CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Heemsteedseweg in Houten dd 18 mei 2021.pdf

Gemeenteraad 8 juli 2021, gemeente HoutenBij agendapunt: Vaststelling bestemmingsplan Heemsteedseweg14.445 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd.

25

Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden. Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spooren vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek De beoogde ontwikkeling voorziet in het toevoegen van een bedrijf en betreft daarmee het toevoegen van een beperkt kwetsbaar object.

Op de risicokaart kan voor het plangebied worden vastgesteld of er in de directe omgeving inrichtingen, transportroutes en/of belangrijke buisleidingen aanwezig zijn die in het kader van de externe veiligheid van belang zijn. De navolgende afbeelding toont een fragment van de risicokaart:

Figuur 7: Uitsnede risicokaart, globale ligging plangebied: zwart omkaderd (bron: risicokaart.nl)

26

Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Uit de risicokaart blijkt dat het plangebied is gelegen in de nabijheid van de A27. De A27 is aangewezen als transportroute van (zeer) toxische stoffen. Hiervoor geldt een invloedsgebied van 355 m voor brandbare gassen. Het plangebied is gelegen op een afstand van ca. 560 m van de A27. Hieruit kan worden geconcludeerd dat het plangebied buiten het invloedsgebied van de A27 is gelegen. Op ca. 110 m afstand van het plangebied (zuidwestzijde) is het Amsterdam-Rijnkanaal gelegen. Het Amsterdam-Rijnkanaal is een vaarroute waarover transport van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Op grond van het Bevt dient rekening te worden gehouden met een plasbrandaandachtsgebied van 25 m aan weerszijden van het Amsterdam-Rijnkanaal en een invloedsgebied van 90 m. Het plangebied is ruim gelegen buiten dit plasbrandaandachtsgebied en het invloedsgebied. Voor wat betreft het vervoer van gevaarlijke stoffen over het Amsterdam-Rijnkanaal geldt dat het Basisnet water stelt dat geen GR berekening hoeft te worden uitgevoerd c.q. verantwoording hoeft te worden afgelegd als de personendichtheid niet meer is dan 1.500 pers/ha dubbelzijdig en 2.250 pers/ha enkelzijdig. Het GR ligt in dat geval beneden 0,1 maal de oriënterende waarde.

Het plan leidt tot een zeer beperkte toename van het aantal personen binnen het gebied en blijft onder de grenswaarde, waardoor er geen verantwoording noodzakelijk is. Buisleidingen Het plangebied bevindt zich niet in de buurt van buisleidingen. De risico’s als gevolg van de transporten met gevaarlijke stoffen door buisleidingen vormen geen aandachtspunt voor de planlocatie. Inrichtingen Aan de noordoostzijde van het plangebied ligt een tankstation. Hier vindt verkoop van LPG plaats met een maximale jaarlijkse doorzet van 500 -1.000 m³. De risicoafstand PR 10-6 ligt op 40 meter vanaf het vulpunt. Voor het groepsrisico geldt een afstand tot de grens van het invloedsgebied van 150 meter. De afstand vanaf het vulpunt gerekend tot aan de grens van het plangebied bedraagt ca.75 meter, waarmee het plangebied binnen het invloedsgebied van het vulpunt is gelegen. Onderstaande afbeelding maakt dit inzichtelijk.

Figuur 8: Ligging plangebied tov LPG-tankstation en vulpunt, plangebied rood omkaderd (bron: bestemmingsplan 'Sport- en Werklandschap Meerpaal')

Binnen de PR-contour mogen geen (beperkt) kwetsbare objecten aanwezig zijn. Het voorgenomen plan voorziet niet in de oprichting van kwetsbare objecten binnen deze contour. Daarom leidt het plaatsgebonden risico van het LPG-tankstation niet tot een belemmering. De grootte van het groepsrisico

27

wordt bepaald door de bebouwing binnen het aangegeven invloedsgebied. Het groepsrisico vanwege de al bestaande objecten is verwaarloosbaar klein (factoren lager dan 10% van de oriëntatiewaarde). Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een beperkt kwetsbare object binnen het invloedsgebied. Het groepsrisico zal in de toekomstige situatie marginaal toenemen. Met het voorgenomen plan zal het groepsrisico onder de oriëntatiewaarde blijven. Een verantwoording van het groepsrisico is noodzakelijk, deze is hieronder opgenomen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat de planlocatie is gelegen in de nabijheid van de A27 en het AmsterdamRijnkanaal. Zowel over de A27 als het Amsterdam-Rijnkanaal vindt het transport van gevaarlijke stoffen plaats. Daarnaast is de planlocatie gelegen binnen het effectgebied van het vulpunt van een LPGtankstation. Door de Veiligheidsregio Utrecht is daarom advies uitgebracht, zie bijlagen bij toelichting omtrent de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp door een ongeval met gevaarlijke stoffen op de Rijksweg A27, het Amsterdam-Rijnkanaal en het LPG-tankstation, alsmede de mogelijkheden tot zelfredzaamheid in het plangebied. Bestrijding en beperking van de omvang van een ramp Het is van belang dat de hulpdiensten tijdens een ramp of een zwaar ongeval voldoende snel kunnen optreden.

Een goede bereikbaarheid van zowel het plangebied als de risicobronnen is hierbij van essentieel belang. Vanwege het vrijkomen van gevaarlijke stoffen is het wenselijk dat het plangebied en de risicobron bovenwinds tenminste tweezijdig kan worden benaderd. Deze routes moeten geschikt zijn voor het direct gebruik van de hulpdiensten en voldoen aan de maatvoering en draagvermogen voor de brandweer, welke aangegeven zijn in de "Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid" van Brandweer Nederland en de aanvullende CROW-publicatie 165 "Hulpdiensten snel op weg". De planlocatie is bereikbaar via de nieuwe ontsluitingsweg aan de oostzijde van het plangebied en de ontsluitingsweg vanaf de Heemsteedseweg. De brandweer dient snel te kunnen beschikken over voldoende bluswater, om een incident adequaat te kunnen bestrijden. De bluswatervoorzieningen die vanuit het Bouwbesluit worden geëist ten aanzien van de gewenste situatie, is de primaire voorzieningen van voornamelijk brandkranen. Voor bestrijding van grotere branden wordt veelal gebruik gemaakt van secondaire of tertiaire bluswatervoorzieningen, zoals geboorde putten of open water. Zelfraadzaamheid Bij zelfredzaamheid gaat het om de mogelijkheden voor personen in het invloedsgebied van een risicobron om zichzelf in veiligheid te brengen indien een ramp of een zwaar ongeval plaatsvindt.

Belangrijk aspect hierbij is, dat zij zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar zonder daadwerkelijke hulp van de hulpverleningsdiensten, bijvoorbeeld door te vluchten of te schuilen. De mate van zelfredzaamheid in het rampgebied is mede bepalend het uiteindelijke aantal slachtoffers en voor de omvang van de hulpverlening tijdens een ramp of een zwaar ongeval. Voor het toxische wolkscenario is de beste optie om in het gebouw te schuilen tot de lekkage is verholpen en/of de concentratie in de lucht laag genoeg is om het gebied te ontvluchten. Daarvoor is het noodzakelijk dat de gifwolk het gebouw niet binnendringt. Het eenvoudig en snel kunnen uitschakelen van het ventilatiesysteem is daarvoor een vereiste. In het geval van een dreigende BLEVE is het advies zo snel mogelijk van de bron vandaan te vluchten. Hiervoor kan men van dezelfde routes gebruik maken als bij een plasbrand. Om bij een optredende BLEVE het risico voor de bewoners te verkleinen is het minimaliseren van het hoeveelheid glas aan de bronzijde een maatregel. Bij de verdere planuitwerking wordt rekening gehouden met het advies van de Veiligheidsregio Utrecht, derhalve zal externe veiligheid geen belemmering zijn en is het plan in dit kader uitvoerbaar.

28

4.3 Water Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden. 4.3.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21ste eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21ste eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten.

29

4.3.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vier hoofdthema's zijn:

• • • • •

waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft voldoende water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Keur en uitvoeringsregels Vanaf 1 mei 2019 is de nieuwe Keur van het Hoogheemraadschap van kracht. In de keur staat wat wel en niet mag op of aan de waterkeringen (dijken en kades) en watergangen. De regels maken het mogelijk dat het waterschap het onderhoud aan watergangen en waterkeringen goed kan uitvoeren. Vergunningplichtige activiteiten worden getoetst aan de beleidsregels. Voor andere activiteiten gelden de algemene regels. In de uitvoeringsregels is opgenomen dat bij een toename aan verharding minder dan 500 m² er alleen de algemene zorgplicht geldt. Indien de toename meer bedraagt is extra watercompensatie vereist. In de navolgende paragraaf wordt hierop verder ingegaan. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is.

Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. In het plan wordt het hemelwater volledig afgekoppeld. Middels een infiltratie riool wordt het hemelwater afgevoerd naar het oppervlakte water. Het IT-riool heeft een bergend vermogen van 17.3 m3. 4.3.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten.

De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen. Planspecifiek Op 2 maart 2020 is de digitale watertoets uitgevoerd (dossiercode 20200302-14-22615). De uitkomsten hiervan zijn naar het HDSR toegezonden.

30

Verhard oppervlak In navolgende tabel is een overzicht opgenomen van de verhardingstoename en de waterbergende maatregelen die worden toegepast om deze verhardingstoename te verminderen. Conform het beleid van HDSR wordt half open verharding voor 50% gezien als toename aan verharding. Indien de bebouwing wordt voorzien van sedumdaken, wordt hiervan 60% gezien als toename aan verharding.

toename bebouwing ten opzichte van huidige situatie toename verharding ten opzichte van huidige situatie totaal bruto verhardingstoename

oppervlakte in m² 645 3.200 3.845

half open verharding sedumdak op bebouwing totaal maatregelen

- 1.600 - 320 - 1.920

netto verhardingstoename (na toepassen maatregelen)

3.845 - 1.920 = 1.925

Uit de tabel volgt dat de verhardingstoename ten opzichte van de huidige situatie 1.925 m² is. Omdat deze toename groter is dan 500 m², zijn watercompenserende maatregelen vereist. Conform het beleid van HDSR moet het plan voorzien in compensatie door middel van de aanleg van (extra) waterberging. De waterberging zal zodanig groot moeten zijn dat er 45 mm (per m² afgekoppeld verhard oppervlak) wordt geborgen. Bij een toename van 1.925 m² dient de infiltratievoorziening 86,6 m³ te bevatten. Het voorgenomen plan voorziet in de verbreding en verlenging van de bestaande watergang aan de zuidwestzijde van de plangrens. Hieraan grenzend zal een wadi gerealiseerd met een oppervlakte van minimaal 15% van de toegevoegde verharding. Hiermee wordt voldaan aan de benodigde watercompensatie. De beoogde watergang krijgt een natuurlijke verschijningsvorm (wadi / natuurlijke oevers). Daarmee heeft deze watergang naast een waterbergende functie ook een ecologische meerwaarde. Doordat een wadi kan bijdragen aan het bevorderen van de biodiversiteit. In 2019 heeft de gemeenteraad van Houten het Water- en Rioleringsplan 2020 - 2023 vastgesteld. Hierin is de zorgplicht voor perceeleigenaren bij de verwerking van regenwater op eigen terrein uitgewerkt.

Perceeleigenaren moeten het regenwater op eigen terrein opvangen in een ondergronds infiltratiesysteem met een inhoud van 15 mm per m² ten opzichte van het verhard afvoerend oppervlak. Bij een toename van 1.925 m² dient het infiltratiesysteem een inhoud van 28,88 m³ te bevatten. Met de voorgenomen verbreding en verlenging van de bestaande watergang aan de zuidwestzijde van de plangrens wordt hieraan voldaan. Hemelwater Infiltratie van water in de bodem bij de afvoer van (overtollig) hemelwater is bij de toekomstige planvorming het uitgangspunt. Met het beoogde plan zal de verharding toenemen. Echter zullen de daken worden voorzien van een sedum of grasbedekking waardoor regenwater direct al wordt opgenomen en een versnelde afvoer van het hemelwater wordt voorkomen. Met betrekking tot de bestrating zal zoveel mogelijk gewerkt worden met half open bestrating, waardoor het water langzaam infiltreert in bodem. Bij de bouw wordt geen gebruik gemaakt van uitlogende materialen. Afvalwater Afvalwater kan worden afgevoerd naar vuilwaterriool. Het afvalwater wordt afgevoerd via het gemeentelijk rioolstelsel.

31

4.4 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2020/140/r, 3 april 2020) uitgevoerd, bijlagen bij toelichting bijlage 3. Soortenbescherming De planlocatie heeft geen essentiële betekenis voor beschermde soorten. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Gelet op de aard van de ontwikkeling en de afstand tot beschermde natuurgebieden is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een berekening met de AERIUS Calculator, een Voortoets of een ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld.

De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe Aerius Calculator zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof. Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Buro SRO, d.d. 10 december 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 4. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000gebieden. Voor de Natura 2000-gebieden geldt dat er in de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar.

32

Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. Navolgend een opsomming van de te treffen maatregelen. Te treffen maatregelen

• •

Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige.

•

Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten.

•

Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden.

•

De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel).

•

Mogelijke overwinteringslocaties van reptielen/amfibieën (vorstvrije structuren als stenenstapels, houtwallen, dichte struwelen etc.) dienen verwijderd of ongeschikt gemaakt te worden buiten de overwinteringsperiode oktober – april.

•

De rooiwerkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a. op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

•

Het dempen van de kavelsloot dient met één werkrichting te gebeuren om mogelijk aanwezige fauna de gelegenheid te bieden om de werklocatie uit eigen beweging te verlaten.

Conclusie De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Heemsteedseweg 40D te Houten uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

33

4.5 Archeologie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin opgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. Planspecifiek Het plangebied heeft in het bestemmingsplan 'Herziening Sport- en Werklandschap Meerpaal' geen specifieke aanduiding in verband met archeologie. Archeologische waarden zijn daarmee niet in het geding en een archeologisch onderzoek heeft geen ruimtelijke relevantie.

4.6 Verkeer en parkeren Onderdeel van een goede ruimtelijke ordening is het effect van een beoogd nieuwe project op de verkeersstructuur en het parkeren in en rondom het plangebied. 4.6.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van een hoveniersbedrijf. In de toekomstige situatie zal het hoveniersbedrijf gebruik maken van een nieuwe ontsluitingsweg, het voornemen is deze aan de oostzijde van het plangebied te realiseren.

Verder zal de bestaande ontsluitingsweg aan de noordzijde gebruikt worden voor het langzaam verkeer. Onderstaand wordt een inschatting gemaakt van het verwachte aantal verkeersbewegingen per etmaal in de toekomstige situatie:

• •

• • •

Per dag zullen de 15 werknemers per auto bij het hoveniersbedrijf aankomen, dit zijn in totaal 30 verkeersbewegingen. Vervolgens zullen werknemers met bedrijfswagens vanuit het hoveniersbedrijf naar externe projectlocaties gaan. Per dag is een inschatting gemaakt van ca. 20 verkeersbewegingen per etmaal, namelijk een in- en uitgaande verkeersbeweging. De bevoorrading door leveranciers geschiedt wekelijks en wordt geschat op 2 zware vrachtwagens per week. Ten behoeve van de afvalscheidingscontainers is een schatting gemaakt van één containerauto per etmaal. Verder zullen er gemiddeld 5 leveranciers per dag de locatie bezoeken, dit zijn in totaal 10 verkeersbewegingen per etmaal.

34

Conclusie In de toekomstige situatie bestaat het aantal verkeersbewegingen uit maximaal 60 verkeersbewegingen per etmaal aan licht verkeer en maximaal 3 verkeersbewegingen per etmaal aan zwaar vrachtverkeer. De verwachting is dat de bestaande wegenstructuur over genoeg capaciteit beschikt om deze beperkte toevoeging aan verkeersgeneratie op te vangen. 4.6.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen.

De gemeenteraad van Houten heeft op 11 februari 2014 de Nota Parkeernormen Houten vastgesteld. Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorie 'kleine kernen en buitengebied'. Planspecifiek In de huidige situatie bestaat het plangebied uit een boomgaard en een veldschuur. Voor een hoveniersbedrijf worden in de Nota Parkeernormen Houten geen kerngetallen voor de verwachte parkeerbehoefte genoemd, derhalve is aan de hand van het aantal verkeersbewegingen de parkeerbehoefte onderbouwd, zie toelichting paragraaf 4.6.1. • Ten behoeve van de werknemers zullen er 15 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. • Ten behoeve van de verwachte leveranciers en vertegenwoordigers zullen er 5 parkeerplaatsen worden gerealiseerd op eigen terrein. Conclusie In de toekomstige situatie bestaat de parkeerbehoefte naar verwachting uit 20 parkeerplaatsen ten behoeve van de werknemers van het hoveniersbedrijf en leveranciers. Het voorgenomen plan voorziet in de realisatie van ca. 20 parkeerplaatsen (zie figuur 5 uit toelichting paragraaf 2.2) op eigen terrein. Hiermee worden er voldoende parkeerplaatsen gerealiseerd om te voorzien in de parkeerbehoefte.

Naast de fietsontsluiting wordt voorzien in een stallingsgelegenheid voor de fiets. De stallingsgelegenheid wordt nabij de bestaande veldschuur gerealiseerd.

35

5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.

5.2 Verbeelding Op de verbeelding worden de bestemmingen weergegeven, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken, etc. Voor de analoge verbeelding is gebruik gemaakt van een digitale ondergrond (Grootschalige Basiskaart en/of kadastrale kaart).

5.3 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken. Hoofdstuk I bevat de inleidende regels voor het hele plangebied. Hoofdstuk II geeft de bestemmingsregels. Hoofdstuk III geeft vervolgens de algemene regels waaronder (mogelijke) flexibiliteitsbepalingen in de vorm van wijzigings- en afwijkingsbevoegdheden. In dit derde hoofdstuk kunnen belangrijke algemene bepalingen zijn opgenomen die van invloed zijn op het bepaalde in hoofdstuk II. Ten slotte regelt hoofdstuk IV de overgangs- en slotbepalingen. Voor de planregels is de gestandaardiseerde opbouw uit de SVBP 2012 gebruikt. In de planregels is een standaard hoofdstukindeling aangehouden die begint met 'Inleidende regels' (begrippen en wijze van meten), vervolgens met de 'Bestemmingsregels', de 'Algemene regels' (de regels die voor alle bestemmingen gelden) en de 'Overgangs- en slotregels'. In het tweede hoofdstuk, de Bestemmingsregels, staan de verschillende bestemming op alfabetische volgorde. Ook dit hoofdstuk kent een standaardopbouw:

• • • • • • •

Bestemmingsomschrijving (in elk bestemmingsplan); Bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Nadere eisen (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de bouwregels (bestemmingsplanafhankelijk); Specifieke gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Afwijken van de gebruiksregels (bestemmingsplanafhankelijk); Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden (bestemmingsplanafhankelijk).

36

5.4 Wijze van bestemmen Bij het opstellen van de regels is aangesloten op de methodiek van het vigerend bestemmingsplan 'Herziening Sport- en Werklandschap Meerpaal'. Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende bestemmingen: Bedrijf De voor 'Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor bedrijfsactiviteiten voor zover deze behoren tot de milieucategorieën 1 en 2. Het plangebied is voorzien van de aanduiding 'specifieke vorm van bedrijf hoveniersbedrijf'. Daarmee is hier specifiek het hoveniersbedrijf van RB tuinen toegestaan. Verder zijn de gronden bestemd voor tuinen, erven en terreinen, nutsvoorzieningen, verkeers- en verblijfsvoorzieningen, waaronder parkeren, groenvoorzieningen en water en waterhuishoudkundige voorzieningen. Het plangebied is voorzien van een bouwvlak, per bouwvlak mogen bedrijfsgebouwen ten behoeve van het hoveniersbedrijf worden gebouwd. Hiervoor geldt een maximale goot- en bouwhoogte van respectievelijk 6 en 8 m. Doordat de bestaande veldschuur buiten het bouwvlak is gelegen wordt middels de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding – veldschuur’ geregeld dat de bestaande veldschuur met een oppervlakte van maximaal 100 m² behouden mag blijven Verkeer – Verblijfsgebied De voor 'Verkeer - Verblijfsgebied' aangewezen gronden zijn bestemd voor de beoogde ontsluitingsweg. Er zijn geen gebouwen toegestaan.

Verder geldt een bouwhoogte van erfafscheidingen van maximaal 2 m. De bouwhoogte van overige bouwwerken bedraagt maximaal 3 m.

37

6 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is;

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.

Planspecifiek Het uitvoeren van het project heeft geen financiële gevolgen voor de gemeente. De financiële verantwoordelijkheid voor het project en het daarbij horende risico wordt volledig gedragen door de initiatiefnemer. De gemeente zal ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afsluiten, als bedoeld in artikel 6.4a Wet ruimtelijke ordening.

38

7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 7.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp bestemmingsplan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen welke in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerpbestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt. Het bestemmingsplan ligt na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking. Indien er beroep wordt ingesteld dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd. De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen.

De procedure eindigt met het besluit van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Participatie Als de belangrijkste participanten worden de eigenaren van het dierenhotel aan de Veerwagenstraat 100 en de eigenaren van de burgerwoning aan de Heemsteedseweg 42a gezien. Door RB tuinen is met deze omwonenden overleg geweest. Dit zijn meerdere overleggen geweest tussen RB tuinen en deze omwonenden. Per overleg is bekeken of een aanvullend overleg noodzakelijk was of dat er overeenstemming is over de plannen. Dierenhotel aan de Veerwagenstraat 100 Met de eigenaren van het dierenhotel wordt sinds april 2019 intensief overleg gevoerd. In totaal zijn er circa 15 overleggen gevoerd, waarvan één in het bijzijn van de gemeente Houten. De eigenaren van het dierenhotel hebben aangegeven dat de realisatie van een hoveniersbedrijf mogelijk een negatieve invloed heeft op de dieren die in het dierenhotel verblijven. Verder zouden de eigenaren van het dierenhotel graag een tweede bedrijfswoning op het naastgelegen perceel, aan de zuidwestzijde van het plangebied, willen realiseren. Initiatiefnemer heeft van de verschillende overleggen een logboek bijgehouden.

Hierin is beschreven dat tijdens deze overleggen zowel de plannen zijn besproken alsmede onder welke voorwaarden door de eigenaren van het dierenhotel gronden van RB Tuinen in eigendom verkregen kunnen worden voor de realisatie van een tweede bedrijfswoning bij hun bedrijf. Ten aanzien van de mogelijke negatieve invloed van een hoveniersbedrijf op het dierenhotel is op hun verzoek mede onderzocht wat de akoestische effecten zijn van het voorgenomen plan en hoe deze tot een minimum beperkt kunnen worden. Dit onderzoek is met het dierenhotel gedeeld. Op basis van deze gesprekken en het uitgevoerde onderzoek is het plan aangepast en zal voorzien worden in een geluidwerende voorziening in de vorm van een geluidsscherm van 2 m hoog. Verder hebben de initiatiefnemer en de eigenaren van het dierenhotel een akkoord over de grondprijs voor de realisatie van een tweede bedrijfswoning. De gemaakte afspraken omtrent de geluidwerende voorziening, de grondtransactie ten behoeve van de tweede bedrijfswoning en de overige kosten zijn in samenwerking met de Brancheorganisatie Dibevo vastgelegd in een overeenkomst. Deze overeenkomst is door alle partijen getekend. Partijen hebben aan elkaar te kennen gegeven dat zij niet zullen ageren tegen elkaars ontwikkelingen. Inmiddels is de eigenaar van de Veerwagenweg 100 in voorbereiding met de verdere uitwerking van zijn plannen.

Ook hierover is onderling overleg.

39

Burgerwoning aan de Heemsteedseweg 42a Initiatiefnemer heeft meerdere keren op informele wijze overleg gevoerd met de bewoners aan de Heemsteedseweg 42a. Hierbij is het inrichtingsvoorstel voorgelegd en toegelicht wat de intenties zijn. Het plan is positief ontvangen, de bewoners zijn blij dat het verwaarloosde perceel wordt opgeruimd en onderhouden zal worden. Er wordt aandacht gevraagd voor de inrit van het perceel, bij zwaar verkeer worden trillingen op hun perceel gevoeld. Het overleg heeft niet geleid tot aanpassingen van de beoogde ontwikkeling. De aanleg van de ontsluiting wordt zo ingericht dat trillingen zo veel als mogelijk worden beperkt.

7.2 Verslag zienswijzen Het ontwerpbestemmingsplan heeft vanaf 25 maart tot en met 6 mei 2021 ter inzage gelegen. Gedurende deze periode zijn geen zienswijzen ingediend. Ambtshalve zijn er twee wijzigingen doorgevoerd. Deze aanpassingen hebben betrekking op: a. de verbeelding: aanduiding ‘specifieke vorm van bedrijf – geluidsscherm’. De aanduiding op de verbeelding komt niet overeen met de wijze waarop het geluidsscherm is opgenomen in de inrichtingstekening. Deze discrepantie is met een aanpassing opgeheven. b. de regels artikel 3.2.2.1 lid b: toegevoegd is ‘zowel binnen en buiten het bouwvlak’ zodat helder is waar eventuele nutsvoorzieningen gerealiseerd mogen worden.

40

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=b1c8b97d-252c-48ff-b6f5-8bf5baa92ef9