GEAMMENDEERD Integrale Verordening Jeugdhulp en Wmo_def_cv
Tekst van het document
Dit volgt uit jurisprudentie, onder andere: CRvB 02-03-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1751 en CRvB 10-042013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ7735
41
Onder f – verhuizen naar niet geschikte woning Als er al beperkingen aanwezig zijn voordat een inwoner een nieuwe woning betrekt, mag van de inwoner veracht worden hierover vooraf contact te zoeken met het college. Zo kan gezamenlijk bekeken worden of er een beter passende woning beschikbaar is of een woning die gemakkelijker aan te passen is aan de behoeften van de inwoner. Dit volgt uit jurisprudentie hierover: CRvB 19-09-2013, nr. 11/4840. Tweede lid – Wmo ‘Wonen’: primaat van verhuizen Het primaat van verhuizen betekent dat het verstrekken van een voorziening voor verhuizing en inrichting (zoals genoemd in artikel 5.1, eerste lid, onder a van deze Verordening) voorrang heeft op andere maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Wonen’. De achterliggende gedachte is dat er op die manier zo efficiënt mogelijk kan worden omgegaan met de beschikbare woningvoorraad en financiële middelen. Hoe het primaat van verhuizen wordt toegepast in praktijk, wordt nader uitgewerkt in beleidsregels. Het college onderzoekt hierbij wel altijd, of een voorziening voor verhuizing en inrichting een passende compenserende voorziening is. Dit volgt uit jurisprudentie hierover, zoals in CRvB 09-122009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK6971 en CRvB 31-08-2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BR6619. Derde lid – Wmo ‘Huishouden’: normenkader van bureau HHM Bureau HHM is een onafhankelijk onderzoeks- en adviesbureau.
Dit bureau heeft een normenkader tot stand gebracht voor het resultaatgericht indiceren van maatwerkvoorzieningen Wmo ‘Huishouden’, met een onderbouwing die voldoet aan de eisen die de rechter hieraan stelt.Zie voor jurisprudentie CRvB 10-12-2018, ECLI:NL;CRVB:2018:3835. Vierde lid – Wmo ‘Vervoer’: maximaal aantal kilometers Het college mag volstaan met een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’ waarmee een inwoner tot 1.500 kilometer per jaar kan reizen. Dit volgt onder andere uit jurisprudentie: CRvB 29-02-2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463. Deze afstand kan ook bereikt worden door meerdere voorzieningen tezamen. Artikel 3.5 Bijdrage kosten van algemene voorziening Op grond van artikel 2.1.4. Wmo 2015 kan het college een bijdrage vragen in de kosten voor een algemene voorziening Wmo. Eerste lid– voorzieningen Er is gekozen voor een beperkt aantal algemene voorzieningen de eigen bijdrage te vragen. D Tweede en derde lid – hoogte eigen bijdrage In de Memorie van Toelichting Wmo 20153 is uitgelegd dat ook voor deze voorziening een algemene voorziening kan gelden. Daarbij wordt aangegeven dat de raad de hoogte van de eigen bijdrage kan bepalen en in situaties een korting kan geven. De inwoner hoeft zelf geen kosten te maken en betaalt daarvoor in de plaats een eigen bijdrage.
3 Tweede Kamer, vergaderjaar 2013–2014, 33 841, nr. 3, p. 33
42
De eigen bijdrage wordt gelijk gesteld aan de kostprijs van de voorziening. Voor de was en strijkservice wordt de eigen wordt in mindering gebracht in tweetal situaties, namelijk wanneer: a. de inwoner ondersteuning nodig heeft bij wassen. De hoogte van de bijdrage per waszak is lager dan de kosten voor het wassen en strijken aan huis, zoals berekend is door het Nibud. De berekende kosten door het Nibud in 2023 is € 6,66 per 2 wasmachines was per week. Dit bedrag is gebaseerd op 1 was op 90 graden en 1 was op 40 graden per week en het drogen van de was. Hierin is rekening gehouden met de kosten voor wasmiddel, water, elektriciteit en onderhoud en afschrijving van de machine. (Kosten van energie en water | Nibud). Daarnaast zijn de kosten voor strijken € 0,50. In totaal € 7,16. b. de inwoner ondersteuning nodig heeft bij wassen, dit wordt beoordeeld door het Sociaal Team, én de inwoner in het bezit is van een u-pas.. In dat geval is de hoogte van de bijdrage per waszak maximaal de helft van de kosten zoals berekend door het Nibud. De U-pas is een gratis pas voor mensen met een laag inkomen. Dat de inwoner ondersteuning nodig heeft bij het wassen wordt samen met de professional van Sociaal Team Houten beoordeeld.
Vierde lid – nadere regels Omdat de kostprijs van deze voorzieningen periodiek worden bijgesteld door bijvoorbeeld tarief afspraken met de aanbieder en jaarlijkse indexatie, maakt het college de gevraagde bijdragen bekend in de nadere regels, te weten het Financieel Besluit Jeugd en Wmo. Artikel 3.6 Bijdrage kosten voorzieningen Wmo In dit artikel wordt de bijdrage in de kosten voor een maatwerkvoorziening Wmo beschreven. Eerste lid – maatwerkvoorzieningen Wmo Op grond van artikel 2.1.4a en artikel 2.1.5 van de Wmo 2015 kan het college aan een inwoner een bijdrage in de kosten vragen voor alle soorten maatwerkvoorzieningen tot een maximum bedrag zoals opgenomen in artikel 2.1.4a lid 4 van de Wmo 2015. Voor algemene voorzieningen Wmo, met uitzondering van de algemene voorzieningen beschreven in artikel 3.5 eerste lid, wordt geen eigen bijdrage gevraagd, deze voorzieningen zijn vrij toegankelijk. Hiermee wordt beoogd dat de toegang laagdrempelig is waarmee de algemene voorzieningen een preventieve werking kunnen hebben. Tweede lid- geen eigen bijdrage In het tweede lid wordt met inachtneming van het Uitvoeringsbesluit Wmo 2015 beschreven wanneer geen eigen bijdrage verschuldigd is bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening Wmo.
Derde lid- bijdrage tot kostprijs De bijdragen in de kosten van maatwerkvoorzieningen zijn gelimiteerd tot een bedrag gelijk aan de kostprijs van de voorziening (artikel 2.1.4, derde lid, van de wet). Dit bedrag is gelijk voor een inwoner en zijn/haar samenwonende partner tezamen. Vierde lid – inning eigen bijdrage De hoogte van de eigen bijdrage voor een maatwerkvoorziening wordt landelijk door het Centraal Administratiekantoor (CAK) vastgesteld. Het CAK ziet toe op het niet overschrijden van de kostprijs, bedoeld in artikel 2.1.4, derde lid, van de Wmo 2015 2015 bij het vaststellen van de bijdrage. Het is in
43
een enkel geval mogelijk dat de kostprijs van de maatwerkvoorziening lager is dan de maximale periodebijdrage. Vijfde lid – kostprijs maatwerkvoorziening De bijdrage in kosten voor een maatwerkvoorziening mag niet meer bedragen dan de kostprijs. De inwoner betaalt dus nooit meer dan het college verschuldigd is aan kosten voor het verstrekken van de maatwerkvoorziening. De duur van de inhouding van eigen bijdrage voor een hulpmiddel of een woningaanpassing is gelijk aan de afschrijvingstermijn van de voorziening, mits de aankoopprijs niet wordt overschreden. Onder a – Zorg in Natura De Wmo 2015 verplicht tot het vaststellen van de kostprijs van een maatwerkvoorziening (artikel 2.1.4, derde lid, tweede zin). Dat kan voor Zorg in Natura (ZiN) op drie manieren, door een aanbesteding, na consultatie in de markt of na overleg met de aanbieder. Onder b - Pgb De kostprijs van een pgb is gelijk aan het totale pgb.
Zesde lid – woningaanpassing minderjarige De wet biedt de ruimte om een bijdrage op te leggen aan de ouders/verzorgenden van minderjarigen aan wie een woningaanpassing is verstrekt. Het gaat hierbij in de regel om gehandicapte thuiswonende minderjarige kinderen. Dit onderdeel is landelijk in discussie sinds de invoering van het abonnementstarief. In afwachting van de uitkomst vraagt dit om een lokale keuze. Op basis van landelijk beleid betalen meerpersoonshuishouden, waarvan beiden of één persoon niet AOWgerechtigd géén eigen bijdrage. Het is dan niet redelijk om bij eenpersoonshuishouden met een inwonend gehandicapt kind voor wie de woning moet worden aangepast, wel een eigen bijdrage op te leggen. Wel wordt de eigen bijdrage vanaf het moment dat het 18e jaar is bereikt aan de inwoner opgelegd voor dat deel dat nog niet afgeschreven is. Hiermee sluit het aan bij de regels van de eigen bijdrage voor Wmo maatwerkvoorzieningen zoals benoemd in het eerste lid. Zevende lid – kosten voor consumptie Het is denkbaar dat aan een inwoner, ook als er geen eigen bijdrage als bedoeld in artikel 2.1.4 van de Wmo 2015 gevraagd wordt, bij de verstrekking van een maatwerkvoorziening Wmo of een algemene voorziening wel een kleine vergoeding gevraagd wordt bij het gebruik van deze voorziening. Bijvoorbeeld het nuttigen van koffie met taart of het gebruik van bijzondere materialen.
Het gebruik maken hiervan is altijd vrijwillig en de kosten zijn nooit hoger zijn dan de algemeen gebruikelijke kosten hiervoor.
Toelichting Hoofdstuk 4 pgb als maatwerkvoorziening In hoofdstuk 4 wordt beschreven wanneer kan worden gekozen een persoonsgebonden budget (pgb) toe te kennen, welke regels hiervoor gelden en hoe de hoogte van het pgb wordt bepaald.
44
Artikel 4.1 Algemene regels voor pgb Eerste lid - wettelijke achtergrond toekenning van een pgb In het eerste lid is een verwijzing opgenomen naar het centrale pgb-artikel van de Wmo 2015 (2.3.6) en van de jeugdwet (8.1.1). Dit om een compleet beeld te geven van de rechten en plichten van de inwoner. Tweede lid - voorwaarden toekenning van een pgb Onder a - in staat om het pgb te beheren De inwoner moet er blijk van geven dat hij zelf, of met hulp van zijn netwerk, in staat is een pgb te beheren. Bij de beheertaken gaat het onder andere om het afsluiten van de zorgovereenkomst(en) en het afleggen van verantwoording over de besteding van het pgb. Het netwerk dat hierbij kan helpen, kan bijvoorbeeld bestaan uit de ouders of voogd van een minderjarige, of een buurman. Ook de vertegenwoordiger van de inwoner (curator, bewindvoerder, mentor, gemachtigde) die wellicht niet tot het sociale netwerk van de inwoner behoort, kan de inwoner ondersteunen bij het verantwoordelijk inkopen van de benodigde ondersteuning. De inwoner hoeft hier dus niet alléén toe in staat te zijn. Een pgb mag geweigerd worden als het pgb beheerd gaat worden door degene die de hulp ook zelf gaat bieden. Een pgb dat beheerd zal worden door een ander dan degene die de hulp gaat bieden (ongeacht de onderlinge relatie) mag niet om die reden geweigerd worden.
Dit is alleen anders als een professionele zorgverlener het pgb zou gaan beheren, want dat is immers nooit toegestaan. Onder b - passend bij de hulpvraag De inwoner heeft met een pgb de mogelijkheid zelf te bepalen bij wie hij de benodigde ondersteuning wil inkopen. De ondersteuning die met het pgb wordt ingekocht moet echter wel van goede kwaliteit te zijn. Er is sprake van goede kwaliteit als is gewaarborgd dat de ondersteuning veilig, doeltreffend en inwonergericht wordt verstrekt. Zie voor een nadere uitwerking van deze begrippen de beleidsregels. Onder c- motivatie Van belang is dat een pgb alleen wordt verstrekt indien de cliënt dit gemotiveerd vraagt. Met behoud van de motivatie-eis wordt geborgd dat duidelijk is dat het de beslissing van de aanvrager zelf is om een pgb aan te vragen. Zie ook de toelichting op amendement Voortman c.s., Kamerstukken II 20132014, 33 841, nr. 103. Derde lid - zorg- en budgetplan In het derde lid wordt de inwoner verplicht een zorg- en budgetplan aan te leveren. In dit plan (inclusief eventuele bijlagen) beschrijft de inwoner onder andere op welke manier het budget besteed zal worden, welke ondersteuning wordt ingekocht, bij wie en waarom voor een niet/gecontracteerde aanbieder is gekozen.
Het zorg- en budgetplan is nodig voor het college om onder andere te kunnen vaststellen of de inwoner in staat is een pgb te beheren en of de ondersteuning die de inwoner wil inkopen veilig, doeltreffend en inwonergericht is. Het college stelt een format ter beschikking uit praktische overwegingen. Ze is dan verzekerd van ontvangst van alle benodigde informatie en weet waar deze informatie in het zorg- en budgetplan te vinden is. Als een inwoner er voor kiest met het pgb professionele ondersteuning in te kopen, gelden hiervoor dezelfde kwaliteitseisen aan de aanbieder van deze ondersteuning als wanneer deze ondersteuning via zorg in natura door het college zou zijn ingekocht. Deze kwaliteitseisen zijn opgenomen in de beleidsregel. Derde lid – doel en resultaat
45
Doordat de inwoner zelf regie krijgt over de ondersteuning die hij met het pgb contracteert, krijgt hij de verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van de geleverde ondersteuning en kan hij zo nodig bijsturen. Het college toetst vooraf of de kwaliteit voldoende is gegarandeerd door van de aanvrager te vragen waar hij zijn ondersteuning zal inkopen, en op welke manier deze ondersteuning bijdraagt aan het realiseren van de beoogde doelen en resultaten. Vierde lid – waarvoor een pgb niet is bedoeld Hier worden alle handelingen en activiteiten benoemd waarvoor een pgb niet mag worden ingezet. Vijfde lid – professionele ondersteuning Het college dient een zorgvuldige afweging te maken welke hulp op basis van de hulpvraag moet worden ingezet (ECLI:NL:CRVB:2017:1477). Als de mogelijkheden van ouders/ het netwerk ontoereikend zijn, dient professionele ondersteuning te worden ingezet. Zesde lid - geheel of gedeeltelijke weigering van een pgb In het zevende lid staan de weigeringsgronden voor een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb beschreven. Onder a- kosten die al gemaakt zijn Zie ook de toelichting in hoofdstuk 3, artikel 3.3 onder c.
Onder b, c- onjuiste of onvolledige gegevens of niet voor het juiste doel Er geldt een inlichtingenverplichting voor de inwoner, die als uitgangspunt heeft dat verlangd kan worden dat voldoende gegevens en inlichtingen worden verstrekt om het college in staat te stellen te beoordelen of het beroep op het pgb terecht is gedaan. Indien het de inwoner redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat er feiten en omstandigheden, of daarin opgetreden wijzigingen, zijn die van invloed kunnen zijn op de toekenning van het pgb, dienen zij dit uit eigen beweging aan het college te melden. Verstrekken zij niet onverwijld uit eigen beweging of op verzoek van het college alle gevraagde inlichtingen en bewijsstukken, dan heeft dat gevolgen voor de toekenning van het pgb. Het college kan niet alleen bij een aanvraag, maar ook in andere stadia concrete informatie en bewijsstukken van de belanghebbende vragen. Zie hiervoor ook ECLI:NL:RBNHO:2019:8357. Onder d- gebruikelijke hulp Hiermee wordt de hulp en zorg bedoeld waarvan naar algemeen aanvaardbare maatstaven gangbaar wordt geacht dat ouders die aan hun kind bieden. Geeft iemand uit het sociale netwerk aan de zorg niet meer te willen doen, zonder hier een pgb voor te willen ontvangen, dan moet worden onderzocht of aan de pgb voorwaarden wordt voldaan.
Onder e- onbekwaamheid sociaal netwerk Uit jurisprudentie van de CRvB volgt dat bovengebruikelijke hulp in beginsel van ouders mag worden verwacht. Deze oordeelde dat de ouder, die haar baan had opgezegd in verband met de zorg voor haar kind, de zorg aankon en verleende en het dus van haar mocht worden verwacht, zie CRvB 17-72019, ECLI:NL:CRVB:2019:2362. Als het specifiek gaat om financiële zelfredzaamheid geldt dat moet worden onderzocht of er geen financiële problemen ontstaan wanneer de hulp door de ouder wordt geboden. Dit wordt in de beleidsregels nader uitgewerkt. Onder f- pgb niet voor jeugd-GGZ vanuit het sociaal netwerk Behandeling (jeugd-GGZ) is een vorm van jeugdhulp die alleen door professionals kan worden geboden. Daarom mag een pgb niet worden aangewend voor jeugd-GGZ vanuit het sociaal netwerk. 46
Onder g- hogere kosten in vergelijking met ZiN Het college kan het pgb alleen weigeren voor het gedeelte dat duurder is dan de voorgestelde maatwerkvoorziening in natura. De inwoner kan er dan voor kiezen toch de duurdere voorziening in te kopen en het verschil zelf bij te betalen. Onder h- beheer en hulp gescheiden Zie ook hierboven de toelichting op artikel 4.1, 2e lid onder a. In zijn algemeenheid geldt dat één en dezelfde persoon of organisatie niet in staat is met voldoende afstand en kritisch de beheerstaken uit te voeren van eigen geboden hulp. Degene die het pgb beheert moet in staat zijn overeenkomsten met de beoogde hulpverlener te sluiten, en deze hulpverlener aan te sturen en aan te spreken op zijn verplichtingen. Een dubbelrol bij een ouder mag dus ook niet. Onder i- onvoldoende motiveren of toelichten Zie ook hierboven de toelichting op artikel 4.1, 2e lid onder c. Het gaat om een wettelijke voorwaarde voor een pgb, waarbij aanvullend geldt dat vanuit de Jeugdwet moet worden gemotiveerd waarom ZiN niet passend is. Onder j- problematische schulden of schuldsanering Zie ook hierboven de toelichting op artikel 4.1, 2e lid onder a. Dit geldt dus niet als het beheer aan een ander wordt overgelaten, bv. een bewindvoerder.
Onder k- besteding in het buitenland De CRvB heeft in zijn (tussen)uitspraak van 16 april 2018 geoordeeld dat het toegestaan is met het pgb zorg in te kopen in andere lidstaten van de EU. Omdat onvoldoende controle op de kwaliteit kan worden uitgeoefend gaat het college hier erg terughoudend mee om. Een uitzondering kan alleen worden gemaakt als het zorg betreft die al in Nederland wordt ingezet en waarbij het gaat om een voortzetting in het buitenland van maximaal 13 weken. Onder l- meer inzet dan 48 uur per week Dit is als criterium opgenomen om de kwaliteit van de zorg te waarborgen en overbelasting van de aanbieder te voorkomen. Onder n- eerder verzoek om een pgb Het college kan een verzoek om een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb weigeren als het college eerder een beslissing heeft herzien of ingetrokken vanwege: - het verstrekken van onjuiste of onvolledige gegevens en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid; - het niet voldoen aan de gestelde voorwaarden; - het niet of voor een ander doel gebruiken van de maatwerkvoorziening. Zevende lid - verwijzing door een andere partij Uit jurisprudentie (ECL:NL:RBOBR:2020:1761) volgt dat het college de keuze voor een nietgecontracteerde aanbieder waarnaar wordt verwezen door een andere partij (bv. een huisarts) niet hoeft te vergoeden.
Het is aan de jeugdige en/ of ouders om bij zo’n verwijzing eerst een besluit van het college te vragen. Ook als het gaat om jeugdhulp die het college niet kan leveren door een gecontracteerde aanbieder zal het college eerst een besluit moeten nemen. Het college bepaalt niet welke jeugdhulp moet worden geleverd, maar heeft wel de regie over wie de jeugdhulp verleent. Artikel 4.2 Pgb voor formele hulp en informele hulp Eerste lid onderscheid formele en informele hulp 47
Voor de bepaling van het Pgb-tarief wordt onderscheid gemaakt tussen formele en informele hulp. Voor formele hulp geldt het hogere Pgb-tarief en voor informele hulp geldt het lagere tarief op basis van het wettelijk minimumloon. Dit sluit aan bij de systematiek die binnen de Wet langdurige zorg (Wlz) en Zorgverzekeringswet (Zvw) wordt gehanteerd. Tweede lid – formele hulp Van formele hulp is, kortweg, sprake als de hulp verleend wordt in het kader van de uitoefening van een bedrijf of beroep. De hulp wordt dan verleend door een hulpverlener die werkzaam is bij een organisatie of door een zelfstandige jeugdhulpverlener (ZZP-er). Hierop geldt één (belangrijke) uitzondering en dat is wanneer de hulpverlener een bloed- of aanverwant is in de 1e of 2e graad van de budgethouder. Derde lid – informele hulp Uit artikel 8.1.1 derde lid van de Jeugdwet en artikel 2.3.6. van de Wmo volgt dat bij verordening kan worden bepaald onder welke voorwaarden de persoon aan wie een budget wordt verstrekt, de hulp kan betrekken van een persoon die behoort tot het sociaal netwerk. Door de regering is hierover het volgende opgemerkt: "hoewel de regering de inzet van het sociale netwerk waardevol vindt, acht de regering het wenselijk dat beloning daarbij met een pgb beperkt blijft tot die gevallen waarin dit aantoonbaar tot betere en effectievere ondersteuning leidt en aantoonbaar doelmatiger is".
Het is aan de gemeenteraad om hier invulling aan te geven. Met het huidige artikel wordt door de gemeenteraad invulling gegeven aan deze bevoegdheid. Ook al gaat het om een hulpverlener die bijvoorbeeld BIG-geregistreerd is en voldoet aan de criteria genoemd in het tweede lid van deze bepaling; dan nog geldt dat in het kader van deze verordening als informele hulp. De achtergrond daarvan is dat ook familieleden met een zorg-gerelateerd beroep of opleiding in eerste instantie een affectieve relatie hebben met de budgethouder. Dat is dan ook doorslaggevend voor het bijbehorende Pgb-tarief. Informele hulp is derhalve alle hulp die geboden wordt door bloed- of aanverwanten in de 1e of 2e graad, of door personen die niet beroeps- of bedrijfsmatig jeugdhulp verlenen. In de praktijk gaat het dan eigenlijk altijd om personen uit het sociaal netwerk. Bloedverwantschap ontstaat door geboorte, afstamming van dezelfde voorvader, erkenning, gerechtelijke vaststelling van het vaderschap of adoptie. Bloedverwanten in de eerste graad zijn: (adoptie)ouders; (adoptie)kinderen. Bloedverwanten in de tweede graad zijn: grootouders; kleinkinderen; broers en zussen. Derde lid, sub b – informele hulp voor Jeugdhulp De gemeenteraad is van oordeel dat in beginsel niet worden ingezet voor de begeleiding vanuit het sociale netwerk.
Allereerst wordt uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige en diens sociale netwerk. Ook als de hulp meer vraagt dan gemiddeld wordt verwacht, kan het zijn dat ouders of het informele netwerk voldoende draagkracht hebben om deze hulp zelf te bieden en valt dit onder de ‘eigen kracht’. De wettelijke mogelijkheid van een informeel PGB is slechts bedoeld voor gevallen waarin deze hulp aantoonbaar leidt tot een beter en effectievere ondersteuning, die ook aantoonbaar doelmatiger is.
48
Het college kent de informele pgb alleen toe als de persoon uit het sociaal netwerk van de jeugdige de handelingen van een professional kan overnemen. Het gaat hier om persoonlijke verzorging en begeleiding bij algemene dagelijkse levensverrichtingen. Bijvoorbeeld nachtelijke verzorging, intensieve zorg bij het wassen, ondersteuning toiletbezoek, lichamelijke hygiëne, etc. De zorg die geboden wordt neemt een groot deel van de dag in beslag en is niet altijd op voorhand in te plannen. Niet alle personen uit het netwerk kunnen aanvankelijk de handelingen zelf uitvoeren en krijgen deze aangeleerd van een professional. Vierde en vijfde lid kwaliteitseisen informele en formele hulp In aanvulling op het bovenstaande zijn kwaliteitseisen gesteld voor het inkopen van formele hulpverlening. Indien niet wordt voldaan aan de deze eisen wordt namens het college geen persoonsgebonden budget verstrekt. Zowel de formele als informele hulpverlener moet beschikken over een actuele verklaring omtrent gedrag (VOG). Uitzondering hierop is als de informele hulpverlener een ouder is, zoals bedoeld in de Jeugdwet. Onder actueel wordt verstaan niet ouder dan drie maanden bij aanvang van de hulpverlening.. De VOG wordt bij aanvang van de hulpverlening aan de budgethouder overgelegd en maakt onderdeel uit van de administratie.
Gedurende de hulpverlening dient de hulpverlener te beschikken over een VOG die niet ouder is dan drie jaar. Indien en voor zover die termijn verstrijkt, wordt een nieuwe VOG aangevraagd en opnieuw aan de budgethouder verstrekt. Zesde lid uitsluiting van hulpverlening In dit lid wordt aangegeven wanneer een hulpverlener uit het sociaal netwerk van hulpverlening kan worden uitgesloten. Artikel 4.3 Hoogte en tarief van het pgb Eerste lid – hoogte van het pgb Op grond van artikel 2.1.3 tweede lid, onder b. Van de Wmo 2015 en artikel 2.9 onderdeel c. van de Jeugdwet dient bij verordening de essentialia te worden vastgesteld voor het bepalen van de hoogte van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb. Het betreft een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s die iedere keer als uitgangspunt wordt genomen. Tweede lid – kostencomponenten In dit lid wordt aangegeven uit welke kostencomponenten een pgb mag zijn opgebouwd. Derde lid – onderscheid in ondersteuning Een op basis van deze berekening vastgesteld budget moet de inwoner in staat stellen de benodigde ondersteuning van derden te betrekken. Waarbij dus geldt dat het college het pgb gedeeltelijk kan weigeren wanneer de kosten van het pgb hoger zijn dan de maatwerkvoorziening in natura.
De hoogte van een pgb wordt in belangrijke mate bepaald door wat het college zou kosten als het de betreffende maatwerkvoorziening in natura zou verstrekken (‘de kostprijs van de in de betreffende situatie goedkoopst passende maatwerkvoorziening in natura’). Zoals blijkt onder a en b Is het college bevoegd een lager tarief dan het tarief in natura voor de berekening als uitgangspunt te hanteren. Onder a gaat het om een professionele zorgaanbieder waarbij 95% wordt gehanteerd van de gecontracteerde tarieven voor aanbieders. Verwacht wordt dat er minder administratieve lasten zijn bij een Pgb organisatie dan bij een gecontracteerde
49
aanbieder, denk aan management rapportages en een bijdrage in de doorontwikkeling van transformatie opgaven. Onder b gaat het om een zelfstandig ondernemer waarbij vanuit wordt gegaan dat deze aanzienlijk lagere overheadkosten ondersteuning kan bieden dan de grotere aanbieders die namens het college de zorg in natura verlenen. De 17% lagere kosten overhead is een redelijke norm gerekend vanuit de cao VVT/GGZ. Als in een individueel geval aantoonbaar is dat de berekeningswijze zoals verwoord in dit artikel leidt tot een pgb-hoogte waarmee de inwoner niet in staat is de benodigde ondersteuning van derden te betrekken, dan wordt er in dat geval van de berekeningswijze afgeweken. Uiteraard nog steeds met de kanttekening dat het college een pgb voor dat deel kan weigeren waar de kosten van het betrekken van de ondersteuning van derden hoger zijn dan de kosten van de maatwerkvoorziening in natura. Het is aan het college om (cijfermatig) te onderbouwen hoe in de betreffende situatie de hoogte van het pgb is bepaald en om te onderbouwen en/of te onderzoeken dat – het budget inderdaad toereikend is om de benodigde ondersteuning van derden te kunnen betrekken. Met andere woorden, de bewijslast met betrekking tot de ‘toereikendheid’ ligt bij het college. Het is evenwel aan de inwoner om eventuele bijzonderheden aan te kaarten.
Vijfde lid – informeel tarief sociaal netwerk In dit lid is vastgelegd dat als de zorg die met het pgb wordt ingekocht geleverd wordt door het sociaal netwerk, hiervoor altijd een informeel tarief wordt gerekend ongeacht de professie van de aanbieder. Met de hoogte van dit tarief wordt aansluiting gezocht bij het landelijke tarief vanuit de wlz. Zesde lid – normbedragen Het betreft de substantiële norm- en kaderstelling, in de vorm van een berekeningswijze voor het bepalen van de hoogte van pgb’s die iedere keer als uitgangspunt wordt genomen. Zevende lid – gelijk tarief In dit lid is vastgelegd dat er één en hetzelfde tarief wordt gehanteerd gedurende de periode waarvoor het pgb wordt toegekend. Artikel 4.4 Besteding en verantwoording Dit artikel bepaalt dat de besteding van het pgb dient te worden verantwoord. Een verantwoording is enerzijds een belangrijk instrument voor het college om toe te zien op een doel- en rechtmatige besteding van het pgb door de inwoner, maar levert ook input voor het college om de berekeningswijze die zij als uitgangspunt hanteert waar mogelijk te optimaliseren.
Eerste en tweede lid – onderzoek besteding binnen doel en kwaliteit Op grond van artikel 36 uit de Wmo 2015 en artikel 9.2 uit de Jeugdwet moet het college in aanvulling op het onderzoek overeenkomstig artikel 2.3.9 van deze verordening ook periodiek, al dan niet steekproefsgewijs onderzoeken of de verstrekte pgb’s worden gebruikt, respectievelijk besteed ten behoeve van het doel waarvoor ze zijn verstrekt, of de besteding op een rechtmatige manier gebeurt en of de geleverde ondersteuning van goede kwaliteit is. Een onderzoek kan zowel betrekking hebben op het handelen van een cliënt of pgb-houder, als op de ondersteuningsverlening door een aanbieder. Het onderzoek kan onder meer bestaan uit: dossieronderzoek, bezoek aan de cliënt, bezoek aan de locatie waar de cliënt ondersteuning krijgt en gesprekken met de aanbieder. 50
Toelichting hoofdstuk 5 Financiële tegemoetkomingen 5.1 Eerste lid – financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening Wmo Naar aanleiding van uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB 12-2-2018, nr. 16/6151 en CRvB 12-2-2018, nr. 16/5355) kan een maatwerkvoorziening ook als financiële tegemoetkoming worden verstrekt. Het betreft hier nadrukkelijk niet de financiële tegemoetkoming in de meerkosten voor personen met een beperking of chronische problemen (Artikel 2.1.7 van de Wmo 2015). Het betreft ook geen pgb, waarvoor een specifiek regime geldt en waarop de inwoner aanspraak maakt als zijn voorkeur hiernaar uitgaat en aan de criteria zoals verwoord in artikel 4.1 wordt voldaan. In het eerste lid staat onder a. tot en met d. opgesomd voor welke kosten een financiële tegemoetkoming als maatwerkvoorziening kan worden verstrekt. Het college beperkt de inzet van de financiële maatwerkvoorzieningen tot die gevallen waar ze een duidelijke meerwaarde hebben of waar geen alternatief in natura voorhanden is. De opsomming is gelimiteerd tot deze kosten/ situaties. Omdat de in het eerste lid genoemde financiële tegemoetkomingen maatwerkvoorzieningen zijn, zijn alle bepalingen in deze Verordening betreffende maatwerkvoorzieningen ook van toepassing.
Bijvoorbeeld dat de goedkoopst passende maatwerkvoorziening wordt verstrekt en dat bij de verstrekking van de maatwerkvoorziening Wmo de inwoner een eigen bijdrage verschuldigd is. Onder a - verhuizen en inrichting Een financiële tegemoetkoming in de kosten van verhuizen of inrichting kan als maatwerkvoorziening Wmo verstrekt worden in geval het primaat van verhuizen wordt toegepast zoals bedoeld in artikel 3.4. lid 2. Het primaat van verhuizen wordt nader beschreven in het Besluit.. Ook kan een financiële tegemoetkoming voor verhuizen en inrichting als maatwerkvoorziening worden verstrekt wanneer een ingezetene een aangepaste woning ten behoeve van een inwoner verlaat. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de inwoner wiens woning is aangepast overlijdt en diens partner bereid is de aangepaste woning te verlaten. Het aantal beschikbare aangepaste woningen waar een inwoner naar toe kan verhuizen (door toepassing van het primaat van verhuizen), blijft hierdoor op peil. Onder b- een voorziening voor sportbeoefening Wanneer een inwoner naar het oordeel van het college afhankelijk is van een sportvoorziening om te kunnen sporten en zodoende maatschappelijk te participeren, kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een dergelijke voorziening worden verstrekt.
De inwoner dient de sport frequent en met regelmaat te beoefenen om in aanmerking te komen voor een financiële tegemoetkoming voor een voorziening voor sportbeoefening. Dit bedrag is bedoeld als tegemoetkoming in aanschaf en onderhoud van een sportvoorziening voor een periode van minimaal drie jaar. Onder c - individueel vervoer Wanneer een inwoner in aanmerking komt voor een maatwerkvoorziening Wmo ‘Vervoer’, kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van individueel vervoer worden verstrekt, als dit naar het oordeel van het college niet anders kan en de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is. Ter onderbouwing van het oordeel van het college dat het niet anders kan wordt een onafhankelijk medisch onderzoek gevraagd. Bij de berekening of het de goedkoopst passende maatwerkvoorziening is wordt ook rekening gehouden met de administratieve last van de bekostiging van individueel vervoer. Bijvoorbeeld: Wanneer uit onafhankelijk medisch advies blijkt dat de inwoner niet collectief vervoerd kán worden en individueel vervoer noodzakelijk is. De financiële tegemoetkoming is bedoeld voor 51
verplaatsingen in de directe woon- en leefomgeving van de inwoner tot een maximum van 1.500 km op jaarbasis. Zie ook de toelichting hoofdstuk 3, 3.4, 4e lid. Onder d – jeugdhulpvervoer Ook kan een financiële tegemoetkoming in de kosten van (individueel) vervoer worden verstrekt aan een inwoner aan wie een maatwerkvoorziening Jeugdhulp met vervoer zoals bedoeld in artikel 3.1 vijfde lid wordt toegekend. Het gaat om een tegemoetkoming in de kosten van het vervoer van en naar de locatie waar de jeugdhulp geboden. Tweede lid - eigen bijdrage voor Wmo voorzieningen In het tweede lid staat beschreven welke financiële tegemoetkomingen zoals beschreven in het eerste lid onder de Wmo vallen en waarop dus ook artikel 3.5, de eigen bijdrage, van toepassing is. Derde lid- berekeningswijze financiële tegemoetkoming De CRvB stelt als voorwaarde dat de financiële tegemoetkoming een passende bijdrage moet leveren aan de zelfredzaamheid en participatie van de aanvrager. In het besluit is opgenomen welke forfaitaire bedragen het college per financiële tegemoetkoming kan verstrekken. Hierbij dient te worden opgemerkt dat de financiële tegemoetkoming niet kostendekkend hoeft te zijn. Op basis van uitspraken van de CRvB moet de financiële tegemoetkoming echter wel in de buurt komen van de daadwerkelijk gemaakte kosten na aftrek van bijvoorbeeld algemeen gebruikelijk te achten kosten.
5.2 Criteria financiële tegemoetkoming meerkosten Wmo Eerste en tweede lid – tegemoetkoming met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen Deze bepaling betreft een uitwerking van artikel 2.1.7 van de Wmo 2015. Daarin is opgenomen dat bij Verordening kan worden bepaald dat door het college aan personen met een beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houdende aannemelijke meerkosten hebben, een tegemoetkoming wordt verstrekt ter ondersteuning van de zelfredzaamheid en de maatschappelijke participatie. De tegemoetkoming kan op aanvraag worden verstrekt en wordt enkel toegekend indien er geen aanspraak op vergoeding van de meerkosten bestaat op grond van een andere voorziening. Derde lid – meewegen financiële situatie Bij de beoordeling van de aannemelijke meerkosten van de inwoner als gevolg van zijn beperking of chronische psychische of psychosociale problemen die daarmee verband houden, mag rekening worden gehouden met de hoogte van het inkomen van de inwoner, het inkomen van zijn eventuele partner én met de mate waarin zich in een kalenderjaar meerkosten zullen voordoen. Vierde lid- nadere regels Afhankelijk van de keuze van het college om al dan niet een financiële tegemoetkoming meerkosten te verstrekken, worden nadere regels gesteld over de hoogte van de tegemoetkoming.
Toelichting hoofdstuk 6 Kwaliteit In hoofdstuk 6 wordt beschreven welke kwaliteitseisen het college stelt aan de aanbieders van voorzieningen. Ook wordt beschreven hoe het college ervoor zorgt dat de verhouding prijs-kwaliteit passend is voor zowel de aanbieder als gemeente, om hiermee de inwoners van Houten juist te kunnen ondersteunen.
52
Artikel 6.1 Kwaliteit voorzieningen In artikel 4.1.1 van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid onder c. van de Wmo 2015 is bepaald dat in de Verordening in ieder geval moet worden vastgelegd welke eisen er worden gesteld aan de kwaliteit van voorzieningen, eisen met betrekking tot de deskundigheid van beroepskrachten daaronder begrepen. Deze bepaling is hier een uitwerking van. Eerste lid – deskundigheid en kwaliteit Onder a t/m e – wijze waarop wordt toegezien op kwaliteit van voorzieningen De verantwoordelijkheid voor de kwaliteit van voorzieningen wordt door de wetgever gelegd bij het college én de aanbieder. Het is aan het college te bepalen welke kwaliteitseisen worden gesteld aan aanbieders van voorzieningen. In het eerste lid wordt hier invulling aan gegeven. In de overeenkomsten met aanbieders worden nadere eisen beschreven. Hierbij valt te denken aan eisen aan de reactietermijn bij vragen van inwoners. Tweede lid – nadere kwaliteitseisen inkoop In het tweede lid wordt verwezen naar kwaliteitscriteria die aanvullend op het eerste lid kunnen worden gesteld bij de inkoop van maatwerkvoorzieningen. Derde lid – kwaliteitseisen onderaannemers Als een aanbieder als hoofdaannemer gebruik maakt van een onderaannemer, is en blijft de hoofdaannemer ervoor verantwoordelijk dat de onderaannemer voldoet aan de kwaliteitseisen die het college aan de ondersteuning stelt.
De hoofdaannemer blijft het aanspreekpunt voor het college. Vierde lid – toezicht op naleving door gemeente In het vierde lid wordt beschreven op welke wijze het college ten aanzien van maatwerkvoorzieningen toeziet op naleving van het gestelde in het eerste en tweede lid. Dit wordt onder andere gedaan door periodieke overleggen met aanbieders en een jaarlijks cliënt-ervaringsonderzoek, welke verplicht is op grond van artikel 2.5.1, eerste lid van de Wmo 2015 en artikel 2.10 van de Jeugdwet. Daarnaast houdt de GGDrU toezicht op de kwaliteit van de maatwerkvoorzieningen Wmo 2015 via signaal gestuurd kwaliteitstoezicht en standaardkwaliteitstoezicht op gecontracteerde aanbieders van maatwerkvoorzieningen. En wordt het toezicht en handhaving van de kwaliteit van jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering landelijk uitgevoerd door de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd (Ministerie VWS). 6.2 Verhouding prijs-kwaliteit ondersteuning door derden Deze bepaling gaat over de verhouding prijs-kwaliteit door een derde te leveren dienst. Het college kan de uitvoering van de Jeugdwet en Wmo 2015, met uitzondering van de vaststelling van de rechten en plichten van de inwoner, door aanbieders laten verrichten (artikel 2.11 eerste lid van de Jeugdwet en artikel 2.6.4 eerste lid van de Wmo 2015).
Met het oog op gevallen waarin dit ten aanzien van een voorziening, kinderbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel gebeurt, moeten bij Verordening regels worden gesteld ter waarborging van een goede verhouding tussen de prijs voor de levering van de voorziening, kinderbeschermings- en/of jeugdreclasseringsmaatregel en de eisen die worden gesteld aan de kwaliteit daarvan. Daarbij dient in ieder geval rekening gehouden te worden met de deskundigheid van de beroepskrachten en de toepasselijke arbeidsvoorwaarden. Ten aanzien van de inkoop van Wmo maatwerkvoorzieningen wordt de algemene maatregel van bestuur Reële prijs Wmo 2015 toegepast. Eerst en tweede lid – vast en reëel tarief In het eerste lid van dit artikel wordt geregeld dat het college voor het leveren van een dienst een vaste prijs of een reële prijs vaststelt. De reële prijs geldt als ondergrens voor een inschrijving en het aangaan van een overeenkomst met de derde, of geldt als ondergrens voor de vaste prijs. In het geval 53
het college een reële prijs vaststelt, is het mogelijk dat inschrijvers een hoger tarief dan de reële prijs neerleggen. Het is niet mogelijk een lagere prijs neer te leggen. Indien het college een vaste prijs vaststelt, dan zal het tarief voor de inschrijvers gelijk zijn aan de vaste prijs. In het tweede lid wordt beschreven wat het college onder de vermelde dienst in het eerste lid bedoelt. Derde lid – vaststelling tarieven Bij het vaststellen van de prijs dient het college rekening te houden met de eisen aan de kwaliteit van die dienst. Hieronder vallen de eisen aan de deskundigheid van de beroepskracht en met de continuïteit in de hulpverlening tussen degenen aan wie de dienst wordt verstrekt en de betrokken hulpverleners. De invulling van de continuïteit van de hulpverleningsrelatie in financiële zin is nieuw. De aanbieder die de opdracht gegund krijgt, moet overleggen met de aanbieder die de opdracht tot dan toe had uitgevoerd over de overname van personeel. De gedachte is dat overname van personeel gemakkelijker verloopt indien het college een reële prijs betaalt voor de opdracht. Vierde lid - kostprijselementen Het college moet de vaste prijs of de reële prijs minimaal baseren op de in deze bepaling genoemde (kostprijs)elementen.
Om te voorkomen dat alleen gekeken wordt naar de laagste prijs voor de uitvoering worden in dit artikel een aantal andere elementen genoemd waarmee het college bij het vaststellen van tarieven (naast de prijs) rekening dient te houden. Hiermee wordt bereikt dat een passend beeld ontstaat van reële kostprijs voor de activiteiten die zij door aanbieders willen laten uitvoeren. Uitgangspunt is dat de aanbieder kundig personeel inzet tegen de arbeidsvoorwaarden die passen bij de vereiste vaardigheden. Hiervoor is ten minste een beeld nodig van de vereiste activiteiten en de arbeidsvoorwaarden die daarbij horen. Dit biedt een waarborg voor werknemers dat hun werkzaamheden aansluiten bij de daarvoor geldende arbeidsvoorwaarden. Overheadkosten zijn kosten die een organisatie maakt om haar primaire proces goed te laten functioneren of die noodzakelijk zijn om te kunnen bestaan als organisatie. Het gaat dan bijvoorbeeld om kosten die gemaakt worden voor het management, de administratie, ICT, facilitaire zaken, huisvesting,voor werkkapitaal etc. Vijfde lid – belang van goede prijs-kwaliteitverhouding In het vijfde lid wordt beschreven waar het college in het belang van een goede prijs-kwaliteit verhouding rekening mee houdt bij de vaststelling van prijzen die het hanteert voor door derden te leveren maatwerkvoorzieningen Wmo niet zijnde diensten.
De markt hiervan is constant in beweging en in het belang van de goede prijs-kwaliteit verhouding spelen we hierop in door in door in gesprek te blijven met de aanbieders.
Toelichting hoofdstuk 7 Klachten en inspraak Artikel 7.1 Klachten Eerste lid – klachtenregeling gemeente Dit artikel regelt het gemeentelijke klachtrecht. Het college is al op grond van de Awb in het algemeen verplicht tot een behoorlijke behandeling van mondelinge en schriftelijke klachten over gedragingen van personen en bestuursorganen die onder haar verantwoordelijkheid werkzaam zijn. Gelet op het van toepassing zijnde hoofdstuk 9 van de Awb, waarin een uitvoerige regeling omtrent klachtbehandeling is gegeven, en ook het recht is neergelegd om na de afhandeling van de klacht de bevoegde ombudsfunctionaris te verzoeken een onderzoek in te stellen, kan in deze Verordening met een enkele bepaling worden volstaan.
54
Het college heeft de klachtenprocedure op een toegankelijke en laagdrempelige wijze ingericht. Daarnaast is er ook een feedback- en klachtenregeling van de Stichting Sociaal team Houten. Via deze deze regeling kan de inwoner bij onvrede over de manier waarop is omgegaan door professional van het Sociaal Team jegens de inwoner of over de geboden begeleiding terecht met een klacht bij het de stichting van het Sociaal Team Houten. Tweede lid – onafhankelijke ondersteuning bij jeugdhulp De Jeugdwet verplicht gemeenten tot het beschikbaar stellen van een onafhankelijke vertrouwenspersoon voor Jeugdwetcliënten. De Wmo 2015 verplicht gemeenten tot het inrichten van de functie onafhankelijk cliëntondersteuner voor het gehele sociale domein, dus ook voor cliënten van de Jeugdwet. Ouders, pleegouders en jeugdigen die te maken hebben met jeugdzorg worden verwezen door het college naar een vertrouwenspersoon van JeugdStem, als zij informatie willen over hoe de jeugdzorg in elkaar zit of als zij ondersteuning zoeken bij het aangaan van een gesprek of indienen van een klacht. Meer informatie: https://jeugdstem.nl/. Ook kan de inwoner terecht bij de sociaal ombudsfunctionaris bij vragen, signalen of klachten over jeugdhulp. De ombudsfunctionaris kijkt samen met de inwoner naar mogelijkheden.
Derde lid – klachten maatwerkvoorzieningen Het college ziet er op toe dat aanbieders een regeling vaststellen voor de afhandeling van klachten van inwoners ten aanzien van voorzieningen. Inwoners met klachten over aanbieders worden als eerste naar de betreffende aanbieder verwezen. Is de inwoner niet tevreden over een gedraging van de aanbieder, dan kan het ook gaan om bijvoorbeeld de kwaliteit van de geleverde maatschappelijke ondersteuning of jeugdhulp (in verband met de deskundigheid van de medewerker of een bepaalde houding of uitlating, gebrekkige communicatie of (on)bereikbaarheid van de aanbieder). Een dergelijke bepaling is verplicht op grond van de Wmo 2015 en Jeugdwet, waarin is bepaald dat in de Verordening in ieder geval wordt bepaald ten aanzien van welke voorzieningen een regeling voor de afhandeling van klachten van cliënten is vereist. De aanbieder is ten aanzien van de in de Verordening genoemde voorzieningen verplicht een klachtregeling op te stellen. In de regel zal eerst de aanbieder worden aangesproken bij klachten over de wijze van behandeling. Pas wanneer dit klachtrecht niet bevredigend is, of niet logisch, bijvoorbeeld bij gedragingen van gemeenteambtenaren, dan komt de gemeentelijke klachtmogelijkheid in zicht. Vanuit het college wordt dan aan bijgedragen om als nog de klacht door de aanbieder in behandeling wordt genomen.
Artikel 7.2 Betrekken van inwoners bij het beleid Eerste, tweede en derde lid – vertegenwoordiging cliëntgroepen, deelname inwoners aan periodiek overleg en Verordening cliënt- en burgerbetrokkenheid In dit artikel zijn bepalingen opgenomen over inspraak bij het college. Hiervoor kan worden verwezen naar de Verordening cliënt/ en burgerbetrokkenheid in het sociaal domein gemeente Houten, waarin is uitgewerkt op welke wijze de Adviesraad Sociaal Domein het college adviseert. Artikel 7.3 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning Eerste en tweede lid – regeling medezeggenschap en gemeentelijke rol bij naleving Regeling van de inspraak en medezeggenschap is verplicht op grond van artikel 2.10 van de Jeugdwet in samenhang met artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015. In artikel 2.10 (in de redactie van de 55
Nota van wijziging op het wetsvoorstel Wmo 2015 van 12 maart 2014, kamerstukken II 22841, nr. 35) worden de artikelen 2.1.3, derde lid, en 2.5.1 (jaarlijks cliëntervaringsonderzoek) van de Wmo 2015 van overeenkomstige toepassing verklaard. Ingevolge artikel 2.1.3, derde lid, van de Wmo 2015 dient bij Verordening te worden bepaald op welke wijze ingezetenen worden betrokken bij de uitvoering van deze wet.
Toelichting hoofdstuk 8 Toezicht en handhaving maatwerkvoorzieningen Artikel 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering maatwerkvoorziening Deze bepaling is een uitwerking van de Verordeningsplicht zoals beschreven in artikel 2.9, onder d. van de Jeugdwet en in artikel 2.1.3, vierde lid van de Wmo 2015. In die artikelen is bepaald dat het college bij Verordening regels stelt voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening, alsmede misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Eerste lid – regels voor bestrijding van misbruik De bepalingen in het eerste, tweede en derde lid bevatten grotendeels een herhaling van hetgeen al in de Jeugdwet en Wmo 2015 is opgenomen. Met opname van deze wettekst in de Verordening wordt beoogd een compleet beeld te geven van de regels voor de bestrijding van het ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening alsmede van misbruik of oneigenlijk gebruik van de wet. Tweede lid – beslissing herzien of intrekken In het tweede lid wordt opgesomd wanneer het college een beslissing over een maatwerkvoorziening kan herzien of intrekken. Onder a – onjuiste gegevens Wanneer de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beslissing zou hebben geleid.
Onder d – verblijf in instelling Het college kan een beslissing over het verstrekken van een maatwerkvoorziening herzien dan wel intrekken als het college vaststelt dat de inwoner langer dan acht weken verblijft in een instelling als bedoeld in de Wlz of de Zvw. Deze bepaling is toegevoegd naar analogie van artikel 5.20, eerste lid onderdeel b. van de Regeling langdurige zorg op basis waarvan het zorgkantoor de verleningsbeschikking kan wijzigen of intrekken indien de verzekerde langer dan twee maanden verblijft in een instelling als bedoeld in de wet of de Zvw. Vierde lid – intrekken pgb wanneer deze niet wordt aangewend Een pgb wordt verstrekt met de bedoeling dat men daarmee passende ondersteuning inkoopt. Als binnen zes maanden na uitbetaling of binnen de termijn waarvoor het is verstrekt, het pgb nog niet is aangewend voor het doel waarvoor de maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb is toegekend, heeft het college de bevoegdheid om de beslissing geheel of gedeeltelijk in te trekken. Hierbij wordt geteld vanaf de datum van verstrekking die op de beschikking staat vermeld. Deze bepaling is te zien als een verbijzondering van de bepaling in het tweede lid, onder f. die ook over maatwerkvoorzieningen in natura gaat. Het vierde lid is een ‘kan’-bepaling.
Vijfde lid – terugvorderen Zowel in de Jeugdwet als de Wmo 2015 zijn regels voor het verhaal van kosten opgenomen en is de bevoegdheid aan het college gegeven tot het terugvorderen van een ten onrechte verstrekte 56
maatwerkvoorziening. Omdat het niet in alle gevallen mogelijk is een al genoten maatwerkvoorziening terug te vorderen, kan het college de waarde van de genoten maatwerkvoorziening uitdrukken in een bedrag dat voor terugvordering in aanmerking komt. Het college kan het terug te vorderen bedrag bij dwangbevel invorderen. In het vijfde lid is een bepaling opgenomen die het college de bevoegdheid geeft tot terugvordering van in eigendom of in bruikleen verstrekte maatwerkvoorziening. Artikel 8.2 Fraudepreventie en controle Eerste lid – preventie Aan het ‘bestrijden’ van ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen gaat als het goed is een poging vooraf dit te ‘voorkomen’. Duidelijke informatie over enerzijds de rechten en plichten van de inwoner en anderzijds de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik spelen hierbij een belangrijke rol. Daarom is in het eerste lid deze ‘informatieplicht’ voor het college opgenomen. Tweede en derde lid - onderzoek Middels het tweede lid wordt uitvoering gegeven aan artikel 2.1.3 vierde lid van de Wmo 2015 en artikel 2.9 lid d van de Jeugdwet, waarin wordt bepaald dat in de Verordening regels dienen te worden opgenomen voor het bestrijden van ten onrechte ontvangen van een maatwerkvoorziening (al dan niet in de vorm van een pgb) en oneigenlijk gebruik of misbruik van de wet.
Het derde lid verplicht de inwoner aan wie een maatwerkvoorziening is toegekend, medewerking te verlenen en alle voor het in het tweede lid bedoelde onderzoek benodigde informatie aan het college te verstrekken. Vierde lid – toezichthouders Artikel 6.1 lid 1 van de Wmo 2015 geeft de verplichting een toezichthouder aan te wijzen. In de Jeugdwet zelf is een dergelijke verplichting niet opgenomen. De ministeriële regeling Jeugdwet die op 16 augustus 2016 in werking trad, geeft gemeenten meer armslag voor onder meer materiële controle en fraudebestrijding binnen de Jeugdwet. Met deze bepaling wordt ook voor jeugdhulp de grondslag hiervoor bij Verordening geregeld. Vijfde lid – fraude bij pgb Onder a - tijdelijk opschorten bij vermoeden misbruik Met deze bepaling wordt beoogd misbruik en oneigenlijk gebruik van het pgb te bestrijden. In bepaalde gevallen is (tijdelijke) opschorting van een betaling uit het pgb naar aanleiding van een declaratie een beter instrument dan beëindiging of weigering of zelfs intrekken of herzien van het verleningsbesluit. Door middel van een opschorting kan er ruimte geboden worden voor herstelmaatregelen of nader onderzoek. Bijvoorbeeld als het gaat om de overeenkomsten die de budgethouder is aangegaan of bij herziening van de toekenningsbesluit.
Om deze redenen is de mogelijkheid voor het college om de SVB te verzoeken over te gaan tot opschorting aan de Verordening toegevoegd. Het college kan enkel een verzoek doen als een ernstig vermoeden is ontstaan dat er sprake is van de genoemde situaties in dit lid. Uiteraard moet het college het verzoek goed motiveren en – met inachtneming van de daarvoor geldende regels – de SVB van voldoende informatie voorzien op grond waarvan de SVB over kan gaan tot deugdelijke besluitvorming ten aanzien van het al dan niet nemen van een besluit tot opschorting. Verder kan voor ten hoogste dertien weken worden opgeschort. Hierbij is aansluiting gezocht bij de termijn zoals deze ook wordt gehanteerd in artikel 4:56 van de Awb en onder de Wlz. Onder b - opschorten pgb Op grond van het vijfde lid kan het college de Sociale verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1 tweede lid onder f. Deze 57
bepaling is toegevoegd omdat het voor kan komen dat een inwoner tijdelijk geen gebruik van een maatwerkvoorziening in de vorm van een pgb kan maken door (tijdelijke) opname in een instelling. In dat geval kan het praktischer zijn de maatwerkvoorziening tijdelijk op te schorten. Het college stelt de pgb-houder schriftelijk op de hoogte van dit verzoek. Zesde lid – nadere regels Het college kan nadere regels stellen over het bepaalde in dit artikel. Artikel 8.3 Melding calamiteiten en geweldsincidenten Eerste lid – melden calamiteiten Op grond van artikel 4.1.8 van de Jeugdwet en artikel 3.4 eerste lid van de Wmo 2015 geldt voor aanbieders van jeugdhulp en gecertificeerde instellingen en van maatschappelijke ondersteuning een plicht tot het melden van calamiteiten en geweldsincidenten bij de verstrekking van een voorziening of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Dit geldt ook voor aanbieders van algemene voorzieningen, zoals het Sociaal Team. Onder calamiteiten wordt verstaan: 'een niet-beoogde of onverwachte gebeurtenis, die betrekking heeft op de kwaliteit van een voorzieningen die tot een ernstig schadelijk gevolg voor of de dood van een inwoner heeft geleid’.
Onder geweld bij verstrekking van een voorziening of uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering wordt verstaan: 'seksueel binnendringen van het lichaam van of ontucht met een inwoner, alsmede lichamelijk en geestelijk geweld jegens een inwoner, door een beroepskracht dan wel door een andere inwoner met wie de inwoner gedurende het etmaal of een dagdeel in een accommodatie van een aanbieder verblijft’. Tweede lid – toezichthoudende instanties In het tweede lid staat beschreven bij welke toezichthoudende instantie de melding onverwijld moet worden gedaan. Op grond van artikel 6.1 van de Wmo 2015 moeten aanbieders calamiteiten en geweldsincidenten onverwijld melden bij de door het college aangewezen toezichthoudende ambtenaren. Het college heeft de Gemeentelijke Gezondheidsdienst regio Utrecht (GGDrU) aangewezen als toezichthouder calamiteiten en met hen hiervoor een regeling getroffen. Calamiteiten en geweldsincidenten Jeugdhulp dienen onverwijld door aanbieders gemeld te worden bij de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd. En gecertificeerde instellingen dienen calamiteiten en geweldsincidenten bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering te melden bij de Inspectie Veiligheid en Justitie.
Derde lid – Veilig thuis Voor het melden van calamiteiten en geweldsincidenten waarbij signalen zijn van vermoedens van kindermishandeling of huiselijk geweld geldt de verplichte meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. Deze meldingen dienen onverwijld gedaan te worden bij Veilig Thuis. Vierde lid – onderzoek en mogelijke advisering De toezichthoudende instantie ziet toe op een gedegen onderzoek door de aanbieder naar aanleiding van de melding of doet zelf onderzoek hiernaar. Ook adviseert de toezichthoudende instantie als beschreven in het tweede lid het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.
58
Toelichting hoofdstuk 9 Overige bepalingen en slotbepalingen Artikel 9.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers Mantelzorgers komen in aanmerking voor een jaarlijkse blijk van waardering, het betreft hier zowel mantelzorgers die wonen in de gemeente Houten of mantelzorg verlenen in de gemeente Houten. De formulering wordt hiermee breder dan in de vorige verordening. De blijk van waardering kan ook aan mantelzorgers worden toegekend die in een andere gemeente wonen maar mantelzorg verlenen aan een Houtense inwoner. Met deze bepaling wordt invulling gegeven aan artikel 2.1.6 van de Wmo 2015, en is ook van waarde voor jeugdhulp. Het is niet relevant of aan inwoners ook een voorziening op grond van deze Verordening is toegekend. Wel is het belangrijk dat de mantelzorgers zich hebben aangemeld bij het Steunpunt Mantelzorg, zodat de gemeente in kaart heeft wie de mantelzorgers zijn. Artikel 9.2 Hardheidsclausule De hardheidsclausule is een bepaling in de regeling waarmee het college in uitzonderlijke gevallen kan afwijken van de Verordening. De Verordening mag niet leiden tot ‘onbillijkheden van overwegende aard’. Deze juridische term, betekent dat de Verordening niet een onbedoeld gevolg mag hebben voor iemand. Dat de Verordening ongunstig uitpakt voor een inwoner is geen onbedoeld gevolg.
Het college moet immers keuzes maken en deze keuzes vallen niet allemaal even positief uit voor elke inwoner. Hiermee is rekening gehouden bij het nemen van de beslissing. Van een onbedoeld gevolg is sprake wanneer zich een situatie voordoet waarmee bij het opstellen en afwegen van de Verordening geen rekening is gehouden en waarmee iemand in een schrijnende situatie terecht komt. Artikel 9.3 Evaluatie Het college onderzoekt na drie jaar of de verordening voldoende bijdraagt aan het bereiken van de doelen. De gemeenteraad wordt hierover geïnformeerd. Artikel 9.4 Intrekking oude regeling en overgangsregeling Uitgangspunt van de overgangsregeling is dat aanvragen voor voorzieningen waarop nog niet is beslist worden beoordeeld op grond van de nieuwe Verordening. Een al afgegeven beschikking blijft geldig voor de duur van de looptijd van de beschikking. Hierop is de uitzondering dat bij nieuwe feiten of omstandigheden, bijvoorbeeld verbetering van eigen kracht, een beschikking kan worden ingetrokken. Na afloop van een al afgegeven beschikking wordt de hulpvraag beoordeeld aan de hand van de nieuwe Verordening. Voor bezwaarschriften die ten tijde van de oude regelingen zijn ingediend, maar waarop nog niet (onherroepelijk) is beslist, gelden de oude regelingen.
Artikel 9.5 Inwerkingtreding en citeertitel In dit artikel staat de naam van de Verordening en wanneer deze in werking treedt.
59