CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 - ETFAL motivering Binnentuin 20

Gemeenteraad 18 maart 2025, gemeente HoutenBij agendapunt: Bindend advies, 6 woningen, Binnentuin 20 (OV 858949)15.581 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Artikel 5.130 Bkl ziet op het behoud van cultureel erfgoed en 5.131 Bkl ziet op het behoud van werelderfgoed. Daarnaast zijn in afdeling 8.8 van het Bkl regels opgesteld voor de beoordeling van rijksmonumentenactiviteit en het verplaatsen van gebouwde monumenten. Daarnaast zijn in het Bal instructieregels opgenomen aangaande rijksmonumenten (hoofdstuk 13). Doorwerking planinitiatief Archeologie Op basis van de archeologische beleidskaart van de gemeente Houten, te zien in onderstaande afbeelding, blijkt dat het plangebied binnen categorie 5 ligt. Dit gebied of terrein kent een lage archeologische verwachting of geen archeologische verwachting. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig planinitiatief. Overigens geldt te allen tijden een archeologische zorgplicht. De initiatiefnemer is verplicht rekening te houden met eventueel aanwezige archeologische resten.

Afbeelding 10: uitsnede archeologische beleidskaart Houten (bron: gemeente Houten)

Pagina 27 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

Cultuurhistorie In het gebied rondom de Binnentuin 20 zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De cultuurhistorische waarde van de twee gebouwen is door de ingrijpende wijzigingen door de tijd heen laag. Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Geconcludeerd wordt dat de aspecten archeologie en cultuurhistorie geen belemmering vormen voor het planinitiatief.

Pagina 28 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.3 Ecologie Op 1 januari 2017 is de (vervallen) Wet natuurbescherming (Wnb) in werking getreden. De Wnb is met het zogenoemde aanvullingsspoor natuur opgenomen in de Omgevingswet. Het aanvullingsspoor natuur zorgt voor de integratie van de regelgeving over natuur en flora en fauna in de Omgevingswet. Ter bescherming van de natuur zijn in het Bkl en Bal diverse regels opgenomen. Deze regels komen grotendeels overeen met de regels die zijn opgenomen in de Wnb. Het gaat in de eerste plaats om regels voor de gebiedsbescherming van aangewezen Natura 2000-gebieden, regels voor de soortenbescherming van te beschermen planten diersoorten (waaronder vogels) en regels ter bescherming van houtopstanden. Gebiedsbescherming Er zijn gebieden in Nederland die voor flora en fauna van groot belang zijn. Dit zijn de Natura 2000gebieden, Natuurnetwerk Nederland-gebieden en andere bijzondere natuurgebieden en landschappen. Natura 2000-activiteiten zijn activiteiten die significant nadelige gevolgen kunnen hebben voor een Natura 2000-gebied. De Omgevingswet geeft regels over die activiteiten om de natuur te beschermen. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000activiteit en flora- en fauna-activiteit. Artikel 8.74b van het Bkl bevat beoordelingsregels voor Natura 2000-activiteit.

In artikel 6.15 van de Omgevingsregeling wordt benoemd dat de stikstofdepositie moet worden berekend met AERIUS Calculator. Soortenbescherming Door een groot aantal activiteiten en invloeden staat het voortbestaan van veel dier- en plantsoorten onder druk. Daarom is soortenbescherming een onderdeel van de Omgevingswet. Sommige activiteiten kunnen gevolgen hebben voor dieren en planten in het wild. Dat zijn flora- en fauna-activiteiten. De Omgevingswet geeft regels over flora- en fauna-activiteiten om soorten te beschermen. Deze activiteit is vaak het gevolg van een andere activiteit zoals bouwactiviteit. In afdeling 8.6 van het Bkl zijn beoordelingsregels opgenomen voor omgevingsvergunning Natura 2000-activiteit en flora- en faunaactiviteit. Artikel 8.74j tot en met 8.74n bevat beoordelingsregels voor flora- en fauna-activiteit. Doorwerking planinitiatief Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen onderdeel uit van het Natuurnetwerk Nederland dat zich op zo’n 2,3 kilometer van het plangebied bevindt. Ook is er geen sprake van het vellen van houtopstanden. In juli 2024 is door Lodewijck Groep een Aerius-berekening uitgevoerd waarin de negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn berekend op het gebied van stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Lingegebied & Diefdijk-Zuid, welke op 10,5 kilometer van het plangebied afligt.

De toename in verkeersbewegingen door de voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toename in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Ook de uitstoot als gevolg van de bouwfase van de zes woningen leidt niet tot een toename in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Daarom zijn er geen belemmeringen op het gebied van stikstof voor de voorgenomen ontwikkeling. In bijlage 2 is het volledige onderzoek met de berekeningen bijgevoegd. Soortenbescherming: Quickscan flora en fauna Op 10 augustus 2023 is er door Econsultancy BV een quickscan Flora & Fauna uitgevoerd. Hieruit kwam naar voren dat er voor de gierzwaluw en boerenzwaluw een nader onderzoek naar nestlocaties moet worden uitgevoerd. Voor gebouwbewonende vleermuizen geldt dat hier ook nader onderzoek noodzakelijk is, net als voor de steenmarter. De verdere conclusies zijn nader beschreven in het onderzoeksrapport, dat is toegevoegd als bijlage 3 bij onderliggende onderbouwing. Soortenbescherming: Nader soortenonderzoek In juli 2024 is door Taharo B.V. een nader soorten onderzoek naar de huismus, gierzwaluw, vleermuis en steenmarter uitgevoerd. In deze alinea worden de belangrijkste bevindingen gedeeld. Voor het volledige

Pagina 29 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

rapport wordt verwijzen naar bijlage 3.2. Gebleken is dat er twee verblijfplaatsen van de huismus is aangetroffen in de schuur achter het woonhuis. Verder zijn er twee zomerverblijven aangetroffen van de gewone dwergvleermuis. Hiervoor dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden. Deze maatregelen worden in een activiteitenplan/ecologisch protocol opgenomen, daarnaast worden er overige mitigerende maatregelen zoals het voorkomen van verstoring tijdens de sloop en het treffen van permanente maatregelen eveneens opgenomen. Vervolgens wordt het activiteitenplan/ecologisch protocol voorgelegd aan de provincie Utrecht en dient er een omgevingsvergunning voor de flora en fauna activiteit te worden aangevraagd. Vanuit de gemeente Houten is verzocht om rekening te houden met het behoud van bestaande vegetatie binnen een straal van 10 meter rondom de nestplaatsen van huismussen. Indien dit niet mogelijk is worden compenserende maatregelen getroffen, zoals het aanplanten van inheemse struiken. Verder gaan binnen het onderzoeksgebied geen vaste rust- of verblijfplaatsen voor gierzwaluwen, boerenzwaluw en steenmarter verloren. Er gaat eveneens geen essentieel foerageergebied voor huismus en gewone dwergvleermuis verloren. Voor deze soorten zijn geen specifieke maatregelen nodig.

Pagina 30 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.4 Geluid van wegen, spoorwegen en industrieterreinen Het onderwerp geluid is via een Aanvullingswet meegenomen in de Omgevingswet. Voormalige geluidregelgeving (neergelegd in de – vervallen – Wet geluidhinder, hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer) is opgegaan in de Omgevingswet. Belangrijke delen van de vorige geluidregelgeving is opgenomen in de AMvB’s zoals het Bkl en de Bal. Ook zijn direct werkende regels in de bruidsschat opgenomen (paragraaf 22.3.4). Bij het toelaten van een activiteit, (spoor)weg, industrieterrein of geluidgevoelig gebouw moet het geluid op de geluidgevoelige gebouwen beoordeeld worden. Hiertoe zijn in paragraaf 5.1.4.2a van het Bkl instructieregels opgenomen. De instructieregels hebben tot doel het beheersen van geluid door wegen, spoorwegen en industrieterreinen en de bescherming van geluidgevoelige gebouwen en andere gebouwen en plekken. Hiervoor zijn in het Bkl eisen gesteld aan het geluid op geluidgevoelige gebouwen in specifieke geluidaandachtsgebieden. Een geluidgevoelig gebouw is een:

▪ ▪ ▪ ▪

Gebouw met een woonfunctie; Gebouw met een onderwijsfunctie; Gebouw voor kinderopvang met bedden; Gebouw voor gezondheidszorg met bedden.

Bij het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied gelden de instructieregels uit afdeling 3.5 van het Bkl. Een geluidaandachtsgebied is een gebied langs een weg, spoorweg of rond industrieterrein waar geluid hoger kan zijn dan de standaardwaarde (artikel 3.20 Bkl). De volgende geluidbronsoorten hebben een aandachtsgebied: rijkswegen, provinciale wegen, gemeentewegen, waterschapswegen, hoofdspoorwegen, lokale spoorwegen en industrieterreinen. Met het toelaten van een geluidgevoelig gebouw in een geluidaandachtsgebied dient er altijd rekening te worden gehouden met het belang van het beschermen van de gezondheid en het milieu. Bij het toelaten van een nieuw geluidgevoelig gebouw in een geluidsaandachtsgebied of het wijzigen of aanleggen van een geluidsbron met een geluidaandachtsgebied moet de geluidbelasting worden getoetst. Geluidwaarden worden uitgedrukt in standaardwaarden en grenswaarden. De standaardwaarden en grenswaarden zijn van toepassing op het geluid door alle geluidbronnen van een geluidbronsoort en gelden voor een geluidgevoelig gebouw dat langer dan 10 jaar is toegelaten (artikel 5.78, tweede lid, Bkl). De standaardwaarde is een aanvaardbaar geluidsniveau waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Het uitgangspunt is dat het geluid op een geluidgevoelig gebouw niet hoger is dan de standaardwaarde (artikel 5.78t Bkl).

Het geluid is dan in ieder geval aanvaardbaar en de kans op gezondheidsschade is klein. Meer geluid dan de standaardwaarde kan echter als aanvaardbaar beoordeeld worden (artikel 5.78u tot en met 5.78ad Bkl). Een grenswaarde is een uiterste grens waar niet van mag worden afgeweken. Voor een beperkt aantal gevallen kan er worden afgeweken van grenswaarden uit het Bkl. Dit kan bij zwaarwegende economische of andere zwaarwegende maatschappelijke belangen (artikel 5.78aa lid 1 onder a Bkl). Ten slotte voor andere gebouwen – dan geluidgevoelig gebouw – of locaties bepaalt de gemeente zelf de mate van bescherming tegen geluid. Dat doet de gemeente vanuit haar taak ‘evenwichtige toedeling van functies aan locaties’. Doorwerking plangebied Op 2 januari 2024 is het Geluidregister opengesteld waar bronhouders (het Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) hun geluidgegevens voor de geluidbronnen weg, spoor, industrie, windturbines, luchtvaart en schiet- en springterreinen aanleveren. In het Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) worden deze gegevens verzameld en beschikbaar gesteld. In afbeelding 12 is het geluidsaandachtsgebied

Pagina 31 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

van het hoofdspoor weergegeven. Hierin is te zien dat het geluidaandachtsgebied ‘hoofdspoor’ het plangebied niet raakt. Overige geluidsbronnen zoals vliegvelden en industrieterreinen bevinden zich niet in de nabijheid van het plangebied en derhalve niet relevant. Daarentegen bevinden zich in de nabijheid van het plangebied meerdere gemeentewegen. Om deze reden wordt in deze paragraaf enkel het aspect geluid van wegverkeer behandeld.

Afbeelding 11: geluidsaandachtsgebied ‘hoofdspoor’ (bron: Centrale Voorziening Geluidgegevens (CVGG) Geluidregister)

Wegverkeer Ingevolge artikel 5.78 van het Bkl blijkt dat alle verharde gemeentewegen met een verkeersintensiteit van meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal een geluidsaandachtsgebied hebben, waarbinnen een geluidsonderzoek verplicht is als er nieuwe woningen of andere geluidgevoelige gebouwen worden gerealiseerd. Verwacht wordt dat de verkeersintensiteit van de Binnentuin (30 km/u) minder is dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal. Bovendien is de Binnentuin een doodlopende straat met ruim 20 woningen. Ten noorden van het plangebied bevindt zich de gemeenteweg de Rondweg (50 km/u) en ten westen de gemeenteweg Het Spoor (30 km/u). Uit het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit (CIMLK) is gebleken dat de verkeersintensiteit op deze wegen meer dan 1.000 motorvoertuigen per etmaal is. Deze gemeentewegen hebben daarmee een geluidsaandachtsgebied. In de CVGG zijn door de gemeente Houten nog geen gegevens van geluidsbronnen (wegen) toegevoegd. Om deze reden is gekeken naar de kaart van Atlas Leefomgeving ‘Geluid wegverkeer’. Hieruit is gebleken dat de geluidsbelasting van wegverkeer lager is dan 45 dB (lden) zie ook afbeelding 12. Geconcludeerd wordt dat het aspect (wegverkeer)lawaai géén belemmering vormt.

Afbeelding 12: uitsnede kaart Atlas voor de Leefomgeving

Pagina 32 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.5 Luchtkwaliteit In paragraaf 5.1.4.1 van het Bkl staan instructieregels voor het beschermen van de luchtkwaliteit. De overheid toetst en monitort de luchtkwaliteit vooral in de zogenoemde aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn locaties met hogere concentraties stikstofdioxide (NO2) en/of fijnstof (PM10) (artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl). In de aandachtsgebieden kan niet worden uitgesloten dat lokaal een overschrijding van de rijksomgevingswaarden kan optreden, rekening houdend met de realisatie van eventuele werken en activiteiten in deze gebieden. Boven genoemde paragraaf heeft betrekking op activiteiten binnen het aandachtsgebied. Maar het kan ook gaan om activiteiten in de buurt van een aandachtsgebied. In sommige gevallen kunnen activiteiten buiten het aandachtsgebied zorgen voor een verhoging van de concentraties binnen het nabijgelegen aandachtsgebied. Om deze reden dient een gemeente een initiatief soms te toetsen aan de omgevingswaarden in een nabijgelegen aandachtsgebied. Dit kan nodig zijn bij activiteiten die relatief veel luchtvervuiling veroorzaken en over een grotere afstand effect hebben. Denk aan extra verkeer of bedrijfsemissies. Indien een project of activiteit weinig bijdraagt aan luchtverontreiniging is toetsen aan de omgevingswaarden voor stikstofdioxide (NO2) en fijnstof (PM10) voor luchtkwaliteit niet nodig (artikel 5.52 van het Bkl).

In juridische termen heet dat: niet in betekenende mate (NIBM). Dus het ‘niet in betekenende mate’ bijdragen aan de luchtverontreiniging. Een project of activiteit draagt niet in betekenende mate bij als de toename van de concentratie NO2 en PM10 niet hoger is dan 1,2 μg/m3. Dat is 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties (artikel 5.53 en 5.54 Bkl). Afdeling 8.5.1.2 van het Bkl bevat specifieke beoordelingsregels over milieubelastende activiteiten. Voor vergunningplichtige milieubelastende activiteiten heeft het rijk beoordelingsregels over emissies naar de lucht en de beoordeling van de luchtkwaliteit opgenomen in het Bkl. De specifieke beoordelingsregels voor lucht staan in artikel 8.17, 8.21 en 8.24 van het Bkl. Deze gaan over: ▪ beoordeling luchtkwaliteit en toetsing aan de rijksomgevingswaarden; ▪ ammoniakemissies van veehouderijen; ▪ geologische opslag van CO2. Doorwerking plangebied Het plangebied bevindt zich in een aandachtsgebied zoals bedoeld in artikel 5.51 lid 2 tot en met 5 van het Bkl. De locatie bevindt zich namelijk binnen het aandachtsgebied agglomeratie Utrecht waar Houten onderdeel vanuit maakt. In het Centraal Instrument Monitoring Luchtkwaliteit zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor de monitoringsronde 2023 en monitoringsjaar 2030 bepaald.

Het dichtstbijzijnde meetpunt is gelegen aan de Rondweg ten noorden van het plangebied, zie de afbeeldingen op de volgende pagina. Zowel de jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 van de Rondweg bedragen minder dan 35 μg/m³. Het aantal PM10 overschrijdingsdagen is minder dan 35 dagen. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 is minder dan 10 μg/m³. Voor de relevante en gebruikte receptoren geldt dat de dichtstbijzijnde gelegen is op circa 220 meter afstand van het plangebied en de verste is gelegen op circa 380 meter van het plangebied. Deze receptoren zijn grenzend aan wegen met hogere verkeersintensiteit. Er is op basis van deze monitoring geen reden om aan te nemen dat de waarden in het plangebied zullen afwijken van de waarden op de meetpunten, aannemelijker is dat de waarden in het plangebied gunstiger zijn vanwege de afstand tot de meetpunten en de ligging aan een weg met lagere verkeersintensiteit.

Pagina 33 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

Op basis van NIBM-tool is beoordeeld of het beoogde planinitiatief ‘niet in betekende mate’ bijdraagt aan de toename van de concentratie NO2 en PM10. De grens hiervoor ligt op 1,2 µg/m3, ofwel 3% van de omgevingswaarde voor de jaargemiddelde concentraties. Op basis van de verkeersbewegingen die het nieuwe planinitiatief teweeg brengt, zie paragraaf 4.10, is de NIBM-tool ingevuld. Het beoogde planinitiatief heeft een verkeerstoename van 45 verkeersbewegingen per etmaal op een weekdag.

Afbeelding 13: Uitsnede NIBM-tool (bron: Kenniscentrum InfoMil)

Op voorhand kan daardoor geconcludeerd worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering zal vormen voor de beoogde ontwikkeling. De ontwikkeling draagt niet in betekenende mate bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Daarnaast worden de grenswaarden voor stikstofdioxide en fijnstof niet overschreden in het plangebied. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering en aanvullend onderzoek naar de luchtkwaliteit is niet noodzakelijk.

Afbeelding 14: Plangebied en een overzicht van de meetpunten stikstofoxiden (bron: CIMLK)

Pagina 34 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

Afbeelding 15: Plangebied en een overzicht van de meetpunten fijnstof kleiner dan 10 µm (bron: CIMLK)

Afbeelding 16: Plangebied en een overzicht van de meetpunten fijnstof kleiner dan 2,5 µm (bron: CIMLK)

Pagina 35 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.6

Geur, geluid door activiteiten en trillingen

Geur Geurhinder kan bij verschillende bedrijfsmatige activiteiten voorkomen, onder meer bij landbouwactiviteiten, horeca, rioolwaterzuiveringsinstallaties en overige milieubelastende activiteiten. In paragraaf 5.1.4.6 Bkl zijn instructieregels gesteld over activiteiten die geur veroorzaken op geurgevoelige gebouwen. In artikel 5.91 Bkl is bepaald dat de woonfunctie, onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie en bijeenkomstfunctie voor kinderopvang als geurgevoelige gebouwen worden aangemerkt. Deze gebouwen moeten in ieder geval beschermd worden tegen geurhinder. De instructieregels moeten zorgen voor een aanvaardbaar geurhinderniveau (artikel 5.92 lid 2 van het Bkl). De gemeente bepaalt zelf welke mate van geurhinder ze aanvaardbaar vindt. Indien er nog geen aanpassing van het tijdelijk omgevingsplan heeft plaatsgevonden dient een activiteit tevens te voldoen aan de geurregels uit de bruidsschat: Geur door het houden van landbouwhuisdieren en paarden en pony’s voor het berijden ineen dierenverblijf (par. 22.3.6.2 bruidsschat):

▪ ▪

Geur door het houden van fokteven van nertsen (par. 22.3.6.3 bruidsschat);

▪

Geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken (par. 22.3.6.5 bruidsschat).

Geur door andere agrarische activiteiten, zoals o.a. het opslaan van vaste mest, compost of dikke fractie en het composteren of opslaan van groenafval (par. 22.3.6.4 bruidsschat);

In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Geluid door activiteiten Het onderwerp geluid is via een Aanvullingswet meegenomen in de Omgevingswet. Voormalige geluidregelgeving (neergelegd in de Wet geluidhinder, hoofdstuk 11 van de Wet milieubeheer) is opgegaan in de Omgevingswet. Belangrijke delen van de vorige geluidregelgeving is opgenomen in de AMvB’s zoals het Bkl en de Bal. Paragraaf 5.1.4.2 van het Bkl bevat instructieregels voor geluid door activiteiten deze regels beschermen geluidgevoelige gebouwen tegen geluid door activiteiten. Het gaat om geluid van alle aan een locatie toe te delen activiteiten behalve het wonen. In de regels van artikel 5.59 is geformuleerd dat er in het omgevingsplan rekening moet worden gehouden met het geluid door activiteiten op geluidgevoelige gebouwen en dat het geluid door een activiteit op geluidgevoelige gebouwen aanvaardbaar is. Overigens gaat het om het geluid van alle activiteiten samen. In artikel 5.56 van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden, mits aan de aanvaarbaarheid eis kan worden voldaan.

In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Trillingen Net als geur en geluid kunnen trillingen nadelige invloed hebben op de kwaliteit van de fysieke leefomgeving. Trillingen kunnen effect hebben op de gezondheid en het welzijn. Om trillinghinder te voorkomen, zijn er streef-, standaard- en grenswaarden voor trillingen. Paragraaf 5.1.4.4 van het Bkl bevat instructieregels over trillingen door activiteiten op trillinggevoelige gebouwen. Hierin zijn onder meer regels opgesteld die voorzien dat trillingen door een activiteit in trillinggevoelige ruimten van trillinggevoelige gebouwen aanvaardbaar zijn.

Pagina 36 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

Overigens gaat het om trillingen van alle activiteiten samen. In artikel 5.87 en 5.78a van het Bkl zijn standaardwaarden opgenomen die aan de eis van aanvaardbaarheid voldoen. Overigens kan een gemeente gemotiveerd afwijken van de standaardwaarden (artikel 5.86 lid 2 van het Bkl). Daarnaast heeft de gemeente de mogelijkheid om hogere waarden toe te staan (artikel 5.88 en 5.89 van het Bkl). In afdeling 8.5 van het Bkl staan beoordelingsregels voor de omgevingsvergunning milieubelastende activiteit. Ten slotte voor een aantal milieubelastende activiteiten geldt een vergunningplicht op basis van hoofdstuk 3 van het Bal. Doorwerking planinitiatief Geur In de nabije omgeving bevinden zich geen functies die mogelijk geurhinder veroorzaken. De beoogde ontwikkeling maakt eveneens geen ontwikkeling mogelijk die geurhinder veroorzaakt. Daarmee vormt het omgevingsaspect geur geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan. Geluid door activiteiten Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet houdt de publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ zijn waarde als achtergronddocument bij de in de bestemmingsplannen opgenomen systematiek.

Aangezien ten tijde van het vaststellen van de Beheersverordening ‘Houten Noord en Zuid’ de VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ van toepassing was, is voor onderhavige planinitiatief, ten aanzien van geluid, VNG-publicatie ‘Bedrijven en Milieuzonering’ toegepast. Gelet op de directe omgeving van het plangebied waar louter woningen zijn gevestigd, kan worden geconcludeerd dat sprake is van een rustige woonwijk. In de nabije omgeving van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende bedrijven, anders dan commerciële dienstverlening aan huis zoals een kapsalon, massagesalon enzovoorts. De dichtstbijzijnde voorziening die milieucategorie 2 of hoger kent, is de basisschool OBS Ridderspoor, waarbij de geluidsgeneratie maatgevend is. De basisschool ligt op circa 170 meter afstand, gemeten vanaf de grens van het plangebied. Daaruit kan worden geconcludeerd dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor de realisatie van onderhavig planinitiatief. Trillingen In de nabijheid van het plangebied bevinden zich geen activiteiten die trillingen veroorzaken. Tevens wordt met de beoogde ontwikkeling geen activiteiten gerealiseerd die trillingen veroorzaken. Daarmee wordt ten aanzien van het aspect trillingen geen belemmering verwacht. Concluderend, op voorhand kan worden gesteld dat geur, geluid door activiteiten en trillingen geen belemmering vormen.

Pagina 37 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.7 Omgevingsveiligheid Paragraaf 5.1.2 van het Bkl bevat instructieregels over de manier waarop het omgevingsplan externe veiligheid moet waarborgen bij het toedelen van functies aan locaties; de zogeheten omgevingsveiligheid. Gemeenten dienen regels op te nemen in het omgevingsplan om kwetsbare gebouwen en locaties te beschermen vanwege externe veiligheidsrisico’s. In de instructieregels van het Bkl wordt onderscheid gemaakt in de kwetsbaarheid van gebouwen en locaties. Hierin wordt uitgegaan van drie niveaus: 1. Zeer kwetsbare gebouwen; 2. Kwetsbare gebouwen en locaties; 3. Beperkt kwetsbare gebouwen en locaties. De exacte indeling van de bovengenoemde gebouwen en locaties is te vinden in Bijlage VI van het Bkl. Hieronder vallen ook gebouwen die nog niet aanwezig zijn, maar op grond van het omgevingsplan of een omgevingsvergunning mogen worden gebouwd (geprojecteerd gebouw). Het staat de gemeente vrij om een gebouw of locatie tot een zwaardere categorie te rekenen. Risicobronnen zijn activiteiten met externe veiligheidsrisico’s. Voor deze activiteiten dienen gemeenten regels op te nemen in het omgevingsplan. De instructieregels hiervoor staan in paragraaf 5.1.2 van het Bkl. De activiteiten welk zijn aangewezen als risicobronnen zijn aangewezen in bijlage VII van het Bkl.

Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico is de kans dat per jaar iemand die onbeschermd en continu op een plek verblijft komt te overlijden als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen. Dit kan zijn: blootstelling aan hitte door brand, overdruk door een explosie of een concentratie giftige stoffen in de lucht. Deze kans is groter of gelijk aan 1 op één miljoen, of te wel PR 10-6. Het plaatsgebonden risico is ruimtelijk vertaald naar vaste afstanden tot gebouwen en locaties. Grenswaarden en standaardwaarden voor het Plaatsgebonden Risico (PR) ten aanzien van (zeer) (beperkt) kwetsbare gebouwen en (beperkt) kwetsbare locaties zijn opgenomen in artikel 5.6 tot en met artikel 5.11a van het Bkl. Deze afstanden zijn genoemd in Bijlage VII bij het Besluit kwaliteit leefomgeving. Groepsrisico en aandachtsgebieden Daarnaast dient rekening gehouden te worden met de kans dat als gevolg van een incident met gevaarlijke stoffen een groep van tien of meer personen overlijdt (het groepsrisico). Bij een beoordeling van het groepsrisico wordt gebruik gemaakt van aandachtsgebieden. Aandachtsgebieden zijn een kenmerk van een activiteit met externe veiligheidsrisico’s.

Het zijn gebieden rond een activiteit met gevaarlijke stoffen die zichtbaar maken waar mensen binnenshuis, zonder aanvullende maatregelen, onvoldoende beschermd kunnen zijn tegen de gevolgen van ongevallen met gevaarlijke stoffen. Er zijn een drietal aandachtsgebieden: 1. Een brandaandachtsgebied, 2. Een explosieaandachtsgebied, en 3. Een gifwolkaandachtsgebied. Deze gebieden en hun begrenzing zijn beschreven in artikel 5.12 Bkl. Voor bepaalde activiteiten kan de omvang van deze gebieden worden afgelezen uit een tabel in Bijlage VII bij het Bkl en in bepaalde gevallen moet de omvang van deze gebieden worden berekend. Aandachtsgebieden worden zichtbaar gemaakt in het Register externe veiligheidsrisico’s (REV). Binnen een aandachtsgebied kan sprake zijn van een voorschriftengebied. Een gemeente kan in het Omgevingsplan afzien van aanwijzing van een brand- of explosievoorschriftengebied of een kleiner brand- of explosievoorschriftengebied aanwijzen (art. 5.14 Bkl). Als het initiatief ligt in een voorschriftengebied, dan gelden voor nieuwbouw aanvullende bouweisen uit het Besluit bouwwerken leefomgeving (art. 4.90 tot en met 4.96 Bbl).

Pagina 38 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

Voor zeer kwetsbare gebouwen, zoals scholen, kinderdagopvang, en verzorgingstehuizen, geldt altijd een voorschriftengebied, en gelden dus aanvullende bouweisen bij nieuwbouw (art. 5.14 Bkl). Doorwerking planinitiatief Zoals hierboven is aangeven zijn er drie verschillende niveaus om de kwetsbaarheid van een gebouw of locatie te bepalen. Hiervoor is gekeken naar onder meer het aantal personen dat gelijktijdig aanwezig is, de aanwezigheidsduur van personen en in hoeverre personen zichzelf in veiligheid kunnen brengen bij een incident. Gebouwen die als woonfunctie zijn aangemerkt vallen binnen de categorie ‘kwetsbare gebouwen en locaties’. Op diverse plekken in de omgeving van het plangebied zijn risicobronnen aanwezig. De bijbehorende brand-, explosie- en gifwolkaandachtsgebieden en PR 10-6 contouren zijn weergegeven op de kaart. A. Op circa 660 meter afstand loopt een spoorweg; B. Op circa 750 meter afstand bevindt zich een aardgasstation; C. Op circa 815 meter afstand loopt een buisleiding; D. Op circa 1,7 kilometer afstand een tankstation; E. Op circa 1,9 kilometer afstand loopt vaarweg. De beoogde woningen bevinden zich buiten het brand-, explosie en gifwolkaandachtsgebied van bovenstaande risicobronnen. Daarnaast bevindt het plangebied zich ook niet binnen een PR 10 -6 contour. Geconcludeerd kan worden dat het aspect omgevingsveiligheid geen belemmering vormt.

Afbeelding 17: uitsnede omgevingsveiligheid kaart (bron: Atlas Leefomgeving)

Pagina 39 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.8

Water en klimaatadaptatie

4.8.1 Waterwet De Waterwet gaat grotendeels op in de Omgevingswet. De volgende onderdelen blijven in de Waterwet achter: de regels voor het Deltaprogramma, de Deltacommissaris en het Deltafonds. Er staat ook een aantal financiële bepalingen in de Waterwet. 4.8.2 Nationaal Water Programma 2022-2027 Het Nationaal Water Programma 2022-2027 (NWP) is vastgesteld op 18 maart 2022. In het NWP beschrijft de Rijksoverheid de hoofdlijnen van het nationale waterbeleid en de uitvoering ervan in de rijkswateren en -vaarwegen. Er liggen grote opgaven voor het waterdomein. Zo moet Nederland zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. Ook moeten we blijven werken aan een goede bescherming tegen overstromingen en aan een klimaatrobuuste zoetwatervoorziening tegen toenemende droogte. Ook verdient de zorg voor goede waterkwaliteit en duurzame drinkwatervoorziening aandacht. Daarnaast hebben diverse functies het water nodig, zoals scheepvaart, landbouw en natuur. In het NWP zijn deze uitdagingen uitgewerkt en is aangegeven hoe hiermee om wordt gegaan. 4.8.3 Water- en Rioleringsplan (WRP) 2024-2027 Op 31 oktober 2023 heeft de raad van de gemeente Houten het ‘Water- en Rioleringsplan 2024-2027’ vastgesteld. Hierin zijn bepalingen ten aanzien van (afval)waterbeheer opgenomen om de klimaatbestendigheid van het stedelijk gebied te versterken.

Het plan is in lijn met het Convenant Duurzame Woningbouw van de provincie Utrecht. Voor nieuwbouwwoning geldt een minimale eis van 40 mm te verwerken hemelwater. Doorwerking planinitiatief Water Waterbeheerder Het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden (HDSR) is in het plangebied het bevoegd gezag voor het beheer van waterkeringen, oppervlaktewater en het onttrekken van (ondiep) grondwater. In het proces van ruimtelijke planvorming heeft het HDSR een adviserende rol. In de uitvoerings- en beheerfase van ruimtelijke plannen heeft HDSR een regelgevende rol. Weging van het waterbelang De watertoets die was opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening is vervangen door een inhoudelijke instructieregel die is opgenomen in artikel 5.37 van het Bkl. De ‘weging van het waterbelang’, voorheen bekend als de watertoets, biedt de waterbeheerder de mogelijkheid aandacht te vragen voor waterveiligheid en voor het voorkomen van wateroverlast in het kader van waterrobuust bouwen. De oorspronkelijke watertoets wordt niet langer voorgeschreven. In bijlage 5 is een uitdraai van de ‘weging van het waterbelang’ opgenomen. Hieruit blijkt dat er sprake is van een groot waterbelang. Op basis van de ingevoerde gegevens in de ‘Weging van het waterbelang’ blijkt niet dat er kan worden voldaan aan het belangrijkste minimale voorwaarde: ‘het standstill beginsel’.

Dit beginsel houdt in dat er geen verslechtering van de waterhuishouding mag ontstaan door de voorgestelde ontwikkeling. Verharding In de Waterschapsverordening Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2024 is een ondergrens gesteld aan de compensatieplicht. Deze grens is voor stedelijk gebied 500 m 2. Deze grens is gesteld zodat niet iedere uitbreiding van verhard oppervlak gelijk leidt tot compensatieplicht. Het totale perceel kent een oppervlakte van circa 1.820 m 2. Met de voorgenomen ontwikkeling wordt alle bestaande verharding (circa 350m2) uit het plangebied verwijderd. De verharding voor de beoogde woningen bedraagt in totaal circa 575 m2, waardoor er per saldo circa 225 m2 aan bebouwing wordt toegevoegd aan het plangebied. Overigens is dit exclusief bestrating (126 m2) zoals de inrit van de

Pagina 40 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

levensloopbestendige woningen en eventuele verharding van de tuinen. De tuinen hebben ongeveer een oppervlakte van 1.119 m2. Er van uitgaand dat 50% van de tuinen worden verhard, wordt er meer dan 500 m2 verharding toegevoegd, namelijk circa 911 m2. De initiatiefnemer is voornemens om grasbetontegels voor de parkeervakken en inritten toe te passen. Hierdoor kan het regenwater sneller infiltreren in de bodem. Ondanks het toepassen van grasbetontegels wordt de drempelwaarde mogelijk overschreden, maar binnen het plangebied is voldoende ruimte en mogelijkheden voor watercompensatie. Om deze reden is de initiatiefnemer voornemens om in overleg te gaan met de gemeente Houten en het HDSR om tot een goede oplossing te komen voor de compensatieplicht. Hemelwater Het hemelwater wordt niet via het riool afgevoerd, maar geïnfiltreerd in de bodem. Het afvoeren van overtollig hemelwater door middel van infiltratie in de bodem is het uitgangspunt. Ten aanzien van het verwerken van het hemelwater wordt rekening gehouden met de gemeentelijke minimale eis van 40 mm, conform het ‘Water en Rioleringsplan 2024-2027). Daarnaast krijgt elke woning een waterton die wordt aangesloten op het hemelwaterafvoer van de woning of berging.

Wateroverlast Omdat het plangebied ten opzichte van het fietspad en de omliggende percelen lager ligt, wordt rekening gehouden met het hoogteverschil van 30 cm om wateroverlast te beperken. Overstroombaar gebied Uit onderstaande afbeelding blijkt dat het plangebied niet binnen een gebied ligt dat kan overstromen. In de omliggende buurten is er wel sprake van een overstromingsrisico van 1 keer per 100 jaar. Hoe er kan worden voorbereid op een overstroming is het regelen van een noodpakket, adressen verzamelen waar in het geval van nood naartoe kan worden gegaan en routes uitwerken om daar te komen.

Afbeelding 18: uitsnede overstromingskans plangebied weergegeven paarse stip (bron: Atlas Leefomgeving)

Klimaatadaptatie Binnen het plangebied worden diverse klimaatadaptieve maatregelen toepast zoals:

▪

De parkeervakken en de opritten van de woningen worden voorzien van grasbetontegels, zodat regenwater sneller in de bodem kan worden opgenomen en we minder steenachtige materialen hebben die warmte vasthouden.

Pagina 41 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

▪

Elke woning krijgt een regenton die aangesloten wordt op de hemelwaterafvoer van de woning of van de berging. Dit regenwater kan gebruikt worden voor bewatering van de tuin of het wassen van de auto.

▪

De ambitie is om in het gebied diverse bomen te planten. Bijvoorbeeld de Berk en de Lijsterbes. Snelgroeiende bomen die voor schaduw en daarmee verkoeling zorgen. De Berk vervult een belangrijke rol door de veelheid aan insecten die zich op de boom bevinden. De Lijsterbes is in het najaar een belangrijke voedselbron voor vogels door de knalrode bessen die de boom draagt.

▪

Voor de erfafscheiding tussen de woningen is gekozen voor een raster waar Klimop tegenaan kan groeien. Deze oplossing neemt geen ruimte in beslag, is jaarrond groen en in het voor- en najaar een belangrijke voedselbron voor vogels. Een belangrijk voordeel van deze erfafscheiding is dat het de mogelijkheid biedt voor soorten, zoals de egel, om zich tussen de tuinen te verplaatsen.

▪

De gevels van de woningen worden met de optie voorzien van draadspanners waarmee we op diverse plekken aantrekkelijke groene gevels kunnen realiseren.

▪

Een sedumdak wordt als optie aangeboden op alle platte daken van de bergingen en de levensloopbestendige woningen.

▪

Het plangebied wordt voorzien van netgelegenheden voor diverse diersoorten (vogels, vleermuizen en egels). Zoals ingebouwde nestgelegenheden in de gevels, gevelkasten, open stootvoegen en voldoende ruimte in de spouwmuur. Daarnaast zijn er vele nestgelegenheden in de hagen en bomen binnen het plangebied.

Het aspect water en klimaatadaptatie vormt geen belemmering.

Pagina 42 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.9

Beschermen van de gezondheid

De grondslag voor het beschermen van de gezondheid is artikel 1.3 sub a van de Omgevingswet. Het bereiken en in stand houden van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving en een goede omgevingskwaliteit een belangrijk maatschappelijk doel van de Omgevingswet. Het artikel benadrukt de samenhangende benadering van de fysieke leefomgeving in plaats van een sectorale. De Omgevingswet is in ieder geval gericht op veiligheid en gezondheid van de mens. Bij veiligheid gaat het om aspecten van fysieke veiligheid zoals externe veiligheid en veiligheid tegen overstromingen. Bij gezondheid van de mens gaat het om aspecten zoals geluid en luchtverontreiniging. Een goede omgevingskwaliteit duidt op het belang van aspecten als cultureel erfgoed, architectonische kwaliteit van bouwwerken, stedenbouwkundige kwaliteit en kwaliteit van natuur en landschap. Doorwerking planinitiatief Veilige en gezonde fysieke leefomgeving Zoals in de bovenstaande paragrafen is terug te lezen is er sprake van een aanvaardbare veilige fysieke leefomgeving. Er is geen sprake van een verslechtering van de luchtkwaliteit. Aangezien mensen veel van hun tijd in hun eigen woning doorbrengen is het noodzakelijk dat het akoestisch klimaat in de woning (de zogenaamde binnenwaarde) als prettig en gezond kan worden ervaren. Er beoordeeld dat er geen sprake is van een te hoge geluidbelasting.

Goede omgevingskwaliteit Gebleken is dat het plangebied geen vaste rust- of verblijfplaats voor de gierzwaluw, boerenzwaluw en steenmarter is. Er gaat eveneens geen essentieel foerageergebied voor de huismus en gewone dwergvleermuis verloren. Voor deze soorten zijn geen specifieke maatregelen nodig. Daarentegen zijn in de te slopen bebouwing twee nesten van de huismus en twee zomerverblijven van de gewone dwergvleermuis aanwezig. Door de voorgestelde ontwikkeling gaan twee nesten en zomerverblijven verloren. Om deze reden is het noodzakelijk om een activiteitenplan/ecologisch werkprotocol te laten opstellen en dient een omgevingsvergunning voor een flora en fauna activiteiten (voormalige ontheffing onder Wet natuurbescherming) te worden aangevraagd. Hiervoor dient de provincie Utrecht toestemming te verlenen. Onder voorwaarde dat er een activiteitenplan/ecologisch werkprotocol wordt opgesteld en een omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteiten wordt verleend, vormt het aspect beschermen van de gezondheid geen belemmering.

Pagina 43 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

4.10 Verkeer en parkeren Bij het toelaten van een nieuwe functie moet worden aangetoond wat het effect is op de bereikbaarheid en verkeersafwikkeling. Daarbij dient in beeld te worden gebracht of er sprake is van een (extra) parkeerbehoefte voor auto’s, fietsen en/of scooters. Er mag geen onaanvaardbaar effect zijn. Doorwerking planinitiatief In oktober 2024 is door Goudappel B.V. onderzoek gedaan naar de parkeersituatie en verkeersontsluiting naar aanleiding van de voorgestelde ontwikkeling. In deze paragraaf worden de belangrijkste bevindingen gedeeld. Voor het volledig onderzoek wordt verwezen naar bijlage 4. Auto parkeren De gemeente Houten heeft haar parkeernormen opgenomen in de ‘Nota Parkeernormen Houten 2021’. In haar parkeerbeleid maakt de gemeente Houten onderscheid naar ligging binnen de gemeente. Deze ontwikkeling is gesitueerd in de rest bebouwde kom. Er is een parkeerbehoefte van 11 parkeerplaatsen, zie afbeelding 19. De parkeercapaciteit op eigen terrein bedraagt 11 parkeerplaatsen. Daarmee is sprake van voldoende parkeeraanbod. Voor de berekening is uitgegaan van een worst-case benadering, waarbij is gerekend met maximaal twee parkeerplaatsen op eigen terrein voor de twee-onder-één-kapwoningen terwijl in praktijk hier drie auto’s kunnen parkeren. Daarmee is sprake van een restcapaciteit.

Afbeelding 19: totale parkeerbehoefte van de voorgestelde ontwikkeling (bron: Goudappel)

Verkeersgeneratie Als gevolg van de ontwikkeling ontstaat er een toename in de verkeersstromen. Deze verkeersgeneratie kan berekend worden aan de hand van CROW-kencijfers, afkomstig uit de publicatie (381: ‘Toekomstbestendig parkeren). In afbeelding 21 is de verkeersgeneratie op een werkdag weergegeven. Omgerekend naar het drukst spitsuur is dat circa vijf motorvoertuigbewegingen per uur. Omgerekend is dat één motorvoertuig per 12 minuten. Deze toename is in de praktijk doorgaans niet waarneembaar. De verkeersintensiteit blijft acceptabel ook naar de voorgestelde ontwikkeling. Concluderend de verkeersafwikkeling vormt geen belemmering.

Afbeelding 21: totaal aantal extra verkeersbeweging als gevolg van de voorgestelde ontwikkeling (bron: Goudappel)

Verkeersontsluiting Het plan wordt aan twee zijden ontsloten. Voor de patiowoningen gaat het verkeer van en naar de achterzijde via het Stadhoudersland. Verkeer van en naar de twee-onder-één-kapwoningen gaat via de voorzijde, via de fietsstraat, de Binnentuin. Aangezien de Binnentuin een doodlopende straat is waar ruim 20 woningen op ontsloten worden, is de verwachting dat de straat minder dan 1.000 motorvoertuigen verwerkt. Waardoor de fietsstraat goed kan blijven functioneren. De verkeersontsluiting van de twee-onder-één-kapwoningen vormt geen belemmering.

Pagina 44 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

Fiets parkeren In de ‘Nota Parkeernormen Houten 2021’ zijn ook regels opgesteld ten aanzien van fietsparkeren. De twee-onder-één-kap woningen hebben een GO van meer dan 125 m2 hiervoor geldt een fietsparkeernorm van twee fietsparkeerplekken. De levensloopbestendige woningen hebben een GO van 100 tot 125 m2 ook hiervoor geldt een fietsparkeernorm van twee fietsparkeerplekken. Alle zes woningen beschikken over een berging waar ruimte is voor minimaal twee fietsen. Daarmee vormt het aspect fietsparkeren geen belemmering. 4.11 Bezonning Sommige plekken, zoals tuinen, terrassen en speelplaatsen, hebben voldoende zon nodig voor een prettig verblijfsklimaat. Tegelijkertijd is ook voldoende schaduw belangrijk, zodat mensen tijdens de steeds warmere zomers een plek kunnen vinden om af te koelen. Een toename van schaduw door bijvoorbeeld beplanting, nieuwbouw of andere ruimtelijke ontwikkelingen kan echter ongewenst zijn. Het is essentieel om een goede balans te bewaren tussen zon en schaduw, zodat beide in de toekomst gegarandeerd aanwezig blijven. Doorwerking planinitiatief Door de initiatiefnemer is in bijlage 8 een bezonningsstudie bijgevoegd. Voldoende zonlicht en schaduw zijn belangrijke elementen van de fysieke leefomgeving (zoals genoemd in artikel 2.1 van de Omgevingswet).

Hierdoor is het een onderdeel van de taak van de gemeente voor het evenwichtig toedelen van functies aan locaties (volgens artikel 2.4 en 4.2 van de Omgevingswet) in het omgevingsplan. Aangezien de rijksoverheid voor dit aspect geen specifieke instructieregels heeft vastgesteld, heeft de gemeente de vrijheid om dit zelf vorm te geven.

Pagina 45 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

5

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.1

Economische uitvoerbaarheid

5.1.1 Kostenverhaal Afdeling 13.6 van de Omgevingswet bevat de regeling voor kostenverhaal. De wet geeft de uitgangspunten en vereisten op basis waarvan wordt bepaald of kostenverhaal verplicht is en hoe de kostenverhaalsbijdrage wordt bepaald. De verplichting tot kostenverhaal geldt voor particuliere grondeigenaren die een bouwplan als bedoeld in artikel 13.11 Omgevingswet en artikel 8.13 van het Omgevingsbesluit kunnen realiseren. Het gaat dan bijvoorbeeld om de bouw van een of meerdere woningen of een nieuw hoofdgebouw. In dit specifieke geval is er sprake van een verplicht kostenverhaal. Tussen initiatiefnemer en de gemeente Houten zal in samenspraak worden besloten hoe deze kosten zullen worden verhaald. 5.1.2 Nadeelcompensatie Nadeelcompensatie heeft betrekking op vergoeding van schade veroorzaakte door rechtmatige besluiten en handelen van de overheid. Nadeelcompensatie binnen de Omgevingswet gaat over besluiten of maatregelen:

▪ ▪

die rechtstreeks werkende rechten en verplichtingen voor burgers en bedrijven bevatten; die rechtstreeks gevolgen hebben voor burgers en bedrijven door verandering van de fysieke leefomgeving.

De schadeoorzaken zijn limitatief opgesomd in artikel 15.1 van de Omgevingswet. Dit betekent dat de wet de schadeoorzaken uitputtend regelt. Er zijn dus geen andere schadeoorzaken mogelijk dan die in de Omgevingswet staan. Schadeoorzaken zijn onder meer: een omgevingsvergunning, een regel in het omgevingsplan met rechtstreekse rechten of verplichtingen voor burgers en bedrijven of een maatwerkvoorschrift.

Pagina 46 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

5.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

5.2.1 Participatie In artikel 10.2 van het Omgevingsbesluit staat de zogenaamde motiveringsplicht vroegtijdige publieksparticipatie omgevingsplan beschreven: ‘Bij de kennisgeving van het voornemen om een omgevingsplan vast te stellen dient te worden aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding worden betrokken.’ (artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit). ‘Bij het vaststellen van een omgevingsplan dient hier verslag van te worden gedaan. Hierbij wordt aangegeven hoe burgers, bedrijven, maatschappelijke organisaties en bestuursorganen bij de voorbereiding zijn betrokken en wat de resultaten daarvan zijn. Daarbij wordt aangegeven op welke wijze invulling is gegeven aan het toepasselijke decentrale participatiebeleid.’ (artikel 10.2 lid 2 van het Omgevingsbesluit). Doorwerking planinitiatief Conform de 'Leidraad Omgevingsinitiatieven & participatie' van de gemeente Houten worden ook bij dit initiatief de directe belanghebbenden meegenomen in het plan van aanpak en wordt gevraagd om hun reactie. Tijdens de informatieavond is de buurt uitgenodigd om de plannen voor de kavel aan de Binnentuin 20 te bespreken. Naar aanleiding van deze avond is het planinitiatief aangepast naar voorgesteld ontwerp. Om tot het voorgestelde ontwerp te komen is er een buurtpanel met belanghebbenden opgericht.

In totaal zijn er zes bijeenkomsten organiseert die voor meerdere inzichten hebben gezorgd en zijn meegenomen in het voorgestelde ontwerp. Voor meer informatie wordt verwezen naar bijlage 6, hierin is het participatieverslag opgenomen en nader toegelicht hoe het aangepaste plan tot stand is gekomen. 5.2.2 Advies en instemming In sommige gevallen moet het bevoegd gezag advies vragen. Ingevolge artikel 10.2 lid 1 van het Omgevingsbesluit dient vooraf informatie ingewonnen te worden bij relevante overlegpartners. 5.2.3 Vaststellingsprocedure De beslistermijn voor een aanvraag omgevingsvergunning is normaliter 8 weken. Het bevoegd gezag kan de beslistermijn 1 maal verlengen met maximaal 6 weken (artikel 16.64 lid 1 en 2 van de Omgevingswet, en 4:14 Algemene wet bestuursrecht). 5.2.4 Bezwaar/beroep In de bezwaarprocedure maakt iemand bezwaar tegen een besluit. Deze persoon moet het bezwaar indienen bij het bevoegd gezag dat het besluit heeft genomen. Wanneer iemand het niet eens is met het besluit op dat bezwaar, kan hij of zij nog in beroep gaan.

Pagina 47 van 48

ETFAL Motivering Binnentuin 20 te Houten

6

Conclusie

6.1 Is er sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties Voor zover een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een buitenplanse omgevingsplanactiviteit wordt de omgevingsvergunning alleen verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 8.0a, lid 2 Bkl). Naast de regel dat omgevingsvergunningen slechts kunnen worden verleend met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, gelden de beoordelingsregels in artikel 8.0b tot en met 8.0e van het Bkl. Uit hoofdstuk 2 blijkt dat het planinitiatief geen belemmering vormt voor het beleidskader van het rijk, provincie en gemeente. In hoofdstuk 3 is getoetst aan de fysieke leefomgeving relevante aspecten. Hieruit blijkt dat met de beoogde ontwikkeling er nog steeds sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, onder voorwaarde dat er een activiteitenplan/ ecologisch werkprotocol wordt opgesteld en een omgevingsvergunning voor flora en fauna activiteiten wordt verleend. Daarmee is de ontwikkeling aanvaardbaar.

Bijlagen Bijlage 1 Stedenbouwkundig ontwerp Bijlage 2 AERIUS rapportage Bijlage 2.1 AERIUS berekening realisatiefase Bijlage 2.2 AERIUS berekening gebruiksfase Bijlage 3.1 Quickscan flora en fauna Bijlage 3.2 Nader soortenonderzoek Bijlage 4 Parkeer- en verkeersontsluiting onderzoek Bijlage 5 Weging van het Waterbelang Bijlage 6: Participatieverslag Bijlage 7: Motivering Woonvisie Houten 2021-2030 Bijlage 8: Bezonningsstudie Bijlage 9: Bodemonderzoek Bijlage 10: Duurzaamheidsonderbouwing Binnentuin 20

Pagina 48 van 48

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=12a5b470-c7e2-4e10-b66b-ed3b70fba873