Bijlagen bij de toelichting
Tekst van het document
TUURDIJK 43 'T GOY bestemmingsplan
T uurdijk 43 't Goy bestemmingsplan
Concept
Adviseur Ruimtelijke Ordening mw. mr. M. (Marissa) ten Hagen Projectleider Bouw dhr. ir. A.H. (Anne) van Rossum
Datum: 07-09-2023
2
Inhoudsopgave Bijlagen bij de toelichting Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3 Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6
Situatietekening op schaal Resultaten berekening Aerius Calculator Quickscan flora en fauna Archeologisch onderzoek Resultaten Digitale Watertoets Verslag omgevingsdialoog
5 6 8 26 53 76 83
3
4
Bijlagen bij de toelichting
5
Bijlage 1
Situatietekening op schaal
6
Situatie - bestaand
Situatie - nieuw
Bluswater/brandputten
Situatie
www.dlvadvies.nl
DLV
Benaming: Gemeente Sectie Nummer Schaal Aanduiding voorgevel
Situatie bestaand-nieuw (1:1000)
Opdrachtgever:
Van den Brink B.V Tuurdijk 43 3997 MS 't Goy
Telefoon: E-mail:
Bouwlocatie:
Projectleider:
Tuurdijk 43 3997 MS 't Goy
Telefoon: E-mail:
Formaat:
A1
ADVIES &RESULTAAT
Datum:
DLV Advies Postbus 511 5400 AM Uden
Telefoon:
Schaal:
1:100
11-08-2023
EJ
Wijzigingen:
0413-336800 info.bmt@dlvadvies.nl Dhr. A. van Rossum 06-53375097 a.vanrossum@dlvadvies.nl
A B
22-08-2023 21-09-2023
Klantnummer:
292112
EJ C 02-10-2023 EJ D Werknummer:
B221095-41
RD
Blad:
B14
Bijlage 2
Resultaten berekening Aerius Calculator
8
Oostwijk 5 5406 XT Uden
Postbus 511 5400 AM Uden
0413 33 68 00 info@dlvadvies.nl
www.dlvadvies.nl
TOELICHTING STIKSTOFDEPOSITIE-BEREKENING AANLEGFASE Van den Brink B.V. Tuurdijk 43 3997 MS ‘t Goy
Dhr. A. van Rossum Projectleider Bouw 06-53375097
Datum 01-05-2023
DLV Bouw, Milieu en Techniek BV - KvK 09090426
INHOUD 1
INLEIDING ........................................................................................................................................ 3
2
WETTELIJK KADER ........................................................................................................................ 4
3
BEPALING STIKSTOFDEPOSITIE AANLEGFASE ....................................................................... 5
4
TOETSING EN CONCLUSIE ........................................................................................................... 7
5
BIJLAGE ........................................................................................................................................... 8
2
1
INLEIDING
Aan de Tuurdijk 43 in ’t Goy loopt het initiatief om de bestaande bebouwing te verlengen ten behoeve van extra koelcellen en een extra ruimte voor verwerking/sortering van producten. De verlenging is 28,3 meter bij 104,1 meter. De bovengenoemde transformatie zal bestaan uit nieuwbouwwerkzaamheden. De totale werkzaamheden zullen ongeveer 4 maanden duren. Om goed in beeld te brengen wat de gevolgen van deze werkzaamheden zijn op het gebied van stikstof is voorliggend onderzoek uitgevoerd. Het onderzoek brengt in beeld wat de emissies in stikstof van de beschreven fases is. Vervolgens wordt aan de hand van deze emissies berekend wat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden is. Tot slot worden de uitkomsten van deze berekeningen getoetst aan de geldende kaders in de natuurwetgeving in landelijk en provinciaal perspectief. De locatie is gelegen aan de Tuurdijk 43 in ‘t Goy. De locatie ligt buiten de bebouwde kom. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is “Rijntakken” op ca 8 kilometer afstand. In dit document wordt in hoofdstuk 2 verder ingegaan op het wettelijke kader omtrent de natuurwetgeving. Daarna worden de stikstofemissies en -deposities in hoofdstuk 3 in beeld gebracht. Er wordt een beeld geschetst van enkel de aanlegfase van het project. Tot slot worden in hoofdstuk 4 de in hoofdstuk 3 beschreven effecten getoetst aan de wettelijke kaders.
3
2
WETTELIJK KADER
Landelijke wetgeving Natuurwetgeving is in Nederland vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Het beperken van de stikstofdepostitie is geregeld in het onderdeel gebiedsbescherming en kent zijn oorsprong vanuit de Europese Habitatrichtlijn. Een teveel aan stikstofdepositie heeft een negatieve werking voor stikstofgevoelige habitats in Natura 2000-gebieden. Is er sprake van een overbelasting op deze habitats, dan is uitbreiding van de stikstofdepositie op deze habitats niet mogelijk. In Nederland is momenteel op veel Natura 2000-gebieden een overbelast habitat aanwezig. Op basis van artikel 2.7, 2e lid van de Wet moet bij elk project beoordeeld worden of de mogelijkheid bestaat dat het project een significant verstorend effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Hiervan kan bijvoorbeeld sprake zijn als er stikstofdepositie plaatsvindt. Hierbij moet ook worden gekeken naar de aanlegfase van het project indien hierbij stikstofemissie plaatsvindt. Is er sprake van stikstofdepositie als gevolg van de aanlegfase, dan kan een vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming nodig zijn. Het uitgangspunt is dat deze vergunning nodig is als de stikstofdepositie op overbelaste habitattypen toeneemt. Die toename dient vervolgens te worden gemitigeerd door middel van bijvoorbeeld extern salderen.
Er is sprake van extern salderen als stikstof van de ene naar de andere locatie wordt overgeheveld. Blijft een project binnen de eigen vigerende stikstofdepositie (intern salderen) dan is geen sprake van een vergunningplicht. Bij het bepalen of er sprake is van een (toename) in stikstofdepositie moet een verschilberekening worden gemaakt. Hierbij mag vergeleken worden ten opzichte van een vigerende natuurtoestemming of, bij het ontbreken hiervan, het bestaand gebruik op de referentiedatum. Dit is het bestaand gebruik dat aanwezig was op de datum dat de betreffende Natura 2000-gebieden zijn aangewezen en dat sindsdien onafgebroken aanwezig was of aanwezig kon zijn, zonder dat hier een natuurtoestemming voor vereist was. Is er sprake van een gelijkblijvende, afnemende of zelfs geen stikstofdepositie, dan is geen natuurvergunning nodig.
4
3
BEPALING STIKSTOFDEPOSITIE AANLEGFASE
Om inzicht te krijgen in de stikstofdepositie van het project is de stikstofemissie in kaart gebracht. Omdat het project nog gerealiseerd moet worden (en hier ook stikstofemitterend materieel voor wordt ingezet) worden de activiteiten van deze aanlegfase hieronder beschreven. Aanlegfase De aanlegfase bestaat uit de nieuwbouw van een ruimte voor koelcellen en verwerking/sortering van producten. Hiervoor zal vooral gebruik gemaakt worden van machines met verbrandingsmotoren. Deze machines stoten stikstof uit. Er is dus een stikstofdepositie te verwachten tijdens de aanlegfase. Om de hoogte van deze stikstofdepositie te bepalen is gekeken naar het gebruik van machines en het gebruik van transportvoertuigen.
Figuur 1: tekening van de beoogde situatie.
Voor de inzet van machines kan de emissie worden bepaald aan de hand van de categorie van de voertuigen. Deze kunnen in het wettelijk verplicht rekenprogramma AERIUS calculator worden ingevuld. De inzet van de machines kan in het programma worden ingevoerd als emissiebron. Omdat de exacte bewegingen van de machines op voorhand niet te voorspellen zijn, is gebruik gemaakt van een oppervlaktebron waarbinnen de machines werken (conform “Instructie gegevensinvoer voor AERIUS Calculator”). De oppervlaktebron beslaat de bouwlocatie. Hierbij is uitgegaan van de aanwezigheid van materiaal binnen of direct rondom de bron. Er kan een keuze gemaakt worden in stageklasse van het voertuig (op basis van de in AERIUS aanwezige opties). De gebruiker dient vervolgens het brandstofverbruik, het aantal draaiuren en (indien van toepassing) AdBlueverbruik in te voeren. AERIUS berekent op basis van deze gegevens de ingestelde emissie.
5
Voor de aanlegfase zijn verschillende bronnen ingevoerd. In de onderstaande tabel is per bouwfase aangegeven welke activiteiten daarvoor zullen plaatsvinden. In de opvolgende kolommen is aangegeven welk materieel wordt ingezet (incl bouwjaar en vermogen), wat de gebruiksduur is van de voertuigen en hoeveel brandstof wordt vebruikt. Is er sprake van een werktuig met SRC, dan zal ook het adblueverbruik worden aangegeven.
Gebruik verbrandingsmotoren tijdens aanlegfase
Activiteit Grondwerk bouwplaats incl inrichten Ontgraven bouwput In depot zetten Egaliseren Aanvullen Stationair draaien Kelder, fundering en vloeren BG vloer Lossen betonmortel Stationair draaien Staalconstructie Skelet plaatsen Gordingen leggen Stationair draaien Gevels Zijgevels plaatsen Topgevels plaatsen Stationair draaien Dak Sandwichtdakplaten monteren Stationair draaien Verhardingen Aanbrengen verharding Stationair draaien Totaal
emissie Verbruik Verbruik Ad stationair totaal Blue (bij (liter) SCR) (NOx g/uur)
(Gebruiks)duur voertuigen & bouwfase (uur)
Verbruik (liter per uur)
100 100 100 100
25,25 22,10 9,82 5,20 18,71
11,64 11,64 11,64 11,64
293,93 257,19 114,31 60,53
2000 2000 2018
200 200
11,78 6,78 5,57
22,69 22,69
267,38 153,84
AdBlue (Mobiele) kraan AdBlue (Mobiele) kraan Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers
2000 2000 2018
100 100
36,37 31,01 20,21
11,64 11,64
AdBlue (Mobiele) kraan AdBlue (Mobiele) kraan Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers
2000 2000 2018
100 100
2,62 13,35 4,79
11,64 11,64
(Mobiele) kraan AdBlue Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers
2000 2018
100
9,70 2,91
11,64
112,88
AdBlue Shovel klein Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers
2000 2018
100
29,42 8,83
11,64
342,47
Bouw jaar
Vermogen (kW)
AdBlue Rupskraan groot Trekker AdBlue Shovel groot AdBlue Shovel groot AdBlue Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers
2000 2000 2000 2000 2018
AdBlue Betonpomp AdBlue AdBlue Betonmixer AdBlue Vrachtauto's > 20 ton GVW en trekkers
Materieel
emissie totaal emissie stationair stationair (kg (NH3 g/uur) NOx)
totaal emissie stationair (kg NH3)
Transport bewegingen naar bouw
AdBlue
6 6 2 4 124,87
0,79
2,3364
0,0148
124,87
0,79
0,6954
0,0044
124,87
0,79
2,5242
0,0160
124,87
0,79
0,5983
0,0038
124,87
0,79
0,3633
0,0023
2 84
423,36 360,97
10 8
30,51 155,39
2 4
2
8 124,87
2.572,75
0,00
0,79
1,1022
0,0070 138
Figuur 2: tabel gebruik verbrandingsmotoren tijdens aanlegfase
Voor de totstandkoming van de bovenstaande tabel is gebruik gemaakt van een reële inschatting van de inzet van materieel door de bouwkundige. De inschatting is gedaan op basis van ervaringen elders bij vergelijkbare bouwfases. Voor de berekening van het brandstofverbruik is uitgegaan van de AUBmethode van TNO die is opgesteld voor toepassing in AERIUS. Daarbij zijn het bouwjaar en vermogen van de werktuigen gebruikt. Tot slot zijn de transportbewegingen voor materiaal en werknemers meegenomen in de AERIUSberekening. Gedurende de gehele aanlegfase zal gemiddeld sprake zijn van twee vrachtwagens tbv aan- en afvoer van materialen en 8 lichte voertuigen tbv woon-werkverkeer van personeel. In AERIUS calculator zijn deze gegevens ingevoerd als lijnbron. De lijnbron strekt totdat het verkeer in het heersende verkeersbeeld is opgegaan in een verdunning tot enkele procenten. Dit is doorgaans bij de dichtstbijzijnde N- of A-weg (in dit geval de N229). Voor de aanlegfase is een berekening uitgevoerd op basis van deze emissiebronnen. De berekening is bijgevoegd aan dit document. Op het nabijgelegen Natura 2000-gebied is een stikstofdepositie berekend van 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van een stikstofdepositie op een ander Natura 2000-gebied.
6
4
TOETSING EN CONCLUSIE
In de vorige hoofdstukken zijn het wettelijk kader van de Wet natuurbescherming en de stikstofsituatie op de projectlocatie los van elkaar beschouwd. In dit hoofdstuk worden deze gegevens gecombineerd om zo conclusies te trekken over het project voor het aspect stikstof. Op basis van de AERIUS berekeningen is er geen sprake van stikstofdepositie in Natura 2000gebieden in de aanlegfase. Dit betekent dat er geen negatieve effecten plaatsvinden op Natura 2000gebieden als gevolg van dit project. Doordat er geen sprake is van stikstofdepositie hoeft ook geen vergunning in het kader van de Wet natuurbescherming te worden aangevraagd. Een toetsing aan de beleidsregels rondom extern salderen is hierdoor eveneens niet aan de orde, omdat de reikwijdte van deze beleidsregel zich beperkt tot aanvragen om een natuurtoestemming. Het bevoegd gezag omtrent de Wet natuurbescherming wordt nadrukkelijk verzocht te verklaren dat voor de beoogde situatie géén vergunningplicht in het kader van de Wet natuurbescherming geldt.
7
5
BIJLAGE
8
Projectberekening Dit document geeft een overzicht van de invoer en rekenresultaten van een Projectberekening met AERIUS Calculator. De berekening is uitgevoerd binnen stikstofgevoelige Natura
-gebieden, op rekenpunten
die overlappen met habitattypen en/of leefgebieden die aangewezen zijn in het kader van de Wet natuurbescherming, gekoppeld aan een aangewezen soort, of nog onbekend maar mogelijk wel relevant, en waar tevens sprake is van een overbelaste of bijna overbelaste situatie voor stikstof.
Overzicht Samenvatting situaties Resultaten Detailgegevens per emissiebron
Deze PDF is een digitaal bestand dat weer in te lezen is in AERIUS. Meer toelichting over deze PDF kunt u vinden in een bijbehorende leeswijzer. Deze leeswijzer en overige documentatie is te raadplegen via: www.aerius.nl/handleidingen-en-leeswijzers
Projectberekening
Contactgegevens Recht spersoon
Van den Brin k B.V.
Inri cht i ngslocat i e
Tuurdijk 43, 3997 MS 't Goy
Activiteit Omschri j vi ng
B
Toeli cht i ng
aan legfase
Berekening AERIUS kenmerk
RYxT
Dat um berekeni ng
28 april 2023, 12:42
Rekencon
Wn b-reken grid
gurat i e
MT
j
Q
₃
Totale emissie
Rekenj aar
Emi ssi e NH
Aanlegfase - Beoogd
2023
0,2 kg /j
89,7 kg /j
Resultaten
Hoogst e bi j drage
Hexagon
Gebi ed
Aanlegfase - Beoogd
-
Gekart eerd oppervlak met t oename (ha)
-
Gekart eerd oppervlak met afname (ha)
-
Groot st e t oename
-
Groot st e afname
-
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
Emi ssi e NO
ₓ
2/9
Projectberekening
Aanlegfase (Beoogd), rekenjaar 2023
Emissiebronnen
3
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
Emi ssi e NH
₃
Emi ssi e NO
ₓ
enwinning | 5,4 g /j
22,1 kg /j
3,2 g /j
12,7 kg /j
5,9 g /j
23,9 kg /j
1,4 g /j
5,7 kg /j
0,0 kg /j
3,4 kg /j
2,6 g /j
10,4 kg /j
14,8 g /j
2,3 kg /j
4,4 g /j
0,7 kg /j
16,0 g /j
2,5 kg /j
Grondwerk bouwplaats incl inrichten
4
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
enwinning | Kelder,
fundering en vloeren
5
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
enwinning |
Staalconstructie
6
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
enwinning | Gevels
7
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
enwinning | Dak
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
enwinning |
8
Verhardingen
9
Anders... | Anders... | Stationaire bronnen Grondwerk bouwplaats incl inrichten
10
Anders... | Anders... | Stationaire bronnen Kelder, fundering en vloeren
11
Anders... | Anders... | Stationaire bronnen Staalconstructie
12
Anders... | Anders... | Stationaire bronnen Gevels
3,8 g /j
0,6 kg /j
13
Anders... | Anders... | Stationaire bronnen Dak
2,3 g /j
0,4 kg /j
14
Anders... | Anders... | Stationaire bronnen Verhardingen
7,0 g /j
1,1 kg /j
0,1 kg /j
3,9 kg /j
Verkeersnetwerk
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
3/9
Projectberekening
Hoogste af- en toename op (bijna) overbelaste stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden.
500 m
Grootste toename (projectberekening) Habitatrichtlijn
Vogelrichtlijn Grootste afname (projectberekening)
Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn
Hoogste totaal (achtergrond + Niet bepaald projectberekening)
De letters bij de bronlabels op de kaart geven bij welke type situaties de bronnen horen: beoogde situatie (B), referentiesituatie (R) en/of salderingssituatie (S).
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
4/9
Projectberekening
Resultaten stikstofgevoelige Natura 2000 gebieden situatie "Aanlegfase" (Beoogd) incl. saldering e/o referentie
Berekend (ha
Hoogst e t ot ale
M et t oename
Groot st e
M et afname (ha
Groot st e
gekart eerd)
deposi t i e (mol
(ha gekart eerd)
t oename (mol
gekart eerd)
afname (mol
N/ha/j r)
Totaal
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
-
N/ha/j r)
-
-
N/ha/j r)
-
-
-
5/9
Projectberekening
Aanlegfase, Rekenjaar 2023
1
Wegverkeer | Weg
Naam
aan en afvoer
Locat i e
X:
Lengt e
Li nks
Recht s
NO
Type scherm
-
-
NO
3.029,05 m
Hoogt e
-
-
NH
Wegt ype
Buiten weg
Afst and t ot de weg
-
-
Ri j ri cht i ng
Beide richtin gen
Tunnelfact or
1
Type hoogt eli ggi ng
Normaal
Weghoogt e
0 m
,
Y:
,
ₓ
3,6 kg /j
₂
1,0 kg /j
₃
0,1 kg /j
Verkeer
M ax. snelhei d
Voert ui gbewegi ngen
In
Licht verkeer
Voorgeschreven factoren
640,0 p/jaar
0,0 %
Middelzwaar vrachtverkeer
Voorgeschreven factoren
0,0 p/jaar
0,0 %
Zwaar vrachtverkeer
Voorgeschreven factoren
320,0 p/jaar
0,0 %
Busverkeer
Voorgeschreven factoren
0,0 p/jaar
0,0 %
2
le
Wegverkeer | Weg
Naam
man oeuvreren bin n en in richtin g
Locat i e
X:
Lengt e
Li nks
Recht s
NO
Type scherm
-
-
NO
152,58 m
Hoogt e
-
-
NH
Wegt ype
Buiten weg
Afst and t ot de weg
-
-
Ri j ri cht i ng
Beide richtin gen
Tunnelfact or
1
Type hoogt eli ggi ng
Normaal
Weghoogt e
0 m
,
Y:
,
ₓ
0,3 kg /j
₂
0,1 kg /j
₃
7,3 g /j
Verkeer
M ax. snelhei d
Voert ui gbewegi ngen
Licht verkeer
Voorgeschreven factoren
640,0 p/jaar
100,0 %
In
le
Middelzwaar vrachtverkeer
Voorgeschreven factoren
0,0 p/jaar
100,0 %
Zwaar vrachtverkeer
Voorgeschreven factoren
320,0 p/jaar
100,0 %
Busverkeer
Voorgeschreven factoren
0,0 p/jaar
3
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
N aam
0,0 %
enwinning
Grondwerk
NO
bouwplaats incl
NH
ₓ ₃
22,1 kg /j 5,4 g /j
inrichten Locatie
Oppervlakte
Naam
X:
,
Y:
,
0,32 ha
S t ageklasse
Brandst of-
Draai uren
verbrui k
rupskraan groot
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW, diesel,
(on tgraven )
SCR: n ee
Trekker (in depot
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW, diesel,
zetten )
SCR: n ee
Shovel (egaliseren )
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW, diesel,
294 l/j
AdBlue
S t of
Emi ssi e
verbrui k
25 u/j
NO
ₓ
8,9 kg /j
NH 257 l/j
22 u/j
NO
₃
ₓ
2,2 g /j 7,8 kg /j
NH 114 l/j
10 u/j
NO
₃
ₓ
SCR: n ee
1,9 g /j 3,5 kg /j
NH
₃
0,0 kg /j
Shovel (aan vullen )
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW, diesel,
61 l/j
5 u/j
NO
ₓ
SCR: n ee
1,9 kg /j
NH
₃
0,0 kg /j
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
6/9
Projectberekening
4
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
N aam
Locatie
Oppervlakte
enwinning
Kelder, fundering en
NO
vloeren
NH
X:
,
Y:
,
ₓ ₃
12,7 kg /j 3,2 g /j
0,32 ha
Naam
S t ageklasse
Brandst of-
Draai uren
verbrui k
beton pomp (BG)
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW, diesel,
267 l/j
AdBlue
S t of
12 u/j
NO
ₓ
SCR: n ee
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW, diesel,
mortel)
SCR: n ee
154 l/j
7 u/j
NO
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
Staalconstructie
NO
Locatie
X:
,
NH
Y:
,
S t ageklasse
₃
ₓ ₃
Brandst of-
Draai uren
verbrui k
(mobiele) kraan (skelet
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW,
plaatsen )
diesel, SCR: n ee
1,2 g /j
23,9 kg /j 5,9 g /j
423 l/j
AdBlue
S t of
(mobiele) kraan
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW,
(gordin gen leggen )
diesel, SCR: n ee
36 u/j
NO
361 l/j
Gevels X:
,
Y:
,
12,9
31 u/j
NO
₃
ₓ
3,2 g /j 11,0 kg /j
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
Locatie
ₓ
kg /j
NH
N aam
Emi ssi e
verbrui k
NH
Oppervlakte
4,7
0,32 ha
Naam
6
ₓ
2,0 g /j
enwinning
N aam
Oppervlakte
₃
kg /j NH
5
8,1 kg /j
NH beton mixer (lossen
Emi ssi e
verbrui k
₃
2,7 g /j
enwinning
NO NH
ₓ ₃
5,7 kg /j 1,4 g /j
0,32 ha
Naam
S t ageklasse
Brandst of-
Draai uren
verbrui k
(mobiele) kraan (zijgevels
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW,
plaatsen )
diesel, SCR: n ee
31 l/j
AdBlue
S t of
Emi ssi e
verbrui k
3 u/j
NO
ₓ
0,9 kg /j
NH
₃
0,0 kg /j
(mobiele) kraan (topgevels
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW,
plaatsen )
diesel, SCR: n ee
155 l/j
13 u/j
NO
4,7 kg /j
NH
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
ₓ ₃
1,2 g /j
7/9
Projectberekening
7
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
N aam
Dak
Locatie
X:
,
Y:
,
Oppervlakte
enwinning
NO NH
ₓ ₃
3,4 kg /j 0,0 kg /j
0,32 ha
Naam
S t ageklasse
Brandst of-
Draai uren
verbrui k
(mobiele) kraan (dakplaten
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW,
mon teren )
diesel, SCR: n ee
113 l/j
AdBlue
S t of
Emi ssi e
verbrui k
10 u/j
NO
ₓ
3,4 kg /j
NH
₃
0,0 kg /j
8
Mobiele werktuigen | Bouw, Industrie en Delfsto
enwinning
N aam
Verhardingen
NO
Locatie
X:
,
NH
Y:
,
Oppervlakte
ₓ ₃
10,4 kg /j 2,6 g /j
0,32 ha
Naam
S t ageklasse
Brandst of-
Draai uren
verbrui k
shovel klein (aan bren gen
Stage-I, <= 2001, 75-560 kW,
verhardin g)
diesel, SCR: n ee
342 l/j
AdBlue
S t of
29 u/j
NO
ₓ
10,4 kg /j
NH
9
Emi ssi e
verbrui k
₃
2,6 g /j
Anders... | Anders...
N aam
0,0 m
NO
Grondwerk
Warmteinhoud
0,000 MW
NH
bouwplaats incl
Spreiding
0 m
Stationaire bronnenUittreedhoogte
ₓ ₃
2,3 kg /j 14,8 g /j
inrichten Locatie
Oppervlakte
X:
,
Y:
,
0,32 ha
Wijze van ventilatie N iet geforceerd Temporele variatie
10
Continue Emissie
Anders... | Anders...
N aam
Locatie
Oppervlakte
Stationaire bronnenUittreedhoogte
0,0 m
NO
Kelder, fundering enWarmteinhoud
0,000 MW
NH
vloeren
0 m
Spreiding
X:
,
Y:
,
ₓ ₃
0,7 kg /j 4,4 g /j
0,32 ha
Wijze van ventilatie N iet geforceerd Temporele variatie
11
Continue Emissie
Anders... | Anders...
N aam
Locatie
Oppervlakte
Stationaire bronnenUittreedhoogte
0,0 m
NO
Staalconstructie
Warmteinhoud
0,000 MW
NH
X:
,
Spreiding
0 m
Y:
,
ₓ ₃
2,5 kg /j 16,0 g /j
0,32 ha
Wijze van ventilatie N iet geforceerd Temporele variatie
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
Continue Emissie
8/9
Projectberekening
12
Anders... | Anders...
N aam
Locatie
Oppervlakte
Stationaire bronnenUittreedhoogte
0,0 m
NO
Gevels
Warmteinhoud
0,000 MW
NH
Spreiding
0 m
X:
,
Y:
,
ₓ ₃
0,6 kg /j 3,8 g /j
0,32 ha
Wijze van ventilatie N iet geforceerd Temporele variatie
13
Continue Emissie
Anders... | Anders...
N aam
0,0 m
NO
Warmteinhoud
0,000 MW
NH
Spreiding
0 m
Stationaire bronnenUittreedhoogte Dak
Locatie
Oppervlakte
X:
,
Y:
,
ₓ ₃
0,4 kg /j 2,3 g /j
0,32 ha
Wijze van ventilatie N iet geforceerd Temporele variatie
14
Continue Emissie
Anders... | Anders...
N aam
Locatie
Oppervlakte
0,0 m
NO
Verhardingen
Warmteinhoud
0,000 MW
NH
X:
,
Spreiding
0 m
Y:
,
Stationaire bronnenUittreedhoogte
ₓ ₃
1,1 kg /j 7,0 g /j
0,32 ha
Wijze van ventilatie N iet geforceerd Temporele variatie
Continue Emissie
Disclaimer Hoewel verstrekte gegevens kunnen dienen ter onderbouwing van een vergunningaanvraag, kunnen er geen rechten aan worden ontleend. De eigenaar van AERIUS aanvaardt geen aansprakelijkheid voor de inhoud van de door de gebruiker aangeboden informatie. Bovenstaande gegevens zijn enkel bruikbaar tot er een nieuwe versie van AERIUS beschikbaar is. AERIUS is een geregistreerd handelsmerk in Europa. Alle rechten die niet expliciet worden verleend, zijn voorbehouden.
Rekenbasis Deze berekening is tot stand gekomen op basis van AERIUS versie
.
_
Database versie
.
_
_
cfb
cfb
Voor meer informatie over de gebruikte methodiek en data zie: https://www.aerius.nl/
RYxT1MT9j5Q8 (28 april 2023)
9/9
Bijlage 3
Quickscan flora en fauna
26
Quickscan Wet natuurbescherming Tuurdijk 43 te ’t Goy Oriënterend onderzoek ecologie in het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon
Status:
Definitief
Project:
2023-0494
Datum:
16 juni 2023
Samensteller:
ing. P. Kalkman
Collegiale toets:
ing. D.F. Knoops
Opdrachtgever:
DLV Advies
Contactpersoon:
M. ten Hagen
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
Inhoud 1 Inleiding
4
1.1
Planlocatie
5
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep
7
2 Methode
9
2.1
Uitvoering onderzoek
9
2.2
Soortenbescherming
9
2.3
Gebiedsbescherming
11
2.4
Houtopstanden
12
2.5
Houdbaarheid en toepassing
12
3 Beoordeling
13
3.1
Soortenbescherming
13
3.2
Gebiedsbescherming
18
3.3
Houtopstanden
20
4 Samenvatting
21
4.1
Soortenbescherming
21
4.2
Gebiedsbescherming
21
4.3
Houtopstanden
21
5 Conclusie
22
5.1
Conclusie
22
5.2
Uitvoerbaarheid
22
5.3
Vervolgstappen
22
5.4
Te treffen maatregelen
22
1 Inleiding Aan de Tuurdijk 43 te ’t Goy is een fruitteeltbedrijf met werkplaatsen, een opslagplaats en percelen met fruitbomen gesitueerd. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande werkplaatsen op de planlocatie in de lengte uit te breiden en een nieuwe opslagplaats te realiseren. Het bestemmingsplan voorziet reeds in de beoogde ruimtelijke ingreep en hoeft derhalve niet te worden gewijzigd. De beoogde ruimtelijke ingreep heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ruimtelijke ingreep geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. DLV Advies begeleidt de ruimtelijke procedure en heeft Blom Ecologie verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde soorten, gebieden en houtopstanden. Vervolgens wordt getoetst of de beoogde ruimtelijke ingreep uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal beleid.
Onderzoeksdoelen • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie en welke negatieve effecten kunnen optreden als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van provinciaal aangewezen beschermde gebieden? • Leidt de beoogde ruimtelijke ingreep tot kap van houtopstanden zoals bedoeld in de Wet natuurbescherming? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming en/of provinciaal aangewezen beschermde gebieden te worden genomen, en zo ja, welke?
Figuur 1.1
De planlocatie is gelegen aan de Tuurdijk 43 te ‘t Goy.
4
1.1
Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Tuurdijk 43 te ‘t Goy (figuur 1.2). Op de planlocatie zijn meerdere werkplaatsen aanwezig. De muren zijn opgebouwd uit bakstenen. Behalve aan de noordzijde, zijn de muren aan elke zijde omhuld met sandwichpanelen. Deze beginnen vanaf maximaal één meter hoogte. Aan de achterzijde, de zijde waar uitgebreid gaat worden, beginnen deze vanaf de grond en is de hele bebouwing omhuld met sandwichpanelen. Aan de zuidzijde van het terrein ligt de opslagplaats. Deze is niet overdekt en is geheel verhard. Aan de zuidwestzijde wordt de opslagplaats omringd door een conifeerhaag. Verder zijn er aan de zuidoostzijde van de planlocatie rijen met perenbomen gesitueerd. Hier wordt een deel van verwijderd. In figuur 1.3 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de planlocatie en de directe omgeving hiervan.
Figuur 1.2 De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Tuurdijk 43 te ‘t Goy. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door agrarische percelen. De planlocatie is gelegen circa 1 km ten oosten van het dorp ’t Goy. Op circa 150 m ten noorden is het dichtstbijzijnde oppervlaktewater gelegen. Circa 6 km ten noorden is de Utrechtse Heuvelrug gelegen. Op circa 600 m ten zuiden is het Amsterdam-Rijnkanaal gesitueerd, op circa 1,9 km ten zuiden is de Lek gelegen en de dichtstbijzijnde snelweg is de A12 op ruim 6 km ten noorden. Dichterbij gelegen is de N229 op circa 2,5 km ten noorden.
5
Figuur 1.3 Op de planlocatie is men voornemens om de werkplaatsen in de lengte uit te breiden op de plek waar de huidige opslagplaats gesitueerd is.
Figuur 1.4 Fotografische indruk van de omgeving van de planlocatie.
6
1.2
Beoogde ruimtelijke ingreep De beoogde ruimtelijke ingreep betreft het uitbreiden van de bestaande werkplaatsen op de huidige opslagplaats en het realiseren van een nieuwe opslagplaats. Hiervoor dient de coniferenhaag, evenals een groot aantal perenbomen gekapt te worden. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • slopen van muren van bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; • kappen van bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; • verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; • egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; • realisatie aanbouw: algemene bouwwerkzaamheden; • revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.
7
Figuur 1.5 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: DLV Advies).
8
2 Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De reikwijdte bestaat uit de Wet natuurbescherming en de provinciale omgevingsverordening.
2.1
Uitvoering onderzoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Op basis van dit veldbezoek wordt een inschatting gemaakt omtrent de mogelijke aanwezigheid van beschermde soorten. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 30 mei 2023 en is uitgevoerd door ing. P. Kalkman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog, 2/8 bewolkt, 15 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). In NDFF wordt normaliter hierbij een straal van 2 km aangehouden rondom de planlocatie. Afhankelijk van het karakter en ligging van de planlocatie kan een afwijkende afstand aangehouden worden. Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
2.2 Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (Wnb art. 3.5) en Andere soorten (Wnb art. 3.10). Hierin worden rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij overtreding van een verbodsbepaling geldt een ontheffingsplicht. Vogelrichtlijn (Wnb art. 3.1) 1. Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. 2. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. 3. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. 4. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. 5. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort. Habitatrichtlijn (Wnb art. 3.5) 1. Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. 3. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. 4. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
9
5. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of
bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Andere soorten (Wnb art. 3.10) 1. Onverminderd artikel 3.5, eerste, vierde en vijfde lid, is het verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Natuurlijk verspreidingsgebied Individuen, populaties en groeiplaatsen die zich buiten het natuurlijk verspreidingsgebied bevinden, vallen buiten het beschermingsregime van soortenbescherming. Het natuurlijk verspreidingsgebied wordt gedefinieerd als het gebied welke een soort op eigen kracht heeft bezet of waarin deze is geherintroduceerd binnen het verspreidingsgebied waar de soort van nature voorkwam. Het beschermingsregime geldt dus niet voor ingezaaide planten of dieren welke zijn losgelaten, ontsnapt of vanuit elders zijn meegelift.
Om te bepalen of een plant of dier voorkomt binnen zijn natuurlijke verspreidingsgebied wordt gebruik gemaakt van de Verspreidingsatlas en naslagwerken. Wel geldt onverminderd de Algemene zorgplicht. Vogelrichtlijn Onder de Vogelrichtlijn zijn alle in gebruik zijnde nesten en broedgevallen van vogels beschermd. Het is van alle vogelsoorten verboden om nesten te beschadigen of te vernielen. Daarnaast gelden onder provinciale aanwijzingen categorieën waarin de nesten en rustplaatsen van specifieke vogelsoorten jaarrond bescherming genieten, dus ook in de periode dat deze niet in gebruik zijn. Rustplaatsen zijn conform de Richtsnoeren van de Europese Commissie gedefinieerd als zijnde essentiële zones voor het bestaan van een dier of groep van dieren wanneer ze niet-actief zijn. Tabel 2.1
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd. Vogelsoorten onder categorie 5: nesten en rustplaatsen jaarrond beschermd, indien er sprake is van ecologisch zwaarwegende redenen.
Vogelsoorten onder categorie 1 t/m 4 Boomvalk Buizerd Gierzwaluw Grote gele kwikstaart
Havik Huismus Kerkuil Oehoe
Ooievaar Ransuil Roek Slechtvalk
Sperwer Steenuil Wespendief Zwarte wouw
Kleine bonte specht Kleine vliegenvanger Koolmees Kortsnavelboomkruiper Oeverzwaluw Pimpelmees Raaf Ruigpootuil Spreeuw
Tapuit Torenvalk Zeearend Zwarte kraai Zwarte mees Zwarte roodstaart Zwarte specht
Vogelsoorten onder categorie 5 Blauwe reiger Boerenzwaluw Bonte vliegenvanger Boomklever Boomkruiper Bosuil Brilduiker Draaihals Eider
Ekster Gekraagde roodstaart Glanskop Grauwe vliegenvanger Groene Specht Grote bonte specht Hop Huiszwaluw IJsvogel
10
Provinciale vrijstelling Van de verboden als bedoeld in Andere soorten Wnb art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van voortplantingsplaatsen of vaste rustplaatsen voor bepaalde soorten. Voor alle soorten in Nederland geldt dat er sprake is van een algemene zorgplicht (Wnb art. 1.11). Hierin wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moeten worden. Het uitgangspunt van de algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen. In de Omgevingsverordening van de Provincie Utrecht is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 2.2
Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Utrecht. Naar verwachting worden op korte termijn de kleine marterachtigen niet meer vrijgesteld.
Vrijgestelde soorten Aardmuis
Gewone bosspitsmuis
Ondergrondse woelmuis
Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis
Haas
Rosse woelmuis
Bruine kikker
Hermelijn
Tweekleurige bosspitsmuis
Bunzing
Huisspitsmuis
Veldmuis
Dwergmuis
Kleine watersalamander
Vos
Dwergspitsmuis
Konijn
Wezel
Egel
Meerkikker
Woelrat
2.3 Gebiedsbescherming In Nederland zijn natuurgebieden aangewezen met een beschermde status. Deze natuurgebieden betreffen hoofdzakelijk Natura 2000-gebieden en provinciaal beschermde gebieden. Natura 2000-gebieden Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist. Met de Voortoets wordt bepaald of de plannen mogelijk negatieve effecten hebben op de doelstellingen van Natura 2000-gebieden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden dient een vergunning voorhanden te zijn. Provinciaal beleid Onderstaande teksten zijn gebaseerd op de meest recente versie van de Omgevingsverordening. Natuurnetwerk Nederland Binnen het Natuurnetwerk Nederland geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het uitgangspunt is dat een bestemmingsplan geen nieuwe activiteiten mogelijk maakt die de wezenlijke kenmerken en waarden, kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het Natuurnetwerk Nederland (NNN) aantasten. Uitzonderingen hierop betreffen ruimtelijke ontwikkelingen met een groot openbaar belang, situaties waarbij er sprake is van het ontstaan van een meerwaarde en situaties waarbij er sprake is van een beperkte uitbreiding van bestaande ruimtelijke ontwikkelingen.
Bij aantasting van het Natuurnetwerk Nederland geldt een compensatieplicht.
11
Groene Contour Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen de Groene Contour bevat geen bestemmingen en regels die verstedelijking toestaan die tot gevolg hebben dat de mogelijkheid om nieuwe natuur te realiseren op gronden gelegen binnen de Groene Contour worden beperkt en deze gronden daarmee niet meer of in mindere mate kunnen bijdragen aan uitbreiding en versterking van het Natuurnetwerk Nederland. Op dit verbod wordt een uitzondering gemaakt wanneer er sprake is van groot openbaar belang en reële alternatieven ontbreken, het verlies aan mogelijkheden zoveel mogelijk wordt beperkt en het overblijvende verlies aan mogelijkheden wordt gecompenseerd door de aanleg van nieuwe natuur. Het verbod geldt niet voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken. De Groene Contour vormt geen belemmering voor de uitbreiding van agrarische bouwblokken, ook al belemmeren deze de mogelijkheden om binnen de Groene Contour nieuwe natuur te ontwikkelen
2.4 Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft (Wnb art.
4.1): a) houtopstanden binnen de door gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand; h) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.
2.5 Houdbaarheid en toepassing De beoogde ruimtelijke ingreep wordt getoetst aan de actuele wetgeving en provinciale verordening. Over het algemeen heeft een quickscan Wet natuurbescherming een houdbaarheid van 3 jaar, mits binnen deze periode de omstandigheden op de planlocatie, de wetgeving en de provinciale verordening niet wezenlijk veranderen.
12
3 Beoordeling 3.1
Soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ruimtelijke ingreep. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt. Planten Binnen een straal van 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde planten niet bekend (NDFF 2013-2023). Ter plaatse van de planlocatie is slechts sprake van inheemse of aangeplante planten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: Engels raaigras, gewone melkdistel, gewone paardenbloem, grote brandnetel, Jacobskruiskruid, klein kruiskruid, kruipende boterbloem, madeliefje, viltige basterdwederik en witte klaver. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de planlocatie zijn meerdere bomenrijen aanwezig, waaronder de conifeerhaag en de rijen perenbomen. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie.
Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek. Hiermee kan worden uitgesloten dat er sprake is van het opzettelijk vernielen van beschermde planten in hun natuurlijke verspreidingsgebied. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: aardmuis, bever, boommarter, bosmuis, bruine rat, bunzing, das, dwergmuis, dwergspitsmuis, egel, gewone bosspitsmuis, haas, huismuis, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, rode eekhoorn, rosse woelmuis, veldmuis, vos en woelrat (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, boommarter, das en rode eekhoorn. De bever komt vooral voor rond grote wateroppervlakten, zoals rivieren, meren en kanalen. Vanuit het water voedt de soort zich met vegetatie die op de oever aanwezig is. De enige bekende waarnemingen binnen 2 km van de planlocatie zijn gedaan rondom het Amsterdam-Rijnkanaal op circa 900 m van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Vanwege het ontbreken van geschikt leefgebied kan worden uitgesloten dat de bever op de planlocatie voorkomt.
De boommarter en de rode eekhoorn zijn beiden soorten die voorkomen in aaneengesloten bosgebieden. Verblijfplaatsen zijn vooral te vinden in boomholtes en nesten. De bomen op de planlocatie zijn jonge perenbomen en jonge coniferen. Hierin zijn geen geschikte holtes en nesten aanwezig om als verblijfplaats te dienen. De fruitbomen zouden kunnen dienen als foerageergebied of migratieroute. De locaties waar de boommarter en rode eekhoorn zijn waargenomen zijn niet door bomen(rijen) of andere mogelijke migratieroutes verbonden met de planlocatie, waardoor het niet aannemelijk is dat de planlocatie een functie heeft als foerageergebied of migratieroute. Er wordt in verhouding maar een klein aantal bomen weggenomen. Op het terrein blijven nog voldoende bomen aanwezig die kunnen dienen als alternatief. Het kan derhalve worden uitgesloten dat er essentieel leefgebied voor de boommarter en de rode eekhoorn wordt aangetast tijdens de ingreep. De das komt voor in verschillende habitats, zoals kleinschalig akkerland en vochtige heiden. Belangrijk is de aanwezigheid van voldoende dekking, weinig verstoring en een bodem waarin gegraven kan worden. Foerageergebied bestaat vooral uit graspercelen. 13
Op de planlocatie zijn geen aanwijzingen voor de aanwezigheid van de das aangetroffen. Gezien het gebruik van het perceel om fruitbomen op te kweken en de aanwezigheid van verharding, kan worden uitgesloten dat er verblijfplaatsen aanwezig zijn op de planlocatie. De planlocatie is deels verhard en deels beplant met rijen perenbomen. De enige mogelijke dekking op de planlocatie wordt gevormd door de perenbomen en de coniferenhaag. Er zijn tijdens het veldbezoek geen sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van de das. Vanwege de geringe aanwezigheid van verblijfplaatsen en dekking en het grote aantal alternatieve percelen in de nabije omgeving die een geschikter habitat vormen, kan worden uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie heeft voor de das. Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Door vorengenoemde is het uitgesloten dat er sprake is van een essentiële functie op de planlocatie voor soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde andere soorten. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten. Dit betreft met name bruine rat, huismuis, huisspitsmuis, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden.
Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art. 3.10). Er is ten aanzien van grondgebonden zoogdieren geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vleermuizen Binnen een straal van 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis en ruige dwergvleermuis (NDFF 2013-2023). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd (Wnb art. 3.5). Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat. Ongeacht de mogelijke aanwezigheid van vleermuisverblijfplaatsen kunnen vleermuizen gebruikmaken van de planlocatie tijdens vliegbewegingen en foerageeractiviteiten. Hier dienen in het kader van de algemene zorgplicht mogelijk maatregelen genomen te worden (zie H5.4).
Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van boomholten, loshangende bastdelen, scheuren, spleten of andere openingen welke kunnen dienen als verblijfplaats. In de bomen op en nabij de planlocatie zijn geen boomholten of andere potentiële verblijfplaatsen aangetroffen. Wegens de leeftijd en het onderhoudsbeeld (commerciële fruitteelt) is het ook niet aannemelijk dat deze aanwezig zouden zijn. De ontwikkeling resulteert derhalve niet in het wegnemen van verblijfplaatsen van boombewonende vleermuizen. De uit te breiden bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen. Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De bebouwing is opgebouwd uit bakstenen omhuld met sandwichpanelen. Op de plek waar uitgebreid gaat worden beginnen de sandwichpanelen vanaf de grond tot aan de top van het gebouw.
Aan de oostzijde van de bebouwing beginnen de sandwichpanelen vanaf circa één meter hoogte tot aan de top. Dit is voor vleermuizen te laag om onder te komen. De sandwichpanelen zijn volledig tegen elkaar aan gelegen waardoor er voor vleermuizen geen geschikte openingen zijn om de bebouwing te betreden. Mochten vleermuizen alsnog ergens een mogelijkheid vinden om de bebouwing binnen te komen, stuitten ze op het isolatiemateriaal in de sandwichpanelen. Hierdoor kunnen ze niet verder de bebouwing in en is er geen mogelijkheid op een verblijfplaats. Derhalve is het voor vleermuizen onmogelijk om in de bebouwing een geschikte verblijfplaats te vinden. Het is uit te sluiten dat de bebouwing op de planlocatie gebruikt wordt door vleermuizen die in bebouwing leven, zoals gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. 14
Hoewel het uitgesloten is dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. Vleermuizen foerageren vaak op plekken waar veel insecten samenkomen, zoals rond bomen of boven water. Voor vliegroutes worden vaak lijnvormige elementen, zoals bomenrijen of watergangen gebruikt. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig, wel zijn er verschillende bomenrijen gesitueerd. Er wordt in verhouding echter maar een klein aantal bomen(rijen) weggenomen. Op het terrein blijven nog voldoende bomen aanwezig die kunnen dienen als alternatief. Derhalve kan er niet gesproken worden van de afname van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute voor vleermuizen. Deze bomen(rijen) dienen in de nieuwe situatie niet verlicht te worden, om verstoring te voorkomen (zie ook H5.4). Amfibieën Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2013-2023). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad.
De heikikker heeft een voorkeur voor heide, hoogveen en halfnatuurlijk grasland. Vaak is het habitat vochtig en zijn er ruigtes aanwezig. De soort mijdt intensief gebruikt agrarisch landschap, infrastructuur en bebouwing. De planlocatie is deels verhard en deels beplant met perenbomen. Vanwege de afwezigheid van geschikt habitat en voortplantingswater en de aanwezige verstoring, kan worden uitgesloten dat de heikikker op de planlocatie voorkomt. De kamsalamander heeft een voorkeur voor bosrijke gebieden met kleinschaligheid en voortplantingswater in de directe omgeving. Voortplantingswater dient stilstaand en visvrij te zijn en een goed ontwikkelde onderwatervegetatie te bevatten. De enige bekende waarnemingen binnen 2 km zijn gedaan in een tuin met onder andere beukenhagen, bomen, struiken en een vijver, op circa 800 m van de planlocatie (NDFF 2013-2023). Op de planlocatie is oppervlaktewater afwezig. De planlocatie is deels verhard en deels beplant met perenbomen. Er is dan ook geen geschikt habitat voor de kamsalamander aanwezig. Vanwege het ontbreken van habitat en het ontbreken van geschikt voortplantingswater kan worden uitgesloten dat de kamsalamander op de planlocatie voorkomt. De poelkikker komt vooral voor in bos, heide en hoogveenterreinen. De soort heeft een voorkeur voor onbeschaduwde wateren met een goed begroeide oever.
Overwintering gebeurt meestal op minder dan 200 m van het voortplantingswater, onder andere in muizenholen en onder stronken. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. De planlocatie is deels verhard en deels beplant met perenbomen. Voor de poelkikker is derhalve geen geschikt voortplantingswater of habitat aanwezig. Het kan daarom worden uitgesloten dat de poelkikker op de planlocatie voorkomt. De rugstreeppad komt voor in leefgebieden met een hoge dynamiek. Belangrijk voor de soort is de aanwezigheid van vergraafbaar zand en ondiepe poeltjes. Verdere habitatvoorkeuren zijn het ontbreken van schaduw en de afwezigheid van hoge vegetatie. De enige bekende waarnemingen van de soort binnen 2 km van de planlocatie zijn aan de zuidzijde van het Amsterdam-Rijnkanaal (NDFF 20132023). Aangezien de soort slecht kan zwemmen, vormt dit kanaal een grote barrière bij het bereiken van de planlocatie. Tevens is er vanwege het ontbreken van ondiepe poeltjes (en oppervlaktewater in het algemeen) en vergraafbaar zand geen geschikt voortplantingswater voor de soort aanwezig. Het kan derhalve worden uitgesloten dat de rugstreeppad op de planlocatie voorkomt. Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën aangetroffen op de planlocatie. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad voorkomen op de planlocatie.
Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen op basis van de vastgestelde provinciale verordeningen. Er is ten aanzien van amfibieën geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming.
15
Reptielen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de ringslang (NDFF 2013-2023). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De ringslang is een watergebonden soort die vooral voorkomt op zandgronden. De soort is erg gevoelig voor verstoring. De bekende waarnemingen binnen 2 km van de planlocatie zijn allen gedaan in, of rondom watergangen (NDFF 2013-2023). Tussen deze waarnemingen en de planlocatie zijn verschillende wegen gelegen die een barrière vormen voor de soort om de planlocatie te bereiken. De planlocatie is deels verhard en deels beplant met perenbomen. Op de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Vanwege de hoge mate van verharding en verstoring, de aanwezige barrières en de afwezigheid van oppervlaktewater, kan worden uitgesloten dat de ringslang op de planlocatie voorkomt. Er is ten aanzien van reptielen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vissen Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid van beschermde vissoorten niet bekend (NDFF 20132023). Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ruimtelijke ingreep bevindt zich geen oppervlaktewater.
Er is ten aanzien van vissen geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende beschermde insecten of ongewervelden: rivierrombout en teunisbloempijlstaart (NDFF 2013-2023). De rivierrombout komt voor rondom grote waterlichamen. Hier heeft de soort een voorkeur voor plekken waar sediment wordt afgezet. Bekende waarnemingen binnen 2 km zijn vooral gedaan rondom de Lek. Op en rondom de planlocatie is geen oppervlaktewater aanwezig. Vanwege het ontbreken van geschikt habitat kan worden uitgesloten dat de planlocatie een essentiële functie heeft voor de rivierrombout. De teunisbloempijlstaart is een nachtvlindersoort die een voorkeur heeft voor open gebieden in bosrijke omgevingen. Waardplanten voor de soort zijn wilgenroosje, teunisbloem, basterdwederik en kattenstaart. Tijdens het veldbezoek is de viltige basterdwederik aangetroffen. Deze soort is echter erg algemeen, waardoor het valt uit te sluiten dat de aanwezigheid van de soort ervoor zorgt dat de planlocatie een essentiële functie heeft voor de teunisbloempijlstaart. Tijdens het veldbezoek zijn geen eitjes, rupsen, vraat, poppen of imago’s aangetroffen, waardoor voortplanting van de soort op de planlocatie niet aannemelijk wordt geacht.
Op de planlocatie zijn gedurende het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of andere ongewervelden aangetroffen. Ook is er geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Er is ten aanzien van insecten en andere ongewervelden geen sprake van overtreding van verbodsbepalingen in het kader van de Wet natuurbescherming. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: houtduif, huismus, kauw, merel, scholekster, winterkoning en witte kwikstaart. Gedurende het veldbezoek zijn individuen van de huismus aangetroffen. Dit is een vogelsoort met een jaarrond beschermde nestlocatie en/of leefgebied. De huismussen zijn echter niet op de planlocatie waargenomen, maar ruim 100 m ten noorden hiervan foeragerend in de aanwezige struiken. Binnen een straal van 100 meter van de planlocatie is vastgestelde aanwezigheid van nestlocaties van jaarrond beschermde vogels niet bekend (NDFF 2013-2023).
16
Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) Huismussen zijn sterk geassocieerd met mensen. De nestplaats is in de regel gebonden aan bebouwing. Voor zijn voedsel is de huismus sterk afhankelijk van wat de mens hem al dan niet bewust biedt. Deze voedselbron moet continu aanwezig zijn. De huismus heeft een sterke binding met mensen en komt tot broeden in of tegen gebouwen in dorpen en steden, in en bij boerderijen, maneges, kinderboerderijen en andere vormen van bebouwing in het landelijk gebied. Op plekken waar menselijke bebouwing wordt afgewisseld met groenvoorzieningen zijn meer huismussen dan op plekken waar geen groen aanwezig is (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2023). De bebouwing op de planlocatie is grotendeels omhuld met sandwichpanelen. Hier zijn voor huismussen geen mogelijkheden om de bebouwing te betreden. Op het dak van de werkplaatsen zijn zonnepanelen aanwezig. Het is bekend dat huismussen nesten maken onder zonnepanelen. Het kan daarom niet worden uitgesloten dat huismussen nesten hebben op de planlocatie. De zonnepanelen blijven echter onaangetast bij de ruimtelijke ingreep, waardoor er geen huismusnesten zullen worden weggenomen. Indien er wordt gewerkt buiten het broedseizoen (zie ook H5.4), worden er geen negatieve effecten verwacht op de huismus. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt tot verwijdering van perenbomen en een coniferenhaag.
Echter blijft er nog veel groen behouden en resulteert de ingreep niet in afname van essentieel leefgebied. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw heeft als oorspronkelijk rotsbewoner de rotsen ingeruild voor bebouwing. De soort broedt daardoor hoofdzakelijk in stedelijk gebied in donkere holtes van ventilatieschachten, spleten in muren en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). Doordat de soort niet direct vanuit zijn nest kan opstijgen, moet hij zich naar beneden kunnen laten vallen. Het nest dient hierdoor een vrije aanvliegroute van minimaal 1 meter breed, en minimaal 3 meter onder de nestopening te bevatten. Hierbij dienen zo min mogelijk belemmerende elementen, zoals bomen, aanwezig te zijn. Voedselvluchten kunnen op vele kilometers (tot wel 1000 km) van het nest plaatsvinden, waardoor het foerageergebied niet nader te definiëren is. De bebouwing op de planlocatie is grotendeels omhuld met sandwichplaten die volledig op elkaar aansluiten, waardoor er voor de gierzwaluw geen geschikte mogelijkheden zijn om de bebouwing te betreden. Tevens is de ligging van de planlocatie in landelijk gebied. Hierdoor kan de aanwezigheid van nestlocaties van de gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden.
De bebouwing is niet toegankelijk voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van in bebouwing en bomen broedende soorten als buizerd, kerkuil, steenuil, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is vanwege de vele alternatieve percelen in de directe omgeving geen sprake van essentieel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er is wat betreft vogels met jaarrond beschermde nesten geen sprake van het vangen of doden van individuen, het wegnemen van rust- of nestplaatsen, of het wegnemen van structuren die essentieel zijn in het functioneren van rust- of nestplaatsen. Vogels - Algemene broedvogels en cat. 5 De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken en bomen vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m eind september.