Bijlage 1a - Toelichting en regels Tuibrug 4
Tekst van het document
Tuibrug 4
bestemmingsplan Tuibrug 4
Inhoudsopgave
Toelichting
5
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding 1.2 Ligging plangebied 1.3 Geldend bestemmingsplan 1.4 Leeswijzer
6 6 6 8 9
Hoofdstuk 2 Bestaande en toekomstige situatie 2.1 Bestaande situatie 2.2 Toekomstige situatie
10 10 11
Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1 Inleiding 3.2 Rijksbeleid 3.3 Regionaal en provinciaal beleid 3.4 Gemeentelijk beleid
16 16 17 19 21
Hoofdstuk 4 Omgevingsaspecten 4.1 Bodem 4.2 Archeologie 4.3 Cultuurhistorie 4.4 Flora & Fauna 4.5 Stikstofdepositie 4.6 Geluid 4.7 Luchtkwaliteit 4.8 Geur 4.9 Bedrijven- en milieuzonering 4.10 Kabels en leidingen 4.11 Externe veiligheid 4.12 Water 4.13 Verkeer en parkeren 4.14 Duurzaamheid 4.15 Milieueffectrapportage
26 26 27 28 29 30 31 32 34 35 37 38 40 42 44 45
Hoofdstuk 5 Juridische planbeschrijving 5.1 Inleiding 5.2 Opbouw van de regels 5.3 Planregels 5.4 Overgangsrecht 5.5 Handhaafbaarheid
46 46 47 48 49 50
Hoofdstuk 6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid 6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid
51 51 52
Bijlagen bij toelichting Bijlage 1 Bodemonderzoek Bijlage 2 Quickscan Flora & Fauna Bijlage 3 Nader onderzoek Flora & Fauna Bijlage 4 Aerius-berekening Bijlage 5 Akoestisch onderzoek Bijlage 6 Vormvrije m.e.r.-aanmeldnotitie Bijlage 7 Verslag buurtparticipatie Tuibrug
53 54 55 56 57 58 59 60
Regels
61
Hoofdstuk 1
2
Inleidende regels
62
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4 Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
62 65
Hoofdstuk 2 Artikel 3
Bestemmingsregels Maatschappelijk
66 66
Hoofdstuk 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7
Algemene regels Antidubbeltelregel Algemene bouwregels Algemene afwijkingsregels Algemene gebruiksregels
67 67 68 69 70
Hoofdstuk 4 Artikel 8 Artikel 9
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht Slotregel
71 71 72
(vastgesteld)
3
bestemmingsplan Tuibrug 4
4
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Toelichting
(vastgesteld)
5
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 1 1.1
Inleiding
Aanleiding
Initiatiefnemer Het Fort Houten B.V. (hierna: initiatiefnemer) is voornemens de locatie van de voormalige Thermen Houten aan de Tuibrug 4 in het voorzieningengebied de Weteringhoek te herontwikkelen naar circa 70 tot maximaal 90 onzelfstandige zorgwooneenheden voor mensen met een zorgvraag. Dit zou onder meer kunnen bevatten, maar is niet beperkt tot, somatische zorg, geriatrische revalidatiezorg, woonvormen voor mensen met dementie, woonvormen voor mensen met een (verstandelijke) beperking en/of een centrum voor medische dienstverlening. Tot medio 2019 was Thermen Houten gevestigd aan de Tuibrug 4 in Houten. Het saunabedrijf is destijds failliet gegaan, door onder meer de toenemende concurrentie van moderne saunacomplexen. Thermen Houten was sterk verouderd en is dan ook niet interessant gebleken voor een doorstart of overname. Initiatiefnemer is voornemens om op de locatie van de Thermen Houten circa 70 tot maximaal 90 onzelfstandige zorgwooneenheden te realiseren. Onderhavig bestemmingsplan maakt de realisatie van deze ontwikkeling juridisch-planologisch mogelijk.
1.2
Ligging plangebied
Het plangebied is gelegen in de wijk Weteringhoek in Houten, tussen de Rondweg aan de noordzijde, de Tuibrug aan de zuidoost zijde en de Hefbrug aan de zuidwest zijde. De kavel heeft een oppervlakte van 5.923 m2 en betreft het nieuw gesplitste perceel kadastraal bekend als gemeente Houten, sectie A, nummer 13705. Op afbeelding 1 is de ligging van het plangebied te zien. De Weteringhoek is het voorzieningengebied aan de westzijde van de Rondweg in Houten. Hier bevinden zich diverse sportverenigingen, kinderdagverblijven, een politiebureau en diverse andere (maatschappelijke) voorzieningen. Er wordt niet gewoond in het gebied, maar de gemeente Houten heeft in 2020 medewerking verleend aan het 'Vertrouwde Dorp', een project voor het realiseren van kleinschalige zorg met 30 zorgwooneenheden voor mensen met dementie. Alhoewel het 'Vertrouwde Dorp' een zorginstelling van minder grote omvang is dan onderhavig planinitiatief, toont het wel de diversiteit aan voorzieningen in de omgeving aan.
6
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Afbeelding 1: Ligging plangebied (bron: Google Maps)
(vastgesteld)
7
bestemmingsplan Tuibrug 4
1.3
Geldend bestemmingsplan
Voor de gronden van het plangebied geldt het bestemmingsplan 'Kruisboog - Weteringhoek', welke is vastgesteld op 6 maart 2012. Het gehele plangebied is bestemd als 'Cultuur en ontspanning'. De voor 'Cultuur en ontspanning' aangewezen gronden zijn bestemd voor het bedrijfsmatig verrichten van activiteiten gericht op cultuur, spel, vermaak en ontspanning. Het plan van de initiatiefnemer is niet realiseerbaar binnen de regels van het bestemmingsplan, omdat zorg niet is toegestaan binnen de bestemmingsregels. In het gebied 'Weteringhoek' komen in het moederplan 'Kruisboog Weteringhoek' 3 bestemmingen voor die per locatie zijn vastgelegd, namelijk: Sport, Maarschappelijk, Cultuur en Ontspanning. Onderhavig bestemmingsplan sluit hierbij aan. Om onderhavig initiatief planologisch juridisch mogelijk te maken wordt er dan ook een nieuw bestemmingsplan opgesteld waarin het gehele plangebied zal worden bestemd met de bestemming 'Maatschappelijk' met bijbehorende functieaanduiding 'onzelfstandige zorgwooneenheden'
8
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
1.4
Leeswijzer
Het bestemmingsplan bestaat uit regels, een verbeelding en gaat vergezeld van deze toelichting. De toelichting is als volgt opgezet: In hoofdstuk 2 wordt ten eerste ingegaan op de bestaande situatie van het plangebied. Vervolgens wordt de toekomstige situatie beschreven. In hoofdstuk 3 worden de relevante beleidskaders van zowel het rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 worden de planologische en milieutechnische randvoorwaarden voor ontwikkeling van het plangebied behandeld. Vervolgens wordt in hoofdstuk 5 de juridische planopzet voor het bestemmingsplan beschreven. De uitgangspunten voor het bestemmingsplan worden hier toegelicht. Tot slot worden in hoofdstuk 6 de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid beschreven.
(vastgesteld)
9
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 2 2.1
Bestaande en toekomstige situatie
Bestaande situatie
Houten is de grootste plaats in de gemeente Houten. De plaats ligt ten zuiden van de stad Utrecht. Houten is in de jaren '60 aangewezen als groeikern. Sindsdien is Houten snel gegroeid tot een gemeente met circa 50.000 inwoners, met een voorzieningenniveau die hoort bij een gemeente van deze grootte. Het plangebied is gelegen in de Weteringhoek. De Weteringhoek is een voorzieningengebied dat ooit bedacht is voor jong Houten, met een zwembad, diverse sportlocaties en andere maatschappelijke voorzieningen. Het voorzieningengebied van de Weteringhoek werd in het verleden gekenmerkt door paviljoen achtige bebouwing, midden op de kavel met groen er omheen. Echter is het gebied van de Weteringhoek de laatste jaren aan veranderingen onderhevig geweest, en komt deze stedenbouwkundige opzet niet meer voor op elk perceel. In de huidige situatie is de bebouwing voor de Thermen Houten nog aanwezig in het plangebied. Er is in het plangebied één hoofdgebouw aanwezig. Daarnaast staan er ook enkele kleinere gebouwen op het perceel. De buitenruimte is tevens ingericht ten behoeve van de Thermen, met onder andere een zwembad. De Thermen Houten is niet meer in bedrijf.
10
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
2.2
Toekomstige situatie
Het planinitiatief betreft de volledige sloop en nieuwbouw van het door faillissement getroffen en niet in bedrijf zijnde wellness- en saunaxomplex 'Thermen Houten'. Initiatiefnemer is voornemens het plangebied te herontwikkelen naar een woonzorgomgeving voor zwaardere zorg. De voorgenomen ontwikkeling ziet op de realisatie van circa 70 tot maximaal 90 onzelfstandige wooneenheden waarbinnen zorg kan worden verleend. Regulier wonen is in het toekomstige complex niet toegestaan, enkel mensen met een zorgvraag kunnen gebruik maken van de zorgwooneenheden. Dit betreffen uitsluitend mensen die vallen binnen de Wet langdurige zorg, of de zorgverzekeringswet. Deze onzelfstandige wooneenheden worden daarnaast WMO-proof gerealiseerd. De beschreven zorg kan onder meer het volgende omvatten: Somatische zorg; Gereatrische revalidatiezorg; Onzelfstandige woonvormen voor mensen met dementie; Onzelfstandige woonvormen voor mensen met een (verstandelijke) beperking; Medische dienstverlening. Hiermee wordt de functie van de Weteringhoek versterkt en kan middels deze toevoeging zich doorontwikkelen als voorzieningengebied. Daarnaast zijn in de Weteringhoek alle voorzieningen aanwezig waardoor dit een aannemelijke en aantrekkelijke locatie lijkt voor de ontwikkeling van onzelfstandige zorgwooneenheden.
Ook is in de nabije omgeving van het plangebied reeds een zorgcomplex ontwikkeld voor mensen met dementie, betreffende 'Het vertrouwde dorp'. Door de verschillende zorgvoorzieningen te clusteren, kunnen deze elkaar ook versterken. Het zorgwonen-concept is ontwikkeld vanuit de verwachting dat in de toekomst een institutionele belegger zoals een (pensioen)fonds de locatie als zorgvastgoed gaat verwerven. De beoogde beleggers c.q. fondsen hebben veelal een specialisatie zorgvastgoed in hun organisatie. Deze treedt hierbij vaak samen op met een gerenommeerde zorgexploitant waarmee voor de toekomst een landgdurige en hoogwaardige zorgexploitatie verzekerd is. De Weteringhoek is geen woonlocatie maar een voorzieningengebied. Regulier wonen is dan ook niet toegestaan binnen het plangebied, dit is gewaarborgd in de planregels. De ontwikkeling bevat circa 70 tot maximaal 90 zorgwooneenheden. Gelet op de omvang van het toekomstige gebouw zouden er circa 70 individuele zorgunits van circa 75m 2 bvo kunnen worden gerealiseerd. Rekening houdend met de mogelijkheid dat bij de uiteindelijke exploitatie van het plangebied er een grotere diversiteit aan het type zorgvraag van cliënten wordt gerealiseerd kunnen er eventueel 90 zorgwooneenheden van circa 60m2 worden gerealiseerd binnen dezelfde bebouwingsoppervlakte.
In de planregels is gewaarborgd dat maximaal 90 individuele zorgwooneenheden mogen worden gerealiseerd binnen het toekomstige gebouw. Het totaal aantal m2 BVO van onderhavige ontwikkeling bedraagt 5640m2. 2.2.1
Stedenbouwkundige onderbouwing
Het beoogde ontwerp voorziet in één gebouw, gesitueerd in een u-vormig gebouw, met aftrappende hoogtes. Dit is tot stand gekomen aan de hand van uitgevoerde analyses. De opzet van het gebouw met de verschillende aftrappende hoogtes is bevoordelijk voor onder andere: De oriëntatie van de zon; Binnentuin aan de geluidsluwe zijde; Centrale groene ruimte tussen de gebouwen; 'het hart'
(vastgesteld)
11
bestemmingsplan Tuibrug 4 Het deel aan de noordwestzijde krijgt 3 bouwlagen met een maximale bouwhoogte van 9 meter. Op het deel aan de zuidoostzijde komen twee bouwlagen, met een maximale bouwhoogte van 6 meter. De ingang wordt aan de noordzijde gerealiseerd. In totaal wordt er 5640m2 BVO aan maatschappelijke zorgvoorzieningen gecreëerd in het plangebied. Het blok van drie bouwlagen zorgt voor een mooie afscheiding van het naastgelegen kavel, waar de bebouwing vrij dicht op de kavelgrens is gesitueerd. Door, vanaf de Tuibrug bekeken, op te trappen met het bouwblok krijgt het binnengebied een vriendelijke en toegankelijke uitstraling, het veilige 'hart' van de ontwikkeling. In plaats van een vrijstaand 'paviljoen'-achtig gebouw omringd door groen, welke tevens in de tegenwoordige situatie op de Weteringhoek nauwelijks meer terug te zien is, wordt er op deze manier een parkachtige omgeving gecreëerd binnen het bouwblok. Het deel van het gebouw met drie bouwlagen krijgt een bouwhoogte van maximaal 9 meter. Het realiseren van een derde verdieping is bedacht als integraal onderdeel van de stedenbouwkundige opzet. Hierbij is uitgegaan van een doorlopende lijn in een u-vorm, waarbij het bouwblok aan de Tuibrug-zijde wordt opgetrapt richting de erfgrens aan de westzijde van het perceel.
Tevens zorgt deze opzet zoals eerder benoemd voor een rustige, veilige en parkachtige invulling binnen het blok, hetgeen noodzakelijk is voor de beoogde doelgroep. Ook geeft het variëren van de bouwhoogtes een architectonisch aantrekkelijker beeld. Daarnaast is het realiseren van een extra bouwlaag noodzakelijk om in het plangebied voldoende onzelfstandige wooneenheden te creëren. Aangezien er relatief grote, hoogwaardige onzelfstandige wooneenheden worden gerealiseerd is het voor de financiële haalbaarheid van het plan noodzakelijk om een extra bouwlaag toe te voegen in combinatie met een fraai bouwontwerp. Middels onderhavig bestemmingsplan wordt het huidige bouwvlak vergroot. Het ontwerp sluit grotendeels aan bij de door de gemeente opgestelde eisen voor het afwijken van de bestaande bouwvlakken. Deze eisen zijn voor het gebied de 'Weteringhoek' als volgt: Randvoorwaarde
Weteringhoek
Bebouwingspercentage per bouwperceel
max. 30%
Aaneengesloten verharding per bouwperceel
max. 20%
Groen per bouwperceel
min. 50%
Bouwhoogte
7,5 m met eventueel 3e ondergeschikte bouwlaag (11m) door middel van een kap, dakopbouw of een setback.
Afstand voorgevel tot erfgrens
min. 5m
Afstand zijgevel tot erfgrens
min. 5m
Afstand achtergevel tot erfgrens
min. 15m aan zijde Houtensewetering
Representatie
respresentatieve zijde geörienteerd op openbare ruimte
Tabel 1: Stedenbouwkundige randvoorwaarden Weteringhoek Met het beoogde initiatief wordt grotendeels tegemoetgekomen aan bovengenoemde randvoorwaarden. De maximale bouwhoogte conform de randvoorwaarden bedraagt in de basis 7,5 meter, met een maximale bouwhoogte van 11 meter door middel van een setback in een derde bouwlaag. Alhoewel de derde bouwlaag niet alszijnde ondergeschikt wordt gerealiseerd, wordt de maximale bouwhoogte van drie bouwlagen (11 meter) niet overschreden. Het bebouwingspercentage van het bouwperceel wordt in vergelijking met de hierboven genoemde stedenbouwkundige randvoorwaarden met maximaal 5% overschreden tot 35%. Het bouwvlak van de ontwikkeling bedraagt 2073m2, ten opzichte van een totaaloppervlak van 5923m2 van het gehele perceel. Aan de overige randvoorwaarden wordt wel voldaan. Het voorzieningengebied van de Weteringhoek is de laatste jaren aan veranderingen onderhevig. Alhoewel bij al deze veranderingen de stedenbouwkundige randvoorwaarden nog steeds als leidraad worden gebruikt, is hier in diverse gevallen op enkele punten vanaf geweken. Aangezien er niet meer dan 3 bouwlagen worden gerealiseerd, en de maximale bouwhoogte voor 3 bouwlagen van 11 meter niet wordt overschreden is deze afwijking voorstelbaar.
Ten opzichte van de huidige situatie wordt er veel extra groen gerealiseerd; de overige ruimte wordt ingericht als groen, zowel in de vorm van groenstroken als een gemeenschappelijke tuin. Het plangebied zal immers in de toekomstige situaite voorzien in een grotere ruimtelijke kwaliteit dan de huidige situatie. Tussen de te realiseren gebouwen wordt een gemeenschappelijke tuin gerealiseerd. De tuin betreft 12
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4 een combinatie van een terras, paden en groen. Het groen bestaat onder andere uit gras, maar ook worden bomen en andere planten aangeplant. Ook worden de daken op de gebouwen uitgevoerd met groene daken. In vergelijking met de huidige situatie wordt meer groen toegevoegd en neemt de hoeveelheid verharding af. Dit bevordert de biodiversiteit in het plangebied. Om de ontwikkeling mogelijk te maken wordt de bestaande bebouwing gesloopt. Tevens worden de bestaande verhardingen, met uitzondering van het parkeerterrein, verwijderd. In onderstaande afbeeldingen is het plan nader uitgewerkt. Op deze tekeningen is het initiatief geplaatst in relatie tot de omliggende bebouwing. Het meest zuid-oostelijk gelegen deel van het gebouw wordt gerealiseerd met 2 bouwlagen, de overige bebouwing zal uit 3 bouwlagen bestaan. Rekening houdend met de stedenbouwkundige randvoorwaarden wordt er een afstand van minimaal 5 meter tussen de zijgevel en de erfgrens gewaarborgd in de planregels. Verkeer en parkeren Het parkeren vindt plaats aan de noordzijde van het perceel. De parkeerplaatsen worden op eigen terrein gerealiseerd en worden halfverhard aangelegd. Ook is er ruimte voor fietsparkeerplaatsen. Vanaf daar is de hoofdingang goed bereikbaar.
Vanwege de doelgroep en de afstand tot het centrale parkeerveld op de Weteringhoek worden er parkeerplaatsen bij de voorziening gerealiseerd. Het parkeerterrein wordt voor auto's en fietsers ontsloten vanaf de Tuibrug. Het aspect parkeren wordt nader onderbouwd in paragraaf 4.13.
Afbeelding 2: Indeling plangebied (bron: initiatiefnemer)
(vastgesteld)
13
bestemmingsplan Tuibrug 4
Afbeelding 3: Impressie toekomstige situatie vanaf de Rondweg (bron: initiatiefnemer)
Afbeelding 4: Impressie toekomstige situatie vanaf de Rondweg (bron: initiatiefnemer)
14
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
Afbeelding 5: Impressie toekomstige situatie vanuit het binnenterrein bekeken (bron: initiatiefnemer)
Afbeelding 6: Impressie toekomstige situatie vanaf de Tuibrug (bron: initiatiefnemer)
(vastgesteld)
15
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 3 3.1
Beleidskader
Inleiding
In dit hoofdstuk wordt een overzicht gegeven van het voor het plangebied 'Tuibrug 4' relevante ruimtelijke beleid op Rijks-, provinciaal, regionaal en gemeentelijk schaalniveau. Dit beleidskader vormt de formele basis voor ontwikkelingen in het plangebied en is daarnaast een onderbouwing voor de beleidskeuze die in het plan zijn gemaakt.
16
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
3.2
Rijksbeleid
3.2.1
Nationale omgevingsvisie
De nationale omgevingsvisie (NOVI) 'Duurzaam perspectief voor onze samenleving' komt voort uit de Omgevingswet, die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Uitgangspunt is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Zo worden in gebieden betere, meer geïntegreerde keuzes gemaakt. Vier prioriteiten hierin zijn: 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; 2. Duurzaam economisch groeipotentieel; 3. Sterke en gezonde steden en regio's; 4. Toekomstbestendige ontwikkelingen van het landelijk gebied. Binnen deze prioriteiten worden drie afwegingsprincipes gehanteerd, die helpen om beleidskeuzes te maken. Dit zijn: 1. Combinaties van functies hebben voorrang op enkelvoudige functies; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal; 3. Afwendelen wordt voorkomen. Tot het moment dat de Omgevingswet in werking treedt (naar verwachting op 1 juli 2023) geldt de omgevingsvisie als structuurvisie van zijn ruimtelijke belangen geborgd in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro, zie §3.1.2). In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is het Rijksbelang opgenomen dat verstedelijking op duurzame wijze plaatsvindt. Wanneer een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk wordt gemaakt moet er getoetst worden aan de 'ladder voor duurzame verstedelijking'.
Doorwerking plangebied De met dit bestemmingsplan gepaard gaande nieuwbouw heeft wel raakvlakken met de NOVI, met name waar het gaat om het realiseren van een goede leefomgevingskwaliteit en het zorg dragen voor een woningvoorraad die aansluit op de woonbehoeften. Het abstractieniveau van de NOVI is echter dusdanig hoog, dat er geen directe opgaven voor het bestemmingsplan gelden. 3.2.2
Besluit algemene regels ruimtelijke ordening
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) staat een aantal onderwerpen waarvoor het Rijk uit het oogpunt van de nationale belangen in de structuurvisie Infrastructuur en Ruimte regels stelt. De 14 nationale belangen van het Barro zijn: Rijksvaarwegen; Mainportontwikkelingen Rotterdam; Kustfundament; Grote rivieren; Waddenzee en waddengebied; Defensie; Hoofdwegen en hoofdspoorwegen; Elektriciteitsvoorziening; Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen; Natuurnetwerk Nederland; Primaire waterkeringen buiten het kustfundament; IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte); Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde; Ruimtereservering parallelle Kaagbaan Doorwerking plangebied De in het Barro juridisch verankerde nationale belangen hebben geen van allen betrekking op het plangebied uit voorliggend bestemmingsplan of de ontwikkelingen die daar zijn gepland.
(vastgesteld)
17
bestemmingsplan Tuibrug 4
3.2.3
Besluit ruimtelijke ordening
In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro, 2017) is de Ladder voor duurzame verstedelijking opgenomen. Met de ladder voor duurzame verstedelijking wordt een zorgvuldige afweging en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke en infrastructurele besluiten nagestreefd. De Ladder voor duurzame verstedelijking is geregeld in artikel 3.1.6 lid 2 en luidt: 'De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien.' De begrippen “bestaand stedelijk gebied” en “nieuwe stedelijke ontwikkeling” zijn opgenomen in artikel 1.1.1 lid 1 aanhef en onder h en i Bro. De 'behoefte' is de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar – looptijd van een bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). De Ladder bepaalt niet voor welke regio de behoefte in beeld moet worden gebracht. De aard en omvang van de stedelijke ontwikkeling bepaalt op welk niveau de afweging moet worden gemaakt.
De afbakening van het onderzoeksgebied is dus afhankelijk van het beoogde programma in het bestemmingsplan. De Ladder biedt de mogelijkheid om in geval van een globaal bestemmingsplan met uitwerkingsplichten en/of wijzigingsbevoegdheden, in het moederplan te bepalen dat het Ladderonderzoek pas hoeft te worden verricht bij vaststelling van het uitwerkingsplan of het wijzigingsplan. Doorwerking plangebied Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling en er een motivering (ladderonderbouwing) nodig is, is afhankelijk van de inhoud van het plan. Omdat er circa 70 onzelfstandige zorgwooneenheden worden gerealiseerd, is er sprake van een stedelijke ontwikkeling. Wanneer een ruimtelijk besluit een stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt is toetsing aan de Ladder noodzakelijk. Voor deze specifieke ontwikkeling is alleen een onderbouwing van de behoefte noodzakelijk, het plangebied ligt immers binnen bestaand stedelijk gebied. De behoefte aan zorgwoningen is niet moeilijk te onderbouwen, het tekort aan passende zorgwoningen voor ouderen is immers in heel Nederland hoog, doordat er veel vergrijzing is en ouderen langer thuis wonen. Ook in Houten is behoefte aan zorgwoningen, ook in de vorm van onzelfstandige wooneenheden. In paragraaf 3.4.3 wordt hier op ingegaan. Derhalve kan, op basis van de definitie in artikel 1.1.1.
Bro, onderbouwd worden dat het plangebied kan worden gezien als bestaand stedelijk gebied. In de jurisprudentie zijn ook uitspraken te vinden die deze (voorlopige) conclusie onderbouwen. Een ontwikkeling aansluitend op bestaande bebouwing en op gronden waar in het verleden reeds een stedelijke functie mogelijk was kan bestaand stedelijk gebied zijn (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:946). Daarnaast wordt het plangebied in de Provinciale Ruimtelijke verordening van Utrecht aangemerkt als bestaand stedelijk gebied.
18
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
3.3
Regionaal en provinciaal beleid
3.3.1
Omgevingsvisie provincie Utrecht
Op 10 maart 2021 hebben de Provinciale Staten van de provincie Utrecht de Omgevingsvisie provincie Utrecht vastgesteld. In deze Omgevingsvisie zijn de integrale lange termijn ambities en beleidsdoelen voor de fysieke leefomgeving van de provincie Utrecht vastgelegd. Dat is inclusief sociale aspecten die fysiek neerslaan, zoals toegankelijkheid en inclusiviteit. In de Omgevingsvisie worden groen, water, energie, bebouwing, infrastructuur, cultuurhistorie en landelijk gebied in onderlinge samenhang gezien. De provincie biedt daarmee ruimte voor duurzaam gebruik en ontwikkeling, voor sociale samenhang en zorgt voor behoud of verbetering van kwaliteit in de Utrechtse leefomgeving. Doorwerking planinitiatief Onderhavig planinitiatief draagt bij aan de ambities van de Omgevingsvisie provincie Utrecht. Zo draagt de ontwikkeling bij aan een gezonde stad. Er is namelijk geen toename in externe veiligheidsrisico's en geluid-, geur- en lichthinder, zoals beschreven in hoofdstuk 4. Daarnaast is onderhavig planinitiatief een binnenstedelijke ontwikkeling die aansluit op de lokale woningbehoefte. Op andere onderdelen uit de omgevingsvisie heeft onderhavig planinitiatief niet direct raakvlak, maar doet ook geen afbreuk aan de ambities uit de omgevingsvisie. Daarmee vormt de Omgevingsvisie provincie Utrecht geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. 3.3.2
Interim Omgevingsverordening provincie Utrecht
Op 10 maart 2021 hebben de Provinciale Staten van de provincie Utrecht de interim Omgevingsverordening vastgesteld. De interim Omgevingsverordening is vastgesteld vooruitlopend op de Omgevingswet en geldt vanaf 1 april 2021. De Provincie Utrecht heeft een interim Omgevingsverordening opgesteld omdat de invoering van de Omgevingswet is uitgesteld en ze toch wil starten met de uitvoering van de Omgevingsvisie. De interim Omgevingsverordening vormt de tijdelijke juridische onderlegger om met de uitvoering van de Omgevingsverordening te kunnen starten. De Omgevingsverordening bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van ruimtelijke plannen. In de Omgevingsverordening zijn alleen algemene regels opgenomen die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. Deze belangen zijn onderverdeeld in 10 thema's (paragrafen), te weten: 1. Algemeen; 2. Watersysteem; 3. Ondergrond en bodem; 4. Bereikbaarheid en mobiliteit; 5. Energie; 6. Natuur; 7. Cultuurhistorie en landschap; 8. Landbouw; 9. Wonen, werken, recreëren; 10. Uitvoering en procedure Binnen de thema's zijn de artikelen van de verordening opgenomen. Hierna worden de voor dit plan relevante artikelen aangehaald.
(vastgesteld)
19
bestemmingsplan Tuibrug 4 Doorwerking planinitiatief Voor onderhavig planinitiatief is het volgende artikel relevant: Paragraaf Wonen, Werken, Recreëren Artikel 9.15 Instructieregel Verstedelijking 1. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk Gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor verstedelijking; 2. Een bestemmingsplan dat betrekking heeft op locaties binnen Stedelijk Gebied kan bestemmingen en regels bevatten voor woningbouw mits is voldaan aan de volgende voorwaarden: a. de woningbouw past in het door gedeputeerde staten vastgestelde programma Wonen en werken; b. de woningbouw leidt niet tot extra bodemdaling; 3. Een motivering van een bestemmingsplan bevat een onderbouwing waaruit blijkt dat aan de genoemde voorwaarden is voldaan. De voorgenomen ontwikkeling past binnen het vastgestelde programma Wonen en werken, zoals is toegelicht in paragraaf 3.3.3. Daarnaast is er geen indicatie dat de voorgenomen ontwikkeling leidt tot extra bodemdaling. Bij de aanvraag omgevingsvergunning dient aan te worden getoond dat er geen sprake zal zijn van extra bodemdaling. Andere artikelen in de omgevingsverordening hebben niet direct raakvlak met onderhavig planinitiatief, maar vormen ook geen belemmering. De Interim omgevingsverordening vormt daarmee geen belemmering voor onderhavig planinitiatief. 3.3.3
Provinciaal programma Wonen en werken
Het Provinciaal programma Wonen en werken is op 5 oktober 2021 vastgesteld door de Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht. Het programma bevat de uitwerking van de in de Omgevingsvisie opgenomen kwantitatieve en kwalitatieve opgaven op het gebied van woningbouw en bedrijventerreinen. Bovendien worden via dit programma woningbouw- en bedrijventerreinontwikkelingen mogelijk gemaakt; in de Interim omgevingsverordening is bepaald, dat bestemmingsplannen die nieuwe woningbouw- of bedrijventerreinontwikkelingen mogelijk maken, moeten passen in dit provinciale programma wonen en werken. In het programma Wonen en werken is aandacht voor zowel het kwantitatieve woningbouwprogramma als de kwalitatieve afspraken. Doorwerking planinitiatief Er is een grote behoefte aan extra woningen in de provincie Utrecht. Deze ontwikkelingen dienen met name op binnenstedelijke locaties plaats te vinden. Onderhavig planinitiatief voorziet in een binnenstedelijke ontwikkeling. De voorgenomen ontwikkeling voorziet niet in zelfstandige woningen. Echter worden onzelfstandige zorgwooneenheden gerealiseerd. Het programma Wonen en Werken gaat niet specifiek in op deze woonvorm. Vanuit dit programma zijn er dan ook geen directe kaders van toepassing op het initiatief. Wel versterkt de voorgenomen ontwikkeling de integrale stedelijke kwaliteit.
Er is behoefte naar dit type woonvorm, zoals blijkt uit paragraaf 3.4.3. In de tuinen is tevens aandacht voor groen. Daarmee sluit onderhavig planinitiatief aan op het kwantitatieve woningbouwprogramma en de kwalitatieve afspraken van het provinciaal programma wonen en werken.
20
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
3.4
Gemeentelijk beleid
3.4.1
Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025
De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de gemeente Houten. Hierin wordt de visie voor Houten in 2025 vastgelegd, waarin Houten duurzaam, innovatief en kleinschalig moet zijn met oog voor elkaar, veel ruimte voor experimenten en initiatieven bij inwoners. Hiervoor zijn vijf principes geformuleerd die centraal staan in de toekomstvisie: 1. We stellen de mens centraal Houten kiest voor nieuwe woningen en ontwikkellocaties, maar deze zijn voornamelijk kleinschalig. In Houten heerst namelijk een cultuur waarin mensen elkaar kennen en herkennen, dit moet worden gewaarborgd. 2. We waarderen verschillen In 2025 is de samenstelling van de bevolking in Houten een stuk gevarieerder en inclusiever. Er is dan meer plek voor jongeren, ouderen, autochtonen en allochtonen, hoger en lager opgeleiden. 3. We zijn zuinig op onze omgeving In 2025 moet Houten een circulaire stad zijn die in balans is. Dit geldt voor zowel het leefklimaat van de (toekomstige) bewoners, als voor de gezondheid en de omringende natuur. 4. We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig met de groenzones, het fietspadenstelsel, de centrumgebieden en de weidse buitengebieden. Onder andere deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is. 5.
We zijn actief in de regio Houten is onderdeel van het stedelijk gebied in en rond Utrecht. Tegelijkertijd is er ook rust en ruimte te vinden bij de Kromme Rijn, de Nieuwe Hollandse Waterlinie en het Eiland van Schalkwijk. Houten moet in 2025 een plek zijn waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen, waarbij de identiteit van Houten niet verloren gaat: Houten als proeftuin van de regio. Doorwerking plangebied De voorgenomen ontwikkeling voorziet in de realisatie van circa 70 tot maximaal 90 onzelfstandige woonzorgeenheden, die geschikt zijn voor onder andere ouderen met dementie, mensen met somatische aandoeningen en geriatrische zorg. De planlocatie valt binnen het stedelijk gebied van de gemeente Houten en kan worden gezien als inbreidingslocatie binnen het voorzieningengebied de Weteringhoek. Deze ontwikkeling past goed binnen de kaders van de Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025. Het planinitiatief sluit goed aan bij 'We stellen de mens centraal', omdat nieuwe vormen van zorg worden gerealiseerd. Daardoor kunnen mensen met behoefte aan deze vorm van zorg ook in Houten terecht. Daarnaast wordt met het initiatief bijgedragen aan het onlangs vastgestelde 'DNA van Houten'.
(vastgesteld)
21
bestemmingsplan Tuibrug 4 3.4.2
Houtens DNA
In april 2023 heeft het college van B&W Houten het document 'Houtes DNA' opgesteld. Dit beleidsdocument is in de raadsvergadering van 1 juni 2023 unaniem vastgesteld. Het Houtens DNA bestaat uit tien kernwaarden, welke samen omvatten wat 'van waarde is' voor inwoners en professionals van de gemeente Houten. Daarmee vormt het Houtens DNA het kompas waarin de gemeente gezamenlijk de uitdagingen van de toekomst aangaat. Met het Houtens DNA wordt de basis gelegd voor nieuwe ontwikkelingen, plannen, visie en beleid die de komende jaren gemaakt gaan worden. De gemeente Houten wil zowel ruimtelijk als sociaal verder ontwikkelen, waarbij bouwen én verduurzamen centraal staat. Tegelijkertijd moeten ook de voorzieningen passend zijn en blijven. Zo wordt beoogd dat de ontwikkelingen aansluiten bij de wensen en behoeften van de inwoners, zodat Houten een fijne en herkenbare gemeente blijft om in te wonen, te werken en te creëren. De 10 kernwaarden van het Houtens DNA zijn: 1. Groen omarmd - omgekeerd ontwerpen 2. Houtense fietsstructuur - gezonde mobiliteit 3. Auto anders - trein prominent aanwezig 4. Buurten met eigen identiteit - menselijke maat 5. Dorps karakter - bouwen aan gemeenschappen 6. Krachtige betrokken samenleveing - inwonersparticipatie 7. Voorzieningen - sociaal en stedelijk 8. Ondernemerschap - inventief en duurzaam 9. Multidisciplinair ontwerpen - van begin tot eind 10.
Regie nemen - samen optrekken Doorwerking plangebied Onderhavig planinitiatief probeert zo veel mogelijk aansluiting te vinden bij elk van de 10 kernwaarden van het Houtens DNA. Onderstaand staan de kernwaarden opgesomd met daarbij de motivering hoe het planinitiatief hieraan bijdraagt. 1. Groen Omarmd Met het ontwerp van dit initiatief opent de locatie zich weer naar de openbare ruimte, in tegenstelling tot de huidige (gesloten) situatie. In de huidige situatie is het ontwerp voornamelijk naar binnen gericht, vanwege de aard van de huidige functie, een sauna, is er rekening gehouden met de privacy van de gebruikers. In de toekomstige situatie wordt een open structuur gecreëerd met een tuin gericht naar de openbare ruimte. Er wordt zo verbinding gezocht met de omgeving. Tevens wordt het duurzame gebouw zo goed als mogelijk opgenomen in de groene omgeving, mede vanwege de relatief lage bebouwingsdichtheid van het perceel. Daar waar mogelijk zullen groene daken worden aangelegd. Per salso wordt er in ieder geval veel deelbaar groen toegevoegd in het gebied door dit planinitiatief. 2. Houtense fietsstructuur In het plan wordt aansluiting gevonden bij het uitgangspunt dat parkeren van auto's zoveel mogelijk in het centrale parkeergedeelte wordt opgevangen. Er wordt een beperkt aantal parkeerplaatsen op eigen terrein aangelegd t.b.v.
mensen die vanwege medische omstandigheden geen lange afstanden kunnen lopen. Verder is de locatie goed bereikbaar met de fiets en kan er aansluiting worden gezocht bij alternatieve mobilitietsvoorzieningen zoals golfkarren en busvervoer (waaronder ook taxidiensten). 3. Auto anders Onderdeel van de kernwaarde 'auto anders' is het versterken en verbeteren van de kwaliteit van het lokale openbaar vervoer voor inwoners met (toekomstige) mobiliteitsbeperkingen. Door meer vraag te creëren zal het bijdragen aan de basis om meer aanbod hierop te genereren. Samen met andere organisaties kan bekeken worden hoe de aansluiting van het gebied voor kwetsbare doelgroepen kan worden verbeterd. Zo kan er aansluiting worden gezocht bij alternatieve mobiliteitsvoorzieningen zoals busvervoer en/of taxidiensten, waarmee de voorzieningen (zoals winkels en medische voorzieningen) in andere delen van Houten (Oude Dorp, Het Rond, Castellum) nog beter bereikbaar worden. 4. Menselijke maat 22
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4 Onderhavig planinitiatief biedt de mogelijkheid voor een kwetsbare doelgroep om in de eigen vertrouwde Houtense omgeving te blijven. Het ontwerp is opgezet om de menselijke maat te borgen. Het initiatief bestaat uit een weldoordacht vormgegeven oude-dags-voorziening met oog voor de bewoners en de omgeving. Met maximaal drie bouwlagen voelt de bewoner van deze voorziening zich thuis en wordt ontmoeting gestimuleerd, zowel in het gebouw als in de buitenruimte. Daarmee ligt de focus niet alleen op interne ontmoeting, maar ook met de gebruikers uit de omgeving. 5. Dorps karakter De voorziening aan de Tuibrug staat niet op zichzelf. Het maakt onderdeel uit van een verhoging van de ruimtelijke kwaliteit van het gehele voorzieningengebied. De voorziening is onderdeel van een rijk leven in Houten, voor alle leeftijden. Zo wordt de Weteringhoek een completer voorzieningengebied, waarbij sporten, zorg, kinderdagopvang en andere soortgelijke functies samen komen. 6. Krachtig betrokken samenleving Het unieke karakter van het voorzieningengebied Weteringhoek ontwikkelt zich naar een sterk met elkaar betrokken mini-samenleving. Door het gehele gebied kan uitwisseling plaatsvinden. Zowel tussen leeftijdsgenoten, als tussen mensen uit verschillende generaties, met het behoud van de eigen doelen terwijl rekening wordt gehouden met elkaar.
Voorliggend initiatief vindt hier aansluiting bij en biedt ook mogelijkheden hiertoe, door uitwisseling te zoeken met omliggende voorzieningen in Houten. 7. Voorzieningen De beoogde ontwikkeling voorziet in een onmisbare behoefte van de Houtense samenleving. Er bestaat de komende tijd in ieder geval een behoefte aan 450 zorgwoningen voor ouderen. De wens is dat deze doelgroep zich kan blijven bestigen in de Houtense samenleving. Zo kunnen zorgbehoevende en kwetsbare ouderen in hun eigen maar toch nieuwe omgeving zoveel mogelijk zorgeloos hun leven voortzetten, zodat ze bereikbaar blijven in de buurt van hun oude leefomgeving. 8. Ondernemerschap Het voorzieningengebied Weteringhoek kent een laag bebouwingspercentage. Hiermee wordt weliswaar veel open ruimte gecreëerd, maar dat beperkt tevens de invulmogelijkheden. In een tijd waar de druk op de ruimte groot is, vraagt het om slim en inventief ruimtegebruik. Voorliggend plan combineert de open ruimte voor ontmoeten, groene buitenruimte voor beleving en toch een intensieve zorg voor een groeiende taak van de samenleving: een goede oudedagsvoorziening voor kwetsbare ouderen. Het gebied van de Weteringhoek biedt deze mogelijkheid en is daarom bij uitstek de juiste omgeving voor een ontwikkeling als deze.
Door het creëren van 'shared spaces' zoals de open groene tuin, maar ook de huiskamers intern, worden diverse gebruikers met elkaar verbonden. 9. Multidisciplinair ontwerpen Het ontwerp van het gebouw combineert de praktijk van het gebruik met de kwaliteit die de omgeving biedt. Er is nadrukkelijk aansluiting gezocht met de reeds gebouwde omgeving. De beginselen van de ruimtelijke kwaliteit van de Weteringhoek worden nageleefd. Het gebouw vormt in samenhang met de omgeving een krachtige verschijning, zonder hierbij te overheersen waardoor het goed wordt opgenomen in de omgeving. De toevoeging van het groene open karakter zorgt ervoor dat de ruimtelijke kwaliteit in het gebied aanzienlijk wordt vergroot. 10. Regie nemen Het initiatief is in nauwe samenhang met de gemeente uitgewerkt en ontwikkeld. Zo is er zorgvuldig overleg geweest met o.a. de gemeente en gezocht naar de juiste doelgroep voor deze locatie, en hoe dit planologisch juridisch in te bedden. In het ontwerp is, in samenwerking met de partijen, gezocht naar de juiste vormgeving waarbij kwaliteit en efficiëntie van het ontwerp leiden tot een optimale voorziening voor Houten. Deze voorziening zal een grote toegevoegde waarde hebben op de behoefte vanuit de Houtense samenleving. Hiermee draagt onderhavig planintiatief op elk van de 10 kernwaarden in zekere mate bij aan het verbeteren van de kwaliteit van Houten.
3.4.3
Programma Ruimte 2017-2019
(vastgesteld)
23
bestemmingsplan Tuibrug 4 Het Programma Ruimte 2017-2019 van de gemeente Houten heeft tot doel om de verschillende ruimtelijke ambities van de gemeente te vertalen naar concrete plannen voor de twee à drie jaar vanaf 2017. Daarnaast geeft het doorkijk voor de periode daarna en vormt het de basis voor toekomstige herijkingen. Het is een instrument om tot een goede ruimtelijke ontwikkeling van Houten te komen. Alhoewel het programma is gericht op de periode tot en met 2019, werkt deze in de jaren daarna wel door. Het programma Ruimte geeft richting aan ontwikkellocaties in Houten. De locaties kunnen ingezet worden voor wonen en zorg, sociale woningbouw maar ook voor nieuwe woningbouwconcepten. In het programma Ruimte zijn ook publieke belangen gedefinieerd die het inhoudelijk kader bepalen voor specifieke herontwikkelingen. Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in de Weteringhoek. Een kans voor dit gebied is de verdere uitbouw van het voorzieningenniveau waarbij ook verblijfsvoorzieningen in beeld komen. Aan de andere kant vormt leegstand een bedreiging voor het gebied. De voorgenomen ontwikkeling sluit hier goed op aan, door onzelfstandige zorgwooneenheden te realiseren. Daarmee wordt het voorzieningenniveau versterkt en wordt leegstand tegengegaan. Daarnaast wordt in het programma Ruimte ingezet op voorzieningen voor ouderen.
De voorgenomen ontwikkeling sluit met de realisatie van zorgwooneenheden aan op deze vraag. 3.4.4
Sociale Koers 2020-2023
De sociale koers 2020-2023 is opgesteld om de uitdagingen binnen het sociaal domein uiteen te zetten en hier oplossingen voor te bieden, om onder andere de zorg beschikbaar en betaalbaar te houden voor de inwoners die het nodig hebben. De kern van de sociale koers kan worden samengevat in de zin 'een inclusieve samenleving'. De gemeente Houten vindt het belangrijk dat iedereen de kans krijgt om mee te doen in de maatschappij en erbij te horen. Het beleid is er dan ook op gericht om te zorgen voor toegankelijke voorzieningen en een toegankelijke openbare ruimte. Uitgangspunt bij het faciliteren van woningen voor ouderen is het realiseren van woningen in bestaande buurten, om zo binnen de eigen sociale omgeving te kunnen blijven. Wanneer dit in de praktijk niet mogelijk blijkt, wordt er samen met de markt en zorgpartijen gezocht naar passende woonvormen voor ouderen. Doorwerking plangebied De kernwaarde uit de sociale koers is inclusiviteit; dat iedereen kan meedoen in de samenleving. Alhoewel er vanuit de sociale koers wordt aangestuurd op zoveel mogelijk passende woningen faciliteren voor inwoners met een beperking, zodat iedereen zo lang mogelijk in de eigen buurt kan blijven wonen, is dit in veel gevallen niet mogelijk vanwege de zware zorgvraag.
Een gebouw waar op grootschalige wijze zorg wordt verleend aan mensen met een zware zorgvraag is lastig te realiseren binnen de bestaande woonwijken. Door het realiseren van een zorg-gebouw waar alle benodigde faciliteiten aanwezig zijn, in een rustige omgeving die gericht is op voorzieningen, wordt deze zorgvraag gefaciliteerd. Aangezien er alleen maar zware zorg zal worden verleend binnen het gebouw wordt een geïsoleerde woonomgeving voorkomen. De bewoners kunnen elkaar ontmoeten in de gemeenschappelijke ruimtes, zowel binnen, als buiten in de binnentuinen. Doordat de binnentuinen zijn ingebouwd door de opgetrapte gebouwen wordt een veilige omgeving voor de bewoners gecreëerd. Omdat er middels de realisatie van het zorgcomplex wordt aangesloten bij de behoefte voor zorgwooneenheden, en er zo een passende oplossing wordt geboden aan het bestaande tekort, wordt er invulling gegeven aan de sociale koers 2020-2023. Doordat de mensen met een zware zorgvraag geclusterd zitten in een gebouw met veel gezamenlijke binnen-en buitenruimtes wordt gewaarborgd dat de bewoners niet geïsoleerd worden. 3.4.5
24
Woonvisie 2021-2030
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4 De Woonvisie Houten 2021-2031 heeft als doel om beter te sturen op de uitvoering van het gemeentelijk woningbouwprogramma tot 2040. In de woonvisie zijn vier speerpunten geformuleerd: 1. Toevoegen van 4.750 woningen in de periode tot 2040. 2. Actieve sturing op een wijziging in de woningvoorraad in Houten door het toevoegen van vooral diverse soorten gelijkvloerse woningen. 3. Een Thuis voor iedereen. 4. Opgave duurzaamheid en wonen. Deze vier speerpunten zijn vertaald in 12 ambities voor de gemeente Houten. Doorwerking plangebied In de gemeente Houten is een vraag naar 4.750 woningen. Specifiek is er een vraag naar circa 450 zorgwoningen. De gemeente Houten wil daarom inzetten op het realiseren van zorgwoningen en 24uurszorg. Deze wens is uitgewerkt in de ambities 'invulling huisvestingsopgaven wonen & zorg' en 'de volkshuisvestelijke taken van woningcorporaties volgens de Woningwet'. De voorgenomen ontwikkeling voorziet enkel in onzelfstandige zorgwooneenheden. Deze kunnen zowel voor korte als voor lange termijn worden bewoond. De woonvisie gaat met name uit van zelfstandige wooneenheden. Op dit punt is er daarom niet direct raakvlak met de woonvisie. Echter is er wel een sterke behoefte naar dit type woonvorm. Daarmee wordt wel voor een aanwezige vraag gebouwd. De voorgenomen ontwikkeling sluit daarmee aan op de ambities van de Woonvisie 2021-2031.
3.4.6
Visie Groen en Biodiversiteit Houten
Groen en biodiversiteit zijn wereldwijd belangrijke onderwerpen. Vergeleken met de biodiversiteit in 1990 is in Nederland de biodiversiteit van nagenoeg alle ecosystemen afgenomen en vele malen lager dan niet-aangetaste ecosystemen. Belangrijke oorzaken zijn intensieve landbouw, stikstofdepositie, vervuiling, afname van natuuroppervlak en versnippering van natuurgebieden. De Visie Groen en Biodiversiteit geeft richting aan het beleid voor groen en biodiversiteit in de gemeente Houten. Hiermee biedt de visie een leidraad om te bepalen welke maatregelen bijdragen aan het versterken van het groen en de biodiversiteit. Op basis van deze visie worden in de toekomst uitvoeringsprogramma's opgesteld. De visie geeft voor 8 thema's mogelijke maatregelen mee. De thema's betreffen groenbeheer, water(beheer), ecologische verbindingen, kleine landschapselementen, soortenbeheer, voorlichting/educatie, natuurinclusieve landbouw en tijdelijke natuur. Doorwerking plangebied Het planinitiatief voorziet in een nieuwe tuin. De tuinen in Houten vormen een essentieel onderdeel in de totale biodiversiteit in de gemeente. De gemeente streeft naar meer gevarieerd groen in de tuinen, zodat deze geschikt zijn voor zoveel mogelijk soorten fauna. Door de realisatie van nieuwe bomen en struiken in deze tuin kunnen diverse vogels gebruik maken van het plangebied.
Door de toevoeging van plantenbakken kunnen diverse bloemen worden geplant, welke insecten aan kunnen trekken. Ook worden groene daken aangelegd, waar insecten en vogels gebruik van kunnen maken. Op deze manier wordt bijgedragen aan de biodiversiteit in het plangebied en wordt aangesloten op de Visie Groen en Biodiversiteit. 3.4.7
Nota parkeernormen Houten 2021
De Nota Parkeernormen is van toepassing bij nieuw- en verbouwplannen (ruimtelijke ontwikkelingen) waarvoor een bestemmingsplanwijziging en/of omgevingsvergunning verplicht is. Hierbij wordt getoetst door de gemeente Houten of in het plan voldoende parkeergelegenheid wordt gecreëerd conform de Nota Parkeernormen. Dit aspect wordt in dit bestemmingsplan nader onderbouwd in paragraaf 4.13.
(vastgesteld)
25
bestemmingsplan Tuibrug 4
Hoofdstuk 4 4.1
Bodem
4.1.1
Beleidskader
Omgevingsaspecten
De Wet ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat gemeenten regels moeten stellen bij het vaststellen van bestemmingsplannen. De regels zijn nodig om voor een goede ruimtelijke ordening te zorgen. Dit betekent dat de bodemkwaliteit en de voorgenomen bestemming met elkaar in overeenstemming moeten zijn. Een historisch onderzoek kan worden uitgevoerd om te bepalen of de bodem een planontwikkeling in de weg staat. Dit onderzoek kan aangevuld worden met een nader bodemonderzoek. Het is niet toegestaan om te bouwen op vervuilde grond. Sinds 2008 is het Besluit bodemkwaliteit van kracht. Bij het toepassen van grond en bagger hanteert dit besluit een toets. De bodem moet met de gebruiksfunctie in balans zijn. Het doel van het Besluit bodemkwaliteit is duurzaam bodembeheer. De bescherming van de bodemkwaliteit voor mens en milieu moet in balans zijn met gebruik van de bodem voor maatschappelijke ontwikkelingen. Te denken valt aan woningbouw of het aanleggen van wegen. Er moet bij plannen rekening worden gehouden met de bodemkwaliteit in relatie tot de gewenste functies. Dit is bepaald in artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening en artikel 3.2 Algemene wet bestuursrecht. Ten aanzien van eventuele toekomstige ontwikkelingen geldt in het algemeen dat een bodemonderzoek noodzakelijk is bij het wijzigen van de bestemming of bij graafwerkzaamheden.
Indien sprake is van ernstige bodemverontreiniging zal op basis van de Wet bodembescherming en de Wabo (art 6.2c) pas gebouwd/ontwikkeld mogen worden wanneer bij de omgevingsaanvraag een door het bevoegd gezag goedgekeurd saneringsplan/BUS-melding is gevoegd. 4.1.2
Doorwerking planinitiatief
In april 2022 is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd door Lycens B.V. Met dit onderzoek is onderzocht of de bodem geschikt is voor de beoogde woonzorgfunctie. Het onderzoek is bijgevoegd als Bijlage 1. In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan nikkel aangetoond. Deze overschrijden de achtergrondwaarde niet. In de ondergrond zijn een matig verhoogd gehalte aan zink en licht verhoogde gehalten aan kobalt en nikkel aangetoond. Ter plaatse van één boring is de gehalte aan zink licht verhoogd. Er is echter geen sprake van een sterke verontreiniging in de ondergrond. Daarnaast zijn licht verhoogde gehalten aan DDE en DDD aangetoond. Ook is een geringe gehalte aan chloride aangetroffen. De aangetroffen verontreinigingen zijn dusdanig beperkt dat deze geen gevolgen hebben voor de gezondheid van de toekomstige gebruikers van de locatie. Daarom zijn er milieuhygiënisch gezien geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling. Een nader bodemonderzoek is dan ook niet noodzakelijk.
26
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.2
Archeologie
4.2.1
Beleidskader
Het nationale beleid voor archeologie is afkomstig uit Europees beleid. Het Verdrag van Valetta (of wel: 'Verdrag van Malta') regelt hoe er omgegaan moet worden met het Europees archeologisch erfgoed. Nederland heeft het verdrag in 1992 ondertekend. De uitgangspunten van dit Europese verdrag zijn in de Nederlandse wet- en regelgeving verankerd. Dit is gegaan in de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wazm). De Wamz is in werking getreden op 1 september 2007. Hiermee zijn een aantal wetten gewijzigd. Dit zijn onder andere de Monumentenwet (1988), de Ontgrondingenwet (Ow), de Wet milieubeheer (Wm), de Woningwet (Ww) en de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Sinds de Wamz hebben gemeenten een zorgplicht voor het archeologisch erfgoed. Dit is ook verwerkt in de Erfgoedwet sinds 1 juli 2016. In de toekomst zal de zorgplicht verwerkt worden in de Omgevingswet. Tot de Omgevingswet ingaat gelden voor onderdelen, die gaan over de fysieke leefomgeving, de bepalingen uit de Monumentenwet. Dit is opgenomen in de overgangsregeling van de Erfgoedwet. 4.2.2
Doorwerking planinitiatief
Uit de regels en toelichting van het geldende bestemmingsplan 'plan Kruisboog en Weteringhoek' blijkt dat er geen archeologische waarden in het geding zijn. De archeologische beleidskaart van de gemeente Houten bevestigt dit, zoals te zien is in afbeelding 4. Het plangebied ligt namelijk binnen categorie 5, een gebied of terrein met lage archeologische verwachting of geen archeologische verwachting. Op basis daarvan kan geconcludeerd worden dat het aspect archeologie geen belemmering vormt voor onderhavig planinitiatief.
Afbeelding 7: Uitsnede Archeologische Beleidskaart Houten
(vastgesteld)
27
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.3
Cultuurhistorie
4.3.1
Beleidskader
In de ruimtelijke ordening moet de cultuurhistorie worden afgewogen. Het rijk heeft in 2009 hiervoor een aanzet gegeven in de Modernisering Monumentenzorg (MoMo). Het Rijk stelt dat de cultuurhistorie moet worden verantwoord in structuurvisies, bestemmingsplannen en milieueffectrapportages. Het voornaamste doel hiervan is om het cultuurhistorische karakter van Nederland op gebiedsniveau the behouden en te versterken. Op 5 juli 2011 is een wijziging van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) gepubliceerd. Vanaf 1 januari 2012 moet ieder nieuw bestemmingsplan een analyse van cultuurhistorische waarden bevatten. De Bro is samen met andere wetten al eerder toegepast op 17 juni 2011. Zo zijn ook het Besluit omgevingsrecht (Bor) en het Besluit archeologische Monumentenzorg (Bamz) aangepast. Dit sluit aan op de vaststelling van de Wijzigingswet Monumentenzorg 1988. Ook sluit het aan op de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) in 2011. Door een wijziging van het Bro moeten cultuurhistorische waarden voortaan vooraf in het proces van ruimtelijke ordening worden meegenomen. Dit is met name bij de voorbereiding en vaststelling van bestemmingsplannen. Het Bro bevat eisen waar de voorbereiding van een bestemmingsplan aan moet voldoen. Zo wordt er onder meer een beschrijving verlangd.
In deze beschrijving moet worden aangegeven hoe er met de in het gebied aanwezige cultuurhistorische waarden wordt omgegaan. Ook moet het aangeven hoe er met de in de grond aanwezige of te verwachten monumenten wordt omgegaan. De wetgever wil hiermee bereiken dat aandacht voor cultuurhistorische waarden voortaan in het planproces naar voren worden gehaald. De Erfgoedwet bundelt wet- en regelgeving op het gebied van het cultuurerfgoed in Nederland in één nieuwe wet. De wet is van kracht sinds 1 juli 2016 en gaat over het behoud en beheer van cultureel erfgoed. Een groot deel van de bestaande wet- en regelgeving is overgenomen in de Erfgoedwet. Dit betreffen de Monumentenwet en de Wet ruimtelijke ordening. Daarnaast is de aanwijzing van rijksmonumenten overgenomen. Ook is overgenomen wie welke verantwoordelijkheden heeft en hoe het toezicht daarop wordt uitgeoefend. Voor het eerst is er nu één integrale wet over het cultureel erfgoed. Deze heeft betrekking op de museale objecten, musea, monumenten, en archeologie op het land en onder water. Voorheen was het behoud en beheer van ons erfgoed geregeld in zes verschillende wetten. Deze hadden elk hun eigen procedures en beschermingsmaatregelen. Het uitgangspunt is dat deze beschermingsniveaus worden gehandhaafd. Dit zijn de beschermingsniveaus zoals die in de eerdere wetten en regelingen golden.
Daarnaast worden aan de Erfgoedwet een aantal nieuwe bepalingen toegevoegd. Samen met de Omgevingswet wordt een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. De Omgevingswet wordt naar verwachting in 2022 of 2023 ingevoerd. 4.3.2
Doorwerking planinitiatief
In de Weteringhoek zijn geen cultuurhistorische waarden aanwezig. De dichtstbijzijnde locaties met cultuurhistorische waarden liggen in het centrum van Houten. Onderhavig planinitiatief doet geen afbreuk aan deze cultuurhistorische waarden. Het aspect cultuurhistorie vormt daarom geen belemmering voor onderhavig planinitiatief.
28
(vastgesteld)
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.4
Flora & Fauna
4.4.1
Beleidskader
Per 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. De Wet natuurbescherming vervangt drie actuele wetten: de Flora- en faunawet, de Boswet, en de Natuurbeschermingswet 1998. In de Wet natuurbescherming is de bescherming van soorten en gebieden vastgelegd. Verantwoording soortenbescherming De toets aan de natuurwetgeving is een getrapte toets. Allereerst is een quickscan flora & fauna (natuurtoets) nodig. De resultaten van de quickscan bepalen of een vervolgonderzoek uitgevoerd moet worden. Een vooorbeeld van een vervolgonderzoek is een onderzoek naar de aanwezigheid van vleermuizen of andere beschermde soorten. Het plan kan soms onder bepaalde voorwaarden worden uitgevoerd als er negatieve effecten woren verwacht. Een voorbeeld is door het nemen van maatregelen om negatieve effecten te voorkomen. Er is meestal een ontheffing nodig van de provincie als negatieve effecten niet voorkomen kunnen worden. Verantwoording gebiedsbescherming Vanuit de Wet natuurbescherming (Wnb) zijn er natuurgebieden aangewezen die beschermd zijn. Het gaat daarbij om Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn uitgesplitst in Habitatrichtlijngebieden en Vogelrichtlijngebieden. Binnen de diverse Natura 2000-gebieden komen een aantal stikstofgevoelige habitattypen voor.
Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied, Lingegebied & Diefdijk-Zuid, ligt op een afstand van circa 10,1 kilometer vanaf het plangebied. Het dichtstbijgelegen gebied dat deel uitmaakt van Natuurnetwerk Nederland ligt op circa 1,4 kilometer afstand van het plangebied. Vanwege de afstand kunnen effecten als areaalverlies, vernippering, verstoring en verandering van waterhuishouding van het Natura 2000-gebied op voorhand worden uitgesloten. Ten behoeve van (incidenteel) aanwezige algemene soorten dient de zorgplicht van artikel 1.11 Wet natuurbescherming in acht te worden genomen. Deze zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg dient te dragen voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden, in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. Het plangebied vormt geen onderdeel van een natuur- of groengebied met een beschermde status, zoals een Natura 2000-gebied. 4.4.2
Doorwerking planinitiatief
Op 13 augustus 2020 is door EcoTierra een quickscan flora en fauna uitgevoerd. Deze quickscan is toegevoegd als Bijlage 2. Uit dit onderzoek is gebleken dat er mogelijk vleermuizen en steenmarters in het plangebied voorkomen. Andere beschermde flora en fauna zijn in het plangebied niet aanwezig. In navolging op de quickscan is een nader onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van steenmarters en vleermuizen. Dit onderzoek is toegevoegd als Bijlage 3. Tijdens dit onderzoek zijn geen vaste verblijfplaatsen van vleermuizen en steenmarters vastgesteld. Er is tijdens dit onderzoek geen steenmarter meer waargenomen. Wel foerageren enkele vleermuizen in het gebied. Het betreft echter geen significant foerageergebied. Daarom kan geconcludeerd worden dat de voorgenomen ingreep geen overtreding van de Wnb tot gevolg heeft. Uiteraard is de zorgplicht altijd van toepassing.
(vastgesteld)
29
bestemmingsplan Tuibrug 4
4.5
Stikstofdepositie
4.5.1
Beleidskader
Voorheen diende op grond van het Programma Aanpak Stikstof (PAS) - dat in juli 2015 van kracht werd - berekend te worden of een nieuwe (bouw)activiteit leidde tot een significante toename van stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Onder het PAS golden enkele drempels- en grenswaarden die bepaalden of een toename van stikstofdepositie significant was en zo ja, of er dan een meldingsplicht of een vergunningplicht gold. Door te rekenen met het voorgeschreven rekenprogramma AERIUS Calculator werd automatisch met die drempelwaarden rekening gehouden In het geval van de meldingsplicht kon de planontwikkeling aanspraak maken op benutting van de ontwikkelingsruimte die voor een Natura 2000-gebied gold, totdat deze niet meer voorradig was. Als gevolg van de uitspraak van de Raad van State van 29 mei 2019 mag het PAS niet meer gebruikt worden als toestemmingskader voor ruimtelijke ontwikkelingen die leiden tot een toename van stikstofdepositie op (stikstofgevoelige habitattypen in) Natura 2000-gebieden. De drempel- en grenswaarden uit het PAS zijn daarmee ook niet meer van toepassing. Hiermee kan een project met een geringe depositietoename van 0,01 mol/ha/jaar al vergunningplichtig zijn (artikel 2.7 en 2.8 Wnb).
Oftewel, ook relatief kleinschalige projecten dienen zorgvuldig op hun stikstofdepositie getoetst te worden om aan Europese regelgeving te kunnen voldoen (en stand te houden bij de Raad van State in geval van een beroep). Per 1 juli 2021 is de nieuwe stikstofwet in werking getreden. Door deze wetgeving is het in principe niet langer noodzakelijk om ook de realisatiefase (lees: bouwfase) te betrekking in het onderzoek, alleen de gebruiksfase dient nog onderzocht te worden. 4.5.2
Doorwerking planinitiatief
In november 2023 is door Lodewijck Groep een Aerius-berekening uitgevoerd waarin de negatieve gevolgen voor de Natura 2000-gebieden in de omgeving zijn berekend op het gebied van stikstofdepositie. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied betreft het Lingegebied & Diefdijk-Zuid, welke op 10,1 kilometer van het plangebied afligt. De toename in verkeersbewegingen door de voorgenomen ontwikkeling zal niet leiden tot een toename in stikstofdepositie in Natura 2000gebieden. Ook de uitstoot als gevolg van de bouwfase van maximaal 90 zorgwooneenheden leidt niet tot een toename in stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Daarom zijn er geen belemmeringen op het gebied van stikstof voor de voorgenomen ontwikkeling. Het volledige onderzoek is toegevoegd als Bijlage 4.