Bijlage 2 - Toelichting - Bestemmingsplan Provincialeweg 21 Schalkwijk
Tekst van het document
Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor de uitvoering van dit plan.
26
4.5 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Aan de zuidoostelijke zijde van het plangebied bevindt zich een locatie aan de Provincialeweg 22b met de bestemming ‘bedrijf’. Binnen de bestemmingsregeling zijn bedrijven toegestaan in de bedrijfscategorieën 1 en 2. Door de ligging van het plangebied aan een lint en in de omgeving van bedrijven, woningen en agrarische gronden, kan gesteld worden dat sprake is van een gemengd gebied. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd. Voor categorie 1 bedrijven wordt de richtafstand daarmee 0 m en voor categorie 2 bedrijven 10 m. De daadwerkelijke afstand is circa 117 m. Daardoor zal de beoogde woning geen beperkingen ondervinden van deze bedrijfsvoering. Ten oosten van de Provincialeweg 21 is een agrarisch bedrijf gevestigd. Voor dit bedrijf geldt dat de bestaande woning Provincialeweg 21 maatgevend is voor de bedrijfsvoering. De nieuw toe te voegen woning is op een grotere afstand gesitueerd (88 meter van de bestaande stal). Het bouwvlak ligt dichter bij. Op grond van artikel 5 Wgv moet een eventuele nieuwe stal op 25 meter van de meest nabij gelegen woning gerealiseerd worden (in casu Provincialeweg 21). Uitgaande van deze afstand zal ook een nieuwe stal op meer dan 50 meter afstand liggen van de nieuwe woning. Een goed woon- en leefklimaat is dan ook te garanderen.
Ten zuiden van het plangebied bevindt zich een agrarisch bedrijf (Overeind 8) dit perceel heeft een agrarische bestemming. In 2017 is een vergunning afgegeven voor de omschakeling naar een gesloten biologische varkershouderij. Voor dit bedrijf geldt dat de bestaande woningen aan het Overeind 5,6 en 9 maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering. De toevoeging van een woning aan de Provincialeweg belemmert dit bedrijf niet in zijn bedrijfsvoering. De beoogde woning bevindt zich op circa 80 meter afstand van de
27
stal. Daarmee wordt voldaan aan de minimaal aan te houden afstand op grond van artikel 5 Wet geurhinder en veehouderij. In veel gevallen is de maatgevende afstand, zoals gehanteerd in de VNG uitgave, de richtafstand die geldt voor geluid. Wanneer verder ingezoomd wordt op het aspect geluid is vrijwel altijd het aan- en afvoerende verkeer maatgevend. Wanneer het aspect geluid wordt beschouwd zal het doorgaande verkeer eerder van invloed zijn op het woon- en leefklimaat dan de naastgelegen (planologisch toegestane) bedrijvigheid. Het verkeer- en spoorweglawaai zal daartoe worden onderzocht. De beoogde ontwikkeling is daarmee in het kader van bedrijven en milieuzonering aan te merken als een passende ontwikkeling in het gebied. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling.
4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10 -6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.
In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te
28
beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.
Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.
Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een woning. Dit betreft het toevoegen van een kwetsbaar object.
Op de risicokaart van de Atlas Leefomgeving kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart:
29
Figuur 9: Uitsnede risicokaart, globale ligging plangebied: zwarte cirkel (bron: Atlas Leefomgeving)
Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Op circa 1.300 m afstand van het plangebied (noordzijde) is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. Het kanaal betreft een transportroute voor gevaarlijke stoffen. Voorts ligt op circa 450 meter afstand (westzijde) een spoorweg, die tevens wordt gebruikt als transportroute voor gevaarlijke stoffen. Op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor is de Wet basisnet van toepassing. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 meter van een transportroute van gevaarlijke stoffen, in dit geval de spoorlijn, is op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk. Beide routes liggen dusdanig ver van het plangebied dat deze geen risico vormen voor de mensen die verblijven in het plangebied. Bij een toxische wolk kunnen er wel negatieve effecten ontstaan, gezien de ligging van het object binnen het invloedsgebied van een 'gifwolkscenario'. Het is daarom belangrijk dat toekomstige bewoners weten hoe te handelen bij een toxische wolk. In dat kader zullen toekomstige bewoners geinformeerd worden en advies in winnen bij de Veiligheidsregio Utrecht. De te treffen acties zien met name op het sluiten van deuren en ramen bij een calamiteit en het uitzetten van een centrale afzuiging, indien aanwezig.
Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet in de buurt van buisleidingen. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Inrichtingen Het plangebied bevindt zich niet binnen een PR 10-6 risicocontour of een invloedsgebied van een risicovolle inrichting in de omgeving. De risico’s als gevolg van de aanwezigheid van risicovolle inrichtingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Geconcludeerd wordt dat de toekomstige bewoners geinformeerd moeten worden over eventuele risico's en hoe te handelen bij toxische wolk.
30
4.7 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.7.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21 e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:
•
vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.
•
schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.
Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.
Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.
31
4.7.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2022-2027 is het nieuwe Waterbeheerplan, Stroomopwaarts, klimaatbestendig en duurzaam van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities van De Stichtse Rijnlanden voor schoon en gezond water, duurzaamheid en een waterveilig en klimaatbestendig gebied. In het Waterbeheerplan is Houten aangemerkt als Stedelijk middengebied. De inzet voor dit gebied is dat water een prominentere rol krijgt in gebiedsontwikkelingen en in de openbare ruimte. De inzet van water dient meerdere doelen, zoals de opvang van overtollige neerslag bij extreme buien en watervoorziening van stadswater met een goede waterkwaliteit en stedelijk groen. Om dit te bewerkstelligen neemt het HDSR een actieve rol aan in deze planprocessen. Keur en uitvoeringsregels Per 7 mei 2021 is de nieuwe Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. Op grond van artikel 3.7 van de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden is het verboden om zonder vergunning van het college hemelwater afkomstig van nieuw verhard oppervlak versneld tot afvoer te laten komen en te lozen.
Onder verhard oppervlak wordt verstaan: het deel van het aardoppervlak dat is afgedekt met niet of nauwelijks waterdoorlatende materialen of werken. Voorbeelden van verhard oppervlak zijn daken en bestratingen. De voorwaarden om te werken zonder melding binnen de Algemene Regels zijn als volgt:
•
Binnen de bebouwde kom wordt minder dan 500 m² of in overig gebied wordt minder dan 1.000 m² onverharde grond bebouwd of verhard. Of:
•
Er is sprake van verscheidene te ontwikkelen min of meer aaneengesloten of samenhangende bouwplannen met een gezamenlijke oppervlakte van binnen de bebouwde kom minder dan 500 m² of in overig gebied minder dan 1.000 m². Of:
•
Indien een nieuw aan te leggen verhard oppervlak minder dan 10% van dat peilvak beslaat. Binnen de bebouwde kom een peilvak kleiner dan 5.000 m² en in overig gebied een peilvak kleiner dan 10.000 m².
Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.7.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.
De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.
32
In 2019 heeft de gemeenteraad van Houten het Water- en Rioleringsplan 2020 - 2023 vastgesteld. Hierin is de zorgplicht voor perceeleigenaren bij de verwerking van regenwater op eigen terrein uitgewerkt. Perceeleigenaren moeten het regenwater op eigen terrein opvangen in een ondergronds infiltratiesysteem met een inhoud van 15 mm per m² ten opzichte van het verhard afvoerend oppervlak. Daarnaast moet de bouwpeilhoogte van het gebouw 300mm boven het wegpeil gelegen zijn. Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat een toename van meer dan 500 m² dient te worden gecompenseerd in de vorm van open water of infiltratie binnen het peilgebied waarin de toename aan verharding plaatsvindt. Het Hoogheemraadschap hanteert echter een strengere compensatieplicht dan de gemeente Houten. Het te compenseren oppervlaktewater dient 15% van de toename aan verhard oppervlak te zijn. Wanneer gecompenseerd wordt door middel van infiltratie geldt dat er 45 mm per vierkante meter verhard oppervlak geborgen dient te worden.
Planspecifiek Een deel van het plangebied is gelegen binnen de beschermingszone van een waterkering en om die reden voorzien van de dubbelbestemming 'Waterstaat - Waterkering'. Deze gronden zijn bestemd voor het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering. Voor ontwikkelingen binnen de voor 'Waterstaat - Waterkering' bestemde gronden geldt dat vooraf schriftelijk advies bij de betreffende waterbeheerder ingewonnen moet worden. Op deze gronden worden geen ruimtelijke ingrepen voorzien. Verhard oppervlak Het hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden schrijft voor dat bij een toename van meer dan 500 m² een infiltratiesysteem dient te worden aangelegd met 45 mm per m² afgekoppeld verhard oppervlak en een vergunning nodig is voor de lozingsconstructies naar oppervlaktewater. In de huidige situatie is de planlocatie voor een groot deel verhard. Met de planontwikkeling wordt geen extra verharding toegevoegd. Conform de eisen van HDSR hoeft niet voorzien te worden in compensatie door middel van de aanleg van (extra) waterberging. Ten noorden van het plangebied is het de bedoeling een watergang te realiseren. Deze verbindt twee bestaande watergangen met elkaar en bevat een natuurvriendelijke oever. De uitvoering van deze watergang is mogelijk indien de achterliggende gronden deels in eigendom verworven kunnen worden.
Voor het graven van deze watergang moet wel een melding gedaan worden of een watervergunning aangevraagd worden. Waterafvoer Voor het huishoudelijk afvalwater wordt aangesloten op de bestaande riolering. Voor de afvoer van hemelwater zal voorzien worden van bodeminfiltratie. Overleg In een vroeg stadium heeft overleg plaatsgevonden met het Hoogheemraadschap. In dit overleg is aangegeven dat ze het plan kansrijk achten. Het is positief dat de sloot wordt teruggegraven. Voorgesteld wordt om qua afmetingen en breedte aan te sluiten op het formaat van de andere watergangen (circa 4,5 m op waterlijn). Breder is landschappelijk minder gewenst. Voor wat betreft de diepte kan worden uitgaan van ca. 0,75 m t.o.v. winterpeil. Verzocht wordt om bomen op ruime afstand (circa 3 meter) van de watergang te zetten. Enerzijds vanwege de lichtinval en anderzijds ter voorkoming van bladval. Bladval levert namelijk verondieping en baggeraanwas op. Bovendien is deze ruime nodig als onderhoudspad om de sloten rondom het perceel te kunnen onderhouden. Hiermee wordt rekening gehouden in de verdere planvorming. Conclusie Watercompensatie is niet noodzakelijk voor het beoogde initiatief. Wel dient er bij het teruggraven van de sloot rekening gehouden te worden met het advies van het hoogheemraadschap.
33
4.8 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.
Planspecifiek Soortenbescherming In het plangebied en de directe omgeving hiervan komen naar verwachting geen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen schuren zijn op dit moment redelijk intensief in gebruik en zijn enkelsteens. Daarom wordt voor de schuren geen essentiële betekenis voor beschermde soorten verwacht, zoals een verblijfplaats voor vleermuizen. Hiervoor is een ecologische quickscan uitgevoerd (Blom ecologie, 2022-0911, d.d 6 september 2022, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2). Hieruit blijkt dat de sloop van twee schuren, het ombouwen van één schuur naar een woning en het verwijderen van een duiker aan de Provincialeweg 21 te Schalwijk uitvoerbaar is in het kader van de Wet natuurbescherming. De beoogde ruimtelijke ingreep leidt niet tot overtreding van verbodsbepalingen omtrent soortenbescherming, gebiedsbescherming en houtopstanden in het kader van de Wet natuurbescherming. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van zoogdieren en algemene broedvogels (in het kader van algemene zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.
Gebiedsbescherming De ontwikkeling gaat gepaard met de uitstoot van stikstof in de bouw- en de gebruiksfase, wat mogelijke effecten heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden. Het dichtstbij gelegen Natura 2000-gebied betreft 'Lingebied & Diefdijk-Zuid', op een afstand van ca. 7,3 km van het plangebied. In het beoogde plan worden slechts op kleine schaal ruimtelijke ingrepen voorzien. Voor de beoogde ontwikkeling wordt een AERIUS-berekening gezien de schaal van de ontwikkeling en de afstand tot Natura 2000-gebied niet noodzakelijk geacht. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap geen melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Conclusie Het aspect ecologie vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van het beoogde initiatief.
34
4.9 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. De gemeenteraad van de gemeente Houten heeft op 4 december 2007 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. De kern van het archeologiebeleid is de Archeologische Maatregelenkaart. Op deze kaart is te zien waar archeologisch waardevolle gebieden zijn of worden verwacht. Planspecifiek De gemeente Houten heeft een eigen 'archeologische maatregelenkaart' voor haar grondgebied laten op stellen.
De volgende afbeelding toont een fragment van de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten.
Figuur 10: Fragment archeologische beleidskaart gemeente Houten, globale ligging plangebied: zwart omcirkeld (bron: Gemeente Houten)
Onderhavig projectgebied bevindt zich op deze kaart binnen een gebied of terrein van archeologische waarde (categorie 1). Dit betekent dat het uitvoeren van een archeologisch onderzoek noodzakelijk is bij bodemingrepen groter dan 100 m² en/of dieper dan 0,5 m -mv. Op verzoek van de gemeente Houten is een bureau- en verkennend booronderzoek uitgevoerd door Transect (rapport 4612 / mei 2023). Na bestudering van het beschikbare materiaal is vastgesteld dat de archeologische verwachting in het plangebied uit twee aspecten bestaat. Allereerst maakt het plangebied deel uit van een waardevol terrein, wat de kans op de aanwezigheid van overblijfselen uit de periode Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd aanzienlijk vergroot. De Provincialeweg, gelegen aan de noordoostelijke zijde van de Schalkwijkerwetering, fungeert als een ontginningsas of -lint dat teruggaat tot de 12e eeuw, waarlangs bewoning ontstond vanaf die tijd. Hoewel historische kaarten geen bebouwing in het plangebied
35
aangeven (begin 19e eeuw), betekent dit niet dat er vóór die tijd geen bewoning heeft plaatsgevonden. Bovendien zijn er in de omgeving vondsten bekend uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe Tijd. Dit gebied kenmerkt zich ook door het voorkomen van verlaten verhoogde huisplaatsen, wat suggereert dat er vóór de 19e eeuw mogelijk bewoning was. Deze bewoning zou mogelijk in verband kunnen staan met een woonheuvel, maar ook onverhoogde huisplaatsen zijn bekend in de omgeving van Schalkwijk. Archeologische overblijfselen uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd worden naar verwachting aangetroffen op een diepte van 30 à 40 cm onder het maaiveld. Op deze diepte zijn namelijk antropogene ophooglagen aangetroffen in de omgeving. Ten tweede kunnen er in het plangebied overblijfselen aanwezig zijn uit de Vroege Bronstijd, met name in de bovenste delen van de oevers van de Zouwe stroomrug. Het is waarschijnlijk dat er oever- en beddingafzettingen voorkomen in het plangebied. Binnen het regionale rivierenlandschap waren de oevers relatief hoger gelegen gebieden, waardoor bewoning mogelijk was tot in de Vroege Middeleeuwen. Er zijn echter nog geen archeologische vondsten uit die periode bekend in de directe omgeving.
De bovenste delen van de oeverafzettingen zijn in de omgeving van het plangebied aangetroffen op dieptes variërend van 70 à 130 cm onder het maaiveld, afhankelijk van de dikte van eventuele ophooglagen. Het uitgevoerde veldonderzoek bevestigd de archeologische verwachting. Buiten de bebouwing is de bodemopbouw intact vanaf dieptes tussen 30-60 cm -Mv en zijn er dus archeologische vindplaatsen te verwachten uit de Late Middeleeuwen-Nieuwe tijd (te relateren aan de aangetroffen cultuurlaag) en uit de Bronstijd-Vroege Middeleeuwen (aan de basis van de cultuurlaag, in de top van de bovenste crevasseafzettingen). Ter plaatse van de bebouwing is de ondergrond naar verwachting verstoord geraakt. Of het echter volledig verstoord is, is onzeker. De cultuurlaag reikt namelijk tot een diepte van 115 cm Mv en er zijn onder de loodsen en de woning waarschijnlijk geen kelder aanwezig. Met een gebruikelijke funderingsdiepte van 80-100 cm -Mv zou daarom een cultuurlaag onder de bebouwing nog intact aanwezig kunnen zijn. Conclusie Op basis van het onderzoek zijn archeologisch resten te verwachten. Daarmee blijft de archeologische dubbelebestemming vooralnog behouden. Voor de verbouw van de schuur tot woning is dit geen probleem hierbij vinden geen bodemverstorende werkzaamheden plaats.
voor de sloop van de schuren wordt geadviseerd de fundering zoveel als mogelijk met behoud van archeologie te verwijderen. --> slopen met PVA
4.10 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuw project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.10.1 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.
36
De gemeenteraad van Houten heeft de Nota Parkeernormen Houten 2021 vastgesteld. Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. Planspecifiek In de Nota Parkeernormen Houten 2021 is aangeven dat het plangebied behoort tot de categorie 'buitengebied'. Het uitgangspunt is dat in er totaal één vrijstaande toegevoegd wordt aan het plangebied. In de navolgende tabel wordt de parkeerbalans weergegeven. Beoogde situatie plangebied Woning groot > 140 m² bvo Totaal
Aantal 1 1
Parkeernorm (buitengebied) per wooneenheid 2,2 -
totaal 2,2 2,2≈ 3
Conform deze nota parkeernormen zijn er minimaal 3 parkeerplaatsen benodigd ten behoeve van de voorgenomen ontwikkeling. De parkeerplaatsen voor de bestaande en beoogde woningen zullen allen op eigen terrein gerealiseerd worden. In totaliteit moet voorzien worden in 5 parkeerplaatsen. Dit is op perceel goed inpasbaar. Er is daarmee voldoende parkeergelegenheid aanwezig op het perceel. Conclusie De beoogde ontwikkeling voldoet aan de Nota Parkeernormen 2021 van de gemeente Houten en het aspect parkeren geen belemmering vormt voor het initiatief. 4.10.2 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken.
Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling betreft het toevoegen van slechts één woning op het perceel. Om de verkeersgeneratie te bepalen is de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' geraadpleegd. Het plangebied bevindt zich in 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk' gebied. In navolgende tabel staat de verkeersgeneratie conform de CROW-publicatie 381 weergegeven.
Soort woning
Aantal
CROW verkeersgeneratie
Koop, appartement, midden Totaal
1 1
8,2 (gemiddelde)
Totale verkeersgeneratie 8,2 8,2 ≈ 8
Toekomstige verkeersgeneratie Het betreft daarmee een beperkte toename in het aantal verkeersbewegingen. Voorts is de verwachting dat de Provincialeweg over voldoende capaciteit beschikken om de extra verkeersgeneratie van de beoogde ontwikkeling op te vangen. Conclusie Het aspect verkeer vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
37
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld.
5.2 Toelichting De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft een weergave van de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.3 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).
5.4 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in Hoofdstuk II. Ten slotte regelt Hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. In de volgende paragraaf worden de afzonderlijke bestemmingen behandeld. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde.
38
Ook de regels van een bestemming kennen een standaardopbouw en worden als volgt benoemd:
• • • • • • •
bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).
5.5 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Wonen - Vrijstaand De voor Wonen - Vrijstaand aangewezen gronden zijn mede bestemd voor wonen, waar hoofdgebouwen in vrijstaande vorm moeten worden gebouwd. Tuin - Voortuin De voor Tuin - Voortuin aangewezen gronden zijn mede bestemd voor voortuinen, erven en verhardingen, evenals inritten en waterhuiskundige voorzieningen. Waarde - Archeologie 1 De voor Waarde - Archeologie 1 aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden. Waarde - Landschap 1 De voor Waarde - Landschap 1 aangewezen gronden zijn - behalve voor de andere aldaar geldende bestemming(en) - tevens bestemd voor het behoud, versterking en ontwikkeling van de waarden die samenhangen met het karakteristiek landschap van de linten van Schalkwijk, alsmede hobbymatige paardenhouderijen op bouwvlakken met de bestemming. Waterstaat - Waterkering De op de verbeelding voor Waterstaat - Waterkering aangewezen gronden zijn primair bestemd voor de waterkering.
39
6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een ruimtelijk plan dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van 'afdeling 6.4 grondexploitatie', artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van een ruimtelijk plan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
•
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;
•
het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;
•
het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. Kosten die door de gemeente worden gemaakt bij begeleiding van het project kunnen middels leges op initiatiefnemer worden verhaald.
40
7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Wettelijk vooroverleg Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 sub c Wro overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen, kan in overleg, afgezien worden van dit overleg. In het kader van het vooroverleg zijn er 3 reacties ontvangen. Veiligheidsregio Utrecht Uit het overleg met de Veiligheidsregio Utrecht kwamen een paar adviezen. Het plangebied ligt binnen het invloedsgebied van de volgende risicobron, 'spoorroute 71 (plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van gifwolksenario (>4.000 m)). Hierin is de veranwoording aangepast in paragraaf 4.6. De bereikbaarheid voor hulpdiensten tijdens een brand, ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden. In ons plangebied is de bereikbaarheid in de huidige situatie voldoende, en in de toekomstige situatie met toevoeging van 1 woning ook het geval. De blusvoorziening voor de brandweer blijft op orde. Er zit namelijk binnen 40 meter een blusvoorziening.
De zelfredzaamheid van de toekomstige bewoners achten ze voldoende om zichzelf te redden. Ze adviseren wel om de toekomstige bewoners te informeren over eventuele toxische wolken. Provincie Utrecht De Provincie Utrecht heeft aangegeven dat het voorliggende bestemmingsplan geen aanleiding geeft voor het maken van opmerkingen in het kader van het provenciaal belang zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Provincie Utrecht en geborgd in de bijbehorende Interim Omgevingsverordering Provincie Utrecht. Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden geeft aan dat bij deze ontwikkeling er veel aandacht is voor verbetering van het bestaande watersysteem. Er is namelijk geen sprake van aanleg van extra verhard oppervlak. Desondanks voorziet het plan in de mogelijkheid van een nieuwe watergang die twee bestaande watergangen met elkaar verbindt. Daardoor wordt de kans op wateroverlast verkleind en verbetert de waterkwaliteit. Voor het graven van een nieuwe watergang moet een vergunning aangevraagd worden of een melding gedaan worden. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt.
Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
41
7.2 Participatie Een ontwerpbestemmingsplan moet volgens de Algemene wet bestuursrecht (Awb) afdeling 3.4 gedurende een periode van 6 weken ter inzage worden gelegd. Tijdens deze periode heeft eenieder de mogelijkheid om zienswijzen in te dienen over het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekendgemaakt, waarna het bestemmingsplan opnieuw 6 weken ter inzage ligt. Gedurende deze termijn is het mogelijk beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt in werking de dag na afloop van de terinzagelegging, tenzij er beroep is ingesteld. Als er beroep is ingesteld, treedt het bestemmingsplan ook in werking, behalve als er naast het beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt als de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure wordt afgesloten met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Bij ruimtelijke planvorming is het wenselijk om in een vroeg stadium omwonenden en andere belanghebbenden te betrekken. Dit draagt bij aan de mogelijkheid tot bijsturing van het plan door omwonenden en zorgt ervoor dat zij worden meegenomen in het planvormingsproces. Dit bevordert begrip voor zowel het plan als het proces.
Het bevoegd gezag verzoekt initiatiefnemers om deze participatiebijeenkomsten zelfstandig te organiseren. De resultaten hiervan kunnen worden opgenomen in een participatieverslag of participatie paragraaf, waarin het bevoegd gezag kan teruglezen welke inspanningen zijn verricht, welke aanpassingen zijn doorgevoerd als gevolg van participatie en welke meningen omwonenden en belanghebbenden hebben over het plan. De initiatiefnemers hebben ervoor gekozen het participatietraject zelf te doorlopen en rechtstreeks contact te zoeken met de directe buren. Door de participatie op deze manier vorm te geven, blijft het laagdrempelig en persoonlijk. Informeel zin de buren op verschillende momenten bijgepraat dat het de wens is de bestaande schuur, voormalige woning, opnieuw weer in gebruik te nemen als woning. Hierbij zijn de buren er ook in meegenomen dat op het perceel andere bebouwing gesloopt gaat worden en over het perceel een nieuwe zichtlijn komt te lopen. In zijn algemeenheid hebben alle buren aangegeven in te kunnen stemmen met de plannen. De ruimtelijke effecten van het plan zijn beperkt, dit omdat er geen nieuwbouw plaatsvindt, en het ontstaan van een nieuw zichtlijn werd als positief ervaren. Met de buren is afgesproken dat wanneer de plannen meer concreet zijn er nog een bijpraat-moment komt. Dit moment wordt gecombineerd met de procedure.
Hierbij zal, indien wenselijk, de opsteller van het bestemmingsplan een nadere toelichting geven op het bestemmingsplan.
7.3 Zienzwijzen Het bestemmingsplan heeft vanaf 21 december 2023 voor een periode 6 weken ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ontvangen.
42