Bijlage 2 - Toelichting - Bestemmingsplan Provincialeweg 21 Schalkwijk
Tekst van het document
bestemmingsplan
Provincialeweg 21 Schalkwijk Gemeente Houten
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0321.0750provincialeweg-VSBP
Datum:
2024-02-12
Contactpersoon Buro SRO:
dhr. J. van Nuland
Kenmerk Buro SRO:
SR190054
Opdrachtgever:
dhr. Appelhof
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ......................................................................................................................................... 10
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 12 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 12 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Regionaal beleid ................................................................................................................................................ 17 3.4 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 19
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 23 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 23 4.2 Bodem ............................................................................................................................................................... 24 4.3 Geluid ................................................................................................................................................................ 25 4.4 Luchtkwaliteit .................................................................................................................................................... 26 4.5 Bedrijven en milieuzonering.............................................................................................................................. 27 4.6 Externe veiligheid .............................................................................................................................................. 28 4.7 Water ................................................................................................................................................................
31 4.8 Ecologie ............................................................................................................................................................. 34 4.9 Archeologie ....................................................................................................................................................... 35 4.10 Verkeer en parkeren ....................................................................................................................................... 36
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 38 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 38 5.2 Toelichting ......................................................................................................................................................... 38 5.3 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 38 5.4 Planregels .......................................................................................................................................................... 38 5.5 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 39
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 40 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 41 7.1 Wettelijk vooroverleg........................................................................................................................................ 41 7.2 Participatie ........................................................................................................................................................ 42 7.3 Zienzwijzen ........................................................................................................................................................ 42
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is voornemens het perceel aan de Provincialeweg 21 in Schalkwijk te herontwikkelen. Het beoogde programma ziet op de sanering van circa 275 m² aan bebouwing, de restauratie van een oudere karakteristieke schuur en het herstellen van zichtlijnen, ook wordt de oude watergang gerestaureerd. Daarnaast zal de inrichting van het perceel wijzigen door de verplaatsing van de inrit. Met het beoogde plan wordt het plangebied zoveel als mogelijk terug gebracht naar de oude staat. In het verleden bestond het plangebied uit twee woonhuizen. In verloop van tijd is één van de woningen (de zogenaamde klompenmakerswoning) omgebouwd tot schuur en zijn er twee nieuwere schuren bijgebouwd. De oude karakteristieke schuur wordt na de restauratie gebruikt als woonhuis. Beoogde ontwikkelingen zullen de kwaliteit van de ruimte verbeteren en oude zichtlijnen vanaf de Provincialeweg op het polderlandschap terug brengen. De beoogde ontwikkeling past niet binnen het vigerende bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk', vastgesteld op 30 augustus 2017. Op dit moment is het plangebied voorzien van de bestemming 'Wonen - Vrijstaand'. Voorts gelden voor het gehele plangebied de dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en ‘Waarde – Landschap 1’.
De landschappelijke dubbelbestemming bepaalt dat het karakteristieke landschap, zoals beschreven in het Beoordelingskader Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (december 2011) niet in onevenredige mate mag worden geschaad. De voor ‘Waarde – Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. De dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ geldt enkel voor de gronden direct aan de Provincialeweg. Het voorgenomen plan is reeds voorbesproken met de gemeente Houten. De gemeente Houten heeft aangegeven te kunnen instemmen met de gewenste herontwikkeling van het perceel en heeft hiervoor ook de provincie Utrecht en Waterschap HDSR geconsulteerd. Het beoogde initiatief is echter niet passend binnen het geldende bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk', vastgesteld op 30 augustus 2017. Om de beoogde ontwikkeling mogelijk te maken is een bestemmingsplanherziening noodzakelijk. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin.
5
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied van voorliggend bestemmingsplan is gelegen aan de Provincialeweg 21 in Schalkwijk, in de gemeente Houten. Het perceel behorende bij de Provincialeweg 21 is kadastraal bekend onder perceelnummer 63 sectie K en beslaat een oppervlakte van ca. 2.840 m². De volgende afbeeldingen tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 1 Globale ligging van het plangebied, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 2 Globale begrenzing van het plangebied, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan De planlocatie ligt binnen de plangrenzen van het bestemmingsplan 'Eiland van Schalkwijk, vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Houten op 30 augustus 2017. Onderstaande afbeelding geeft het geldende bestemmingsplan ter plaatse van de Provincialeweg 21 weer.
Figuur 3 Fragment verbeelding geldend bestemmingsplan Eiland van Schalkwijk, plangebied rood omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Het projectgebied heeft in het geldende bestemmingsplan ‘Eiland van Schalkwijk’ de bestemmingen 'Wonen - Vrijstaand'. Daarnaast geldt ook de functieaanduiding 'specifieke vorm van wonen - agrarische nevenactiviteiten'. Voor het plangebied gelden de volgende dubbelbestemmingen 'Waarde – Archeologie 1' en ‘Waarde – Landschap 1’. Binnen deze dubbelbestemmingen is het niet mogelijk om in onevenredige mate het karakteristieke landschap te beschaden, zoals beschreven in het Beoordelingskader Structuurvisie Eiland van Schalkwijk (december 2011). De voor ‘Waarde – Archeologie 1’ aangewezen gronden zijn mede bestemd voor de instandhouding en bescherming van de in de grond aanwezige archeologische waarden. De dubbelbestemming ‘Waterstaat - Waterkering’ geldt enkel voor de gronden direct aan de Provincialeweg. In de toekomstige situatie zijn er twee woningen in het projectgebied in plaats van één woning in de huidige situatie. De beoogde ontwikkeling is daarmee in strijd met het vigerend bestemmingsplan.
1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 de huidige situatie en de gewenste ontwikkeling beschreven. In hoofdstuk 3 is een beschrijving van het relevante nationale, provinciale en gemeentelijke beleid en de relevante wet- en regelgeving opgenomen. In hoofdstuk 4 wordt het project inhoudelijk op haalbaarheid getoetst aan de hand van het geldende beleid en (milieu)wetgeving. In hoofdstuk 5 wordt vervolgens een juridische planbeschrijving gegeven. In hoofdstuk 6 wordt ingegaan op de economische haalbaarheid van het plan. Tot slot bevat hoofdstuk 7 de maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan, waarbij de uitkomsten van de participatie, de terinzagelegging en het vooroverleg zijn opgenomen.
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied ligt aan de Provincialeweg 21, ten zuidoosten van de kern Schalkwijk. Het dorp Schalkwijk bestaat uit een bijna vier kilometer lang bebouwingslint door het veenweidelandschap. Het slagenlandschap met erven aan de kop is kenmerkend voor het gebied. De locatie wordt aan de zuidwestzijde begrensd door de Provincialeweg. Het perceel wordt ontsloten door middel van één ontsluitingsweg. Het plangebied maakt onderdeel uit van het bebouwingslint. Ten zuidoosten van het plangebied bevindt zich bebouwing in de vorm van bedrijvigheid. Achter de bebouwing ligt een weiland als onderdeel van het open landschap achter het lint. Op circa 400 meter ten zuidoosten van het plangebied loopt een spoorweg. De navolgende afbeeldingen geeft een situatietekening en impressie van het plangebied in zijn huidige situatie weer.
Figuur 4 Situatietekening bestaande situatie plangebied aan de Provincialeweg 21 (bron: Buro SRO)
Figuur 5 Plangebied vanaf de Provincialeweg (bron: Google Streetview)
8
Op een erf van 2.840 m² staat een woonhuis met drie grote opstallen. Het woonhuis heeft een bouwjaar van 1948. Karakteristiek is de voormalige woning van de klompenmaker, die is omgebouwd tot schuur. Bijzonder is de ligging dicht op de Provincialeweg en de authentieke uitstraling. Stedenbouwkundig is het opvallend dat het pand is georiënteerd op de Provincialeweg met de nokrichting haaks op deze weg terwijl veel van de omliggende bebouwing is gesitueerd op de verkavelingsrichting in het landschap. Dit maakt dat het afwijkend is van de overige bebouwing en geeft een verrassend en speels beeld. Het huidige erf is fraai ingericht met streekeigen beplanting en (fruit)bomen, hagen en gazon. Dit past goed bij de omgeving en zorgt voor een vriendelijke uitstraling.
9
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens twee schuren op het erf te slopen om meer openheid op het plangebied te creëren. De schuur in het westen van het plangebied wordt gerestaureerd en teruggebracht naar zijn oorspronkelijk functie als woonhuis. Schuur wordt teruggebracht naar oorspronkelijk woonhuis In het verleden zijn er een aantal architectonische aanpassingen gedaan om de woning om te bouwen tot schuur. De voordeur is dicht gemetseld en de ramen zijn verkleind. De initiatiefnemer is van plan om het pand weer in oude staat te herstellen. Met de verandering van het gebruik wordt de historische functie (wonen) en uitstraling van het pand weer authentiek. Storende bebouwing wordt gesaneerd Kenmerkend van dit bebouwingslint in Schalkwijk zijn de doorzichten en het contrast tussen openheid en de meer besloten erven in het opgaand groen. Aan de westzijde van het plangebied is een open weide waardoor er zicht is tot aan de opgaande beplanting van de Kanaaldijk aan de Lek. De weide achter het plangebied is ook open en vrij van opgaande beplanting. Dit is nu niet waarneembaar vanaf de Provincialeweg door de achterliggende agrarische bebouwing die het zicht blokkeert, zie rode stippellijn op de foto hieronder. Met deze ontwikkeling worden deze twee grote schuren op het achtererf gesaneerd.
Dit is niet alleen architectonisch een verbetering omdat de moderne en praktische uitstraling van de bebouwing niet passend is in de omgeving maar ook landschappelijk een verbetering doordat er een nieuwe zichtlijn ontstaat tussen de bestaande bebouwing in. De nieuwe zichtlijn wordt versterkt door de verplaatsing van de bestaande inrit naar de andere zijde van de leilinden. De oude schuur komt zo meer in het groen te liggen en het zicht wordt geleid over de inrit naar het achterliggende land. Door dit juridisch te borgen wordt er in het bestemmingsplan een strook tuin aangelegd. Er ontstaan dan twee bouwvlakken in het gebied. Volgens artikel 3.1 (Tuin - Voortuin) mag er een inrit gerealiseerd worden, hier wordt gebruik van gemaakt. Middels een aanvullende bepaling wordt geborgd dat hier ook niet vergunningsvrij mag worden gebouwd. Historische sloot wordt hersteld Op de historische kaarten is zichtbaar dat op de grens van het achtererf een verbindende sloot heeft gelopen tussen de sloten aan weerszijde van de kavel. Deze watergang wordt weer teruggebracht. Naast de cultuurhistorische waarde van deze sloot is dit ook waardevol voor de waterhuishouding en met het juiste beheer en oeverprofiel ook voor de ecologie en biodiversiteit. De bestaande bomen die in het plangebied aanwezig zijn blijven behouden.
Onderstaande afbeeldingen tonen een impressie van het doorzicht tussen de schuur en de woning, een inrichtingsplattegrond van de beoogde situatie en een impressie van het herstel van de voorgevel van de oude schuur.
Figuur 6 Doorzicht tussen schuur en woning op achterliggende agrarische bebouwing (bron: Buro SRO)
10
Figuur 7 Plattegrond beoogde situatie (bron: Buro SRO)
Figuur 8 Impressie herstel voorgevel oude schuur (bron: Buro SRO)
Verkeer en parkeren Het bestaande ontsluitingspad zal worden verplaatst. In de toekomstige situatie zal er een nieuwe ontsluiting tussen de oude schuur en de bestaande woning gerealiseerd worden. De verkeersgeneratie zal door het toevoegen van één woning licht toenemen. Verwacht wordt dat de Provincialeweg deze beperkte toename aan verkeersbewegingen kan verwerken. Het parkeren zal op eigen terrein uit het zicht (en buiten de zichtlijn) plaatsvinden.
11
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze leefomgeving' in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven, zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw, zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI bevat een toekomstperspectief met de ambities van het Rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek Gezien de aard en omvang van het project is de Nationale Omgevingsvisie niet specifiek van toepassing op het plangebied. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening De wetgever heeft in de Wet Ruimtelijke Ordening, ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien provinciale of nationale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens provinciale verordening respectievelijk bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen. In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Buiten deze 14 belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Planspecifiek Onderhavig plan raakt niet aan één van de nationale belangen van het Barro.
Het Barro vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van onderhavig plan.
12
3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.' Uit jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de ondergrens van wat als nieuwe stedelijke ontwikkeling moet worden gezien, tussen de 9 en 14 nieuwe woningen ligt afhankelijk van de omgeving waarin de ontwikkeling plaatsvindt. Onderhavig plan betreft het toevoegen van één extra woning en is daarmee in dit verband niet aan te merken als stedelijke ontwikkeling. Wel dient in het kader van een goede ruimtelijke ordening de behoefte voor de beoogde ontwikkeling te worden beargumenteerd. Binnen de gemeente Houten (en de bijbehorende kernen) is er een grote vraag naar woningen. Het beoogde programma is in het kader van de ladder voor duurzame verstedelijking te motiveren. Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling niet nader getoetst hoeft te worden aan de ladder voor duurzame verstedelijking.
13
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Omgevingsvisie provincie Utrecht De Omgevingsvisie provincie Utrecht is op 10 maart 2021 vastgesteld. De ruimte in de provincie is beperkt terwijl de vraag naar ruimte groot is. Dat stelt de provincie Utrecht voor een grote uitdaging: 'hoe gaan we om met de groei van inwoners en bedrijven zonder dat dit ten koste gaat van een prettige en gezonde leefomgeving? We móeten keuzes maken'. Daarom is het uitgangspunt om waar mogelijk te kiezen voor slim combineren en concentreren. Met zeven beleidsthema’s geeft de provincie richting aan de ontwikkeling en de bescherming van een gezonde en veilige leefomgeving. In 2050 is de provincie Utrecht een inclusieve en circulaire provincie:
• • • • • • •
waarin Stad en land gezond zijn; die Klimaatbestendig en waterrobuust is; waarin Duurzame energie een plek heeft; met Vitale steden en dorpen; die Duurzaam, gezond en veilig bereikbaar is; met een Levend landschap, erfgoed en cultuur; die een Toekomstbestendige natuur en landbouw heeft.
Slim combineren Met slim combineren bedoelt de provincie Utrecht dat de beschikbare ruimte op meerdere manieren gebruikt kan worden. De provincie combineert bijvoorbeeld het versterken van de rivierdijken met de ontwikkeling van nieuwe fiets- en wandelroutes en nieuwe recreatie- en natuurgebieden. Door te zorgen dat het autoverkeer op de dijken vermindert, ontstaat er meer ruimte voor wandelaars en fietsers. Concentreren Concentreren betekent bijvoorbeeld dat nieuwe woningen voornamelijk gebouwd worden dichtbij stations en in steden en dorpskernen. Veel van wat je nodig hebt, is dan in de buurt en goed bereikbaar. Als het nodig is om kernen leefbaar te houden, is daarnaast een kleine uitbreiding mogelijk. Daarbij is voldoende ruimte om te bewegen en voldoende groen en water belangrijk. En door te bouwen in bebouwd gebied (concentreren), wordt er juist gezorgd dat er op andere plekken in de provincie ruimte overblijft voor andere zaken dan wonen. Denk aan natuur, het verbouwen van voedsel, het opwekken van zon- en windenergie en het verbouwen van voedsel. Uitvoering geven aan de Omgevingsvisie De vraagstukken waar we voor staan kunnen de provincie niet alleen oplossen. Samenwerking met inwoners, ondernemers, belangenorganisatie en medeoverheden, partners en de samenleving is cruciaal. Alleen dan kunnen de ambities bereikt worden.
Eiland van Schalkwijk De gebiedsontwikkeling Eiland van Schalkwijk heeft in de Interim Omgevingsverordering een experimenteerstatus gekregen. In de Omgevingsvisie is deze experimenteerstatus gehandhaafd. In het kader van de zoektocht naar de rolverdeling tussen overheden zoekt de provincie naar een specifieke, 'vrijere', regulering voor de gebiedsontwikkeling. Een uitbreiding van 250 woningen verspreid liggend buiten de rode contour wordt voorzien in de gebiedsontwikkeling ‘Eiland van Schalkwijk’, die op de eerste plaats gericht zijn op het behoud en versterken van de leefbaarheid van de kernen door de woningbouw zoveel mogelijk te beperken tot de lokale woningbehoefte. Woningbouw is mogelijk als economische drager voor de realisatie van de in de Visie genoemde doelstelling (landschap, natuur, water, landbouw, recreatie, cultuurhistorie, e.d.), mits niet strijdig met de andere functies en nauwkeurig afgewogen binnen het duurzaamheidskader Eiland van Schalkwijk.
14
Planspecifiek Het projectgebied maakt onderdeel uit van het 'Eiland van Schalkwijk' welke in de Omgevingsvisie een experimenteerstatus heeft gekregen. Het streven is om de potenties van het gebied beter te benutten en het gebied daarmee aantrekkelijker te maken voor recreatie en toerisme. Het plangebied valt op de kaart 'wonen en werken' binnen de contouren aangewezen als Kernrandzone (direct aansluitend aan de rode contour). Deze zone om de Utrechtse kernen is van grote waarde voor de leefbaarheid van de kern als uitloopgebied en voor de hier aanwezige stedelijke functies. De kwaliteiten en mogelijkheden van de kernrandzones vragen om specifiek gemeentelijk beleid gericht op het behouden en versterken van de ruimtelijke kwaliteit. Met het slopen van de twee schuren wordt meer open ruimte gecreëerd en ontstaan er nieuwe zichtlijnen. Daarnaast wordt met het grotendeels herstellen van het perceel en de oude schuur naar oorspronkelijke staat een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Dit komt ook recreatie en toerisme ten goede. De toekomstige erfinrichting houdt tevens rekening met het landschap. Voorts wordt een bijdrage geleverd aan de uitbreiding van 250 woningen buiten bestaand stedelijk gebied (voorheen rode contour). Met de voorgenomen ontwikkeling vindt aansluiting plaats op de uitgangspunten van de Omgevingsvisie.
De beoogde erfinrichting draagt bij aan de versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de woning draagt bij aan de lokale behoefte aan woningen. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling in lijn is met de Omgevingsvisie. 3.2.2 Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht Het beleid van de Omgevingsvisie wordt uitgevoerd met behulp van de op 10 maart 2021 vastgestelde Interim Omgevingsverordening en Programma's: De Omgevingsverordening In de Interim Omgevingsverordening van de provincie Utrecht staan de regels die horen bij het beleid dat in de Omgevingsvisie staat. Bijvoorbeeld regels voor natuurgebieden, waterwingebieden en woningbouw. Het opstellen van deze regels is een wettelijke taak of is het gevolg van politieke keuzes van de provincie Utrecht. In de Omgevingsverordening gaat het deels om regels die alleen voor gemeenten, waterschappen en uitvoeringsdiensten gelden en deels om regels die voor iedereen gelden. De provincie Utrecht heeft de ambitie om alleen regels te maken om risico’s uit te sluiten. Soms is het mogelijk van regels af te wijken. De provincie Utrecht vindt het belangrijk om ruimte te geven aan nieuwe initiatieven en maatwerk per gebied. In de Omgevingsverordening zijn alle regels voor de leefomgeving samengebracht en de provincie Utrecht is van zo’n 20 verordeningen naar één Omgevingsverordening gegaan.
Dit moet het voor iedereen eenvoudiger maken om te zien welke regels waar gelden. Programma's Om het beleid uit te voeren zijn er niet alleen regels nodig, maar ook op uitvoering gerichte programma’s. De provincie zal hier samen met overheden, partners en de samenleving invulling aan geven. Bijvoorbeeld in het programma ‘wonen en werken’. Gemeenten in een regio en provincie zitten daarbij samen aan tafel en leggen vast welke woningen waar op welk moment gebouwd gaan worden en welke bedrijventerreinen ontwikkeld gaan worden. Daarbij wordt ook rekening gehouden met andere zaken, zoals dat mensen naar hun werk kunnen gaan en dat er voldoende recreatie en groen is. Met de Omgevingsvisie wil de provincie Utrecht duidelijkheid geven hoe de Utrechtse leefomgeving ingericht kan worden. Welke rol de provincie pakt, hangt af van de situatie. De ene keer zal de provincie Utrecht een ontwikkeling stimuleren, de andere zorgt ze ervoor dat plannen worden aangepast om de kwaliteiten van de omgeving te beschermen.
15
Planspecifiek Uit de kaart 'Wonen, werken en recreëren' blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van kernrandzone. De kernrandzone is het gedeelte van het landschap en het landelijk gebied dat direct aansluit aan het stedelijk gebied. Deze zone om de Utrechtse kernen is van grote waarde voor de leefbaarheid van de kern als uitloopgebied en door de hier aanwezige stedelijke functies. In artikel 9.8 'Instructieregel kernrandzone' staat dat er in een dergelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking. Het toevoegen van de beoogde woning kan volgens de Interim Omgevingsverordening worden aangemerkt als een stedelijke functie. In de huidige situatie is er schuur op de planlocatie aanwezig. In het verleden stond hier een woonhuis. In verloop van tijd is deze woning omgebouwd tot schuur. De oude karakteristieke schuur zal na de restauratie gebruikt worden als woonhuis, waarbij de kwaliteit van de ruimte verbeteren en oude zichtlijnen vanaf de Provincialeweg op het polderlandschap terug brengen. De planlocatie is gelegen binnen een zogenaamde bebouwingsenclave. Verstedelijking kan plaatsvinden binnen een bebouwingsenclave indien er sprake is van een kwaliteitsverbetering, in casu is hier sprake van. Er kan gesteld worden dat er wordt voldaan aan het gestelde in de Interim Omgevingsverordening.
In het kader van het wetttelijke vooroverleg heeft de provincie Utrecht aangegeven in te kunnen stemmen met deze planontwikkeling.
16
3.3 Regionaal beleid 3.3.1 Landschapsontwikkelingsplan Kromme Rijngebied In het uitvoeringsprogramma Kromme Rijn vormt het opstellen van een landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor het Kromme Rijngebied een van de projecten. De gemeenten Bunnik, De Bilt, Houten, Utrechtse Heuvelrug, Wijk bij Duurstede en Zeist hebben besloten samen een (LOP) op te stellen. Samen met het beeldkwaliteitplan is het LOP in september 2010 door de gemeenteraad vastgesteld. Doelstelling Het belangrijkste doel van het landschapsontwikkelingsplan is het behouden, versterken en ontwikkelen van de landschappelijke kwaliteiten en samenhang in het plangebied. Daarbij staan de streekeigen identiteit, verscheidenheid en beleving van het landschap voorop. Het buitengebied dient daarbij vitaal, aantrekkelijk en economisch gezond te zijn. Specifieke doelstellingen voor het LOP zijn de volgende:
•
waarborgen van het cultureel erfgoed en een goede leefomgeving voor toekomstige generaties door functies op adequate wijze te situeren en vorm te geven;
• •
versterken van de identiteit en beleefbaarheid van het landschap;
• •
stimuleren van de betrokkenheid (inhoudelijk en financieel) van de burger bij de kwaliteit van het landschap en de leefomgeving en stimuleren van lokale en regionale initiatieven voor verbetering van het landschap; vormen van een helder referentiekader vanuit de landschapskwaliteit voor beoordeling en advisering van nieuwe ontwikkelingen; versterken van de (be)leefbaarheid van het buitengebied.
Deelgebied Kom van Schalkwijk Op grond van de ontstaansgeschiedenis en de occupatie is het gebied in te delen in een aantal deelgebieden. Voor het plangebied is deelgebied Kom van Schalkwijk van belang. De ruimtelijke kwaliteiten van dit gebied zijn:
• • •
herkenbare slagenverkaveling en open landschap met Schalkwijk als fraai bebouwingslint; overwegend weidebouw, echter ook laagstamfruitteelt; bijzonder inundatiekanaal in het verlengde van fort Honswijk.
De daarbij geformuleerde problematiek en opgaven zijn:
• • • •
beperkt aantal ontsluitingswegen voor landbouwkundig en recreatief verkeer; in aansluiting op omringende stedelijke gebieden van Houten, Nieuwegein en Vianen is er behoefte aan recreatief medegebruik en een hiervoor aantrekkelijke inrichting; doorsnijding en begrenzing door infrastructuur: Amsterdam-Rijnkanaal, spoorlijn Utrecht-Den Bosch, A2 en aan zuidzijde Lek; toekomstige woningbouwopgave.
Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt er rekening gehouden met de herkenbare slagenverkaveling in het gebied. Daarnaast wordt met de sloop van de twee schuren en de herinrichting van het perceel een bijdrage geleverd aan de ruimtelijke kwaliteit. Het toevoegen van de historische watergang, het herstellen van de zichtlijn en het herstellen van de oude schuur naar oorspronkelijke staat versterken de ruimtelijke kwaliteit. Geconcludeerd kan worden dat de beoogde ontwikkeling de ruimtelijke kwaliteit van het lint en het open slagenlandschap versterkt en daarmee in lijn is met het LOP.
17
3.3.2 Beeldkwaliteitplan Kromme Rijngebied In september 2010 heeft de gemeenteraad van Houten het Beeldkwaliteitplan Kromme Rijngebied vastgesteld. Dit beeldkwaliteitplan is een uitwerking van het Landschapsontwikkelingsplan (LOP) Kromme Rijngebied en vormt een aanvulling op de welstandsnota's van de Kromme Rijngemeenten. Het Beeldkwaliteitplan gaat in op de ruimtelijke samenhang van de bebouwing met de omgeving, de erfinrichting en de visuele kenmerken van het landschap en geeft informatie over hoe nieuwe ontwikkelingen zo goed mogelijk kunnen worden ingepast in het Kromme Rijnlandschap. Binnen het beeldkwaliteitplan is het plangebied gelegen in het deelgebied Kom van Schalkwijk. De Kom van Schalkwijk heeft een open grootschalig karakter met een regelmatige slagenverkaveling. De bebouwing bestaat uit lintbebouwing en enkele vrij liggende boerderijen. Het gebied is vrij open. Beplanting is te vinden rondom de bebouwing, met name in de lengterichting van de kavel. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ruimtelijke karakteristiek van de omgeving, zoals deze in paragraaf 2.2 beschreven. Het landschappelijk wonen uit zich in de ruime kavels. De bestaande beplanting blijft behouden, welke ook aansluit bij streekspecifieke beplanting. De nieuwe zichtlijn vergroot de openheid van het perceel en geeft een doorkijk naar het achterliggende landschap.
Geconcludeerd wordt dat de beoogde ontwikkeling aansluit aan de beleefbaarheid van het open slagenlandschap.
18
3.4 Gemeentelijk beleid 3.4.1 Structuurvisie Eiland van Schalkwijk De Structuurvisie Eiland van Schalkwijk is door de raad van de gemeente Houten vastgesteld op 22 december 2011. De visie geeft planologische duidelijkheid en biedt een antwoord op ontwikkelingen die plaatsvinden in de landbouw, oprukkende verstedelijking, veranderende maatschappelijke omstandigheden en actuele grondposities. De structuurvisie is gericht op de duurzame ontwikkeling van het eiland met en door alle betrokken partijen. De visie wordt ondersteund door de provincie Utrecht en het hoogheemraadschap de Stichtse Rijnlanden en is in nauwe samenwerking met deze partijen tot stand gebracht. Met deze structuurvisie legt de gemeente de koers op hoofdlijnen vast voor ontwikkeling van het Eiland van Schalkwijk, waarbij:
• • •
landbouw en recreatie de belangrijkste dragers zijn voor de economische ontwikkeling; de leefbaarheid in de kernen (vitaliteit) verder zal worden versterkt;
•
ruimte wordt geboden aan water, waarbij een goed functionerend watersysteem bijdraagt aan economische en ecologische ontwikkeling; duurzame ontwikkeling het uitgangspunt is.
•
de essentiële (landschappelijke en ecologische) kwaliteiten worden behouden en versterkt (open en groen);
Daarnaast wordt met de structuurvisie een ontwikkelingsvisie aangereikt dat:
• • • •
de ruimtelijke kaders aangeeft voor die initiatieven; private en publieke partijen uitdaagt met initiatieven en nieuwe samenwerkingsverbanden te komen; als eerste toetsingskader dient bij het beoordelen van initiatieven; een kader biedt voor later op te stellen bestemmingsplannen.
De ambitie is dus om naast het benoemen en vastleggen van de ruimtelijke kwaliteit, een ontwikkelingsproces op gang te brengen. Geen blauwdruk van een plan, maar een zoektocht naar passende initiatieven die duurzaam en economisch haalbaar zijn, waarbij de overheid faciliteert en toetst. Initiatieven zijn niet alleen invullingen binnen een bestaande structuur, maar dragen bij aan het in stand houden en versterken van die structuur. Planspecifiek De structuurvisie benoemt de ontwikkelingskansen waarmee ondernemers en bewoners aan de slag kunnen. Particuliere initiatieven, welke in zekere zin bijdragen aan de duurzame ontwikkeling van het gebied, zijn zeer welkom. Grootschalige woningbouw is niet passend in een hoofdzakelijk landbouwgebied. Om de vitaliteit van de kleine kernen in stand te houden (sociale cohesie, het draagvlak voor voorzieningen en het verenigingsleven) is ruimte nodig voor het toevoegen van een kleine hoeveelheid woningen in of aan de bestaande kernen. De inzet is om woningbouw op het eiland zoveel mogelijk te beperken tot aan de lokale woningbehoefte. De voorgenomen ontwikkeling van het toevoegen van één woning sluit aan op de uitgangspunten zoals benoemd in de structuurvisie Eiland van Schalkwijk. De kleinschalige ontwikkeling voorziet in de lokale woningbehoefte en draagt onder meer met de sanering van de verouderde schuren bij aan de ruimtelijke kwaliteit.
19
3.4.2 Woonvisie 2021-2030 Op 14 december 2021 is de Woonvisie 2021 - 2030 vastgesteld door de gemeenteraad van de gemeente Houten. De basis van de woonvisie wordt gevormd door het woningbehoefteonderzoek (Wbo) dat in augustus 2015 is gedaan. Het Wbo heeft een scope, parallel aan de woonvisie, tot 2025. Het Wbo vertaalt dat onder andere in het feit dat Houten de komende tien jaar een woonbehoefte heeft van ongeveer 1.800 woningen. Daarvan is ongeveer driekwart autonoom, dat wil zeggen uit Houten zelf. Indicatief komt dat neer op ongeveer 1.100 eengezinswoningen en 700 gelijkvloerse woningen. Na 2025 zal Houten fors vergrijzen. De verwachting is dat Houten iets meer huishoudens krijgt, maar dat deze kleiner zullen zijn. Houten wil graag zo veel als mogelijk binnen vastgestelde kaders aan deze behoefte tegemoet komen. De woningbouwmogelijkheden op nog in ontwikkeling te nemen gebieden waarvoor de programma’s in contracten en bestemmingsplannen zijn vastgelegd zijn beperkt. Voorzien is dat tussen de 800 en 1.000 woningen van de voorziene behoefte hierop kunnen worden gerealiseerd. De overige plekken zullen gevonden moeten worden in de transformatie van bestaand vastgoed (kantoren, maatschappelijk vastgoed en woningen). De verwachting is dat in genoemde periode de gewenste woningproductie van 1.800 woningen voor een groot deel gehaald gaat worden. Thema's woonvisie a.
Gemixte wijken
Houten wil zo veel mogelijk gemixte wijken realiseren waarin veel verschillende wooningtypes bij elkaar staan die weer behoren tot verschillende doelgroepen. a.
Plek in de wijk
Naast gemixte wijken wilt de Gemeente Houten ook nog zorgen voor voldoende ruimte in de wijk voor zowel jong als oud openbare inrichtingen, voorzieningen en ontmoetingsplekken te realiseren zodat er hierdoor een erg prettige woonplek ontstaat. a.
Zelfstandig met begeleiding
naast het mixen van de doelgroepen wilt Houten ook zorgen dat ouderen zo lang mogelijk in hun eigen woningen blijven wonen door ze te begeleiden waar nodig zodat de doelgroepen zo divers mogelijk blijven als maar kan en dat mensen zo lang mogelijk voor zichzelf kunnen blijven zorgen. Schalkwijk De beleidsopgave van de gemeente Houten is tweeledig. Enerzijds ligt het accent op de binnenstedelijke opgave (ten minste 2/3 van de woningbouwopgave binnenstedelijk realiseren). Anderzijds ligt het accent op het behoud en versterken van de kwaliteit van het landelijk gebied. De provincie verleent het Eiland van Schalkwijk een aparte status door toe te staan dat buiten de rode contour maximaal 250 woningen kunnen worden gebouwd. Voorwaarde is wel dat initiatieven daartoe moeten leiden tot versterking van de toeristisch-recreatieve activiteiten op het ‘Eiland’. Uit de woonvisie blijkt tevens dat de kleine kernen leefbaar moeten blijven. Toevoeging van woningen aan de bestaande voorraad kan daaraan bijdragen. Hier liggen volgens het Wbo kansen voor versterking van het dorpsachtig woonmilieu in de hogere prijsklassen. Planspecifiek Voor de kern Schalkwijk geldt dat er een woningbouwbehoefte bestaat om de kern leefbaar te houden, de beoogde ontwikkeling, het toevoegen van één woning en de herinrichting van het perceel, draagt daar aan bij.
Geconcludeerd kan worden dat de voorgenomen ontwikkeling in lijn is met het gestelde in de Woonvisie 2016 - 2025 en onveranderd is gebleven in de woonvisie van 2021-2030.
20
3.4.3 Klimaatplan gemeente Houten 2022-2027 Op 24 december 2021 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Klimaatadaptatieplan Houten 2022-2027 goedgekeurd. Dit plan is opgedeeld in vier verschillende punten:
• • • •
Wateroverlast; Hitte; Droogte; Overstroming.
De verschillende maatregelen en benodigde middelen zijn vastgelegd in een uitvoeringsplan. In dit plan staan concrete activiteiten beschreven om de komende jaren stappen te nemen richting een klimaatadaptief Houten. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Houten het Energieplan 2020-2025 vastgesteld. Dit plan gaat in op de kansen en behoeftes van de Houtense samenleving. De focus ligt op het ontwikkelen van voldoende draagvlak voor de grote veranderingen die nog op ons af gaan komen. Door het organiseren van een goede samenwerking met de (vrijwilligers) organisaties in Houten, die energieactiviteiten uitvoeren, kan een versnelling tot stand gebracht worden. Met de vaststelling van dit Energieplan is het eerste deel van het Klimaatplan gereed. Het energieplan spreekt de ambitie uit Houten in 2040 energieneutraal te krijgen. Ingezet wordt op meer zonnedaken en zonnepanelen. Daarnaast worden extra zonnevelden voorzien en een extra windpark. BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Dit zijn zogenaamde 'energie nul'-woningen en -gebouwen die aan de BENG-eisen (bijna energieneutraal gebouw) voldoen. Om aan deze eisen te voldoen kan gebruik gemaakt worden van een warmtepomp, zonnecollector en PV-panelen.
Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambitie van de gemeente Houten om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is mogelijk middels het treffen van duurzame maatregelen, waarbij gedacht wordt aan een laag energieverbruik, wateropvang, het goed isoleren en het toepassen van zonnepanelen. De woning wordt ontworpen met biobased materialen en als zeer energiezuinige woning. Op deze manier wordt bijgedragen aan een circulaire wereld en een gezondere leefomgeving. Biobased materialen zijn hernieuwbaar en houden voor een lange tijd CO2 vast wat de opwarming van de aarde tegengaat. Hierbij valt te denken aan HSB (Hout Skelet Bouw) elementen die gevuld zijn met biobasedvezelmateriaal (stro, hennep houtvezel, enz.). Door de woning goed te isoleren, luchtdicht en koudebrugvrij te ontwerpen, is er minimale energie nodig om de woning te verwarmen of te koelen. De kwalitatief hoogwaardige bouwkundige schil heeft als resultaat dat er maar kleine installaties met lage vermogens benodigd zijn. De raampartijen worden zorgvuldig gekozen en gepositioneerd, waardoor de zonnewarmte optimaal wordt benut en de woning passief kan worden verwarmd. Door het integreren van een juiste zomer-nachtventilatie wordt er voor gezorgd dat de woning in de zomer goed teruggekoeld kan worden. Daarnaast wordt er gebruikt gemaakt van zonnepanelen.
Al deze ontwerpbeslissingen zijn gebaseerd op het Passiefhuis concept, dat uitgaat van de Trias Energetica (stap 1: Beperk energievraag, stap 2: gebruik duurzame energie, stap 3: zorg voor efficiënt energiegebruik). Het daadwerkelijke verbruik van een biobasedpassiefwoning ligt minimaal 2x zo laag als van een traditionele BENG-woning. De woning wordt gasloos. Conclusie Het Klimaatplan gemeente Houten omvat geen belemmeringen voor de planontwikkeling. In de planontwikkeling wordt zo veel als mogelijk rekening gehouden met de uitgangspunten van het Klimaatplan, bijvoorbeeld door het toepassen van zonnepanelen en gebruikt te maken van Passiefhuis concept.
21
3.4.4 Toekomstvisie proeftuin Houten 2025 De toekomstvisie proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. In deze visie wordt een koers voor Houten in 2025 vastgelegd. Houten is in 2025 duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Vijf principes staan centraal om houvast te geven en weg te wijzen naar de toekomst: 1.
2.
3.
4.
5.
We stellen de mens centraal Met 50.000 inwoners heeft Houten een schaal bereikt waar mensen elkaar kennen en herkennen. Houten kiest daarom niet voor een nieuwe groeitaak. Er is nog wel plek voor nieuwe woningen, ook in de kleine kernen, maar de bouwlocaties zijn kleinschalig. We waarderen verschillen De samenstelling van de bevolking is in 2025 een stuk gevarieerder, waarbij Houten een tolerante, inclusieve samenleving is waar plek is voor jongeren en ouderen, autochtonen en allochtonen, en hoger en lager opgeleiden. We zijn zuinig op onze omgeving In 2025 is Houten een circulaire stad. Een stad 'in balans' is goed voor het leefklimaat van bewoners, voor de gezondheid, voor de omringende natuur en voor de toekomstige generaties. Technische innovaties worden omarmd waardoor Houten in 2025 stiller, schoner en klimaatvriendelijker is. We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig; de groenzones, het fietspadenstelsel, de rondweg van Houten, de centrumgebieden, de weidse buitengebieden en de cultuurhistorische schatten onder en boven de grond. Al deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is. We zijn actief in de regio Houten maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied in en rond Utrecht.
Tegelijkertijd ligt Houten in de rust en ruimte van het Eiland van Schalkwijk, de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enerzijds is sprake van gezamenlijke opgaven rond economie, mobiliteit, wonen, zorg en duurzaamheid (stedelijke oriëntatie). Anderzijds is er een ruimtelijke oriëntatie op het Kromme Rijngebied en de Lekstroom waarbij vraagstukken over natuur- en waterbeheer, recreatie, plattelandsontwikkeling en cultuurhistorie centraal staan. Houten is in 2025 een plek waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen: Houten als Proeftuin van de regio.
Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft het toevoegen van één extra woning. Dit kan gezien worden als een kleinschalige transformatie. Door het initiatief in te passen in de huidige structuren wordt voortgebouwd op de bestaande kenmerken. Het bieden van huisvesting komt tegemoet aan het tekort aan woningen en zorgt voor noodzakelijke doorstroming. Dit is een uitwerking van het principe 'we stellen de mens centraal'. Daarmee wordt de regionale woningbouwopgave aangepakt. Daarnaast zal de ontwikkeling aansluiten op het stedenbouwkundige en ruimtelijke concept van de gemeente Houten. Hiermee vindt aansluiting plaats met het principe 'we bouwen voort op ons ruimtelijk DNA'. Geconcludeerd kan worden dat het initiatief een positieve bijdrage levert aan de principes uit de toekomstvisie.
22
4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing. Planspecifiek Het bestemmingsplan bevat een activiteit die genoemd wordt in onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Het realiseren van woningen valt onder onderdeel D.11.2 'De aanleg, wijziging of uitbreiding van een stedelijk ontwikkelingsproject met inbegrip van de bouw van winkelcentra of parkeerterreinen', (drempelwaarde: een aangesloten gebied dat 2.000 woningen of meer omvat) van het Besluit milieueffectrapportage. Daarmee valt voorliggend plan onder sub c: het plan wordt wel genoemd
23
maar voldoet niet aan de drempelwaarde. Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Daarnaast blijkt uit uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RBOBR:2017:3537, 29 juni 2017) en (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Ook het opvullen van een open gebied in een stedelijke omgeving en het uitbreiden van bebouwing zijn, op basis van een uitspraak 12 juni 2019 (ECLI:NL:RVS:2019:1879, 12 juni 2019) en een tussenuitspraak van de AbRvS (ECLI:NL:RVS:2019:1668, 22 mei 2019) niet zonder meer te beschouwen als een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in het Besluit m.e.r. Met het voorliggende plan wordt er één extra woning toegevoegd, waardoor het aantal woningen niet substantieel wijzigt.
Gelet op het voorgaande kan gesteld worden dat er hier geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in onderdeel D.11.2 van de bijlage van het Besluit m.e.r. Een (vormvrije) m.e.r.beoordelingsbesluit is niet noodzakelijk.
4.2 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening moet worden aangetoond dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. Dit is geregeld in de Wet Bodembescherming. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel.
De gronden voor de beoogde woonbestemming hebben momenteel al de bestemming ‘Wonen – vrijstaand’. Bodemonderzoek wordt derhalve niet noodzakelijke geacht. De twee schuren die gesloopt gaan worden hebben asbest verdachte daken. Er zal een asbestsloopmelding gedaan moeten worden, dit volgt uit het bouwbesluit. Voor het opgraven van de watergang wordt er alleen gebruik gemaakt van het eigen perceel. De opgegraven grond zal niet toegepast worden op een ander perceel. Conclusie Er is geen bodemonderzoek nodig, wel moet er een asbestsloopmelding gedaan worden.
24
4.3 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen; geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek Een woning is in het kader van de Wet geluidhinder een gevoelige bestemming. De Provincialeweg kent ter plaatse van het plangebied een snelheidsregime van 50 km/uur. Daarom is het akoestisch onderzoek uitgevoerd (Adviesburo van der Boom, 21-98, d.d. 14 oktober 2021, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1). Toetsing wegverkeer De geluidbelasting door wegverkeer op de Provincialeweg bedraagt op de woning ten hoogste 56 dB na aftrek van 5 dB ex art 110-g Wgh. De voorkeursgrenswaarde van 48 dB wordt daarmee op de gevels van de woning overschreden. De maximale hogere waarde voor de Provincialeweg bedraagt 63 dB. Deze waarde wordt niet overschreden. Voor de woning dient een hogere waarde te worden aangevraagd van 56 dB voor wegverkeer op de Provincialeweg conform tabel III.2. De woning heeft een geluidluwe noordzijde en een geluidluwe buitenruimte aan de noordgevel. Toetsing railverkeer De hoogste geluidbelasting door railverkeer bedraagt 54 dB op de zuidgevel. Daarmee wordt voldaan aan de voorkeursgrenswaarde van 55 dB.
Er zijn geen hogere waarden nodig voor railverkeer. Gecumuleerde geluidbelasting weg- en railverkeer Omdat de geluidbelasting door railverkeer beneden de voorkeursgrenswaarde ligt hoeft geen gecumuleerde geluidbelasting te worden bepaald van weg- en railverkeer samen. Conclusie Hieruit kan geconcludeerd worden dat geluid geen hinder zal zijn voor de beoogde ontwikkeling.
25
4.4 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM 10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft het planologisch mogelijk maken van een woning en de herinrichting van het perceel. Het project is aan te merken als een project van ”niet in betekenende mate”. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Wel is ten behoeve van ‘een goede ruimtelijke ordening’, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Op de volgende afbeeldingen zijn de globale concentraties over 2017 van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) weergegeven. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2019 van fijnstof (PM 10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 17 μg/m³ PM10, 10 μg/m³ PM2,5 en 14 μg/m³ NO2.