CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Transitievisie Warmte DEF (002).pdf

Gemeenteraad 9 maart 2021, gemeente HoutenBij agendapunt: Transitievisie Warmte18.715 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 3

Transformatiegebieden: In de mogelijke transformatiegebieden Centrum, Molenzoom, De Koppeling, De Lange Schaft en Noordwest (Ruimtelijke Koers) zijn veel nieuwe woningen voorzien. Het plan is ook om bestaande kantoren te veranderen in woningen. Volgens de landelijke regelgeving mag nieuwbouw niet langer op aardgas worden aangesloten. Dit geldt zowel voor woningen en utiliteit (kantoren, winkels, scholen, etc.). In deze komt mogelijk veel gestapelde bouw. Vanwege de bebouwingsdichtheid is een collectieve warmte oplossing het uitgangspunt. Voor de techniek zijn er twee waarschijnlijke routes: 1. een laagtemperatuurnet van circa 45°C met centrale warmtepompen per gebouw of voor een gebied. Koude is in dat geval individueel per gebouw. 2. een bronnet van circa 10-15°C. Deze bronwarmte kan met warmtepompen per gebouw of per appartement gebruikt worden voor verwarming. De bronwarmte kan ook voor koude worden gebruikt. In beide gevallen is WKO (met warmtepompen) de meest voor de hand liggende warmtebron. Voor de gebieden waar nieuwe woningen / gebouwen komen, bepaalt de gemeente de energiestrategie. Als nodig kan dit voor de gebiedsontwikkeling verder uitgewerkt worden naar een energievisie en/of een bodemenergieplan. Waar mogelijk benutten we koppelkansen om omliggende gebouwen in de transformatiegebieden mee te nemen in de warmtetransitie.

We kijken of de gekozen energiestrategie de mogelijkheden voor omliggende gebouwen om uiteindelijk aardgasvrij te worden niet te veel beperkt. Tot slot houden we rekening met de ontwikkelingen voor collectieve oplossingen in Houten-Noord (aardwarmte) en Houten-Zuid (wijkgerichte aanpak).

19

Hoofdstuk 5: Hoe gaan we verder? In het vorige hoofdstuk hebben we startkansen voor de warmtetransitie in de gemeente Houten benoemd. Maar hoe gaan we na de Transitievisie Warmte verder? In dit hoofdstuk staat de uitvoeringsstrategie voor de Transitievisie Warmte. We kijken naar de benodigde activiteiten en organisatie om de komende jaren stappen te gaan zetten. Binnen de financiële kaders geven we daar uitvoering aan. 5.1 Nieuwe manieren van samenwerken

Samenwerken met inwoners en organisaties die actief zijn in Houten De warmtetransitie is ingewikkeld en vindt niet van de ene op de andere dag plaats. De gebouwen en de infrastructuur moeten aangepast worden. En er zijn duurzame energiebronnen nodig. Dit kan alleen als inwoners, ondernemers, gemeente, woningcorporaties, netbeheerder Stedin, energie-initiatieven en alle andere organisaties de handen ineenslaan voor een duurzame toekomst. De transitie naar duurzaam en aardgasvrij verwarmen vraagt om nieuwe vormen van samenwerken met al die partijen én met onze buurgemeenten. Het naast elkaar uitvoeren van projecten of het afstemmen van planningen is niet genoeg. Er ligt ook een stevige uitdaging op het gebied van communicatie, participatie en financiering. En dat alles in de wetenschap dat de warmtetransitie een opgave is waarvan we nog niet exact weten hoe die gaat lopen. Deze aspecten vragen om een actieve en flexibele sturing, gericht op het verbinden van alle betrokkenen en het benutten van alle aanwezige kennis en kunde in Houten.

20

We zetten voort wat al goed loopt, conform het Energieplan 2020-2025. We werken goed samen met o.a. de energie-initiatieven en het regionale energieloket jouwhuisslimmer.nl. Samen informeren en activeren we de inwoners en ondernemers van Houten voor isolatiemaatregelen. De doelstellingen en de aanpak uit het Energieplan zijn hiervoor een meer dan stevige basis. Daarnaast gaan we starten met wijkgerichte plannen, zoals isolatie in het Oude Dorp en de wijk de Oorden. We zullen afspraken maken met Eneco over de verduurzaming van het huidige warmtenet in Houten-Zuid. We willen samen met inwoners in Houten-Zuid die nog aardgas hebben verkennen op welke manier de warmtetransitie voor hen haalbaar en betaalbaar kan zijn. Daarbij bewaken we actief de samenhang tussen de verschillende opgaven in de verschillende buurten van Houten. De gemeente is regisseur van de warmtetransitie en zal als vervolg op deze transitievisie met de belangrijkste organisaties afspraken maken om de ambities te kunnen realiseren. Dit zijn in ieder geval de volgende organisaties: - Het regionale energieloket jouwhuisslimmer.nl en de lokale energie-initiatieven voor de isolatie van particuliere woningen en bedrijfspanden. - Viveste voor de verduurzaming van huurwoningen. - Eneco voor de verduurzaming en eventuele uitbreiding van het warmtenet in Houten-Zuid.

- Stedin om de energietransitie als netbeheerder mogelijk te maken.

Samenwerken met de andere Kromme Rijn gemeenten Tijdens het opstellen van de Transitievisie Warmte hebben we samen opgetrokken met Wijk bij Duurstede, Utrechtse Heuvelrug en Bunnik. Dit zetten we ook na de Transitievisie Warmte voort. Daarmee leren we van elkaar en zetten we de kennis en capaciteit in onze organisaties slim en efficiënt in. Concrete activiteiten waaraan we samen willen blijven werken zijn: - De isolatiestrategie voor particuliere woningen. Elke gemeente gaat met wijkgerichte isolatieaanpakken aan de slag. Dit geldt specifiek ook voor oudere woningen in het buitengebied en verspreid over de historische lintbebouwing in de kern van Houten. - Aanpak voor all-electric of hybride warmtepompen voor woningen vanaf 1990. Hoe kun je dit het beste stimuleren en wat zijn de ervaringen van verschillende gemeenten die hier campagnes op inzetten? Hiervoor werken we ook met de provincie samen om tot een goed aanbod te komen. - Strategie voor warmtebronnen (Regionale Strategie Warmte als onderdeel van de Regionale Energie Strategie). Potentiële warmtebronnen, zoals aardwarmte en het oppervlaktewater van bijvoorbeeld het Amsterdam-Rijnkanaal kunnen in meerdere gemeenten ingezet worden. Afname van warmte in de ene gemeente kan invloed hebben op wat nog mogelijk is voor een andere gemeente. Deze samenwerking is breder dan de Kromme Rijn gemeenten, dit gebeurt in U16 verband.

- Gemeentebrede communicatie over aardgasvrij. Hierover wisselen de communicatieadviseurs van de vier gemeenten regelmatig kennis en ervaringen uit. 5.2 Wijkgerichte aanpak: informeren,

betrekken en samenwerken

De eerste stap: wijkgerichte verdieping Houten-Zuid, het Oude Dorp en wijk de Oorden zijn de eerste wijken in Houten waar we gaan werken met een wijkgerichte aanpak. Met een wijk wordt een logisch plangebied bedoeld. Dit plangebied kan klein (een paar honderd woningen) of groot zijn afhankelijk van de situatie en de mogelijkheden. In Houten-Zuid is de eerste stap een verkenning wat de voorkeursoplossing is: een warmtenet of all-electric. Deze verkenning is daarmee een tussenstap richting een Wijkuitvoeringsplan. In het Oude Dorp en de Oorden beginnen we met een wijkgerichte isolatie aanpak. Het doel is om ook de woningen in deze wijken klaar te maken voor de warmtetransitie. In deze wijken zijn Wijkuitvoeringsplannen pas aan de orde na de actualisatie van de Transitievisie Warmte in 2025. De basis voor de wijkgerichte verdieping is participatie en communicatie. Het opstellen van de wijkgerichte plannen wordt gecoördineerd door de gemeente. Onderstaande tekst geeft een overzicht van wat belangrijk is voor een succesvolle wijkgerichte aanpak.

Ingrediënten voor een succesvolle wijkaanpak: De volgende aspecten zijn door inwoners en stakeholders benoemd als ingrediënten voor een succesvolle wijkaanpak: - Kies voor homogene gebieden met vergelijkbare bouwjaren en woningtypen. - Stel een participatie- en communicatieplan op. Dit is de kern van de wijkgerichte aanpak. Houd daarin rekening met verschillende doelgroepen, niet alleen gebaseerd op woningtypen maar ook type gebouweigenaren en leefstijlen. - Zorg voor heldere informatie over de maatregelen en de kosten. Zorg, zo nodig, dat er een haalbaar aanbod voor de financiering is. - Geef duidelijk aan wat de gevolgen zijn voor bewoners en andere eigenaren in de wijk en welke inzet je van hen verwacht. - Onderzoek waar woningcorporaties en particulieren samen kunnen optrekken, in buurten of straten waar ze vergelijkbaar bezit hebben. - Voer woningscans uit bij veelvoorkomende woningtypes in de wijk, zodat je de mogelijke maatregelen en verwachte besparingen voor een herkenbare woning in de wijk kunt laten zien. - Maak gebruik van bewoners met voorbeeldwoningen die al maatregelen genomen hebben, en laat daarmee zien wat het effect is en de ervaringen zijn.

- Motiveer woningeigenaren niet alleen via financiële prikkels als subsidies of collectieve inkoop, maar ook door samen naar een duidelijke doelstelling te streven en hen een rol te geven tijdens het opstellen van een gezamenlijk plan om aardgasvrij te worden.

De volgende stap: het Wijkuitvoeringsplan Met het wijkuitvoeringsplan maken we de planvorming voor de overstap naar aardgasvrij wonen in een wijk concreet. Als uit de wijkgerichte verdieping voor Houten-Zuid (voor het deel waar nu het gasnet is) blijkt dat de overstap naar aardgasvrij hier kansrijk is, dan is Houten-Zuid of een deel daarvan, de eerste wijk waarvoor we een Wijkuitvoeringsplan op gaan stellen. Voor het opstellen van het Wijkuitvoeringsplan nemen we de tijd, zodat we alle betrokkenen goed kunnen betrekken. Goede participatie en communicatie zijn de kern van de wijkaanpak. Alleen dan kunnen we de juiste keuzes maken. Het opstellen van het Wijkuitvoeringsplan wordt gecoördineerd door een projectgroep van de gemeente. Die projectgroep betrekt actief de inwoners (eigenaren en huurders), betrokken organisaties in Houten en andere belanghebbenden in de wijk. Actieve participatie is van groot belang omdat het Wijkuitvoeringsplan actie vraagt van alle inwoners.6

6 Zie ook: hoofdstuk 2: uitgangspunten

21

Het opstellen van een wijkuitvoeringsplan duurt 1,5 tot 3 jaar afhankelijk van de complexiteit en omvang van de wijk. Het Klimaatakkoord geeft aan dat de daadwerkelijke uitvoering vervolgens tenminste 8 jaar in beslag neemt. Dat betekent dat er minimaal 10 jaar tijd is tussen de start van het wijkuitvoeringsplan en het afscheid nemen van het aardgas. Zo heeft iedereen de tijd om zich goed voor te bereiden. De gemeenteraad besluit over een Wijkuitvoeringsplan. In het Wijkuitvoeringsplan staat de ambitie voor de wijk, de keuze voor de alternatieve infrastructuur, de planning (stappenplan) en de rollen en verantwoordelijkheden. Een goed Wijkuitvoeringsplan bevat in ieder geval: · Een duidelijke afbakening van het gebied waar we aan de slag gaan, met een gedetailleerde planning in welk deel van de wijk wanneer gestart wordt. Hiervoor is het nodig dat we alle planningen in de wijk (ondergrond, openbare ruimte en onderhoud woningen) naast elkaar leggen en zoveel mogelijk slim samenwerken. Binnen het gebied maken we logische clusters van woningen of gebouwen, zodat het mogelijk is om een goede volgorde te bepalen voor de warmtetransitie.

· een communicatie- en participatieplan voor de wijk: hoe willen de gemeente en andere organisaties (bijvoorbeeld de woningcorporatie of een warmtenetexploitant) inwoners en andere belanghebbenden informeren, betrekken, ondersteunen en waar mogelijk ontzorgen? · Een keuze van het voorkeursalternatief voor aardgas op basis van (i) technische en financiële haalbaarheidsstudies en (ii) de voorkeuren van inwoners, bedrijven en andere belanghebbenden. Hier hoort ook een duidelijk overzicht bij welke stappen gezet moeten worden om te komen tot een concreet aanbod voor eigenaren. Dit betreft de techniek, organisatie en finanAanpak

ciering. In het Wijkuitvoeringsplan wordt duidelijk wanneer iedere eigenaar in het plangebied een keuze moet maken en welke keuzemogelijkheden zij hebben. · Een duidelijke rolverdeling van de partijen die samenwerken aan het wijkuitvoeringsplan. Het wijkplan kan worden bekrachtigd door met de belangrijkste stakeholders in de wijk een samenwerkingsovereenkomst te sluiten, waarin de rollen en verantwoordelijkheden worden vastgelegd.

Inzet middelen gemeente De inzet van middelen door de gemeente is nader te bepalen. De benodigde middelen zijn afhankelijk van de ambities, omvang van het plangebied, voorkeursoptie, gekozen werkwijze, doorlooptijd en afspraken met relevante organisaties. Voor de voorgestelde eerste stappen (wijkgerichte verdieping Oude Dorp / Oorden en Houten-Zuid) is indicatief 0.5 FTE aan projectcoördinatie benodigd per project. Voor een Wijkuitvoeringsplan zal 0.5 tot 2.0 FTE voor projectcoördinatie benodigd zijn, afhankelijk van bovenstaande factoren. Bij het Wijkuitvoeringsplan zijn aanvullend advieskosten te verwachten voor planvorming, technische en financiële onderbouwing, participatie en communicatie. De kosten zijn voor warmtenetten hoger dan bij individuele voorkeursoplossingen (hybride en all-electric warmtepompen). 5.3 Stappen zetten in de kansrijke gebieden

In hoofdstuk 4 hebben we de transitiekaart gepresenteerd met de kansrijke gebieden om te starten. In deze paragraaf geven we handvatten voor de uitvoering van de voorgestelde aanpak. De nummering is voor de leesbaarheid toegevoegd.

Rol gemeente en andere organisaties

Omvang

Starten met planvorming

Houten-Noord en buitengebied 1a

Voortzetten stimulering isolatiemaatregelen bij woningen <1990, conform Energieplan

Gemeente voert regie (beleid). Uitvoering primair door regionaal energieloket en energie-initiatieven

+/- 8.000 woningen in heel HoutenNoord en buitengebied

Dit loopt al (Energieplan)

1b

Wijkgerichte isolatieaanpak voor Oude Dorp en Oorden, woningen 1950-1975

Gemeente coördineert en is eerste aanspreekpunt. Uitvoering samen met partners, bijv. met energieinitiatieven

+/- 600 woningen

2021 -2023

1c

Faciliteren eigenaren woningen van voor 1950 in de kern en het buitengebied van Houten

Gemeente voert regie. Samenwerking / kennisdeling met omliggende gemeentes; ervaring wijkaanpak Oude Dorp meenemen

+/- 500 woningen

Start in 2022

2

Onderzoek voorkeursrichting Houten-Noord

RES U-16: onderzoek potentie aardwarmte; gemeente of initiatiefnemer warmtenet: onderzoek warmtenet en vergelijking met all-electric / hybride

+/- 8.000 woningen

Tijdlijn U16

Houten-Zuid 3

Verduurzamen warmtenet Vijfwal

Regie en uitvoering bij Eneco.

+/- 3.800 woningen

Tijdlijn Eneco

4

Wijkgerichte aanpak aardgasvrij wonen in HoutenZuid buiten Vijfwal: Mossen, Houten, Waters, Polders, Muren, Tuinen, Meren

Gemeente coördineert en is eerste aanspreekpunt. Uitvoering samen met partners, bijv. met energieinitiatieven

2.200 woningen

2021-2022: verkenning, daarna

22

Aanpak

Rol gemeente en andere organisaties

Omvang

Starten met planvorming

Overige gebieden 5

Bedrijventerreinen Rondeel, De Meerpaal, De Schaft, Weteringhoek, Kruisboog

Verantwoordelijkheid bij eigenaren. Voortzetten activiteiten volgens Energieplan

114 ha. bedrijventerrein

Dit loopt al (Energieplan)

6

Transformatiegebieden Centrum, Molenzoom, De Koppeling, Nieuw West

Rol gemeente: energievisie opzetten en handhaven. Nieuwbouw is aardgasvrij. Stimulering koppelkans bestaande bouw.

4800 woningen nieuwbouw

Volgens Ruimtelijke Koers

1. Stimuleren isolatie in Houten-Noord en het buitengebied In hoofdstuk 3 is het belang van isolatie en ventilatie aan de orde gekomen. Ons streven is dat zoveel mogelijk woningen in Houten in 2030 klaar zijn om de overstap naar aardgasvrij te kunnen maken. Uiteindelijk komen heel Houten-Noord en alle (oudere) woningen in het buitengebied een keer aan de beurt. Veel woningeigenaren hebben al actie ondernomen, mede door facilitering van de gemeente en/of steun van één van de energie-initiatieven. We willen de isolatie in Houten-Noord en het buitengebied als volgt aanpakken. a. Voortzetten stimulering isolatiemaatregelen bij woningen <1990, conform Energieplan We zien dat de diversiteit aan woningen in Houten-Noord groot is. Bijvoorbeeld, woningen uit de jaren ’80 in verschillende buurten of zelfs in verschillende straten kunnen behoorlijk verschillend geïsoleerd zijn. Soms is de isolatie goed, vaak is de isolatie matig. Dit vraagt dus om een isolatie-aanpak die rekening houdt met de verschillen tussen woningen én met de voorkeuren van eigenaren en huurders. Alleen hiermee kunnen we isolatie voor iedereen aantrekkelijk maken. We gaan verder met de isolatie-aanpak conform het Energieplan. Dit doen we samen met het regionale energieloket jouwhuisslimmer.nl, de energie-initiatieven en de woningcorporatie. b.

Versnellen isolatie: wijkgerichte aanpak voor het Oude Dorp en de Oorden In het Oude Dorp en de Oorden staan zo’n 600 woningen die tussen 1950 en 1975 gebouwd zijn. Voor deze woningen is een extra inspanning nodig om de isolatie zodanig te verbeteren dat een overstap naar aardgasvrij mogelijk wordt. De focus ligt bij spouwmuur, kruipruimte en dakisolatie. Met een collectieve en zoveel mogelijk gestandaardiseerde aanpak is isolatie voor deze woningen een stuk betaalbaarder en haalbaarder. Dit willen we met een wijkgerichte aanpak doen, bijvoorbeeld door straat voor straat aan de slag te gaan. Daar waar we aan de slag gaan werken we met een goed onderbouwd plan: · Een duidelijke afbakening van de straat of buurt waar we aan de slag gaan, het type woningen in de buurt en een overzicht van opgaven of werkzaamheden die spelen in de buurt. · Een duidelijk aanbod van verschillende maatregelen passend bij de woningtypen in de wijk, gekoppeld aan subsidies en financieringsmogelijkheden. · Een communicatie- en participatieplan. Hoe worden de inwoners van de straat of buurt betrokken en hoe wordt de informatievoorziening geregeld?

· Een duidelijke rolverdeling van de partijen die samenwerken aan de isolatieaanpak. c. Versnellen isolatie: faciliteren maatwerk vooroorlogse woningen Isolatiestappen zijn het moeilijkste voor de vooroorlogse woningen in Houten. Met de kennis die we opdoen in het Oude Dorp willen we ook aan de slag voor deze woningen. De andere Kromme Rijngemeenten hebben dezelfde opgave. We trekken samen op om een project voor vooroorlogse woningen op te zetten. Hier starten we vanaf 2022 mee. We betrekken uiteraard de inwoners en energie-initiatieven.

2. Onderzoek voorkeursrichting voor HoutenNoord Isoleren is belangrijk, maar uiteindelijk is aardgasvrij wonen en werken het doel. De voorkeursrichting voor Houten-Noord is nu nog niet goed te bepalen. Uiterlijk in 2025 willen we de voorkeursrichting duidelijk hebben. In dat jaar wordt de Transitievisie Warmte geactualiseerd. Voor Houten-Noord zijn er op hoofdlijnen 2 mogelijkheden: · Een warmtenet op basis van aardwarmte waarop de meeste woningen en gebouwen worden aangesloten. Een warmtenet hoeft niet te betekenen dat alle woningen aangesloten worden. Op het moment van schrijven (eind 2020) wordt gewerkt aan de Wet Collectieve Warmte waarmee bewoners een mogelijkheid wordt geboden om niet aan te sluiten als ze een duurzaam alternatief hebben. · All-electric of hybride warmtepompen per gebouw. Kleine collectieve oplossingen op basis van WKO kunnen een logisch alternatief zijn, bijvoorbeeld bij appartementen of bij utiliteit. In omringende gemeentes wordt aardwarmte nader onderzocht. Dit gebeurt onder andere met een proefboring in Nieuwegein (2021/2022) en bodemonderzoek in Odijk. Dit onderzoek is belangrijk omdat er nog veel onzekerheid is of aardwarmte een goede warmtebron kan zijn. We doen mee aan deze onderzoeken in RES (U-16) verband.

Als er succesvolle proefboringen en/of sonderingen in de regio zijn, is het mogelijk om een uitspraak te doen of aardwarmte voor Houten-Noord een kosteneffectief alternatief kan zijn voor aardgas. Daarbij kijken we ook wat voor de haalbaarheid en betaalbaarheid de minimum omvang is voor een warmtenet op aardwarmte en welke buurten in Houten-Noord in een dergelijk geval in aanmerking zouden kunnen komen. Hier hoort ook een vergelijking bij met all-electric en/of hybride warmtepompen als belangrijkste alternatieven.

23

3. Verduurzaming bestaand warmtenet voor de Vijfwal (Houten-Zuid) De exploitant van het warmtenet ‘De Vijfwal’, Eneco, onderzoekt de mogelijkheden voor verduurzaming van de huidige installatie die de warmte produceert (WKC ‘De Vijfwal’). Dit is belangrijk omdat de huidige warmtebronnen (gasmotoren en gasketels) niet geschikt zijn voor een aardgasvrije warmtevoorziening in 2040. De eerste stap is het vervangen van de huidige gasmotoren door een duurzame warmtebron. De tweede stap is het verduurzamen van de gasketels voor de piekwarmtevraag in de winter. Uiterlijk voor de actualisatie van de Transitievisie Warmte in 2025 maakt Eneco kenbaar hoe de route naar aardgasvrij eruit ziet voor het warmtenet. Een duidelijke route naar een aardgasvrij warmtenet is een voorwaarde om het warmtenet De Vijfwal in Houten-Zuid uit te kunnen breiden.

4. Wijkgerichte aanpak naar aardgasvrij wonen in Houten-Zuid Houten-Zuid is het gebied waar de kosten voor de overstap naar aardgasvrij wonen op korte termijn het laagste zijn. Om deze reden willen we in Houten-Zuid met een wijkgerichte verdieping verkennen wat de voorkeursroute is en wat daarvoor nodig is. Dit is een tussenstap op weg naar een Wijkuitvoeringsplan. We gaan in gesprek met inwoners van Houten-Zuid over hun voorkeuren.

De woningen van Houten-Zuid zijn vrijwel allemaal na 1990 gebouwd. We toetsen de aanname dat eventuele extra isolatiemaatregelen beperkt zijn. Onder de voorwaarde dat het warmtenet verduurzaamd wordt, kijken we samen met Eneco of het warmtenet buiten de Vijfwal uitgebreid kan worden en of inwoners van Houten-Zuid daarvoor interesse hebben. En we kijken wat er nodig is voor een all-electric aanpak. Een hybride tussenstap kan een goede tussenstap zijn als bewoners of de netbeheerder aangeven dat all-electric nog niet mogelijk of wenselijk is. We doen de verkenning voor alle delen van Houten-Zuid die nu met cv-ketels verwarmd worden. Deze verkenning duurt naar verwachting één of twee jaar. De ambitie is ten eerste om samen met bewoners een logisch gebied te kiezen om met de transitie naar aardgasvrij aan de slag te gaan. En ten tweede wat het voorkeursalternatief voor dat gebied zal zijn: warmtenet of all-electric. De volgende stap is een wijkuitvoeringsplan. Uit de verkenning zal blijken voor welke wijken als eerste een Wijkuitvoeringsplan wordt gemaakt en of er wijken gecombineerd kunnen worden in een Wijkuitvoeringsplan. Bijvoorbeeld als twee wijken het warmtenet als voorkeursalternatief kiezen. Het kan zijn dat uitbreiding van het warmtenet niet haalbaar blijkt. In dat geval gaan we verder met de uitvoering richting all-electric.

Het is nader te bepalen of dit met een Wijkuitvoeringsplan gaat (coördinatie door de gemeente, mogelijk met einddatum voor het gasnet) of aan de hand van het Energieplan inzet op individuele financiële stimulering.

5. Transitie bedrijventerreinen Op de bedrijventerreinen en voorzieningengebieden zien we dat de overstap naar aardgasvrij met een all-electric (individueel per gebouw) of bronnet oplossing (gezamenlijk voor een gebied) zal zijn. Voor kantoren komt een landelijke verplichting om label C te hebben in 2023 en label A in 2030. We verwachten daarom dat veel bedrijven initiatief nemen en al dan niet samen met de buren stappen gaan zetten richting aardgasvrij. We monitoren in lijn met het Energieplan de ontwikkelingen op de bedrijventerreinen samen met !mpact Houten (het duurzaamheidsinitiatief van Ondernemend Houten).

6. Warmtetransitie in de transformatiegebieden De basis voor de warmtetransitie is dat nieuwbouw volgens landelijk regels aardgasvrij is. Hierop zal in de gemeente Houten geen uitzondering gemaakt worden. In Houten zal met de Ruimtelijke Koers mogelijk plaats zijn voor veel nieuwbouw. Voor de mogelijke transformatiegebieden zet de gemeente in op actieve sturing op de energiestrategie binnen een gebiedsontwikkeling, inclusief sturing op het gebruik van de bodem. Waar mogelijk benutten we koppelkansen om omliggende bestaande bouw mee te nemen in de warmtetransitie en zorgen we ervoor dat de mogelijkheden voor de bestaande bouw om aardgasvrij te worden niet onredelijk worden belemmerd.

24

Hoofdstuk 6: Tot slot Deze Transitievisie Warmte geeft de richting weer die we inzetten op weg naar een aardgasvrij Houten. Het laat zien met welke activiteiten we vóór 2030 kunnen starten. Het moment dat de eerste wijk helemaal aardgasvrij is, zal waarschijnlijk pas na 2030 plaatsvinden. Wel kan iedereen al aan de slag.

termijn ook duurder wordt, en dat maatregelen zoals isolatie zichzelf (deels) terugverdienen in een lagere energierekening, meer comfort en een hogere woningwaarde. Iedere woning of ieder gebouw is anders, wat betekent dat de oplossingen, de kosten en de baten ook voor iedereen anders liggen.

Daarom gaan we door met het actief informeren van alle bewoners en ondernemers van Houten over de maatregelen die zij kunnen nemen, als voorbereiding op een aardgasvrije woning of bedrijf.

Als gemeente gaan we op zoek naar nieuwe (financiële) arrangementen, zoals subsidies en leningen. Hiermee kan de drempel verlaagd worden om duurzame maatregelen te nemen of de overstap naar aardgasvrij te maken. En we bekijken welke rol de gemeente daarbij kan nemen.

Betaalbaarheid van de warmtetransitie We weten dat de overstap naar aardgasvrij investeringen vraagt. Door in deze Transitievisie Warmte niet alleen te focussen op de eindoplossingen, maar juist ook op logische tussenstappen, willen we de overstap voor iedereen gefaseerd en behapbaar maken. Bovendien hebben we in de analyses per buurt gekeken welke oplossing de laagste maatschappelijke kosten met zich meebrengt als eerste stap naar betaalbaarheid. Maar we zijn er daarmee nog niet. De volgende stap is het komen tot aardgasvrije oplossingen en tussenstappen waaraan iedereen mee kan doen. Inwoners van Houten hebben niet voor niets betaalbaarheid als belangrijk uitgangspunt voor de warmtetransitie benoemd.

Met subsidies, nieuwe manieren van financiering en wetgeving gaan we de komende jaren in Nederland werken aan een betaalbare warmtetransitie. Betaalbaar voor huurders en verhuurders, voor particuliere eigenaren en voor ondernemers. Want alleen met een betaalbare oplossing krijgen we uiteindelijk iedereen mee op weg naar aardgasvrij. Beschikbare en verwachte financiële instrumenten In bijlage 6 staat een overzicht van de beschikbare en mogelijke financiële instrumenten om de transitie naar aardgasvrij mogelijk te maken.

Het uitgangspunt is dat de overstap naar aardgasvrij betaalbaar moet zijn voor bewoners en ondernemers. Er moet een balans worden gevonden in de kosten en opbrengsten. Hoe, daar wordt landelijk nog aan gewerkt. Daarbij moeten we ook niet vergeten dat op aardgas blijven door stijgende energiebelasting op

25

Bijlage 1: Enquête Via social media, gemeentebrede platforms en nieuwsbrieven is een online enquête verspreid waarbij inwoners van Houten gevraagd zijn om een aantal meerkeuzevragen over de warmtetransitie te beantwoorden. De resultaten van de enquête geven een beeld van wat bewoners belangrijk vinden in de warmtetransitie en de keuzes die in de Transitievisie Warmte gemaakt moeten worden. De enquête is 663 keer ingevuld en geeft daarmee inzicht in de voorkeuren van bewoners ten aanzien van de overstap naar aardgasvrij wonen. Om deelnemers aan de enquête te laten zien wat de overstap naar aardgasvrij wonen inhoudt, konden zij eerst een animatievideo bekijken. Hieronder staan de uitkomsten van de enquête in Houten weergegeven. Er waren in totaal 663 respondenten (= 100%). In welk deel van Houten woon je?

Neem je nu al maatregelen om minder aardgas te gebruiken? (Meerdere antwoorden mogelijk)

Eiland van Schalkwijk

1,81%

12

’t Goy en omgeving

1,66%

11

Nee

22,47%

149

Ja, ik douche korter / heb waterbesparende douchekop

47,51%

315

Ja, ik kook elektrisch

34,24%

227

Ja, ik zet mijn verwarming lager

45,55%

302

Ja, ik heb mijn woning extra geïsoleerd

27,90%

185

Ja, ik heb dubbel/triple glas laten plaatsen

27,90%

185

Ja, ik heb een (hybride) waterpomp waarmee ik mijn woning verwarm

3,77%

25

Buitengebied Houten Noord

2,71%

18

De kern van Houten

93,82%

622

Ben je een Huurder

11,31%

75

Woningeigenaar in een VvE

5,88%

39

Particuliere woningeigenaar (niet VvE)

82,35%

546

Ondernemer met een bedrijfspand

0,45%

3

Waar maak je je het meest zorgen over bij de overstap naar aardgasvrij wonen? (maximaal 3 antwoorden)

Ben je al op de hoogte van de overstap naar aardgasvrij wonen? Ik weet al vrij veel over de overstap naar aardgasvrij

31,18%

220

De kosten

76.62%

508

Ik heb er over gehoord, maar ik heb me er nog niet in verdiept.

57,16%

379

Het gedoe van de verbouwing van mijn huis

34.09%

226

Ik weet vrijwel niets van dit onderwerp

9,65%

64

Niet meer koken op gas

9.50%

63

Of de oplossing wel duurzaam is

19.46%

129

Wat vind je het belangrijkst aan de aardgasvrije oplossing voor jouw woning? (Maximaal 3 antwoorden)

Dat ik geen keuze heb in de oplossing voor mijn huis

44.04%

292

Of ik het nog wel warm krijg

15.84%

105

Ik wil helemaal niet van het aardgas af

28.05%

186

Dat ik mijn woning comfortabel warm krijg

40,27%

267

Ik maak me geen zorgen

9.50%

63

Dat de oplossing duurzaam is

31,83%

211

Dat ik samen op kan trekken met mijn buren

8,45%

56

Dat de oplossing betaalbaar is

79,03%

524

Dat ik zo min mogelijk overlast heb van de verbouwing

15,08%

100

Dat ik zelf een keuze heb voor het alternatief voor aardgas in mijn huis

51,13%

339

Dat ik op tijd geïnformeerd ben

18,10%

120

Dat de overstap van begin tot eind voor me geregeld wordt

17,65%

117

Dat ik mijn woning kan koelen in de zomer

12,82%

26

85

In wat voor buurten zou jij beginnen met de overgang naar aardgasvrij? (maximaal 3 antwoorden) In buurten waar bewoners zelf initiatief willen nemen

36.20%

240

In buurten waar nog heel veel aardgas bespaard kan worden

18.70%

124

In buurten waar toch al werkzaamheden gepland staan (vervangen riolering of gasnet, nieuwbouw, openbare ruimte)

53.39%

354

In buurten waar de overstap het meest betaalbaar is

25.04%

166

In buurten waar flinke slagen gehaald kunnen worden met grote gebouweigenaren zoals woningcorporaties, scholen en verzorgingshuizen

44.49%

295

In buurten waar de woningen nu al het best geïsoleerd zijn

17.50%

116

In buurten waar een duurzame warmtebron (of warmtenet) in de buurt is

30.62%

203

Bijlage 2: Isolatie We onderscheiden twee niveaus van isolatie: het minimumniveau en het basisniveau. Met het minimumniveau kunnen woningen met maximaal 70°C verwarmd worden, zodat een overstap naar hybride warmtepomp of warmtenet mogelijk wordt. Een overstap naar all-electric vereist basis isolatieniveau.

Minimumisolatieniveau Om de transitie mogelijk te maken, is het wenselijk dat alle woningen zo snel mogelijk het minimumniveau aan isolatie hebben bereikt. Op dit niveau kunnen woningen comfortabel verwarmd worden met een maximumtemperatuur van 70°C in plaats van de 80°C tot 90°C die nodig is voor het verwarmen van slecht geïsoleerde woningen. De woningen zijn dan dus 70°C-ready.

Vloer

Tabel 4 geeft ter indicatie per bouwjaar de isolatiemaatregelen die genomen moeten worden voor het minimumniveau. Bij alle maatregelen geldt dat maximaal technisch geïsoleerd moet worden zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden. De daadwerkelijke isolatiewaarde die behaald kan worden is dus sterk situatieafhankelijk, omdat alle woningen anders zijn. Iedere woningeigenaar kan testen of hij op dit niveau zit door de bestaande cv-ketel op een maximumtemperatuur van 70°C in te (laten) stellen zonder (veel) in te hoeven leveren op gebied van comfort en warmte. In een aantal gevallen zullen er radiatoren vervangen of bijgeplaatst moeten worden. Alle woningen gebouwd na 1990 en een deel gebouwd tussen 1975 en 1990 zitten al vanaf het bouwjaar op dit minimumniveau.

Gevel

Kozijnen en glas

Geen spouw

Minimaal HR glas

Spouw Isoleren

Minimaal dubbel glas, bij voorkeur HR glas

Voldoet

Minimaal dubbel glas, bij voorkeur HR glas

Geen spouw

Minimaal HR glas

Spouw Isoleren

Minimaal dubbel glas, bij voorkeur HR glas

Voldoet

Minimaal dubbel glas, bij voorkeur HR glas

Dak

Eengezinswoningen < 1920 ≥ 1920 – 1950 ≥ 1950 - 1975

Kruipruimte isoleren indien aanwezig

≥ 1975 – 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005

Voldoet

Dak isoleren (als nog geen isolatie aanwezig)

Voldoet

Meergezinswoningen / appartementen < 1920 ≥ 1920 – 1950 ≥ 1950 - 1975

Kruipruimte isoleren indien aanwezig

≥ 1975 – 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005

Voldoet

Dak isoleren

Voldoet

Tabel 4: Indicatie minimumniveau maatregelen per bouwjaar en woningtype

27

Basisisolatieniveau Als woningen het basisniveau bereikt hebben, zijn ze geschikt om comfortabel te verwarmen met een maximumtemperatuur van 40°C tot maximaal 55°C. Voor verwarming met deze lagere temperatuur is het in de meeste gevallen nodig om de radiatoren te vervangen door grotere laagtemperatuurradiatoren of door vloerverwarming.

Vloer

Het is wenselijk dat een groot deel van de woningen in Nederland aan het einde van de warmtetransitie op dit niveau zit. Hierdoor zijn ze namelijk geschikt voor bijna alle duurzame alternatieven. Ook wordt de warmtevraag hierdoor nog verder verlaagd en kunnen installaties efficiënter kunnen functioneren. Tabel 5 geeft ter indicatie de maatregelen die genomen moeten worden/zijn. Bij alle isolatiemaatregelen geldt dat het advies is om maximaal te isoleren tot het niveau dat technisch mogelijk is, zonder dat onderdelen van de woning geheel vervangen hoeven te worden.

Gevel

Kozijnen en glas

Isolatie binnenzijde

Minimaal HR glas

Spouw (na)isoleren

Minimaal HR glas

Voldoet

Minimaal HR glas

Dak

Alle woningtypes < 1920 ≥ 1920 – 1950 ≥ 1950 – 1975

Kruipruimte isoleren indien aanwezig

Dak (na)isoleren

≥ 1975 – 1990 ≥ 1990 - 2005 ≥ 2005

Voldoet

Tabel 5: Indicatie basisniveau maatregelen per bouwjaar

28

Voldoet

Bijlage 3: Aardgasvrije warmteoplossingen Zoals in hoofdstuk 3 beschreven zijn er verschillende aardgasvrije warmteoplossingen denkbaar als alternatief voor aardgas, namelijk: elektrisch verwarmen (all-electric), verwarmen met een duurzame warmtebron (warmtenet of bronnet) of verwarmen met duurzaam gas.

Energie-infrastructuur en verwarmingstechnieken Er zijn vier verschillende energie-infrastructuren denkbaar om de gebouwde omgeving te kunnen verwarmen: · Gasnet · All-electric · Bronnet · Warmtenet

1. Gasnet In de meeste wijken wordt nog gebruik gemaakt van het gasnet, met uitzondering van de wijken waar al een warmtenet ligt of waar de woningen all-electric zijn. In veel wijken zal het gasnet dus nog wel even blijven liggen. Als gekozen wordt om het bestaande gasnet te laten liggen, is het van belang om duidelijkheid te geven aan vastgoedeigenaren voor hoelang dit nog het geval is. Hierdoor krijgen eigenaren de tijd om de noodzakelijke maatregelen te nemen. Individuele cv-ketel en hybride warmtepomp Als het gasnet voorlopig nog blijft liggen, dan kan er eventueel naast de individuele cv-ketel ook een hybride warmtepomp geplaatst worden in de woning om het gasgebruik te beperken. Voorwaarde is wel dat de woning het basisisolatieniveau bereikt heeft, zodat de warmtepomp optimaal kan functioneren.

2. All-electric ‘All-electric’ betekent dat een woning alleen op het elektriciteitsnet is aangesloten, dus niet op het gasnet of een warmtenet. Er wordt dus alleen elektriciteit voor verwarming gebruikt. Met de huidige techniek kan dit alleen als de woning minimaal op het basisisolatieniveau is. Bij warmtepompen moeten vaak ook de radiatoren vervangen worden door laagtemperatuur radiatoren. Omdat de warmte in de woning wordt opgewekt met een warmtepomp of infraroodpanelen zal de vraag naar elektriciteit op koude dagen sterk toenemen in de wijk. De (over)capaciteit in het bestaande elektriciteitsnet is echter beperkt en is bijvoorbeeld ook nodig voor het gebruik van laadpalen voor elektrische mobiliteit. Het elektriciteitsnet moet dus verzwaard worden, niet alleen op wijkniveau, maar ook op gemeentelijk, regionaal en nationaal niveau. All-electric leent zich daarom minder voor een wijkgerichte aanpak, omdat er vaak beperkingen zijn om het elektriciteitsnet op korte termijn te verzwaren. All-electric is daarom een alternatief dat zich meer leent om organisch te ontwikkelen, verspreid over meerdere buurten en wijken in een gemeente. All-electric is met name kansrijk voor eengezinswoningen en gebouwen in buurten waar een collectieve warmteoplossing geen logische oplossing is en waarvan de woningen al goed geïsoleerd zijn, of bij kleinschalige nieuwbouwprojecten.

Er zijn warmtepompen die lucht gebruiken als warmtebron (lucht/water-warmtepompen) en die water gebruiken als warmtebron (water/water-warmtepompen). Een lucht/water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld buitenlucht. Een water/ water-warmtepomp gebruikt als bron bijvoorbeeld bodemenergie (WKO of bodemlus) of warmte uit zon (zonthermie). Met de nieuwe generatie zonthermische panelen wordt er, óók als er geen zon is, warmte geproduceerd. Dit kan doordat het paneel behalve uit zon- en daglicht ook warmte kan winnen uit de buitenlucht. Voor het benutten van energie uit buitenlucht is een buitenunit nodig. Voor het benutten van warmte uit de bodem moet er een bodemlus geboord worden onder de woning of in de tuin. Voor het benutten van zonthermie moeten er thermische zonnepanelen geplaatst worden op het dak van de woning. Grotere gebouwen kunnen ook gebruik maken van een eigen warmte- en koude opslaginstallatie (WKO) om gebruik te maken van bodemenergie als warmtebron. Naast de warmtepomp of de infraroodpanelen komt er een boilervat van minimaal 150 liter voor warm tapwater in de woning. Deze ruimte moet wel beschikbaar zijn. Bij infraroodpanelen en lucht-water-warmtepomp zal het elektriciteitsnet meer verzwaard moeten worden dan bij water-water-warmtepompen.

29

Nieuwe generatie warmtepompen Er komen steeds meer nieuwe generatie warmtepompen op de markt, die een grotere temperatuursprong kunnen maken door gebruik te maken van andere koudemiddelen. De nieuwe generatie warmtepompen zijn ontwikkeld voor de industrie en worden daar al jaren toegepast. Het is dus een bewezen technologie. Dit type warmtepompen is daarom uitermate geschikt voor het leveren van warmte aan collectieve installaties in gebouwen of aan warmtenetten in wijken. Voor woningen zullen ook lucht/water-warmtepompen op de markt komen die wel 70°C kunnen produceren. Het voordeel is dat je dan dus niet meer de bestaande radiatoren hoeft te vervangen. De verwachting is dat er ook water/water-warmtepompen voor woningen op de markt komen met dezelfde eigenschappen. Om op grotere schaal individuele warmtepompen in wijken toe te passen is het wel van belang dat er technieken komen om warmte compact in de woning op de slaan. Dat vraagt wel de nodige innovatie en extra ruimte in de woning. Efficiëntie van warmtepompen en infraroodpanelen Een warmtepomp gebruikt de warmte van de omgeving als bron. Dat zorgt ervoor dat een warmtepomp meer energie in de vorm van warmte aan de woning levert dan dat er aan elektriciteit wordt gebruikt. Van 1 kWh elektriciteit kan een warmtepomp 3-6 kWh aan warmte leveren (COP van 3-6).

Bij infraroodpanelen is de omzetting van elektriciteit naar warmte 1:1, veel minder efficiënt dus. Infraroodpanelen hebben wel het voordeel dat ze alleen aan hoeven te staan op het moment dat er een persoon aanwezig is in de ruimte (in tegenstelling tot andere technieken) waardoor ze in praktijk wel wat efficiënter zijn dan doet vermoeden. Ander nadeel van infraroodpanelen is dat ze in de toekomst niet gecombineerd kunnen worden met een warmtebatterij in de woning, waardoor grootschalige toepassing lastig zal worden.

3. Bronnet Een bronnet is de collectieve vorm van all-electric. Een bronnet brengt water (circa 15C) direct van de bron naar woningen en gebouwen. De bron kan een WKO zijn (zoals bijvoorbeeld in de Mossen), of een rioolwaterzuiveringsinstallatie of oppervlaktewater zijn. De woning heeft net als bij all-electric een warmtepomp voor verwarming en warm water. Ook bij deze infrastructuur moet de capaciteit van het elektriciteitsnet in de wijk dus worden verhoogd. Aangezien een warmtepomp ook op woning- of gebouwniveau in veel gevallen een efficiënte bron kan hebben, zal een bronnet voor woningen in de meeste gevallen geen logische optie zijn. In wijken waar in hoge dichtheid gebouwd is, kan er mogelijk beperkt ruimte zijn voor potentiële bronnen, waardoor een bronnet een optie kan zijn. Echter is in dat geval vaak een warmtenet een logischere keuze. De verwachting is daarom dat een bronnet met name ingezet zal gaan worden als bron voor warmtepompen, die warmte leveren aan een warmtenet in een wijk of een bedrijventerrein.

4. Warmtenet Een warmtenet is een collectieve warmtevoorziening waarbij een infrastructuur van ondergrondse leidingen warm water vervoert naar meerdere gebouwen tegelijkertijd. Om in een wijk een warmtenet te realiseren is er voldoende schaalgrootte en dichtheid van woningen en gebouwen nodig. Hoe hoger de temperatuur die met de beschikbare warmtebron kan worden geleverd, hoe eenvoudiger de schaalgrootte kan worden bereikt, omdat er dan meer woningen geschikt zijn om aan te kunnen sluiten. In samenwerking met woningcorporaties en verenigingen van eigenaren is het daarnaast ook makkelijker om de benodigde schaal te bereiken dan met particulieren alleen.

30

De bestaande warmtenetten in oudere wijken leveren een temperatuur van maximaal 90°C aan de woningen en gebouwen (hoogtemperatuur). Woningen in nieuwere wijken zijn beter geïsoleerd. De aanvoertemperatuur is daar dus lager, circa 70°C (middentemperatuur). Bij nieuw te bouwen wijken kan worden overwogen om de aanvoertemperatuur verder te verlagen naar 40°C (laagtemperatuur). In dat laatste geval moet dan wel een aanvullende installatie geplaatst worden voor warm tapwater (55°C). In de praktijk zien we dat daarom bij nieuwbouwwoningen vaak wordt gekozen voor een middentemperatuur warmtenet.

Energiebronnen Bij iedere energie-infrastructuur hoort een andere energiedrager. Dit is respectievelijk gas (gasnet), elektriciteit (elektriciteitsnet) en/of water (warmtenet en bronnet). Bij de verschillende energiedragers horen verschillende bronnen en (on)mogelijkheden om energie, die nodig is voor het verwarmen van woningen en gebouwen, op te slaan. Daarnaast is de meest geschikte energiebron en bijhorende energie-infrastructuur ook sterk afhankelijk van de schaalgrootte die kan worden gerealiseerd. Relevante energiebronnen voor het verwarmen van gebouwen zijn: aardgas, duurzaam gas, elektriciteit en diverse warmtebronnen.

1. Afhankelijkheid van aardgas Tijdens de energietransitie blijven we voorlopig afhankelijk van fossiele energiebronnen. Een goed voorbeeld van deze afhankelijkheid is een woning die zonnepanelen heeft liggen op het dak. Het grootste deel van de energie die wordt opgewekt door de panelen kan niet gelijktijdig worden gebruikt in de woning en wordt dus terug geleverd aan het elektriciteitsnet en elders gebruikt. Als het donker is of bewolkt en de panelen niet of

nauwelijks elektriciteit produceren, wordt er elektriciteit uit het elektriciteitsnet gebruikt. Deze elektriciteit wordt opgewekt met een mix van energiebronnen, voor deel ook met aardgas of kolen. Dat neemt niet weg dat het goed is dat er zonnepanelen op daken worden geplaatst. Al het dakoppervlak in Nederland moet namelijk zoveel mogelijk benut worden voor de productie van hernieuwbare, duurzame elektriciteit.

2. Duurzaam gas De mogelijkheden voor duurzaam gas zijn met het huidige inzicht beperkt, zeker voor de grote hoeveelheid aardgas die nu in Nederland en de rest van de wereld gebruikt wordt. Naast biogas/groen gas wordt waterstof vaak genoemd als alternatief voor aardgas. Waterstof is eigenlijk geen energiebron maar een energiedrager en wordt gemaakt van aardgas of van elektriciteit. Landelijk wordt onderzocht wat de technische mogelijkheden, kosten en beschikbaarheid van duurzaam waterstof zijn. Als er een rol is voor waterstof, dan zal dat meest waarschijnlijk beperkt zijn tot de winterpiekvraag. De rest van de warmtevraag wordt dan bijvoorbeeld met een warmtepomp ingevuld.

3. Duurzame energiebronnen voor elektriciteit Net als in alle sectoren gaat ook voor het verwarmen van de gebouwde omgeving elektriciteit een nog grotere rol spelen. Met name voor het opwekken van warmte met warmtepompen in woningen, gebouwen en wijken zal de vraag naar elektriciteit stijgen. Deze elektriciteit moet dan wel duurzaam worden opgewekt. Zon en wind zijn daarvoor de meest logische energiebronnen voor Nederland op dit moment. Bij de keuze

voor de energie-infrastructuur is het daarom nodig om rekening te houden met de (on)mogelijkheid om energie (elektriciteit of warmte) op te slaan.

4. Warmtebronnen Restwarmte Restwarmte komt vrij bij een productieproces, vaak industrie. Er zijn vele verschillende soorten van restwarmte met ook verschillende temperaturen. In Houten is er restwarmte van de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Dit is warmte van circa 15C en kan worden gebruikt voor een bronnet of samen met warmtepompen voor een warmtenet. Biomassa Van biomassa in de vorm van bijvoorbeeld hout, bermgras, mest, slib, zeewier en mogelijk ook algen kan energie geproduceerd worden. De energie kan geproduceerd worden voor alle energiedragers en dus in alle sectoren. Deze energie kan ook voor industrie en transport worden ingezet. Biomassa is echter schaars en is daarom niet in beeld voor Houten als warmtebron. Voor biomassa geldt nog meer dan voor restwarmte dat de beschikbaarheid op langere termijn onzeker is. Het verbranden van hout of houtpellets in woningen (kachels) is niet efficiënt en moet daarom voorkomen worden. Ook vanwege de luchtkwaliteit heeft het inzetten op grote schaal niet de voorkeur. Ook het inzetten van biomassa bij de ontwikkeling van een warmtenet voor een nieuwbouwwijk moet om dezelfde redenen niet gestimuleerd worden.

31

Aardwarmte Uit de bodem en uit diepere aardlagen kan aardwarmte (vaak ook geothermie genoemd) onttrokken worden. Een vuistregel is dat elke kilometer de temperatuur met circa 30° C toeneemt. Dus hoe dieper je gaat, hoe hoger de temperatuur. Of je op een bepaalde diepte in Nederland deze warmte ook daadwerkelijk uit de aarde kan winnen, is sterk afhankelijk van de lokale eigenschappen van de aardlagen.

uit afvalwater zijn warmte uit het riool (riothermie) en uit het gezuiverde afvalwater (effluentwater) bij een rioolwaterzuiveringsinstallatie. Om deze bronnen te kunnen benutten, moeten er wel warmtenetten ontwikkeld worden in wijken met een aanvoertemperatuur van maximaal 70°C. Het voordeel is dat het op een kleinere schaal kan worden toegepast dan bij andere potentiële bronnen voor warmtenetten, zoals bij restwarmte en aardwarmte vaak het geval zal zijn.

Tot 250 meter diep kan gewerkt worden met WKO of bodemlussen. Dit zijn bewezen technieken die ook in Houten worden toegepast, bijvoorbeeld bij nieuwbouw of bij utiliteit. Bodemlussen zijn voor een individuele woning of voor een klein aantal appartementen. WKO is voor warmtenetten of bronnetten en kan in combinatie met andere duurzame warmtebronnen worden gebruikt. Voor Houten zou ondiepe aardwarmte (250-1000 meter diepte) of diepe aardwarmte (1000 – 4000 meter) in beeld kunnen zijn. Hier zal in regionaal verband nader onderzoek naar gedaan worden.

Oppervlaktewater (bijvoorbeeld uit een kanaal) wordt in de zomer sterk opgewarmd. Deze warmte kan onttrokken worden en tijdelijk worden opgeslagen in WKO-bronnen. In het stookseizoen kan deze warmte van circa 15°C gebruikt worden als bron voor een warmtepomp. Deze kan warmte tot circa 70°C leveren aan een gebouw of warmtenet. Vanuit de WKO-bron kunnen gebouwen ook gekoeld worden. Een warmtepomp kan ook direct warmte onttrekken uit het oppervlaktewater zonder gebruik te maken van een WKO-bron. Dit is wel minder efficiënt.

Warmtebron

Diepte

Temperatuur

Bodemlussen of WKO

Zonthermie

Tot 250 meter

10 - 15 °C

Ondiepe aardwarmte

250-1000 meter

20 - 40 °C

Diepe aardwarmte

1-4 kilometer

40 - 100 °C

Ultradiepe aardwarmte

4-6 kilometer

100 - 180 °C

Tot nu toe heeft zonthermie nauwelijks een rol gespeelt in de transitie naar aardgasvrij. Alleen voor de opwek van warm tapwater (zonneboilers in een woning) is deze techniek toegepast. In de toekomst kan met zonthermische panelen een woning individueel verwarmd worden (een vorm van all-electric)

Thermische energie uit oppervlaktewater en afvalwater Met alle thermische energie uit oppervlaktewater en afvalwater (TEO en TEA) kan in potentie een groot deel van de gebouwde omgeving verwarmd worden. Oppervlaktewater in Houten is met name het Amsterdam-Rijnkanaal. Voorbeelden van energie

32

Ook is zonthermie in het veld mogelijk. Hiermee kunnen meerdere gebouwen of zelfs een wijk verwarmd worden, als er ruimte in de nabijheid is voor zonthermische panelen. Dit is nog wel een kostbare techniek. Als zonthermie in het veld de enige warmtebron is, dan is wel warmteopslag nodig. Alleen dan kan het hele jaar door warmte geleverd worden.

Bijlage 4: Koudevraag in de gebouwde omgeving Hitte in en rond gebouwen is een belangrijk onderwerp. Goed geïsoleerde woningen hebben een lagere warmtevraag, maar raken ook moeilijker warmte kwijt in de zomer. Daarnaast veroorzaakt klimaatverandering steeds intensere hittegolven. En we werken steeds meer thuis. Deze effecten zorgen ervoor dat de komende decennia er steeds meer behoefte zal zijn om warmteoverlast of “hittestress” in woningen te voorkomen.

Voorkomen van warmteoverlast Niet iedereen ervaart dezelfde temperatuur als warmteoverlast. Dit kan per leeftijdsgroep en persoon sterk verschillen7. Ook is het afhankelijk van de specifieke functie van het gebouw of een ruimte. Om de gebouwde omgeving voor iedereen in de toekomst comfortabel en leefbaar te houden, is het belangrijk om hittestress te voorkomen of in ieder geval de mogelijkheden te bieden om deze te verminderen. Er zijn twee manieren om dit te doen: 1. Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen; 2. Actief koelen van gebouwen en/of ruimtes om warmte kwijt te raken.

1. Voorkomen dat gebouwen verregaand opwarmen ‘Voorkomen is beter dan genezen’. Dit geldt ook in veel gevallen voor warmteoverlast: het voorkomen van veel warmte is vaak beter dan het massaal actief gaan koelen van gebouwen. Voorkomen kan door beschaduwing, reflectie van zonnestralen, verdamping en ventilatie. Dit soort maatregelen worden ook wel ‘klimaatadaptieve maatregelen’ genoemd. Principe

Werking

Voorbeelden

Beschaduwing

Voorkomen directe zoninstraling

Bomen, hoge gebouwen, zonwering,

Reflectie

Reflecteren van zoninstraling

Lichte kleuren of groen op daken, gevels en in straten

Verdamping

Verkoeling door waterverdamping

Meer groen en water rond gebouwen

Ventilatie

Ventileren met koelere lucht

Nachtventilatie, ventilatoren

Het eigenaarschap van deze maatregelen kan erg wisselen. Zonwering en vegetatiedaken (groene daken) zal op (grotendeels) initiatief en rekening zijn van de gebouweigenaar, terwijl openbaar groen of water in de wijk bij de gemeente ligt. Het voorkomen van warmteoverlast is een onderdeel van een ‘aanpak klimaatadaptatie’, waar veel partijen bij betrokken kunnen en moeten zijn.

2. Het actief koelen van gebouwen om warmte kwijt te raken Wanneer het een gegeven is dat gebouwen en woningen teveel opwarmen, kan het noodzakelijk zijn om door actieve koeling warmte te onttrekken. We noemen deze ‘vraag’ naar het onttrekken van warmte ook wel de ‘koudevraag’. Het energiegebruik dat hiervoor nodig is, verschilt sterk per maatregel en of het hele gebouw, of alleen een slaapkamer en/of werkkamer gekoeld wordt. Energiegebruik

Werking

Voorbeelden

Zeer hoog energiegebruik

Mobiele airco met slang door geopend raam

Hoog energiegebruik

(Omgevings) energie gebruiken voor een koelproces

Laag energiegebruik

Koude verplaatsen

Ventilator, bodemkoeling, opslag van koude

Lucht-lucht warmtepomp (airco) of lucht-water warmtepomp

Vanzelfsprekend ligt de voorkeur voor de opties met een laag energiegebruik, alleen zijn deze niet altijd toepasbaar of voldoende om tot de benodigde koelbehoefte te komen. Kosten, ruimtegebruik en inpasbaarheid in de bestaande gebouwde omgeving zijn ook belangrijke factoren voor de haalbaarheid.

Warmtevraag is doorslaggevende factor voor de Transitievisie Warmte De keuze voor een duurzame warmte-infrastructuur (gasnet, warmtenet, all-electric) wordt voor de bestaande bouw bepaald aan de hand van de warmtevraag, niet de koudevraag. Met een cv-ketel (gasnet) of een warmtenet kan geen koude geleverd worden. Bij all-electric kan een warmtepomp vaak wel koude leveren, maar all-electric vereist goede isolatie (basisisolatie, zie bijlage 2). De mogelijkheden voor isolatie en duurzame alternatieven voor de warmtevraag zijn dus leidend.

Invulling koudevraag voor de bestaande bouw De Transitievisie Warmte geeft per wijk een voorkeursoptie voor bestaande gebouwen. Bij toenemende isolatie wordt het interessant om ook naar koude te kijken. Per voorkeursoptie geven we een aantal zaken waar op gelet moet worden in relatie tot koudevraag. All-electric: Bij all-electric worden woningen verwarmd met een lage temperatuur. Woningen moeten daarvoor wel voldoende zijn geïsoleerd. Hierdoor kan de koudevraag dus hoger zijn. Met klimaatadaptieve maatregelen kan de koudevraag verder verlaagd worden. Een individuele all-electric oplossing met warmtepomp zal ook vaak de mogelijkheid bieden om te koelen.

7 https://www.koelebuurt.nl/publicaties/gedrag-van-bewoners-heeft-grote-invloed-op-de-binnentemperatuur-dit-blijkt-uit-eerste-verkennende-metingen-in-bestaande-woningen

33

Warmtenet: Een warmtenet kan alleen warmte leveren. Actieve koeling is mogelijk met individuele koude oplossingen (airco’s). Aandacht voor klimaatadaptieve maatregelen is dus wenselijk. Omdat bij de aanleg van een warmtenet de straat open gaat, is dit een logisch moment om klimaatadaptieve maatregelen te nemen, waarmee de koudevraag kan worden beperkt en de leefomgeving kan worden verbeterd. Gasnet: Woningen waar een duurzaam gasnet wordt voorzien, zijn voornamelijk oudere woningen. In deze woningen blijft de warmte minder hangen in de zomer. Individuele koude-oplossingen en klimaatadaptieve maatregelen zijn logische stappen voor deze wijken. Bronnet: Bij een bronnet zit automatisch koeling ook in de warmte-infrastructuur. Deze optie komt daarom met name voor bij grotere gebouwen, bijvoorbeeld kantoren en winkels, omdat deze al vaak een hoge koudevraag hebben. Een bronnet is een efficiënte manier van koelen, omdat vaak gekoeld kan worden zonder tussenkomst van een warmtepomp, bijvoorbeeld als wordt gekoeld met energie uit de bodem (WKO of bodemlus).

34

Koudevraag bij nieuwbouw Koudevraag heeft wél invloed op de keuze van de warmtevoorziening bij nieuwbouw. In nieuwbouw is het voorkomen van warmteoverlast al standaard bij utiliteitsbouw, zoals kantoren. Hier wordt actieve koeling vrijwel altijd toegepast. Vanaf 2021 zal het ook standaard worden voor woningbouw. Er komt dan een wettelijke eis, die een limiet stelt aan hoge temperaturen in de zomer in woningen (de zogenaamde TO-juli indicator). Deze indicator houdt echter geen rekening met het al dan niet aanwezig zijn van klimaatadaptieve maatregelen in de omgeving. Ook houdt het geen rekening met toenemende hittestress door klimaatverandering. Het is bij nieuwbouw daarom nuttig om hier extra aandacht aan te besteden, met name bij hoogbouw. Hier kunnen slimme keuzes gemaakt worden, zoals aandacht voor windcorridors tussen gebouwen en de oriëntatie van straten.

Bijlage 5: Achtergrond laagste maatschappelijke kosten Het Klimaatakkoord vraagt gemeenten om maatschappelijke kosten in kaart te brengen voor de Transitievisie Warmte. We hebben met drie modellen gekeken naar de maatschappelijke kosten van de warmtetransitie: het Openingsbod van Stedin, het Warmte Transitie Model van Over Morgen en de Startanalyse. In deze bijlage laten we de uitkomsten van de drie modellen zien: welk alternatief heeft met de huidige kennis van de techniek per wijk de laagste maatschappelijke kosten?

2. Openingsbod Stedin Het Openingsbod van Stedin rekent met 3 modellen om te bepalen voor elke buurt in Nederland welke techniek de laagste maatschappelijke kosten heeft. Stedin gebruikt daarbij ook verschillende scenario’s voor de beschikbaarheid van (rest)warmte en voor de beschikbaarheid van groen gas. Op basis daarvan wordt het Openingsbod opgesteld. Als modellen en scenario’s een vergelijkbare uitkomst opleveren, dan geeft dat meer zekerheid dat die techniek als voorkeursroute gezien moet worden. Als modellen of scenario’s tot verschillende uitkomsten leiden, dan geeft het Openingsbod een indicatieve of geen voorkeursoptie. Een hoge zekerheid kan een indicatie zijn om in deze wijken te beginnen met de overstap naar aardgasvrij.

2. Warmte Transitie Model Het Warmtetransitiemodel van Over Morgen vergelijkt per postcode gebied de maatschappelijke kosten van de volgende technieken: warmtenetten, bronnetten, all-electric en duurzaam gas. In Houten-Noord laat de kaart kansen voor een warmtenet zien: in het centrum en de wijken ten noordoosten daarvan. Dit zou vanwege het grote aantal woningen in Houten-Noord alleen kunnen op basis van aardwarmte. Het warmtenet van Eneco en het WKO systeem in de Mossen in Houten-Zuid zijn zichtbaar als donkergroene gebieden: de maatschappelijke kosten van een warmtenet zijn meer dan 30% lager dan all-electric. De bedrijventerreinen en voorzieningengebieden buiten de Ringweg en gebieden met veel kantoren kleuren paars. Voor deze gebieden is een lokaal bronnet de meest goedkope warmteoptie. Dit kan met WKO, thermische energie uit oppervlaktewater of met de RWZI. All-electric per gebouw kan hier ook een goed alternatief zijn. Het buitengebied kent een grote diversiteit. Voor de oude woningen (van voor 1950) lijkt het op termijn overgaan op duurzaam gas de meest geschikte optie. Modernere woningen (zeker vanaf 1990) kunnen op termijn all-electric worden.

Houten-Noord en buitengebied: een aantal wijken kleurt blauw, wat betekent dat het Openingsbod van Stedin een voorkeur aangeeft voor duurzaam gas. Dit kan ook een hybride oplossing zijn, dus een cv-ketel met duurzaam gas plus een warmtepomp. Houten-Zuid: een aantal wijken kleur geel wat duidt op all-electric als voorkeursoptie. Het Openingsbod herkent het warmtenet van Eneco in Houten-Zuid niet helemaal goed, waardoor de resultaten voor sommige wijken in Houten-Zuid mogelijk minder goed te interpreteren zijn.

Figuur 11: laagste maatschappelijke kosten per wijk in Houten (Warmtetransitiemodel). De gebieden zonder kleur hebben nog geen voorkeursoptie/te weinig woningen om uitspraken over te doen.

Figuur 10: laagste maatschappelijke kosten per wijk in Houten (Openingsbod Stedin). De gebieden zonder kleur hebben nog geen voorkeursoptie/te weinig woningen om uitspraken over te doen.

35

3. Startanalyse PBL en modelvergelijking De Startanalyse is op 17 september 2020 bijgewerkt en geeft per wijk een indicatie van welke techniek de laagste maatschappelijke kosten heeft. In de Startanalyse komt groen gas naar voren als de optie met de laagste maatschappelijke kosten. Groen gas is echter beperkt beschikbaar. De afweging tussen groen gas en andere technieken wordt gemaakt op basis van een landelijke verdeelsleutel.

t.a.v. duurzaam gas en all-electric in de gaten en onderzoeken we de mogelijkheden voor geothermie. We willen geen keuzes maken waar we later mogelijk spijt van krijgen. De bevinding voor Houten-Noord is daarom dat er nog geen consensus welke techniek uiteindelijk de voorkeur zou moeten hebben. Houten-Zuid: De Startanalyse kijkt naar gebouwen binnen de wijkgrenzen. Het warmtenet is zodanig aangelegd dat in de meeste wijken van Houten-Zuid een deel van de woningen wel zijn aangesloten en een deel niet. Het warmtenet is daarom niet voor alle wijken goed in beeld bij de Startanalyse. Binnen de Vijfwal zou de kaart rood moeten kleuren: behoud warmtenet. Buiten de Vijfwal zien we all-electric en laagtemperatuur warmtenet bij de Startanalyse. Als we de modellen met elkaar vergelijken zien we dat groen gas niet in beeld is voor Houten-Zuid. Woningen in deze wijken zijn na 1990 gebouwd zijn en hebben een redelijke tot (zeer) goede isolatie. Alle modellen geven aan dat de maatschappelijke kosten van warmtenet en all-electric dicht bij elkaar liggen. Bij de uiteindelijke keuze is het belangrijk om te kijken naar wat bewoners belangrijk vinden voor de warmtetransitie in hun buurt.

Figuur 12: laagste maatschappelijke kosten per wijk in Houten (Startanalyse PBL)

Houten-Noord: de Startanalyse deelt sommige buurten in bij groen gas en andere buurten bij all-electric. Voor het centrumgebied heeft een laagtemperatuur warmtenet (bronnet) de laagste maatschappelijke kosten. Uit de modelvergelijking komt naar voren dat voor de meeste buurten in Houten-Noord nog geen eenduidig eindbeeld te geven is. Elk model laat bij nadere analyse zien dat de maatschappelijke kosten van verschillende technieken dicht bij elkaar liggen. De aandacht voor Houten-Noord zal daarom eerst liggen bij isolatie. Ondertussen houden we de ontwikkelingen

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=2a350cad-d056-477d-988a-6048ba27a744