2024-12-09 Aanbevelingen van het VN-Comit_ op eerste rapport over implementatie van VN-verdrag Handicap in Nederland
Tekst van het document
(f) de toegankelijkheid van de gezondheidszorg te verbeteren en hulp te bieden aan personen met een handicap en hun gezin en/of familie om wegwijs te worden in het zorgstelsel. Habilitatie en revalidatie (artikel 26) 57. Het Comité maakt zich zorgen over de belemmeringen die personen met een handicap ondervinden bij hun terugkeer naar huis na een operatie of in verband met fysiotherapie, als gevolg van het dure en ingewikkelde systeem. 58. Indachtig het verband tussen artikel 26 van het Verdrag en doelstelling 3.7 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om maatregelen te nemen om toegang voor personen met een handicap tot alomvattende en sectoroverstijgende diensten, programma’s en technologie voor habilitatie en revalidatie te waarborgen, binnen hun gemeenschap en in alle delen van de Staat. Werk en werkgelegenheid (artikel 27) 59.
Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de hoge incidentie van werkloosheid onder personen met een handicap, in het bijzonder vrouwen met een handicap en jongeren met een handicap, alsmede de voortdurende discriminatie in betalingsmechanismen voor personen met een handicap met een “verminderde arbeidscapaciteit”; (b) de discriminatie en belemmeringen waarmee personen met een handicap worden geconfronteerd bij hun tewerkstelling, met inbegrip van het weigeren van redelijke aanpassingen en het gebrek aan maatregelen om ervoor te zorgen dat werkgevers in de openbare en de particuliere sector verantwoording moeten afleggen voor het niet respecteren van de doelstelling voor tewerkstelling van personen met een handicap; (c) het gebruik van de term “arbeidsongeschikten” om te verwijzen naar personen met een handicap; (d) het voortgezette gebruik van het medische model om de werkgelegenheidsagenda voor personen met een handicap te bevorderen, zoals blijkt uit het gebruik van sociale werkplaatsen als middel om personen met een handicap in dienst te nemen.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
60.
23
Indachtig zijn algemene opmerking nr. 8 (2022), en in lijn met doelstelling 8.5 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg en met de actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisaties: (a) de nationale wetgeving te herzien om de systemische en structurele belemmeringen aan te pakken die personen met een handicap ondervinden, in het bijzonder vrouwen met een handicap, jongeren met een handicap en personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap, en maatregelen te nemen om het aantal personen met een handicap op de vrije arbeidsmarkt te vergroten; (b) de uitvoering van de overeenkomsten inzake de doelstelling voor werkgelegenheid voor personen met een handicap in zowel de openbare als de particuliere sector te handhaven en maatregelen te versterken om de toegankelijkheid en redelijke aanpassingen op de werkplek te waarborgen, waaronder het bewustmaken van werkgevers van hun verplichtingen en het verstrekken van middelen om het aanbieden van redelijke aanpassingen te vergemakkelijken; (c) de wetgeving te wijzigen om op passende wijze te verwijzen naar personen met een handicap in plaats van de term “arbeidsongeschikten” te gebruiken op de arbeidsmarkt; (d) alle noodzakelijke stappen te nemen om programma’s, beleid en wetgeving op de arbeidsmarkt af te stemmen op de
mensenrechtenbenadering van handicaps, met inbegrip van de huidige praktijk van sociale werkplaatsen.
Behoorlijke levensstandaard en sociale bescherming (artikel 28) 61. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het onevenredig hoge armoederisico onder personen met een handicap, het gebrek aan maatregelen om armoede onder personen met een handicap aan te pakken en het gebrek aan regelmatige onderzoeken naar de systemische oorzaken van het raakvlak tussen armoede en handicap om overheidsbeleid en -plannen adequaat te onderbouwen, met gebruikmaking van het mensenrechtenmodel van handicap; en het gebrek aan gegevensverzameling over armoede, inkomensongelijkheid en dakloosheid; (b) het gebrek aan informatie over het aantal personen met een handicap, in het bijzonder personen met een psychosociale en/of verstandelijke handicap, die gebruik hebben gemaakt van het dakloosheidprogramma; (c) informatie waaruit blijkt dat het gezamenlijke inkomen van het huishouden bepalend is voor de bedragen die mensen met een handicap ontvangen aan sociale uitkeringen en dat ze persoonlijke bijdragen moeten betalen voor langdurige sociale uitkeringen, waardoor de toegang tot sociale uitkeringen voor mensen met een handicap, met name jonge mensen met een handicap, wordt beperkt. 62.
Indachtig het verband tussen artikel 28 van het Verdrag en doelstelling 10.2 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, die gericht zijn op het mondig maken en bevorderen van de economische integratie van alle personen, ongeacht hun handicap, beveelt het Comité de Staat aan om: (a) alle noodzakelijke maatregelen te nemen om het verhoogde risico op armoede onder personen met een handicap aan te pakken en handicaps te integreren in alle studies, onderzoeken, beleidsmaatregelen en plannen die verband houden met armoedebestrijding, met gebruikmaking van het mensenrechtenmodel van handicap; (b) te zorgen voor gelijke toegang voor personen met een handicap tot tehuizen voor daklozen, in het bijzonder voor personen met een psychosociale en/of verstandelijke handicap, en alomvattende,
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
24
multidisciplinaire programma’s voor daklozen te ontwikkelen die zijn toegesneden op personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap; (c) ervoor te zorgen dat een handicap de belangrijkste factor is bij de erkenning en berekening van een tegemoetkoming voor kosten in verband met een handicap, sociale uitkeringen voor personen met een handicap en eigen bijdragen die zij dienen te betalen, zodat inkomensafhankelijke uitkeringen voor huishoudens worden vermeden. Participatie in het politieke en openbare leven (artikel 29) 63. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de interpretatieve verklaring bij artikel 29, die een interpretatie geeft van ondersteuning die leidt tot het ontzeggen van redelijke aanpassingen voor personen met een handicap; (b) de geringe deelname van personen met een handicap aan het openbare en politieke leven, waaronder verkiezingscampagnes; (c) het aanhoudende gebrek aan toegankelijkheid van de stemprocedure, waaronder de fysieke ontoegankelijkheid van stemlokalen en -hokjes en het gebrek aan toegankelijke informatie.
64. Het Comité beveelt de Staat aan om in nauw overleg met en actieve betrokkenheid van personen met een handicap en hun representatieve organisaties: (a) zijn interpretatieve verklaring bij artikel 29 van het Verdrag in te trekken en de wetgevingskaders te wijzigen om ondersteuning op te nemen als een vorm van redelijke aanpassingen om de mensenrechten van alle personen met een handicap te waarborgen; (b) maatregelen te ontwikkelen en ervoor te zorgen dat deze worden uitgevoerd ter bevordering van de effectieve en volwaardige deelname van personen met een handicap aan het politieke en openbare leven op voet van gelijkheid met anderen, waaronder het recht en de mogelijkheid voor personen met een handicap om te stemmen en zich verkiesbaar te stellen, en toegang tot hoge besluitvormingsposities op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau, en hun deelname aan openbare diensten te vergroten door rekening te houden met indicator 16.7.1 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen; (c) te zorgen voor de toegankelijkheid van stemmateriaal en stembureaus in alle regio’s en gemeenten, alsmede van verkiezingscampagnes, onder meer door te voorzien in ondersteunende maatregelen voor personen met een verstandelijke handicap door middel van alternatieve en augmentatieve vormen van informatieverstrekking.
Deelname aan het culturele leven, recreatie, vrijetijdsbesteding en sport (artikel 30) 65. Het Comité maakt zich zorgen over het gebrek aan toegankelijkheid van sommige culturele, recreatie-, vrijetijds- en sportfaciliteiten en de tekortkomingen bij het vergroten van het gebruik van dergelijke faciliteiten door personen met een handicap, in het bijzonder personen met een handicap met hoge ondersteuningsbehoeften en kinderen met een handicap; 66. Het Comité beveelt de Staat aan om in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties, de maatregelen te versterken om het gebruik en de toegankelijkheid van culturele, recreatie-, vrijetijds- en sportfaciliteiten door personen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een handicap, aan te moedigen en te vergemakkelijken.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
C.
25
Specifieke verplichtingen (artikelen 31–33)
Statistieken en het verzamelen van gegevens (artikel 31) 67. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de tekortkomingen bij het verzamelen en publiceren van gegevens over de situatie van personen met een handicap in de gehele Staat die Partij is, met inbegrip van het Caribische deel van Nederland, en op alle gebieden van het leven, waaronder gezondheid, onderwijs, werkgelegenheid en justitie; (b) het gebrek aan uitgesplitste gegevens, ook met betrekking tot de situatie van lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen met een handicap, asielzoekers, vluchtelingen en staatlozen met een handicap, personen met een handicap in met vluchtelingen vergelijkbare situaties, personen met een handicap die tijdelijke bescherming genieten, kinderen met een handicap (met name wat onderwijs betreft), vrouwen en meisjes met een handicap en personen met een handicap in instellingen. 68.
Het Comité beveelt de Staat aan om gebruik te maken van de korte reeks vragen over functioneren van de Washington Group on Disability Statistics en de beleidswijzer over de inclusie en empowerment van personen met een handicap van de Commissie voor ontwikkelingsbijstand van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, inclusiviteit te bevorderen en de gegevensverzamelingssystemen voor personen met een handicap te verbeteren, met gegevens uitgesplitst naar leeftijd, geslacht, ras, etniciteit, stedelijke of landelijke locatie en of het gaat om migranten, vluchtelingen of asielzoekers, en: (a) een alomvattend nationaal kader voor gegevens over handicaps te ontwikkelen om te zorgen voor passende, nationaal consistente maatregelen voor het verzamelen, interpreteren en openbaar rapporteren van uitgesplitste gegevens over het volledige scala aan verplichtingen uit hoofde van het Verdrag, in de gehele Staat die Partij is, met inbegrip van Caribisch Nederland, en dat de Staat bij het verzamelen van uitgesplitste gegevens zijn privacywetgeving volledig respecteert; (b) ervoor te zorgen dat naar behoren uitgesplitste gegevens worden verzameld, onder meer met betrekking tot lesbiennes, homoseksuelen, biseksuelen, transgenders en intersekse personen met een handicap, etnische en raciale minderheden, vluchtelingen en staatlozen met een handicap, personen met een handicap
in een met vluchtelingen vergelijkbare situatie, personen met een handicap die tijdelijke bescherming genieten, kinderen met een handicap, vrouwen en meisjes met een handicap en personen met een handicap in instellingen. Internationale samenwerking (artikel 32) 69. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het ontbreken van een systematische en gecoördineerde strategie voor de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling in de internationale samenwerkingsactiviteiten van de Staat, met volledige betrokkenheid van personen met een handicap, ook met betrekking tot de Europese consensus inzake ontwikkeling; (b) het algemene gebrek aan systematische en actieve betrokkenheid van en nauw overleg met gehandicaptenorganisaties, met inbegrip van organisaties van vrouwen en meisjes met een handicap, bij zijn internationale samenwerkingsactiviteiten. 70. Het Comité beveelt de Staat aan om concrete maatregelen te nemen om te zorgen voor nauw overleg en actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisaties, bij internationale
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
26
samenwerkingsovereenkomsten en -programma’s, in het bijzonder bij de uitvoering en monitoring van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling en de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen op alle niveaus, en: (a) een systematische en gecoördineerde strategie te ontwikkelen voor de uitvoering van de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling in zijn internationale samenwerkingsactiviteiten, onder meer met betrekking tot de Europese consensus inzake ontwikkeling; (b) maatregelen vast te stellen om de actieve betrokkenheid van en het nauwe overleg met personen met een handicap te waarborgen, met inbegrip van vrouwen en meisjes met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties, bij het ontwerpen, ontwikkelen, monitoren en evalueren van strategieën en programma’s inzake internationale samenwerking. Nationale implementatie en toezicht (artikel 33) 71. Het Comité erkent dat de Staat een geaccrediteerd nationaal instituut voor mensenrechten heeft met een ‘A’-status, dat voldoet aan de Beginselen van Parijs. Het Comité stelt echter met bezorgdheid vast dat: (a) een systeem voor coördinatie tussen de verschillende contactpunten die de Staat heeft ingesteld om het Verdrag uit te voeren, ontbreekt; (b) er geen instanties zijn om de betrokkenheid van vertegenwoordigende gehandicaptenorganisaties uit Caribisch Nederland bij het toezicht op het Verdrag te waarborgen. 72.
Indachtig zijn richtlijnen over onafhankelijke kaders voor opvolging en hun aandeel in het werk van het Comité11, beveelt het Comité de Staat aan om met de actieve betrokkenheid van en nauw overleg met personen met een handicap via hun representatieve organisaties, onder wie vrouwen en kinderen met een handicap: (a) een systeem in te voeren voor de coördinatie tussen de verschillende contactpunten die zijn opgezet om het Verdrag uit te voeren; (b) instanties te ontwikkelen om te waarborgen dat personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties, in Caribisch Nederland volledig en effectief worden betrokken bij en participeren in het toezicht op de invoering van het Verdrag.
11 CRPD/C/1/Rev.1, bijlage.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
27
IV. Opvolging Verspreiding van informatie 73. Het Comité benadrukt het belang van alle aanbevelingen in deze slotopmerkingen. Met betrekking tot dringende maatregelen die moeten worden genomen, wil het Comité de aandacht van de Staat vestigen op de aanbevelingen in paragraaf 12 over algemene beginselen en verplichtingen, paragraaf 36 over vrijwaring van foltering of wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, en paragraaf 54 over onderwijs. 74. Het Comité verzoekt de Staat de aanbevelingen in deze slotopmerkingen uit te voeren. Het Comité beveelt de Staat aan om de slotopmerkingen ter overweging en actie door te geven aan leden van de regering en het parlement, ambtenaren in relevante ministeries, lokale autoriteiten en leden van relevante beroepsgroepen, zoals onderwijzend, medisch en juridisch personeel, evenals aan de media, door gebruik te maken van moderne sociale communicatiestrategieën. 75. Het Comité moedigt de Staat sterk aan om maatschappelijke organisaties, in het bijzonder gehandicaptenorganisaties, te betrekken bij het opstellen van het periodieke rapport. 76.
Het Comité verzoekt de Staat deze slotopmerkingen op grote schaal te verspreiden, ook onder niet-gouvernementele organisaties en gehandicaptenorganisaties, en onder personen met een handicap zelf en hun gezinsleden, in de nationale en minderheidstalen, waaronder gebarentaal, en in toegankelijke formaten, waaronder Easy Read, en deze beschikbaar te stellen op de overheidswebsite over mensenrechten. Volgende periodieke rapport 77. Het Comité verzoekt de Staat zijn gecombineerde tweede tot en met vierde periodieke rapport vóór 14 juli 2030 in te dienen en daarin informatie op te nemen over de implementatie van de aanbevelingen die in deze slotopmerkingen zijn gedaan. Het Comité stelt voorafgaand aan de rapportage een lijst met onderwerpen op en verzoekt de Staat zijn antwoorden binnen een jaar na ontvangst van de lijst met onderwerpen in te dienen. De antwoorden van de Staat vormen het gecombineerde tweede tot en met vierde periodieke rapport.
Deze brochure is een uitgave van: Ministerie van Volksgezondheid; Welzijn en Sport Postbus 20350 | 2500 ej Den Haag t 070 340 79 11 (ma t/m vrij 9.00 – 21.00 uur) November 2024