CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 Ruimtelijke Onderbouwing project Luno

Gemeenteraad 25 januari 2022, gemeente HoutenBij agendapunt: Ontwerp-VVGB aanvraag omgevingsvergunning 112 woningen Kokermolen 1-11 en De Molen 13 -1717.298 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:

23

• •

het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen; het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.

Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling op deze locatie voorziet in de realisatie van 112 woningen en 250 m² vvo commerciële ruimte. Een woning wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering gezien als een gevoelige bestemming. Derhalve is aan de hand van het geldende bestemmingsplan 'Molenzoom' gekeken naar milieubelastende activiteiten in de omgeving van de locatie. De VNG-publicatie stelt dat een gebied gezien kan worden als 'Gemengd gebied' indien er sprake is van een matige tot sterke functiemenging. Het plangebied is gelegen aan de Molen. De directe omgeving van het plangebied bestaat voornamelijk uit woningen en bedrijvigheid. Derhalve is sprake van het omgevingstype 'Gemengd gebied'. Om die reden kan de richtafstand, met uitzondering van het aspect gevaar, met één afstandsstap worden verminderd. Milieubelastende activiteiten in de omgeving van het plangebied Het plangebied is gelegen in de kern van Houten en maakt onderdeel uit van de Molenzoom. In de directe omgeving van het plangebied komen voornamelijk kantoren voor. Een kantoorfunctie behoort tot categorie 1 van de Staat van bedrijfsactiviteiten en kent een richtafstand van 0 meter in gemengd gebied. De dichtstbijzijnde kantoren bevinden zich aan de Kokermolen 2 - 8 ten zuiden en aan de Molen 19 ten noorden van het plangebied. De afstand van de planlocatie tot de kantoorpanden is minimaal 15 meter.

Deze afstand is voldoende om aan de richtafstand te voldoen. Naast kantoren bevinden zich in de omgeving van het plangebied enkele maatschappelijke en sportbestemmingen. De dichtstbijzijnde maatschappelijke bestemming bevindt zich aan de Poldermolen 1 en betreft een kerk. Een kerk behoort tot milieucategorie 2 en heeft een richtafstand van 10 meter in gemengd gebied. Met een afstand van minimaal 150 meter bevindt het plangebied zich op voldoende afstand tot deze kerk. De dichtstbijzijnde sportfunctie - in dit geval de tennisvelden behorende bij Tennisclub Atlanta aan de Kruisboog 8 en de voetbalvelden behorende bij FC Delta Sports ten oosten van het plangebied - bevindt zich op minimaal 50 meter afstand tot het plangebied. Tennisbanen en veldsportcomplexen behoren tot milieucategorie 3.1 en kennen een richtafstand van 30 meter in gemengd gebied. Het plangebied ligt op ruim voldoende afstand tot deze en andere sportinrichtingen. Geconcludeerd wordt dat de omgeving geen beperkingen oplevert voor de beoogde functies. In de omgeving zijn voorts geen bedrijven of andere functies gelegen die door de voorgenomen ontwikkeling in hun huidige noch hun toekomstige functioneren worden gehinderd. Milieubelastende activiteiten binnen het plangebied Verder moet worden nagegaan of de beoogde ontwikkeling milieubelastende activiteiten omvat.

In onderhavig plan wordt 250 m² vvo commerciële ruimte ten behoeve van een tandartsenpraktijk mogelijk gemaakt. Conform VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ is een tandartspraktijk een activiteit milieucategorie 1 (SBI: 86231). In gemengd gebied geldt hiervoor een richtafstand van 0 m. De beoogde woningen zijn gelegen binnen hetzelfde gebouw als de beoogde tandartsenpraktijk, echter wordt er wel voldaan aan de richtafstand van 0 m. De beoogde 250 m² vvo commerciële ruimte ten behoeve van een tandartsenpraktijk vormt geen belemmering voor het voorgenomen plan. Conclusie Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

24

4.5 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. De Wet luchtkwaliteit introduceert het onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om de voertuigaantrekkende werking. Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling zal een beperkt effect hebben op de luchtkwaliteit ter plaatse. Met de voorgenomen ontwikkeling worden 112 appartementen en 250 m² vvo commerciële ruimte gerealiseerd.

In de regeling NIBM is een aantal activiteiten, zoals projecten tot 1.500 woningen met één ontsluitingsweg (3.000 met twee ontsluitingswegen) bij voorbaat aangemerkt als niet in betekende mate. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse. Bovendien is ter plaatse planologisch gezien al een kantoor toegestaan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is met behulp van de Atlas Leefomgeving (o.a. ministerie I&M en RIVM) gekeken naar de luchtkwaliteit in en rondom het plangebied. Uit de achtergrondconcentraties over 2017 van fijnstof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) blijkt dat de luchtkwaliteit ter plaatse ruim voldoet aan de gestelde grenswaarde van 40 µg/m3 voor zowel fijnstof als stikstofdioxide, zoals te zien is op de navolgende afbeeldingen. Ook de achtergrondconcentratie fijnstof (PM 2,5) is op basis van de gegevens van de Atlas Leefomgeving van een voldoende kwaliteit.

Figuur 10: Uitsnede Atlas Leefomgeving fijnstof, globale ligging plangebied zwart omkaderd (PM10)

Figuur 11: Uitsnede Atlas Leefomgeving stikstofdioxide, globale ligging plangebied zwart omkaderd (NO2)

Geconcludeerd wordt dat het aspect luchtkwaliteit geen belemmering is voor de uitvoering van dit plan.

25

4.6 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:

• • •

risicovolle (Bevi-)inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.

Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels en horeca. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Plaatsgebonden risico en groepsrisico Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in een contour van 10-6 als grenswaarde. Het realiseren van kwetsbare objecten binnen deze contour is niet toegestaan. Het realiseren van beperkt kwetsbare objecten binnen deze contour is in principe ook niet toegestaan. Echter, voor beperkte kwetsbare objecten is deze 10-6-contour een richtwaarde. Mits goed gemotiveerd kan worden afgeweken van deze waarde tot de 10 -5contour. Het groepsrisico is gedefinieerd als de cumulatieve kansen per jaar dat ten minste 10, 100 of 1.000 personen overlijden als rechtstreeks gevolg van hun aanwezigheid in het invloedsgebied van een inrichting en een ongewoon voorval binnen die inrichting waarbij een gevaarlijke stof betrokken is. Het groepsrisico wordt niet in contouren vertaald, maar wordt weergegeven in een grafiek.

In de grafiek wordt de groepsgrootte van aantallen slachtoffers (x-as) uitgezet tegen de cumulatieve kans dat een dergelijke groep slachtoffer wordt van een ongeval (y-as). Voor het groepsrisico geldt geen grenswaarde, maar een zogenaamde oriëntatiewaarde. Daarnaast geldt voor het groepsrisico een verantwoordingsplicht. Het bevoegd gezag moet aangeven welke mogelijkheden er zijn om het groepsrisico in de nabije toekomst te beperken, het moet aangeven op welke manier hulpverlening, zelfredzaamheid en bestrijdbaarheid zijn ingevuld. Het bevoegd gezag moet tevens aangeven waarom de risico's verantwoord zijn, en de veiligheidsregio moet in de gelegenheid zijn gesteld een brandweeradvies te geven. Hierbij geldt hoe hoger het groepsrisico, hoe groter het belang van een goede groepsrisicoverantwoording. Risicovolle (Bevi-)inrichtingen Voor (de omgeving van) de meest risicovolle bedrijven is het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) van belang. Het Bevi legt veiligheidsnormen op aan bedrijven die een risico vormen voor mensen buiten de inrichting. Het Bevi is opgesteld om de risico's, waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle bedrijven, te beperken. Het besluit heeft tot doel zowel individuele als groepen burgers een minimaal (aanvaard) beschermingsniveau te bieden.

Via een bijhorende ministeriële regeling (Revi) worden diverse veiligheidsafstanden tot kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten gegeven. Aanvullend op het Bevi zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond minder risicovolle inrichtingen moeten worden aangehouden.

26

Vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen Met betrekking tot het beleid en de regelgeving voor het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen zijn er de afgelopen jaren verschillende ontwikkelingen geweest. Zo is er een nieuw Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en een Structuurvisie buisleidingen. Deze structuurvisie bevat een lange termijnvisie op het buisleidingentransport van gevaarlijke stoffen. Het Bevb en de bijbehorende Regeling externe veiligheid buisleidingen (Revb) zijn op 1 januari 2011 in werking getreden. Het Bevb regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen. Op basis van het Bevb wordt het voor gemeenten verplicht om bij de vaststelling van een ruimtelijk plan, op basis waarvan de aanleg van een buisleiding of een kwetsbaar object of een risicoverhogend object mogelijk is, de grenswaarde voor het plaatsgebonden risico in acht te nemen en het groepsrisico te verantwoorden. Vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) stelt regels aan transportroutes en de omgeving daarvan. Zo moet een basisveiligheidsniveau rond transportassen (plaatsgebonden risico) en een transparante afweging van het groepsrisico worden gewaarborgd. Als onderdeel van het Bevt is op 1 april 2015 tevens het basisnet in werking getreden.

Het basisnet verhoogt de veiligheid van mensen die wonen of werken in de buurt van rijksinfrastructuur (auto-, spoor- en vaarwegen) waarover gevaarlijke stoffen worden vervoerd. In de regeling ligt vast wat de maximale risico’s voor omwonenden mogen zijn. Die begrenzing was er tot nu toe niet. Bovendien zorgt het basisnet ervoor dat gevaarlijke stoffen tussen de belangrijkste industriële locaties in Nederland en het buitenland vervoerd kunnen blijven worden. Indien een ruimtelijk plan betrekking heeft op een gebied dat geheel of gedeeltelijk gelegen is binnen 200 m van een (basisnet)transportroute voor gevaarlijke stoffen, moet in de toelichting ingegaan worden op de dichtheid van personen in het invloedsgebied van de transportroute op het tijdstip waarop het plan wordt vastgesteld. Hierbij moet rekening worden gehouden met de personen die a) in dat gebied reeds aanwezig zijn, b) in dat gebied op grond van het geldende bestemmingsplan redelijkerwijs te verwachten zijn en c) de redelijkerwijs te verwachten verandering van de dichtheid van personen in het gebied waarop dat plan betrekking heeft. Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De volgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart:

Figuur 12: Uitsnede risicokaart met globale ligging plangebied zwart omkaderd ( bron: risicokaart.nl)

27

De risicokaart toont aan dat er in de omgeving van het plangebied geen risicovolle (Bevi)-inrichtingen, transportroutes gevaarlijke stoffen door buisleidingen of transportroutes van gevaarlijke stoffen over weg, water en spoor aanwezig zijn die een risicocontour hebben die over het plangebied ligt. Over de spoorlijn Utrecht-Geldermalsen vindt wel vervoer van gevaarlijke stoffen plaats, zoals brandbare vloeistoffen. Op het vervoer van gevaarlijke stoffen over het spoor is de Wet basisnet van toepassing. Bij ruimtelijke ontwikkelingen binnen 200 m van een transportroute van gevaarlijke stoffen, in dit geval de spoorlijn, is op grond van het Besluit externe veiligheid transportroutes een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico noodzakelijk middels een aanvullende berekening. Het plangebied ligt op ruim 300 m afstand tot de spoorlijn. Een beperkte verantwoording van het groepsrisico is derhalve voldoende. Bij een incident met toxische stoffen kan een giftige gaswolk ontstaan die de locatie kan bereiken. Bij een dergelijke calamiteit zijn geen bijzondere voorzieningen nodig om de omvang van een ramp te beperken en om de aanwezige personen veiligheid te bieden. Het sluiten van ramen, deuren en ventilatieroosters, en zoveel mogelijk uitschakelen van ventilatiesystemen na alarmering door de Veiligheidsregio of bericht van NL-Alert, is daarvoor voldoende.

Voor hulpdiensten is de toegang tot het plangebied gegarandeerd middels de Rondweg en de Molen. Verder zullen er in de toekomstige situatie in het plangebied zelf ook geen risicovolle activiteiten worden uitgevoerd die de externe veiligheid van omliggende (beperkt) kwetsbare objecten in gevaar kunnen brengen. Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.

4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Wat betreft soortenbescherming is per 1 januari 2017 de huidige Flora- en faunawet samen met de Boswet en Natuurbeschermingswet vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Onder de Wet natuurbescherming vervallen de huidige tabellen 1, 2 en 3 waarin de beschermde soorten zijn opgenomen. Tevens zijn er circa 200 soorten niet langer beschermd en worden enkele bedreigde soorten toegevoegd. De soortenbescherming binnen de Wet natuurbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten, Habitatrichtlijnsoorten en andere soorten. Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kunnen voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is.

Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, nr. BE/2019/304/r, 17 april 2019) uitgevoerd, bijlagen bij toelichting bijlage 6. Soortenbescherming In het plangebied of de directe omgeving hiervan komen beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voor. De te slopen kantoorgebouwen hebben mogelijk een essentiële betekenis voor vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap en het Natuurnetwerk

28

Nederland. Op een afstand van 12 km ligt het Natura 2000-gebied Uiterwaarden van de Lek, op 13 km van het plangebied is Rijntakken gelegen. De planlocatie ligt op een afstand van ca. 2 m ten zuidoosten van het dichtstbijzijnde Natuurnetwerk Nederland. Stikstofdepositie In de Wet natuurbescherming is voorgeschreven dat voor alle activiteiten die mogelijk een negatief effect hebben op Natura 2000-gebieden een vergunning vereist is. Verzuring en vermesting is één van die mogelijk negatieve effecten. Voor ieder habitattype binnen een Natura 2000-gebied dat gevoelig is voor verzuring en/of vermesting is een kritische depositiewaarde (KDW) vastgesteld. De KDW geeft de grens aan waarboven het risico bestaat dat de kwaliteit van het habitat significant wordt aangetast door de verzurende en/of vermestende invloed van atmosferische stikstofdepositie. Op 29 mei 2019 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak Raad van State uitspraak gedaan omtrent de PAS. De PAS mag niet meer gebruikt worden als basis voor toestemming voor ‘activiteiten’. Hiermee is de PAS buiten werking gesteld. In de nieuwe Aerius Calculator van september 2019 zijn de bezwaren van de Afdeling bestuursrechtspraak zoals verwoord in de uitspraak van 29 mei 2019 weggenomen. Het initiatief gaat in de bouw- en de gebruiksfase gepaard met enige uitstoot van stikstof.

Om die reden zijn AERIUS-berekeningen uitgevoerd, gebruik makend van de nieuwe AERIUS Calculator (Peutz, d.d. 13 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 7. Uit de berekeningen blijkt dat de stikstofdepositie vanwege de beoogde ontwikkeling geen significante gevolgen heeft voor Natura 2000-gebieden. Voor de Natura 2000gebieden geldt dat er in de bouw- en gebruiksfase geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Daarmee is er geen vergunning nodig in het kader van de Wet natuurbescherming. Met het oog op de Wet natuurbescherming is het plan uitvoerbaar. Noot: In de AERIUS-berekeningen is uitgegaan van het voormalige aantal woningen, zijnde 122 woningen. Gezien het uiteindelijke aantal woningen 112 betreft, zal de werkelijke stikstofdepositie nog minder zijn dan hetgeen gepresenteerd. Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De werkzaamheden leiden (met voorbehoud ten aanzien van vleermuizen) niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient middels aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen. Mogelijk dient in het verlengde hiervan een ontheffing te worden aangevraagd.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, andere soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Conclusie De beoogde sanering van twee kantoorgebouwen en realisatie van een appartementencomplex aan de Kokermolen 1-11 en de Molen 13-17 te Houten leidt, mits voor een vleermuizen een ontheffing wordt verleend en enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van zorgplicht en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. Bij eventuele aanwezigheid van verblijfplaatsen van vleermuizen kan met bepaalde maatregelen) en het plaatsen van zowel tijdelijke als permanente voorzieningen een ontheffing worden verleend, waarbij er een uitzondering wordt gemaakt op een wettelijk verbod.

Een ontheffing wordt tevens alleen verleend indien er een wettelijk belang is aangetoond en de gunstige staat van instandhouding van de soort is onderbouwd. De conclusie is dan ook dat de ontwikkelingen aan de Kokermolen 1-11 en de Molen 13-17 te Houten uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).

29

Aanvullend onderzoek vleermuis Er is een nader onderzoek naar vleermuizen (Eelerwoude, nr. 9540, 4 november 2019) uitgevoerd, bijlagen bij toelichting bijlage 8 Uit het vleermuisonderzoek is naar voren gekomen dat het plangebied onderdeel uitmaakt van het leefgebied van de volgende beschermde soort: de gewone dwergvleermuis. Er zijn in het plangebied 2 zomerverblijfplaatsen en 3 balts- en/of paarverblijfplaatsen aangetroffen. Als gevolg van de geplande werkzaamheden worden negatieve effecten verwacht en treedt vernietiging op van de verblijfplaatsen. Hierbij is het van belang dat in de nieuwe situatie de gebouwen weer geschikt zijn als verblijfplaats voor de betreffende soort. Het treffen van maatregelen is noodzakelijk om negatieve effecten te voorkomen of te beperken en om te allen tijde een verblijfplaats aan de beschermde soorten aan te bieden. Met de voorgenomen werkzaamheden wordt dan ook niet verwacht dat de gunstige staat van instandhouding van de gewone dwergvleermuis in het geding komt, vooral niet na het treffen van enkele maatregelen. Het verstoren en wegnemen van verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis is wel ontheffingsplichtig. Hiervoor dient een ontheffing aangevraagd te worden. Ontheffing Voor de herontwikkeling van het terrein aan de Kokermolen 1-11 en Molen 13-17 te Houten, is een ontheffing aangevraagd voor de gewone dwergvleermuis.

Om een ontheffing Wet natuurbescherming te verkrijgen voor de gewone dwergvleermuis, is voldaan aan volgende punten:

• • • •

de gunstige staat van instandhouding garanderen; invulling gegeven worden aan de zorgplicht; voldoen aan een bij de wet genoemd belang; er mogen geen alternatieven zijn.

Deze gegevens zijn uitgewerkt in een projectplan, zie bijlagen bij toelichting bijlage 9. In het projectplan staat concreet welke werkzaamheden, wanneer, en op welke wijze worden uitgevoerd. Dit wordt aangevuld met een onderbouwing van de noodzaak van het project. Een ontheffing is verkregen van de provincie Utrecht (d.d. 30 juli 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 10). De concrete maatregelen zijn vastgelegd in een ecologisch werkprotocol (d.d. 23 september 2020, zie bijlagen bij toelichting bijlage 11). Ook is een notitie opgesteld waarin wordt toegelicht waar de benodigde vleermuiskasten zijn geplaatst en hoe het gebied ongeschikt is gemaakt voor de gewone dwergvleermuis, zie bijlagen bij toelichting bijlage 12. Uitvoerbaarheid Er moet bij ruimtelijke planvorming, te allen tijde aangetoond worden, dat deze uitvoerbaar zijn binnen de kaders van de Wet natuurbescherming. Voor verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis worden regelmatig ontheffingen of een verklaring van geen bedenkingen aangevraagd en verkregen. In zijn algemeenheid moeten daarbij de volgende maatregelen genomen worden om de gunstige staat van instandhouding te garanderen en aan de zorgplicht te voldoen:

• • •

aanbieden nieuwe en meer verblijfplaatsen vóór verwijderen huidige; in stand houden van voldoende functioneel leefgebied (foerageergebied en dergelijke); voorkomen van aantasten/doden dieren bij uitvoering, bijvoorbeeld door uit te voeren buiten de gevoelige periodes.

Door bovengenoemde maatregelen te nemen wordt de functionaliteit van het plangebied (en/of directe omgeving) voor de dieren in stand gehouden. In dat geval kan een ontheffing worden aangevraagd voor het verstoren van de dieren en tijdelijk vernietigen van verblijfplaatsen.

30

Het plan biedt voldoende ruimte om aan de eisen voor een ontheffing te voldoen. De noodzaak voor een ontheffing belemmert de uitvoerbaarheid van het plan of de deelplannen dus niet.

4.8 Archeologie en cultuurhistorie In 1992 is in Valletta (Malta) het Europees Verdrag inzake de bescherming van het archeologisch erfgoed (Verdrag van Malta) ondertekend. Het Verdrag van Malta voorziet in bescherming van het Europees archeologisch erfgoed onder meer door de risico's op aantasting van dit erfgoed te beperken. Per 1 juli 2016 is de Erfgoedwet ingegaan totdat de Omgevingswet in werking treedt. De Erfgoedwet bundelt bestaande wet- en regelgeving voor behoud en beheer van het cultureel erfgoed in Nederland. Onder andere de Monumentenwet is hierin overgegaan. Op basis van de Erfgoedwet zijn mogelijke (toevals)vondsten bij het verrichten van werkzaamheden in de bodem altijd beschermd. Artikel 5.10 lid 1 van de Erfgoedwet stelt namelijk: 'Degene die anders dan bij het verrichten van opgravingen een vondst doet waarvan hij weet dan wel redelijkerwijs moet vermoeden dat het een archeologische vondst betreft, meldt dit zo spoedig mogelijk bij Onze Minister'. De gemeenteraad van de gemeente Houten heeft op 4 december 2007 het gemeentelijk archeologiebeleid vastgesteld. De kern van het archeologiebeleid is de Archeologische Maatregelenkaart. Op deze kaart is te zien waar archeologisch waardevolle gebieden zijn of worden verwacht. Planspecifiek Op de volgende afbeelding is een uitsnede van de Archeologische Maatregelenkaart weergegeven.

Figuur 13: Uitsnede archeologische maatregelenkaart (globale ligging plangebied zwarte ovaal)

Het plangebied is gelegen in een gebied met categorie 5; een gebied of terrein met lage archeologische verwachting of geen archeologische verwachting. Voor dergelijke gebieden geldt dat bij m.e.r.-plichtige projecten en projecten die onder de Tracéwet vallen een archeologisch onderzoek uitgevoerd moet worden. In onderhavig geval is echter geen sprake van een dergelijk project. Archeologisch onderzoek kan derhalve achterwege blijven. In de omgeving van het plangebied bevinden zich ook geen cultuurhistorische waarden.

4.9 Waterhuishouding Het aspect water is van groot belang binnen de ruimtelijke ordening. Door verstandig om te gaan met het water kan verdroging en wateroverlast (waaronder ook risico van overstromingen e.d.) voorkomen worden en de kwaliteit van het water hoog gehouden worden.

31

4.9.1 Generiek beleid Op Rijksniveau en Europees niveau zijn de laatste jaren veel plannen en wetten gemaakt met betrekking tot water. De belangrijkste hiervan zijn het Waterbeleid voor de 21e eeuw, de Waterwet en het Nationaal Waterplan. Waterbeleid voor de 21e eeuw De Commissie Waterbeheer 21ste eeuw heeft in augustus 2000 advies uitgebracht over het toekomstige waterbeleid in Nederland. De adviezen van de commissie staan in het rapport ‘Anders omgaan met water, Waterbeleid voor de 21ste eeuw’ (WB21). De kern van het rapport WB21 is dat water de ruimte moet krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het Waterbeleid voor de 21 e eeuw worden twee principes (drietrapsstrategieën) voor duurzaam waterbeheer geïntroduceerd:

•

vasthouden, bergen en afvoeren: dit houdt in dat overtollig water zoveel mogelijk bovenstrooms wordt vastgehouden in de bodem en in het oppervlaktewater. Vervolgens wordt zo nodig het water tijdelijk geborgen in bergingsgebieden en pas als vasthouden en bergen te weinig opleveren wordt het water afgevoerd.

•

schoonhouden, scheiden en zuiveren: hier gaat het erom dat het water zoveel mogelijk schoon wordt gehouden. Vervolgens worden schoon en vuil water zoveel mogelijk gescheiden en als laatste komt het zuiveren van verontreinigd water aan bod.

Waterwet Centraal in de Waterwet staat een integraal waterbeheer op basis van de ‘watersysteembenadering’. Deze benadering gaat uit van het geheel van relaties binnen watersystemen. Denk hierbij aan de relaties tussen waterkwaliteit, -kwantiteit, oppervlakte- en grondwater, maar ook aan de samenhang tussen water, grondgebruik en watergebruikers. Het doel van de Waterwet is het integreren van acht bestaande wetten voor waterbeheer. Door middel van één watervergunning regelt de wet het beheer van oppervlaktewater en grondwater en de juridische implementatie van Europese richtlijnen, waaronder de Kaderrichtlijn Water. Via de Waterwet gelden verschillende algemene regels. Niet alles is onder algemene regels te vangen en daarom is er de integrale watervergunning. In deze integrale watervergunning zijn zes vergunningen uit eerdere wetten (inclusief keurvergunning) opgegaan in één aparte watervergunning. Nationaal Waterplan Op basis van de Waterwet is het Nationaal Waterplan vastgesteld door het kabinet. Het Nationaal Waterplan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2016 - 2021 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, beschikbaarheid van voldoende en schoon water en de diverse vormen van gebruik van water.

Het geeft maatregelen die in de periode 2016-2021 genomen moeten worden om Nederland ook voor toekomstige generaties veilig en leefbaar te houden en de kansen die water biedt te benutten. 4.9.2 Beleid Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden Waterbeheerplan Voor de planperiode 2016-2021 is het Waterbeheerplan (WBP) van De Stichtse Rijnlanden van toepassing. In dit plan geeft De Stichtse Rijnlanden aan wat haar ambities voor deze planperiode zijn en welke maatregelen in het watersysteem worden getroffen. Het WBP legt meer dan voorheen accent op uitvoering. De vijf hoofdthema's zijn:

• • • • •

waterveiligheid; voldoende water; gezond water; gezuiverd afvalwater; genieten van water.

Wat betreft veiligheid is het cruciaal dat de waterkeringen voldoen aan de veiligheidseisen en dat bij dijkverbeteringenswerken wordt uitgegaan van een duurzaam en robuust ontwerp. Wat betreft voldoende

32

water gaat het erom het complete watersysteem goed in te richten, goed te beheren en goed te onderhouden, zodat het gebied geschikt is om te wonen, werken en recreëren. Daarbij wil De Stichtse Rijnlanden dat het watersysteem op orde en toekomstvast wordt gemaakt, rekening houdend met klimaatverandering. Immers, de verandering van het klimaat leidt naar verwachting tot meer lokale en heviger buien, perioden van langdurige droogte en zeespiegelrijzing. Gezond water is voor De Stichtse Rijnlanden gezond als er een grote diversiteit aan planten en dieren in kan leven, als het veilig gebruikt kan worden voor recreatie of als grondstof voor drinkwater. Het water kan alleen zo schoon mogelijk gehouden worden als de (natuurvriendelijke) inrichtingen, het beheer en onderhoud van watersystemen worden aangepast. Europese regelgeving (de Kaderrichtlijn Water) is hierbij kaderstellend. Het voorkómen van verontreiniging en een goede inrichting van oppervlaktewateren dragen in belangrijke mate bij aan gezond water. Met het oog op het zuiveren van afvalwater beheert De Stichtse Rijnlanden rioolgemalen, persleidingen en zuiveringsinstallaties. Het laatste thema betreft genieten van water. Hoewel dit geen kerntaak voor het waterschap is, is het onderwerp zeer belangrijk omdat deze in relatie staat tot het watersysteem en het waterbeheer.

Recreatie en in het bijzonder 'genieten van water' neemt in de Nederlandse samenleving een steeds belangrijkere plaats in. Het waterschap wil de bewoners en bezoekers van het gebied laten genieten van water in een gezonde en veilige omgeving. Zo kan het waterschap ook zijn werk zichtbaar maken voor de bewoners. Het vaarwegbeheer is een wettelijke taak van het waterschap, voor de overige recreatieve thema's neemt het waterschap een adviserende en faciliterende rol aan. Keur en uitvoeringsregels Per 21 oktober 2010 is de Keur in werking getreden, alsmede nieuwe beleidsregels. In de Keur van het Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden 2009 staan verboden en geboden die betrekking hebben op oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen en grondwater. De verboden betreffen die handelingen en gedragingen die in principe onwenselijk zijn voor de constructie of de functie van oppervlaktewaterlichamen, waterkeringen of grondwaterlichamen. De geboden geven de verplichtingen aan om deze waterstaatswerken in stand te houden. Een gebod kan bijvoorbeeld betrekking hebben op een onderhoudsverplichting. Hiermee vermeldt de Keur expliciet welke handelingen vergunningplichtig zijn en welke aan algemene regels of aan de zorgplicht moeten voldoen. In de Uitvoeringsregels die bij de Keur horen is dit nader uitgewerkt.

Voor oppervlakken tot 500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied gelden algemene regels (zie Algemene regels Keur nr.14). Wordt er nieuwe verharding of uitbreiding van bestaande verharding aangebracht boven de gestelde ondergrens (500 m² in stedelijk gebied en 1000 m² in niet stedelijk gebied), moeten er compenserende maatregelen worden getroffen. In de watervergunning worden hierover voorwaarden opgenomen. Beleid hemel- en afvalwater Bij de afvoer van overtollig hemelwater is infiltratie van water in de bodem het uitgangspunt, omdat dit het meest duurzaam is. Oppervlakkige afvoer naar de infiltratievoorziening en infiltratie via wadi's heeft daarbij de voorkeur. Als oppervlakkige infiltratie niet mogelijk is, is ondergrondse infiltratie door middel van bijvoorbeeld een infiltratieriool een optie. Als infiltratie niet mogelijk is, kan hemelwater via een bodempassage worden geloosd op oppervlaktewater. Schoon hemelwater (bijvoorbeeld vanaf dakoppervlakken) kan direct worden afgevoerd naar oppervlaktewater. Speciale aandacht wordt besteed aan duurzaam bouwen en een duurzaam gebruik van de openbare ruimte om een goede kwaliteit van het afgekoppelde hemelwater te garanderen. 4.9.3 Watertoets In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets.

De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

33

Planspecifiek Ten behoeve van het voorgenomen plan, de realisatie van 112 woningen, is door Econsultancy is op 25 september 2019 een waterparagraaf opgesteld, zie bijlagen bij toelichting bijlage 13. De waterparagraaf beschrijft de invloed van het voorgenomen plan op het watersysteem en geeft aan welke eisen het watersysteem aan het besluit of plan oplegt. De waterparagraaf omschrijft daarnaast de waterhuishoudkundige consequenties van het voorgenomen plan of besluit en omvat het wateradvies en de gemaakte afwegingen. Het voorgenomen plan voorziet in de herbestemming van de desbetreffende gronden ten behoeve van de realisatie van een nieuw appartementengebouw van 112 woningen en 250 m² vvo commerciële ruimte. Het parkeren wordt halfverdiept opgelost. Bovenkant keldervloer zal op maximaal 1,2 m +NAP zijn gelegen (1,3 m -mv). Als gevolg van de ontwikkeling worden de huidige kantoorgebouwen volledig gesaneerd. Verharding De oppervlakken zoals aanwezig in de huidige situatie zijn bij benadering en bepaald aan de hand van de GBKB, BAG en Satellietfoto’s. Onderstaande afbeelding toont een tabel van de huidige en toekomstige bebouwing(en) en verhardingen.

Figuur 14: Verhardingsbalans huidig- en toekomstige situatie (bron: Econsultancy )

Ten opzichte van de huidige situatie zal ten aanzien van de ontwikkeling het verhard oppervlak nagenoeg ongewijzigd blijven. Het verhard oppervlak in de toekomstige situatie bedraagt circa 3.865 m². Waterberging In het kader van het voorgenomen plan is het proces van de digitale watertoets doorlopen. Op basis van de digitale procedure blijkt dat het plan geen groot effect heeft op water (geen groot waterbelang). Hoogheemraadschap De Stichtse Rijnlanden adviseert positief over het ruimtelijk plan. Om wateroverlast in de toekomst te voorkomen wordt vanuit de gemeente Houten als eis gesteld dat op eigen terrein per m² verhard oppervlak 10 mm waterberging wordt gerealiseerd. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak en de bergingseis vanuit de gemeente Houten bedraagt de waterbergingsopgave voor het plangebied in totaal circa 40 m³. Hemelwater Om wateroverlast in de toekomst te voorkomen wordt vanuit de gemeente Houten als eis gesteld dat op eigen terrein een (ondergrondse) infiltratievoorziening van 10 mm per m² verhard oppervlak wordt gerealiseerd. Op basis van het toekomstig verhard oppervlak en de eis vanuit de gemeente Houten zal er een (ondergrondse) infiltratievoorziening van in totaal circa 40 m³ worden gerealiseerd. Infiltratie van water in de bodem bij de afvoer van (overtollig) hemelwater is bij de toekomstige planvorming het uitgangspunt.

De mogelijkheden ten aanzien van een oppervlakkige afvoer naar een bovengrondse infiltratievoorziening zoals bijvoorbeeld een wadi, is vanwege het ruimtegebruik zeer beperkt. De haalbaarheid van hemelwaterinfiltratie is onder andere afhankelijk van de waterdoorlatendheid van de bodem. De waterdoorlatendheid van de bodem wordt omschreven als de k-waarde of te wel

34

de doorlatendheidcoëfficiënt. Door Econsultancy is onderzoek gedaan naar de doorlatendheid van de bodem, zie bijlagen bij toelichting bijlage 14. Op basis van de resultaten uit het doorlatendheidsonderzoek wordt de bodem binnen de onderzoekslocatie, mede op basis van de textuur, overwegend geschikt geacht voor de infiltratie van hemelwater. Ten aanzien van de verwerking van hemelwater is het voornemen een ITbuis rondom het appartementengebouw aan te leggen, waardoor het hemelwater wordt geïnfiltreerd in de bodem. Door Dyka is op 12 oktober 2020 een rioleringsplan opgesteld waarin de uitgangspunten van het ITriool zijn opgenomen, zie bijlagen bij toelichting bijlage 15. Grondwater Het voorgenomen plan voorziet in een half verdiepte parkeerkelder. Voor ondergrondse bouwwerken dienen waterdichte materialen en constructies te worden gebruikt. Een permanente grondwateronttrekking is niet toegestaan. Voor een tijdelijke onttrekking van grondwater (bijv. tijdens bouwfase) dient, afhankelijk van het waterbezwaar, het onttrekkingsdebiet en de duur van de bronnering, een watervergunning of melding gedaan te worden bij het waterschap.

Ondergrondse werken kunnen daarnaast een vrije afstroming van grondwater belemmeren waardoor het grondwater aan de bovenstroomse zijde mogelijk kan worden opgestuwd en aan de benedenstroomse zijde kan zorgen voor een verlaging van de grondwaterstand (barrièrewerking). Bij de aanleg van ondergrondse bouwwerken mag de grondwaterstroming niet worden verstoord. Het risico op grondwaterstandsveranderingen door ondergrondse werken is afhankelijk van de volgende punten: 1. 2. 3. 4.

de omvang van het werk dat gerealiseerd wordt in relatie tot de stromingsrichting van het grondwater; de diepte van het werk dat gerealiseerd wordt in relatie tot de bodemgesteldheid en de mate waarin de ondergrondse bouwdelen watervoerende lagen doorsnijden; de bodemgesteldheid (de verticale doorlatendheid) van de lagen onder het ondergrondse werk; de lokale grondwaterstandsituatie (is er sprake van een significant stijghoogte/grondwater verschil).

Aan de hand van bovenstaand genoemde punten is getoetst of en in welke mate grondwaterstandsveranderingen kunnen optreden ten gevolge van de aanleg van de ondergrondse parkeergarage. Wanneer aan alle bovenstaande punten wordt voldaan, bestaat een risico op negatieve grondwaterstandseffecten in de omgeving van de kelder: 1.

2.

3.

4.

De toekomstige garage heeft een lengte van 66 meter bij 57 meter en is dwars op de verwachte stromingsrichting van het grondwater gelegen. Op basis van de afmetingen van de kelder kan niet zondermeer worden verwacht dat het grondwater gemakkelijk om de kelder heen kan stromen. Aan punt 1 wordt derhalve voldaan. De hinder van het ondergrondse bouwwerk is gerelateerd aan de diepte in combinatie met de lokale bodemopbouw. Een ondergrondse constructie kan de grondwaterstroming pas hinderen, wanneer een watervoerende zandlaag of een groot deel daarvan (ongeveer 70%) wordt afgesloten. Tot 1,0 meter beneden ontgravingsvlak lijkt de lokale bodemopbouw, voornamelijk te bestaan uit zwak schelp houdend, zwak siltig matig grof zand. Slechts bij een boring is tussen 0,5 en 1,0 meter beneden maaiveld een leemlaag aangetroffen. Van een gebied dekkende storende laag is derhalve geen sprake. Daarbij is deze leemlaag boven de verwachtte GHG gelegen. De bovenkant van de keldervloer zal op maximaal 1,2 m +NAP zijn gelegen (1,3 m -mv). Op basis van de afmetingen van de kelder wordt verwacht dat het grondwater gemakkelijk onder de kelder heen kan stromen, waardoor negatieve effecten op de grondwaterstand niet zullen optreden. Aan punt 2 wordt derhalve niet voldaan.

Door de afwezigheid van een gebied dekkende waterremmende bodemlaag zal een stijging van de grondwaterstand worden gecompenseerd door de wegzijging naar diepere watervoerende lagen. Aan punt 3 wordt niet voldaan. Op basis van peilbuismetingen in de omgeving en de Isohypsen van TNO is in het grondwater van het eerste watervoerende pakket geen significant verhang aanwezig. De

35

grondwaterstandverschillen zijn minimaal, hierdoor zal nagenoeg geen opstuwing en daling plaats vinden. Aan punt 4 wordt derhalve ook niet voldaan. Ten opzichte van de 4 punten, wordt in principe alleen voldaan aan punt 1. Het grondwater kan zonder weerstand en problemen ook onder de kelder doorstromen. In dat geval zal per definitie geen opstuwing van de grondwaterstand plaatsvinden. Daarbij is de onderzijde van de kelder iets boven de verwachtte GHG gelegen, waardoor slechts een beperkte periode in het jaar sprake zou kunnen zijn van een effect op het grondwater. Op basis van de bovenstaande analyse wordt geen risico op grondwateroverlast of onderlast als gevolg van barrièrewerking van de aanleg van de kelder verwacht. Riolering Bij nieuwbouw dient hemelwater en afvalwater gescheiden aangeleverd te worden. Als gevolg van de ontwikkeling zal het aanbod van vuilwater mogelijkerwijs wijzigen. Ten aanzien van de toekomstige situatie zal de ontwikkeling zorgen voor een verandering in het aanbod van vuilwater op het riool. Het vuilwater zal in de toekomstige situatie worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel in de omgeving. De mogelijkheden en wijze van aansluiting zal in overleg met de gemeente besproken moeten worden. Tevens zal voor de aansluiting een vergunning aangevraagd moeten worden.

In het rioleringsplan van Dyka (zie bijlagen bij toelichting bijlage 15) zijn de uitgangspunten voor de aansluiting op het gemeentelijk vuilwaterriool opgenomen.

4.10 Verkeer en Parkeren 4.10.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek Bestaande situatie Het plangebied is gelegen aan de Molen / Kokermolen binnen de bebouwde kom van de gemeente Houten. De Molen is een 50 km/u-weg en vormt de hoofdontsluitingsweg voor het plangebied. In de bestaande situatie is plangebied bebouwd met een tweetal kantoorgebouwen met een bvo van ca. 4.776 m².

Uitgaande van de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'matig stedelijk' bedraagt de maximale verkeersgeneratie van een 'commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)' volgens CROWpublicatie 381 ca. 650 verkeersbewegingen per etmaal. Ontwikkeling De beoogde situatie betreft de realisatie van 112 appartementen en 250 m² vvo commerciële ruimte. Hiervoor geldt een verkeersgeneratie van ca. 450 verkeersbewegingen per etmaal, uitgaande van de categorieën 'rest bebouwde kom', 'matig stedelijk', 'huur, appartement, midden/ goedkoop' en 'commerciële dienstverlening (kantoor met baliefunctie)' volgens CROW-publicatie 381. In vergelijking met de bestaande situatie treedt een verbetering op qua verkeersgeneratie. De ontsluitingswegen aan de Molen en Kokermolen zullen geen extra verkeersdrukte ervaren. Het aspect 'verkeer' vormt derhalve geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

36

4.10.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. De gemeenteraad van Houten heeft op 11 februari 2014 de Nota Parkeernormen Houten vastgesteld. Met de nota wordt de vraag en het aanbod van parkeerplaatsen (in de openbare ruimte) bij ontwikkelingen zo goed mogelijk op elkaar afgestemd en worden parkeerproblemen voorkomen. De planlocatie behoort tot de categorie 'kleine kernen en buitengebied'.

Planspecifiek Parkeerbehoefte De Nota Parkeernormen dateert uit 2013 en bevat de gemeentelijke parkeernormen die aangehouden dienen te worden bij een ontwikkeling. Deze parkeernormen zijn uitgangspunt voor de voorgenomen ontwikkeling. Wanneer het beoogde (maximale) programma wordt doorgerekend ontstaat de volgende parkeerbalans: Functie

Type woning

Gebied

woning klein 60 - 100 m² bvo

3en 4kamerappartement

studio/ klein appartement

2kamerappartement

rest bebouwde kom rest bebouwde kom rest bebouwde kom

tandartspraktijk

Aantal woningen/per behandelkamer 37

Norm per woning 1,5

Aantal parkeerplaatsen

75

1,0

75

4

2,2

8,8

-

139,3

55,5

Uit bovenstaande tabel blijkt dat de beoogde ontwikkeling niet past binnen de gestelde parkeernorm van de gemeente Houten. Uitgaande van de vigerende parkeernormen moet bij realisatie van de 112 woningen en 250 m² vvo commerciële ruimte aan De Molen en de Kokermolen rekening worden gehouden met een parkeerbehoefte van 140 parkeerplaatsen, zonder rekening te houden met dubbelgebruik van parkeerplaatsen. Rekening houdend met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen betreft de parkeerbehoefte 115 parkeerplaatsen. De beoogde ontwikkeling voorziet in 86 parkeerplaatsen. Hieruit blijkt een tekort van 29 parkeerplaatsen. Van de parkeernorm kan worden afgeweken indien dit wordt onderbouwd. Door Goudappel Coffeng is een parkeerkundige onderbouwing opgesteld, zie bijlagen bij toelichting bijlage 16, waarin wordt beargumenteerd waarom er van de geldende parkeernorm kan worden afgeweken. Argumenten om de parkeernorm voor deze ontwikkeling naar beneden bij te stellen zijn:

•

Het bereikbaarheidsprofiel van de ontwikkellocatie door de ligging van de locatie in de schil van het centrumgebied: dichter bij het centrum en treinstation dan andere wijken van Houten waarvoor dezelfde parkeernorm geldt. Daardoor is het aannemelijk dat de parkeervraag op deze locatie lager ligt dan waar de norm vanuit gaat;

37

•

Het mobiliteitsprofiel van de specifieke doelgroep van de woningen aan De Molen en de Kokermolen met relatief veel jonge mensen en alleenstaanden wat leidt tot een lager autobezit dan het gemiddelde waarvan de gemeentelijke parkeernormen uitgaan.

•

Toepassing van bijzondere mobiliteitsmaatregelen. Er wordt ingezet op het stimuleren van fietsgebruik met een inpandige berging met 3 fietsparkeerplaatsen per woning. Daarnaast wordt het gebruik van deelauto’s gestimuleerd.

Wanneer rekening wordt gehouden met het gecombineerde effect van zowel een ander bereikbaarheidsprofiel, als van een ander mobiliteitsprofiel, als van de inzet op deelauto’s kan voor deze ontwikkeling een parkeernorm worden gehanteerd van (afgerond) 0,5 parkeerplaats per woning voor bewoners, (afgerond) 0,3 parkeerplaats per woning voor bezoekers en 1,9 parkeerplaats per behandelkamer van de tandartspraktijk. Zonder rekening te houden met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen door bewoners en bezoekers zijn er voor deze ontwikkellocatie 88 parkeerplaatsen nodig. Rekening houdend met dubbelgebruik van de parkeerplaatsen door zowel bewoners als bezoekers zijn er voor deze ontwikkellocatie 72 parkeerplaatsen nodig. Het voorgenomen plan voorziet in 86 parkeerplaatsen. Dat leidt op de maatgevende momenten tot een overschot van 14 parkeerplaatsen. Uitgaande van bovengenoemde argumentatie vormt het aspect 'parkeren' geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.

4.11 Schaduwhinder Voor bezonning geldt geen wettelijk vastgestelde norm. Voor zowel de toepassing als de inhoud van een bezonningsstudie bestaat derhalve geen directe wettelijke basis. Bezonningsstudies worden echter veel toegepast om inzicht te krijgen in de bezonningseffecten (schaduwhinder) en vormen ook de basis voor planschaderisicoanalyses. Voor de inhoud wordt landelijk veelal gebruik gemaakt van de zogenaamde ‘TNOnorm’. Er is een lichte- en een strenge- ‘TNO-norm’ geformuleerd. Landelijk wordt enkel de lichte norm gehanteerd. De ‘TNO-normen’ geven een richtlijn of er sprake is van voldoende bezonning en of er sprake is van goede bezonning. De normen zijn in principe gericht op de bezonning door een raam in de woonkamer. De norm is echter ook te gebruiken om te bepalen of er voldoende bezonning is op balkons, tuinen en/of andere buitenruimtes. De 'lichte' TNO-norm De ‘lichte’ TNO-norm bedraagt ten minste 2 mogelijke bezonningsuren per dag in de periode van 19 februari tot 21 oktober (gedurende 8 maanden) gemeten in de woonkamer op de begane grond, aan de binnenkant van het raam in het midden van de vensterbank. Om inzicht te geven in de toekomstige bezonningssituatie is de toekomstige situatie op de maatgevende dagen van de 4 seizoenen vergeleken met de huidige situatie. Daarbij zijn de volgende dagen gehanteerd:

• •

19 februari: de eerste dag van de lichte ‘TNO-norm’ (wintertijd); 21 maart: de dag dat de zon op ‘half’ staat, namelijk precies tussen de stand van 22 december en 21 juni in (zomertijd);

• •

21 juni: de zon staat het hoogst (zomertijd);

• •

23 september: de dag dat de zon op ‘half’ staat, namelijk precies tussen de stand van 21 juni en 22 december in (zomertijd); 21 oktober: de laatste dag van de lichte ‘TNO-norm’ (zomertijd); 22 december: de dag dat de zon het laagst staat (wintertijd);

De tijdstippen 9:00 uur, 12:00 uur, 15:00 uur en 18:00 uur zijn relevant om de bezonning voldoende in beeld te krijgen, omdat deze tijdstippen een goed beeld geven van de stand van de zon gedurende de

38

dag. Op 22 december is het tijdstip van 18:00 uur niet relevant, omdat op dat moment de zon al onder is. Op 21 juni is tevens naar de bezonning op het tijdstip van 20:00 uur gekeken, omdat de zon op die dag later ondergaat. Planspecifiek Om de effecten van de beoogde ontwikkeling ten aanzien van bezonning op de omliggende gebouwen in beeld te brengen is een bezonningsstudie opgesteld, zie bijlagen bij toelichting bijlage 17. Er is daarbij getoetst of in de geplande bebouwingssituatie wordt voldaan aan de zogeheten “lichte TNO-norm”. Uit de resultaten van het onderzoek kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

•

•

Op de meest kritische datum voor de beoordeling volgens de lichte TNO-norm (19 februari) is een beperkte invloed van de nieuwbouw op de woningen ten noorden van het plan. Op een zeer beperkt deel van de gevels is er een afname (tot ca. een half uur). Op een groot deel van de gevels is een toename van de bezonningsduur (lokaal ca. 3 uur). Er blijft op 19 februari op vensterbank-hoogte, ruim meer dan twee uur zon mogelijk bij de woningen in de omgeving van het plangebied.

•

In de zomermaanden neemt op een deel van de gevels van de woningen ten westen van het plan lokaal af met ca. één uur. Op deze gevels blijft dan echter nog veel zon over.

•

De invloed van de bebouwing op de bezonning van de tuinen van de woningen is relatief beperkt.

Er kan dan ook geconcludeerd worden dat de effecten van de nieuwbouw op de bezonning van de omringende woningen beperkt is, en dat ook in de nieuwe bebouwingssituatie er voldaan wordt aan de bezonningseisen van de lichte TNO-norm. Geconcludeerd wordt dat het aspect schaduwhinder geen belemmering is voor het voorgenomen plan.

4.12 Duurzaamheid Het Rijk sluit aan bij de Europese doelstelling om te komen tot een 20 % reductie van de CO2-uitstoot in 2020 ten opzichte van 1990. In 2020 dient verder de bijdrage van duurzame energie 14 % van het totale energieverbruik te zijn. De gebouwde omgeving is goed voor 30 % van het totale energieverbruik in Nederland, heeft een groot besparingspotentieel en kan daardoor een belangrijke bijdrage leveren aan het realiseren van de bovengenoemde doelstellingen, ook op de langere termijn. Nederland in 2050 vrij van aardgas Op 7 december 2016 is de energieagenda gepubliceerd door minister Kamp. De agenda schetst het beleid na 2023 dat moet leiden tot een vrijwel CO2-neutrale economie in Nederland in 2050. De agenda beschrijft de overgang naar een gasloze maatschappij. Verwarming van huizen en kantoren zal worden overgenomen door duurzame energiebronnen en koken zal in de toekomst uitsluitend nog elektrisch gebeuren. Energie (EPC) De rijksoverheid stimuleert duurzaam bouwen vooral op het aspect energie. Sinds 1995 worden in het Bouwbesluit eisen gesteld ten aanzien van de energiezuinigheid van een gebouw. De energie efficiëntie wordt uitgedrukt in de Energie Prestatie Coëfficiënt (EPC). Vanaf 1 januari 2015 geldt voor woningen een wettelijke EPC van 0,4. In 2020 wordt deze verder aangescherpt en streeft men naar een EPC = 0,0.

Bij een EPC van 0 is een gebouw energieneutraal. Planspecifiek Onderhavig initiatief betreft de ontwikkeling van een appartementengebouw met 112 appartementen en 250 m² vvo commerciële ruimte. De woningen worden gasloos uitgevoerd, tevens wordt er een energieconcept toegepast met lucht/water- en water/water-warmtepompen en PV-panelen. Verder wordt er luchtdicht gebouwd en hoogwaardige isolatie toegepast. Hiermee wordt voldaan aan de Energie Prestatie Coëfficiënt van 0,4 conform het Bouwbesluit. Het aspect duurzaamheid wordt nader toegelicht in toelichting paragraaf 3.3.6.

39

5 Economische uitvoerbaarheid Onder andere naar aanleiding van een omgevingsvergunning, waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 2°en 3° van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan, dient onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van de vergunning. In principe dient bij deze vergunningverlening tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. De vaststelling van zo’n plan kan achterwege blijven indien:

•

het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of de vergunning begrepen gronden anderszins verzekerd is;

•

het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, Wro niet noodzakelijk is; en

•

het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, Wro niet noodzakelijk is.

Planspecifiek De gemeente heeft ten behoeve van het project met de initiatiefnemer een anterieure overeenkomst afgesloten. In deze overeenkomst is de betaling van eventuele tegemoetkoming in de planschade en eventuele inrichtingskosten in de openbare ruimte geregeld. De kosten zijn dankzij de overeenkomst anderszins verzekerd, waardoor een exploitatieplan niet nodig is. De overige kosten worden door middel van leges op de initiatiefnemer verhaald. Het plan is hierdoor financieel uitvoerbaar.

40

6 Maatschappelijke uitvoerbaarheid Voor de aanvraag en verlening van een omgevingsvergunning met ruimtelijke onderbouwing stelt artikel 3.10 van de Wabo dat de uitgebreide voorbereidingsprocedure van toepassing is. Voor de uitgebreide procedure geldt afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Dit houdt in dat het ontwerpbesluit conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter inzage gelegd wordt. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen (artikel 3.12 lid 5 Wabo). Alleen belanghebbenden kunnen in beroep gaan. De Wabo voegt hier aan toe dat het ontwerpbesluit en/of het definitieve besluit op grond van de Wabo of het Besluit omgevingsrecht in bepaalde specifieke gevallen aan specifiek personen of instanties wordt gestuurd. Participatie Ten behoeve van het voorgenomen plan heeft de initiatiefnemer een participatietraject doorlopen met als doel om de omwonenden en betrokkenen in een vroeg stadium te informeren en te betrekken bij het voorgenomen plan. Vanaf eind 2019 hebben verscheidene gesprekken met de bewoners aan de Zaagmolen plaatsgevonden. Naar aanleiding van deze gesprekken is het plan meerdere malen aangepast. Dit heeft uiteindelijk geresulteerd in een plan dat draagvlak heeft onder de buurtbewoners. Het gehele participatieproces is omschreven in bijlage 19 'Eindverslag participatie Luno' van bijlagen bij toelichting.

41

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=d75b3e6e-a70f-41a5-bb5e-a29a5c34dcb4