Bijlage 1a - Toelichting en regels Tuibrug 4
Tekst van het document
30
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.6
Geluid
4.6.1
Beleidskader
Wegverkeer De Wet geluidhinder (Wg) bepaalt de wettelijke grenswaarden van de toelaatbare geluidsbelasting. Het bevoegd gezag moet deze in acht nemen bij de vaststelling van een bestemmingsplan. Er moet getoetst worden aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting van de Wet geluidhinder. Dit vindt plaats per weg. 30 km/h wegen zijn vrijgesteld van het onderzoek in de Wg. Het geluidsniveau door het wegverkeer dient op de gevels van geluidsgevoelige objecten te voldoen aan de ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting. Dit is van toepassing bij nieuwe of te wijzigen woningen in de geluidszone van een weg. De ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting werd voorheen voorkeursgrenswaarde genoemd. Deze bedraagt 48 dB. De gemeente kan een hoger geluidsniveau toestaan als deze wordt overschreden. Dit heet de zogenaamde "Hogere waarde". De hogere waarde mag alleen worden verleend onder één voorwaarde. Uit akoestisch onderzoek moet blijken dat er geen bron-, overdrachts- of gevelmaatregelen mogelijk zijn. Dit zijn maatregelen om het geluidsniveau terug of onder het ten hoogste toelaatbare geluidsbelasting terug te brengen. Aan de hogere waarde is een maximum verbonden. Voor de nieuwbouw van woningen in binnenstedelijke situaties is dit 63 dB en in buiten stedelijke situaties is dit 53 dB. Deze niveaus zijn na aftrek van de correctie volgens artikel 110g van de Wet geluidhinder.
Industrielawaai Op basis van artikel 40 van de Wet geluidhinder kunnen (delen van) industrieterreinen worden aangewezen als gezoneerd industrieterrein met een zonegrens. Dit betreft industrieterreinen waarop zich gronden bevinden die zijn aangewezen voor mogelijke vestiging van zogenaamde "zware lawaaimakers" als genoemd in artikel 41 lid 3 van de Wet geluidhinder en artikel 2.1 lid 3 van het Besluit omgevindsrecht. Buiten de zonegrens mag de geluidbelasting vanwege het industrieterrein de waarde van 50 dB niet te boven gaan. De op 1 januari 2007 geldende ten hoogste toelaatbare geluidsbelastingen voor woningen, andere geluidsgevoelige gebouwen en geluidsgevoelige terreinen - vastgelegd in eerder genomen besluiten - blijven gelden. 4.6.2
Doorwerking planinitiatief
Er is door K+ een akoestisch onderzoek uitgevoerd naar de te verwachten optredende geluidbelastingen vanwege wegverkeerslawaai voor de voorgenomen ontwikkeling. Het volledige onderzoek is toegevoegd als Bijlage 5. Uit het akoestisch onderzoek blijkt dat de voorkeursgrenswaarde van 48 dB zal worden overschreden vanwege wegverkeerslawaai van de Rondweg. De gevelbelasting bedraagt maximaal 58 dB. De maximaal toelaatbare grenswaarde van 63 dB wordt niet overschreden. Het treffen van maatregelen om de gevelbelasting terug te brengen tot de voorkeursgrenswaarde stuit op bezwaren van landschappelijke, stedenbouwkundige en financiële aard. Omdat de voorkeursgrenswaarde wordt overschreden, dient een hogere waarde te worden vastgesteld door het bevoegd gezag.
(vastgesteld)
31
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.7
Luchtkwaliteit
4.7.1
Beleidskader
In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van een ruimtelijk plan uit het oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens rekening gehouden met de luchtkwaliteit. Het toetsingskader voor luchtkwaliteit wordt gevormd door hoofdstuk 5, artikel 5.2 van de Wet milieubeheer (ook wel Wet luchtkwaliteit genoemd, Wlk). Dit onderdeel van de Wet milieubeheer (Wm) bevat grenswaarden voor zwaveloxide, stikstofoxide, fijn stof, lood, koolmonoxide en benzeen. Hierbij zijn in de ruimtelijke ordeningspraktijk langs de wegen vooral de grenswaarden voor stikstofoxide (jaargemiddelde) en fijn stof (jaar- en daggemiddelde) van belang. De grenswaarden van de laatstgenoemde stoffen zijn in tabel 1 weergegeven. Stof
Toetsing van
Grenswaarde
Stikstofoxide (NO2)
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
Uurgemiddelde concentratie
Max. 18 keer p.j. meer dan 200 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
40 µg/m³
24-uurgemiddelde concentratie
Max. 35 keer p.j. meer dan 50 µg/m³
Jaargemiddelde concentratie
25 µg/m³
Fijnstof (PM10)
Fijnstof (PM2,5) Tabel 2: Luchtkwaliteit
Op grond van artikel 5.16 van de Wm kunnen bestuursorganen bevoegdheden die gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit (zoals de vaststelling van een bestemmingsplan) uitoefenen indien: De bevoegdheden/ontwikkelingen niet leiden tot een overschrijding van de grenswaarden (lid 1 onder a); de concentratie in de buitenlucht van de desbetreffende stof als gevolg van de uitoefening van die bevoegdheden per saldo verbetert of ten minste gelijk blijft (lid 1 onder b1); bij een beperkte toename van de concentratie van de desbetreffende stof, door een met de uitoefening van de betreffende bevoegdheid samenhangende maatregel of een door die uitoefening optredend effect, de luchtkwaliteit per saldo verbetert (lid 1 onder b2); de bevoegdheden/ontwikkelingen niet in betekenende mate bijdragen aan de concentratie in de buitenlucht (lid 1 onder c); het voorgenomen besluit is genoemd of past binnen het omschreven Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL) of een vergelijkbaar programma dat gericht is op het bereiken van de grenswaarden (lid 1 onder d). In het kader van een goede ruimtelijke ordening wordt bij het opstellen van ruimtelijke plannen uit oogpunt van de bescherming van de gezondheid van de mens tevens rekening gehouden met de luchtkwaliteit ter plaatse van het projectgebied.
Met grof stof wordt rekening gebouden bij de milieuzonering en wordt niet in het kader van luchtkwaliteit meegenomen. Besluit niet in betekende mate In het Besluit niet in betekenende mate (NIBM) is bepaald in welke gevallen een project vanwege de gevolgen voor de luchtkwaliteit niet aan de grenswaarden hoeft te worden getoetst. Hierbij worden twee situaties onderscheiden: een project heeft een effect van minder dan 3% van de jaargemiddelde grenswaarde NO2 en PM10 (= 1,2 µg/m³); een project valt in een categorie die is vrijgesteld aan toetsing aan de grenswaarden; deze categorieën betreffen onder andere woningbouw met niet meer dan 1.500 woningen bij één ontsluitingsweg en 3.000 woningen bij twee ontsluitingswegen, kantoorlocaties met een bruto vloeroppervlak van niet meer dan 100.000 m2 bij één ontsluitingsweg en 200.000 m2 bij twee ontsluitingswegen.
32
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.7.2
Doorwerking planinitiatief
De jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 zijn bepaald ter plaatse van het plangebied. In de NSL-monitoringstool zijn langs de belangrijkste wegen de jaargemiddelde concentraties NO2, PM10 en PM2,5 voor het peiljaar 2020 bepaald. De dichtstbijzijnde meetpunten zijn gelegen aan de Rondweg. De jaargemiddelde concentraties NO2 en PM10 zijn minder dan 35 µg/m³. Het aantal PM10 overschrijdingsdagen is minder dan 35 dagen. De jaargemiddelde concentratie PM2,5 is minder dan 20 µg/m³. Op basis hiervan kan geconcludeerd worden dat de luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor onderhavig planinitiatief. Daarnaast behoort de realisatie van circa 70 tot maximaal 90 zorgwoningen tot de categorie gevallen dat 'niet in betekende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. De rijksoverheid heeft een rekentool ontwikkeld waarmee onderzocht kan worden of een project inderdaad 'niet in betekende mate' bijdraagt aan een verslechtering van de luchtkwaliteit. In deze tool wordt het verwacht aantal verkeersbewegingen ingevoerd die de ruimtelijke ontwikkeling genereert. In paragraaf 4.13 wordt nader ingegaan op de verkeersgeneratie. Op basis van de berekende verkeersgeneratie is de nibm-tool ingevuld (zie afbeelding 5).
De verkeersgeneratie zal lager zijn dan het aantal waarmee is gerekend, omdat de afname aan verkeersbewegingen door het verdwijnen van de huidige functie niet is ingevuld. Daarmee kan geconcludeerd worden dat er geen sprake is van een verslechtering van de luchtkwaliteit.
Afbeelding 8: resultaten nibm-tool
(vastgesteld)
33
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.8
Geur
4.8.1
Beleidskader
Het omgevingsaspect geur moet meegewogen worden bij het opstellen van een nieuw bestemmingplan of ruimtelijke onderbouwing voor geurgevoelige objecten zoals woningen. Het is niet toegestaan om zonder meer nieuwe geurgevoelige objecten mogelijk te maken binnen de geurcontour van een bestaand bedrijf. Deze verplichting vloeit voort uit de jurisprudentie over een goed woon- en leefklimaat (ABRvS 24 oktober 2007, nr. 200604926/1). Bij de beoordeling van een ruimtelijk plan op geurhinder van bedrijven (en andersom) zijn de volgende vragen relevant: Is ter plaatse van de nieuwe ontwikkeling een goed woon- en verblijfklimaat gegarandeerd? (belang geurgevoelig object) Wordt niet iemand onevenredig in zijn belangen geschaad? belangen bedrijf en omgeving) Wat precies het belang geurgevoelig object is, hangt af van welke definitie van toepassing is. Het Activiteitenbesluit kent twee verschillende definities: geurgevoelig object en gevoelige gebouwen. Binnen de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) worden geurgevoelige objecten, zoals woningen, tegen de geurhinder van dierenverblijven van veehouderijen beschermd. Ook gevoelige gebouwen zoals onderwijsinstellingen en ziekenhuizen worden beschermd. Zowel het belang van de omliggende agrarische bedrijven als de nieuwe woonbestemming mag niet onevenredig geschaad worden.
Het is in principe niet mogelijk om de realisatie van geurgevoelige objecten in een geurcontour mogelijk te maken. Voor het maken van uitzonderingen moeten zeer zwaarwegende belangen aan de orde zijn. 4.8.2
Doorwerking planinitiatief
In de nabije omgeving bevinden zich geen functies die mogelijk geurhinder veroorzaken. De beoogde ontwikkeling maakt eveneens geen ontwikkelingen mogelijk die geurhinder veroorzaken. Daarmee vormt het omgevingsaspect geur geen belemmering voor onderhavig bestemmingsplan.
34
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.9
Bedrijven- en milieuzonering
4.9.1
Beleidskader
De invloed van bestaande (of nieuw te vestigen) bedrijvigheid moet op de leefomgeving worden afgewogen. Er dient een ruimtelijke scheiding te worden aangebracht tussen milieubelastende functies en milieugevoelige functies. Dit kan door middel van milieuzonering. Wonen is een voorbeeld van een milieugevoelige functie. De VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) geeft richtlijnen voor de in acht te nemen afstanden. Deze afstanden worden gemeten tussen de grens van de bestemming die bedrijven/milieubelastende activiteiten toestaat en de uiterste situering van de gevel van woningen. Aan de hand van de VNG-brochure is beoordeeld of de bedrijvigheid in en rondom het plangebied problemen oplevert voor de milieugevoelige functies (zoals wonen). In onderstaande tabel staan de richtafstanden per milieucategorie uit de VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) weergegeven. Milieucategorie
Gemengd gebied
Rustige woonwijk
1
0 meter
10 meter
2
10 meter
30 meter
3.1
30 meter
50 meter
3.2
50 meter
100 meter
4.1
100 meter
200 meter
4.2
200 meter
300 meter
Tabel 3: Richtafstanden VNG-brochure Bedrijven en Milieuzonering (2009) 4.9.2
Doorwerking planinitiatief
De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in een nieuwe milieubelastende functie. De ontwikkeling zal daarom niet leiden tot hinder voor gevoelige functies in de omgeving. De omgeving van het plangebied is een voorzieningengebied, met onder andere een diverse sportverenigingen, kinderdagverblijven, een politiebureau en diverse andere (maatschappelijke) voorzieningen. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat het plangebied is gelegen in een gemengd gebied. In onderstaande tabel zijn de bedrijven in de omgeving in kaart gebracht. Adres
Inrichting
Milieucategorie
Richtafstand
Werkelijke afstand tot beoogde zorgvoorzieningen
Draaibrug 3
Dagcentrum
1
0
0
Draaibrug 1
Kinderdagverblijf
2
10
10
Tuibrug 1
Kinderdagverblijf
2
10
30
Tuibrug 3
Binnenspeeltuin
2
10
22
Hefbrug 2
Dansschool
2
10
55
Tuibrug 2
Kinderdagverblijf
2
10
10
Tabel 4: Omliggende bedrijven met bijbehorende milieucategorie Aan de Tuibrug 3 is een binnenspeeltuin gevestigd. In de VNG-brochure zijn geen richtafstanden opgenomen voor binnenspeeltuinen. Daarom dient aangesloten te worden bij een vergelijkbare inrichting. Binnenspeeltuinen hebben een vergelijkbare mate van overlast als een amusementshal of gymnastiekzaal. Deze functies vallen onder milieucategorie 2. Daarom wordt voor de binnenspeeltuin uitgegaan van milieucategorie 2 met een richtafstand van 10 meter. In de directe omgeving van het plangebied zijn enkele milieubelastende functies aanwezig. Zoals in (vastgesteld)
35
bestemmingsplan Tuibrug 4 bovenstaande tabel te zien is, wordt de minimale afstand naar deze functies behaald, waardoor er geen sprake zal zijn van overlast door deze functies. Het aspect bedrijven- en milieuzonering vormt dan ook geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
36
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.10
Kabels en leidingen
4.10.1 Beleidskader Er kunnen planologisch relevante kabels en/of leidingen in het plangebied liggen. Ze kunnen ook in de omgeving voorkomen. Voorbeelden zijn hoofdnutsvoorzieningen. Dit kunnen leidingen voor het transport van giftige, brandbare en/of ontplotbare stoffen zijn. Daanaast zijn aardgasleidingen, hoogspanningsleidingen en afvalwaterleidingen ook voorbeelden. Deze leidingen worden bestemd als ze voorkomen in het gebied. Met het vigerende bestemmingsplan kan worden vastgesteld welke maatregelen, overleggen en/of rapporten nodig zijn voor een ruimtelijke ontwikkeling. 4.10.2 Doorwerking planinitiatief In of nabij het plangebied bevinden zich geen planologisch relevante kabels en leidingen. Er zijn derhalve geen belemmeringen te verwachten.
(vastgesteld)
37
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.11
Externe veiligheid
4.11.1 Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op de veiligheid voor de omgeving van een inrichting met gevaarlijke stoffen en/of transport van gevaarlijke stoffen. Elk nieuw ruimtelijk plan moet volgens de Wet ruimtelijke ordening getoetst worden aan de normen voor plaatsgebonden risico en groepsrisico. Daarbij kunnen de volgende bronnen worden onderscheiden: Inrichtingen: risico's van onder andere tankstations met LPG, gevaarlijke stoffen (PGS-15)opslagplaatsen en ammoniakkoelinstallaties; Transport van gevaarlijke stoffen over de weg; Transport van gevaarlijke stoffen per spoor; Transport van gevaarlijke stoffen over het water; Transport van gevaarlijke stoffen per buisleiding. Plaatsgebonden risico Het plaatsgebonden risico (PR) is de kans dat een denkbeeldig persoon op een bepaalde plaats overlijdt als rechtstreeks gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. De norm (een op een miljoen per jaar) geldt voor kwetsbare objecten als grenswaarde en voor beperkt kwetsbare objecten als richtwaarde. Dit betekent dat er als gevolg van een ongeval - in theorie - per jaar slechts een persoon op een miljoen mensen mag overlijden. Dit geldt ook als deze objecten geprojecteerd zijn. Groepsrisico Het groepsrisico (GR) is de kans op een ongeval met veel dodelijke slachtoffers.
Hierbij wordt gekeken naar de werkelijk aanwezige bevolking en de verspreiding van de bevolking rond een risicobron. Bepaald wordt hoe groot de kans is op tien, honderd of meer slachtoffers tegelijk onder die bevolking. Groepsrisicoberekeningen beogen maatschappelijke ontwrichting inzichtelijk te maken. Het groepsrisico is afhankelijk van de omvang van het ongeval. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet het groepsrisico worden verantwoord (VGR). Vanzelfsprekend speelt de hoogte van het groepsrisico een rol, ook de mogelijkheden voor zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid maken onderdeel uit van de verantwoordingsplicht. De risicomaten zijn vastgelegd in diverse besluiten en beleidsnota's. In het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de bijbehorende Regeling externe veiligheid inrichitngen, zoals deze op dit moment luiden (REVI II), zijn de risiconormen voor externe veiligheid met betrekking tot bedrijven met gevaarlijke stoffen vastgelegd. De normstelling voor het vervoer van gevaarlijke stoffen (voor zowel weg, spoor als water) is gebaseerd op de Nota Risico Normering Vervoer Gevaarlijke Stoffen (RNVGS) die reeds is vervallen. De nota heeft geen wettelijk bindende werking, maar is niet vrijblijvend. Voor buisleidingen geldt sinds 1 januari 2012 de regeling 'Beleid externe veiligheid buisleidingen'.
4.11.2 Doorwerking planinitiatief De het woonzorgcomplex is een kwetsbaar object in het kader van de Bevi, welke getoetst dient te worden op externe veiligheid. Afbeelding 6 toont een kaart met de risico's in de omgeving van het plangebied. Het plangebied is in oranje weergegeven. Transport gevaarlijke stoffen Het plangebied ligt in het toxische invloedgebied van de spoorlijn Utrecht - Meteren op ca. 810 meter afstand. Omdat de afstand van de spoorlijn tot het plangebied groter is dan 200 meter kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico. Het gebied is goed bereikbaar en er zijn voldoende vluchtroutes. Mogelijk kan een afsluitbaar ventilatiesysteem en het instrueren van de medewerkers bijdragen aan de veiligheid. Inrichtingen
38
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4 Op circa 400 meter van het plangebied is een koelinstallatie voor ammoniak gesitueerd. De risicoafstand van deze risicovolle inrichting bedraagt 0 meter. Voor het groepsrisico geldt tevens een afstand tot de grens van het invloedsgebied van 0 meter. Daarmee vormt het de koelinstallatie geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling. Op circa 200 meter vanaf het plangebied bevindt zich een LPG vulpunt. Op circa 170 meter afstand bevindt zich de opslagtank. De risicocontour voor brand bij deze punten is 60 meter. Daarnaast kent het BEVI een minimale afstand van 150 meter tot de grens van het invloedsgebied vanwege het groepsrisico. Vanuit de 'Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval' van 14 juni 2016 is er ook een effectcirkel van 160 meter aangegeven. Binnen deze cirkel wordt geadviseerd rekening te houden met het effectgebied van de warme BLEVE ten aanzien van zeer kwetsbare objecten. Kijkend naar afbeelding 9 valt het plangebied buiten deze contour.
Afbeelding 9: Uitsnede risciokaart. Plangebied blauw omlijnd. Conclusie Rondom het plangebied zijn geen overige risicovolle inrichtingen aanwezig. Het plangebied is op voldoende afstand gelegen van risicovolle inrichtingen. Daarom vormt het aspect externe veiligheid geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Wel wordt ten tijde van het aanvragen van de omgevingsvergunning nader overlegd met de Veiligheidsregio Utrecht ten aanzien van het inrichtingsplan en de beoogde bouwplannen.
(vastgesteld)
39
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.12
Water
4.12.1 Beleidskader Nationaal waterplan Het Nationaal Waterplan (NWP) is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld aan de hand van de Waterwet. Deze is sinds 22 december 2009 van kracht. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van een structuurvisie. Het NWP 2016-2021 bevat de hoofdlijnen van het nationaal waterbeleid en de daartoe behorende aspecten van het ruimtelijk beleid. Het kabinet actualiseert het waterbeleid op een aantal terreinen in het nieuwe NWP. Het beleid met betrekking tot waterveiligheid en zoetwater. Dit beleid is met vastgestelde deltabeslissingen in 2014 fundamenteel veranderd. Uit de voorstellen voor deze deltabeslissingen vloeit het rijksbeleid voort. Het rijksbeleid is in 2014 met een tussentijdse wijziging verankerd in het NWP 2009-2015. Ook is het rijksbeleid opgenomen in de actuele versie van de NWP voor de periode 2016-2021; Het kabinet heeft de afgelopen jaren over verschillende beleidsterreinen afspraken gemaakt die raakvlakken hebben met water. Voorbeelden zijn afspraken over energie (Energieakkoord), natuur (Natuurvisie), internationale inzet en vernieuwde bestuurlijke verhoudingen (SVIR, bestuursakkoord water en Deltaprogramma).
Deze afspraken zijn verwerkt in het NWP. De betreffende beleidsdocumenten blijven van kracht; Met de vaststelling van het NWP voldoet Nederland tevens aan de Europese eisen. Actuele plannen en maatregelenprogramma's moeten volgens de Europese eisen opgesteld worden volgens de Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico (ROR), en de Kaderrichtlijn mariene Strategie (KRM). Het NWP formuleert antwoorden op ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie en economie. Ook investeert het NWP in een duurzaam waterbeheer. Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkómen van wateroverlast en droogte, en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Nederland als aantrekkelijk waterrijk land met hoge mate van veiligheid levert een positieve bijdrage aan het vestigingsklimaat. Waterwet De Waterwet regelt het beheer van oppervlaktewater en grondwater, en verbetert ook de samenhang tussen waterbeleid en ruimtelijke ordening. Ook is via de Invoeringswet Waterwet de saneringsregeling voor waterbodems van de Wet bodembescherming overgebracht naar de Waterwet. Naast de Waterwet blijft de Waterschapswet als organieke wet voor de waterschappen bestaan. Met de Waterwet zijn Rijk, waterschappen, gemeenten en provincies beter uitgerust om wateroverlast, waterschaarste en waterverontreiniging tegen te gaan.
Ook voorziet de wet in het toekennen van functies voor het gebruik van water zoals scheepvaart, drinkwatervoorziening, landbouw, industrie en recreatie. Afhankelijk van de functie worden eisen gesteld aan de kwaliteit en de inrichting van het watersysteem. Watertoets Sinds 1 november 2003 verplicht het Besluit ruimtelijke ordening een watertoets te verrichten. De watertoets bedrijft het proces waarop de waterbeheerder en de initiatiefnemer van het ruimtelijke plan moeten samenwerken. Het samenwerkingsproces leidt uiteindelijk tot een 'waterparagraaf' die onderdeel moet gaan uitmaken van het uiteindelijke plan of besluit. Bij dit bestemmingsplan zijn de Hoogheemraadschap van de Stichtse Rijnlanden en de gemeente Houten de waterbeheerder. De waterparagraaf bevat een beschrijving over de manier waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding.
40
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4 Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerprogramma Het waterbeheerprogramma van De Stichtse Rijnlanden is op 22 december 2021 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft de ambities en inzet om de waterdoelen voor dit gebied te bereiken. De volgende vier thema's staan centraal: Zuiver afvalwater. Energieneutraal en circulair Robuust en gezond watersysteem in een klimaatbestendig gebied Waterveilige leef- en werkomgeving Waterbewust leven en genieten van water Keur en uitvoeringsregels Vanaf 7 mei 2021 is de nieuwe Keur van het Hoogheemraadschap van kracht. In de keur staat wat wel en niet mag op of aan de waterkeringen en watergangen. De regels maken het mogelijk dat het waterschap het onderhoud aan watergangen en waterkeringen goed kan uitvoeren. Vergunningplichtige activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Voor andere activiteiten gelden de algemene regels. 4.12.2 Doorwerking planinitiatief Met de voorgenomen ontwikkeling wordt veel verharding uit het plangebied verwijderd. Per saldo zal er in de nieuwe situatie minder verharding aanwezig zijn en meer groen. Hierdoor kan het hemelwater beter worden geïnfiltreerd in de bodem. Ook hebben de groene daken een waterbergend vermogen. Hierdoor zal in de toekomstige situatie minder water naar het riool afgevoerd worden.
Bij ontwikkelingen waarbij de verharding toeneemt, schrijft het hoogheemraadschap voor dat watercompensatie plaats dient te vinden in het plangebied. Omdat met de voorgenomen ontwikkeling wordt voorzien in een afname in verharding, is watercompensatie niet noodzakelijk. Het plan wordt met het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden afgestemd in het wettelijk vooroverleg.
(vastgesteld)
41
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.13
Verkeer en parkeren
4.13.1 Beleidskader Bij een bestemmingsplanwijziging is het noodzakelijk om de veranderingen ten aanzien van verkeer en parkeren inzichtelijk te maken. De uitgangspunten voor de parkeerbehoefte bij nieuwbouw- en verbouwprojecten zijn gesteld in de Nota Parkeernormen Houten. Bij nieuwe ontwikkelingen mag geen overlast ontstaan door parkeren of een toename in verkeersbewegingen. 4.13.2 Doorwerking planinitiatief Parkeren Voor het berekenen van de parkeerbehoefte binnen het plangebied wordt gebruik gemaakt van de Nota Parkeernormen Houten. Op basis van deze nota ligt het plangebied in het gebied Rest bebouwde kom. Voor een verpleeg- en verzorgingstehuis geldt een parkeernorm van 0,5 parkeerplaatsen per wooneenheid. De voorgenomen ontwikkeling voorziet in circa 70 tot maximaal 90 onzelfstandige zorgwooneenheden. Dat betekent dat er tenminste 45 parkeerplaatsen gerealiseerd dienen te worden op eigen terrein, conform de Nota Parkeernormen. De opzet van het voorzieningen gebied voorziet in een centraal gelegen parkeervoorziening. Bezoekers van het gebied parkeren hier en lopen naar de locatie waar ze moeten zijn. In het geval van onderhavig planinitiatief wordt ervoor gekozen, gelet op de doelgroep en de ligging ten opzichte van het centrale parkeerveld, om ook parkeergelegenheid op de locatie te creëren. Op eigen terrein worden maximaal 40 parkeerplaatsen gerealiseerd.
Voor de overige benodigde parkeerplaatsen geldt dat deze in de omgeving en op het centrale parkeerveld kunnen worden opgevangen. Dit is ook de wens van de gemeente Houten, om zo min mogelijk parkeerplaatsen op eigen terrein te realiseren in het voorzieningengebied om op deze manier zo min mogelijk verharding te realiseren. Ten tijde van de aanvraag omgevingsvergunning zal er, naar aanleiding van de concrete zorginstelling, invulling worden gegeven aan het aantal senioren- en invaliden parkeermogelijkheden. Tevens werd er in de voormalige situatie door de bezoekers van Thermen Houten geparkeerd op de naastgelegen percelen en parkeerplaatsen. Aangezien er voor het nieuw te realiseren planinitiatief wordt voorzien in parkeerplekken op eigen terrein is hier sprake van een verbeterde situatie. Het aspect parkeren vormt dus geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. Verkeersgeneratie De verkeersintensiteit in de huidige situatie (planologisch maximale invulling) bedraagt 185 verkeersbewegingen per dag. Op basis van CROW-gegevens dient immers rekening te worden gehouden met 10,3 verkeersbewegingen per 100m2 bvo voor wellness centra. In de huidige situatie is er in het plangebied circa 1.800m2 aan bebouwing, wat resulteert in een totale maximale verkeersgeneratie van 185 verkeersbewegingen per dag.
Deze verkeersbewegingen die verdwijnen als gevolg van de sloop van het saunacentrum kunnen in mindering worden gebracht bij de berekening van de toekomstige maximale verkeersgeneratie. De verkeersintensiteit in de toekomstige situatie is beredeneerd op basis van het aantal bewoners en medewerkers. Bewoners zullen geen gebruik maken van de auto; bezoekers en medewerkers wel. Op basis van het maximale aantal (90) onzelfstandige zorgwooneenheden wordt uitgegaan van 90 bezoekers per dag. Dit leidt tot 180 verkeersbewegingen. Daarnaast wordt met de maximale zorgwooneenheden uitgegaan van 40 medewerkers, die een totaal van 80 verkeersbewegingen genereren. In totaal zullen er maximaal 260 auto's per dag zijn. Om dit verder toe te lichten met een maatgevend spitsuur van 8%, zal dit maximaal 20 auto's per uur betekenen.
42
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Daarnaast zijn de verkeersstromen geleidelijk verdeeld over een dag. Bezoek is doorgaans mogelijk op elk moment van de dag waardoor de verkeersbewegingen van bezoekers geen extra druk geven gedurende de spitstijden. Het personeel is verdeeld in verschillende shifts waarvan de nachtploeg het kleinst zal blijken en de ochtend en middag ploeg gelijk zullen zijn. De ploegtijden zijn doorgaans 7.00-15.00 uur ochtenddienst, 15.00-23.00 uur middagdienst en 23.00-7.00 uur nachtdienst of daaromtrent. Hier kan uitgegaan worden van verkeersstromen van 16-16-8 of 18-18-4 (in totaal 40 verkeersbewegingen). Daarnaast zullen, bij het realiseren van minder appartementen (70 eenheden), de verkeersbewegingen afnemen. Zodra er van 70 onzelfstandige zorgwooneenheden wordt uitgegaan, zal het tot een bezoekersaantal van 70 per dag leiden. Er zullen dan in totaal ongeveer 200 auto's per dag rijden, verdeeld over de gehele dag. Gezien de bovenstaande onderbouwing kan worden aangenomen dat de verkeersintensiteit als gevolg van onderhavig plan binnen de toelaatbare grenzen van de bestaande infrastructuur ligt. Andere vervoersvormen Houten kent een uitstekende fietsinfrastructuur. Ook de Weteringhoek is goed ontsloten voor fietsers naar de rest van de stad. Langs de Weteringhoek ligt een hoogwaardig fietspad welke van oost naar west loopt.
Deze verbindt het gebied met onder andere Houten-Zuid en Utrecht. Ook is een fietspad aanwezig naast De Brug, welke het gebied verbindt met het centrum van Houten en de noordelijke wijken van de plaats. Nabij de ingang van het pand worden fietsparkeerplaatsen gerealiseerd. Deze zijn goed bereikbaar vanaf de doorgaande fietspaden. Werknemers en bezoekers kunnen hier gebruik van maken. Daarmee is het plangebied goed toegankelijk voor fietsers. Verder liggen op circa 5 minuten loopafstand twee bushaltes, betreffende Oude Dorp en Weteringshoek. Diverse buslijnen maken van deze haltes gebruik. Een deel van deze bussen rijdt van of naar Station Houten. Vanaf daar kan men met de trein de reis vervolgen. Daarmee is het plangebied tevens goed bereikbaar met het openbaar vervoer.
(vastgesteld)
43
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.14
Duurzaamheid
Gelet op de eindigheid van ruimte en bouw- en brandstoffen is duurzaamheid bij ruimtelijke ontwikkelingen van belang. Duurzame ontwikkeling is de ontwikkeling die aansluit op de behoeften van heden en toekomst zonder het vermogen van de toekomstige generaties om in hun eigen behoeften te voorzien in gevaar te brengen. Energieprestatie indicatoren - BENG Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat aanvragen van de omgevingsvergunning vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG). Doorwerking planinitiatief De gemeente Houten streeft naar duurzame ontwikkelingen. Meer concreet is het doel voor een duurzaam Houten in 2040: klimaat- en energieneutraal, stil en schoon, met volop groen en water, natuurlijk materiaalgebruik en (lokaal) gesloten kringlopen. Het gehele zorgcomplex wordt gasloos gerealiseerd. Op het dak worden waar mogelijk PV-panelen geplaatst. De overige beschikbare ruimte op de daken zal worden ingevuld met groene daken. Daarnaast zal er worden voldaan aan de BENGnormen overeenkomstig het bouwbesluit. Op deze wijze wordt invulling gegeven aan een duurzaam gebouw en zal er worden voldaan aan het Bouwbesluit. Op locatie wordt de hemelwaterafvoer afgekoppeld. Het terrein wordt groen, met zo min mogelijk verharding, ingericht daarmee is het terrein klimaatadaptief ingericht.
44
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.15
Milieueffectrapportage
4.15.1 Beleidskader Milieueffectrapportage is geregeld in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer (Wm) en in het Besluit m.e.r. De Wm is een kaderwet waarin de uitgangspunten van het milieubeleid staan beschreven. In het Besluit m.e.r. staat wanneer een m.e.r. moet worden toegepast. het besluit bevat bijlagen, waaronder de C- en D-lijst. Door middel van deze lijsten kan bij het opstellen van een ruimtelijk plan worden beoordeeld of het plan een ontwikkeling omvat die een m.e.r.-(beoordelings)plicht kent. Voor activiteiten die voldoen aan de diverse criteria uit de C- en D-lijst geldt een m.e.r.-plicht respectievelijk m.e.r.-beoordelingsplicht. Als een voorgenomen ontwikkeling activiteiten bevat zoals opgenomen in de D-lijst van het besluit m.e.r., maar beneden de drempelwaarden in deze lijst ligt, dan is er een vormvrije m.e.r.-beoordeling mogelijk. Bij een m.e.r.-plicht dient een milieueffectrapportage gemaakt te worden. Bij een m.e.r.beoordelingsplicht dient een afweging te worden gemaakt door het bevoegd gezag of een m.e.r. opgestart zal moeten worden. 4.15.2 Doorwerking planinitiatief Uit de vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie blijkt dat het voorgenomen planinitiatief geen nadelige milieueffecten met zich mee brengt. De aanmeldnotitie is toegevoegd als Bijlage 6.
(vastgesteld)
45
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 5 5.1
Juridische planbeschrijving
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de juridische vertaling van de nieuwe ontwikkeling. De verbeelding en de regels zijn het juridische deel van een bestemmingsplan. De regels bevatten regels voor het gebruik van de gronden. Ook omvat het bepalingen over de toegelaten bebouwingen. Daarnaast bevat het regelingen over het gebruik van bouwwerken. De verbeelding heeft een ondersteunende rol voor de toepassing van de regels. Ook heeft het de functie van visualisering van de bestemmingen. De verbeelding vormt samen met de regels het voor de burgers bindende onderdeel van het bestemmingsplan. De toelichting heeft geen bindende werking. De toelichting maakt juridisch ook geen deel uit van het bestemmingsplan. Het heeft echter wel een belangrijke functie bij de onderbouwing van het plan. Ook bij de uitleg van bepaalde bestemmingen en regels. Er is qua plansystematiek zoveel mogelijk aangesloten bij het Handboek Digitale Uitwisseling Bestemmingsplannen Gemeente Houten en de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen (SVBP2012).
46
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
5.2
Opbouw van de regels
De regels zijn opgedeeld in vier hoofdstukken met een of meer artikelen: Hoofdstuk 1: 'Inleidende regels' bevat de begripsbepalingen (artikel 1). Ook bevat het een bepaling over de wijze van meten (artikel 2). De begripsbepalingen dienen als referentiekader voor de overige regels. Hoofdstuk 2: 'Bestemmingsregels' bevat de bestemmingen. Eerst wordt een bestemmingsomschrijving gegeven. Vervolgens worden de bouwregels gegeven. Dan volgen de gebruiksregels. Daarna de eventuele nadere eisen. Ook kunnen er eventuele mogelijkheden voor afwijking van de bouwregels en de gebruiksregels worden gegeven. Hoofdstuk 3: 'Algemene regels' bevat regels die algemeen gelden en die vanwege de algemeenheid gegroepeerd zijn. Hoofdstuk 4: 'Overgangs- en slotregels' omvat de overgangsbepalingen van het bestemmingsplan. Deze zijn opgenomen in het Besluit ruimtelijke ordening 2008 met de verplichting deze over te nemen in het bestemmingsplan. De overgangsbepalingen gaan over bouwwerken en het gebruik.
(vastgesteld)
47
bestemmingsplan Tuibrug 4
5.3
Planregels
In deze paragraaf worden de bestemmingen nader toegelicht. 5.3.1
Bestemmingsregels
Artikel 3 Maatschappelijk De gronden met de bestemming maatschappelijk zijn bestemd voor maatschappelijke voorzieningen, groenvoorzieningen, nutsvoorzieningen, tuinen, erven en verhardingen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Binnen het bouwvlak mogen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de bestemming. Binnen de bestemming Maatschappelijk is regulier wonen niet toegestaan. Bewoning is enkel toegestaan mits dat noodzakelijk is voor het ontvangen van zorg. 5.3.2
Algemene regels
In de algemene regels zijn de regels opgenomen die betrekking hebben op het gehele plangebied en alle andere regels in het bestemmingsplan.
48
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
5.4
Overgangsrecht
Het overgangsrecht heeft tot doel de rechtszekerheid te verzekeren ten aanzien van bouwwerken, die op het tijdstip van de ter inzage legging van het ontwerpbestemmingsplan gebouwd zijn of op grond van een reeds verleende of een nog te moeten afgeven bouwvergunning, gebouwd mogen worden en afwijken van de bouwregels in dit plan. Zij mogen blijven staan of, als een bouwvergunning of omgevingsvergunning is verleend, gebouwd worden zolang de bestaande afwijking maar niet vergroot wordt en het bouwwerk niet (grotendeels) wordt vernieuwd of veranderd. Ook het gebruik van gronden en daarop staande opstallen dat – op het tijdstip dat het bestemmingsplan rechtsgeldig wordt – afwijkt van de gegeven bestemming is in het overgangsrecht geregeld. Het afwijkende gebruik mag worden voortgezet of worden gewijzigd in een andere, zolang de afwijking van het bestemmingsplan maar niet vergroot wordt. In het Bro (Besluit ruimtelijke ordening) is de tekst van de in een bestemmingsplan op te nemen regels voor het 'overgangsrecht gebruik' opgenomen. In de slotregel wordt aangegeven op welke wijze de regels van het bestemmingsplan kunnen worden aangehaald
(vastgesteld)
49
bestemmingsplan Tuibrug 4
5.5
Handhaafbaarheid
Het bestemmingsplan is bindend voor zowel de overheid als de burger. De primaire verantwoordelijkheid voor controle en handhaving ligt bij de gemeente. Handhaving kan worden omschreven als elke handeling die erop gericht is de naleving van regelgeving te bevorderen of een overtreding te beëindigen. Het doel van handhaving is om de duurzame bescherming van mens en omgeving te waarborgen. Binnen het kader van het bestemmingsplan heeft regelgeving met name betrekking op de Wet ruimtelijke ordening en de Woningwet. Bij overtreding van deze regelgeving moet gedacht worden aan bouwen zonder omgevingsvergunning voor het bouwen, bouwen in afwijking van een verleende vergunning, het handelen zonder of in afwijking van een noodzakelijke vergunning voor het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en voor werkzaamheden (de vroegere aanlegvergunning) en het gebruik van gronden en opstallen in strijd met de gebruiksregels van het bestemmingsplan of een afwijking. Er zijn twee vormen handhaving te onderscheiden: preventieve en repressieve handhaving. Preventieve handhaving bestaat uit actief toezicht door of namens de gemeente door bijvoorbeeld regelmatige controles op de uitvoering van vergunningen en regelmatige gebiedscontroles.
Vervolgens worden in het kader van preventieve handhaving duidelijke en maatschappelijk geaccepteerde regels opgesteld en aandacht besteed aan communicatie en voorlichting. Repressieve handhaving bestaat uit de aanwending van publiekrechtelijke middelen bij geconstateerde overtredingen, zoals het opleggen van een dwangsom of het uitoefenen van bestuursdwang. Daarnaast is het mogelijk strafrechtelijke middelen toe te passen en privaatrechtelijk actie te ondernemen bij inbreuk op het eigendomsrecht van de gemeente. Repressieve handhaving heeft als primaire doel een einde te maken aan een specifieke overtreding van de Wro of de Woningwet. De handhaafbaarheid van een bestemmingsplan is met name afhankelijk van het draagvlak van de regels onder de burgers en van de duidelijkheid van de regels. Vertaling naar bestemmingsregeling In dit bestemmingsplan is aangesloten bij de actuele maatschappelijke behoefte voor wat betreft bouwen en gebruik, bijvoorbeeld ten aanzien van aan-huis-verbonden beroepen. De verbeelding, de regels en de toelichting zijn zodanig op elkaar afgestemd dat interpretatieproblemen en problemen met betrekking tot de uitvoering zo veel mogelijk worden voorkomen
50
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 6 6.1
Uitvoerbaarheid
Economische uitvoerbaarheid
Bij de voorbereiding van het ontwerpbestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid f van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) onderzoek plaats te vinden naar de uitvoerbaarheid van het plan. Met het bestemmingsplan wordt de realisatie van circa 70 tot maximaal 90 onzelfstandige woonzorgeenheden mogelijk gemaakt. Hiermee is sprake van een bouwplan als bedoeld in artikel 6:12 van de Wet ruimtelijke ordening en artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening. Dit betekent dat de raad een exploitatieplan dient vast te stellen, tenzij het kostenverhaal anderszins is verzekerd. Bij de voorliggende ontwikkeling is het kostenverhaal anderszins verzekerd middels een tussen de gemeente en initiatiefnemer gesloten intentie- en anterieure overeenkomst.
(vastgesteld)
51
bestemmingsplan Tuibrug 4
6.2
Maatschappelijke uitvoerbaarheid
Conform de 'Leidraad Omgevingsinitiatieven & participatie' van de gemeente Houten zijn ook bij dit initiatief de directe belanghebbenden meegenomen in het plan van aanpak en is gevraagd om hun reactie. Middels een brief die is rondgestuurd aan de omliggende bedrijven en/of grondeigenaren zijn de directe belanghebbenden geïnformeerd in de planvorming en hebben zij hun mening kunnen uiten hierover. Ook is een informatieavond gehouden. Het verslag hiervan is te vinden in Bijlage 7. 6.2.1
Ontwerpbestemmingsplan
Het ontwerp-bestemmingsplan heeft conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken terinzage gelegen. Hierbij was er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Het ontwerp-bestemmingsplan en de bijbehorende stukken hebben vanaf donderdag 21 september 2023 tot en met woensdag 1 november 2023 voor een periode van zes weken terinzage gelegen. Gedurende deze periode zijn er geen zienswijzen ingediend. Het plan is dan inhoudelijk ook niet aangepast. Wel is er voor de volledigheid een nieuwe Aerius-berekening uitgevoerd, met gebruik van de nieuwe Aerius Calculator (versie 2023.0.1). Deze is vervangen voor de eerder uitgevoerde Aeriusberkeening. Verder zijn er geen ambtelijke wijzigingen doorgevoerd ten opzichte van het ontwerpbestemmingsplan.
52
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlagen bij toelichting
(vastgesteld)
53
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlage 1
54
Bodemonderzoek
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlage 2
(vastgesteld)
Quickscan Flora & Fauna
55
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlage 3
56
Nader onderzoek Flora & Fauna
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlage 4
(vastgesteld)
Aerius-berekening
57
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlage 5
58
Akoestisch onderzoek
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlage 6
(vastgesteld)
Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie
59
bestemmingsplan Tuibrug 4
Bijlage 7
60
Verslag buurtparticipatie Tuibrug
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Regels
(vastgesteld)
61
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 1 Artikel 1 1.1
Inleidende regels
Begrippen
plan
het bestemmingsplan 'Tuibrug 4' met identificatienummer NL.IMRO.0321.0860TUIBRUG4-VSBP van de gemeente Houten. 1.2
bestemmingsplan
de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij horende bijlagen. 1.3
aanduiding
een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4
aanduidingsgrens
de grens van een aanduiding indien het een vlak betreft; 1.5
bebouwing
één of meer gebouwen en/of bouwwerken geen gebouwen zijnde; 1.6
bedrijfsvloeroppervlakte
de totale oppervlakte van de voor bedrijfsuitoefening benodigde bedrijfsruimte, inclusief de verkoopvloeroppervlakte, opslag- en administratieruimten en dergelijke; 1.7
bestaande situatie (bebouwing en gebruik)
bebouwing, zoals aanwezig op het tijdstip van de ter inzagelegging van het ontwerpplan, dan wel zoals die mag worden gebouwd krachtens een vóór dat tijdstip aangevraagde vergunning; het gebruik van grond en opstallen, zoals aanwezig op het tijdstip dat het plan rechtskracht heeft verkregen; 1.8
bestemmingsgrens
de grens van een bestemmingsvlak; 1.9
bestemmingsvlak
een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming; 1.10
bijbehorend bouwwerk
uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.11
bouwen
het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.12
bouwgrens
de grens van een bouwvlak; 1.13
bouwlaag
een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren (of horizontale balklagen) is begrensd en waarvan de lagen een nagenoeg gelijk omvang hebben, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw, dakopbouw en/of zolder;
62
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4 1.14
bouwperceel
een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.15
bouwperceelgrens
de grens van een bouwperceel; 1.16
bouwvlak
een geometrisch bepaald vlak, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels bepaalde gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde zijn toegelaten; 1.17
bouwwerk
elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond; 1.18
dak
iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.19
dakopbouw
een gedeelte van een gebouw, gesitueerd op de bovenste bouwlaag van een gebouw, met een oppervlakte van maximaal 60% van de oppervlakte van de bovenste bouwlaag; 1.20
dienstverlening
het verlenen van economische en maatschappelijke diensten aan derden, evenwel met uitzondering van een garagebedrijf en een seksinrichting; 1.21
differentiatielijn
aanduiding welke het verschil aangeeft tussen de, binnen één bestemming geldende, bouw- en / of gebruiksregels; 1.22
erf
al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een hoofdgebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover een bestemmingsplan of een beheersverordening van toepassing is, deze die inrichting niet verbieden; 1.23
gebouw
elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt; 1.24
geluidsgevoelige functies
geluidsgevoelige functies als bedoeld in de Wet geluidhinder, te weten: woningen, onderwijsgebouwen (met uitzondering van gymnastieklokalen), ziekenhuizen, verpleeghuizen, verzorgingstehuizen, psychiatrische inrichtingen, medisch centra, poliklinieken en medische kleuterdagverblijven. 1.25
hoofdgebouw
een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie, afmetingen of functie als belangrijkste bouwwerk valt aan te merken en waarin de hoofdfunctie ingevolge de bestemming is of wordt ondergebracht; 1.26
maatschappelijke voorzieningen
educatieve, sociaal-medische, sociaal-culturele en levensbeschouwelijke voorzieningen en voorzieningen ten behoeve van openbare dienstverlening, met uitzondering van kinderdagverblijven; 1.27
nutsvoorzieningen
(vastgesteld)
63
bestemmingsplan Tuibrug 4 voorzieningen ten behoeve van het openbare nut, zoals transformatorhuisjes, gasreduceerstations, schakelhuisjes, duikers, bemalingsinstallaties, gemaalgebouwtjes, telefooncellen en apparatuur voor telecommunicatie. 1.28
ondergeschikte functie
functie waarvoor maximaal 30% van de vloeroppervlakte als zodanig mag worden gebruikt; 1.29
onzelfstandige zorgwooneenheden
een niet zelfstandige wooneenheid bestemd voor verzorgd wonen die niet via de reguliere woningdistributie beschikbaar komt maar waarvan de bewoners vanwege hun beperktere zelfredzaamheid vanaf aanvang van bewoning op basis van een ter zake van overheidswege gehanteerd systeem zijn geindiceerd voor zorg die beschikbaar is in de instelling waar de wooneenheid zich bevindt en welke zorg door die bewoners ook daadwerkelijk wordt afgenomen; 1.30
prostitutie
het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander tegen vergoeding; 1.31
seksinrichting
een voor publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotisch pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een (raam)prostitutiebedrijf, een seksbioscoop, een seksautomatenhal, een sekstheater, een parenclub, een privé-huis of een erotische massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.32
vloeroppervlakte
de totale oppervlakte van hoofdgebouwen en aan- en bijgebouwen op de begane grond; 1.33
voorgevel
de gevel van een gebouw, die is gekeerd naar de weg of het openbaar gebied waarop het bouwperceel is georiënteerd. Bij panden die met meerdere gevels op de openbare weg zijn gekeerd (hoekpanden) geldt een evenredig aantal voorgevels; 1.34
voorgevellijn
de denkbeeldige lijn die strak loopt langs de voorgevel van een gebouw tot aan de perceelgrenzen; 1.35
wonen
een object of perceel bestemd voor reguliere zelfstandige bewoning; 1.36
zelfstandige bewoning
het bewonen van een woning met een eigen toegang zonder daarbij afhankelijk te zijn van wezenlijke voorzieningen buiten de woningen.
64
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Artikel 2
Wijze van meten
Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten: 2.1
bebouwingspercentage
het deel van het bouwvlak uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden; 2.2
de bouwhoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3
de goothoogte van een bouwwerk
vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeibord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.4
de inhoud van een bouwwerk
tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidingsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.5
de oppervlakte van een bouwwerk
tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.6
het bebouwd oppervlak van een bouwperceel
de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen; 2.7
peil
a. voor bouwwerken, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan de weg grenst: de hoogte van die weg ter plaatse van de hoofdtoegang vermeerderd met 0,20 m; b. in andere gevallen:de gemiddelde hoogte van het aansluitende maaiveld of het afgewerkte bouwterrein vermeerderd met 0,20 m.
(vastgesteld)
65
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels
Maatschappelijk
Bestemmingsomschrijving
De voor 'Maatschappelijk' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a. maatschappelijke voorzieningen; b. ter plaatse van de aanduiding 'onzelfstandige zorgwooneenheden', tevens maximaal 90 onzelfstandige zorgwooneenheden. Met daaraan ondergeschikt: c. groenvoorzieningen; d. nutsvoorzieningen; e. tuinen, erven en verhardingen; f. verkeer- en verblijfsvoorzieningen, waaronder parkeervoorzieningen (maximaal 40 parkeerplaatsen); g. water en waterhuishoudkundige voorzieningen. 3.2
Bouwregels
3.2.1
Gebouwen
Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende bepalingen: a. gebouwen mogen uitsluitend binnen een bouwvlak worden gebouwd; b. het bouwvlak mag voor 100% worden bebouwd; c. ter plaatse van de aanduiding 'maximale bouwhoogte (m)' mag de bouwhoogte niet meer bedragen dan de aangegeven hoogte; 3.2.2 Bijbehorende bouwwerken a. bijbehorende bouwwerken mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd; b. de gezamenlijke oppervlakte mag niet meer dan 100m2 bedragen c. de bouwhoogte mag niet meer dan 4 meter bedragen. 3.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde
Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende bepalingen: a. bouwwerken, geen gebouwen zijnde, mogen zowel binnen als buiten het bouwvlak worden gebouwd; b. de maximale bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen bedraagt 2 m, met dien verstande dat de maximale hoogte voor erf- en terreinafscheidingen vóór de voorgevel 1 m bedraagt; c. de maximale bouwhoogte van verlichtingsarmaturen en lichtmasten bedraagt 12 m; d. de maximale hoogte van vlaggenmasten bedraagt 6 m; e. de maximale bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, bedraag 3 m. 3.3
Specifieke gebruiksregels
Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken wordt in elk geval gerekend het gebruik voor: a. seksinrichtingen en prostitutie b. (permanente) buitenopslag van goederen en materialen voor de voorgevellijn; c. wonen; d. commerciële zaalverhuur.
66
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 3 Artikel 4
Algemene regels
Antidubbeltelregel
Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
(vastgesteld)
67
bestemmingsplan Tuibrug 4
Artikel 5 5.1
Algemene bouwregels
Bestaande maten
Met betrekking tot bestaande maten gelden de volgende regels: a. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die meer bedragen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen ter plaatse van de afwijking als ten hoogste toelaatbaar worden aangehouden; b. de bestaande afstands-, hoogte-, inhouds- en oppervlaktematen die minder bedrgaen dan in hoofdstuk 2 is voorgeschreven, mogen ter plaatse van de afwijking als ten minste toelaatbaar worden aangehouden. c. in geval van herbouw is dit lid onder a en b uitsluitend van toepassing, indien de herbouw op dezelfde plaats plaatsvindt. 5.2
Overschrijding bouwgrenzen
De bouwgrenzen en/of voorgevelrooilijnen, niet zijnde bestemmingsgrenzen, mogen in afwijking van de verbeelding en hoofdstuk 2 worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, entreeportalen, veranda's, overstekken en afdaken, mits de overschrijding niet meer dan 2 m bedraagt; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen en bouwwerken, mits de overschrijding niet meer dan 1 m bedraagt. 5.3
Ongeoorloofde wijze van bouwen
Het is verboden op enig terrein of bouwperceel, waarop dit bestemmingsplan van toepassing is, zodanig te bouwen dat daardoor op een aangrenzend terrein of bouwperceel een toestand zou ontstaan, die ter plaatse niet meer met de planregels van het betreffende bestemmingsplan zou overeenstemmen, of voor zover er reeds aldaar een afwijking van de betreffende planregels bestaat, zodanig te bouwen, dat deze afwijking nog zou worden vergroot.
68
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Artikel 6 6.1
Algemene afwijkingsregels
Afwijken
Het college van burgemeester en wethouders kan middels omgevingsvergunning afwijken van: a. de op de verbeelding of in de planregels aangegeven maten, afmetingen en percentages, tot ten hoogste 10% van die maten, afmetingen en percentages; b. de planregels en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot tot maximaal 10 m; 6.2 Voorwaarden De omgevingsvergunning als bedoeld in lid 6.1 kan slechts worden verleend, met inachtneming van tenminste de volgende voorwaarden: a. het straat- en bebouwingsbeeld en de verkeersveiligheidsbelangen mogen niet onevenredig worden geschaad; b. geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van in de omgeving aanwezige functies en waarden; c. geen onevenredige aantasting mag plaatsvinden van de belangen van eigenaren van omliggende gronden.
(vastgesteld)
69
bestemmingsplan Tuibrug 4
Artikel 7
Algemene gebruiksregels
Onder het gebruiken van gronden of bouwwerken in strijd met het bestemmingsplan wordt in ieder geval begrepen het gebruiken van gronden of bouwwerken: a. als stort- en/of opslagplaats van grond en/of afval, met uitzondering van een zodanig gebruik voor het normale op de bestemming gerichte gebruik en onderhoud; b. voor het opslaan van kampeermiddelen, roei-, motor- en zeilboten en al of niet gedemonteerde strandhuisjes; c. voor een seksinrichting dan wel ten behoeve van prostitutie.
70
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 4 Artikel 8 8.1
Overgangs- en slotregels
Overgangsrecht
Overgangsrecht bouwwerken
Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, a. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; b. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan. 8.2 Afwijking Het bevoegd gezag kan eenmalig bij omgevingsvergunning afwijken van lid 8.1 voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in lid 8.1 met maximaal 10%. 8.3
Uitzondering op het overgangsrecht bouwwerken
Lid 8.1 is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan. 8.4
Overgangsrecht gebruik
Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. 8.5
Strijdig gebruik
Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 8.4 te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. 8.6
Verboden gebruik
Indien het gebruik, bedoeld in lid 8.4, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten.
(vastgesteld)
71
bestemmingsplan Tuibrug 4
Artikel 9
Slotregel
Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan Tuibrug 4 van de gemeente Houten.
72
(vastgesteld)