effect. Overige habitattypen Voor de habitattypen H130A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal) en H1320 Slijkgrasvelden is geen sprake van een overschrijding van de KDW, ook niet inclusief het projecteffect. De habitattypen ondervinden geen effecten van oppervlakteverlies of mechanische effecten en zijn niet gevoelig voor verstoring. Hiermee zijn (significant) negatieve effecten uit te sluiten. Negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding zijn uitgesloten. Overige habitattypen met een instandhoudingsdoelstelling ondervinden geen negatieve effecten. Negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding zijn uitgesloten.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
26
Projectgerelateerd
6.4.2
Habitatsoorten
Gewone zeehond en grijze zeehond Zandbanken met ligplaatsen van zeehonden bevinden zich op meer dan 1,8 km van de werkzaamheden. Mogelijke effecten van verstoring reiken tot 1,2 km van de werkzaamheden (zie ook paragraaf 6.2). Negatieve effecten van verstoring zijn hiermee uitgesloten voor gewone zeehond en grijze zeehond. Foeragerende zeehonden ondervinden geen negatieve effecten van de werkzaamheden op land. Negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding zijn uitgesloten. Overige habitatsoorten Overige habitatsoorten zijn niet gevoelig voor de storingsfactoren van het voornemen of komen niet voor binnen het studiegebied. Voor deze soorten zijn (significant) negatieve effecten op voorhand uit te sluiten.
6.4.3
Broedvogels
Omdat buiten het stormseizoen moet worden gewerkt, bestaat er een kans dat er in het broedseizoen wordt gewerkt. Uit de broedvogelinventarisatie van het Verdronken Land van Saeftinghe (Bergh et al, 2018) blijkt dat in de omgeving van de uitstroomconstructie en de nieuwe trap (binnen 500 meter) meerdere blauwborsten hebben gebroed in 2018. Ook de gegevens van de NDFF laten zien dat hier blauwborsten broeden (8 broedpaar in 2018). De soort is niet alle jaren aanwezig in 2020 was de vegetatie relatief kort en leek geen broedhabitat aanwezig voor blauwborsten. Nabij de dijkovergang zijn geen broedgevallen van blauwborst bekend. Overige broedvogelsoorten met een instandhoudingsdoelstelling zijn recent niet waargenomen binnen de 500 meter zone. Vanuit soortbescherming moeten al maatregelen worden genomen verstoring van broedende vogels te voorkomen. Indien gewerkt wordt in het broedseizoen, wordt het terrein vooraf ongeschikt gemaakt. Dat betekent dat gedurende de werkzaamheden mogelijk broedbiotoop van circa 8 broedpaar van blauwborst tijdelijk ongeschikt is. In het nabijgelegen Verdronken Land van Saeftinghe is voldoende ruimte voor deze broedparen om tijdelijk uit te wijken. Een afname van de aantallen in het Natura 2000-gebied wordt niet verwacht, er zijn geen significant negatieve gevolgen voor de instandhoudingsdoelstelling.
Na afloop van de werkzaamheden kunnen blauwborsten hier weer tot broeden komen (afhankelijk van het maaibeheer). Overige broedvogels komen niet tot broeden nabij gemaal Paal of binnen 500 meter van het gemaal of overige werkzaamheden, doordat geschikt biotoop ontbreekt. Het betreft de soorten bruine kiekendief, kluut, bontbekplevier, strandplevier, zwartkopmeeuw, grote stern, visdief en dwergstern. Deze broedvogels met een instandhoudingsdoelstelling ondervinden geen negatieve effecten. Negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding zijn uitgesloten.
6.4.4
Niet-broedvogels
De volgende effecten kunnen optreden voor niet-broedvogels: • Verstoring van foeragerende vogels op het slik door aanwezigheid van mensen, machines en geluid; • Verstorende van rustende vogels op een hvp door aanwezigheid van mensen, machines en geluid; • Verstoring van vogels die op het water verblijven door aanwezigheid van mensen, machines en geluid. In het gebied is in de huidige situatie al sprake van enige verstoring door betreding van het dijktraject. Ook is het ten westen van gemaal Paal onder voorwaarden toegestaan om tot 500 meter van de dijk naar wormen te spitten. In gebieden waar een bepaalde verstoringsbron geen werkelijke bedreiging vormt en daarnaast ook voorspelbaar is, is het mogelijk dat de vogels steeds minder reageren op de verstoringsbron en dat gewenning optreedt.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
27
Projectgerelateerd
Voor foeragerende vogels zijn vooral de laagdynamische zones in het intergetijdengebied van belang omdat zich daar de grootste abundantie aan benthische organismen bevindt die de voedselbron zijn voor deze vogels (Alkyon 2006, Lanckriet et al. 2014). Binnen 300 tot 500 meter van de werkzaamheden is een zeer beperkt areaal laagdynamisch litoraal aanwezig. Steltlopers foerageren vooral langs de modderrand bij het uitlaatkanaal. Hoewel de precieze aantallen vogels binnen de 300-500 meter zone niet bekend zijn, lijkt het gebied van beperkt belang als foerageergebied. Er is tijdens laagwater voldoende mogelijkheid voor vogels om uit te wijken en elders te foerageren. Tijdens hoogwater is er ook voldoende uitwijkmogelijkheid voor vogels die op het water verblijven. Significant negatieve effecten worden niet verwacht. Uit onderzoek van Geelhoed & Swaan (2002) blijkt dat de 1500 meter zone rondom de werkzaamheden niet door grote aantallen ruiende bergeenden wordt gebruikt. Bij de uitstroom van het Speelmansgat zijn vooral kleine groepen (<25 individuen) geteld. Deze kunnen eenvoudig uitwijken. Grotere groepen bevinden zich buiten de 1500 meter zone en worden met zekerheid niet verstoord.
Figuur 6-3. Ligging hvp’s (indicatief in groene cirkel) en locatie werkzaamheden aan en rond de dijk bij Paal (blauwe cirkel) en aanleg nieuwe trap (gele cirkel).
In de omgeving van het projectgebied zijn verschillend hvp’s aanwezig. Eén op de westrand van het schor van Baalhoek (figuur 6-3) en twee op de rand van het Verdronken Land van Saeftinghe (één valt buiten het kaartbeeld). De hvp op het schor van Baalhoek ligt op circa 420 meter van de werkzaamheden en kan dus voor een klein deel verstoord raken tijdens de werkzaamheden. De andere hvp’s liggen ruim buiten de 500 meter-zone en zullen zeker geen verstoring ondervinden.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
28
Projectgerelateerd
De hvp van Baalhoekschor wordt door meerdere soorten in belangwekkende aantallen gebruikt (tabel 64). De werkzaamheden vinden plaats in de periode april-september en overlappen slechts gedeeltelijk met de telperiodes in het voorjaar en het najaar. Voor niet-steltlopers als eenden, ganzen en viseters zijn in principe altijd wel uitwijkmogelijkheden. Een hvp is niet van groot belang voor deze soorten. Voor steltlopers zijn hvp’s wel belangrijk. Niet zozeer omdat er een gebrek is aan hvp’s in het Natura 2000-gebied, maar omdat door verstoring van een hvp foerageergebieden onbereikbaar kunnen worden soorten die geen grote afstanden vliegen, zoals de scholekster. Tabel 6-4. Aantallen vogels op de hvp Baalhoekschor in de periode 2010-2015. Per seizoen is het gemiddeld seizoensmaximum in de teljaren 2010-2015 weergegeven. Aantallen voor de winter zijn niet opgenomen, omdat in de winter geen werkzaamheden plaatsvinden. Bron: //maps.arcgis.com/apps/MapJournal/index.html?appid=be5a06b9e65d4054a4b7c825d68c72a7 Aantallen Soort
Najaar
Voorjaar
Zomer
(maart t/m mei)
Juni t/m augustus
(september t/m november)
Wulp
149
385
542
Scholekster
339
1.192
793
Bonte strandloper
342
0
697
Drieteenstrandloper
39
0
340
Groenpootruiter
0
21
7
Regenwulp
13
0
0
Kluut
0
11
64
Tureluur
34
8
49
Bergeend
457
50
37
Bontbekplevier
61
0
38
Het effect van de werkzaamheden aan en rond de dijk zal beperkt zijn voor de hvp. In de huidige situatie is al sprake van enige verstoring. De werkzaamheden zijn op ruim 400 meter en de hvp wordt niet benaderd. Het overgrote deel van de hvp op het Baalhoekschor blijft onverstoord. Naar verwachting zullen niet minder vogels gebruik maken van de hvp gedurende de werkzaamheden. In het geval dat enkele vogels toch uitwijken naar een andere hvp zijn daarvoor in de directe omgeving mogelijkheden (bjiv. Platen van Ossenisse, Verdronken Land van Saeftinghe, Inlaag Paal) die een alternatief bieden. Vogels hoeven niet uit te wijken naar andere, verder weggelegen hvp´s, waardoor mogelijk foerageergebieden onbereikbaar worden. Significant negatieve effecten zijn hiermee uitgesloten. Er zijn geen negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding van niet-broedvogels.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
29
Projectgerelateerd
7
Effectbeoordeling Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Vogelkreek
In deze paragraaf worden de effecten op Natura 2000-instandhoudingsdoelen van de Oosterschelde en Vogelkreek beoordeeld. In figuur 1.1 is de ligging weergegeven. De instandhoudingsdoelstellingen zijn opgenomen in Bijlage 2. Uit hoofdstuk 4 volgt dat voor deze Natura 2000-gebieden het aspect stikstofdepositie relevant is. Overige storingsfactoren reiken niet tot deze Natura 2000-gebieden.
7.1
Stikstofstofdepositie
In onderstaande tabel is de berekende maximale tijdelijke depositietoename opgenomen. Daarnaast is aangegeven of de KDW van de betreffende habitattypen en leefgebiedtypen wordt overschreden (achtergronddepositie 2018). Tabel 7.1 Berekende maximale tijdelijke depositietoename Natura 2000-gebied
Oosterschelde
Vogelkreek
7.2
Habitattype/leefgebiedtype
Maximale depositietoename
Overschrijding
(mol N/ha/j)
KDW?
H1310A Zilte pionierbegroeiingen (zeekraal)
0,01
Nee
H1320 Slijkgrasvelden
0,01
Nee
H1330A Schorren en zilte graslanden (buitendijks)
0,01
Nee
LG08 Nat, matig voedselrijk grasland
0,05
Nee
Effectbeoordeling
Uit voorgaande paragraaf volgt dat binnen de Oosterschelde en Vogelkreek voor geen van de habitattypen/ leefgebieden die een tijdelijke depositietoename ondervinden sprake is van een overschrijding van de KDW. Negatieve gevolgen voor habitattypen en leefgebieden zijn hiermee met zekerheid uitgesloten. Hiermee zijn ook negatieve gevolgen voor soorten die (mogelijk) gebruik maken van deze gebieden uitgesloten. Negatieve gevolgen voor instandhoudingsdoelstellingen van de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Vogelkreek samenhangend met het project Kruispolder kunnen met zekerheid worden uitgesloten.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
30
Projectgerelateerd
8
Cumulatie
Onder cumulatieve effecten worden effecten verstaan die optreden wanneer de effecten van een voornemen worden beschouwd in het licht van effecten ten gevolge van andere projecten in de omgeving van hetzelfde Natura 2000-gebied. Hierbij dient rekening te worden gehouden met ontwikkelingen (projecten) waarvoor al een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming is verleend, maar die nog niet zijn gerealiseerd (AbRvS 16 april 2014, 201304768/1/R2). Voor Natura 2000-gebied Westerschelde is geconcludeerd dat geen sprake is van een meetbaar effect van stikstofdepositie. Een dergelijk effect kan niet bijdragen aan een cumulatief effect met andere projecten en plannen. Een cumulatietoets is niet aan de orde. Voor enkele instandhoudingsdoelen van Westerschelde & Saeftinghe is geconcludeerd dat sprake is van negatieve effecten, welke niet significant zijn; H1330A Schorren en Zilte graslanden. Er zijn geen projecten bekend die op het gebied van oppervlakteverlies tot cumulatie kunnen leiden. Voor H1330A Schorren en zilte graslanden is geen sprake van cumulatie. Voor niet-broedvogels die gebruik maken van de hvp op het Baalhoekschor worden geen negatieve effecten verwacht. Omdat niet kan worden uitgesloten dat enkele vogels toch uitwijken naar een andere locatie, zijn de effecten zekerheidshalve in cumulatie beschouwd.
Provincie Zeeland heeft aangegeven dat de volgende projecten mogelijk relevant zijn voor cumulatie doordat zij verstoring veroorzaken in de periode waarin ook de werkzaamheden aan gemaal Paal zijn voorzien: • Baggeren Westerschelde; • Nieuwe Sluis Terneuzen; • Vooroeverbestortingen Westerschelde; • Dijkversterkingen. Hieronder zijn de effecten van bovengenoemde projecten op niet-broedvogels beschreven (gebaseerd op de verleende vergunningen) en is aangegeven of mogelijk sprake is van cumulatie. Er is nog geen vergunning aangevraagd voor dijkversterking, waardoor dit niet mee kan worden genomen in de cumulatie-afweging. Tabel 8.1 Cumulatieve effecten niet-broedvogels Project
Effect niet-broedvogels
Mogelijk cumulatie?
Baggeren Westerschelde
Verstoring van niet-broedvogels treedt niet op omdat er niet buiten de bestaande vaargeul wordt gewerkt. Effecten op ruiende bergeenden kunnen met mitigerende maatregelen worden voorkomen. Er is daarom geen negatieve invloed op de instandhoudingsdoelen voor niet-broedvogels.
Nee, geen negatieve gevolgen voor vogels op hvp
Nieuwe Sluis Terneuzen
Kan resulteren in verstoring van foeragerende vogels op laag dynamische litorale gebieden op een slik ten zuidoosten van de Pas van Terneuzen. Mitigerende maatregel: er dient alleen gebruik te worden gemaakt van het deel van het verspreidingsvak dat onderdeel is van de vaargeul, of alleen te worden geklept tijdens hoogwater. Voor de overige niet-broedvogels geldt dat zij door tijdelijke vertroebeling en daarmee samenhangend het tijdelijke verminderde vangstsucces er voldoende uitwijkmogelijkheden zijn om te foerageren.
Nee, geen negatieve gevolgen voor vogels op hvp
Strekdammen Bath
Door het opnemen van mitigerende maatregelen wordt verstoring in de aanlegfase van het project Bath van kwalificerende niet-broedvogels zo veel mogelijk voorkomen en blijft de foerageer-, overtij-, en rustfunctie van het projectgebied Bath behouden. Er wordt een hoogwatervluchtplaats op strekdam 1 of 2 aangelegd, waar (niet)broedvogels van kunnen profiteren,
Nee, geen negatieve gevolgen voor vogels op hvp
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
31
Projectgerelateerd
Project
Effect niet-broedvogels
Mogelijk cumulatie?
omdat verstoring van de hoogwatervluchtplaats op deze locatie(s) in principe niet zal plaatsvinden.
Vooroevers
In de periode 2020-2022 zijn werkzaamheden voorzien op de locaties Breskens-Port Scaldis, Ellewoutsdijk en Hoedekenskerke-Zuid (cluster VOV 2.2) Nieuwe bestortingen op de locaties Vlissingen, Waarde-Westveerpolder, Breskens-Oost, Molenpolder, Eendragtpolder, Kleine Huissenpolder, Margarethapolder en Nieuw-Neuzenpolder (cluster VOV 3.0). De werkzaamheden bij Bath worden momenteel uitgevoerd en zullen niet voor cumulatie zorgen. Overtijende vogels op hvp’s kunnen door de werkzaamheden verstoord worden. Afhankelijk van de locatie duren de werkzaamheden ongeveer 1 tot 4 maanden, zodat mogelijke verstoring van korte duur is. Bij de stortlocaties Eendragtpolder, Kleine Huissenspolder, Margarethapolder, Nieuw Neuzenpolder, Waarde-Westveerpolder, Molenpolder en Breskens C bevinden zich hoogwatervluchtplaatsen. Voor het bepalen van de uitwijkmogelijkheden voor vogels op de buitendijks gelegen hoogwatervluchtplaatsen, die mogelijk door de werkzaamheden verstoord kunnen worden is in de Passende Beoordeling een tabel opgenomen. Uit de tabel blijkt dat er voor alle stortlocaties alternatieve bereikbare hoogwatervluchtplaatsen in de omgeving zijn gelegen om naar uit te wijken.
Gezien ligging van de stortlocatie (> 8km van hvp Baalhoekschor) worden geen cumulatieve effecten verwacht
Voor de Natura 2000-gebieden Oosterschelde en Vogelkreek zijn negatieve effecten uitgesloten en is geen sprake van cumulatie.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
32
Projectgerelateerd
9
Conclusie
De voorgenomen herinrichting van de Kruispolder, de aanpassing van gemaal Paal en de meekoppelkansen (dijkovergang en Ommetje Paal) leiden tot (tijdelijk) effecten in het Natura 2000-gebied Westerschelde. Het habitattype H1330A Schorren en zilte graslanden ondervindt over een zeer beperkt areaal effecten van ruimtebeslag (tijdelijk en permanent). Daarnaast is het mogelijke verstorende effect van de werkzaamheden aan en rond de dijk voor zeehonden, broedvogels en niet broedvogels (foeragerend en rustend) beschouwd. Uit de effectbeoordeling volgt dat de effecten samenhangend met de herinrichting van de Kruispolder en aanpassing van gemaal Paal inclusief de meekoppelkansen niet leiden tot significant negatieve effecten, ook niet als de effecten in cumulatie worden beschouwd. Er zijn geen negatieve gevolgen voor de gunstige staat van instandhouding van de habitattypen, -soorten, broedvogels en niet-broedvogels van het gebied. Voor overige Natura 2000-gebieden zijn significant negatieve effecten met zekerheid uit te sluiten.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
33
Projectgerelateerd
Referenties Adviesbureau Wieland. 2020. Quickscan Natuurwetgeving (beschermde soorten) herinrichting Kruispolder Adviesbureau Wieland. 2020. Quickscan natuurwetgeving (beschermde soorten) project aanpassen gemaal Paal Bergh, L. van den, P. Calle & W. Castelijns. 2018. Broedvogelonderzoek In Het Verdronken Land van Saeftinghe 2018. Stichting Het Zeeuwse Landschap, Natuurbeschermingsvereniging De Steltkluut Brasseur, S. M. J. M. & Reijnders, P. J. H. 1994. Invloed van diverse verstoringsbronnen op het gedrag en habitatgebruik van gewone zeehonden: consequenties voor de inrichting van het gebied. Broekmeyer, M.E.A., E.P.A.G. Schouwenberg, M. van der Veen, D. Prins & C.C. Vos, 2005. Effectenindicator Natura 2000-gebieden: achtergronden en verantwoording ecologische randvoorwaarden en storende factoren. Wageningen Environmental Research Didderen, K. & Bouma, S., 2012. Reacties van zeehonden op baggerschepen. Suppletiewerkzaamheden bij Renesse. Dirksen, S., Witte, R.H. & Leopold, M.F., 2005. Nocturnal movements and flight altitudes of Common Scoters Melanitta nigra, Culemborg, Nederland. Geelhoed, S.C.V. & A.H. Swaan. 2002. Ruiende Bergeenden in de Westerschelde. Bureau Fauna Onderzoek Jentink, R. 2017. Ontwikkeling ecotopen Westerschelde 2016; De veranderingen van de ecotopen in de Westerschelde in beeld gebracht. Jongbloed, R.H. et al., 2011.
Nadere effectenanalyse Natura 2000-gebieden Waddenzee en Noordzeekustzone. IMARES Rapport C170/11 Kater, B.J. 2019. Natuurherstelpakket Westerschelde; monitoring lopende projecten in het licht van de Westerschelde brede ontwikkelingen. In opdracht van Provincie Zeeland Kleijberg, R., 2018. Passende beoordeling en natuurtoets herhaling proefstoringen Westerschelde in het kader van de Wet Natuurbescherming. Arcadis Nederland B.V., Arnhem Krijgsveld, K.L., R.R. Smits & J. van der Winden. 2008. Verstoringsgevoeligheid van vogels : update literatuurstudie naar de reacties van vogels op recreatie. Bureau Waardenburg, Culemborg Ministerie van Economische Zaken, 2016. Herstelstrategieën Deel II-Stikstofgevoelige habitattypen en leefgebieden; deel II Bijlage (update 2016) www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/Documenten/Pas/Herstelstrategieen/Deel%20II/Deel%20II%20 Bijlagen.update_2016.pdf Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2019. Reitsma, J.M. & J. de Jong, 2018. Toelichting bij de Vegetatiekartering Westerschelde 2016 op basis van false colour-luchtfoto's 1:5.000. Bureau Waardenburg bv, Culemborg in opdracht van Rijkswaterstaat WVL Rijkswaterstaat, 2016. Westerschelde & Saeftinghe, Natura 2000 Deltawateren; Beheerplan 2016-2021. Miniserie van Infrastructuur & Milieu, Rijkswaterstaat Provincie Zeeland, 2017. Gebiedsanalyse Westerschelde & Saeftinghe Spaans, B., L.
Bruinzeel & C.J. Smit. 1996. Effecten van verstoring door mensen op wadvogels in de Waddenzee en de Oosterschelde. IBN (Alterra) Report 202, Wageningen Steunpunt Natura 2000, 2009. Leidraad bepaling significantie Nadere uitleg van het begrip ‘significante gevolgen’ uit de Natuurbeschermingswet. Van Dobben, H.F., R. Bobbink, D. Bal en A. van Hinsberg, 2012. Overzicht van kritische depositiewaarden voor stikstof, toegepast op habitattypen en leefgebieden van Natura 2000. Alterrarapport 2397, Alterra Wageningen UR.
Websites: Hvp’s maps.arcgis.com/apps/MapJournal/index.html?appid=be5a06b9e65d4054a4b7c825d68c72a7#
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
34
Projectgerelateerd
Ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Voedselkwaliteit, 2019. Effectenindicator. www.synbiosys.alterra.nl/bij12/effectenindicatorappl.aspx?subj=effectenmatrix&tab=1 NDFF, Nationale Databank Flora en Fauna: https://ndff-ecogrid.nl/. Profieldocumenten: www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/gebiedendatabase.aspx?subj=profielen. SOVON: www.sovon.nl/nl/gebieden.
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
35
Projectgerelateerd
Bijlage 1 Uitgangspunten bij berekeningen
29-Sep-20
TOETS NATURA 2000 KRUISPOLDER EN GEMAAL PAAL
BG8621WATRP2003021336
36
HaskoningDHV Nederland B.V. Transport & Planning
Notitie / Memo Aan: Van: Datum: Kopie: Ons kenmerk: Classificatie:
Waterschap Scheldestromen Iris Dekker, Véronique Maronier Monday, 27 January 2020 Robbert Cremers BF7036TPNT2001171328 Open
Onderwerp:
Herinrichting kruispolder incl. uitbreiding gemaal Paal
1
Inleiding
De Kruispolder, gelegen in Zeeuws Vlaanderen, voldoet niet aan de normen voor wateroverlast. Een deel van het gebied komt bij hevige neerslag onder water te staan. Het waterschap heeft een groot aantal maatregelen onderzocht om het waterbeheer van het deelgebied te optimaliseren. Gebleken is dat het creëren van een nieuw uitwateringsgemaal ter hoogte van de Westerschelde, in combinatie met het treffen van diverse maatregelen in de polder, een effectieve maatregel is om het waterbeheer te optimaliseren. Maatregelen die voorzien zijn in de polder om de drooglegging te verbeteren betreffen het verbeteren van de afvoer (verdiepen en verbreden van waterlopen) en het verlagen van duikers. De maatregelen worden aangegrepen om de Kruispolder te herverkavelen. Dit is een wens van de agrariërs. De fysieke maatregelen bestaan uit het dempen van watergangen, graven van watergangen en het aanpassen van kunstwerken en bouw van een nieuw gemaal met een persleiding door de waterkering. Bij de aanpassingen aan de Kruispolder en de bouw van een nieuw gemaal wordt brandstof aangedreven materieel ingezet, dit zorgt voor stikstofemissie en depositie in nabijgelegen Natura 2000gebieden. Dit zou kunnen leiden tot negatieve effecten (vermesting en verzuring) van stikstofgevoelige habitattypen in deze Natura-2000 gebieden.
In deze notitie zijn de uitgangspunten en uitkomsten van de stikstofdepositieberekening voor de tijdelijke aanlegfase met de AERIUS Calculator (versie 2019A) beschreven. Daarnaast wordt de impact van het nieuwe gemaal op de stikstofdepositie beschreven.
2
Juridisch kader
De bescherming van Natura 2000-gebieden is in hoofdstuk 2 van de Wet Natuurbescherming (Wnb) geregeld. Projecten en andere handelingen die de kwaliteit van habitats kunnen verslechteren of die een verstorend effect kunnen hebben op Natura 2000-gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen, mogen niet plaatsvinden zonder vergunning (conform de artikelen 2.7, 2.8 en 2.9 van de Wnb). In de beslisboom 1 van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (zie figuur 1) zijn de stappen om vergunningsplicht vast te stellen beschreven.
1
https://vng.nl/files/vng/roh001-beslisboom-191004-wt.pdf
Monday, 27 January 2020
BF7036TPNT2001171328
1/5
Figuur 1. Beslisboom Toestemmingverlening stikstofdepositie bij nieuwe activiteiten Ministerie BZK
3
Stikstofdepositie tijdelijke aanlegfase uitgangspunten
De stikstofdepositieberekening is uitgevoerd voor de tijdelijke werkzaamheden die plaatsvinden binnen de Kruispolder. In figuur 2 is een overzicht van de locatie van de werkzaamheden en de omliggende Natura-2000 gebieden weergegeven.
Monday, 27 January 2020
BF7036TPNT2001171328
2/5
Figuur 2 Locatie werkzaamheden en omliggende Natura-2000 gebieden
3.1
Brandstof-aangedreven mobiele werktuigen
De inzet van het materieel tijdens de werkzaamheden is beschreven in de aangeleverde informatie 2. De aanleg zal plaatsvinden gedurende 2 jaar (2020 en 2021). Al het brandstofverbruik zoals berekend in de aangeleverde informatie van het brandstof aangedreven materieel is voor de AERIUS berekening daarom evenredig verdeeld over 2 jaar. Voor de emissies van het in te zetten materieel tijdens de aanlegfase zijn in AERIUS twee vlakbronnen gemodelleerd: de locatie rond het nieuwe gemaal en de planlocatie binnen de Kruispolder voor overige werkzaamheden. Deze vlakbronnen bevatten alle emissies van het bijbehorende materieel. Hierin is ook het vrachtverkeer op het terrein (lossen binnen 1,5 en 2,5 km) meegenomen. Voor de bepaling van de Stage-klasse van het materieel is ook uitgegaan van de eerdergenoemde aangeleverde informatie. Hierin is voor al het materiaal aangenomen dat het van een bouwjaar 2014 of nieuwer (Stage IV) is. Omdat dit schoner is dan het gemiddelde huidige mobiele werktuigenpark, zal hiervoor een uitvoeringseis in de uitvraag moeten worden opgenomen. In onderstaande tabel 1 zijn de gebruikte specificaties van de verschillende mobiele werktuigen opgenomen. Alle informatie in deze tabel is overgenomen uit de aangeleverde informatie2.
2
Input materieel Kruispolder v2.xlsx; aangeleverd d.d. 06-01-2020 door K. Hengst (Waterschap Scheldestromen)
Monday, 27 January 2020
BF7036TPNT2001171328
3/5