Bijlage 1 - Toelichting bestemmingsplan Heemsteedseweg in Houten dd 18 mei 2021.pdf
Tekst van het document
bestemmingsplan
Heemsteedseweg in Houten Gemeente Houten
Planstatus:
vastgesteld
Plan identificatie:
NL.IMRO.0321.0640HEEMSTEEDWEG-VSBP
Datum:
18 mei 2021
Contactpersoon Buro SRO:
L. Toppen
Kenmerk Buro SRO:
SR190221
Opdrachtgever:
RB Tuinen
Buro SRO 't Goylaan 11 3525 AA Utrecht 030-2679198 www.buro-sro.nl
BTW nummer: KvK nummer: Rabobank rekeningnummer:
NL8187.16.071.B01 30232281 NL44.RABO.0142.1540.24 t.n.v. Buro SRO B.V. te Utrecht
2
Inhoudsopgave 1 Inleiding ................................................................................................................................................... 5 1.1 Aanleiding ........................................................................................................................................................... 5 1.2 Ligging van het plangebied .................................................................................................................................. 6 1.3 Geldend bestemmingsplan ................................................................................................................................. 7 1.4 Leeswijzer ............................................................................................................................................................ 7
2 Planbeschrijving ...................................................................................................................................... 8 2.1 Bestaande situatie ............................................................................................................................................... 8 2.2 Toekomstige situatie ........................................................................................................................................... 9
3 Beleidskader .......................................................................................................................................... 11 3.1 Rijksbeleid ......................................................................................................................................................... 11 3.2 Provinciaal beleid .............................................................................................................................................. 14 3.3 Gemeentelijk beleid .......................................................................................................................................... 17
4 Uitvoerbaarheid ..................................................................................................................................... 19 4.1 Milieueffectrapportage ..................................................................................................................................... 19 4.2 Milieu ................................................................................................................................................................ 20 4.3 Water ................................................................................................................................................................ 29 4.4 Ecologie ............................................................................................................................................................. 32 4.5 Archeologie ....................................................................................................................................................... 34 4.6 Verkeer en parkeren ......................................................................................................................................... 34
5 Juridische planbeschrijving ................................................................................................................... 36 5.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 36 5.2 Verbeelding ....................................................................................................................................................... 36 5.3 Planregels .......................................................................................................................................................... 36 5.4 Wijze van bestemmen ....................................................................................................................................... 37
6 Economische uitvoerbaarheid .............................................................................................................. 38 7 Maatschappelijke uitvoerbaarheid ....................................................................................................... 39 7.1 Algemeen .......................................................................................................................................................... 39 7.2 Verslag zienswijzen ........................................................................................................................................... 40
Bijlage 1. Verkennend bodemonderzoek Bijlage 2. Akoestisch onderzoek - industrielawaai 20200903 Bijlage 3. Quickscan Wet nb Heemsteedseweg 40D te Houten Bijlage 4. 20201210 AERIUS-berekening Heemsteedseweg, Houten Bijlage 5. Advies Veiligheidsregio Utrecht
3
4
1 Inleiding 1.1 Aanleiding Op dit moment is het hoveniersbedrijf RB Tuinen gevestigd aan de Koningin Julianastraat 5 in Houten. Het voornemen is om het hoveniersbedrijf RB Tuinen te verplaatsen van de Koningin Julianastraat 5 naar het perceel aan de Heemsteedseweg, naast 42a. De beoogde locatie is nu in gebruik als boomgaard en er is een veldschuur gesitueerd binnen het plangebied. In de directe omgeving van het plangebied is in het noordoosten een vrijstaande woning gelegen aan de Heemsteedseweg 42 en aan de westkant van het perceel, aan de Veerwagenweg 100, is dierenhotel De Hendrikshoeve gevestigd. Initiatiefnemers zijn voornemens om in de plaats van de boomgaard het perceel in te richten ten behoeve van het hoveniersbedrijf RB Tuinen. Het initiatief past niet binnen de mogelijkheden van het geldende bestemmingsplan 'Sport- en Werklandschap Meerpaal', vastgesteld op 23 april 2013. Op dit moment is het plangebied voorzien van de bestemming 'Agrarisch met waarden'. De herinrichting van het perceel aan Heemsteedseweg, naast 42, ten behoeve van het hoveniersbedrijf RB Tuinen, is niet mogelijk binnen de bestemming van het geldende bestemmingsplan. Om het beoogde plan juridisch-planologisch mogelijk te maken zal een partiële herziening van het bestemmingsplan, een zogenaamd postzegelbestemmingsplan, opgesteld moeten worden. Dit plan voorziet hierin.
Het voorgenomen plan is reeds overlegd met de gemeente Houten, waarbij in beginsel positief is gereageerd op de ontwikkeling op het perceel aan de Heemsteedseweg.
5
1.2 Ligging van het plangebied Het plangebied is gelegen op een perceel aan de Heemsteedseweg in Houten, ingeklemd tussen Heemsteedseweg aan de noordoostzijde en de Veerwagenweg aan de zuidwestzijde en De Hoon aan de oostzijde. Het plangebied is gelegen ten westen van de kern Houten en is kadastraal bekend onder perceelnummer 36, sectie H. Het plangebied heeft een oppervlakte van ca. 17.650 m². De volgende afbeeldingen (figuren 1 en 2) tonen de globale ligging en begrenzing van het plangebied.
Figuur 1. Globale ligging plangebied, rode omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Figuur 2. Begrenzing plangebied, rode omkaderd (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
6
1.3 Geldend bestemmingsplan Het plangebied ligt binnen de plangrenzen van het geldende bestemmingsplan 'Sport- en Werklandschap Meerpaal'. De gemeenteraad van de gemeente Houten heeft dit bestemmingsplan op 23 april 2013 vastgesteld. In het geldende bestemmingsplan heeft het plangebied de bestemming 'Agrarisch met waarden', met daarbinnen de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur'. De volgende afbeelding toont een fragment van de verbeelding van het geldende bestemmingsplan.
Figuur 3. Uitsnede geldende bestemmingsplan 'Herziening Sport- en Werklandschap Meerpaal', plangebied rood omcirkeld (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
De voor 'Agrarisch met waarden' aangewezen gronden zijn hoofdzakelijk bestemd voor agrarische doeleinden. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch met waarden - veldschuur' is een veldschuur toegestaan met een oppervlakte van maximaal 100 m². Het voorgenomen plan, het vestigen van het hoveniersbedrijf RB Tuinen, is niet mogelijk binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden'. Het voorliggend bestemmingsplan voorziet in een nieuw en actueel planologisch-juridisch kader die de voorgenomen ontwikkeling planologisch mogelijk maakt.
1.4 Leeswijzer Elk bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De toelichting is opgebouwd uit zes hoofdstukken. Na dit inleidende hoofdstuk wordt in hoofdstuk 2 het initiatief beschreven. In hoofdstuk 3 wordt een overzicht gegeven van het ruimtelijke beleidskader van de verschillende overheden. Hoofdstuk 4 bevat de milieu- en omgevingsaspecten. Tot slot bevat de toelichting hoofdstukken over de opbouw, verantwoording en uitleg van de planregels (hoofdstuk 5) en de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het plan (hoofdstuk 6 en 7).
7
2 Planbeschrijving 2.1 Bestaande situatie Het plangebied is gelegen op het perceel naast de Heemsteedseweg 42 in Houten. In de directe omgeving van het plangebied is aan de Veerwagenstraat 100 dierenhotel de Hendrikshoeve gelegen en aan de Heemsteedseweg 42a is een vrijstaande woning gelegen. De verdere omgeving bestaat met name uit agrarisch grasland. Aan de zuidwestzijde grenst het plangebied aan het Amsterdam-Rijnkanaal en op een afstand van ca. 500 m is de A27 gelegen aan de westzijde van het plangebied. Aan de zuidoostzijde, op een afstand van ca. 150 m, zijn bedrijventerrein de Meerpaal en het Rondeel gelegen. Noordoostelijk is een tankstation met lpg gelegen op afstand van ca. 140 m, met aangrenzend het markante Van der Valk Hotel Houten. Onderstaande figuren tonen het aanzicht op het plangebied vanaf zowel de Veerwagenweg (linker) als de Heemsteedseweg (rechter).
Figuur 4. Linker afbeelding aanzicht vanaf de Veerwagenweg, rechter afbeelding aanzicht vanaf de Heemsteedseweg (bron: Google Maps)
Binnen de plangrens is op dit moment grotendeels een boomgaard gesitueerd, noordoostelijk is een veldschuur van 100 m² gelegen. De veldschuur is voorzien van een sanitairevoorziening en pantry. De veldschuur wordt ondersteunend gebruikt ten behoeve van de agrarische werkzaamheden op het perceel aan de Heemsteedseweg. Vanaf de veldschuur is er een ontsluitingsweg op de Heemsteedseweg. Langs de west- en zuidwestgrens van het plangebied is een watergang gelegen. Onderstaande figuren tonen een impressie van de boomgaard en veldschuur binnen de planlocatie.
Figuur 5. Linker afbeelding aanzicht boomgraarad en veldschuur, rechter afbeelding aanzicht boomgaard (bron: Blom Ecologie)
8
2.2 Toekomstige situatie Initiatiefnemer is voornemens om op het perceel aan de Heemsteedseweg, naast 42, een hoveniersbedrijf te vestigen. In aansluiting op het oostelijk gelegen 'Werklandschap' vormt het 'groene' hoveniersbedrijf een logische overgang naar de noordwestelijk gelegen onbebouwde gronden. De voorgestelde planregeling is dan ook specifiek afgestemd op de vestiging van dit bedrijf. Het hoveniersbedrijf bestaat uit één gebouw met daarin een loods gedeelte voor het opslaan van materieel en een kantoorgedeelte ten dienste van het hoveniersbedrijf. Tevens zal een deel van het perceel ingericht worden ten behoeve van het gescheiden opslaan van afval afkomstig van het verwijderen, aanleggen en onderhouden van tuinen. Verder zal de bestaande veldschuur behouden blijven en als ondergeschikt bouwwerk worden gebruikt door RB Tuinen. Onderstaande afbeelding toont de plattegrond van de beoogde inrichting van het perceel aan de Heemsteedseweg.
Figuur 6. Plattegrond beoogde situatie aan de Heemsteedseweg in Houten (bron: Paul Architectuur d.d. 26 december 2020)
Inrichting Ten behoeve van het voorgenomen plan is met name aandacht besteed aan het naastgelegen dierenhotel. Door de aanleg van een geluidsscherm van 2 m hoog zal geluidsoverlast ten aanzien van het naast gelegen dierenhotel tot een minimum worden beperkt, dit is nader gemotiveerd in toelichting paragraaf 4.2.4. In de planregels is de realisatie van een geluidsscherm middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd. Het geluidsscherm wordt landschappelijk ingepast door een elzenhaag. Deze elzenhaag wordt doorgetrokken in zuidwestelijke richting waar het geluidsscherm afbuigt naar zuidoostelijke richting. Ten behoeve van het hoveniersbedrijf wordt één bedrijfsgebouw gerealiseerd met een oppervlakte van 645 m². De goot- en bouwhoogte van het gebouw bedragen, respectievelijk 6 en 8 meter. Deze goot- en bouwhoogte is noodzakelijk voor het grotere materieel wat binnen het hoveniersbedrijf gebruikt zal gaan worden. De beoogde en nagestreefde schaalvergroting brengt met zich mee dat groter materieel, zoals bijvoorbeeld een mobiele kraan of versnipperaar, aangeschaft kan worden waar deze nu voor projecten wordt ingehuurd. Deze machines zullen binnen gestald worden. Het bedrijfsgebouw zal deels voorzien worden van een groen dak om het gebouw beter in het landschap op te laten gaan. Binnen het bedrijfsgebouw zal een deel als kantoorruimte worden gebruikt.
Het kantoorgedeelte, met een oppervlakte van maximaal 200 m², zal bestaan uit werkruimtes, een kantine, een ontvangstruimte en een vergaderruimte. Het resterende deel van het bedrijfsgebouw zal bestaan uit een loods, met een oppervlakte van ca. 445 m². De loods wordt gebruikt als opslag ten behoeve van het hoveniersbedrijf. Het betreft hier opslag van materieel, gereedschap en materialen t.b.v. van het aanleggen van tuinen. Daarnaast vindt er tijdelijke opslag plaats van goederen en beplantingsmateriaal die in de aan te leggen tuinen verwerkt worden. De oppervlakte van de loods is op deze 'ruimtevraag' afgestemd.
9
Erfinrichting De verdere inrichting binnen de plangrens bestaat uit een plek voor het gescheiden opslaan van afval afkomstig van het verwijderen, aanleggen en onderhouden van tuinen. Op maaiveld zullen verschillende afvalcontainers worden geplaats. Ter plaatse van de afvalcontainers zal het achtergelegen geluidsscherm deels hoger zijn als gevolg van een geintergreerde kap (4,2 m) om de geluidsoverlast hiervan te beperken. Het geluidsscherm zal groen worden ingepakt om het aanzicht naar de omgeving te verzachten. Verder zal de bestaande veldschuur behouden blijven. Na afronding van de bouw zal de veldschuur als ondergeschikt bouwwerk worden gebruikt door RB Tuinen in de vorm van een werkplaats en opslagruimte voor het voor langere tijd opslaan van materiaal. Voor de erfinrichting zal zoveel mogelijk gewerkt worden met half-open bestrating, waardoor het water langzaam infiltreert in bodem. De aan de zuidwestzijde gelegen bestaande watergang zal verlengd en verbreed worden met hieraan grenzend een wadi ten behoeve van de benodigde watercompensatie. Het oppervlakte van de wadi betreft minimaal 15% van het toegevoegde oppervlakte aan verharding. Met de groene inrichting van het plangebied zal de biodiversiteit worden verhoogd waardoor ook diverse insecten, vogels en kleine zoogdieren worden aangetrokken.
Verkeer en parkeren Aan de oostzijde worden parkeerplaatsen op eigen terrein gerealiseerd. Het voorgenomen plan voorziet in ca. 20 parkeerplaatsen. De parkeerplaatsen zullen gebruik worden door werknemers, leveranciers en de stalling van bedrijfswagens. Er zullen voorzieningen worden getroffen om in de toekomst ruimte bieden voor maximaal 5 laadpalen ten behoeve van elektrische auto's. In eerste instantie zal er 1 laadpaal worden gerealiseerd. Voor het autoverkeer is het voornemen om aan de oostzijde een nieuwe ontsluitingsweg te realiseren. Een deel van de ontsluitingsweg is reeds gerealiseerd, de beoogde ontsluitingsweg zal hierop aansluiten. Ten behoeve van het fietsverkeer zal de bestaande ontsluitingsweg aan de Heemsteedseweg in gebruik worden genomen als fietstoegang. Nabij deze fietstoegang zal voorzien worden in een plek voor fietsparkeren.
10
3 Beleidskader 3.1 Rijksbeleid 3.1.1 Nationale omgevingsvisie Op 11 september 2020 is de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) in werking getreden. Deze visie bevat de hoofdzaken van het strategisch rijksbeleid voor de fysieke leefomgeving. Dit is een combinatie van beleid uit de bestaande beleidsdocumenten, met en zonder wettelijke grondslag, en nieuw strategisch beleid. De grote en complexe opgaven zoals klimaatverandering, energietransitie, circulaire economie, bereikbaarheid en woningbouw zullen Nederland gaan veranderen. De NOVI schrijft een toekomstperspectief met de ambities van het rijk. In de NOVI zijn 21 nationale belangen met bijbehorende opgaven geformuleerd. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie; duurzaam economisch groeipotentieel; sterke en gezonde steden en regio's; toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied.
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Planspecifiek De schaalgrootte van de NOVI brengt met zich mee dat de NOVI geen specifieke uitspraken doet die concreet van invloed zijn op dit specifeke project. De ambitie die de NOVI uitspreekt voor duurzaamheid, energie en klimaatadaptatie is wel terug te vinden in dit project. In paragraaf 3.3.2 is dit verder terug te lezen. Conclusie Geconcludeerd kan worden dat de ontwikkeling in lijn is met de NOVI. 3.1.2 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Op 30 december 2011 is het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) in werking getreden. Voortaan heeft de wetgever in de Wet ruimtelijke ordening (Wro), ter waarborging van de nationale of provinciale belangen, de besluitmogelijkheden van lagere overheden begrensd. Indien nationale of provinciale belangen dat met het oog op een goede ruimtelijke ordening noodzakelijk maken, kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur respectievelijk bij of krachtens provinciale verordening regels worden gesteld omtrent de inhoud van bestemmingsplannen.
In het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) zijn 14 nationale belangen opgenomen die in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) zijn herbevestigd. Voor deze belangen is het Rijk verantwoordelijk en wil het resultaten boeken. Het gaat om de volgende nationale belangen: Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Ecologische hoofdstructuur, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, Elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied (uitbreidingsruimte). Buiten deze belangen hebben decentrale overheden beleidsvrijheid. Het Barro is op 30 december 2011 in werking getreden en op 1 oktober 2012, 1 juli 2014 en 1 juli 2016 op onderdelen aangevuld.
11
Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling in het plangebied raakt niet aan één van de nationale belangen en is dus ook niet specifiek van toepassing op het plangebied. Conclusie Het Barro omvat geen belemmeringen voor de planontwikkeling 3.1.3 Ladder voor duurzame verstedelijking In het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is de verplichting opgenomen om in het geval van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de toelichting een onderbouwing op te nemen van nut en noodzaak van de nieuwe stedelijke ruimtevraag en de ruimtelijke inpassing. Hierbij wordt uitgegaan van de 'ladder voor duurzame verstedelijking'. De 'stappen van de ladder' worden in artikel 3.1.6, leden 2 - 4 Bro als volgt omschreven: 2.
3.
4.
De toelichting bij een bestemmingsplan dat een nieuwe stedelijke ontwikkeling mogelijk maakt, bevat een beschrijving van de behoefte aan die ontwikkeling, en, indien het bestemmingsplan die ontwikkeling mogelijk maakt buiten het bestaand stedelijk gebied, een motivering waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in die behoefte kan worden voorzien. Indien in een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid toepassing is gegeven aan artikel 3.6, eerste lid, onder a of b, van de wet kan bij dat bestemmingsplan worden bepaald dat de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling en een motivering als bedoeld in het tweede lid eerst wordt opgenomen in de toelichting bij het wijzigings- of het uitwerkingsplan als bedoeld in dat artikel. Een onderzoek naar de behoefte als bedoeld in het tweede lid, heeft, in het geval dat een bestemmingsplan als bedoeld in het tweede lid, ziet op de vestiging van een dienst als bedoeld in artikel 1 van de Dienstenwet en dit onderzoek betrekking heeft op de economische behoefte, de marktvraag of de beoordeling van de mogelijke of actuele economische gevolgen van die vestiging, slechts tot doel na te gaan of de vestiging van een dienst in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
Planspecifiek Stedelijke ontwikkeling Conform artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro wordt onder een stedelijke ontwikkeling verstaan: een 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (23 april 2014, ECLI:NL:RVS:2014:1442 (Wierden)) blijkt dat een ontwikkeling voldoende substantieel dient te zijn om als stedelijke ontwikkeling aangemerkt te kunnen worden. Wanneer een ontwikkeling voorziet in één van de andere in artikel 1.1.1, eerste lid onder i van het Bro genoemde stedelijke voorzieningen in de vorm van een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m², dient deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling te worden aangemerkt. Het beoogde plan voorziet in de realisatie van een bedrijfsruimte ten behoeve hoveniersbedrijf en de herinrichting van het perceel. Het plan betreft het toevoegen van een bedrijf met een ruimtebeslag groter dan 500 m² en wordt derhalve als een nieuwe stedelijke ontwikkeling aangemerkt. Onderstaand zal worden ingegaan op de ligging van het plangebied en de behoefte aan de beoogde ontwikkeling. Behoefte Zoals in toelichting hoofdstuk 2 is opgemerkt, voorziet het beoogde plan in de specifieke behoefte van een bestaand hoveniersbedrijf.
Op dit moment is het hoveniersbedrijf gevestigd aan de Koningin Julianastraat in Houten, waar de uitbreidingsmogelijkheden beperkt zijn. Dit komt mede door de situering van het bedrijf midden in een woongebied, waardoor uitbreiding als ruimtelijk onwenselijk wordt gezien. Gezien de verwachte groei van het bedrijf en de beperkte mogelijkheden op de huidige locatie is in overleg met de gemeente Houten besloten dat het in beginsel wenselijk is het hoveniersbedrijf te verplaatsen van de Koningin Julianastraat naar de Heemsteedseweg.
12
Stedelijk gebied Het voorgenomen plan betreft de bestemmingswijziging van de bestemming 'Agrarisch met waarden' naar de bestemming 'Bedrijf', met een aanduiding ten behoeve van een hoveniersbedrijf. Het plangebied aan de Heemsteedseweg is gelegen in bestaand stedelijk gebied, zie toelichting paragraaf 3.2.2. Door de ligging van het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied hoeft de locatie niet nader gemotiveerd te worden waarom niet binnen het bestaand stedelijk gebied in de behoefte voorzien kan worden. In dit geval wordt de behoefte binnen bestaande stedelijk gebied opgelost. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de ladder voor duurzame verstedelijking.
13
3.2 Provinciaal beleid 3.2.1 Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie Op 12 december 2016 hebben Provinciale Staten van de provincie Utrecht de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie 2013 - 2028 (herijking 2016) (PRS) vastgesteld. In deze herijking zijn een drietal documenten integraal opgenomen, waarmee het ruimtelijk beleid van de provincie Utrecht per december 2016 volledig in één document is opgenomen. Nadien is op 10 december 2018 de 2 e partiële herziening vastgesteld. In de PRS beschrijft de provincie Utrecht haar ruimtelijk beleid voor de periode tot 2028. Deze periode sluit aan bij de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte van het Rijk. De provincie Utrecht geeft aan welke doelstellingen zij voor welke gebieden van provinciaal belang achten, welk beleid bij deze doelstellingen hoort en hoe zij uitvoering geven aan dit beleid. Deels wordt uitvoering gegeven aan het beleid via de Provinciale Ruimtelijke Verordening welke tegelijk met de PRS is opgesteld. In de Provinciale Ruimtelijke Structuurvisie zijn de volgende pijlers vastgelegd: a. b. c. d.
Duurzame leefomgeving Beschermen kwaliteiten Vitale dorpen en steden Dynamisch landelijk gebied
De pijlers ‘duurzame leefomgeving’ en ‘beschermen kwaliteiten’ leggen de basis waarbinnen de ontwikkelingen in de ‘vitale dorpen en steden’ en het ‘dynamisch landelijk gebied’ plaats kunnen vinden. Het samenspel tussen deze pijlers leidt tot de volgende twee belangrijkste beleidsopgaven; opgaven die nodig zijn om Utrecht aantrekkelijk te houden als vestigingsplaats:
•
Accent op de binnenstedelijke opgave De provincie wil ten minste 2/3 van de woningbouwopgave binnenstedelijk realiseren. Dit sluit aan bij de vraag naar (woningen in) stedelijke woonmilieus, vergroot het draagvlak voor voorzieningen en openbaar vervoer en vermindert de druk op het landelijk gebied. Verminderen van het overschot aan kantoren en winkelpanden en herstructurering van bedrijventerreinen, maken ook deel uit van de binnenstedelijke opgave.
•
Behoud en versterken kwaliteit landelijk gebied De provincie heeft een aantrekkelijk landelijk gebied. De provincie wil deze kwaliteit behouden en versterken, zowel voor het landelijk gebied zelf, als voor het stedelijk gebied. De binnenstedelijke opgave vraagt als contramal ook om een aantrekkelijk en bereikbaar landelijk gebied met hoge kwaliteit van landschap, natuur en recreatieve voorzieningen. De cultuurhistorische waarden van onder meer de linies, de buitenplaatsen en het agrarische landschap dragen bij aan een aantrekkelijk landelijk gebied. De landbouw is een belangrijke drager van het agrarische cultuurlandschap. Die rol vergt ruimte voor een economisch duurzame landbouw.
Planspecifiek Op onderhavig initiatief is met name de pijler ‘vitale dorpen en steden’ van belang. Er wordt gestreefd naar een provincie waar ruimte is voor goed wonen, werken en natuur. In onderhavig geval wordt op het perceel aan de Heemsteedseweg, naast 42, een hoveniersbedrijf gevestigd, waarbij goed gebruik gemaakt van bestaand stedelijk gebied in de kern van Houten. Door de ontwikkeling van werken vooral in het bestaande stedelijke gebied te laten plaatsvinden wordt een bijdrage geleverd aan het behouden van vitale dorpen en steden. Verder is een hoveniersbedrijf op deze locatie passend in de omgeving omdat de planlocatie grenst aan de bedrijventerreinen de Meerpaal en het Rondeel. Conclusie Geconcludeerd wordt dat voorgenomen ontwikkeling past binnen de PRS.
14
3.2.2 Provinciale Ruimtelijke Verordening Tegelijk met de PRS is op 4 februari 2013 de Provinciale Ruimtelijke Verordening 2013 (PRV) vastgesteld door Provinciale Staten van de provincie Utrecht. De PRV wordt elke vier jaar opnieuw bekeken en eventueel aangepast (herijken). De herijking van de PRV is op 12 december 2016 vastgesteld. Op 10 december 2018 is de 2e partiële herziening hiervan vastgesteld. De PRV bevat algemene regels die gemeenten in acht moeten nemen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In de PRV staan geen regels die direct doorwerken naar de burgers. In de PRV zijn alleen de algemene regels opgenomen, die noodzakelijk zijn voor het waarborgen van de provinciale belangen. In de PRV wordt deels uitvoering gegeven aan het beleid uit de PRS. De PRV geeft regels met betrekking tot de onderwerpen bodem, water, energie, cultureel erfgoed, wonen, werken, verkeer en vervoer, landelijk gebied, landschap, natuur en recreatie. Planspecifiek Uit de kaart 'Wonen en werken' blijkt dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het 'stedelijk gebied'. De grens van de aanduiding ' stedelijk gebied' wordt ook wel de 'rode contour' genoemd. In artikel 4.1 'Stedelijk gebied' staat dat een ruimtelijk plan in een dergelijk gebied bestemmingen en regels kan bevatten voor verstedelijking. Onderstaande figuur toont de ligging van het plangebied binnen het bestaand stedelijk gebied.
Figuur 6. Ligging plangebied binnen bestaand stedelijk gebied (bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Conclusie Aangezien de ontwikkeling binnen de 'rode contour' van het 'stedelijk gebied' valt is een nadere toets niet noodzakelijk. De PRV omvat geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
15
3.2.3 Provinciale Interim verordening (ontwerp) Omdat de Omgevingswet naar verwachting op 1 januari 2022 wordt ingevoerd, is het nodig om in plaats van de Omgevingsverordening een Interim Omgevingsverordening te maken. De Omgevingsverordening kan namelijk niet onder de huidige wetgeving in werking treden; dat kan alleen onder de nieuwe Omgevingswet. Om toch eerder uitvoering te kunnen geven aan de plannen en ambities uit de Omgevingsvisie, hebben Gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht besloten om, tot de nieuwe wet ingaat, te werken met een interim Omgevingsverordening. In zijn algemeenheid geldt dat de interim verordening niet ziet op een beleidswijziging. De planlocatie is gelegen binnen het stedelijk gebied. Binnen gebieden met deze aanduiding is een verdere verstedelijking mogelijk. Omdat het gaat om de inpassing van één specifiek bedrijf zijn de regels die zien op de aanleg van of uitbreiding van bedrijventerreinen niet van toepassing. Geconcludeerd kan worden dat het voornemen daarmee in overeenstemming is met de beleidsuitgangspunten zoals verwoord in de nog vast te stellen interim verordening.
16
3.3 Gemeentelijk beleid 3.3.1 Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 is op 9 juni 2015 vastgesteld door de raad van de gemeente Houten. In deze visie wordt een koers voor Houten in 2025 vastgelegd. Houten is in 2025 duurzaam, innovatief en kleinschalig. Met oog voor elkaar, veel ruimte voor experiment en initiatief bij inwoners. Vijf principes staan centraal om houvast te geven en weg te wijzen naar de toekomst: 1.
2.
3.
4.
5.
We stellen de mens centraal Met 50.000 inwoners heeft Houten een schaal bereikt waar mensen elkaar kennen en herkennen. Houten kiest daarom niet voor een nieuwe groeitaak. Er is nog wel plek voor nieuwe woningen, ook in de kleine kernen, maar de bouwlocaties zijn kleinschalig. We waarderen verschillen De samenstelling van de bevolking is in 2025 een stuk gevarieerder, waarbij Houten een tolerante, inclusieve samenleving is waar plek is voor jongeren, ouderen, autochtonen en allochtonen, hoger en lager opgeleiden. We zijn zuinig op onze omgeving In 2025 is Houten een circulaire stad. Een stad 'in balans' is goed voor het leefklimaat van bewoners, voor de gezondheid, voor de omringende natuur en voor de toekomstige generaties. Technische innovaties worden omarmd waardoor Houten in 2025 stiller, schoner en klimaatvriendelijker is. We bouwen voort op ons ruimtelijk DNA Het ruimtelijk DNA van Houten is robuust en toekomstbestendig; de groenzones, het fietspadenstelsel, de rondweg van Houten, de centrumgebieden, de weidse buitengebieden en de cultuurhistorische schatten onder en boven de grond. Al deze elementen dragen bij aan een Houten waar het ontspannen wonen, werken en leven is. We zijn actief in de regio Houten maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het stedelijk gebied in en rond Utrecht.
Tegelijkertijd ligt Houten in de rust en ruimte van het Eiland van Schalkwijk, de Kromme Rijn en de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Enerzijds is sprake van gezamenlijke opgaven rond economie, mobiliteit, wonen, zorg en duurzaamheid (stedelijke oriëntatie). Anderzijds is er een ruimtelijke oriëntatie op het Kromme Rijngebied en de Lekstroom waarbij vraagstukken over natuur- en waterbeheer, recreatie, plattelandsontwikkeling en cultuurhistorie centraal staan. Houten is in 2025 een plek waar mensen zich vrij voelen om te ondernemen en te pionieren in de omvang met veranderingen die op ons afkomen: Houten als Proeftuin van de regio.
Planspecifiek Met het voorgenomen plan wordt aansluiting gevonden op het principe 'we bouwen voort op ons ruimtelijk DNA', door de ligging van de planlocatie aan de rand van de kern Houten. Doordat in de omgeving van de planlocatie reeds sprake is van bedrijvigheid is dit een geschikte locatie voor de bedrijfsactiviteiten van het beoogde hoveniersbedrijf. Met de vestiging van het bedrijf wordt ook een 'groene' overgang gemaakt met het naastgelegen gebied. Zoals uit toelichting hoofdstuk 4 blijkt is de beoogde uitbreiding milieuhygiënisch inpasbaar. Verder blijkt uit toelichting paragraaf 3.3.2 dat het beoogde plan rekening houdt met de duurzame ambities van de gemeente Houten. Conclusie De Toekomstvisie Proeftuin Houten 2025 omvat geen belemmeringen voor de planontwikkeling.
17
3.3.2 Klimaatplan gemeente Houten Op 5 juli 2016 heeft de gemeenteraad met grote meerderheid het nieuwe Programma Duurzaam Houten 2016-2018 goedgekeurd. Dit programma is gedateerd geraakt en wordt vervangen door een nieuw Klimaatplan. Het Klimaatplan valt uiteen in drie onderdelen Te weten het Energieplan, klimaatadaptatieplan en het Actieplan Circulaire economie. Op 11 februari 2020 heeft de gemeenteraad van Houten het Energieplan 2020-2025 vastgesteld. Dit plan gaat in op de kansen en behoeftes van de Houtense samenleving. De focus ligt op het ontwikkelen van voldoende draagvlak voor de grote veranderingen die nog op ons af gaan komen. Door het organiseren van een goede samenwerking met de (vrijwilligers) organisaties in Houten, die energie-activiteiten uitvoeren, kan een versnelling tot stand gebracht worden. Met de vaststelling van dit Energieplan is het eerste deel van het Klimaatplan gereed. Het energieplan spreekt de ambitie uit Houten in 2040 energieneutraal te krijgen. Ingezet wordt op meer zonnedaken en zonnepanelen. Daarnaast worden extra zonnevelden voorzien een een extra windpark. Planspecifiek Met de voorgenomen ontwikkeling wordt aangesloten bij de ambitie van de gemeente Houten om in 2040 energieneutraal te zijn. Dit is mogelijk middels het treffen van duurzame maatregelen, waarbij gedacht wordt aan het goed isoleren en het toepassen van zonnepanelen.
Bovendien zal het beoogde bedrijfsgebouw gasloos worden uitgevoerd en wordt de bebouwing deels voorzien van een groen (isolerend) sedumdak. Op het resterende deel van het dak worden zonnepanelen geplaatst. Verder wordt zoveel mogelijk gebruik gemaakt van half-verharding en zal de bestaande watergang, aan de zuidwestzijde van de plansgrens worden vergroot. Door het gescheiden opslaan en verwerken van afval zullen tevens gesloten kringlopen ontstaan. Voor alle nieuwbouw, zowel woningbouw als utiliteitsbouw, geldt dat de vergunningaanvragen vanaf 1 januari 2021 moeten voldoen aan de eisen voor bijna energieneutrale gebouwen (BENG).
18
4 Uitvoerbaarheid De uitvoerbaarheid van een bestemmingsplan moet ingevolge de Wet ruimtelijke ordening (Wro) aangetoond worden (artikel 3.1 lid 3 van de Wro). Daaronder valt zowel de onderzoeksverplichting naar verschillende ruimtelijk relevante aspecten (geluid, bodem, ect.) als ook de economische uitvoerbaarheid van het plan.
4.1 Milieueffectrapportage De milieueffectrapportage (m.e.r.) is een hulpmiddel om bij diverse procedures het milieubelang een volwaardige plaats in de besluitvorming te geven. Een m.e.r. is verplicht bij de voorbereiding van plannen en besluiten van de overheid over initiatieven en activiteiten van publieke en private partijen die belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben. De m.e.r. is wettelijk verankerd in hoofdstuk 7 van de Wet milieubeheer. Naast de Wet milieubeheer is het Besluit m.e.r. belangrijk om te kunnen bepalen of bij de voorbereiding van een plan of een besluit de m.e.r.-procedure moet worden doorlopen. Bij toetsing aan het Besluit m.e.r. zijn er vier mogelijkheden: a. b.
c.
d.
het plan of besluit is direct m.e.r.- plichtig; het plan of besluit bevat activiteiten uit kolom 1 van onderdeel D, en ligt boven de (indicatieve) drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D. Het besluit moet eerst worden beoordeeld om na te gaan of er sprake is van m.e.r.-plicht: het besluit is dan m.e.r.beoordelingsplichtig. Voor een plan in kolom 3 ‘plannen’ geldt geen m.e.r-beoordelingsplicht, maar direct een (plan-)m.e.r.-plicht; het plan of besluit bevat wel de activiteiten uit kolom 1, maar ligt beneden de drempelwaarden, zoals beschreven in kolom 2 ‘gevallen’, van onderdeel D: er dient in overleg met de aanvrager van het bijbehorende plan of besluit beoordeeld te worden of er aanleiding is voor het uitvoeren van een m.e.r.-beoordeling (als sprake is van een besluit) of het direct uitvoeren van een m.e.r. (als sprake is van een plan). Deze keuze wordt uiteindelijk in het bijbehorende plan of besluit gemotiveerd; de activiteit(en) of het betreffende plan en/of besluit worden niet genoemd in het Besluit m.e.r.: er geldt geen m.e.r.- (beoordelings)plicht.
Sinds 16 mei 2017 geldt er een directe werking van het Europees recht. Daarom is per 7 juli 2017 het gewijzigde Besluit m.e.r. in werking getreden. In de gewijzigde Besluit m.e.r. staat de nieuwe procedure voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling. Voor elke aanvraag, waarbij een vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, moet:
• •
Door de initiatiefnemer een aanmeldingsnotitie worden opgesteld; Het bevoegd gezag binnen 6 weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit nemen. Dit besluit hoeft niet in de Staatscourant gepubliceerd te worden;
•
De initiatiefnemer het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag voegen (Artikel 7.28 Wet milieubeheer).
De artikelen 7.16 tot en met 7.20a Wm zijn in de nieuwe wetgeving voor alle in het Besluit m.e.r. genoemde activiteiten van de D-lijst van toepassing.
19
Planspecifiek Uit een uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2018:2414, 18 juli 2018) blijkt dat het antwoord op de vraag of er sprake is van een (wijziging van een) stedelijk ontwikkelingsproject in de zin van het Besluit milieueffectrapportage afhangt van de concrete omstandigheden van het geval, waarbij onder meer aspecten als aard en omvang van de voorziene wijzigingen van de stedelijke ontwikkeling een rol spelen. Daarbij mogen de bestaande planologische mogelijkheden worden meegewogen bij de vraag of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Het voorgenomen plan betreft de bestemmingswijziging van een agrarische bestemming naar een bedrijfsbestemming ten behoeve van de vestiging van een hoveniersbedrijf. Hiervoor wordt uitsluitend een kantoorruimte met een loods ter grootte van 645 m² gebouwd en zal de bestaande veldschuur van 100 m² behouden blijven. Het ruimtebeslag van de beoogde bebouwing is derhalve beperkt waardoor er geen sprake is van een stedelijk ontwikkelingsproject als bedoeld in categorie 11.2 van onderdeel D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage. Uit toetsing aan het Besluit m.e.r. volgt dat het besluit tot vaststelling van voorliggend ruimtelijk plan valt onder mogelijkheid d.
Dit betekent dat het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing is en dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt. Desondanks zijn in het kader van dit ruimtelijk plan de belangrijkste milieuaspecten waaronder bodem, luchtkwaliteit, geluid, externe veiligheid en ecologie in beeld gebracht. Hieruit is niet gebleken dat er sprake is van een ontwikkeling die een forse invloed heeft op het milieu. Belangrijke milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. De huidige onderzoeken geven voldoende inzicht in de milieugevolgen om een gewogen besluit omtrent dit ruimtelijke plan te nemen. Het opstellen van een milieueffectrapportage zal geen verder inzicht verschaffen op de relevante milieuaspecten. De kenmerken van het project, de plaats van het project en de kenmerken van de potentiële effecten zijn niet van dien aard dat er aanleiding bestaat tot het opstellen van een milieueffectrapportage. Conclusie Voor het voorliggende bestemmingsplan is het Besluit milieueffectrapportage niet van toepassing, derhalve wordt er geconcludeerd dat er geen m.e.r.-(beoordelings)plicht geldt.
4.2 Milieu 4.2.1 Bodem In het kader van een ruimtelijk plan dient aangetoond te worden dat de kwaliteit van de bodem en het grondwater in het plangebied in overeenstemming zijn met het beoogde gebruik. De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Indien sprake is van een functiewijziging zal er soms een bodemonderzoek moeten worden uitgevoerd in het plangebied. Ontwikkelingen kunnen pas plaatsvinden als de bodem waarop deze ontwikkelingen plaatsvinden geschikt is of geschikt is gemaakt voor het beoogde doel. Bij een bestemmingswijziging is een bodemonderzoek slechts noodzakelijk, indien de bestemmingswijziging tevens een wijziging naar een strenger bodemgebruik inhoudt. Bij een bestemmingswijziging die een gelijkblijvend of minder streng bodemgebruik oplevert, is de bodemkwaliteit in het kader van de bestemmingswijziging niet relevant en is bodemonderzoek niet noodzakelijk. Planspecifiek Door Inventerra in de periode februari-maart 2020 een verkennend bodemonderzoek conform de NEN 5740 verricht op de locatie aan de Heemsteedseweg 40d te Houten, zie bijlagen bij toelichting bijlage 1. De onderzoekslocatie, met een oppervlakte van 9.000 – 10.000 m², is in gebruik als boomgaard en er is een veldschuur aanwezig. Een deel van het terrein is verhard met stelconplaten en gecertificeerd puin.
De aanleiding van het bodemonderzoek is de geplande wijziging van de bestemming. Doel van het verkennend bodemonderzoek is het vaststellen van de huidige bodemkwaliteit en of deze bodemkwaliteit geen belemmering vormt voor het huidige of toekomstige gebruik.
20
Op basis van het uitgevoerde vooronderzoek is een hypothese opgesteld met betrekking tot een mogelijke verontreinigingssituatie in de bodem, namelijk onverdacht voor bodemverontreiniging. Uit de resultaten van het verkennend bodemonderzoek wordt het volgende geconcludeerd:
•
In de bovengrond en ondergrond op de locatie zijn geen verontreinigingen aangetoond, met uitzondering van licht verhoogde gehalten aan nikkel in MM1 van de bovengrond en MM5 van de ondergrond.
• •
In het grondwater uit peilbuis 08 is een licht verhoogde concentratie barium gemeten. In het grondwater uit peilbuis 18 is een matig verhoogde concentratie barium gemeten en zijn lichte verontreinigingen aangetoond met lood, xylenen en naftaleen.
Op basis van het uitgevoerde bodemonderzoek dient de hypothese ‘onverdacht voor verontreiniging’ (strikt genomen) verworpen te worden, vanwege de aangetoonde licht verhoogde gehalten in de grond en het grondwater. De lichte verontreinigingen met nikkel in de grond en licht tot matig verhoogde concentraties barium in het grondwater worden toegeschreven aan natuurlijk verhoogde achtergrondwaarden. Voor de lichte verontreinigingen met lood, xylenen en naftaleen in het grondwater uit peilbuis 18 is geen oorzaak bekend. Deze verhoogde concentraties zijn echter zodanig licht verhoogd dat aanvullend onderzoek (eventueel op basis van een aangepaste onderzoeksstrategie) of nadere maatregelen niet noodzakelijk worden geacht. Vanuit milieuhygiënisch oogpunt is het terrein geschikt voor de huidige en de toekomstige bestemming. Conclusie Derhalve kan gesteld worden dat het aspect bodem geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan. 4.2.2 Geluid De mate waarin het geluid, het woonmilieu mag belasten, is geregeld in de Wet geluidhinder (Wgh). De kern van de wet is dat geluidsgevoelige objecten worden beschermd tegen geluidhinder uit de omgeving. In de Wgh worden de volgende objecten beschermd (artikel 1 Wgh):
• •
woningen;
•
andere geluidsgevoelige gebouwen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen gebouw dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft, niet zijnde een woning).
geluidsgevoelige terreinen (bij algemene maatregel van bestuur als zodanig aangewezen terrein dat vanwege de bestemming of het gebruik daarvan bijzondere bescherming tegen geluid behoeft);
Het beschermen van deze geluidsgevoelige objecten gebeurt aan de hand van vastgestelde zoneringen. De belangrijkste geluidsbronnen die in de Wet geluidhinder worden geregeld zijn: industrielawaai, wegverkeerslawaai en spoorweglawaai. Verder gaat deze wet onder meer ook in op geluidwerende voorzieningen en geluidbelastingkaarten en actieplannen. Planspecifiek In het kader van de Wet geluidhinder maakt het voorgenomen plan geen nieuw geluidsgevoelig object mogelijk. Daarmee vormt het aspect geluid geen belemmering voor de realisatie van het plan. Wel heeft er akoestisch onderzoek plaatsgevonden naar de nieuwe bedrijfsvestiging in relatie tot het naastgelegen hondenhotel. In paragraaf 4.2.4 wordt nader op dit onderzoek ingegaan. Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan.
21
4.2.3 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit. Deze paragraaf vervangt het Besluit Luchtkwaliteit 2005 en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 μg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Planspecifiek De ontwikkeling van een hoveniersbedrijf kan, gezien de beperkte omvang, aangemerkt worden als een NIBM-project. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM, niet noodzakelijk. Het project heeft ‘niet in betekenende mate’ invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Wel is, met behulp van de Atlas Leefomgeving, gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Hieruit blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide. De specifieke concentraties over 2017 van fijnstof (PM10), fijnstof (PM2,5) en stikstofdioxide (NO2) in het plangebied bedragen respectievelijk 18.95 μg/m³ PM10, 11.66 μg/m³ PM2,5 en 24.67 μg/m³ NO2. Daarmee worden de wettelijke grenswaarden niet overschreden. De advieswaarden van de GGD en WHO (20 μg/m³ PM10 en 10 μg/m³ PM2,5) worden deels gehaald; er wordt immers voldaan aan de advieswaarde voor PM 10 maar niet voor PM2,5.
Omdat het gaat om een lichte overschrijding is de verwachting dat door verbetering van de autotechniek er in de toekomst voldaan wordt aan deze waarden. Daaruit volgt dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat. Conclusie Derhalve kan gesteld worden dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering vormt voor het voorgenomen plan.
22
4.2.4 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek Industrielawaai naar omliggende woningen In de beoogde situatie zal er een nieuwe bedrijfsloods van 645 m² worden gerealiseerd, tevens zal de bestaande veldschuur van 100 m² behouden blijven. Een hoveniersbedrijf wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering niet gezien als een gevoelige bestemming. Deze functie zal dan ook geen belemmering vormen voor bedrijven om eventueel uit te breiden in de toekomst. De VNG-publicatie stelt dat een gebied aangewezen kan worden als gemengd gebied indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. In de directe omgeving van het plangebied zijn voornamelijk (dienst)woningen en bedrijven gesitueerd. Derhalve is sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. Een hoveniersbedrijf (plantsoenendiensten en hoveniersbedrijven: b.o. > 500 m², SBI-2008: 016) valt onder milieucategorie 3.1, hiervoor geldt een richtafstand van 30 m in 'gemengd gebied'. De afstand tot de meest dichtbijgelegen woning, de woning aan de Heemsteedseweg 42 is minder dan 30 m gelegen. Daarmee wordt er niet voldaan aan de richtafstand.
In het kader van het voorgenomen plan, de realisatie van een hoveniersbedrijf binnen het plangebied, is door LBP|SIGHT een akoestischonderzoek industrielawaai uitgevoerd, zie bijlagen bij toelichting bijlage 2. Conclusie akoestischonderzoek industrielawaai Ten behoeve van de nieuwe locatie van RB Tuinen aan de Heemsteedseweg is een akoestisch onderzoek industrielawaai uitgevoerd.
23
Op grond van de VNG-richtlijn Bedrijven en milieuzonering 2009 is het gebied te typeren als een gemengd functiegebied, waarbij de richtwaarde voor de geluidbelasting van het nieuwe bedrijf bij woningen 50 dB(A) mag bedragen. Daarmee kan de richtafstand van 50 m teruggebracht worden naar 30 m. In de omgeving zijn twee woningen van belang. De woning aan de Heemsteedseweg 42 ligt binnen de richtafstand van 30 m. De woning aan de Veerwagenweg 100 ligt buiten de richtafstand van 30 m. Uit het onderzoek blijkt dat de geluidbelasting langtijdgemiddeld bij de woningen ruim binnen de richtwaarde van 50 dB(A) blijft. De maximale geluidniveaus vanwege activiteiten binnen de inrichting zullen de richtwaarde van 70 dB(A) niet overschrijden. Het aspect indirecte hinder (verkeer van en naar de inrichting over openbare wegen) zal de streefwaarde van 50 dB(A) etmaalwaarde niet overstijgen. Nu voldaan kan worden aan de gestelde richtwaarde van 50 dB(A) op grond van de VNG-richtlijnen is het aanvaardbaar om dit bedrijf in de beoogde ruimtelijke omgeving in te passen. Industrielawaai en naastgelegen dierenhotel Specifiek voor dit plan is onderzocht of de bedrijfsvoering van het naastgelegen dierenhotel niet belemmerd kan worden.
Hoewel er in de geluidregelgeving geen normeringen zijn opgenomen ter bescherming van dieren tegen hoge geluidniveaus, blijkt uit het onderzoek dat ter plaatse van de buitenrennen van het dierenpension enkele malen per dag maximale geluidniveaus tot ca. 65 dB(A) kunnen optreden. Voor honden kunnen (piek)geluiden aanleiding zijn om te blaffen. Mogelijk dat de bedrijfsvoering daardoor in beperkte mate gevolgen (blaffende honden in uitloopweide en daardoor extra toezicht) kan ondervinden door de activiteiten van het hoveniersbedrijf. Ten aanzien van het naastgelegen dierenhotel wordt daarom een geluidwerende voorziening aangelegd. Aan de noordwestzijde, over de gehele lengte van het plangebied, zal een geluidsscherm van 2 m worden gerealiseerd om geluidsoverlast ten aanzien van het naastgelegen dierenhotel tot een minimum te beperken. Met de aanleg van deze geluidwerende voorziening wordt voorkomen dat de honden die in het dierenhotel verblijven als gevolg van de bedrijfsactiviteiten van het hoveniersbedrijf aanslaan. Het regelmatig aanslaan van honden is onwenselijk voor het dierenhotel en het welzijn van de dieren die er gehouden worden. In regels van het bestemmingsplan is de realisatie van een geluidscherm middels een voorwaardelijke verplichting vastgelegd.
Conclusie Geconcludeerd wordt dat aan de gestelde streefwaarden op grond van de VNG-richtlijnen wordt voldaan en dat het aanvaardbaar is om een dergelijk bedrijf in de beoogde ruimtelijke omgeving in te passen. Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de realisatie van het plan. 4.2.5 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico.
24
Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10-5-contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek. In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as).
Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden. Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven.
Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden. Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan.