bijlage b 20220103_toelichting_NL.IMRO.0321.0680ASVSCHALKWIJK-VSBP.pdf
Tekst van het document
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Lagedijk 1 en Lange Uitweg Op de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg betreft het voorgenomen plan de bestemmingswijziging van de bestemming 'Agrarisch' naar 'Wonen' en 'Maatschappelijk'. Deze bestemmingswijziging wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie.
43
Het plangebied is gelegen aan de rand van de kern Schalkwijk. In de omgeving van het plangebied zijn woningen en (agrarische) bedrijven aanwezig. In de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is aangegeven dat lintbebouwing in het buitengebied met een agrarisch karakter aan te merken is als gemengd gebied. Het plangebied wordt derhalve aangemerkt als 'gemengd gebied', waardoor de richtafstanden met één stap kan worden verlaagd, met uitzondering van het aspect gevaar. De navolgende tabel (tabel 1) toont een overzicht van de bedrijvigheid in de omgeving van het plangebied. Activiteit
Adres
Milieucategorie (maximaal toegestaan)
Richtafstand gemengd gebied
Sportpark Blokhoven Dealer Connect Groothandel in voedings- en genotmiddelen Hopman Classic Cars & Ships Agrarisch bedrijf
Kloostergaarde 10 Lange Uitweg 5 Lange Uitweg 11
3.1 2 2
30 m 10 m 10 m
Minimale afstand tot het plangebied 40 m 15 m 50 m
Jonkheer Ramweg 9 Lagedijk 14
2 3.2
10 m 50 m
150 m 200 m
Tabel 1: Overzicht van bedrijvigheid in de omgeving van de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg
Geconcludeerd wordt dat er voldaan wordt aan richtafstanden uit VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling aan de Lagedijk 1. Kanaaldijk Zuid Op de locatie aan de Kanaaldijk Zuid betreft het voorgenomen plan de toevoeging van een agrarisch bouwvlak aan percelen die reeds een agrarische bestemming hebben. In de nabijheid van de Kanaaldijk Zuid liggen geen bedrijven waarvan de hindercontour zich tot over het projectgebied uitstrekt. Alle gevoelige objecten zijn gelegen op een afstand van meer dan 250 m. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het toekomstige agrarische bouwvlak buiten de invloedssferen van omliggende agrarische bedrijven is gelegen. Hiermee vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling aan de Kanaaldijk Zuid. 4.2.5 Geur Op 1 januari 2007 is de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) in werking getreden. Hierin wordt bepaald wat geuroverlast vanwege dierenverblijven van veehouderijen is en in hoeverre sprake mag zijn van geuroverlast bij geurgevoelige objecten als woningen. Vanwege de bouw van een nieuwe woning is dus sprake van het toevoegen van een geurgevoelig object.
Bij het voorbereiden en opstellen van een ruimtelijk plan dienen voor wat betreft geurhinder van veehouderijen tot gevoelige objecten als woningen de volgende vragen te worden beantwoord:
• •
Is ter plaatse een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? Worden omliggende agrarische bedrijven niet onevenredig in hun belangen geschaad?
Op grond van de Wgv dient tussen een emissiepunt van een dierenverblijf waarin vee wordt gehouden en een geurgevoelig object buiten de bebouwde kom een afstand van 50 m te worden aangehouden. De vereiste afstand bij een geurgevoelig object binnen de bebouwde kom bedraagt 100 m. Bij het onderscheid binnen de bebouwde kom/buiten de bebouwde kom gaat het om de ligging van het geurgevoelige object. Of de veehouderij binnen (of buiten) de bebouwde kom ligt, maakt niet uit. Planspecifiek Zowel de planlocatie aan de Kanaaldijk Zuid als de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg ligt niet binnen de geurcontour van een agrarisch bedrijf. Aan de Lagedijk 14 is een agrarisch bedrijf gevestigd op een afstand van ca. 200 m van de locatie aan de Lagedijk 1 en aan de Trip 3 een agrarisch bedrijf gevestigd op ca. 500 m van de locatie aan de Kanaaldijk Zuid.
44
Verder ligt het toekomstige agrarische bouwperceel aan de Kanaaldijk Zuid op voldoende afstand van omliggende geurgevoelige objecten. In het kader van de Wet geurhinder en veehouderij zijn er geen belemmeringen met de voorgenomen ontwikkeling aan de Lagedijk 1, Lange Uitweg en de Kanaaldijk Zuid. 4.2.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.
Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten
45
gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.
Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft.
Planspecifiek De beoogde ontwikkeling aan de Lagedijk 1 voorziet in het toevoegen van (zorg)woningen en betreft daarmee het toevoegen van een kwetsbaar object. De beoogde ontwikkeling aan de Kanaaldijk Zuid voorziet in de realisatie van een agrarisch bedrijf met bedrijfswoning en betreft daarmee het toevoegen van een beperkt kwetsbaar object. Op de risicokaart kan voor beide locaties worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn.
46
De navolgende afbeelding (figuur 10) toont een fragment van de risicokaart uit 2020:
Figuur 10: Uitsnede risicokaart, globale ligging plangebied: rode cirkel (bron: risicokaart.nl)
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Op ca. 25 m afstand van de locatie aan de Kanaaldijk Zuid, grenzend aan de noordzijde, is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. Het kanaal betreft een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Er geldt voor het Amsterdam-Rijnkanaal geen Basisnetafstand en een plaatsgebonden risicocontour 10-6 van 0 m. De afstand van het plangebied tot het Amsterdam-Rijnkanaal is voldoende om veiligheidsrisico’s uit te kunnen sluiten. Bij een incident met toxische stoffen op het Amsterdam-Rijnkanaal kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie aan de Kanaaldijk Zuid kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende. Voor hulpdiensten is de toegang tot het plangebied gegarandeerd middels de toegangsweg aan de Kanaaldijk Zuid. Voorts ligt op ca. 1,2 km meter afstand (oostzijde) een spoorweg, die tevens wordt gebruikt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. De spoorweg ligt dusdanig ver van beide locaties dat deze geen risico vormt voor de mensen die verblijven in het plangebied.
Buisleidingen Beide locaties bevinden zich niet in de buurt van buisleidingen. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Inrichtingen Beide locaties bevinden zich niet binnen een PR 10-6 risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Geconcludeerd wordt dat er geen belemmeringen zijn ten aanzien van de externe veiligheid en het plan in dit kader uitvoerbaar is.
47
4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21ste eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21ste eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
48
4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofdthema's zijn:
• • • • •
waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.
Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Keur en uitvoeringsregels Vanaf 1 mei 2019 is de nieuwe Keur van het Hoogheemraadschap van kracht. In de keur staat wat wel en niet mag op of aan de waterkeringen (dijken en kades) en watergangen. De regels maken het mogelijk dat het waterschap het onderhoud aan watergangen en waterkeringen goed kan uitvoeren. Vergunningplichtige activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Voor andere activiteiten gelden de algemene regels. In de uitvoeringsregels is opgenomen dat bij een toename aan verharding minder dan 500 m² er alleen de algemene zorgplicht geldt. Indien de toename meer bedraagt is extra watercompensatie vereist. In de navolgende paragraaf wordt hierop verder ingegaan. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is.
Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. In het plan wordt het hemelwater volledig afgekoppeld. 4.3.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
Planspecifiek Lagedijk 1 en Lange Uitweg Het voorgenomen plan op de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg heeft tot gevolg dat circa 700 m2 aan bestaande water wordt gedempt. Deze hoeveelheid zal 1 op 1 teruggebracht worden in het plangebied. Daarnaast zal er in totaal een toename zijn van circa 17.450 m2 aan verharding. Van de toename zal minimaal 15% gecompenseerd moeten worden. Het bovenstaande leidt tot een wateropgave
49
van circa 3.300 m2. Deze opgave wordt deels binnen het plangebied en deels buiten het plangebied opgelost. Omdat buiten het plangebied de compensatie plaatsvindt middels het verbreden van sloten en deze sloten over de volledige lengte worden verbreed vindt er een overcompensatie plaats van circa 880 m2 aan water. In reactie op het plan heeft het Hoogheemraadschap aangegeven bij de aanplant van bomen en knotwilgen voldoende ruimte tussen de bomen te houden ten behoeve van het onderhoud van de watergangen. Kanaaldijk Zuid Op 8 mei 2020 is de digitale watertoets uitgevoerd (dossiercode 20200508-14-23238). De uitkomsten hiervan zijn naar het waterschap het toegezonden. Uit de digitale watertoets blijkt dat het waterschap een belang heeft en dat de normale procedure doorlopen dient te worden. Verhard oppervlak Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat een toename in het buitengebied van meer dan 5.000 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water binnen het peilgebied waarin de toename van verharding plaatsvindt. Gezien er in de huidige situatie geen verharding aanwezig is in het plangebied zal als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling het verhard oppervlak in het plangebied toenemen. Op basis van het eerste schetsplan zal er een toename zijn van circa 9.000 m2 aan bebouwing en verharding.
Daarmee zal er op locatie circa 1.350 m2 aan extra water gemaakt moeten worden. De benodige watercompensatie zal plaatsvinden door het verbreden van een bestaande watergang die vanaf de Kanaaldijk Zuid tot aan de Kaaidijk stroomt. Bij het graven van nieuwe sloten heeft het hoogheemraadschap aangegeven zoveel als mogelijk sloten te verbinden en geen doodlopende sloten te graven. Geadviseerd wordt sloten met elkaar te verbinden. Waar mogelijk wordt dit gedaan te bevordering van de waterkwaliteit. Tevens heeft het Hoogheemraadschap aangegeven dat de nieuwe watergangen binnen het plangebied een tertiaire status krijgen. De eigendomssituatie is leidend voor het toekomstig onderhoud van deze watergangen. Hierdoor zijn er meerdere partijen die verantwoordelijk zijn voor het toekomstig onderhoud. In de anterieure overeenkomst zijn hierover afspraken vastgelegd. Waterberging In 2016 heeft de gemeenteraad van Houten het Water- en Rioleringsplan 2016-2019 vastgesteld. Hierin is de zorgplicht voor perceeleigenaren bij de verwerking van regenwater op eigen terrein uitgewerkt. Perceeleigenaren moeten het regenwater op eigen terrein opvangen in een ondergronds infiltratiesysteem met een inhoud van 10 mm per m² ten opzichte van het verhard afvoerend oppervlak. De benodigde waterberging zal plaatsvinden door middel van het toepassen van infiltratiekratten.
Het aantal benodigde kratten is afhankelijk van de inhoud van de kratten. Een andere oplossing kan gevonden worden in het toepassen van granulaat in een cunnet/sleuf of de toepassing van q-bic buizen. In afstemming met de gemeente en het hoogheemraadschap zal nader bepaald worden op welke wijze het benodigd bergend vermogen in het plangebied wordt opgelost. Naast de eisen van het Hoogheemraadschap vereist de gemeente dat 15 mm vastgehouden wordt en wordt geïnfiltreerd middels infiltratievoorzieningen. Het surplus (45-15=30 mm) moet via het graven van extra m2 oppervlaktewater opgelost worden. Het plan voorziet hierin. Waterafvoer Het afvalwater wordt aangeboden op het gemeentelijk riool en het hemelwater zal afgevoerd worden op het extra gegraven wateroppervlak. Er zal geen gebruikgemaakt worden van uitlogende bouwmaterialen. Geconcludeerd wordt dat het aspect water geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling. Voor allen benodigde ingrepen op beide locaties is een watervergunning vereist.
50
4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling is door Blom Ecologie een ecologisch onderzoek uitgevoerd (Blom Ecologie, 21 februari 2020, zie bijlage 5 van bijlagen bij toelichting). Soortenbescherming De planlocatie heeft, behoudens mogelijk vleermuizen en steenuilen op de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg, geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. Er dient derhalve aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden op de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg, naar de volgende soorten of soortgroepen: vleermuizen en steenuilen. Verder is de planlocatie mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. In het kader van de verdere planuitwerking op de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg zal het aanvullend vleermuis onderzoek worden uitgevoerd. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Door de ecoloog is geadviseerd om een AERIUS berekening uit te voeren.
Voor de verplaatsing van het agrarisch bedrijf heeft deze berekening al plaatsgevonden en is op basis van deze berekening een Wnb-vergunning afgegeven. Nadien is de bedrijfsopzet gewijzigd en zijn de diersoorten en dieraantallen veranderd. Door Van Schaik Agrarisch advies is hiervoor een wijziging op de Wnb-vergunning aangevraagd. In dat kader is ook de uitstoot van NOx in NH3 opnieuw berekend (herberekening stikstof Van Schaik Agrarisch Advies 23 juni 2021). Uit deze berekening blijkt dat er geen negatieve effecten optreden bij nabijgelegen Natura 2000 gebieden. Voor dit aspect van het bestemmingsplan is het plan dan ook uitvoerbaar. Voor de realisatie van de Droom van Schalkwijk en de bouw van de 13 grondgebonden woningen en de 12 appartementen is eveneens een AERIUS berekening uitgevoerd naar de bouw- en gebruiksfase. Uit de berekening is gebleken dat er geen berekenbaar effect optreedt als gevolg van dit plandeel op omliggende Natura 2000 gebieden. Een uitgebreide Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming.
51
Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen, steenuilen op de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg en de AERIUS-berekening) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing en te kappen wilgen een relevante functie hebben voor vleermuizen en/of steenuilen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkeling (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Nader onderzoek Op basis van de bevindingen vanuit de quickscan flora en fauna is nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen, de kerkuil en de steenuil op de locatie Lage Dijk 1 te Schalkwijk.
Dit onderzoek is uitgevoerd voor Blom Ecologie en als bijlage opgenomen bij de bestemmingsplan. Uit het onderzoek blijkt dat op locatie er geen rustplaats is van de Steenuil. Ten westen van de planlocatie is mogelijk wel een territorium van de steenuil aanwezig. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot afname van het essentieel functioneel leefgebied of andere negatieve (verstorende effecten). De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming. Tijdens het onderzoek zijn geen nest- of rustplaatsen van de kerkuil vastgesteld. Tevens is er geen sprake van functioneel leefgebied van de soort. De beoogde ontwikkeling zal niet leiden tot afname van het essentieel functioneel leefgebied of andere negatieve (verstorende) effecten. Tijdens het onderzoek is één verblijfplaats van de gewone grootoorvleermuis vastgesteld. Tijdens het onderzoek is vastgesteld dat de kapschuur op de planlocatie een functie heeft voor de gewone grootoorvleermuis als zomerverblijfplaats. Tevens maakt de planlocatie (in beperkte mate) onderdeel uit van het functioneel habitat. Dit betreft echter geen essentiële vliegroute of foerageergebied. Als gevolg van de beoogde werkzaamheden gaat de zomerverblijfplaats op de planlocatie verloren. Hiervoor al een ontheffing aangevraagd worden in het kader van de Wet natuurbescherming.
Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de beoogde ontwikkelingen aan de Lagedijk 1, Lange Uitweg en de Kanaaldijk Zuid te Schalkwijk uitvoerbaar zijn zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).
4.5 Archeologie en cultuurhistorie 4.5.1 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'.
52
Planspecifiek Kanaaldijk Zuid Voor de Kanaaldijk Zuid geldt een lage of geen archeologische verwachtingswaarde. In het geldende bestemmingsplan is voor de planlocatie ook geen archeologische verwachtingswaarde opgenomen en er gelden ook geen specifieke onderzoekseisen met betrekking tot het aspect ‘archeologie’. Het uitvoeren van een archeologisch onderzoek is voor de gewenste planlocatie niet noodzakelijk. Lagedijk 1 en Lange Uitweg Op de locatie aan Lagedijk 1 geldt de dubbelbestemming 'Waarde - Archeologie 1'. Voor gronden met de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 1’ geldt een onderzoeksplicht voor werkzaamheden dieper dan 50 cm en groter dan 100 m². Deze oppervlaktes en dieptes worden met onderhavig initiatief overschreden, waardoor voor deze gronden een archeologisch onderzoek noodzakelijk is. In dit geval is door Transect een bureauonderzoek en inventariserend veldonderzoek uitgevoerd, zie bijlage 7 van bijlagen bij toelichting. Hierna wordt op de belangrijkste resultaten ingegaan. Op basis van het bureauonderzoek geldt in het plangebied een hoge verwachting voor de periode Bronstijd – Nieuwe tijd. De hoge verwachting voor de periode Bronstijd – Nieuwe tijd is gebaseerd op de vermoedelijke ligging van het plangebied op een crevasserug van de Houten stroomrug. Deze heeft mogelijk een gunstige locatie voor bewoning gevormd vanaf de vorming ervan.
De hoge verwachting voor de periode Late Middeleeuwen – Nieuwe tijd is specifiek gebaseerd op de ligging van het plangebied op een woonterp. Op basis van historisch kaartmateriaal worden er geen bebouwingsresten in het plangebied verwacht vanaf de negentiende eeuw. Het veldonderzoek heeft de verwachting uit het bureauonderzoek bevestigd. In het zuiden van het plangebied zijn crevasseafzettingen van de Houten stroomrug waargenomen. De top van de afzettingen is stevig en is mogelijk bewoonaar geweest. In het noorden van het plangebied zijn ophooglagen waargenomen met archeologische indicatoren. Deze duiden zeer waarschijnlijk op de aanwezigheid van een terp in het plangebied. Onder de antropogene ophooglagen zijn komafzettingen waargenomen die geen archeologisch relevant niveau vormen, vanwege de relatief natte omstandigheden waarin deze worden afgezet. Op basis van het veldonderzoek is aan het plangebied een hoge archeologische verwachting toegekend. De aanwezige archeologische waarden zullen bij het voorgenomen plan bedreigd worden. Er wordt geadviseerd om een karterend en waarderend vervolgonderzoek uit te voeren. Dit kan het beste plaatsvinden in de vorm van een proefsleuvenonderzoek (IVO-P). Voor gravend onderzoek is een Programma van Eisen (PvE) noodzakelijk, dat door de bevoegde overheid is beoordeeld en goedgekeurd. Bovenstaande vormt een advies.
Op grond van de resultaten van het rapport en het advies zal de bevoegde overheid (de gemeente Houten) een selectiebesluit nemen over de daadwerkelijke omgang met eventueel aanwezige archeologische waarden binnen het plangebied. In het kader van het uitwerkingsplan voor de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg zal het vervolg onderzoek worden uitgevoerd. 4.5.2 Cultuurhistorie Goede ruimtelijke ordening betekent dat er een integrale afweging plaatsvindt van alle belangen die effect hebben op de kwaliteit van de ruimte. Een van die belangen is de cultuurhistorie. Ruimtelijke plannen zijn een belangrijk instrument om cultuurhistorische waarden in een gebied te beschermen. Per 1 januari 2012 is in het kader van de modernisering van de monumentenzorg (MOMO) in het Besluit ruimtelijke ordening van het Rijk opgenomen dat gemeenten bij het maken van ruimtelijke plannen rekening moeten houden met cultuurhistorische waarden.
53
Planspecifiek Het plangebied bestaat uit een tweetal locaties. De locatie aan de Lagedijk 1 is gelegen in de kern van Schalkwijk. In Schalkwijk is sprake van een relatief hoge dichtheid van rijks- en gemeentelijke monumenten. Binnen het plangebied of in de directe omgeving zijn geen monumenten aanwezig. De locatie aan de Kanaaldijk Zuid is gelegen buiten de bebouwde kom van Schalkwijk. Binnen het bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk' vallen beide locaties onder de voor ‘Waarde – Landschap 1’ en ‘Waarde – Landschap 3’ aangewezen gronden. Bij de herontwikkeling van het terrein wordt daarom rekening gehouden met verschillende cultuurhistorische, landschappelijke elementen zoals de oorspronkelijke cope-verkaveling, het open karakter van het veenweidelandschap en de herkenbaarheid van de (voormalige) agrarische ensembles in het landschap. De beoogde inrichting van het toekomstige woonerf houdt rekening met de cultuurhistorische en landschappelijke waarden in en rondom het plangebied (zie ook toelichting paragraaf 2.2). Nieuwe Hollandse Waterlinie Beide planlocaties zijn gelegen binnen het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. De Nieuwe Hollandse Waterlinie is inmiddels opgenomen op de Werelderfgoedlijst. Op 22 december 2011 heeft de gemeenteraad van Houten de structuurvisie voor het Eiland van Schalkwijk vastgesteld.
De structuurvisie richt zich op duurzame gebiedsontwikkeling met behoud en ontwikkeling van het landelijke karakter en de openheid van het gebied. Los van de status van het gebied is er beleidsmatig ingezet op het versterken van het agrarische karakter van het gebied. Daarmee wordt, in zekere zin automatisch, ook het karakter van het 'militair landschap' als inundatiegebied verder versterkt. Het grotere doel van dit experiment is om landbouw opnieuw drager te laten zijn van het landschap. Tevens betekent een versterking van het agrarische karakter van het gebied dat daarmee de kernkwaliteiten van het Werelderfgoedgebied, namelijk het open en groene karakter, ook behouden kunnen blijven. Het plangebied bevindt zich in het van oorsprong open inundatiegebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie. In de omgeving van het beoogde gebied bevinden zich ‘Werk aan de Waalse Wetering’ en ‘Fort Werk aan de Korte Uitweg’. Daarnaast bevinden zich andere elementen gerelateerd aan de NHW, zoals het Inundatiekanaal, zich in de omgeving van het plangebied. Het plangebied bevindt zich binnen inundatiekom 5. Specifieker gaat het hier om inundatiepolder N5.12.52. Het water voor dit inundatievlak wordt aangevoerd door station 12 Honswijk. In het plangebied bevinden zich geen attributen van het watermanagementsysteem, zoals bijvoorbeeld een sluis of kering.
Het realiseren van de boerderij aan de Kanaaldijk en van de Droom aan de Lange uitweg (beide gelegen in het werelderfgoed) kunnen gezien worden als een kleine aantasting van het werelferfgoed waarmee een groter geheel van het erfgoed beschermd kan worden. Daarnaast draagt de beleefboerderij ook bij aan de beleving van de NHW door het inundatiegebied spelenderwijs beleefbaar te maken. De nieuwe erven met hun bebouwing landen weliswaar binnen de zone van het werelderfgoed en leiden plaatselijk tot een inbreuk op de openheid, maar die inbreuk is beperkt door plaatsing op een logische plek aan de rand van het gebied (KanaaldijkZuid) en in aansluiting op bestaande bebouwing (Lagedijk). Belangrijker is, dat zo de kernkwaliteiten (openheid van het kerngebied, duurzame agrarische bedrijvigheid) behouden blijven door het agrarische karakter te versterken.
4.6 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.6.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste
54
parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Houten heeft op 11 februari 2014 de Nota Parkeernormen Houten vastgesteld. Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorie 'kleine kernen en buitengebied'. Planspecifiek Lagedijk 1 en Lange Uitweg Het uitgangspunt is dat in totaal 9 vrijstaande en 4 twee-onder-één-kapwoningen, 12 appartementen en een complex met 24 zorgwoningen worden gerealiseerd en dat tevens de bestaande bedrijfswoning wordt omgezet naar een burgerwoning. In de navolgende tabel wordt de parkeerbalans weergegeven behorende bij de voorgenomen ontwikkeling.
Beoogde situatie plangebied
Aantal
Woning groot (> 140 m² bvo) Appartement (30-60 m2 bvo) Totaal
13 12 25
Parkeernorm (kleine kernen buitengebied) per wooneenheid 2,2 1,2 -
en
totaal 28,6 14,4 43
Tabel 2: Overzicht parkeerbehoefte in de toekomstige situatie op de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg
Conform de Nota Parkeernormen zijn er, afgerond, 43 parkeerplaatsen benodigd ten behoeve van de toekomstige woningen. De grondgebonden woningen voorzien in twee parkeerplaatsen per woning op eigen terrein. Voor de beoogde appartementen is voorzien in parkeergelegenheid in het openbaar gebied. Deze parkeervoorzieningen zullen ook deels ingezet worden t.b.v. De Droom van Schalkwijk (dubbelgebruik). In aansluiting op de twee appartementen gebouwtjes en de Droom voorziet de verkaveling in 24 parkeerplaatsen. Hiermee kan de parkeerdruk prima opgevangen worden. Voor de Droom van Schalkwijk zijn geen specifieke parkeernormen en worden er voldoende parkeerplaatsen voorzien binnen het plangebied. De Droom van Schalkwijk bestaat uit 24 zorgwoningen voor de zorg van mensen met een verstandelijke beperking, deze groep zal geen gebruik maken van een parkeerplaats. Geschat wordt dat er dagelijks maximaal 10 zorgverleners werkzaam zullen zijn ten behoeve van de Droom van Schalkwijk, die gebruik zullen maken van 10 parkeerplaatsen, verder is de verwachting dat de bewoners van de Droom van Schalkwijk ca. eens per twee weken bezocht worden, hiervoor zijn 12 parkeerplaatsen gereserveerd. De voorzieningen binnen de Droom van Schalkwijk zijn niet openbaar toegankelijk, derhalve hoeven er verder geen parkeerplaatsen voor bezoekers gereserveerd te worden.
De resterende parkeerplaatsen worden gebruikt door de naastgelegen voetbalclub en mensen die gebruik maken van de voorzieningen voor dagbesteding. Overloop parkeerterrein Om in de weekeinden te kunnen voorzien in voldoende parkeergelegenheid is aan de zuidzijde van het plangebied voorzien in extra parkeervoorzieningen. Ten behoeve van deze parkeervoorzieningen wordt ook de weg doorgetrokken naar de Lange Uitweg. Hiermee wordt het ook mogelijk voor de bezoekers van de voetbalvereniging rond te rijden. Met de combinatie van het kunnen rond rijden en de aanleg van extra parkeervoorzieningen aan de zuidzijde van het plangebied wordt een passende oplossing geboden aan de verkeers- en parkeeroverlast die momenteel ervaren wordt. Deze oplossing is in nauw overleg met de omwonenden en de voetbalvereniging tot stand gekomen.
55
Kanaaldijk Zuid Aan de Kanaaldijk Zuid wordt de Beleefboerderij Schalkwijk gerealiseerd bestaande uit agrarische opstallen en een bedrijfswoning. Het betreft een agrarisch bedrijf gecombineerd met de recreatieve nevenactiviteiten zoals een groepsruimte en een boerderijwinkel. Het voorgenomen plan voorziet in voldoende parkeerplaatsen op eigen terrein. Hierbij wordt er een aparte inrit gecreëerd voor het parkeren van klanten voor de boerderij winkel. Enkele keren per jaar worden op locatie grotere evenementen georganiseerd. Hiervoor is voorzien door een 'overloopparkeerterrein' in het verlengde van het parkeren voor de boerderijwinkel. Conclusie Gesteld wordt dat de beoogde ontwikkeling voldoet aan de Nota Parkeernormen van de gemeente Houten en het aspect parkeren geen belemmering vormt voor het initiatief.
4.6.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het plangebied bestaat uit een tweetal locaties aan de Lagedijk, Lange Uitweg en Kanaaldijk Zuid. Onderstaand wordt per locatie de verkeersgeneratie berekend. Lagedijk 1 en Lange Uitweg De navolgende tabel geeft een overzicht weer van het aantal motorvoertuigbewegingen dat in de toekomstige situatie gegenereerd wordt als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling. Dit aantal is gebaseerd op de kerncijfers uit de CROW publicatie. Beoogde situatie plangebied
Aantal
Koop, vrijstaand/ twee-aaneen
13
Verkeersgeneratie per wooneenheid (weinig stedelijk, buitengebied) 7,8 - 8,6
Appartementen
12
5,2 - 6,0
Totaal
17
-
totaal 101,4 111,8 62,4 72 163,8 183,8
Tabel 3: Verkeersgeneratie
Uit de tabel volgt dat in de toekomstige situatie sprake is van maximaal 184 motorvoertuigbewegingen per etmaal ten behoeve van de nieuw te realiseren woningen. Voor de Droom van Schalkwijk is geen specifieke norm om de verkeersgeneratie te berekenen, derhalve wordt de verkeersgeneratie berekend aan de hand van de parkeerbehoefte. De parkeerbehoefte ten behoeve van de Droom van Schalkwijk betreft maximaal 24 parkeerplaatsen. Dit zijn in totaal 48 motorvoertuigbewegingen per etmaal, verder zullen leveranciers en bezoekers van de dagbesteding het plangebied bezoeken. De totale motorvoertuigbewegingen is daarom geschat op 60 motorvoertuigbewegingen per etmaal, dat is in totaal 189 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De verwachting is dat deze verkeersgeneratie voldoende kan worden opgevangen binnen het bestaande verkeersnetwerk. Zeker omdat in de huidige situatie reeds een verkeersgeneratie aanwezig is als gevolg van het bestaande agrarische bedrijf aan de Lagedijk 1. De ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de ontsluitingsweg Lange Uitweg. Ten behoeve van het langzaam verkeer komt er ook een directe ontsluiting aan de Lagedijk.
56
Kanaaldijk Zuid De verwachting is dat de verkeersgeneratie in de toekomstige situatie voldoende kan worden opgevangen binnen het bestaande verkeersnetwerk. De ontsluiting van het plangebied zal plaatsvinden via de ontsluitingsweg aan de Kanaaldijk Zuid. Conclusie Het aspect verkeer vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkelingen.
57
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:
• • • • • • •
Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
58
5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek van het vigerend bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk'. Hierbij zijn wel de nodige flexibiliteitsbepalingen uit het plan gelaten met als doel de ruimtelijke effecten te beperken tot het plan in zijn huidige vorm. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Agrarisch Voor de bestemming agrarisch zijn de regels van het bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk als uitgangspunt genomen. Vervolgens zijn de meeste flexibiliteitsbepalingen uit het plan gelaten. Hiermee beperken de regels zich tot het huidige plan. Groen Grote groenelementen en structurerend groen zijn als Groen bestemd. Hierbinnen zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, toegestaan met een bouwhoogte van ten hoogste 2 m. Parkeren binnen de bestemming Groen is expliciet uitgesloten. Verkeer - Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor wegen, straten, paden met hoofdzakelijk een verblijfsfunctie, voet- en rijwielpaden, parkeervoorzieningen, bermen en beplanting (waaronder begrepen water en waterberging), straatmeubilair en bruggen, duikers en andere kunstwerken. Er zijn uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan, met een bouwhoogte van maximaal 3 m. Maatschappelijk Voor de Droom van Schalkwijk is de bestemming Maatschappelijk opgenomen.
Deze bestemming laat in brede zin maatschappelijke voorzieningen toe. Aan de zuidzijde is een ruim bouwvlak opgenomen waarbinnen de drie woongebouwen en het gezinshuis gerealiseerd kan worden. Aan de noordkant is het dagbestedingsgebouw voorzien. Het bouwvlak voor dit gebouw is meer toegespitst op de locatie. Daarmee ontstaat er voor direct aanwonenden meer rechtzekerheid voor wat betreft de situering van het dagbestedingsgebouw. Dit omdat het bouwvlak toegespitst is tot de exacte bouwlocatie. Wonen Voor de woningen en de voormalige bedrijfswoning aan de Lagedijk 1 zijn de bestemming Wonen Gestapeld, Wonen - Twee-aaneen en Wonen - Vrijstaand opgenomen. Deze bestemming zijn zogenaamde eindbestemmingen en geven een direct bouwtitel. De maximale inhoud van de woning inclusief aan- en uitbouwen bedraagt 660 m³. Bij de woning mogen tevens vrijstaande bijgebouwen en overkappingen worden gebouwd, waarbij het oppervlak maximaal 50% van het oppervlakte van het bouwperceel buiten het bouwvlak mag bedragen, tot ten hoogste 50 m².. Waarde - Archeologie 1 Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan. De dubbelbestemming is opgenomen voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. Waarde - Landschap 1 en 3 Deze dubbelbestemming is overgenomen uit het vigerend bestemmingsplan.
De dubbelbestemming is opgenomen ter behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het karakteristiek landschap. De beoogde ontwikkeling draagt bij aan het versterken van deze waarden. Waarde - Nieuwe hollandse waterlinie Met deze dubbelbestemming wordt het mogelijk in een Omgevingsvergunning voor het bouwen nadere voorwaarden op te nemen in de vergunning om schending van cultuurhistorische waarden te beschermen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden is een aanvullend vergunningstelsel opgenomen. Ook hiermee kunnen aanwezige cultuurhistorische waarden beschermd worden. Concreet betekent dit dat er duidelijke kwaliteit moet worden gerealiseerd, zowel in de inrichting van de buitenruimte als ook in
59
de architectonische uitwerking van het bouwplan. Hiervoor is het mogelijk om aan omgevingsvergunning voorwaarden te verbinden in lijn met het opgestelde beeldkwaliteitsplan.
de
Waterstaat - Waterkering Voor waterkeringen, waterbergingen, primaire watergebied en waterhuishouding, is de functie tot uitdrukking gebracht in de dubbelbestemming Waterstaat - Waterkering. Het bebouwen van deze gronden ten behoeve van de onderliggende bestemming is uitsluitend toegestaan als hiervoor afgeweken wordt door het bevoegd gezag. Er wordt uitsluitend afgeweken als de functie hierdoor niet onevenredig wordt geschaad. Het bevoegd gezag wint hiervoor, met het oog op een zorgvuldige voorbereiding van het besluit, advies in bij de beheerder, voordat ze beslist op het verzoek om af te wijken.
60
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening. Het bedrijfsplan van het agrarisch bedrijf van Hogendoorn is zowel door de provincie als de gemeente maar ook in het kader van de subsidie aanvraag in het kader van het Sbv projectsubsidie (subsidiemodules brongerichte verduurzaming stal- en managementmaatregelen) beschouwd. Gebleken is dat het bedrijf in opzet volwaardig is en daarmee voldoende financiele draagkrachtig is. De beoogde bedrijfsverplaatsing van de Lagedijk naar de Kanaaldijk - Zuid is daarmee financieel uitvoerbaar gebleken. Gezien de unieke projectopzet in het kader van het Eiland van Schalkwijk is nader onderzoek uitgevoerd of er geen sprake is van staatssteun. In da kader is door de initiatiefnemer aangegeven dat vanuit fiscaaljuridisch oogpunt het mogelijk is om de locatie Lagedijk 1 te herontwikkelen. Daarmee is het ook mogelijke de vereiste meerwaarde voor het Eiland van Schalkwijk middels woningbouw te financieren.
Bij dit project wordt zodoende niet uitgegaan van een schadeloosstelling en ook niet een verwerving van de locatie Lagedijk 1 door de gemeente op grond van de Onteigeningswet. De structuurvisie Eiland van Schalkwijk, met bijbehorend beoordelingskader, is leidend voor de vraag wat als extra meerwaarde kan worden aangemerkt. Bij de bepaling van de mate van de financiële compensatie zullen de Europese staatsteunregels toegepast worden, zoals de Algemene Groepsvrijstellingsverordening (“AGVV”) en de Landbouw Vrijstellingsverordening (“LVV”). De kosten voor het verplaatsen van het agrarisch bedrijf en de realisatie van de overige deelprojecten om een meerwaarde voor het eiland te creëren zijn getoetst aan de AGVV en de LVV. Niet is gebleken dat er enige vorm van staatssteun plaatsvindt.
61
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.
De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Voor het begeleiden van de planontwikkeling voor de Droom van Schalkwijk en de woningbouw aan de Lagedijk is een bewonersgroep samengesteld. Deze bewonersgroep bestaat uit direct omwonenden van de projectlocatie. In het kader van het stedenbouwkundigplan en het beeldkwaliteitsplan zijn vier bijeenkomsten geweest. Tijdens deze vier bijeenkomsten is in goed overleg met elkaar gekomen tot het voorliggende plan. Een eerder tussenconcept van het stedenbouwkundig plan is ook aan de gehele gemeenschap van Schalkwijk in De Wiese gepresenteerd. In twee sessies, als gevolg van corona, is het plan aan belangstellende gepresenteerd. Uit deze avond is naar voren gekomen dat er een behoefte bestaat aan startersappartementen. In overleg met de klankbordgroep is deze wens ingepast in de verkaveling. Hierbij is er voor gekozen om in aansluiting op De Droom van Schalkwijk twee appartementen gebouwtjes in te passen met elk 6 appartementen. Om dit goed in te kunnen passen zijn 3 grondgebonden woningen uit de eerdere verkaveling komen te vervallen. Het bestemmingsplan en het beeldkwaliteitsplan is eveneens nog met de klankbord besproken.