CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

GEAMMENDEERD Integrale Verordening Jeugdhulp en Wmo_def_cv

Gemeenteraad 12 december 2023, gemeente HoutenBij agendapunt: Actualisatie Integrale Verordening Jeugd en Wmo gemeente Houten26.928 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

3.

Nadere uitwerking van het eerste en tweede lid zijn vastgelegd in de Verordening cliënt- en burgerbetrokkenheid in het sociaal domein gemeente Houten.

Artikel 7.3 Medezeggenschap bij aanbieders van maatschappelijke ondersteuning 1. Aanbieders van maatschappelijke ondersteuning moeten beschikken over een regeling voor de medezeggenschap van cliënten. Deze medezeggenschap heeft betrekking op voorgenomen besluiten van de aanbieder over maatwerkvoorzieningen die voor de cliënten van belang zijn. 2. Het college ziet toe op de naleving van de medezeggenschapsregelingen van aanbieders door periodieke overleggen met de aanbieders en een jaarlijks cliëntervaringsonderzoek.

Hoofdstuk 8 Toezicht en handhaving maatwerkvoorzieningen Het college wil graag dat de toegekende maatwerkvoorziening ook echt wordt ingezet waar deze voor bedoeld is. Daarom kan het college dit onderzoeken. Als de voorziening niet wordt gebruikt zoals bedoeld, kan dat gevolgen hebben voor de inwoner. In dit hoofdstuk wordt beschreven wanneer daar sprake van is en wat deze gevolgen zijn. Artikel 8.1 Nieuwe feiten en omstandigheden, herziening, intrekking en terugvordering maatwerkvoorziening 1. De inwoner die een maatwerkvoorziening ontvangt, geeft tijdig bij het college aan als er sprake is van feiten of omstandigheden die aanleiding kunnen zijn tot een heroverweging ten aanzien van een maatwerkvoorziening. Dit kan uit eigen beweging of op verzoek van het college gedaan worden (artikel 8.1.2 van de Jeugdwet en 2.3.8. van de Wmo 2015). 2. Het college kan (onverminderd artikel 8.1.4 van de Jeugdwet en de artikelen 2.3.5, 2.3.6 en 2.3.10 van de Wmo 2015) een beslissing over een maatwerkvoorziening herzien of intrekken, als het college vaststelt dat: a. de inwoner onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en daardoor mogelijk een andere beslissing is genomen; b. de inwoner de maatwerkvoorziening niet langer nodig heeft; c. de maatwerkvoorziening niet meer toereikend is; d.

de inwoner langer dan 8 weken verblijft in een instelling die valt onder de Wet Langdurige Zorg of de Zorgverzekeringswet; e. de inwoner niet meer voldoet aan de voorwaarden voor de maatwerkvoorziening f. de inwoner de maatwerkvoorziening in natura of het pgb voor een ander doeleinde gebruikt dan waarvoor het bestemd is. g. de inwoner zich niet houdt aan de gestelde voorwaarden zoals opgenomen in de bruikleenovereenkomst. 3. Als het college een beslissing heeft ingetrokken op basis van het tweede lid, onder a, en de inwoner heeft opzettelijk onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt, kan het college van deze inwoner geheel of gedeeltelijk de geldswaarde vorderen van de ten onrechte genoten maatwerkvoorziening in natura of pgb. 4. Een beslissing tot het verstrekken van een pgb, kan ingetrokken worden als dit pgb binnen zes maanden na de startdatum van de toegekende periode niet is ingezet waarvoor het bedoeld was. 22

5.

Als het recht op een in eigendom of in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.

Artikel 8.2 Fraudepreventie en controle 1. Het college streeft ernaar om fraude te voorkomen (preventie). Daarom informeert het college inwoners op een gepaste manier over rechten en plichten en over de gevolgen van misbruik en oneigenlijk gebruik van maatwerkvoorzieningen in pgb en zorg in natura. 2. Om oneigenlijk gebruik van de Jeugdwet en de Wmo 2015 te voorkomen, onderzoekt het college, al dan niet steekproefsgewijs de doel- en rechtmatigheid van de verstrekte maatwerkvoorziening. 3. Als er onderzoek wordt gedaan zoals in het tweede lid, dan verlenen de inwoner en eventuele betrokkenen alle benodigde medewerking en informatie aan het college. 4. Het onderzoek naar oneigenlijk gebruikte of ten onrechte ontvangen maatwerkvoorzieningen wordt gedaan door een toezichthouder. 5. Het college kan de Sociale Verzekeringsbank gemotiveerd verzoeken te beslissen tot een gehele of gedeeltelijke opschorting van betalingen uit het pgb: a. voor ten hoogste dertien weken als er ten aanzien van een inwoner een ernstig vermoeden is ontstaan dat sprake is van één van de volgende situaties: I. de inwoner heeft onjuiste of onvolledige gegevens verstrekt en de verstrekking van de juiste of volledige gegevens zou tot een andere beslissing geleid hebben. II. de inwoner voldoet niet aan de regels voor het pgb, zoals beschreven in hoofdstuk 4 van deze Verordening. III.

de inwoner gebruikt het pgb niet, of voor een ander doel dan waarvoor het bestemd is. b. voor de duur van de opname als sprake is van een omstandigheid als bedoeld in artikel 8.1, tweede lid, onder d. 6. Het college kan nadere regels stellen ten aanzien van de invulling van fraudepreventie. Artikel 8.3 Melding calamiteiten en geweldsincidenten 1. Aanbieders en gecertificeerde instellingen melden calamiteiten en geweldsincidenten die zijn voorgevallen bij het bieden van een maatwerkvoorziening, kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Deze melding wordt gedaan bij de hiervoor aangewezen toezichthoudende instantie. 2. De toezichthoudende instanties, zoals bedoeld in het eerste lid, zijn: a. voor Wmo de Gemeentelijke Gezondheidsdienst regio Utrecht (GGDrU). Het college heeft hierover met de GGDrU afspraken gemaakt; b. voor jeugdhulp de Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd; c. voor kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering de Inspectie Veiligheid en Justitie. 3. Aanvullend op het gestelde in het eerste lid dienen calamiteiten en geweldsincidenten waarbij signalen zijn van vermoede kindermishandeling of huiselijk geweld ook gemeld te worden bij Veilig Thuis op grond van de verplichte meldcode Huiselijk Geweld en Kindermishandeling. 4.

De in het tweede lid genoemde toezichthoudende instanties zien toe op het onderzoek van de melding door de aanbieder, onderzoeken de melding zo nodig zelf en adviseren het college over het voorkomen van verdere calamiteiten en het bestrijden van geweld.

23

Hoofdstuk 9 Overige bepalingen en slotbepalingen In dit hoofdstuk zijn bepalingen opgenomen die niet in één van de andere hoofdstukken passen. Hier staat wat mantelzorgers kunnen verwachten van het college. Ook wordt beschreven welke Verordeningen vervangen worden door deze Verordening en wanneer deze nieuwe regels gaan gelden. Hier is ook opgenomen wat de officiële naam is van deze Verordening en dat het college van deze Verordening kan afwijken als het college vindt dat dit echt nodig is. Artikel 9.1 Jaarlijkse waardering mantelzorgers 1. Het college geeft jaarlijks aan mantelzorgers van cliënten in de gemeente Houten een mantelzorgwaardering. 2. Mantelzorgers kunnen zich voor de mantelzorgwaardering bij het Steunpunt Mantelzorg melden als mantelzorger. 3. Het college bepaalt, na samensprak met het Steunpunt Mantelzorg, bij besluit waaruit de jaarlijkse blijk van waardering voor mantelzorgers bestaat. Artikel 9.2 Hardheidsclausule 1. Het college kan afwijken van een bepaling uit deze verordening als toepassing van die bepaling een onredelijke uitkomst heeft voor de inwoner of voor een ander die direct bij het besluit betrokken is. Artikel 9.3 Evaluatie 1. Drie jaar na de inwerkingtreding van de Verordening wordt de Verordening door het college geëvalueerd. De raad wordt geïnformeerd over de doeltreffendheid en de effecten van de verordening in de praktijk.

Artikel 9.4 Intrekking oude regeling en overgangsregeling 1. De op 17 november 2020 vastgestelde Integrale verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Houten wordt ingetrokken. 2. Een inwoner behoudt recht op een maatwerkvoorziening overeenkomstig de toekenningsvoorwaarden, die eerder verstrekt is op grond van de op 17 november 2020 vastgestelde Integrale verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Houten. Hierbij is de duur van die indicatie leidend. Als daarna een nieuw besluit genomen wordt op basis van deze Verordening, gelden de voorwaarden van deze Verordening, vanaf de startdatum van de nieuwe toekenning. 3. Aanvragen die zijn ingediend op grond van de op 17 november 2020 vastgestelde Integrale verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Houten en waarop nog niet is beslist bij het in werking treden van deze Verordening, worden afgehandeld krachtens deze Verordening. 4. Op bezwaarschriften gericht tegen een besluit op een aanvraag van een maatwerkvoorziening krachtens de op 17 november 2020 vastgestelde Integrale verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Houten, wordt beslist met toepassing van die Verordening. Artikel 9.5 Inwerkingtreding en citeertitel 1. Na vaststelling van de Verordening treedt deze in werking op 1 januari 2024. 2. Deze Verordening wordt aangehaald als: Integrale Verordening Jeugdhulp en Wmo gemeente Houten 2024.

24

Dit is besloten in de openbare vergadering van de raad op 12 december 2023.

De raad van de gemeente Houten, de griffier,

de voorzitter,

C.M.S. Visser

G.P. Isabella

25

Toelichting Toelichting hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Algemeen Als uitwerking van de Jeugdwet en Wmo 2015 zijn door de gemeenteraad van de gemeente Houten de Verordening Jeugd Houten, de Verordening Maatschappelijke ondersteuning Houten en de bijbehorende regelingen vastgesteld. De beide Verordeningen zijn een goede vertaling van de beide wetten, toch is bij de gemeenteraad de wens ontstaan om een geïntegreerde Verordening vast te stellen die beter aansluit bij de uitvoeringspraktijk. Binnen de gemeente Houten wordt het integraal werken als belangrijk instrument gezien, om de inwoners van de meest passende ondersteuning te kunnen voorzien. Vandaar dat er gekozen is voor een Verordening dat de domeinen Jeugd en Wmo met elkaar verbindt. De bedoeling is vanuit het perspectief van klantvriendelijkheid in samenspraak met de inwoner, die een voorziening aanvraagt, op een toegankelijke manier tot overeenstemming te kunnen komen zonder dat de wettelijke vereisten en waarborgen die wetgever in de Jeugdwet en de Wmo 2015 heeft vastgelegd uit het oog worden verloren. De flexibiliteit van de onderhavige Verordening komt tot uiting in de bevoegdheid die de raad aan het college overdraagt om de aanvraagprocedure voor voorzieningen en andere specifieke bepalingen bij nadere regeling te regelen. De wetgever hanteert verschillende exclusieve begrippen in de Jeugdwet en de Wmo 2015.

In de uitvoeringspraktijk wordt juist vaak met dezelfde begrippen voor voorzieningen jeugd en Wmo gewerkt. Daarom is ervoor gekozen om ook zoveel mogelijk eenduidige begrippen te hanteren in de Verordening en tegelijkertijd wordt in de definitiebepaling van de Verordening aan het originele begrippenkader van de wetgever gerefereerd. De wetgever heeft in de Jeugdwet en de Wmo 2015 soortgelijke bepalingen qua inhoud en structuur opgenomen over persoonsgebonden budget, kwaliteitseisen van de dienstverlening, klachtrecht en medezeggenschap. De integraliteit komt verder tot uitdrukking door de opbouw van de Verordening en de geïntegreerde bepalingen die betrekking hebben op zowel jeugdhulp als Wmo, voor zo ver dat gelet op de aard van de bepaling mogelijk is. Daar waar de onderwerpen over jeugdhulp en Wmo verschillen wordt dit nadrukkelijk apart geregeld en wordt dit hieronder voor zover van toepassing nader toegelicht. De regels in deze Verordening vullen de wettelijke regels aan vanuit de Jeugdwet en Wmo 2015 aan. Het zijn regels die de gemeenteraad heeft vastgesteld op hoofdlijnen. Soms zijn er nog extra regels nodig waarin bepaalde zaken worden uitgewerkt. Als daar sprake van is, wordt dat in deze Verordening aangegeven.

De hoofdstuk indeling is als volgt: Hoofdstuk 1 Algemene bepalingen Hoofdstuk 2 Toegang en procedure Hoofdstuk 3 Voorzieningen - algemeen en maatwerk Hoofdstuk 4 Pgb als maatwerkvoorziening Hoofdstuk 5 Financiële tegemoetkomingen Hoofdstuk 6 Kwaliteit Hoofdstuk 7 Klachten en inspraak Hoofdstuk 8 Toezicht en handhaving maatwerkvoorzieningen 26

Hoofdstuk 9 Overige en slotbepalingen Artikel 1.1 Leidende principes Dit artikel is de inhoudelijke link tussen de verordening en het beleidskader de Sociale Koers. In het beleidskader staan de uitgangspunten, de ‘leidende principes’ die de gemeente binnen het sociaal domein belangrijk vindt. Door deze uitgangspunten binnen de verordening te verankeren, legt de gemeente de intentie vast om bij al haar handelen op grond van deze verordening zoveel mogelijk binnen de geest van deze uitganspunten te werken. Artikel 1.2 Begripsbepalingen Onder a - aanvraag Het begrip aanvraag wordt vooral gehanteerd binnen de Jeugdwet, waar binnen de Wmo 2015 van melding wordt gesproken. In hoofdstuk 2 van de Verordening wordt dit in artikel 2.2 nader uitgewerkt. Onder b - algemeen gebruikelijke voorziening Een algemeen gebruikelijke voorziening is een voorziening die niet bij wet, waaronder de Wmo 2015, voorhanden is en in redelijkheid een oplossing kan bieden voor de ondersteuningsbehoefte van de inwoner. Uit jurisprudentie is af te leiden dat het voorzieningen zijn die, gelet op de omstandigheden van de inwoner, aannemelijk is te achten dat deze daarover, ook als hij of zij geen beperkingen had, zou (hebben kunnen) beschikken.

Bij die beoordeling kunnen de volgende criteria een rol spelen: -Is de voorziening gewoon te koop? -Is de prijs van de voorziening vergelijkbaar met soortgelijke producten die algemeen gebruikelijk worden geacht? -Is de voorziening specifiek voor personen met een beperking ontworpen? De gemeente moet steeds onderzoeken of een voorziening ook algemeen gebruikelijk is voor de inwoner. In de jurisprudentie van de CRvB is in 2016 bepaald dat huishoudelijke hulp niet kan worden gezien als algemeen gebruikelijk, nu per geval maatwerk moet geleverd. Onder c - algemene voorziening Enerzijds wordt hiermee bedoeld het in art 1.1.1. Wmo 2015 neergelegde aanbod van diensten en activiteiten dat, zonder voorafgaand onderzoek naar de behoeften, persoonskenmerken en mogelijkheden van de gebruikers, toegankelijk is en dat is gericht op maatschappelijke ondersteuning. De algemene voorziening is rechtstreeks toegankelijk en wordt geen beslissing genomen door het college zoals dat wel het geval is bij een aanvraag voor een maatwerkvoorziening. Het college is vrij in de beleidskeuze welke algemene voorzieningen zij treft. In dat verband is het niet wenselijk dat er een gelimiteerde opsomming wordt gegeven. Anderzijds wordt hiermee bedoeld de overige voorzieningen althans de vrij toegankelijke voorzieningen zoals omschreven in de MvT bij art 2.9 eerste lid van de Jeugdwet.

Onder d - andere voorziening Een andere voorziening is ondersteuning waar op grond van een andere (wettelijke) regeling dan bedoeld in de Wmo 2015 of de Jeugdwet aanspraak op kan worden gemaakt/bestaat. Het college mag een maatwerkvoorziening Wmo 2015/Jeugdhulp weigeren als aanspraak bestaat op een andere voorziening. Volgens de Wmo 2015, omdat een inwoner de ondersteuningsvraag op eigen kracht kan oplossen door gebruik te maken van de andere voorziening. Volgens de Jeugdwet, omdat een andere voorziening voorliggend is. Voorbeelden van andere voorzieningen zijn: Ondersteuning vanuit de Wet langdurige zorg (Wlz), de Zorgverzekeringswet (Zvw), de Participatiewet, het Uitvoeringsinstituut Werknemers Verzekeringen (UWV), onderwijswetgeving of een lokale regeling, zoals Regionale huisvestingsVerordening. 27

Onder e - cliëntondersteuning Doel van cliëntondersteuning is om bij te dragen aan het versterken van de zelfredzaamheid en participatie en het verkrijgen van een zo integraal mogelijke dienstverlening op het gebied van maatschappelijke ondersteuning, preventieve zorg, zorg, jeugdhulp, onderwijs, welzijn, wonen, werk en inkomen. Onder f – college: het college van burgemeester en wethouders. Als het gaat om de uitvoering van taken vanuit Jeugdwet en de Wmo 2015 zijn daarvoor de professionals van het Sociaal Team Houten gemandateerd.. Onder g - eigen bijdrage De eigen bijdrage vanuit de Wmo wordt geïnd door het CAK. Onder h – eigen kracht De inzet van sociale netwerken bij het aanspreken van de eigen kracht is een rode draad in de geschiedenis van de jeugdhulp en bij maatschappelijke ondersteuning. Achterliggende gedachte is dat door de inzet van eigen kracht en het benutten van het sociale netwerk inwoners minder afhankelijk worden van hulp en dat de effecten van hulp duurzamer zijn. Het informele sociale netwerk van een gezin blijft functioneren, waar ondersteuning van professionals ophoudt. Onder i – gecertificeerde instelling Instellingen kunnen alleen een certificaat ontvangen als zij aan bepaalde kwaliteitseisen voldoen die zijn uitgewerkt in een zogenaamd normenkader.

Dit betekent dat de gecertificeerde instelling moet voldoen aan de in de wet omschreven kwaliteitseisen en aan de normen die bij de uitvoering van kinderbeschermingsmaatregelen en de uitvoering van de jeugdreclassering worden gehanteerd, zoals branchecodes, methodes of bepaalde programma’s. Onder j - gesprek De definitie van gesprek tussen de inwoner en door het college gemandateerde professional van het Sociaal Team Houten is nodig omdat dit begrip niet is gedefinieerd in de wet en het gebruik hier afwijkt van het normale spraakgebruik. Het kan in de praktijk ook om meerdere gesprekken gaan. Onder k - huiselijke kring Het begrip huiselijke kring wordt nogal strikt opgevat: het gaat hierbij echt alleen om familie en huisvrienden of een daaraan gelijk te stellen kring. Onder l - hulpvraag De hulpvraag is de behoefte aan maatschappelijke ondersteuning als bedoeld in artikel 2.1.4 lid 1 van de Wmo 2015. Als iemand die behoefte heeft aan maatschappelijke ondersteuning zich tot het college wendt, is het van belang dat allereerst wordt onderzocht wat de hulpvraag van betrokkene is. Wanneer de inwoner zich voor het eerst meldt, is in veel gevallen niet op voorhand duidelijk of en in welke vorm het college in actie moet komen. Een zorgvuldig onderzoek als bedoeld in artikel 2.3.2 lid 4 van de Wmo 2015 is noodzakelijk.

De definitie van een hulpvraag door ouders of jeugdigen valt te herleiden uit artikel 2.3 van Jeugdwet. Jeugdhulp moet gericht zijn op het verminderen, stabiliseren, behandelen en opheffen van of omgaan met de gevolgen van psychische problemen en stoornissen, psychosociale problemen, gedragsproblemen of verstandelijke beperking van de jeugdige, of opvoedingsproblemen van ouders. Jeugdhulp dient gericht te zijn op het bevorderen van deelname aan het maatschappelijk verkeer en van het zelfstandig functioneren van jeugdigen met een beperking, een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem en gericht zijn op het opheffen van een tekort aan zelfredzaamheid bij 28

jeugdigen met een somatische of psychiatrische aandoening of beperking, of een verstandelijke, lichamelijke of zintuigelijke handicap. Onder m - inwoner Omwille van de toegankelijkheid en duidelijkheid van deze Verordening is het begrip inwoner in deze Verordening geïntroduceerd. Een inwoner kan: - een cliënt als bedoeld in Wmo 2015 zijn: De cliënt (inwoner) kan als hij ingezetene is van de gemeente Houten in aanmerking komen voor een maatwerkvoorziening Wmo gericht op zelfredzaamheid en participatie (artikel 1.2.1 Wmo 2015). Om voor een maatwerkvoorziening gericht op beschermd wonen en opvang in aanmerking te komen moet de cliënt in ieder geval ingezetene van Nederland zijn, maar niet persé van de gemeente. Uit de Memorie van Toelichting volgt dat een ingezetene zich, voor een maatwerkvoorziening, moet wenden tot het college van de gemeente waar hij woont. De term 'wonen' is niet verder uitgelegd. Uit de jurisprudentie volgt dat het gaat om de feitelijke verblijfplaats, waarbij een inschrijving in het Brp belangrijk is maar niet doorslaggevend. - of ouders of jeugdige als bedoeld in de Jeugdwet zijn: Het betreft onder meer definities van centrale begrippen als ‘jeugdhulp’, ‘jeugdige’ en ‘ouder’. In de Verordening gebruiken we de begrippen jeugdige en ouder overeenkomstig de Jeugdwet.

Indien mogelijk aangeduid algemeen als ‘jeugdigen en ouders’ en specifiek veelal als ‘de jeugdige of zijn ouders’. Gebruik van ‘of’ impliceert ook de betekenis ‘en’. Met de aanduiding ‘de jeugdige of zijn ouders’ bedoelen we dus: de jeugdige (van bijvoorbeeld 16 jaar of ouder) zelfstandig, de jeugdige met een of beide ouders (in de definitie van artikel 1 van de wet: de gezaghebbend ouder, adoptiefouder, stiefouder of een ander die een jeugdige als behorend tot zijn gezin verzorgt en opvoedt, niet zijnde een pleegouder) (bij een jeugdige tussen de 12 en de 16 jaar), of de ouders namens de jeugdige (bij een jeugdige jonger dan 12 jaar). Onder n – jeugdhulp In de Jeugdwet staan de taken van gemeenten. De gemeenten moeten onder andere: jeugdhulp van goede kwaliteit aanbieden; een beleidsplan voor preventie, ondersteuning, hulp en zorg opstellen; voorzieningen op het gebied van jeugdhulp (jeugdhulpplicht) treffen; jeugdbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering organiseren; maatregelen voor de aanpak van kindermishandeling nemen; de samenwerking met andere sectoren zoals zorg, onderwijs, politie en justitie zoeken; vertrouwenspersonen aanwijzen voor jongeren en (pleeg)ouders die te maken hebben met jeugdhulpverlening. Onder p – verlengde jeugdhulp Verlengde jeugdhulp is hulp aan jeugdigen tussen 18 en 23 jaar.

Bijvoorbeeld als nog hulp nodig is en die hulp niet vanuit een andere wet kan worden geleverd. Of omdat de behandeling nog doorloopt. Vanuit de Jeugdwet gelden hiervoor gelden bepaalde voorwaarden. Wordt hieraan voldaan, dan kan het college besluiten de jeugdhulp toe te kennen aan een ‘jeugdige’ tussen de 18 en 23 jaar. Dit heet verlengde jeugdhulp. Onder q - maatwerkvoorziening In de Wmo 2015 heeft de wetgever de term maatwerkvoorziening gedefinieerd. In de Jeugdwet heeft de wetgever het begrip individuele voorziening geïntroduceerd als jeugdhulpvoorziening die specifiek aan individuele gevallen toegekend kunnen worden, anders dan algemeen vrij toegankelijke voorzieningen.

29

Ook hier is ervoor gekozen om in deze Verordening één begrip te hanteren voor specifieke voorzieningen. Met maatwerkvoorzieningen worden dan ook maatwerkvoorzieningen zoals bedoeld in de Wmo 2015 dan wel individuele voorziening op grond van de Jeugdwet bedoeld. Opgemerkt wordt dat de juridische lading van het begrip maatwerkvoorziening anders is dan die van een individuele voorziening, althans gelet op de bedoeling van de wetgever. Toch is omwille van de eenvoud en duidelijkheid gekozen om ten aanzien van jeugdhulpvoorziening aansluiting te zoeken bij het begrip maatwerkvoorziening. Het motief daarvoor is dat geredeneerd wordt vanuit de beleving van de inwoner. Maatwerkvoorziening in de vorm van Zorg in Natura wordt bedoeld de voorziening die is ingekocht en beschikbaar gesteld door het college. Een andere vorm van maatwerkvoorziening is het Persoonsgebonden budget, zoals beschreven onder w. in dit artikel. Onder r - melding Dit begrip is expliciet opgenomen vanwege het onderscheid dat wordt gemaakt tussen melding binnen de Wmo 2015 enerzijds, en het begrip aanvraag binnen de Jeugdwet. In hoofdstuk 2 van de Verordening wordt dit in artikel 2.2 nader uitgewerkt. Onder s - onderzoek Binnen de Jeugdwet is sprake van een onderzoeksverplichting, in de Wmo 2015 wordt in artikel 2.3.2 een toelichting gegeven op alle wettelijke bepalingen die gelden voor het onderzoek.

Onder t - ouder Hierbij geldt een onderscheid tussen biologisch en juridisch ouderschap. Een juridische ouder heeft niet altijd automatisch het gezag over een kind. Omgekeerd is een persoon die het gezag heeft over het kind niet altijd de juridische ouder. Onder u - persoonlijk plan Het persoonlijk plan omschrijft de ondersteuning die de inwoner nodig heeft om deel te kunnen nemen aan de samenleving en zo zelfstandig mogelijk te zijn. Onder v - plan van aanpak Binnen de Jeugdwet wordt hiermee ook het plan bedoeld betreffende de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering, in deze Verordening wordt een ruimere definitie gehanteerd. Onder w - pgb De definitie van ‘pgb’ is opgenomen omdat de afkorting pgb in het spraakgebruik inmiddels meer is ingeburgerd dan voluit ‘persoonsgebonden budget’. Onder x - sociaal netwerk Onder sociaal netwerk wordt verstaan de huiselijke kring (familielid, huisgenoot, de echtgenoot of voormalig echtgenoot of een mantelzorger) en alle andere personen met wie een sociale relatie wordt onderhouden. Onder y – Wmo 2015 Omwille van de leesbaarheid wordt in de Verordening de term Wmo 2015 gebruikt, daarmee wordt de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 bedoeld.

Onder z - zorgaanbieder Onderscheid kan gemaakt worden in formele/ professionele en informele zorgaanbieders, en in instellingen en solistisch werkenden/ zelfstandig ondernemers. 30

Onder aa - zorg- en budgetplan Dit plan waarvoor een format van de gemeente beschikbaar is, gaat over de inzet van een pgb.

Toelichting hoofdstuk 2 Toegang en procedure Artikel 2.1 Toegang In dit artikel is beschreven hoe de toegang tot jeugdhulp en maatschappelijke ondersteuning is geregeld in Houten. Het college is verantwoordelijk voor de uitvoering van de Jeugdwet en de Wmo 2015. Dat betekent dat de noodzakelijke voorzieningen vanuit de Jeugdwet en de Wmo 2015 beschikbaar en toegankelijk moeten zijn. In de praktijk verzorgt het college niet zelf de uitvoering. Er zijn verschillende deskundige organisaties aangewezen die zorgen voor de toegang tot, en de uitvoering van taken en verantwoordelijkheden vanuit de Jeugdwet en de Wmo 2015. Hierbij kan gedacht worden aan het Sociaal Team Houten. Voor inwoners met een hulpvraag zijn de algemene voorzieningen, zonder besluit door het college, vrij toegankelijk. Voor jeugdhulp geldt dat niet alleen het college een wettelijk verwijzer is. Ook huisartsen, jeugdartsen, medisch specialisten en gecertificeerde instellingen kunnen naar jeugdhulp verwijzen. Zonder aanvraag neemt het college geen besluit. Het gevolg hiervan is dat de hulp die verleend wordt zonder dat het college een besluit heeft kunnen nemen NIET wordt vergoed. Het college zorgt ervoor dat er met deze verwijzers goede samenwerkingsafspraken gemaakt worden.

Verder worden zowel inwoners als aanbieders er op attent gemaakt dat hulp verleend voordat het college daarvoor toestemming, in de vorm van een besluit, heeft gegeven NIET wordt vergoed. Als inwoners toch al starten met hulp, komen de kosten hiervoor voor eigen rekening. Voor de maatschappelijke opvang is een centrumgemeente verantwoordelijk. Voor gemeente Houten is Utrecht de aangewezen centrumgemeente. Artikel 2.2 Melding of aanvraag Eerste lid – hulpvraag door of namens inwoner De melding van een hulpvraag kan door een inwoner gedaan worden, maar ook door de vertegenwoordiger van deze inwoner. Dit is bijvoorbeeld een wettelijk vertegenwoordiger, mantelzorger, familielid of iemand anders uit het sociale netwerk van de inwoner. Er is wel altijd toestemming nodig van de inwoner. De melding is vormvrij. Iemand kan een hulpvraag schriftelijk, digitaal, telefonisch of aan de balie melden. Een aanvraag jeugd moet schriftelijk of digitaal. Voor aanvragen die vallen onder de Wmo 2015 geldt dat de procedure van de Wmo 2015 hiervoor gevolgd wordt. Dat wil zeggen dat een melding van de hulpvraag altijd voorafgaat aan een aanvraag. De Jeugdwet volgt de procedure in de Algemene wet bestuursrecht artikel 1.3, lid 3. Het gevolg hiervan is dat wanneer een vraag over de Jeugdwet bij het college gemeld wordt, dit in sommige gevallen kan worden aangemerkt als een aanvraag.

Volgens de Algemene wet bestuursrecht is een aanvraag ‘het verzoek van een belanghebbende om een besluit te nemen’. Dit betekent dan ook dat de beslistermijn van acht weken gehanteerd wordt vanaf het moment van aanvraag. Uit jurisprudentie volgt dat voor de toegangsprocedure van de Jeugdwet, niet mag worden afgeweken 31

van de algemene wet bestuursrecht en dus ook niet gelijkgetrokken mag worden met de procedure uit de WMO 2015(ECLI:NL:RBROT:2020:2333). Tweede en derde lid - ontvangstbevestiging Nadat een melding is gedaan, bevestigt het college zo snel mogelijk schriftelijk of digitaal dat de melding ontvangen is. De registratie en bevestiging van de melding zijn belangrijk, omdat hiermee de onderzoekstermijn gaat lopen. Zoals beschreven in artikel 2.3.2 eerste lid van de Wmo 2015, mag dit onderzoek zes weken duren. In de ontvangstbevestiging geeft het college ook aan wat de rechten en plichten zijn van de inwoner. Daarnaast wordt gewezen op de mogelijkheid om gebruik te maken van onafhankelijke cliëntondersteuning en de mogelijkheid voor het indienen van een persoonlijk plan of familiegroepsplan. In zo’n plan kan de inwoner alvast aan aantal zaken beschrijven, zoals de hulpvraag, persoonlijke situatie, waarvoor ondersteuning nodig is en wat de inwoner zelf kan oplossen. Artikel 2.3 Onderzoek Eerste lid - gesprek Na de melding start het onderzoek. Het onderzoek mag zes weken beslaan. Om een goed beeld te krijgen van de inwoner, diens situatie en de hulpvraag, is een persoonlijk gesprek in de meeste gevallen wenselijk. Het college zorgt ervoor dat hiervoor een afspraak wordt ingepland, zo snel mogelijk nadat de hulpvraag gemeld is.

Bij dit gesprek kan ook een vertegenwoordiger, mantelzorger, familielid, iemand anders uit het sociaal netwerk of een onafhankelijke cliëntondersteuner aanwezig zijn als de inwoner dat wenst. Soms zijn er meerdere gesprekken nodig om de situatie goed in kaart te brengen. Tweede en derde lid – verzamelen gegevens Vaak is er al veel informatie aanwezig die van belang is voor het onderzoek. Daarom kan het college om deze informatie vragen. Het kan bijvoorbeeld gaan om informatie over de hupverleningsgeschiedenis en eerdere (diagnostische/ persoonlijkheids-) onderzoeken. Dit kan een beeld geven van de ontwikkeling van de situatie in het verleden, welke hulp er al is geweest en wat wel en niet goed heeft gewerkt. Zo kan worden voorkomen dat opnieuw hulp wordt ingezet, die in het verleden niet bleek te werken. De inwoner kan altijd zelf een persoonlijk plan of familiegroepsplan opstellen. Als deze aanwezig is, wordt dit plan dan ook altijd betrokken bij het onderzoek. Vierde lid – afzien van een gesprek In sommige gevallen is een persoonlijk gesprek niet nodig. Dan kan, in samenspraak met de inwoner, worden afgezien van een gesprek. Vijfde lid – identificatie Het college vraagt aan het begin van het gesprek om identificatie van de inwoner. Als een inwoner al vaker een gesprek heeft gehad met dezelfde medewerker, kan de medewerker ervoor kiezen om af te zien van identificatie.

Zesde lid – verrichten van het onderzoek 32

Om een goed beeld te krijgen van de inwoner, diens persoonlijke situatie en de hulpvraag, is een uitgebreid en zorgvuldig onderzoek nodig. De door het college gemandateerde professional voert het onderzoek uit namens het college en volgt hierin een aantal verplichte stappen1. Hierin komt in elk geval aan de orde wat de behoeften, persoonskenmerken en voorkeuren van de inwoner zijn. Daarnaast wordt gevraagd naar het gewenste resultaat van eventuele hulp en de aard en omvang van de gewenste ondersteuning vast gesteld. Vervolgens wordt beoordeeld welke mogelijke oplossingen kunnen worden geboden. Hierbij wordt eerst onderzocht of er oplossingen zijn in de eigen mogelijkheden, hulp uit het sociaal netwerk, hulp van een mantelzorger, algemeen gebruikelijke voorzieningen of algemene voorzieningen, vóór ondersteuning door middel van een maatwerkvoorziening wordt overwogen Als er sprake is van mantelzorg, zal worden bekeken of er behoefte is aan maatregelen ter ondersteuning van de mantelzorger om de zorg (langer) vol te houden, zoals door ontlasten van de mantelzorger, evenwicht in draaglast en draagkracht en respijtzorg. Respijtzorg is de tijdelijke overname van ondersteuning met als doel de mantelzorger een adempauze te geven. Als een maatwerkvoorziening passend lijkt, dan wordt de mogelijkheid tot een pgb besproken.

Ook wordt dan uitgelegd welke rechten, plichten en verantwoordelijkheden er bij een pgb komen kijken. Als een maatwerkvoorziening Wmo passend lijkt, dan wordt aan de inwoner uitleg gegeven over de eigen bijdrage die hiervoor gevraagd kan worden. Zevende lid – onafhankelijk oordeel In sommige gevallen is er extra expertise nodig om een goede inschatting te kunnen maken van de hulpvraag en de mogelijk benodigde hulp. Het college kan er dan voor kiezen om een deskundig advies van derden in te winnen. Dit advies moet altijd onafhankelijk zijn. Daarom wordt een dergelijk advies niet ingewonnen bij de organisatie die mogelijk ook de hulp zal gaan bieden. Achtste lid – nadere regels Het college kan in nadere regelgeving verdere uitwerking geven aan het verrichten van het onderzoek.

Artikel 2.4 Verslag Eerste en tweede lid – inhoud Plan van Aanpak Het onderzoek zoals beschreven in artikel 2.3 mag zes weken beslaan. Soms is er enige tijd nodig voor het opvragen van de nodige informatie door de inwoner. De periode dat het college in afwachting is van deze stukken, telt niet mee in de onderzoekstijd van zes weken. De onderzoekstijd gaat weer lopen zodra de nodig informatie is binnengekomen. Na afronding van het onderzoek ontvangt de inwoner een verslag met de uitkomsten van het onderzoek. Dit verslag wordt het Plan van Aanpak genoemd. In het Plan van Aanpak wordt het onderzoek beschreven en welke vorm van hulp het college passend vindt, op basis van het onderzoek. Als de inwoner opmerkingen of aanvullingen wil doen, worden deze aan het Plan van Aanpak toegevoegd en vastgelegd. Derde lid – mogelijkheid aanvraag maatwerkvoorziening Op het Plan van Aanpak wordt de mogelijkheid aangegeven een aanvraag voor een maatwerkvoorziening te doen. In dat geval wordt de melding omgezet naar een aanvraag. De 1 Deze stappen volgen uit de uitspraak van de CRvB van 1 mei 2017 (ECLI:NL:CRVB:2017:1477).

33

inwoner kan op het Plan van Aanpak aangeven akkoord te gaan met de hulp die door het college wordt voorgesteld. Vierde lid – andere mogelijkheden dan een maatwerkvoorziening In het Plan van Aanpak kan het college aanvullend een advies geven over welke andere voorzieningen, algemene of algemeen gebruikelijke voorzieningen een oplossing kunnen bieden voor de hulpvraag. Soms is dit een advies in plaats van een maatwerkvoorziening vanuit de Jeugdwet of de Wmo 2015. Soms is dit advies aanvullend op een maatwerkvoorziening. Artikel 2.5 Aanvraag maatwerkvoorziening Eerste lid – wat valt onder een aanvraag Als in het Plan van Aanpak een maatwerkvoorziening wordt voorgesteld als passende hulp, kan de inwoner aangeven of hij hiermee wel of niet akkoord gaat. Als de inwoner akkoord gaat met het voorstel, geldt ondertekend Plan van Aanpak als aanvraag voor de betreffende maatwerkvoorziening. Het Plan van Aanpak kan per post of digitaal verstuurd worden aan het college. Tweede lid – aanvraag zonder Plan van Aanpak Een inwoner kan ook, schriftelijk of digitaal, een aanvraag voor een maatwerkvoorziening indienen zonder dat er een Plan van Aanpak is gemaakt. Het college zal echter altijd onderzoek moeten doen naar de situatie. In dat geval zal er dan ook alsnog een onderzoek gestart worden, zoals beschreven in artikel 2.4.

Artikel 2.6 Beschikking maatwerkvoorziening Eerste, tweede en derde lid – besluit en toelichting Binnen tien werkdagen nadat een aanvraag is binnengekomen, zal het college beslissen op de aanvraag. De datum waarop de aanvraag juist en volledig door het Sociaal Team is ontvangen, geldt als aanvraagdatum. Deze tien werkdagen gelden voor een aanvraag die is gedaan door middel van een ondertekend Plan van Aanpak. Als een inwoner een aanvraag doet voordat eerst onderzoek verricht is, geldt een totale beslistermijn van acht weken, zoals volgt uit de Algemene wet bestuursrecht artikel 3.1, derde lid (zie ook de toelichting bij artikel 2.2, eerste lid). De beslissing op de aanvraag wordt vastgelegd in een brief aan de inwoner. Dit wordt ook wel de beschikking genoemd. Als er een maatwerkvoorziening wordt toegekend, worden in de beschikking de kenmerken van de maatwerkvoorziening beschreven. Ook wordt aangegeven hoe een inwoner bezwaar kan maken tegen de beslissing van het college. Vierde lid – aanvullingen beschikking bij pgb Als er een maatwerkvoorziening in pgb wordt toegekend, staan in de beschikking nog een aantal zaken beschreven die alleen maar gelden bij pgb’s. Vijfde lid – eigen bijdrage Een eventuele eigen bijdrage is alleen van toepassing voor maatwerkvoorzieningen op basis van de Wmo 2015.

Artikel 2.7 Spoedeisende gevallen Soms is er sprake van een spoedeisende situatie waarin snel een (maatwerk)voorziening nodig is. Dan kan het college een (maatwerk)voorziening inzetten, voordat het onderzoek naar de situatie is 34

afgerond. Er wordt dan een passende, tijdelijke voorziening ingezet in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. In het geval van jeugdhulp kan het college er zo nodig ook voor kiezen om een machtiging gesloten jeugdhulp aan te vragen, zoals bedoeld in hoofdstuk 6 van de Jeugdwet. In spoedeisende gevallen zoals bedoeld in artikel 2.3.3 van de Wmo 2015 kan het college ervoor kiezen een tijdelijke maatwerkvoorziening in te zetten, in afwachting van de uitkomst van het onderzoek. Deze procedure kan ook gevolgd worden voor spoedeisende gevallen voor jeugdigen, waarin géén sprake is van het aanvragen van een rechterlijke machtiging.

Toelichting hoofdstuk 3 Voorzieningen In Hoofdstuk 3 wordt beschreven welke voorzieningen er beschikbaar zijn vanuit de Jeugdwet en Wmo 2015. Ook worden hier de toekenningscriteria beschreven. Daarmee geeft het college uitvoering aan artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid, onder a van de Wmo 2015. Waaronder dat het streven is om de inwoner op het niveau van participatie en zelfredzaamheid te brengen dat bij zijn situatie past. Daarbij wordt rekening gehouden met de situatie van de inwoner voordat hij getroffen werd door zijn beperkingen alsmede de situatie van personen in vergelijkbare omstandigheden en in dezelfde leeftijdscategorie die geen beperkingen hebben. Artikel 3.1 Voorzieningen Jeugdhulp en Wmo 2015 Eerste en tweede lid – gebieden van algemene en maatwerkvoorzieningen Jeugd en Wmo 2015 Het college is ervoor verantwoordelijk dat er voldoende toegankelijke voorzieningen zijn voor inwoners met een hulpvraag. Dit heeft niet alleen betrekking op maatwerkvoorzieningen van de Jeugdwet en Wmo 2015. Het college is ook verantwoordelijk voor het inrichten van algemene voorzieningen vanuit de Jeugdwet en Wmo 2015. Dit zijn laagdrempelige vrij toegankelijke voorzieningen voor inwoners met een hulpvraag. Vrij toegankelijk betekent onder meer dat er geen officiële verwijzing nodig is.

Ook gaat er geen diepgaand onderzoek en besluit door het college aan vooraf. In het eerste een tweede lid wordt een opsomming gegeven van de gebieden waarvoor algemene én maatwerkvoorzieningen beschikbaar zijn. Op elk van deze gebieden, treft het college de nodige voorzieningen om inwoners met een hulpvraag te ondersteunen. Derde lid – algemene voorzieningen Jeugd en Wmo 2015 In het derde lid wordt opgesomd welke algemene voorzieningen er beschikbaar zijn. Hier is te zien op welke manier vanuit een algemene voorziening invulling wordt gegeven aan de gebieden in het eerste en tweede lid. Derde lid – sub e Begeleiding geboden door de professional van het Sociaal Team Houten: Op basis van de hulpvraag kan blijken dat de begeleiding die geboden wordt door de professional van het Sociaal Team Houten passend is. Er wordt gewerkt conform het uitgangspunt ‘informed consent’. Dit houdt in dat de professional de inwoner informeert over de mogelijkheden in de begeleiding die het Sociaal Team Houten biedt en na toestemming van de inwoner kan deze worden ingezet. Er volgt geen verder diepgaand onderzoek zoals beschreven in artikel 2.3. Maar op basis van een beoordelingstoets. In de volgende alinea is beschreven waar deze toets uit bestaat en zal verder worden uitgewerkt in de beleidsregels.

Indien de inwoner afziet van de begeleiding, kan de inwoner dat duidelijk maken in het gesprek met de professional. Het staat de inwoner dan vrij om alsnog een aanvraag voor jeugdhulp of melding met een Wmo hulpvraag te doen, waarna het college het onderzoek start zoals beschreven in artikel 2.3.

35

Begeleiding kan zijn op meerdere levensgebieden die van invloed zijn op het dagelijks functioneren. Meerdere levensgebieden kunnen zijn sociaal economisch, psychosociaal of situaties waar veiligheid in het geding is. Begeleiding wordt geboden als blijkt dat er sprake is van een voorspelbare hulpvraag, waarbij vanuit de context van de thuissituatie en in samenwerking met het formeel en informeel netwerk binnen kantoortijden begeleiding geboden wordt. De verwachting is dat de inwoner met de begeleiding binnen 1 jaar (met uitzondering van begeleiding op incidentele basis en met laagfrequente op regelmatige basis, zie categorieën van begeleiding) zonder professionele ondersteuning voldoende zelfredzaam is. Mogelijk dat na de begeleiding wel ondersteuning vanuit het netwerk en/of het voorveld nodig is. Langdurige begeleiding of begeleiding bij een hulpvraag met een onvoorspelbaar karakter is voorbehouden aan een zorgaanbieder. De professional van het Sociaal Team Houten kan haar rol met betrekking tot begeleiding op verschillende manieren invullen: Gesprekken individueel of met het gezin (al dan niet m.b.v.

een specifieke methodiek) om de problemen hanteerbaar te maken en/of de situatie te verbeteren, motiveren tot het accepteren van begeleiding of behandeling door een specialistische zorgaanbieder, mogelijk maken van inzet van een vrijwilliger, afspraken maken om veiligheid te waarborgen op korte termijn, een luisterend oor bieden, praktische begeleiding en advies, het ondersteunen van de inwoner in het regie voeren over zijn of haar eigen leven. Categorieën van begeleiding I. (Groeps)Basis begeleiding. Betreft begeleiding op meerdere levensgebieden gericht op het dagelijks functioneren waarbij de verwachting is dat de inwoner binnen 1 jaar voldoende zelfredzaam is zonder professionele ondersteuning (mogelijk wel met ondersteuning vanuit het netwerk en/of voorliggend veld). De Begeleiding behelst gemiddeld 1 gesprek per week voor de maximale duur van 1 jaar. Dit kan individueel, systemisch of groepsgewijs, afhankelijk van de beschikbaarheid, aangeboden worden. Bij aanvang en tussentijds wordt bepaald in welke frequentie de begeleiding geboden wordt. II. Begeleiding op incidentele basis waarbij de basisbegeleiding eerder is afgerond. Er is geen structurele begeleiding nodig, maar de noodzaak van begeleiding wordt ingegeven door een life-event, bijvoorbeeld verlies van dierbaren, baan, verhuizing etc. De begeleiding is nodig om de situatie te stabiliseren.

Betreft begeleiding zonder structureel karakter en er is enkel incidentele begeleiding nodig is, waardoor een maatwerkvoorziening niet passend is. III. Begeleiding met lage frequentie en op regelmatige basis. De inwoner blijft voldoende zelfredzaam wanneer er maandelijks of twee maandelijks een contactmoment met een professional van het Sociaal Team Houten is. Het betreft begeleiding met een structureel karakter, maar vanwege de lage frequentie is een maatwerkvoorziening niet passend. IV. Begeleiding gedurende het onderzoek naar passende ondersteuning. Er is een noodzaak tot het bieden van begeleiding in het kader van het dagelijks welbevinden en/of voorkomen van verergering van de problematiek. Naast de geboden begeleiding wordt met de inwoner onderzocht welke hulp het best passend is. Dit kan zijn het inzetten van hulp vanuit het eigen netwerk, het voorliggend veld, begeleiding door het Sociaal Team, een maatwerkvoorziening of een andere vorm van voorziening. Wat valt niet onder begeleiding vanuit het Sociaal Team Houten en wordt geboden via een maatwerkvoorziening: De duur en intensiteit van hieronder genoemde vormen van hulp zou kunnen passen binnen de (basis) begeleiding, maar vanwege de complexe hupvraag waarvoor ondersteuning nodig is met een hoog specialistische karakter is dit voorbehouden aan een zorgaanbieder.

Voorbeelden zijn: • Intensieve ambulante begeleiding waarbij sprake is van hoog specialistisch zorg • Alle vormen van behandeling die geboden wordt vanuit de Jeugdwet bij jeugdigen of aan het gezin 36

• • •

Vaktherapie, denk aan PMT en speltherapie Behandeling/begeleiding bij dyslexie/dyscalculie Specialistische methodiek/problematiek, denk aan PMTO, MDFT, loverboyproblematiek (Pretty Women werkwijze), selectief mutisme, complexe vormen van NAH en autisme etc.

Voorwaarden voor het bieden van begeleiding door een professional vanuit het Sociaal Team Houten: • De professionals werken vanuit de visie ‘Versterken van het gewone leven’ • De professionals hebben minimaal HBO denk- en werkniveau. De Jeugdprofessionals werken volgens het kwaliteitskader Jeugd . • Er is de mogelijkheid om gebruik te maken van consultatie en advies bij specialistische zorgaanbieders als daar aanleiding toe is, ingegeven vanuit de casuistiek overleggen of besprekingen met de gedragswetenschapper of werkbegeleider/coach, om daar waar nodig te toetsen; • We hanteren de meldcode en hebben aandachtsfunctionarissen Huiselijk Geweld en Kindermishandeling; • Regelmatig worden de effecten van de geboden begeleiding gemonitord. Dit wordt gedaan door o.a. het traject te evalueren met de inwoner, door de tevredenheid te meten via Ervaringswijzer en door kwantitatief de ontwikkelingen te volgen.

Vierde en vijfde lid – maatwerkvoorzieningen Jeugd en Wmo 2015 In het vierde en vijfde lid volgt een opsomming van welke maatwerkvoorzieningen er beschikbaar zijn vanuit de Jeugdwet en Wmo 2015. Voor een maatwerkvoorziening is een verwijzing nodig. De toegang en procedure via het college zijn beschreven in hoofdstuk 2 van deze Verordening. De maatwerkvoorzieningen worden regionaal ingekocht bij verschillende aanbieders. Welk type maatwerkvoorziening nodig is, verschilt per individuele situatie. Daarom doet het college eerst zorgvuldig onderzoek naar de hulpvraag en daarbij passende hulp. Uit dat onderzoek kan ook naar voren komen dat een maatwerkvoorziening noodzakelijk is ter ontlasting van een mantelzorger. Dit noemen we respijtzorg. Artikel 3.2 Algemene toekenningscriteria maatwerkvoorziening In dit artikel wordt beschreven welke criteria er gelden voor het toekennen van een maatwerkvoorziening. Hiermee geeft het college uitvoering aan artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet en artikel 2.1.3, tweede lid onder a van de Wmo 2015. Eerste en tweede lid – melding of aanvraag Het college doet na een melding of aanvraag eerst uitgebreid onderzoek naar de situatie en hulpvraag van de inwoner. Bij een hulpvraag op grond van de Wmo 2015 moet eerst een melding worden gedaan. Bij een hulpvraag op grond van de Jeugdwet is de hulpvraag direct een aanvraag.

Een maatwerkvoorziening wordt pas ingezet als andere mogelijkheden geen passende oplossing kunnen bieden voor de hulpvraag. Daarom wordt in het onderzoek ook altijd aandacht besteed aan andere mogelijke oplossingen. In de volgordelijkheid zoals deze benoemd zijn in artikel 3.2 lid 2 sub a t/m h; het afwegingskader. Dit afwegingskader is van toepassing op alle hulpvragen waarmee een beroep wordt gedaan op het Sociaal Team. In het onderzoek wordt dan ook altijd bekeken wat een inwoner zelf of samen met het sociaal netwerk kan oplossen. Hiermee wordt ook uitvoering gegeven aan de uitgangspunten van de Jeugdwet en de Wmo 2015, namelijk het uitgaan van eigen verantwoordelijkheid van inwoners en hun sociaal netwerk en in het geval van jeugdigen ook de verantwoordelijkheid van hun ouders. Ook kan het college tot de conclusie komen dat er andere hulp 37

passend is, zoals gebruik van een algemeen gebruikelijke of algemene voorziening. Pas als dit allemaal geen oplossing biedt, wordt een maatwerkvoorziening ingezet. Daarbij is het uitgangspunt altijd dat hulp zo licht als mogelijk en zo zwaar als nodig is. Het afwegingskader wordt nader toegelicht in de beleidsregels. Sommige type hulpvragen worden vaak gemeld bij het college, terwijl hiervoor een andere oplossing meer passend is. Deze hulpvraag kan dan bijvoorbeeld beter worden opgelost door eigen kracht of een andere voorziening. Voorbeelden hiervan zijn mediation in echtscheidingssituaties of intelligentieonderzoek, wat onder de Wet Passend Onderwijs kan vallen. Om meer duidelijkheid te geven over de werkwijze bij deze vragen, zijn veelvoorkomende vragen verder uitgewerkt in Beleidsregels. Derde lid – zelfredzaamheid en participatie Het uitgangspunt van sociaal beleid in de gemeente Houten is ‘Iedereen telt mee!”. De gemeente wil ervoor zorgen dat iedereen de kans krijgt om mee te doen. Dat is dan ook het uiteindelijke doel van de ondersteuning; zorgen dat inwoners zoveel mogelijk kunnen meedoen in de samenleving en dat jeugdigen gezond en veilig kunnen opgroeien.

Vierde lid– goedkoopste, adequate en tijdig beschikbare voorziening In sommige gevallen zijn er meerdere maatwerkvoorzieningen mogelijk. Het college mag dan kiezen voor de goedkoopste, adequate en tijdig beschikbare voorziening, zolang deze voorziening passend is bij de hulpvraag. Een voorbeeld hiervan is de driewielfiets met trapaandrijving. Als een driewielfiets zonder trapaandrijving passend is om de hulpvraag op te lossen, zal het college hiervoor kiezen. Ook als de inwoner de voorkeur geeft aan een elektrische driewielfiets. Deze wordt niet vergoed als daartoe geen noodzaak is. Vijfde lid –gecontracteerde aanbieders Het uitgangspunt is dat de ondersteuning die het college inkoopt voldoende dekkend is en een antwoord biedt aan hulpvragen van inwoners uit de gemeente. Daar waar de vraag maatwerk vereist kan een pgb worden overwogen, en wanneer de gevraagde ondersteuning heel specifiek is kan geheel contracteren van de aanbieder een overweging zijn. Zesde lid – bewezen effectiviteit Het college is ervoor verantwoordelijk om hulp of ondersteuning in te zetten, die past bij de hulpvraag en van goede kwaliteit is. De voorkeur wordt gegeven voor de inzet van bewezen effectieve maatwerkvoorzieningen.

Het betreft hier een ‘kan-bepaling’ oftewel het college kan besluiten de niet bewezen voorziening toe te kennen als er een bewezen effectieve voorziening voorhanden is die kan bijdragen aan dezelfde hulpvraag. Bewezen effectief houdt in een voorziening met voldoende causale bewijskracht: de verbetering is toe te schrijven aan de gebruikte interventie. Voorbeelden zijn de effectieve jeugdhulp interventies van het NJI2. In sommige gevallen wenst een inwoner een specifieke voorziening waarvan de effectiviteit niet of nauwelijks is aangetoond, terwijl er een alternatief beschikbaar is waarvan de effectiviteit wel is bewezen. Een voorbeeld hiervan is de inzet van een hulphond met als doel het stimuleren van maatschappelijke deelname. Het kan zijn dat de effectiviteit van de inzet van een hulphond voor dit doel niet wetenschappelijk is aangetoond. Het uitgangspunt 2 Werken aan effectiviteit | Nederlands Jeugdinstituut (nji.nl)

38

moet dan ook niet de voorziening zijn, maar de hulpvraag. Deze hulpvraag is leidend voor het onderzoek en de uitkomst daarvan. Als er bijvoorbeeld sprake is van een psychische beperking, kan een combinatie van GGZ- behandeling (vanuit de zorgverzekeringswet of Jeugdwet) en begeleiding (vanuit de Wmo 2015 of Jeugdwet) passender zijn. Zevende lid – godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond Bij het uitvoeren van de Jeugdwet en Wmo 2015 wordt zoveel mogelijk rekening gehouden met de godsdienstige gezindheid, levensovertuiging en culturele achtergrond van de inwoner, en in het geval van jeugdigen: zijn ouders. Hiermee wordt invulling gegeven aan artikel 2.3, vierde lid, onder b van de Jeugdwet en artikel 2.1.2, vierde lid, onder c van de Wmo 2015. Het idee erachter is dat de hulp en ondersteuning beter aansluit en effectiever kan zijn, als deze past bij de identiteit van de inwoner. Achtste lid – vervanging van een hulpmiddel Het college verstrekt alleen een maatwerkvoorziening, dus ook hulpmiddel, als deze noodzakelijk is voor de inwoner om volwaardig te kunnen deelnemen aan de maatschappij. Daarom wordt hier benoemd dat hulpmiddelen niet vervangen worden, als het huidige hulpmiddel nog volstaat. Vervanging wordt gedaan als het huidige hulpmiddel technisch is afgeschreven. Daarop is een aantal uitzonderingen, beschreven onder a tot en met c.

Artikel 3.3 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening In dit artikel wordt beschreven op welke gronden er besloten kan worden om geen maatwerkvoorziening toe te kennen. Het opnemen van deze weigeringsgronden geeft aan professionals en inwoners duidelijkheid over wanneer er geen maatwerkvoorziening zal worden toegekend. Omdat deze in de Verordening zijn opgenomen, is het voor de inwoner mogelijk om zijn rechtspositie (vooraf) te bepalen. Onder a – voorliggende voorziening Zoals eerder benoemd (in artikel 3.2, eerste en tweede lid hierboven), wordt altijd eerst onderzocht of een voorliggende voorziening ook passend is om de hulpvraag op te lossen. Dat kan een andere voorziening zijn, zoals een voorziening vanuit de Wet langdurige Zorg of Zorgverzekeringswet. Ook kan het bijvoorbeeld gaan om een algemeen gebruikelijke voorziening, zoals kinderopvang of mediation bij echtscheiding. In beleidsregels wordt verder uitgewerkt in welke veel voorkomende gevallen in elk geval nader onderzoek gedaan wordt naar mogelijke voorliggende voorzieningen. Onder b – voorzienbaarheid In de memorie van toelichting is bij artikel 2.3.5, derde lid, van de Wmo 2015 (kamerstukken II, 201314, 33 841, nr 3, p.

148) beschreven dat een maatwerkvoorziening uitdrukkelijk een hekkensluiter is: ‘Alleen wanneer iemand echt niet zelf of met hulp van zijn omgeving in staat is tot zelfredzaamheid of participatie en ook een algemene voorziening geen uitkomst biedt, is er een rol voor het college. Dat is niet het geval wanneer het gaat diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen of andere maatregelen die naar hun aard algemeen gebruikelijk zijn (fiets, schoonmaakmiddelen, wandelstok, eenvoudige rollator). Wanneer iemand beschikt over algemeen gebruikelijke zaken, maar deze in verband met zijn beperking of problemen niet meer afdoende zijn, kan aanleiding bestaan om een voorziening te treffen. Dat is ook niet het geval als de aanvrager zijn hulpvraag redelijkerwijs van te voren had kunnen voorzien en met zijn beslissing had kunnen voorkomen, bijvoorbeeld: indien iemand 39

is aangewezen op een rolstoel en een huis koopt waarin veel dure aanpassingen moeten worden aangebracht, had het in de rede gelegen dat de aanvrager in een al aangepast huis zou zijn gaan wonen. ‘ De Wmo 2015 en de Jeugdwet stellen (in artikel 2.1.3, eerste en tweede lid, aanhef en onder a van de Wmo 2015 en artikel 2.9, onder a van de Jeugdwet) dat er in elk geval bij Verordening moet worden vastgesteld op welke wijze en op basis van welke criteria of voorwaarden wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. Daarom is het van belang ook expliciet weigeringsgronden op te nemen voor afwijzing van een maatwerkvoorziening. Gelet op het citaat hierboven, kan het college een maatwerkvoorziening afwijzen als ‘voorzienbaarheid’ een rol speelt. Onder c – meerkosten Soms maakt een inwoner al langere tijd gebruik van een voorziening, die ook als maatwerkvoorziening te verstrekken is. De inwoner heeft deze voorziening steeds zelf bekostigd. Er was immers geen noodzaak tot een maatwerkvoorziening als gevolg van een beperking. Als er na enige tijd wel een beperking ontstaat bij de inwoner kan de inwoner een maatwerkvoorziening op basis van deze Verordening wensen. Na onderzoek kan in die gevallen de conclusie getrokken worden dat er geen meerkosten zijn ontstaan ten aanzien van de situatie voordat de beperking optrad.

Het college hoeft in dat geval geen maatwerkvoorziening te verstrekken. Als voorbeeld kan gedacht worden aan en inwoner die al langere tijd zelf huishoudelijke hulp betaalt. Na het ontstaan van een beperking doet de inwoner een beroep op een maatwerkvoorziening Wmo 2015 ‘huishouden’ voor dezelfde inzet. Er is in dat geval geen sprake van meerkosten ten opzichte van de situatie voordat de beperking ontstond. Onder d – kosten voorafgaand aan de melding of aanvraag Soms meldt een inwoner zich bij het college terwijl de hulp al is gestart of afgerond. De inwoner vraagt dan om vergoeding van deze hulp, op grond van deze Verordening. In het geval dat hulp al is afgerond op het moment van melding of aanvraag, dan vergoedt het college deze hulp niet met terugwerkende kracht. Het is de eigen verantwoordelijkheid van de inwoner om de hulpvraag tijdig te melden bij het college. Uit jurisprudentie ECLI:NL:RBOBR:2014:3092 kan worden afgeleid dat het college de hulp niet hoeft te vergoeden als er op het moment van aanvraag sprake is van voldoende eigen kracht. Dit ligt iets anders als een inwoners zich meldt bij wie nog sprake is van een actuele hulpvraag. Als de inwoner zelf al hulp heeft ingezet, maar er is nog wel sprake van een hulpvraag, dan zal het college moeten onderzoeken of deze hulp inderdaad passend is.

Dit sluit aan bij jurisprudentie die hierover in de oude Wmo 2007 is verschenen ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6485 Het college zal in ieder geval de noodzakelijke hulp moeten vergoeden vanaf het moment dat de inwoner zich bij het college heeft gemeld. Onder e – veiligheid en risico’s Als een maatwerkvoorziening onveilig is, of risico’s met zich meebrengt voor de inwoner of anderen zal deze niet worden ingezet. Onder risico’s wordt ook de (dreigende) overbelasting verstaan van degene die de hulp aan inwoner biedt. Maatwerkvoorzieningen dienen immers veilig, doeltreffend, en cliëntgericht te zijn. Dit volgt uit artikel 4.1.1, eerste lid uit de Jeugdwet en uit artikel 3.1, tweede lid, onder a van de Wmo 2015. Onder f – anti revaliderend effect 40

Een maatwerkvoorziening heeft uiteindelijk als doel om de zelfredzaamheid van de inwoners zoveel mogelijk te stimuleren, herstellen of ondersteunen. In sommige gevallen draagt hulp hier op de lange termijn niet aan bij. Zowel onder de WVG als de Wmo 2007 oordeelde de CRvB dat een voorziening met een anti-revaliderend karakter niet als doeltreffend kan worden aangemerkt, omdat deze voorziening niet is gericht op het opheffen of verminderen van de beperkingen (zie CRvB 11-05-2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1741, CRvB 23-10-2013, ECLI:NL:CRVB:2013:2254, CRvB 15-01-2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1077 en Vzr. Rechtbank Maastricht 25-07-2008, ECLI:NL:RBMAA:2008:BD9826). Onder g – eerdere maatwerkvoorziening is nog passend Een maatwerkvoorziening wordt pas verstrekt als deze noodzakelijk is voor de zelfredzaamheid van de inwoner. Als er al de nodige hulp aanwezig is die passend is bij de hulpvraag, dan zal er daarnaast of in plaats daarvan, geen nieuwe maatwerkvoorziening worden toegekend. Artikel 3.4 Aanvullende criteria maatwerkvoorziening Wmo 2015 Eerste lid – weigeringsgronden maatwerkvoorziening Wmo wonen Onder a – niet permanente bewoning Hier wordt benadrukt dat een inwoner alleen in aanmerking voor een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ voor een woning die het gehele jaar door bewoond wordt. Ook hier geldt dat het uitgangspunt de hulpvraag is.

Het college zal samen met de inwoner, binnen de hiervoor gestelde kaders, zoeken naar een passende oplossing voor de hulpvraag. Onder b – algemene ruimte Een maatwerkvoorziening op basis van de Wmo 2015 wordt verstrekt als een voorziening die op een individu is gericht. Daarom worden geen maatwerkvoorzieningen verstrekt ten behoeve van een openbare ruimte van bijvoorbeeld wooncomplexen. In de beleidsregels wordt dit nader toegelicht. Onder c – uitrustingsniveau sociale woningbouw Een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ hoeft niet van hetzelfde uitrustingsniveau te zijn als de rest van de woning. Zolang de voorziening toereikend is voor de hulpvraag van de inwoner, zal worden uitgegaan van het niveau van sociale woningbouw. Onder d – algemeen gebruikelijke renovatie Het college zal onderzoeken of er sprake is van een algemeen gebruikelijke renovatie van (een deel van) de woning. Onder e – noodzaak maatwerkvoorziening door verhuizing Het college mag een maatwerkvoorziening Wmo ‘Wonen’ weigeren als de behoefte aan die voorziening het gevolg is van een verhuizing, waarvoor geen noodzaak bestond op grond van beperkingen in de zelfredzaamheid en participatie of een andere belangrijke reden. Inwoners hebben een eigen verantwoordelijkheid om te kiezen voor een woning die passend is bij hun behoeften.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=9b9bfdf2-aa65-4a55-b601-12b91e476531