2024-12-09 Aanbevelingen van het VN-Comit_ op eerste rapport over implementatie van VN-verdrag Handicap in Nederland
Tekst van het document
Aanbevelingen van het VN-Comité op het eerste rapport over de implementatie van het VN-verdrag Handicap in Nederland
VN-Comité voor de rechten van personen met een handicap Dit document is niet de originele publicatie. Deze is hier te downloaden.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
3
Slotopmerkingen over het eerste rapport van het Koninkrijk der Nederlanden*
I.
Inleiding
1. Het Comité heeft het eerste rapport van het Koninkrijk der Nederlanden1 besproken tijdens zijn 725e en 726e vergadering2, gehouden op 15 augustus 2024. Het heeft deze slotopmerkingen goedgekeurd tijdens zijn 747e vergadering op 30 augustus 2024. 2. Het Comité verwelkomt het eerste rapport van Nederland, dat is opgesteld in overeenstemming met de rapportagerichtlijnen van het Comité, en dankt de Staat voor zijn schriftelijke antwoorden3 op de door het Comité opgestelde lijst met kwesties.4 3. Het Comité waardeert de constructieve dialoog met de delegatie. Het Comité spreekt ook zijn waardering uit voor de actieve deelname van het Nederlands College voor de Rechten van de Mens, in zijn hoedanigheid van nationale instantie voor de rechten van de mens en onafhankelijke monitoringinstantie, overeenkomstig artikel 33, lid 2, van het Verdrag.
* Goedgekeurd door het Comité tijdens zijn eenendertigste zitting (12 augustus – 5 september 2024). 1 CRPD/C/NLD/1. 2 Zie CRPD/C/SR.725 en CRPD/C/SR.726. 3 CRPD/C/NLD/RQ/1. 4 CRPD/C/NLD/Q/1.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
II.
4
Positieve aspecten
4. Het Comité verwelkomt de maatregelen die de Staat heeft genomen om de rechten van personen met een handicap te bevorderen en het Verdrag te implementeren sinds de toetreding in 2016, waaronder de volgende: (a) de ontwikkeling en vaststelling van een nationale strategie voor de implementatie van het Verdrag, in nauw overleg met mensen met een beperking, via hun vertegenwoordigende organisaties, op nationaal en gemeentelijk niveau, in februari 2024; (b) het besluit van de regering om het Facultatief Protocol bij het Verdrag te ratificeren; (c) de wijziging van artikel 1 van de Grondwet om discriminatie op grond van handicap op te nemen, aangenomen in februari 2023; (d) het besluit van de regering om nationale wetgeving inzake gelijke behandeling in te voeren op het Caribisch grondgebied van Nederland, waaronder de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte, waarvan de inwerkingtreding is gepland voor januari 2025; (e) de vaststelling van de Hervormingsagenda Jeugd 2023–2028, die tot doel heeft delen van de Jeugdwet (2015) te wijzigen om de ondersteuning van jongeren met een handicap en hun gezin te verbeteren, in juni 2023; (f) de erkenning van de Nederlandse Gebarentaal als officiële taal in 2021; (g) stappen die zijn ondernomen om de Europese toegankelijkheidswet ten uitvoer te brengen, die voorziet in toegankelijkheidsvoorschriften voor
verschillende sectoren, zoals goederen, diensten en digitale inhoud voor personen met een handicap.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
5
III. Belangrijkste aandachtspunten en aanbevelingen A.
Algemene beginselen en verplichtingen (artikelen 1–4)
5. Het Comité is bezorgd over het feit dat de Staat niet van plan is zijn verklaringen inzake de interpretatie van bepaalde artikelen van het Verdrag in te trekken, waardoor de volledige verwezenlijking van de rechten van personen met een handicap wordt beperkt. 6. Het Comité beveelt de Staat aan stappen te ondernemen om deze interpretatieve verklaringen in te trekken om de volledige bescherming en bevordering van de rechten van personen met een handicap te garanderen. 7. Het Comité merkt op dat de Staat zijn voornemen heeft geuit om het Facultatieve Protocol bij het Verdrag te ratificeren, maar het ratificatieproces nog niet heeft afgerond. 8. Het Comité beveelt de Staat aan om het ratificatieproces van het Facultatief Protocol bij het Verdrag snel af te ronden. 9. Het Comité maakt zich zorgen over de tijdlijn voor de ratificatie en implementatie van het Verdrag in het Caribische deel van Nederland. 10. Het Comité beveelt de Staat aan de ratificatie en volledige implementatie van het Verdrag in het Caribische deel van Nederland te bespoedigen en een plan op te stellen voor de implementatie van het Verdrag met duidelijke doelen, tijdlijnen en indicatoren.
Verder beveelt het Comité de Staat aan een proces op te zetten voor nauw overleg met en actieve betrokkenheid van personen met een handicap in het Caribische deel van Nederland via hun vertegenwoordigende organisaties, evenals een onafhankelijke instantie die toezicht houdt op het implementatieproces. Het Comité dringt er bij de Staat op aan om te zorgen voor een snelle implementatie van het Verdrag in het Caribische deel van Nederland, om ervoor te zorgen dat personen met een handicap ten volle hun rechten kunnen genieten, en om alle nieuwe wetgeving te baseren op het mensenrechtenmodel van handicap. 11.
Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het ontbreken van een alomvattende strategie waarin alle artikelen en beginselen van het Verdrag aan bod komen, met als gevolg dat het Verdrag niet volledig in de nationale wetgeving is opgenomen; (b) het ontbreken van een systematische toetsing van bestaande wet- en regelgeving en beleid om na te gaan of deze in overeenstemming zijn met de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag, of dat wetgevende maatregelen worden getroffen om naleving van het Verdrag te waarborgen, alsmede het ontbreken van harmonisatie bij de uitvoering van het Verdrag op alle overheidsniveaus, waaronder nationaal en gemeentelijk niveau, hetgeen leidt tot inconsistenties en een zeer ongelijke bescherming en ondersteuning van personen met een handicap, waardoor inbreuk wordt gemaakt op hun rechten uit hoofde van het Verdrag; (c) de ongelijke uitvoering van het Verdrag in gemeenten, met name op gebieden als de wettelijke verplichting om een Inclusie-agenda op te stellen, de toegankelijkheid van openbare diensten, het bieden van sociale ondersteuning en het financieren van gehandicaptenorganisaties, en het gebrek aan coördinatie tussen gemeenten, hetgeen barrières opwerpt voor personen met een handicap en hun leven aanzienlijk kan verstoren en hun volledige deelname aan de samenleving kan belemmeren, wat leidt tot een kloof tussen het wettelijke kader waarin de
rechten uit hoofde van het Verdrag worden erkend en de praktische uitvoering ervan en de dagelijkse realiteit zoals die door personen met een handicap wordt ervaren;
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
12.
13.
14.
6
(d) het feit dat de rechterlijke en bestuurlijke instanties het nationale recht over het algemeen niet in het licht van het Verdrag interpreteren, zelfs niet op gebieden waar er ruimte voor deze interpretatie bestaat. Het Comité beveelt de Staat aan om: (a) een alomvattende strategie te ontwikkelen om alle beginselen, verplichtingen en rechten van het Verdrag op alle overheidsniveaus te integreren en ervoor te zorgen dat alle wetgeving en beleidsmaatregelen in overeenstemming zijn met het mensenrechtenmodel van handicap; (b) systematisch bestaande wet- en regelgeving en beleidsmaatregelen te toetsen om vast te stellen welke wetgevende maatregel nodig is om te voldoen aan de verplichtingen uit hoofde van het Verdrag, en op mensenrechten gebaseerde actieplannen op te stellen met daarin een duidelijk begrip van “handicap”, die maatregelen bevatten om de rechten uit hoofde van het Verdrag te bevorderen, te beschermen en na te leven; (c) nationale normen en richtlijnen vast te stellen om ervoor te zorgen dat het Verdrag in alle gemeenten effectief wordt uitgevoerd, lokale overheden adequate middelen en training te bieden en gemeenten bij te staan bij het nakomen van hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag, met name met betrekking tot de kwaliteit van ondersteunende diensten en het opstellen van een Inclusie-agenda; een strategie te ontwikkelen om te zorgen voor
duidelijke communicatie en coördinatie tussen gemeenten om de continuïteit van diensten en ondersteuning voor personen met een handicap op alle gebieden van het leven te vergemakkelijken wanneer zij van de ene gemeente naar de andere verhuizen; (d) ervoor te zorgen dat zijn gerechtelijke en bestuurlijke instanties de in het Verdrag vastgelegde rechten consequent en effectief toepassen in individuele gevallen, hetzij als basis voor rechtsvorderingen of als leidraad voor de interpretatie van de nationale wetgeving. Het Comité is bezorgd over: (a) het gebrek aan participatie van personen met een handicap in beleids- en besluitvormingsprocessen, onder wie vrouwen met een handicap, en het daaruit voortvloeiende verzuim om specifieke vereisten en belemmeringen in wetgeving, beleid en programma’s aan te pakken, waaronder ontoereikende mechanismen voor raadpleging en betrokkenheid van gehandicaptenorganisaties op alle overheidsniveaus, alsmede de belemmeringen waarmee gehandicaptenorganisaties worden geconfronteerd bij hun gelijkwaardige deelname aan nationale en Europese normalisatieprocessen, wat invloed heeft op de ontwikkeling van toegankelijkheidsnormen; (b) het gebrek aan financiële steun en onvoldoende structurele financiering voor gehandicaptenorganisaties om deelname aan de openbare besluitvorming mogelijk te maken. Indachtig zijn algemene opmerking nr.
7 (2018) beveelt het Comité de Staat aan om, in nauw overleg en met de actieve betrokkenheid van personen met een handicap via hun vertegenwoordigende organisaties: (a) een alomvattende strategie te ontwikkelen en uit te voeren om de participatie van personen met een handicap, onder wie vrouwen en meisjes met een handicap, in alle beleids- en wetgevingsprocessen te garanderen, met inbegrip van mechanismen voor regelmatige raadpleging en betrokkenheid, toereikende middelen en ondersteuning voor de vertegenwoordigende organisaties om hun capaciteit voor effectieve participatie te versterken, ook in het Caribisch gebied van Nederland, en de effectieve participatie van vrouwen en meisjes met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties, op alle gebieden en op alle
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
7
niveaus te bevorderen; prioriteit te geven aan de doelstelling om een duidelijke strategie vast te stellen om een infrastructuur voor participatie te creëren in de nationale strategie voor de implementatie van het Verdrag; (b) beleid goed te keuren om de financiële voorwaarden te scheppen voor de participatie van alle personen met een handicap via hun vertegenwoordigende organisaties op alle overheidsniveaus en voor organisaties van welke omvang dan ook, onder meer door te zorgen voor structurele steun op lange termijn.
B.
Specifieke rechten (artikelen 5–30)
Gelijkheid en non-discriminatie (artikel 5) 15. Het Comité stelt met bezorgdheid vast dat uit studies en gegevens blijkt dat ondanks de bestaande wettelijke bepalingen, personen met een handicap, in het bijzonder personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap, nog steeds geconfronteerd worden met stigmatisering en discriminatie in verschillende vormen. Het Comité maakt zich ook zorgen over: (a) de vrijstelling van antidiscriminatiewetgeving voor het onderwijs; (b) de verschillen in beleidshandhaving en -praktijken tussen verschillende regio’s en instellingen die leiden tot zeer inconsistente bescherming en ondersteuning van personen met een handicap, wat een schending van hun rechten uit hoofde van het Verdrag inhoudt; (c) het gebrek aan aandacht voor intersectionaliteit in beleid en wetgeving, namelijk het ontbreken van maatregelen om in te spelen op de behoeften, ervaringen en meervoudige en samenhangende belemmeringen van personen met een handicap die op meerdere gronden met discriminatie te maken kunnen krijgen; (d) de beperkte beschikbaarheid van klachtenprocedures, rechtsmiddelen en verhaalsmogelijkheden voor personen met een handicap die discriminatie ervaren; (e) het ontbreken van gegevens over handicap, geslacht of leeftijd in het gegevensverzamelingssysteem van de rechtbanken, waardoor het onmogelijk is om de intersectionaliteit van discriminatie
te monitoren. 16. Indachtig zijn algemene opmerking nr. 6 (2018) en doelstellingen 10.2 en 10.3 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om: (a) de Wet gelijke behandeling op grond van handicap of chronische ziekte te wijzigen en daarin expliciet het recht op inclusief onderwijs op te nemen; (b) duidelijke richtlijnen en procedures te ontwikkelen en te implementeren om zo de consistente toepassing en handhaving van antidiscriminatiebeleid en -praktijken in alle regio’s en instellingen te waarborgen; (c) specifiek aandacht te besteden aan kwesties van intersectionaliteit in de nationale strategie voor de implementatie van het Verdrag; (d) d e effectiviteit van klachtenprocedures en verhaalsmogelijkheden en de toegankelijkheid daarvan voor personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties te waarborgen; (e) s ystematisch uitgesplitste gegevens te verzamelen over handicap, ras, geslacht, leeftijd, etniciteit en andere status, teneinde adequate maatregelen te nemen tegen en aandacht te besteden aan intersectionele discriminatie op alle gebieden van het leven.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
8
Vrouwen met een handicap (artikel 6) 17. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het ontbreken van wetten en beleid inzake gendergelijkheid met betrekking tot de rechten van personen met een handicap; (b) het ontbreken van beleid, programma’s en maatregelen om de rechten van vrouwen en meisjes met een handicap te beschermen, met name in gevallen van huiselijk en seksueel geweld; (c) het ontbreken van plannen van de regering om actie te ondernemen gericht op de positieverbetering en mondigheid van vrouwen en meisjes met een handicap en het verzuim om de positie van vrouwen en meisjes met een handicap op de nationale agenda te zetten; (d) het niet expliciet opnemen van vrouwen met een handicap in beleid over gendergelijkheid of handicaps, ook al lopen zij een groter risico slachtoffer te worden van geweld, waaronder seksueel geweld, dan andere vrouwen en dan mannen met een handicap, en het gebrek aan bewustzijn van het raakvlak tussen gender en handicap op het niveau van beleidsmakers. 18. Indachtig zijn algemene opmerking nr.
3 (2016) en doelstellingen 5.1, 5.2 en 5.5 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg met vrouwen en meisjes met een handicap via hun vertegenwoordigende organisaties: (a) specifieke wetten en beleidsmaatregelen vast te stellen die gendergelijkheid waarborgen met betrekking tot de rechten van personen met een handicap, met als doel de basis te leggen voor gelijke rechten voor vrouwen met een handicap in alle aspecten van de samenleving; (b) beleid, programma’s en andere maatregelen vast te stellen ter bescherming van de rechten van vrouwen en meisjes met een handicap, met bijzondere aandacht voor het voorkomen van huiselijk en seksueel geweld tegen hen; (c) ervoor te zorgen dat in alle relevante wetgevings- en beleidskaders rekening wordt gehouden met de rechten van vrouwen met een handicap en dat deze rechten een prominente plaats krijgen in regeringsplannen en -agenda’s; (d) beleid en programma’s te ontwikkelen op het gebied van gendergelijkheid en handicaps die expliciet rekening houden met de behoeften van vrouwen met een handicap, en het bewustzijn van het raakvlak tussen gender en handicaps op het niveau van beleidsmakers te verbeteren.
Kinderen met een handicap (artikel 7) 19. Het Comité maakt zich zorgen over het feit dat: (a) er geen specifieke wetten en beleidsmaatregelen zijn die expliciet ingaan op de behoeften van kinderen met een handicap; (b) de bestaande uitgebreide ondersteuningsprogramma’s en -diensten voor kinderen met een handicap mogelijk niet voldoende effectief of breed toegankelijk zijn; (c) er een hiaat is in de systematische verzameling en het beheer van gegevens over kinderen met een handicap; (d) kinderen met een handicap slechts in beperkte mate worden betrokken bij besluitvormingsprocessen die hun leven beïnvloeden. Hoewel er voorzieningen bestaan, is er onvoldoende bewijs dat er consequent en effectief rekening wordt gehouden met de mening van kinderen met een handicap.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
20.
9
Indachtig de gezamenlijke verklaring van het Comité voor de Rechten van het Kind en het Comité voor de Rechten van Personen met een Handicap over de rechten van kinderen met een handicap5, beveelt het Comité de Staat aan om: (a) specifieke wetten en beleidsmaatregelen te ontwikkelen en uit te voeren die expliciet ingaan op de rechten van kinderen met een handicap; ervoor te zorgen dat deze wetten ondersteuning op maat bieden die rekening houdt met de specifieke behoeften van kinderen met een handicap; (b) uitgebreide ondersteuningsprogramma’s voor kinderen met een handicap te versterken en uit te breiden, met de nadruk op onderwijs, gezondheidszorg en inclusie; ervoor te zorgen dat deze programma’s voldoende gefinancierd, breed toegankelijk en effectief gecontroleerd worden; (c) systematisch gegevens over kinderen met een handicap te verzamelen en te beheren, waarbij privacyoverwegingen worden afgewogen tegen de behoefte aan accurate informatie.
Dit omvat gegevens over het aantal kinderen dat diensten ontvangt, in detentie zit, in vluchtelingencentra zit en betrokken is bij mensenhandel; (d) mechanismen te ontwikkelen om zo te waarborgen dat kinderen met een handicap vrijelijk hun mening kunnen geven over alle aangelegenheden die hen betreffen en dat aan deze mening het nodige gewicht wordt toegekend overeenkomstig hun leeftijd en maturiteit; op leeftijd, geslacht en handicap afgestemde ondersteuning te bieden om hun participatie te vergemakkelijken.
Bevordering van bewustwording (artikel 8) 21. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het wijdverbreide gebruik van prenatale screening/tests om afwijkingen bij foetussen op te sporen die kunnen leiden tot de beëindiging van zwangerschappen, hetgeen een weerspiegeling is van onderliggende discriminerende houdingen ten opzichte van personen met een handicap; (b) meldingen van druk die door gezondheidspersoneel op ouders wordt uitgeoefend om zwangerschappen af te breken na de diagnose van Downsyndroom of andere beperkingen, en de toename van selectieve zwangerschapsafbrekingen, waardoor het medische model van handicap wordt bevorderd en de maatschappelijke perceptie wordt versterkt dat personen met Downsyndroom en andere beperkingen minder waardevol zijn; (c) het feit dat er onvoldoende aandacht is voor de bewustwording van handicaps in onderwijs- en opleidingsprogramma’s voor ambtenaren, dat gehandicaptenorganisaties onvoldoende worden betrokken bij voorlichtingsinitiatieven en dat voorlichtingscampagnes in de media en in de samenleving onvoldoende bereik hebben, en dat bewustwordingscampagnes niet voldoende zijn om stigmatisering, stereotypen, vooroordelen, schadelijke praktijken, negatieve houdingen, pesten en haatmisdrijven te bestrijden, met name in verband met verschillende soorten beperkingen. 22.
Het Comité beveelt de Staat aan om in nauw overleg met en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties, waaronder organisaties van kinderen met een handicap en vrouwen en meisjes met een handicap:
5 Zie ww.ohchr.org/en/treaty-bodies/crpd/statements-declarations-and-observations.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
10
(a) maatregelen te nemen ter bescherming van de rechten en de waardigheid van personen met een handicap, waaronder bewustwordingscampagnes om discriminerende houdingen te bestrijden en de inherente waarde van alle personen met een handicap te bevorderen; (b) ervoor te zorgen dat mensen die gebruikmaken van prenatale screening/ tests uitgebreide informatie en non-directieve begeleiding krijgen waardoor stereotypen over personen met een handicap en waarden die samenhangen met het medische model van handicap niet worden bevorderd, en ouders te helpen volledig geïnformeerde beslissingen te nemen; (c) alomvattende bewustwordingsprogramma’s en -maatregelen vast te stellen en uit te voeren, zoals gerichte bewustwordingscampagnes om stigmatisering en discriminatie tegen te gaan, gespecialiseerde opleidingsprogramma’s over de rechten van personen met een handicap en het mensenrechtenmodel van handicaps voor beleidsmakers, de rechterlijke macht, wetshandhavers, de media, opvoeders, professionals die met en voor personen met een handicap werken, het algemene publiek en families van kinderen met een handicap, en een robuust controle- en handhavingsmechanisme op te zetten.
Toegankelijkheid (artikel 9) 23. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de hiaten die nog steeds bestaan in het waarborgen van toegankelijkheid van de fysieke omgeving, vervoer, informatie en communicatie voor personen met een handicap, ondanks bestaande wetgeving, en de beperkte mogelijkheden om toegankelijkheidsnormen wettelijk te handhaven, met name voor bestaande gebouwen en goederen en diensten; (b) de langzame integratie van een “universeel ontwerp”-benadering in het beleid van de Staat, waaronder in gemeentelijke planningswetten, en over ontoereikende toegankelijkheidseisen in wetten en overeenkomsten inzake overheidsopdrachten; (c) de vertraging bij de volledige omzetting van de Europese toegankelijkheidswet (EAA) in nationale wetgeving, het gebrek aan ambitie om de toegankelijkheidsvereisten voor de gebouwde omgeving volledig te implementeren en het ontbreken van verplicht toezicht op de voortgang met betrekking tot toegankelijkheid en implementatie van de toegankelijkheid in zowel het Besluit bouwwerken leefomgeving als de Omgevingswet; (d) het grote aantal ontoegankelijke websites en apps van overheidsinstanties, ondanks de verplichte toegankelijkheidsvereisten, en de vertragingen bij de volledige implementatie van de Richtlijn (EU) 2016/2102 van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2016 inzake de toegankelijkheid van de websites en mobiele
applicaties van overheidsinstanties, alsmede de meldingen van onterechte beweringen over volledige toegankelijkheid in toegankelijkheidsverklaringen op overheidswebsites; (e) het gebrek aan digitale toegankelijkheid en kennis bij particuliere leveranciers van goederen en diensten, waardoor met name mensen met een visuele beperking worden getroffen. 24. Indachtig zijn algemene opmerking nr. 2 (2014), en aan de doelstellingen 9, 11.2 en 11.7 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg met en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties: (a) brede maatregelen te ontwikkelen en te implementeren om zo te zorgen voor volledige toegankelijkheid van de fysieke omgeving, vervoer, informatie en communicatie voor personen met een handicap in zowel stedelijke als plattelandsgebieden;
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
11
(b) de integratie van een ‘universeel ontwerp’-norm in al het toegankelijkheidsbeleid te versnellen, waarbij omgevingen, producten en diensten zo worden ontworpen dat ze voor iedereen zo toegankelijk en bruikbaar mogelijk zijn zonder dat aanpassing of een speciaal ontwerp nodig is; (c) de Europese toegankelijkheidswet snel en volledig om te zetten in nationale wetgeving en daarbij verder te gaan dan de minimumvereisten; de toegankelijkheidseisen voor de gebouwde omgeving verplicht te stellen en deze normen op te nemen in nationale overheidsopdrachten; een overkoepelend handhavings- en controlemechanisme in te stellen voor de toegankelijkheid van openbare ruimten en de gebouwde omgeving via de Omgevingswet en het Besluit bouwwerken leefomgeving; (d) onmiddellijk stappen te ondernemen om ervoor te zorgen dat alle websites en apps van overheidsinstanties volledig toegankelijk zijn en voldoen aan de nationale wetgeving en de Europese norm EN 301 549; een streng verificatieproces in te stellen voor toegankelijkheidsverklaringen op overheidswebsites en -processen en dit regelmatig te controleren om onterechte beweringen van volledige toegankelijkheid te voorkomen; (e) de digitale toegankelijkheid en kennis onder particuliere leveranciers van goederen en diensten, met name in de gezondheidszorg, te verbeteren door gerichte opleidingsprogramma’s te implementeren en technische
ondersteuning en stimulansen te bieden om zo inclusieve ontwerppraktijken toe te passen. Recht op leven (artikel 10) 25. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het significante aantal personen met een handicap die onder de verantwoordelijkheid van wetshandhavers zijn overleden, vergeleken met personen zonder handicap; (b) de recente wijzigingen in de euthanasiewet en het gebrek aan specifieke beschermingsmaatregelen om zo adequate ondersteuning bij besluitvorming te waarborgen voor personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap. 26. Het Comité beveelt de Staat aan om: (a) ervoor te zorgen dat het bestaande stigma rond ‘verward gedrag’ geen negatieve invloed heeft op het werk van wetshandhavers; (b) ervoor te zorgen dat personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap in het kader van de nieuwe euthanasiewet vrijelijk hun geïnformeerde toestemming kunnen geven, onder meer door mechanismen in te stellen die volledige, onbevooroordeelde en op de handicap afgestemde informatie waarborgen en hen beschermen tegen onbehoorlijke beïnvloeding en drukuitoefening. Risicovolle situaties en humanitaire noodsituaties (artikel 11) 27.
Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het feit dat de behoeften van personen met een handicap niet worden opgenomen in risicobeperkende plannen en strategieën voor de bescherming van personen met een handicap in risicosituaties, en het feit dat personen met een handicap onvoldoende worden geraadpleegd bij het opstellen van dergelijke plannen en strategieën; (b) het feit dat informatie- en communicatiemaatregelen niet toegankelijk zijn voor alle personen met een handicap tijdens noodsituaties en dat de veiligheid en het welzijn van personen met een handicap tijdens noodsituaties niet gewaarborgd zijn.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
28.
12
Indachtig het Sendai-raamwerk voor Risicobeperking bij Rampen 2015–2030, de Richtlijnen van het Permanent Comité van VN-organisaties (IASC) over de integratie van personen met een handicap in humanitaire acties en diens Richtsnoeren betreffende de-institutionalisering, waaronder in noodsituaties6, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg met en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties, de bescherming en veiligheid van personen met een handicap in risicosituaties te waarborgen, onder meer door: (a) ervoor te zorgen dat rampenbestrijdingsplannen en -strategieën op nationaal, regionaal en gemeentelijk niveau worden opgesteld in nauw overleg met personen met een handicap en hun vertegenwoordigende organisaties, en dat deze expliciet ingaan op hun specifieke behoeften in alle risicosituaties; (b) de volledige toegankelijkheid te waarborgen van alle verschillende communicatiemaatregelen, waaronder alarmnummers en meldpunten waarbij real-time communicatiemethoden worden toegepast en 24 uur per dag en 7 dagen per week toegang wordt geboden tot diensten zoals sms-berichten, video relay-diensten en andere toegankelijke communicatietechnologieën om ervoor te zorgen dat personen met een handicap de hulpdiensten te allen tijde effectief kunnen bereiken.
Gelijkheid voor de wet (artikel 12) 29. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het effect van de interpretatieve verklaring bij artikel 12 van het Verdrag; (b) het gebrek aan erkenning van het recht van personen met een handicap op gelijkheid voor de wet door het in stand houden van vervangende besluitvormingsregelingen die resulteren in verlies of beperking van handelingsbekwaamheid, en het gebrek aan alomvattende en gecoördineerde maatregelen voor de overgang van vervangende besluitvorming naar ondersteunde besluitvormingsmodellen, en het feit dat ondersteunde besluitvormingsmechanismen niet in alle gevallen worden geïmplementeerd; (c) de negatieve effecten van bewindvoering op alle gebieden van het leven, zoals speciale banken die het bestaan van curatele voor iedereen zichtbaar maken, hoge kosten die zijn verbonden aan het veranderen van bewindvoerder en bewindvoering als legitieme reden om iemand als huurder te weigeren. 30. Indachtig zijn algemene opmerking nr.
1 (2014), beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun representatieve organisaties: (a) zijn interpretatieve verklaring bij artikel 12 van het Verdrag in te trekken; (b) alle wetgeving en beleidsmaatregelen die vervangende besluitvorming toestaan in te trekken en te vervangen door ondersteunde besluitvormingsregelingen die de wil en voorkeur van personen met een handicap en hun recht op gelijkheid voor de wet respecteren, en ondersteunde besluitvorming volledig te implementeren, met inbegrip van toezicht en kosteloze klachtenprocedures, en een systeem van ondersteunde besluitvorming in te voeren op het Caribische grondgebied van Nederland;
6 CRPD/C/5.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
13
(c) ervoor te zorgen dat de toegang tot woningcoöperaties en banken niet negatief wordt beïnvloed door bestaande regelingen inzake bewindvoering. Toegang tot de rechter (artikel 13) 31. Het Comité maakt zich zorgen over de belemmeringen voor de toegang tot de rechter voor personen met een handicap, namelijk: (a) beperkingen van de handelingsbekwaamheid van personen met een handicap, in het bijzonder personen met een handicap die onder curatele staan of andere vormen van vervangende besluitvormingsregelingen; (b) de beperkte toegankelijkheid van veel gerechtsgebouwen en de beperkte toegankelijkheid van juridische procedures in gerechtelijke en administratieve organen, met name voor personen met een handicap met gehoorproblemen; (c) de hoge kosten voor rechtsbijstand en griffierechten, waardoor de toegang tot de rechter wordt belemmerd voor mensen met een laag inkomen, zoals mensen met een handicap die afhankelijk zijn van een uitkering; (d) complexe beroepsprocedures en een gebrek aan toegankelijke informatie. 32.
Indachtig de Internationale Beginselen en Richtsnoeren inzake de Toegang tot de Rechter voor Personen met een Handicap, opgesteld in 2020 door de Speciale Rapporteur voor de rechten van personen met een handicap en de Speciale Gezant van de Secretaris-Generaal voor Handicap en Toegankelijkheid, die zijn bekrachtigd door het Comité, alsook doelstelling 16.3 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om: (a) wetgeving in te trekken die de handelingsbekwaamheid van personen met een handicap in gerechtelijke en administratieve procedures beperkt, en hun toegang tot de rechter op voet van gelijkheid met anderen te garanderen, ook tijdens gerechtelijke en administratieve procedures; (b) te waarborgen dat alle personen met een handicap toegang hebben tot gerechtelijke en administratieve voorzieningen, onder meer door middel van een universeel ontwerp, en te voorzien in alternatieve en augmentatieve informatie- en communicatiemiddelen voor gebruik tijdens gerechtelijke procedures, zoals braille, gebarentaal, toegankelijke digitale formaten, “Easy Read”, audiobeschrijving en videotranscriptie; (c) de nodige maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat de toegang tot de rechter niet wordt belemmerd door economische barrières, met name voor personen met een handicap die afhankelijk zijn van een uitkering; (d) juridische procedures af te stemmen op
handicap en gender en ervoor te zorgen dat personen met een handicap toegang hebben tot duidelijke, toegankelijke informatie en adequate juridische bijstand, en een centraal punt op te richten voor advies en ondersteuning op maat, dat personen met een handicap kan helpen om door de complexiteit van het rechtssysteem te navigeren en hun rechten effectief uit te oefenen. Vrijheid en veiligheid van de persoon (artikel 14) 33. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) bepalingen in de Wet verplichte geestelijke gezondheidszorg (Wvggz) en de Wet zorg en dwang psychogeriatrische en verstandelijk gehandicapte cliënten (Wzd) die onvrijwillige opsluiting van personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap mogelijk maken; (b) het ingewikkelde en moeilijk te begrijpen mechanisme voor klachten tegen verplichte zorg en het gebrek aan toegankelijke informatie over het recht op ondersteuning door een cliëntenvertrouwenspersoon; (c) informatie over een gebrek aan training van wetshandhavers over de behoeften van personen met een handicap.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
34.
14
Indachtig de Richtsnoeren betreffende het recht op vrijheid en veiligheid van personen met een handicap7 en de Richtsnoeren betreffende de-institutionalisering, waaronder in noodsituaties8, evenals zijn algemene opmerking nr. 1 (2014), beveelt het Comité de Staat aan om alle wetgevende, bestuurlijke, beleidsmatige en gerechtelijke maatregelen te nemen die nodig zijn om: (a) alle wettelijke bepalingen, beleidsmaatregelen en praktijken die onvrijwillige vrijheidsberoving op grond van een handicap mogelijk maken te herzien en in te trekken en de interpretatieve verklaring bij artikel 14 van het Verdrag in te trekken; (b) een robuust kader op te zetten voor het monitoren en evalueren van onvrijwillige behandeling, waaronder onvrijwillige maatregelen thuis, en maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat aan de rapportageverplichtingen wordt voldaan, zoals het invoeren van trainingsprogramma’s voor instellingspersoneel en andere relevante professionals over de rechten van personen met een handicap volgens het Verdrag; (c) alle wetshandhavers een training te geven over de behoeften van personen met een handicap; (d) de gezamenlijke open brief van het Comité met de speciale rapporteur voor de rechten van personen met een handicap van juni 2021 te erkennen en in zijn toekomstige deelname aan elk proces voor een aanvullend protocol of aanbeveling bij het Verdrag van Oviedo geen
dwangmaatregelen te steunen en een niet-dwingend kader voor geestelijke gezondheid te bevorderen.
Vrijwaring van foltering en andere wrede, onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing (artikel 15) 35. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het effect van de interpretatieve verklaring bij artikel 15 van het Verdrag en de uitzonderingen voor unieke situaties in de nationale wetgeving, wat het risico inhoudt dat personen met een handicap zonder hun toestemming worden onderworpen aan medische of wetenschappelijke experimenten; (b) het gebruik van gedwongen medische procedures en behandelingen, zoals het zonder toestemming toedienen van medicatie of elektroconvulsietherapie, bij personen met een handicap in psychiatrische ziekenhuizen en instellingen voor maatschappelijke zorg, evenals het voortdurende gebruik van eenzame opsluiting in zorginstellingen en meldingen van het gebruik van tasers door wetshandhavers in instellingen voor geestelijke gezondheidszorg, ondanks moties die dit gebruik verbieden; (c) het feit dat veel personen met een handicap afhankelijk zijn van hun zorgverlener als tussenpartij om een klacht in te dienen; (d) meldingen dat de Staat onvoldoende maatregelen heeft genomen om tegemoet te komen aan de bezorgdheid van het Comité tegen Foltering over de behandeling van kinderen in instellingen voor jongeren en meldingen van gehandicaptenorganisaties over misbruik en geweld in gesloten jeugdzorginstellingen zoals de ZIKOS-instellingen.
7 A/72/55, bijlage. 8 Zie https://www.ohchr.org/en/treaty-bodies/crpd/statements-declarations-and-observations.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
36.
15
Indachtig zijn Richtsnoeren betreffende de-institutionalisering, waaronder in noodsituaties, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties: (a) de interpretatieve verklaring bij artikel 15 van het Verdrag in te trekken en de nationale wetgeving te wijzigen om medische of wetenschappelijke experimenten met personen met een handicap zonder hun vrije en geïnformeerde toestemming ondubbelzinnig te verbieden; (b) alle vormen van gedwongen medische procedures en behandelingen wettelijk, beleidsmatig en in de praktijk uit te bannen; een einde te maken aan het gebruik van eenzame opsluiting in zorginstellingen en alternatieve maatregelen te ontwikkelen en uit te voeren; het verbod op het gebruik van tasers door wetshandhavers in instellingen voor geestelijke gezondheidszorg te handhaven en ervoor te zorgen dat het optreden van wetshandhavers in instellingen strikt gereguleerd en gecontroleerd wordt; (c) onafhankelijke en toegankelijke klachtenregelingen in te stellen die personen met een handicap in staat stellen rechtstreeks klachten in te dienen, zonder afhankelijk te zijn van zorgverleners, en te waarborgen dat alle klachten grondig worden onderzocht en behandeld; (d) de plaatsing van kinderen in gesloten zorginstellingen stop te zetten, nauwlettend toezicht te houden op
bestaande instellingen en de exploitatie van alle gesloten jeugdzorgvoorzieningen te beëindigen; ervoor te zorgen dat alternatieve, gemeenschapsgerichte zorg- en ondersteuningsmogelijkheden beschikbaar en toegankelijk zijn.
Vrijwaring van uitbuiting, geweld en misbruik (artikel 16) 37. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de ontoereikende bescherming van studenten met een handicap door de Beleidsvisie op de bevordering en bescherming van seksuele gezondheid op scholen en de gebrekkige toegankelijkheid ervan; (b) het significante aantal personen met een handicap die te maken hebben gehad met seksueel geweld en het hoge risico van geweld en misbruik voor vrouwen en meisjes met een handicap, zowel in de openbare als in de privésfeer, en over meldingen dat vrouwen en meisjes met een handicap die het slachtoffer zijn van seksueel geweld geen toegang hebben tot het Centrum Seksueel Geweld, het Advies- en Meldpunt Huiselijk Geweld (Veilig Thuis) of de vele opvanghuizen voor vrouwen, alsmede het gebrek aan toegankelijke informatie over seksueel geweld en slachtofferhulp; (c) het gebrek aan alomvattende gegevensverzameling, onderzoek en monitoring met betrekking tot de prevalentie en aard van geweld, waaronder seksueel misbruik, tegen personen met een handicap, onder wie vrouwen, kinderen, ouderen, migranten, asielzoekers en vluchtelingen met een handicap; (d) het ontbreken van een actieplan om het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (Verdrag van Istanbul) uit te voeren. 38.
Indachtig zijn verklaring van 24 november 2021 over de uitbanning van gendergerelateerd geweld tegen vrouwen en meisjes met een handicap9, en doelstellingen 5.1, 5.2 en 5.5 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen,
9 Zie https://www.un.org/development/desa/disabilities/wp-content/uploads/sites/15/2021/12/ CRPD-Statement-25_11_2021-End-violence-against-Women-1.pdf.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
16
beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties: (a) zijn beleid en maatregelen voor de bevordering en bescherming van de seksuele gezondheid in schoolomgevingen te herzien en te zorgen voor volledige toegankelijkheid en vroegtijdige signalering van geweld tegen en misbruik van leerlingen met een handicap; (b) alomvattende en gerichte maatregelen ten uitvoer te leggen ter voorkoming en bestrijding van seksueel geweld en misbruik van personen met een handicap, in het bijzonder vrouwen en meisjes met een handicap, met inbegrip van goed uitgeruste en toegankelijke ondersteunende diensten voor overlevenden; te garanderen dat vrouwen en meisjes met een handicap die het slachtoffer zijn van seksueel geweld, toegang kunnen krijgen tot de centra en opvangtehuizen voor vrouwen; de toegankelijkheid te waarborgen van deze centra en opvangtehuizen en van informatie over seksueel geweld, ondersteunende diensten voor slachtoffers en meldingsmechanismen; (c) een alomvattend systeem van gegevensverzameling en controlemechanismen op te zetten om uitgesplitste gegevens te verzamelen over alle vormen van geweld tegen personen met een handicap, met inbegrip van intersectionele data over geslacht, leeftijd, type handicap en andere relevante factoren, en alomvattend onderzoek uit te voeren
waarin ook handicaps aan bod komen; (d) een actieplan te ontwikkelen om het Verdrag van de Raad van Europa inzake het voorkomen en bestrijden van geweld tegen vrouwen en huiselijk geweld (het Verdrag van Istanbul) uit te voeren, waarin specifiek aandacht wordt besteed aan de behoeften van vrouwen en meisjes met een handicap. Bescherming van de persoonlijke integriteit (artikel 17) 39. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het feit dat informatie over mogelijke behandeling en begeleiding door medische deskundigen nog steeds is gebaseerd op het medische model van handicap, bijvoorbeeld met betrekking tot intersekse kinderen, evenals de informatie die wordt verstrekt aan zwangere vrouwen die prenatale screening ondergaan; (b) meldingen van niet-consensuele, onnodige en onomkeerbare medische ingrepen en behandelingen bij intersekse personen, ook tijdens de zuigenlingen- en kindertijd, waaronder sterilisatie en castratie, hormoonbehandeling en genitale chirurgie, vaak uitgevoerd onder de leeftijd van 12 jaar; (c) meldingen over wettelijke bepalingen en praktijken die gedwongen anticonceptie van vrouwen met een handicap mogelijk maken. 40.
Het Comité beveelt de Staat aan om: (a) ervoor te zorgen dat advies- en informatiediensten op gebieden die verband houden met handicaps, in het bijzonder voor intersekse kinderen en hun gezinnen en voor zwangere vrouwen die prenatale screening ondergaan, gebaseerd zijn op het mensenrechtenmodel in plaats van het medische model van handicap; (b) duidelijke wettelijke bepalingen aan te nemen die expliciet het uitvoeren van onnodige en onomkeerbare medische ingrepen, waaronder chirurgische, hormonale of andere medische procedures, bij intersekse zuigelingen en kinderen expliciet verbieden; adequate begeleiding en
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
17
ondersteuning te bieden aan gezinnen van intersekse kinderen; en gezondheidszorg en psychosociale ondersteuning te bieden aan intersekse personen die genitale verminking hebben ondergaan; (c) wettelijke bepalingen en eventuele praktijken die gedwongen anticonceptie van personen met een handicap mogelijk maken, in te trekken indien deze aanwezig zijn en ervoor te zorgen dat elke beslissing met betrekking tot anticonceptie gebaseerd is op de vrije en geïnformeerde toestemming van de betrokken personen. Vrijheid van verplaatsing en nationaliteit (artikel 18) 41. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het gebrek aan informatie over toegankelijkheid van informatie voor asielzoekers en vluchtelingen met een handicap, en over de training en monitoring van mensen die werken met asielzoekers en vluchtelingen met een handicap; (b) het niet systematisch verzamelen van uitgesplitste gegevens over asielzoekers en vluchtelingen met een handicap. 42.
Het Comité beveelt de Staat aan om: (a) trainingen te geven aan personen die werken met asielzoekers, vluchtelingen en personen in een vergelijkbare situatie, over de rechten en behoeften van personen met een handicap en daarbij te zorgen voor protocollen die rekening houden met de behoeften van personen met een handicap en met genderaspecten; (b) een mechanisme voor gegevensverzameling in te stellen ten behoeve van de ontwikkeling van gerichte beleidsmaatregelen en programma’s en om toezicht te houden op de effectiviteit van maatregelen ter ondersteuning van de rechten van vluchtelingen en asielzoekers met een handicap en van personen met een handicap in met vluchtelingen in een vergelijkbare situatie. Zelfstandig wonen en deel uitmaken van de maatschappij (artikel 19) 43.
Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het nog altijd in instellingen plaatsen van volwassenen en kinderen met een handicap, in het bijzonder met een verstandelijke en/of psychosociale handicap, samen met meldingen van geweld en misbruik in deze instellingen en het ontbreken van een duidelijk, uitvoerbaar plan en tijdschema voor de-institutionalisering; (b) het gebrek aan volledig toegankelijke, gemeenschapsgerichte diensten, waaronder geestelijke gezondheidszorg en persoonlijke begeleiding; (c) meldingen van een aanhoudend tekort aan betaalbare en toegankelijke huisvesting voor personen met een handicap; (d) het gebrek aan aandacht voor de realisatie van inclusieve huisvesting en woonvoorzieningen, alsmede de belemmeringen waarmee personen met een handicap worden geconfronteerd met betrekking tot huisvesting en woonvoorzieningen bij verhuizing binnen de gemeente of van de ene naar de andere gemeente, hetgeen leidt tot problemen bij het in stand houden van zelfstandig wonen, alsmede de belemmeringen waarmee personen met een handicap, met name personen met complexe belemmeringen, worden geconfronteerd bij het aanvragen van ondersteunende diensten in gemeenten, als gevolg van de bureaucratische, moeilijk te begrijpen en langdurige aanvraagprocedure. 44. Indachtig zijn algemene opmerking nr.
5 (2017), zijn richtsnoeren betreffende de-institutionalisering, waaronder in noodsituaties, en het rapport van de speciale rapporteur over de rechten van personen met een handicap over de
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
18
verandering van diensten voor personen met een handicap10, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van gehandicaptenorganisaties: (a) een duidelijke strategie en een alomvattend actieplan te ontwikkelen en te implementeren om als prioriteit een einde te maken aan het in instellingen plaatsen van alle personen met een handicap, met inbegrip van kleine tehuizen, en om de overgang van volwassenen en kinderen met een handicap naar een gemeenschapsgerichte en huiselijke omgeving te ondersteunen, met specifieke tijdschema’s, voldoende personele, technische en financiële middelen en duidelijke verantwoordelijkheden voor de uitvoering en onafhankelijke controle; (b) plannen te ontwikkelen en bestaande programma’s te implementeren om gemeenschapsgerichte diensten aan te bieden en te versterken, waaronder het ontwikkelen van diensten op het gebied van geestelijke gezondheid en persoonlijke ondersteuning in de gemeenschap, en bestaande diensten toegankelijk te maken voor alle personen met een handicap die in de gemeenschap wonen; (c) op alle niveaus van de Staat meer inspanningen te leveren om een einde te maken aan het tekort aan betaalbare en toegankelijke huisvesting voor personen met een handicap; (d) kennis en bewustzijn van inclusieve huisvesting en woonvoorzieningen en het recht van personen met een handicap om zelfstandig te wonen te
vergroten; regelgeving en procedures in gemeenten te harmoniseren en belemmeringen te verminderen om ervoor te zorgen dat personen met een handicap zo min mogelijk hinder ondervinden bij verhuizing binnen de gemeente of van de ene naar de andere gemeente; de aanvraagprocedure voor ondersteunende diensten in gemeenten volledig toegankelijk te maken en ervoor te zorgen dat personen met een handicap tijdig toegang krijgen tot de ondersteuning die nodig is om zelfstandig te wonen; (e) de toewijzing van middelen, met inbegrip van de regionale middelen die van de Europese Unie zijn verkregen voor de verlening van ondersteunende diensten voor personen met een handicap, opnieuw te onderzoeken om zo de volledige tenuitvoerlegging van het recht op zelfstandig wonen te waarborgen. Persoonlijke mobiliteit (artikel 20) 45.
Het Comité stelt met bezorgdheid vast dat: (a) het openbaar vervoer nog niet volledig toegankelijk is voor personen met een handicap, waardoor hun mogelijkheden om zich vrij en onafhankelijk te verplaatsen worden beperkt, en dat zich problemen voordoen bij het combineren van verschillende soorten vervoer, waardoor coördinatieproblemen ontstaan en de toegankelijkheid niet consistent is; het openbaar vervoer gedeeltelijk is vervangen door buurtbussen die worden bestuurd door vrijwilligers en die niet toegankelijk zijn, waardoor men is aangewezen op gescheiden doelgroepenvervoer; (b) problemen worden gemeld met het doelgroepenvervoer waar personen met een handicap nog steeds erg op aangewezen zijn, zoals onvoldoende beschikbaarheid en punctualiteit, en een aanzienlijk langere reistijd in vergelijking met regulier openbaar vervoer;
10 A/HRC/52/32.
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
46.
19
(c) verschillende wetten en regelingen van toepassing zijn, en er verschillende autoriteiten verantwoordelijk zijn voor het verstrekken van mobiliteitshulp, wat leidt tot versnippering en administratieve belemmeringen, zoals de noodzaak om opnieuw een aanvraag in te dienen bij pensionering of verhuizing van de ene naar de andere gemeente; dat er contractuele beperkingen zijn in het aanbod van hulpmiddelen voor mobiliteit die worden verstrekt door ondersteunende organisaties in asielcentra en de daaruit voortvloeiende lagere kwaliteit. Het Comité beveelt de Staat aan om: (a) snel te zorgen voor volledige toegankelijkheid van het openbaar vervoer, ongeacht de vervoerswijze of aanbieder; (b) de behoefte aan doelgroepenvervoer te minimaliseren door ervoor te zorgen dat al het openbaar vervoer volledig toegankelijk is; de betrouwbaarheid en efficiëntie van het doelgroepenvervoer te verbeteren; (c) wet- en regelgeving inzake de verstrekking van hulpmiddelen voor mobiliteit te harmoniseren om de continuïteit van de ondersteuning en diensten te waarborgen; ervoor te zorgen dat alle asielzoekers en vluchtelingen met een handicap en personen met een handicap in met vluchtelingen vergelijkbare situaties toegang hebben tot hoogwaardige hulpmiddelen voor mobiliteit die aan hun specifieke eisen voldoen.
Vrijheid van mening en meningsuiting en toegang tot informatie (artikel 21) 47. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) het ontbreken van nationale wetgeving over audiobeschrijving; (b) het tekort aan Nederlandse gebarentolken en de toegenomen beperkingen bij de toekenning van tolkuren door het UWV; (c) belemmeringen waarmee personen met een handicap worden geconfronteerd bij het verkrijgen van toegang tot openbare informatie en communicatie, waaronder websites en mediadiensten. 48. Het Comité beveelt de Staat aan om in nauw overleg met en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties: (a) wetgeving aan te nemen om audiobeschrijving in publieke en private media te garanderen; (b) maatregelen te nemen tegen het tekort aan Nederlandse gebarentolken en te zorgen voor een eerlijke en voldoende toewijzing van tolkuren voor doven en slechthorenden; (c) voldoende middelen toe te wijzen voor de ontwikkeling, de bevordering en het gebruik van verschillende toegankelijke communicatievormen, met inbegrip van maar niet beperkt tot braille, tolken voor doofblinden, gebarentaal, Easy Read, heldere taal, audiobeschrijving, videotranscriptie, ondertiteling en tactiele, augmentatieve en alternatieve communicatiemiddelen.
Eerbiediging van de privacy (artikel 22) 49. Het Comité maakt zich zorgen over het ontbreken van wetgeving waarin de uitwisseling van niet-medische privacygevoelige gegevens wordt geregeld en de onduidelijkheid in de regels over de verwerking van medische en niet-medische gegevens buiten de Wzd en de Wvgzz. 50. Het Comité beveelt de Staat aan om duidelijke regels op te stellen om zo de persoonlijke en medische gegevens die van personen met een handicap worden gevraagd bij het aanvragen van uitkeringen, verzekeringen en andere rechten tot een minimum te beperken, en ervoor te zorgen dat alleen essentiële informatie wordt verzameld, en maatregelen te nemen om personen te beschermen tegen ongepaste druk om persoonlijke gegevens vrij te geven.
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
20
Eerbiediging van de woning en het gezinsleven (artikel 23) 51. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de interpretatieve verklaring bij artikel 23 van het Verdrag; (b) beperkingen in de nationale wetgeving van het recht op voogdij, het recht op huwelijk en het recht op ouderschap voor personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap; (c) professionals die personen met verstandelijke en/of psychosociale beperkingen beoordelen als “niet goed genoeg om een gezin te stichten”, en het gebruik van anticonceptie ondersteunen en hen ontmoedigen om een gezin te stichten. 52. Het Comité verwelkomt de informatie die de Staat heeft ontvangen tijdens de constructieve dialoog over de lopende discussie over het intrekken van de interpretatieve verklaring bij artikel 23, en beveelt de Staat aan om: (a) zijn interpretatieve verklaring bij artikel 23 van het Verdrag in te trekken; (b) concrete stappen te nemen om de bepalingen in de nationale wetgeving die het recht op voogdij, huwelijk en ouderschap van personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap te herzien en te vervangen door bepalingen die voorzien in een model van ondersteunde besluitvorming; (c) maatregelen te nemen om de reproductieve gezondheid en rechten van personen met een handicap te waarborgen, waaronder onderwijs- en bewustwordingsprogramma’s en opleiding voor zorgprofessionals over de
reproductieve gezondheid en rechten van personen met een handicap en hun recht op autonome besluitvorming zonder enige vorm van discriminatie. Onderwijs (artikel 24) 53. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de voortzetting van een tweesporensysteem in het onderwijs en het gebrek aan concrete doelstellingen, tijdlijnen en evaluaties in de Werkagenda voor inclusief onderwijs 2035 voor de ontwikkeling van kwalitatief hoogwaardig inclusief onderwijs; (b) het grote en toenemende aantal kinderen dat in het speciaal onderwijs wordt geplaatst en de groeiende wachtlijsten op scholen voor speciaal onderwijs, evenals de mogelijkheid van en het steeds grotere aantal vrijstellingen van de leerplicht op basis van artikel 5a van de Leerplichtwet; (c) de beperkte training die leerkrachten in het algemeen onderwijs krijgen over de rechten van kinderen met een handicap op inclusief onderwijs en over lesmethoden voor inclusief onderwijs; (d) het gebrek aan toegankelijkheid op gewone scholen tot de ondersteuning die nodig is voor inclusief onderwijs, met name het gebrek aan redelijke aanpassingen, rekening houdend met alle verschillende soorten handicaps, met name voor dove leerlingen en leerlingen met gehoorproblemen; (e) meldingen over stigmatisering van studenten met een handicap, waaronder het ontmoedigen van personen met een handicap om tertiair onderwijs te volgen. 54.
Indachtig zijn algemene opmerking nr. 4 (2016), over het recht op inclusief onderwijs en doelstelling 4.5 en 4.a van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van gehandicaptenorganisaties, leerlingen met een handicap en hun gezin: (a) te streven naar een volledig inclusief onderwijssysteem voor alle kinderen, met inbegrip van kinderen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap en autistische kinderen, waarmee een einde wordt gemaakt aan gespecialiseerd onderwijs; het huidige
Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap
21
uitvoeringsplan te herzien; concrete doelstellingen, tijdlijnen en evaluatiemechanismen vast te stellen om zo een effectieve overgang naar inclusief onderwijs te waarborgen; (b) onmiddellijk maatregelen te nemen om het aantal kinderen in het speciaal onderwijs terug te dringen door de capaciteit van reguliere scholen om leerlingen met een handicap op te vangen, te vergroten en door reguliere scholen voldoende middelen en ondersteuning te bieden om hun integratie te vergemakkelijken, waaronder gespecialiseerde opleidingen; de nationale wetgeving inzake vrijstellingen van de leerplicht voor kinderen met een handicap, met inbegrip van kinderen met een lichamelijke en verstandelijke en/of psychosociale handicap, met hoge ondersteuningsbehoeften, te wijzigen en ervoor te zorgen dat alle kinderen met een handicap hun recht op onderwijs kunnen uitoefenen; (c) de lesprogramma’s en onderwijsmethoden te verbeteren die aan leerkrachten in het reguliere onderwijs worden aangeboden over de rechten van kinderen met een handicap op inclusief onderwijs en over de onderwijsmethoden voor inclusief onderwijs; (d) ervoor te zorgen dat gewone scholen volledig toegankelijk zijn en redelijke aanpassingen bieden voor alle soorten handicaps, met name voor dove leerlingen en leerlingen met gehoorproblemen; (e) toegang te waarborgen tot inclusief tertiair onderwijs, met inbegrip van beroepsonderwijs
en hoger onderwijs, voor kinderen en volwassenen met een handicap. Gezondheid (artikel 25) 55. Het Comité maakt zich zorgen over: (a) de interpretatieve verklaring bij artikel 25 waarin zorgprofessionals mogen bepalen welke gezondheidszorg uitsluitend op medische gronden wordt verleend; (b) het gebrek aan maatregelen om ervoor te zorgen dat de wil en voorkeur en het recht op zelfbeschikking van personen met een handicap in alle medische procedures worden gerespecteerd; (c) meldingen van onbehoorlijke beïnvloeding van vrouwen die prenatale screening ondergaan voor het opsporen van afwijkingen bij de foetus; (d) de wachttijd voor personen met een handicap, met name personen met een psychosociale handicap, om gezondheidszorg te ontvangen en het gebrek aan effectieve overheidsmaatregelen om de wachttijd te verkorten; (e) de ontoereikende kennis van professionals in zorginstellingen, vooral met betrekking tot niet-zichtbare handicaps, en de daaruit voortvloeiende ongeschikte behandeling of beoordeling van afwijkend gedrag, evenals het voortbestaan van negatieve stereotypen met betrekking tot personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap onder zorgverleners, wat leidt tot ongelijkheden in behandeling en zorg; (f) de belemmeringen voor personen met een handicap om toegang te krijgen tot passende gezondheidszorg, met name voor personen met een verstandelijke
handicap, als gevolg van het ingewikkelde systeem en de vereiste digitale vaardigheden, en de verschillen in kwaliteit, beschikbaarheid van en toegang tot gezondheidszorg tussen gemeenten. 56. Indachtig doelstellingen 3.7 en 3.8 van de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen, beveelt het Comité de Staat aan om in nauw overleg en met actieve betrokkenheid van personen met een handicap, via hun vertegenwoordigende organisaties: (a) de interpretatieve verklaring bij artikel 25 in te trekken zodat personen met een handicap hun recht op gezondheidszorg volledig kunnen uitoefenen;
Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
22
(b) ervoor te zorgen dat medische ingrepen gebaseerd zijn op de wil en voorkeur van personen met een handicap en hun recht op zelfbeschikking eerbiedigen; (c) ervoor te zorgen dat zwangere vrouwen die prenatale screening ondergaan voor het opsporen van foetale afwijkingen, zonder onbehoorlijke beïnvloeding volledig geïnformeerde beslissingen over hun zwangerschap kunnen nemen; (d) ervoor te zorgen dat alle personen met een handicap, in het bijzonder personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap, personen met een handicap die in instellingen wonen en kinderen en vrouwen met een handicap, tijdig toegang hebben tot gezondheidszorg, de wachttijd voor toegang tot gezondheidszorg te verkorten en de gemeenschapsgerichte geestelijke gezondheidszorg uit te breiden; (e) te zorgen voor een uitgebreide opleiding voor professionals in de gezondheidszorg over de rechten van personen met een handicap en de eis van toegankelijkheid en redelijke aanpassingen in alle aspecten van de gezondheidszorg, alsmede over de herkenning, het begrip en de behandeling van verschillende soorten handicaps; te zorgen voor verplichte opleidingsprogramma’s voor zorgverleners om hun bewustzijn en houding ten opzichte van personen met een verstandelijke en/of psychosociale handicap te verbeteren, negatieve stereotypen aan te pakken en een meer inclusieve en respectvolle benadering te bevorderen;