CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

bijlage b 20220103_toelichting_NL.IMRO.0321.0680ASVSCHALKWIJK-VSBP.pdf

Gemeenteraad 15 februari 2022, gemeente HoutenBij agendapunt: Vaststellen Bestemmingsplan Agrarische Structuurversterking Schalkwijk26.537 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 4

ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.

Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek In de Omgevingsvisie is het gebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie op de kaart aangegeven als een gebied die is opgenomen als nominatie voor de Werelferfgoedlijst. In het verlengde daarvan wordt in de Omgevingsvisie door verwezen naar de beleidsnota 'Erfgoed telt!'. Deze nota onderschrijft het belang van erfgoed voor de samenleving. Het Rijk beschermt erfgoed en stimuleert dat erfgoed bij actuele ruimtelijke opgave wordt benut en als inspiratie dient voor de beoogde ontwikkeling. Behoud, versterken en benutten van de bestaande kwaliteiten van(gebouwd) erfgoed en landschap wordt verbonden aan de groei en ontwikkeling van steden, dorpen en wijken. In lijn met deze inzet heeft het Project Agrarisch Structuurversterking vorm gekregen. Door in het gebied agrarisch gebruik een toekomst te geven kan het van oudsher aanwezige gebruik op een duurzame manier worden voortgezet. Met de voortzetting van dit gebruik blijft het agrarische gebruik de drager van het landschap en kan de bestaande verschijningsvorm behouden blijven.

3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wro, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek In het Barro is het plangebied aangewezen als 'Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde'. Inzet daarmee is de bestaande kernkwaliteiten te beschrijven en behouden. De verdere uitwerking van de kernkwaliteiten is belegd bij de provincie, deze staan beschreven in de Provinciale Verordening, bijlage 14 van de verordening. Het beschrijven van de kernkwaliteiten is nog niet afgerond een verdere uitwerking

25

vindt nu plaats in het kader van de verschillende Gebiedsanalyses. In het kader van de planontwikkeling heeft een intensieve afstemming met de provincie plaatsgevonden. In dat kader zijn voor beide locaties verschillende planaanpassingen doorgevoerd en wordt er via het beeldkwaliteitsplan nadrukkelijker gestuurd op een kwalitatief hoogwaardige invulling van de twee ontwikkelingslocaties en passende architectuur. Met de aanpassingen en de beoogde ruimtelijke invulling blijven de kernkwaliteiten zoals benoemd in bijlage 14 in tact en vindt er geen aantasting plaats. 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.

3.

4.

De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.

Planspecifiek Het plan betreft de verplaatsing van een bestaand agrarisch bedrijf van de Lagedijk 1 naar de Kanaaldijk Zuid. De vrijkomende gronden aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg worden herontwikkeld ten behoeve van 13 woningen, 12 (starters)appartementen en de Droom van Schalkwijk. De Droom van Schalkwijk is een maatschappelijk initiatief en bestaat uit een complex van drie groephuizen met in totaal 24 wooneenheden voor jongeren met een zorgbehoefte, een gebouw voor dagbesteding, een familiehuis, een groentetuin en een kinderboerderij. Kanaaldijk Zuid Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat gronden waaraan een agrarische bestemming is toegekend niet worden gezien als stedelijke ontwikkeling. Met het voorgenomen plan wordt een bestaand agrarisch bouwvlak verplaatst van de Lagedijk 1 naar de Kanaaldijk Zuid, tevens wordt het bouwvlak vergroot van ca. 1,1 hectare naar 1,5 hectare.

Bij het vergroten van een bouwvlak waarbinnen bebouwing ten behoeve van een grondgebonden veehouderij gerealiseerd mag worden, is geen sprake van een stedelijke ontwikkeling omdat de gronden zjn bestemd met een agrarische bestemming.

26

Lagedijk 1 en Lange Uitweg Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, ligt tussen de 9 en 14 nieuwe woningen afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavige ontwikkeling betreft de realisatie van 13 woningen, 12 (starters)appartementen, 24 zorgeenheden, een familiehuis, een gebouw voor dagbesteding en de omzetting van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning en is daarmee aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Toetsing aan de ladder is derhalve noodzakelijk. In toelichting paragraaf 3.4.1 wordt toegelicht dat er op het "Eiland van Schalkwijk", waar het plangebied onderdeel van is, ruimte is geboden voor de bouw van 250 woningen. Voorts ligt het plangebied deels binnen bestaand stedelijk gebied en deels binnen de kernrandzone. Behoefte In toelichting paragraaf 3.4.2 is een samenvatting opgenomen van de Woonvisie Houten 2016 - 2025. Er bestaat een behoefte aan woningbouw in de gemeente Houten.

Onderhavig plan voorziet in 25 nieuwe woningen, de omzetting van een bestaande bedrijfswoning naar een burgerwoning en 24 zorgeenheden. Hiermee sluit de beoogde woningbouw ter plaatse van het plangebied aan bij de ambities van de gemeente. De basis van de woonvisie wordt gevormd door het woningbehoefteonderzoek (Wbo) dat in augustus 2015 is gedaan. Hieruit blijkt dat er kansen liggen voor de versterking van het dorpsachtige woonmilieu in de kleinere kernen binnen de gemeente Houten, door het realiseren van woningen in de hogere prijsklassen. Met de realisatie van 25 woningen wordt hier aan bijdrage aangeleverd. Verder blijkt uit de woonvisie dat de gemeente Houten wil zorgen voor voldoende aanbod aan zorgwoningen, met de realisatie van 24 zorgwoningen en een familiehuis wordt hier een bijdrage aan geleverd. Met de realisatie van een gebouw voor dagbesteding is het tevens mogelijk zorgbehoevende mensen die niet permanent verblijven op de locatie op te vangen. Bestaand stedelijk gebied De beoogde ontwikkeling vindt deels plaats binnen de rode contour. De rode contour wordt door de provincie Utrecht gedefinieerd als bestaand stedelijk gebied. Er is in de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie aangegeven dat er een vrijere regulering van gebiedsontwikkeling in het gebied 'Eiland van Schalkwijk', waar ook het plangebied binnen is gelegen, wordt aangehouden.

Tevens is hiermee ook een uitbreiding van 250 woningen buiten het bestaand stedelijk gebied mogelijk gemaakt. Het plan voldoet aan de eisen van lid 2, artikel 3.1.6 van het Bro. Geconcludeerd wordt dat een nadere toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking niet noodzakelijk is.

27

3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie Provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:

• • • • • • •

waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.

Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel en het opwekken van zonne- en windenergie. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar de provincie voor staan kan zij niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie, medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden. Planspecifiek Onderhavig plan maakt drie ontwikkelingen mogelijk.

Ten eerste wordt een bestaande boerderij verplaatst binnen het landelijk gebied. Deze verplaatsing heeft tot gevolg dit bedrijf duurzaam verder kan. Dit draagt bij aan een toekomstbestendige landbouw. Omdat met de verplaatsing ruimte komt, binnen het stedelijk gebied van Schalkwijk, draagt het project ook bij aan een vitaal dorp. Het plan voorziet ook in een woongelegenheid voor 24 personen met een sterke zorgbehoefte. Naast het wonen heeft dit plandeel ook een zorgcomponent en is er daarmee ook sprake van extra werkgelegenheid binnen Schalkwijk. Ook daarmee wordt de vitaliteit verbetert. Op een groter schaalniveau draagt dit project, als deelproject, bij aan de agrarische structuurversterking van het gebied. Een groot aantal ha landbouwgrond wisselt van eigenaar. Daarmee worden meerdere grote huiskavels mogelijk gemaakt waarmee de landbouw in Schalkwijk als landschappelijke drager weer verder versterkt wordt. Voor het plan is reeds met de provincie Utrecht een convenant gesloten. Geconcludeerd kan worden dat het plan in overeenstemming is met de provinciale structuurvisie.

28

3.2.2 Interim Omgevingsverordening Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan. Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s.

De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen. Planspecifiek Het voorgenomen plangebied ligt in het landelijk gebied van Schalkwijk en ook in het expirimenteer gebied. Artikel 1.7 Experimenteergebied geeft de mogelijkheid om op een innovatieve manier ‘uitnodigingsplanologie’ te bedrijven. Hiermee wordt bedoeld: planologie die redeneert vanuit de plek of de ruimtelijke opgave. Dergelijke experimenteerruimte kan helpen bij de transities voor landbouw.

Het gaat de provincie er om dat belangen in een gebied bij elkaar worden gebracht en dat gezamenlijk nagedacht gaat worden over de kwaliteiten van een gebied en wat er voor nodig is om een gebied een goede toekomst te gunnen. Op 4 april 2019 is een samenwerkingsconvenant tussen de provincie, Hoogheemraadschap Stichtse Rijnlanden en de gemeente gesloten. Daarbij is aangegeven dat dit ruimtelijk initiatief in potentie een meerwaarde oplevert voor het Eiland van Schalkwijk en dat ieder bestuursorgaan zich zal inspannen om bovengenoemd project mogelijk te maken. Het initiatief is daarmee passen binnen de maatwerkruimte die artikel 1.7 biedt. Naast dat het plangebied ligt in de experimenteerruimte ligt het gebied ook binnen het gebied van de Nieuwe hollandse waterlinie en het UNESCO Wereld. Bij het opstellen van de uitgangspunten van het plan en de verdere uitwerking is getracht rekening te houden met de ligging van het plan binnen de NHW. Voor zowel het plan aan de Lagedijk/Lange Uitweg als aan de Kanaaldijk-Zuid is aansluiting gezocht bij de bestaande ontginningstructuur en bestaande landschappelijke lijnen. Bij het opstellen en uitwerken van de plannen is door de provincie Utrecht nadrukkelijk meegedacht om tot een acceptabel en passend ruimtelijk plan te komen.

29

3.2.3 Gebiedsanalyse Kernkwaliteiten Nieuwe Hollandse Waterlinie Eiland van Schalkwijk De Hollandse Waterlinies worden gevormd door de Nieuwe Hollandse Waterlinie (NHW) en de Stelling van Amsterdam (SvA). De voordracht tot inschrijving van de uitbreiding op de Werelderfgoedlijst is door UNESCO goedgekeurd in juli 2021. Samen vormen beide linies nu één UNESCO Werelderfgoed: de Hollandse Waterlinies. In de interim omgevingsverordening van de Provincie Utrecht staat dat de uitzonderlijke universele waarde van het Werelderfgoed niet mag worden aangetast. De uitzonderlijke universele waarde van de Hollandse Waterlinies, zoals omschreven in het nominatiedossier, is in Nederlandse ruimtelijke context, benoemd in de vorm van drie kernkwaliteiten. Deze verschillen per gebied. Het doel van de gebiedsanalyses is om meer inzicht te geven in waar en hoe de kernkwaliteiten zich manifesteren in het gebied. In de gebiedsanalyse Kernkwaliteiten Nieuwe Holllandse Waterlinie, Eiland van Schalkwijk, zijn de kernkwaliteiten van o.a. Schalkwijk beschreven. Buitengewoon kenmerkend voor het Eiland van Schalkwijk (en Vreeswijk) is de rol van de inundatiewerken, het gebied fungeerde in hoge mate als ‘kraan’ voor de onderwaterzetting van het gebied aan de oostkant van Utrecht, met in totaal vijf sluizen aan de Lek en lange kanalen richting Utrecht.

Eveneens zeer kenmerkend is de zware accesverdediging in dit deelgebied: van het grote acces van de Lekdijk, de oeverwal en de rivier. Bijzonder is dat in dit gebied werken uit de laatste bouwfase (jaren 30 t/m begin 1940) liggen. De Plofsluis is daarvan het meest bijzondere element. Als kernkwaliteiten in het gebied zijn benoemd: Strategisch Landschap:

•

Hoofdverdedigingslijn duidelijk herkenbaar aan de Lekdijk en daar gelegen aan de rand van het open agrarische gebied op de overgang naar het winterbed van de rivier;

•

Driedubbele hoofdverdedigingslijn ter hoogte van Nieuwegein; alleen de in de jaren 30 verlegde lijn naar het Lekkanaal ligt binnen het Werelderfgoedgebied;

•

Verboden kringen open in het landelijk gebied van Houten: Kringen van Fort Honswijk, Werk aan de Korte Uitweg, Werk aan de Waalse Wetering. Niet of veel minder open verboden kringen bij Fort Jutphaas en Fort Vreeswijk, bij laatstgenoemde wel aan de Lekzijde;

•

Brede inundatiegebieden aan de zuidkant, in het landelijk gebied van Houten. Grotendeels open en herkenbaar, maar met diffuse begrenzing (geen perceelsgrenzen); hoger gelegen stroomruggronden vormen de grens. Op enkele locaties is het inundatiegebied bebouwd en niet meer herkenbaar, zoals bij Nieuwegein (bedrijventerrein ’t Klooster) en, Schalkwijk (omgeving Biesterlaan);

•

Twee duidelijke wateraccessen: de Lek en het (verbrede) Lekkanaal.

Watermanagement:

•

Karakteristieke inundatiesluizen en markante waterwerken, waaronder de Plofsluis, Rijkshulpschutsluis, Oude Sluis, Beatrixsluis (alledrie Vreeswijk), de inundatiesluis (restant) in de Lekdijk bij Fort Honswijk, kleinere elementen bij het Lekkanaal;

•

Het inundatiekanaal Honswijk overgaand naar de Schalkwijksche wetering;

Militaire werken:

•

Forten op strategische posities langs en in de nabijheid van de Lek: Fort Vreeswijk, Fort Honswijk, Werk aan de Waalse Wetering (rand stroomrug);

•

Herkenbare ensembles: vooral Fort Honswijk- inundatiekanaal - gedekte weg - Lunet aan de Snel Werk aan de Korte Uitweg; Veelheid aan militaire objecten als kazematten en groepsschuilplaatsen langs de hoofdverdedigingslijn: bij de Lekdijk het Werk aan de Groeneweg met dubbele loopgravenlinie, groepsschuilplaatsen, antitankgracht en tankversperringen op de dijk, langs het Lekkanaal met kazemat, hoek Lekdijk Lekkanaal, enkele groepsschuilplaatsen en inundatiesluis.

•

30

Vanuit deze kernkwaliteiten zijn vervolgens ontwerp principes gedefinieerd, te weten:

•

Maak het samenhangende stelsel van strategisch landschap, watermanagement en de militaire werken beter zichtbaar en beleefbaar.

•

De maat, schaal en vorm van nieuwe ontwikkelingen is passend in het landschap en wordt afgestemd op de elementen van de linie. Behoud en herstel de continuïteit van de hoofdweerstandslijn als lineaire hoger gelegen structuur in het landschap als begrenzing van de inundatiekommen (onveilige zijde) en het te verdedigen gebied (veilige zijde.

•

• • • •

Behoud en versterk de herkenbaarheid van het aanwezige contrast tussen de veilige en onveilige zone

• •

Behoud de accessen in samenhang met de bijbehorende militaire werken.

Behoud de openheid van de inundatiekommen waar deze nog aanwezig is. Behoud de openheid van de verboden kringen en schootsvelden waar deze nog aanwezig is. Behoud de zichtlijnen vanuit de militaire werken op het acces en, indien relevant, naar andere militaire werken. Behoud de herkenbaarheid van het watermanagementsysteem.

Met in acht name van de bovenstaande principes is onderhavig plan opgesteld. Daarbij is geprobeerd zoveel mogelijk recht te doen aan de ontwerpprincipes. Hierbij is bij het ontwerp voor beide locaties afstemming gezocht met elementen uit de linie die op locatie nog waarneembaar zijn. Het betreft hier voornamelijk de lijnen in het landschap. Bij de verdere uitwerking van de plannen zal de provincie Utrecht betrokken blijven om te toetsen of de beoogde kwaliteit, zoals verwoord in het beeldkwaliteitsplan, ook daadwerkelijk gerealiseerd wordt.

31

3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Omgevingsvisie Kromme Rijngebied De Omgevingsvisie Kromme Rijngebied ‘Vanuit kwaliteit verder werken (natuurlijk)’ is vastgesteld door de gemeenteraad van Houten op 21 maart 2017 en is opgesteld door een samenwerkingsverband van de gemeenten Bunnik, Houten en Wijk bij Duurstede. Deze omgevingsvisie is opgesteld voor het buitengebied van de drie gemeenten en is juridisch gezien vastgesteld als structuurvisie onder de Wro. Het strategische beleid voor het fysieke domein is gevat in de omgevingsvisie, zodat de burger, ondernemers en ontwikkelaar weten waar ze aan toe zijn en zij de positie van hun initiatief goed kunnen inschatten. Planspecifiek In de omgevingsvisie geven de samenwerkende gemeenten aan dat innovatieve ideeën extra ruimte in de regelgeving krijgen. In het buitengebied is er meer ruimte voor de realisatie van sommige innovatieve ideeën dan in de stad. Daarnaast nodigt men uit innovatief om te gaan met andere ontwikkelingen, zoals (het benutten van) vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen. Omdat er voor het ‘Eiland van Schalkwijk’ al een structuurvisie is opgesteld, zie toelichting paragraaf 3.4.1, is dit deel van het buitengebied buiten het plangebied van de Omgevingsvisie Kromme Rijngebied gehouden. Geconcludeerd wordt dat de omgevingsvisie niet van toepassing is op onderhavig plan.

3.3.2 Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied In het uitvoeringsprogramma Kromme Rijn vormt het opstellen van een landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het Kromme Rijngebied één van de projecten. De gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist hebben besloten samen een (LOP) op te stellen. Samen met het beeldkwaliteitplan is het LOP in september 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. Doelstelling Het belangrijkste doel van het landschapsontwikkelingsplan is het behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke kwaliteiten en samenhang in het plangebied. Daarbij staan de streekeigen identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap voorop. Het buitengebied dient daarbij vitaal, aantrekkelijk en economisch gezond te zijn. Specifieke doelstellingen voor het LOP zijn de volgende:

• • •

waarborgen van het cultureel erfgoed en een goede leefomgeving voor toekomstige generaties door functies op adequate wijze te situeren en vorm te geven; versterken van de identiteit en beleefbaarheid van het landschap; stimuleren van de betrokkenheid (inhoudelijk en financieel) van de burger bij de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving en stimuleren van lokale en regionale initiatieven voor verbetering van het landschap;

•

vormen van een helder referentiekader vanuit de landschapskwaliteit voor beoordeling en advisering van nieuwe ontwikkelingen;

•

versterken van de (be)leefbaarheid van het buitengebied.

32

Deelgebied Kom van Schalkwijk Op grond van de ontstaansgeschiedenis en de occupatie is het gebied in te delen in een aantal deelgebieden. Voor het plangebied van bestemmingsplan is deelgebied 'Kom Schalkwijk' van belang. De ruimtelijke kwaliteiten van dit gebied zijn:

• • •

herkenbare slagenverkaveling en open landschap met Schalkwijk als fraai bebouwingslint; overwegend weidebouw, echter ook laagstamfruitteelt; bijzonder inundatiekanaal in het verlengde van fort Honswijk.

De daarbij geformuleerde problematiek en opgaven zijn:

• •

beperkt aantal ontsluitingswegen voor landbouwkundig en recreatief verkeer; in aansluiting op omringende stedelijke gebieden van Houten, Nieuwegein en Vianen is er behoefte aan recreatief medegebruik en een hiervoor aantrekkelijke inrichting;

•

doorsnijding en begrenzing door infrastructuur: Amsterdam-Rijnkanaal, spoorlijn Utrecht-Den Bosch, A2 en aan zuidzijde Lek;

•

toekomstige woningbouwopgave.

Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt er rekening gehouden met de herkenbare slagenverkaveling in het gebied. Daarnaast wordt met de sloop van de verouderde bedrijfsbebouwing en de herinrichting van het perceel een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit van het lint en het open slagenlandschap versterkt en daarmee in lijn is met het LOP.

33

3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Eiland van Schalkwijk De Structuurvisie Eiland van Schalkwijk is door de raad van de gemeente Houten vastgesteld op 22 december 2011. De visie geeft planologische duidelijkheid en biedt een antwoord op ontwikkelingen die plaatsvinden in de landbouw, oprukkende verstedelijking, veranderende maatschappelijke omstandigheden en actuele grondposities. De structuurvisie is gericht op de duurzame ontwikkeling van het eiland met en door alle betrokken partijen. De visie wordt ondersteund door de provincie Utrecht en het hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en is in nauwe samenwerking met deze partijen tot stand gebracht. Met deze structuurvisie legt de gemeente de koers op hoofdlijnen vast voor ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk, waarbij:

• • •

landbouw en recreatie de belangrijkste dragers zijn voor de economische ontwikkeling; de leefbaarheid in de kernen (vitaliteit) verder zal worden versterkt;

•

ruimte wordt geboden aan water, waarbij een goed functionerend watersysteem bijdraagt aan economische en ecologische ontwikkeling; duurzame ontwikkeling het uitgangspunt is.

•

de essentiële (landschappelijke en ecologische) kwaliteiten worden behouden en versterkt (open en groen);

Daarnaast wordt met de structuurvisie een ontwikkelingsvisie aangereikt dat:

• • • •

de ruimtelijke kaders aangeeft voor die initiatieven; private en publieke partijen uitdaagt met initiatieven en nieuwe samenwerkingsverbanden te komen; als eerste toetsingskader dient bij het beoordelen van initiatieven; een kader biedt voor later op te stellen bestemmingsplannen.

De ambitie is dus om naast het benoemen en vastleggen van de ruimtelijke kwaliteit, een ontwikkelingsproces op gang te brengen. Geen blauwdruk van een plan, maar een zoektocht naar passende initiatieven die duurzaam en economisch haalbaar zijn, waarbij de overheid faciliteert en toetst. Initiatieven zijn niet alleen invullingen binnen een bestaande structuur, maar dragen bij aan het in stand houden en versterken van die structuur. Planspecifiek De locatie aan de Lagedijk en Lange Uitweg is gelegen binnen het lint van Schalkwijk. In de structuurvisie worden ontwikkelingskansen genoemd waarmee ondernemers en bewoners aan de slag kunnen. Particuliere initiatieven, welke in zekere zin bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van het gebied, zijn zeer welkom. Grootschalige woningbouw is niet passend in een hoofdzakelijk landbouwgebied. Om de vitaliteit van de kleine kernen in stand te houden (sociale cohesie, het draagvlak voor voorzieningen en het verenigingsleven) is ruimte nodig voor het toevoegen van een kleine hoeveelheid woningen (gefaseerd) in of aan de bestaande kernen. Verder wordt met de Droom van Schalkwijk een maatschappelijk functie aan de kern van Schalkwijk toegevoegd met een breed draagvlak onder bewoners, hiermee wordt een bijdrage geleverd aan de sociale cohesie in Schalkwijk.

Met deze planontwikkeling komen middelen vrij waarmee de agrarische sector verder versterkt kan worden en er daarmee weer een belangrijke 'drager' ontstaat voor het landelijk gebied. De agrarische sector wordt als dé drager van het gebied beschouwd en krijgt als gevolg van deze ontwikkeling een belangrijke impuls. De structuurvisie richt zich verder op duurzame gebiedsontwikkeling met behoud en ontwikkeling van het landelijke karakter en de openheid van het gebied met ruimte voor landbouw, natuur, water, recreatie, cultuurhistorie en leefbare dorpen. De realisatie van Beleefboerderij Schalkwijk op de locatie aan de

34

Kanaaldijk Zuid speelt volledig in op de ontwikkelrichting die in de structuurvisie wordt gegeven. De elementen, recreatie, water, natuur en energie zijn onderwerpen waar ruim aandacht aan wordt besteed bij de ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling van woningen, de omzetting van een voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van een complex met 24 zorgwoningen sluit aan op de uitgangspunten zoals benoemd in de structuurvisie Eiland van Schalkwijk. De kleinschalige ontwikkeling voorziet in de lokale woningbehoefte en draagt met de sanering van de bestaande agrarische opstallen bij aan de ruimtelijke kwaliteit. 3.4.2 Woonvisie Houten 2016 - 2025 In maart 2016 is de woonvisie 2016 - 2025 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. De basis van de woonvisie wordt gevormd door het woningbehoefteonderzoek (Wbo) dat in augustus 2015 is gedaan. Het Wbo heeft een scope, parallel aan de woonvisie, tot 2025. Het Wbo vertaalt dat onder andere in het feit dat Houten de komende tien jaar een woonbehoefte heeft van ongeveer 1.800 woningen. Daarvan is ongeveer driekwart autonoom, dat wil zeggen uit Houten zelf. Indicatief komt dat neer op ongeveer 1.100 eengezinswoningen en 700 gelijkvloerse woningen. Na 2025 zal Houten fors vergrijzen. De verwachting is dat Houten iets meer huishoudens krijgt, maar dat deze kleiner zullen zijn.

Houten wil graag zo veel als mogelijk binnen vastgestelde kaders aan deze behoefte tegemoet komen. De woningbouwmogelijkheden op nog in ontwikkeling te nemen gebieden waarvoor de programma’s in contracten en bestemmingsplannen zijn vastgelegd zijn beperkt. Voorzien is dat tussen de 800 en 1.000 woningen van de voorziene behoefte hierop kunnen worden gerealiseerd. De overige plekken zullen gevonden moeten worden in de transformatie van bestaand vastgoed (kantoren, maatschappelijk vastgoed en woningen). De verwachting is dat in genoemde periode de gewenste woningproductie van 1.800 woningen voor een groot deel gehaald gaat worden. Thema's woonvisie 1.

2.

3.

4.

Diversiteit, keuzevrijheid en duurzame woonwens. Houten wil zo veel mogelijk tegemoet komen aan de realisering van de woonwens van haar bewoners mits het bijdraagt aan toekomstbestendigheid, verhoging van de kwaliteit en de duurzame ambities. Om deze gewenste diversiteit in woningsegmenten te bereiken staat de gemeente open voor initiatieven van particulieren. Tevens is de ambitie om in 2040 over een volledig energieneutrale woningvoorraad te beschikken. Focus op huisvesting van gezinnen en ouderen. De toekomstige vraag naar huisvesting is voor een aanzienlijk deel afkomstig van gezinnen. Houten wil een levendige gezinsgemeente blijven en derhalve voor een deel in de nieuwbouwopgaven deze doelgroep bedienen. Tegelijkertijd vergrijst de gemeente en zal er een forse vraag naar voor ouderen geschikte (gelijkvloerse) huisvesting ontstaan na 2025. Om adequaat op deze ontwikkeling te reageren zal gaandeweg meer ruimte komen voor deze doelgroep. Voor jongeren ontstaan kansen via bouw van gelijkvloerse (veelal kleinere) eenheden bij transformatie van kantoren en via doorstroming in de woningketen. Voldoende omvang en betaalbaarheid van de sociale huurwoningvoorraad. In Houten is behoefte aan woningen en voorzieningen voor specifieke doelgroepen.

Daarnaast bestaat er specifiek in Schalkwijk de behoefte aan extra woningen voor Schalkwijkers die graag in Schalkwijk willen blijven of gaan wonen. Dit plan voorziet in deze vraag. Wonen en zorg in samenhang bezien. De vergrijzing zal richting 2025 en tussen 2025 - 2040 zeer sterk toenemen. Daarnaast heeft het Rijk sterk gewijzigde regelgeving vastgesteld, waarmee wonen en zorg in combinatie een belangrijk thema is geworden. De gemeente wil als facilitator het makkelijk(er) maken om deze woningen geschikt te maken en de woonomgeving zo goed mogelijk laten aansluiten op de oudere doelgroep en mensen met

35

een beperking. Een uitdaging hierbij is om zorg en ondersteuning in de nabijheid te realiseren. Daarnaast wil de gemeente zorgen voor een voldoende aanbod aan beschermd en verzorgd wonen. Schalkwijk De beleidsopgave van de gemeente Houten is tweeledig. Enerzijds ligt het accent op de binnenstedelijke opgave (ten minste 2/3 van de woningbouwopgave binnenstedelijk realiseren). Anderzijds ligt het accent op het behoud en versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied. De provincie verleent het Eiland van Schalkwijk een aparte status door toe te staan dat buiten de rode contour maximaal 250 woningen kunnen worden gebouwd. Voorwaarde is wel dat initiatieven daartoe moeten leiden tot versterking van de toeristisch-recreatieve activiteiten op het ‘Eiland’. Uit de woonvisie blijkt tevens dat de kleine kernen leefbaar moeten blijven. Toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad kan daaraan bijdragen (te denken valt aan de aparte status die de provincie aan het Eiland van Schalkwijk heeft gegeven voor de mogelijke bouw van maximaal 250 woningen buiten de rode contour). Hier liggen volgens het Wbo kansen voor versterking van het dorpsachtig woonmilieu in de hogere prijsklassen. Planspecifiek Voor de kern Schalkwijk geldt dat er een woningbouwbehoefte bestaat om de kern leefbaar te houden.

De beoogde toevoeging van 13 woningen en 12 (starters) appartementen, de omzetting van de voormalige bedrijfswoning naar een burgerwoning en de realisatie van 24 zorgwoningen draagt daaraan bij maar dragen indirect ook bij aan de versterking van de agrarische sector. De 12 appartementen voorzien ook in een duidelijke behoefte zoals deze leeft in Schalkwijk. Tevens dragen de voorgenomen ontwikkelingen bij aan de totale woningbehoefte van 1.800 woningen in de gemeente Houten. Het sluit aan op de behoefte naar 700 gelijksvloerse woningen met de 24 zorgwoningen en op de behoefte naar 1.100 eengezinswoningen met de 13 woningen en 12 appartementen. Daarmee wordt een bijdrage geleverd aan het zorgdragen voor een geschikte woonomgeving voor gezinnen en mensen met een zorgbehoefte. Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met het gestelde in de Woonvisie 2016 - 2025. 3.4.3 Programma Duurzaam Houten 2016 - 2018 Het meenemen van duurzaamheid in projecten wordt door steeds meer partijen en gemeenten belangrijk gevonden. Duurzaamheid vomrt ook een belangrijk uitgangspunt voor de gemeente Houten. Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Programma Duurzaam Houten 20162018 goedgekeurd. Het programma Duurzaam Houten bouwt voort op de doelen en aanpak uit het milieubeleidsplan 2010 - 2015 en de toekomstvisie Proeftuin Houten 2025.

In het programma Duurzaam Houten staan de doelen voor en inspanningen tot 2018. Het programma is verdeeld over 4 thema's: Energie, Groen & klimaatproof, Kringlopen en Duurzame mobiliteit. Wat betreft doelstellingen op het gebied van Energie wordt de focus gelegd op het bevorderen van duurzame energieproductie en op het besparen van energie (energieverbruik). Energieprestatie - BENG Het Bouwbesluit stelt eisen aan energiezuinigheid van nieuwe woningen en utiliteitsgebouwen. De maat voor energiezuinigheid heet sinds 1 januari 2021 BENG (Bijna Energie Neutraal Gebouw). De bepalingen van de BENG zijn geborgd middels het bouwbesluit. Planspecifiek De gemeente Houten streeft naar duurzame ontwikkelingen. Meer concreet is het doel voor een duurzaam Houten in 2040: klimaat- en energieneutraal, stil en schoon, met volop groen en water, natuurlijk materiaalgebruik en (lokaal) gesloten kringlopen. Met de voorgenomen ontwikkeling op de locatie aan de Kanaaldijk Zuid en de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg wordt aangesloten bij dit streven. Voor de ontwikkeling aan de Kanaaldijk Zuid en de 16 nieuw te ontwikkelen woningen aan de

36

Lagedijk 1 wordt voldaan aan de eisen horende bij nul-op-de-meter. De Droom van Schalkwijk heeft het streven om te voldoen aan de eisen horende bij nul-op-de-meter.

37

4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.

4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.

c.

d.

het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.

Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:

• •

Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;

•

De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).

De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het voorgenomen plan betreft het verplaatsen van het bestaand agrarische bouwvlak van de locatie aan de Lagedijk 1 naar de Kanaaldijk Zuid. De vrijkomende gronden aan de Lagedijk en Lange Uitweg worden herontwikkeld ten behoeve van 16 woningen en 24 zorgenwoningen, tevens zal de bestaande bedrijfswoning worden omgezet naar een burgerwoning.

38

Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend bestemmingsplan de locatie aan de Lagedijk 1 en Lange Uitweg valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat namelijk wel een activiteit uit kolom 1 (de aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen), maar er wordt niet voldaan aan de gegeven drempelwaarde van 2000 of meer woningen. De voorgenomen ontwikkeling bevat namelijk slechts 25 nieuwe woningen, een bestaande bedrijfswoning die wordt omgezet naar een burgerwoning en een complex met 24 zorgwoningen. De planlocatie aan de Kanaaldijk Zuid valt onder mogelijkheid c. Het besluit bevat een activiteit uit kolom 1 (D14: de oprichting, wijziging of uitbreiding van een installatie voor het fokken, mesten of houden van dieren), maar de drempelwaarden van 200 stuks melk-, kalf- of zoogkoeien ouder dan 2 jaar (Rav cat. A.1 en A.2), 340 stuks vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 3) en 340 stuks melk-, kalf- en zoogkoeien ouder dan 2 jaar en vrouwelijk jongvee tot 2 jaar (Rav cat. A 1, A 2 en A 3) worden niet overschreden, zie toelichting paragraaf 2.2. Voor beide planlocaties kan daarmee worden afgezien van een m.e.r.-beoordeling en volstaan kan worden met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

Deze vormvrije m.e.r.-beoordeling kan tot twee conclusies leiden: a. b.

belangrijke nadelige milieugevolgen zijn uitgesloten: er is geen m.e.r.(-beoordeling) noodzakelijk; belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zijn niet uitgesloten: er moet toch een m.e.r.-beoordeling plaatsvinden of er kan direct worden gekozen voor een m.e.r.

In het kader van de voorgenomen ontwikkeling zijn de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid, geur en ecologie in beeld gebracht in hoofdstuk 4. Tezamen met de overige hoofdstukken vormen deze paragrafen de zogenaamde aanmeldingsnotitie in het kader van het Besluit m.e.r. Geconcludeerd wordt dat er geen sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit bestemmingsplan en een eventueel op te stellen m.e.r. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. Het bevoegd gezag kan op basis van deze plantoelichting een besluit nemen over de uitkomst van de m.e.r.-beoordeling, of er al dan niet een m.e.r. nodig is en publiceert dit in een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Het besluit dat geen m.e.r. uitgevoerd hoeft te worden, hoeft niet gepubliceerd te worden in de Staatscourant. Er is geen sprake van een aparte bezwaar- en beroepsprocedure bij de beslissing over de m.e.r.-plicht. Bezwaar en beroep is alleen mogelijk tegelijkertijd met de procedure voor het wijzigingsplan.

Op basis van deze plantoelichting, welke gezien kan worden als aanmeldingsnotitie, kan geconcludeerd worden dat een m.e.r.-beoordeling niet vereist is. Volstaan wordt met een vormvrije m.e.r.-beoordeling.

4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk.

39

Planspecifiek Voor de planontwikkeling heeft, logischer wijs op twee locaties bodemonderzoek plaatsgevonden, te weten aan de Kanaaldijk-Zuid en aan de Lagedijk. De uitkomsten van deze onderzoeken zijn hieronder verwoord. Lagedijk Door Grondslag is de planlocatie aan de Lagedijk onderzocht waar het betreft de bestaande boerderij en de hierbij behorende gronden. Uit het onderzoek is gebleken dat in de bodem lichte en matige verhogingen aan enkele zware metalen en PAK aanwezig zijn Daarnaast is een lichte verhoging aan DDD (bestrijdingsmiddelen) aangetoond in de bovengrond. Op locatie is ook een gedempte sloot aanwezig. In deze gedempte sloot is naast enkele lichte verhogingen ook een sterke verhoging aan zink aangetoond. Aanbevolen wordt om hier een nader onderzoek uit te voeren indien hier bebouwing wordt voorzien. In eerste instantie zal dan de reproduceerbaarheid onderzocht moeten worden. Indien de verontreiniging wederom wordt aangetoond dient de ernst en omvang van de verontreiniging te worden bepaald. Aanbevolen wordt om de grond die tijdens de werkzaamheden vrijkomt te hergebruiken binnen de perceelsgrenzen. Indien dit niet mogelijk is kan de grond op basis van dit rapport worden afgevoerd naar een grondbank of -depot. Hiervoor kan het noodzakelijk zijn dat de grond nog onderzocht dient te worden op PFAS.

Als de grond wordt afgevoerd voor hergebruik elders, is (normaliter) eerst een keuring nodig (doorgaans incl. PFAS) conform het Besluit Bodemkwaliteit. Met name bij grotere partijen grond is dit laatste voordeliger dan afvoeren naar een grondbank of -depot. Met de uitkomsten van dit onderzoek is inzicht gekregen in de bodemkwaliteit en is duidelijk dat nader onderzoek en een eventuele sanering nog noodzakelijk is. In de exploitatie opzet is daarmee rekening gehouden. De achterliggende weilanden, die door de gemeente Houten in eigendom zijn verkregen, zijn onderzocht door Lievense Milieu B.V.. De aanleiding voor het vooronderzoek betreft de eigendomsoverdracht en herontwikkeling van de locatie. Op de onderzoekslocatie zijn verschillende voor bodemverontreiniging en/of voor asbest verdachte deellocaties aangetroffen. In veel gevallen betreffen deze vervuilingen slootdempingen en aangebrachte dammen. Op basis van de resultaten van onderhavig onderzoek kan gesteld worden dat alleen ter plaatse van de inrit (1b) mogelijk sprake van een geval van ernstige bodemverontreiniging vanwege asbest. Middels een nader asbestonderzoek dient de ernst en omvang van de asbestverontreiniging nog bepaald te worden.

De aanwezigheid van de grondverontreinigingen met beperkte omvang ter plaatse van de dammen DA11 en DA12 en stort ST2, brengen geen belemmeringen met zich mee voor het huidige agrarische gebruik van de locatie. Voor de verontreiniging met asbest in de grond ter plaatse van Inrit1-B dient een nader onderzoek uitsluitsel te geven over eventuele beperkingen. Op basis van de resultaten van het onderzoek concludeert Lievense dat er geen milieuhygiënische bezwaren zijn voor de aanvraag van een omgevingsvergunning voor bouwen ter plaatse van het toekomstig woningbouwvlak. Aanbevolen wordt om een nader asbestonderzoek uit te voeren ter plaatse van Inrit1-B. Vanwege de kleinschaligheid van Inrit1-B kan er ook voor gekozen worden om de asbestverontreiniging direct te saneren; dit kan op basis van een BUS-melding (Besluit Uniforme Saneringen). Kanaaldijk-Zuid Door Grondslag is ook de locatie Kanaaldijk-Zuid op bodemkwaliteit onderzocht. Er zijn in de grond en het grondwater lichte verhogingen aangetoond aan enkele zware metalen. De gevolgde onderzoeksstrategie geeft echter in voldoende mate de milieuhygiënische situatie ter plaatse van de onderzoekslocatie weer. Er is derhalve geen aanleiding tot het uitvoeren van een aanvullend onderzoek. De mengmonsters zijn indicatief getoetst aan het BBK.

Zowel de bovengrond van het gehele perceel als de ondergrond in het oostelijk gedeelte van de onderzoekslocatie is altijd toepasbaar. De ondergrond van het westelijke deel van de onderzoekslocatie voldoet aan de klasse industrie.

40

De onderzoeksresultaten vormen geen belemmeringen voor de beoogde ontwikkeling. De grond is aanvullend indicatief onderzocht op PFAS. Hieruit blijkt dat dat de bovengrond voldoet aan de klasse Wonen/Industrie. Eindconclusie Op grond van de uitgevoerde onderzoeken is in voldoende mate inzicht gekregen in de bodemgesteldheid en de aanvullende werkzaamheden die nog nodig zullen. De financiële gevolgen van deze nog uit te voeren werkzaamheden zijn ook in beeld. Gebleken is dat het plan, met in acht name van deze kosten, financieel uitvoerbaar is. De bodemkwaliteit (al dan niet na sanering) staat niet in de weg aan de gewenste ontwikkeling.

4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):

• • •

woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft); andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).

Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Voor wat betreft industrielawaai wordt verwezen naar paragraaf 4.2.4. Planspecifiek Kanaaldijk Zuid De ontwikkeling ligt buiten de bebouwde kom van Schalkwijk binnen de geluidzone van de Kanaaldijk (noordgrens op 12 m uit de wegas), de Rondweg (noordgrens op 172 m uit de wegas) en De Muur (noordgrens op 197 m uit de wegas). Door Adviesburo van der Boom is op 20 februari 2020 een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting uitgevoerd, zie bijlage 3 van bijlagen bij toelichting. De geluidbelasting door wegverkeer op de Rondweg bedraagt ten hoogste 50dB na aftrek van 2 dB ex art 110-g Wgh. op de noordgrens van de ontwikkeling, De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt op de noordgrens overschreden. De maximale hogere waarde van 53 dB wordt niet overschreden. De geluidbelasting door de overige gezoneerde wegen overschrijdt de voorkeursgrenswaarde van 48 dB niet. Het verlagen van de geluidbelasting door het treffen van maatregelen aan de bron is niet realistisch doordat de Rondweg reeds is voorzien van een stille SMA-variant.

Het aanbrengen van een nog stillere variant stuit op financiële bezwaren. Het plaatsen van een verdiepinghoog scherm is landschappelijk ongewenst en stuit op financiële bezwaren. Door de voorgevel van de woning aan de westzijde van het perceel op ten minste 32 meter uit de as van de Kanaaldijk Zuid en aan de oostzijde op ten minste 46 meter uit de as van de Kanaaldijk Zuid te plaatsen wordt voorkomen dat een hogere waarde moet worden aangevraagd. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt dan niet overschreden. Indien de woning dichter bij de Kanaaldijk Zuid wordt gesitueerd dan dient voor de woning een hogere waarde van ten hoogste 50 dB te worden aangevraagd op de gevels voor wegverkeer op de Rondweg conform tabel III.2. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh. Aan dit toetsingskader wordt voldaan na het verlenen van een hogere waarde. Er zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woning tevens wordt voldaan

41

aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De geluidbelasting door alle wegen samen bedraagt 52 dB in het hoogst geluidbelaste rekenpunt. Voor gevels met een geluidbelasting van 53 dB of minder zijn geen geluidwerende voorzieningen nodig. De benodigde geluidwering GA;k bedraagt 20 dB. Dit is de minimumwaarde volgens het Bouwbesluit. Lagedijk 1 en Lange Uitweg De ontwikkeling ligt deels binnen de bebouwde kom van Schalkwijk binnen de geluidzone van het 60 km deel van de Lange Uitweg, op ten minste 26 meter uit de as van de weg. De ontwikkeling ligt verder op ten minste 28 resp. 76 meter uit de as van de Korte Uitweg en de Jhr. Ramweg. Dit zijn 30 km wegen zonder geluidzone. De Lagedijk, het Neereind en de Kaaidijk zijn wegen met een (zeer) lage verkeersintensiteit. Deze zijn akoestisch niet relevant. Door Adviesburo van der Boom is op 20 februari 2020 een akoestisch onderzoek naar de geluidsbelasting uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4. De geluidbelasting door wegverkeer op de Lange Uitweg bedraagt op de woningen ten hoogste 43 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee op de gevels van de woningen niet overschreden. Er hoeft voor de ontwikkeling geen hogere waarde te worden aangevraagd. Bij het toetsen of sprake is van een “goede ruimtelijke ordening” is aangesloten bij het toetsingskader van de Wgh.

Omdat de voorkeursgrenswaarde niet wordt overschreden en de gecumuleerde geluidbelasting ten hoogste 48 dB bedraagt zal voor het aspect geluid sprake zijn van een goede ruimtelijke ordening als voor de woningen wordt voldaan aan de eisen voor de geluidwering conform het Bouwbesluit. De gevels van de woningen ondervinden een gecumuleerde geluidbelasting door wegverkeer (incl. 30 km wegen) van ten hoogste 48 dB zonder aftrek. Voor gevels met een geluidbelasting van 53 dB of minder zijn geen geluidwerende voorzieningen nodig. De benodigde geluidwering GA;k bedraagt 20 dB. Dit is de minimumwaarde volgens het Bouwbesluit. 4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM).

Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt een bestaand agrarisch bedrijf verplaatst van de Lagedijk 1 naar de Kanaaldijk Zuid. De locatie aan de Lagedijk 1 wordt herontwikkeld ten behoeve van 13 grondgebonden woningen, 12 appartementen en 24 zorgwoningen, tevens zal de bestaande bedrijfswoning worden omgezet naar een burgerwoning. De ontwikkeling kan derhalve, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is

42

daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2017 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18.48 μg/m³ PM10, 11.36 μg/m³ PM2,5 en 20.08 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM 10 maar niet voor PM2,5. Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden .Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.

4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=2539f9a6-394c-48bb-afb9-bd1d81b1aa86