CConstaterende datHouten
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 1 - Nota bodembeheer Houten 2023 inclusief bijlagen waaronder geactualiseerde bodemkwaliteitskaart en regionale PFAS-beleid met bijbehorende kaarten

Gemeenteraad 19 maart 2024, gemeente HoutenBij agendapunt: Nota bodembeheer 2023, regionale Beleidsnota PFAS en bijbehorende kaarten28.241 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 3 van 4

(P95 − P5) Maximale waarde industrie − Achtergrondwaarde

Hierbij wordt als beoordeling van de heterogeniteitsindex aangehouden: Index < 0,2 : weinig heterogeniteit 0,2 < Index < 0,5 : beperkte heterogeniteit 0,5 < Index < 0,7 : er is sprake van heterogeniteit Index > 0,7 : sterke heterogeniteit Interventiewaarde Wanneer een gemeten gehalte hoger is dan de interventiewaarde uit de Wet bodembescherming wordt gesproken van een sterke verontreiniging of een sterk verhoogd gehalte. De interventiewaarden zijn vastgelegd in de Circulaire bodemsanering 2009, zoals gewijzigd op 1 juli 2013 (gepubliceerd in de Staatscourant nr. 16675, d.d. 27 juni 2013).

18

Niet gezoneerd Zone Gebieden worden gezoneerd wanneer er voldoende waarnemingen beschikbaar zijn om te voldoen aan de eisen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Wanneer er onvoldoende waarnemingen beschikbaar zijn, kan de actuele diffuse chemische bodemkwaliteit van het gebied niet meer met een voldoende onderbouwing en betrouwbaarheid worden bepaald en wordt het “Zone niet gezoneerd”. Een zone kan ook niet worden gezoneerd als niet wordt voldaan aan de eisen voor de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Een niet gezoneerd (deel)gebied kan ook ontstaan als de gemeente er bewust voor kiest een gebied niet op te nemen in de BKK (zie ook: Uitgesloten locaties/gebied). Nota bodembeheer Een nota bodembeheer is een beleidsdocument waarin de onderbouwing voor gebiedsspecifiek beleid is opgenomen. In de nota bodembeheer komen de volgende aspecten aan de orde: • • • • •

Eén of meerdere kaarten met de begrenzing van het bodembeheergebied en de bodemfuncties; Een (water)bodemkwaliteitskaart Een toelichting op de maatschappelijke opgave en het grondverzet en de verwachte ruimtelijke ontwikkelingen in de toekomst; De Lokale Maximale Waarden, inclusief motivatie en de resultaten van de risicotoolbox; (indien van toepassing) de maximale gewichtspercentage bodemvreemd materiaal inclusief onderbouwing en motivatie.

Daarnaast kan in een nota bodembeheer aandacht worden besteed aan de regels en procedures rondom grondwaterstromen, wet- en regelgeving bij grondstromen, duurzaam bodembeheer en/of de (diepere) ondergrond. Onderscheidende gebiedskenmerken Kenmerken in een gebied waarvan verwacht wordt dat deze een verband vertonen met de bodemkwaliteit. Bijvoorbeeld: bodemtype, geomorfologie, landgebruik, historie, gebiedsontwikkeling en huidig gebruik. Bij het actualiseren van een BKK kan de vastgestelde bodemkwaliteit in de bestaande kaart ook als (aanvullend) onderscheidend gebiedskenmerk worden vastgesteld. Ontgravingskaart De ontgravingskaart geeft de kwaliteit aan van de eventueel te ontgraven grond. Deze kaart mag onder bepaalde voorwaarden worden gebruikt als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de te ontgraven grond, als deze grond elders nuttig wordt toegepast. De ontgravingskwaliteit is gebaseerd op de gemiddelde gehalten van een zone en getoetst aan de toetsingswaarden uit het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit. De bodemkwaliteitszones kunnen vallen in de ontgravingsklassen Landbouw/natuur (achtergrondwaarden -AW2000), Wonen, Industrie of Niet-toepasbaar. Bij de toetsmethodiek voor Landbouw/natuur wordt uitgegaan van een staffel (zie tabel B1 bij ‘Bodemkwaliteitsklasse’) voor het aantal toegestane overschrijdingen van de functiewaarden.

19

Klasse Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde – AW2000): • Alle gehalten voldoen aan de Achtergrondwaarden (AW2000), met uitzondering van een aantal overschrijdingen, zie staffel tabel B1. • De overschrijding mag maximaal twee maal de norm voor de klassegrens Achtergrondwaarden (AW2000) bedragen. • De overschrijding lager is dan de norm voor klassegrens Wonen (exclusief nikkel, zie tabel B2 bij ‘Toetsingswaarden Bbk). Klasse Wonen: • De gehalten voldoen niet aan de klasse Landbouw/natuur en de norm voor klassegrens Wonen wordt niet overschreden. Klasse Industrie: • De norm voor de klassegrens Wonen wordt overschreden. • De norm voor de klassegrens Industrie wordt niet overschreden. Klasse Niet toepasbaar: • De norm voor klassegrens Industrie wordt overschreden. Percentiel/percentielwaarde De waarde waar beneden een bepaald percentage van de analyseresultaten gelegen is. Bijvoorbeeld 95-percentiel: 95% van de analyseresultaten ligt beneden deze waarde. Puntbron Puntbron is een locatie die door historisch gebruik als (potentiëel) geval van (ernstige) bodemverontreiniging kan worden beschouwd. Standaarddeviatie Ook wel “standaardafwijking” genoemd. Het geeft de mate aan voor de spreiding van waarnemingen in een dataset. De berekening hiervan is als volgt:

Hierbij is n het aantal analyseresultaten, x een individueel analyseresultaat en 𝑥̅ het gemiddelde van de analyseresultaten.

20

Toepassingskaart (generieke kader) Deze kaart geeft de maximale kwaliteitseisen weer waaraan de toe te passen grond moet voldoen. Bij de toepassingskaart wordt gekeken naar de vastgestelde bodemkwaliteit en de (toekomstige) functie van de bodem. Op basis van deze dubbele toets, waarbij de strengste toets doorslaggevend is, wordt aan elke zone de toepassingseis vastgesteld. Bodemfunctieklasse

Bodemkwaliteitsklasse

Toepassingseis (generieke kader)

Overige (Landbouw/natuur)

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Overige (Landbouw/natuur)

Wonen

Landbouw/natuur

Overige (Landbouw/natuur)

Industrie

Landbouw/natuur

Wonen

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Wonen

Wonen

Wonen

Wonen

Industrie

Wonen

Industrie

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Industrie

Wonen

Wonen

Industrie

Industrie

Industrie

Toetsing grondverzet (generieke kader) Om te beoordelen of grondverzet is toegestaan wordt de kwaliteit van de aan te brengen grond vergeleken met de toepassingseis. De kwaliteit van de aan te brengen grond kan worden bepaald op basis van een BKK, partijkeuring of een ander erkend bewijsmiddel. De toepassingseis op basis van de bodemkwaliteitszones (gezoneerde gebieden) of bodemonderzoek van de ontvangende bodem (niet-gezoneerde gebieden). Kwaliteit toe te passen grond

Toepassingseis

Wonen

Wonen

Toepassing toegestaan? Ja

Industrie

Wonen

Nee

Landbouw/natuur

Wonen

Ja

Wonen

Industrie

Ja

Industrie

Industrie

Ja

Landbouw/natuur

Industrie

Ja

Wonen

Landbouw/natuur

Nee

Industrie

Landbouw/natuur

Nee

Landbouw/natuur

Landbouw/natuur

Ja

Toetsingswaarden Besluit bodemkwaliteit Om een zone te karakteriseren moet een toetsing plaatsvinden aan de gestelde normen uit het Bbk en de Regeling bodemkwaliteit. Deze toetsingsnormen zijn in de onderstaande tabel weergegeven.

21

Tabel B2: Toetsingsnormen (in mg/kg ds voor standaardbodem -lutum 25%, org. stof 10%-) Stof

Arseen Barium* Cadmium Chroom Koper Kwik Lood Nikkel* Zink Som PAK Som PCB Minerale olie

Maximale waarden Achtergrondwaarde (AW2000, Landbouw/natuur) 20 190 0,60 55 40 0,15 50 35 140 1,5 0,02 190

Maximale waarden wonen 27 550 1,2 62 54 0,83 210 39 200 6,8 0,04 190

Maximale waarden industrie 76 920 4,3 180 190 4,8 530 100 720 40 0,5 500

* De normstelling in Bbk voor barium en nikkel zijn door het voormalige Ministerie van VROM sinds 1 april 2009 gewijzigd (Staatscourant, 7 april 2009). Voor nikkel vindt voor schone grond (klasse Landbouw/natuur) geen toetsing meer plaats aan de maximale waarde voor de bodemkwaliteitsklasse wonen. Voor barium is besloten alle toetsingsnormen tijdelijk in te trekken als aangetoond kan worden dat er geen sprake is van een verontreiniging veroorzaakt door activiteiten van de mens.

Uitbijters Een uitbijter is een gehalte in het gegevensbestand die niet representatief is voor de diffuse chemische bodemkwaliteit in een Zone. De (potentiële) uitbijters worden met een visuele methode (scatterplots) inzichtelijk gemaakt. Het niet representatieve gehalte is het gevolg van duidelijk aantoonbare activiteiten: puntverontreinigingen, verdachte locaties, typfouten tijdens de invoer. Uitgesloten locaties en gebieden Uitgesloten locaties en gebieden zijn terreinen die op beleidsmatige grond niet kunnen worden opgenomen in de BKK of niet voldoen aan de minimumeisen voor het aantal en de spreiding van de waarnemingen uit de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Voorbeelden zijn onder andere terreinen waar de gemeente niet bevoegd gezag voor het Bbk is, zoals buitendijks gebied. Terreinen waar sprake is van een sanering of verontreiniging door een lokale activiteit worden eveneens uitgesloten van de BKK. Maar ook terreinen die in het beheer zijn van ander organisaties zoals Rijkswaterstaat (rijkswegen), de provincie (provinciale wegen) of de SBNS (spoorgebonden gronden) worden soms uitgesloten van de BKK. Variabiliteit Mate waarin de gehalten binnen een bodemkwaliteitszone varieert. Variatiecoëfficiënt Maat voor de spreiding in gehalten (standaarddeviatie gedeeld door het gemiddelde).

22

Bijlage 2: Specifieke uitbijters Uitbijterlijst dataset BKK gemeente Houten Parameter + monster

onderzoeks nummer

Locatie

Zone + diepte

Cu (2) Cu (115-1, 115) Mo (27) Zn (MM10) PAK (B07-3, B-MM2) 2x PAK (MM2.1) PAK (11865571)

34 Oude BKK 235 348 381

Hofstad IVb Houten Houtensewetering 29 Houten

Bedrijven/Industrie (BG) Bebouwing <1979 (BG) Bebouwing >1979 (OG) Bebouwing >1979 (OG) Bebouwing <1979 (OG)

313 442

Nieuwe Schaft 2 Houten Tiendweg 5 't Goy

Bedrijven/Industrie (BG) Buitengebied (BG)

23

Bijlage 3: Statistische parameters bodemkwaliteitszones (waarden standaardbodem) Statistische parameters, toetsing aan Besluit bodemkwaliteit * De norm voor Barium geldt alleen voor die situaties waarbij duidelijk sprake is van antropogene bodemverontreiniging. Voor overige situaties is de norm voor Barium tijdelijk buitenwerking gesteld. Streven is om voor Barium binnen enkele jaren een nieuw toetsingskader te introduceren.

Zone B1 Buitengebied

Functieklasse Landbouw/natuur OntgravingsAW2000 klasse

Bovengrond 0,0-0,5 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)** PAK M.O.

N 191 200 191 200 200 200 190 200 203 187 203 193

Min

5P

25P

50P

75P

80P

14,00 0,06 1,60 3,50 0,01 7,00 0,35 3,50 13,00 0,0039 0,07 14,00

43,50 0,14 3,80 12,00 0,04 15,00 0,35 11,86 45,50 0,0049 0,11 14,00

120,00 0,26 7,25 21,00 0,07 26,75 0,63 22,00 79,50 0,0049 0,29 14,00

170,00 0,47 10,00 28,00 0,10 38,00 0,93 32,00 110,00 0,0049 0,52 14,00

250,00 270,00 0,60 0,62 12,50 13,00 35,00 36,00 0,13 0,15 51,00 54,00 1,05 1,05 40,00 42,00 140,00 140,00 0,0049 0,0050 1,60 2,06 26,60 30,00

90P

95P

Max

Gem

290,00 0,70 14,00 39,10 0,22 64,30 1,05 45,00 150,00 0,0098 4,70 44,80

310,00 0,74 15,00 43,00 0,34 86,00 1,05 47,00 170,00 0,0200 8,67 68,20

350,00 0,98 21,00 82,00 0,69 150,00 2,40 56,00 390,00 0,0200 50,00 150,00

181,41 0,45 9,86 28,13 0,13 41,46 0,85 30,64 110,18 0,0149 2,17 25,33

24

VC 0,46 0,43 0,36 0,40 0,80 0,53 0,34 0,38 0,44 0,70 2,72 0,77

Heterogeniteit

Gem > Ind.

0,16 nee 0,06 nee 0,21 nee 0,07 nee 0,15 nee 0,00 nee 0,54 nee 0,21 nee 0,03 nee 0,22 nee 0,17 nee

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde

0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140 0,02 1,5 190

Max. waarde wonen 1,2 35 54 0,83 210 88 39 200 0,04 6,8 190

Max. waarde industrie 4,3 190 190 4,8 530 190 100 720 0,5 40 500

Interventiewaarde (I) 625 13 190 190 36 530 190 100 720 1 40 5000

Zone B2 Bebouwing <1979 Bovengrond 0,0-0,5 m-mv

Functieklasse Wonen OntgravingsWonen klasse N

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn

139 144 139 143 144 148 139 144 144 137 145 146

PCB (som 7)**

PAK M.O.

Zone B3 Bebouwing >1979 Bovengrond 0,0-0,5 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)**

PAK M.O.

Min

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

23,90 0,14 2,10 7,00 0,04 9,10 0,35 7,15 29,15 0,0049 0,13 14,00

69,50 0,25 4,85 13,00 0,07 24,00 1,05 13,00 59,00 0,0049 0,53 14,00

110,00 0,25 7,10 22,00 0,10 37,00 1,05 21,00 89,00 0,0098 1,50 22,25

165,00 0,38 8,80 29,00 0,14 60,00 1,05 28,00 120,00 0,0098 4,30 26,60

180,00 0,40 10,00 31,00 0,16 66,80 1,05 30,00 120,00 0,0098 6,20 30,00

210,00 0,50 12,00 36,80 0,22 97,20 1,05 36,00 167,00 0,0098 10,56 61,00

221,00 0,54 13,10 42,00 0,36 136,50 1,05 40,00 188,50 0,014 15,00 91,00

Min

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

5,60 0,01 0,67 2,10 0,02 2,10 0,06 3,50 4,90 0,0035 0,07 7,00

14,00 0,06 2,10 3,50 0,04 7,00 0,35 6,00 14,00 0,0039 0,08 14,00

67,75 0,14 5,00 11,00 0,04 13,50 0,56 14,00 44,50 0,0049 0,28 14,00

100,00 0,25 7,00 17,00 0,07 19,00 1,05 21,00 62,00 0,0049 0,42 24,50

130,00 0,29 8,68 23,50 0,09 27,00 1,05 26,00 79,20 0,0098 1,00 26,60

140,00 0,33 9,00 26,00 0,10 30,20 1,05 27,00 83,00 0,0098 1,22 30,00

170,00 0,40 10,00 30,00 0,14 40,60 1,05 30,00 95,60 0,01 2,92 35,00

190,00 0,50 11,00 35,00 0,20 49,60 1,05 33,00 120,00 0,05 6,02 59,60

14,00 0,12 2,10 3,50 0,03 7,00 0,04 3,50 14,00 0,0049 0,07 7,00

Max

Gem

VC

290,00 5,50 15,00 59,00 1,60 310,00 1,05 50,00 350,00 0,082 68,93 430,00

118,03 0,34 7,32 22,42 0,13 50,19 0,99 21,74 94,08 0,0087 4,63 33,48

0,54 1,34 0,43 0,51 1,14 0,93 0,20 0,47 0,55 0,87 2,07 1,50

Max

Gem

VC

280,00 0,79 16,00 62,00 0,94 180,00 8,30 40,00 390,00 0,05 41,00 250,00

101,50 0,24 6,86 17,90 0,08 23,28 0,91 20,13 64,10 0,0093 1,47 26,95

Heterogeniteit

Gem > Ind.

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Gem > Ind.

P95>I.

Stoffen

0,11 0,06 0,23 0,07 0,27 0,00 0,51 0,27 0,02 0,39 0,25

Achtergrondwaarde

0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140 0,02 1,5 190

Max. waarde wonen

Max. Interventiewaarde waarde (I) industrie 625 1,2 4,3 13 35 190 190 54 190 190 0,83 4,8 36 210 530 530 88 190 190 39 100 100 200 720 720 0,04 0,5 1 6,8 40 40 190 500 5000

Functieklasse Wonen OntgravingsAW2000 klasse N 284 295 282 295 295 295 282 300 295 279 300 293

25

0,51 0,53 0,40 0,56 0,92 0,80 0,62 0,40 0,55 1,25 2,44 0,99

Heterogeniteit

0,12 0,05 0,21 0,04 0,09 0,00 0,42 0,18 0,10 0,15 0,15

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde

Max. waarde wonen

0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140 0,02 1,5 190

1,2 35 54 0,83 210 88 39 200 0,04 6,8 190

Max. Interventiewaarde waarde (I) industrie 625 4,3 13 190 190 190 190 4,8 36 530 530 190 190 100 100 720 720 0,5 1 40 40 500 5000

Zone B4 Bedrijven

Functieklasse Ontgravingsklasse

Industrie

N

Min

5P

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

Gem

14,00 0,05 1,40 3,50 0,01 7,00 0,35 2,80 14,00 0,0049 0,07 14,00

31,20 0,06 2,99 3,50 0,04 7,00 0,51 6,20 14,00 0,0049 0,18 14,00

170,00 0,07 8,60 20,00 0,07 20,00 0,63 27,25 69,00 0,0049 0,41 24,50

260,00 0,14 11,00 30,00 0,09 27,00 0,70 37,00 88,00 0,0098 0,77 35,00

310,00 0,40 14,50 34,00 0,11 35,00 1,05 47,00 100,00 0,02 1,00 35,00

330,00 0,49 15,00 35,00 0,12 38,00 1,05 47,00 110,00 0,02 1,00 35,00

364,00 0,64 17,00 37,00 0,13 43,00 1,05 53,70 120,00 0,02 1,37 35,00

380,00 0,79 19,70 38,20 0,16 57,80 1,05 57,35 130,00 0,05 3,11 43,50

460,00 1,00 26,00 95,00 0,49 120,00 1,05 67,00 530,00 0,065 32,00 200,00

238,96 0,27 11,39 26,55 0,10 29,83 0,80 35,47 89,36 0,01 1,32 31,85

AW2000

Bovengrond 0,0-0,5 m-mv Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn

147 154 147 157 154 154 147 154 154 144 154 151

PCB (som 7)**

PAK M.O.

Zone O

Functieklasse Ontgravingsklasse

Landbouw/natuur

N

Min

VC

Heterogeniteit

0,45 0,91 0,43 0,45 0,62 0,63 0,28 0,42 0,67 0,91 2,48 0,63

0,20 0,10 0,23 0,03 0,11 0,00 0,79 0,20 0,09 0,08 0,10

Gem > Ind.

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB (som 7)**

PAK M.O.

488 519 488 519 519 519 486 527 518 486 529 514

Max. waarde wonen

Max. waarde industrie

0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140 0,02 1,5 190

1,2 35 54 0,83 210 88 39 200 0,04 6,8 190

Interventiewaarde (I) 625 13 190 190 36 530 190 100 720 1 40 5000

4,3 190 190 4,8 530 190 100 720 0,5 40 500

AW2000

Ondergrond 0,5-2,0 m-mv

Achtergrondwaarde

5P 10,50 21,00 0,06 0,07 1,00 3,01 3,00 3,50 0,02 0,04 1,05 7,00 0,06 0,35 3,50 9,00 4,90 14,00 0,0039 0,0049 0,02 0,07 0,35 14,00

25P

50P

75P

80P

90P

95P

Max

Gem

VC

86,50 0,14 6,60 12,00 0,05 11,00 0,70 20,00 47,00 0,0049 0,10 14,00

150,00 0,25 10,00 20,00 0,07 19,00 1,05 31,00 72,00 0,0054 0,35 24,50

230,00 0,28 13,00 28,00 0,08 25,50 1,05 43,00 92,75 0,0098 1,00 35,00

260,00 0,31 13,00 30,40 0,09 27,00 1,05 46,00 95,00 0,0098 1,00 35,00

310,00 0,42 15,00 36,00 0,12 34,00 1,05 51,00 110,00 0,02 1,20 35,00

360,00 0,56 16,00 39,00 0,16 49,20 1,40 56,00 120,00 0,05 1,78 37,35

600,00 1,20 34,00 98,00 2,00 250,00 5,80 100,00 330,00 0,10 47,00 370,00

164,48 0,25 9,87 20,90 0,08 22,14 0,99 32,09 70,24 0,01 0,78 25,73

0,65 0,61 0,44 0,58 1,41 0,97 0,56 0,47 0,51 1,24 3,02 1,00

26

Heterogeniteit

0,13 0,07 0,24 0,03 0,09 0,01 0,72 0,18 0,09 0,04 0,08

Gem > Ind.

P95>I.

Stoffen

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee nee

Ba* Cd Co Cu Hg Pb Mo Ni Zn PCB PAK M.O.

Achtergrondwaarde 0,6 15 40 0,15 50 1,5 35 140 0,02 1,5 190

Max. waarde wonen

Max. waarde industrie

1,2 35 54 0,83 210 88 39 200 0,04 6,8 190

4,3 190 190 4,8 530 190 100 720 0,5 40 500

Interventiewaarde (I) 625 13 190 190 36 530 190 100 720 1 40 5000

Kaartbijlage 1:

27

Kaartbijlage 2:

28

Kaartbijlage 3A:

29

Kaartbijlage 3B:

30

Kaartbijlage 4A:

31

Kaartbijlage 4B:

32

Bijlage 5: PFAS-beleid provincie Utrecht

Beleidsnota PFAS provincie Utrecht Projectteam

Auteurs Datum

1

: Provincie Utrecht: Alex de Jong ODRU: Jan Hijzelendoorn, Han de Rijk RUD Utrecht: Alexander Obermeijer, Rob Tuinenburg, Maarten van den Berg : Jan Hijzelendoorn, Maarten van den Berg : 7 april 2021

Inhoudsopgave

2

0. Samenvatting

4

1. Leidraad voor het verplaatsen van PFAS-houdende grond

5

2. Probleemstelling en doel van het PFAS-beleid 2.1 Hoe komt PFAS in het milieu? 2.2 Probleemstelling 2.3 Doel van het PFAS-beleid

10 10 10 11

3. Landelijk geldende PFAS-normen 3.1 Milieurisico’s 3.2 Risicogrenswaarden

12 12 12

4. Reikwijdte van het PFAS-beleid 4.1 Wat valt onder het PFAS-beleid? 4.2 Wat valt niet onder het PFAS-beleid?

14 14 14

5. Randvoorwaarden en uitgangspunten van het PFAS-beleid 5.1 Randvoorwaarden 5.2 Uitgangspunten 5.3 Systematiek voor bepalen van toepassingseisen in het gebiedsspecifieke beleidskader 5.4 Systematiek voor bepalen van toepassingseisen bij afwezigheid van een gemeentelijke nota bodembeheer met BKK

16 16 16 17

6. PFAS-zones in de provincie Utrecht 6.1 Verzamelde PFAS-data 6.2 Onderscheiden PFAS-zones 6.3 PFAS-kaarten

19 19 20 20

7. Gebiedsspecifiek PFAS-beleid in de provincie Utrecht

22

8. Stappenplan grondverzet PFAS

26

18

Bijlage Losse bijlage:

Rapport Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht 2021 (los bijgevoegd)

Kaartbijlagen Kaartbijlage 1 Kaartbijlage 2

3

Toepassingskaart PFAS bovengrond Toepassingskaart PFAS ondergrond

0. Samenvatting Deze beleidsnota is opgesteld om de problemen op te lossen waar je in de provincie Utrecht tegenaan loopt bij het ontgraven en toepassen van PFAS-houdende grond. De verontreiniging met PFAS leverde grote problemen op in 2019, omdat grond waarin deze stof(fen) zit(ten) niet zomaar toegepast mocht worden. Landelijk is door het ministerie van Infrastructuur en Waterstaat het Tijdelijk handelingskader PFAS opgesteld. Voor het grondverzet, met name in het zuidwesten van de provincie Utrecht, biedt dit echter onvoldoende mogelijkheden. De in de grond gemeten PFAS-gehalten zijn hier hoger dan de landelijke achtergrondwaarden. Daarom zijn de ODRU en RUD Utrecht, de twee omgevingsdiensten in de provincie, aan de slag gegaan om dit probleem zo goed mogelijk op te lossen. De gemeente heeft beleidsruimte om gebiedsspecifiek beleid op te stellen. Hiermee kan hergebruik van gebiedseigen PFAShoudende grond weer mogelijk worden gemaakt. In 2019 zat het grondverzet helemaal op slot. De omgevingsdiensten hebben toen al een begin gemaakt door het rapport “Achtergrondgehalte PFAS provincie Utrecht” op te stellen. In dit rapport zijn de PFASgehalten in de provincie in beeld gebracht en is het advies opgenomen om bij toepassing van grond uit te gaan van het daadwerkelijke aanwezige PFAS-gehalte in de ontvangende grond (de grond waar het wordt opgebracht).

Daarmee werd een deel van de PFAS-problematiek opgelost: de ontvangende grond hoefde niet meer op PFAS onderzocht te worden. De op te brengen grond moest echter nog wel onderzocht worden. Een aantal gemeenten heeft dit advies overgenomen en dit door het college als te hanteren beleid vast laten stellen. Niet alle knelpunten waren daarmee opgelost. Om ook de overblijvende knelpunten op te lossen, is deze Beleidsnota PFAS opgesteld. Hierin zijn voor bepaalde gebieden lokale normen voorgesteld, in afwijking van de landelijke normen. Daarmee is toepassing van grond uit hetzelfde gebied (met hetzelfde PFASgehalte) in de meeste gevallen weer mogelijk. Dit kan zonder dat de volksgezondheid of het ecosysteem in gevaar wordt gebracht. Voor grondwaterbeschermingsgebieden hanteren we strengere normen dan voor de overige gebieden. Dit doen we omdat nog onvoldoende duidelijk is wat de effecten van PFAS in het grondwater zijn. Voor toepassing van grond op moes- en volkstuinen hanteren we de landelijke normen. Uitgangspunt van het opgestelde PFAS-beleid is dat de kwaliteit van de bodem bij het toepassen en hergebruiken van grond niet mag verslechteren. We noemen dit het “stand-still principe”. De provincie is in een aantal PFAS-zones verdeeld, waarbinnen de PFAS-gehalten ongeveer hetzelfde zijn. We hebben de PFAS-kwaliteit per zone vastgelegd op de PFAS-ontgravingsskaart.

Die kaart voldoet aan de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, waardoor hij als bewijsmiddel voor het grondverzet gebruikt mag worden, in plaats van een partijkeuring op PFAS. Deze PFAS-ontgravingskaart kan ook los van het PFAS-beleid gebruikt worden, als deze is vastgesteld door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente. Dit betekent dat in de meeste gevallen onderzoek naar PFAS niet meer nodig is. Dit levert tijdswinst en een kostenbesparing op. In de Grondstromenmatrix (in paragraaf 7.2) is eenvoudig te zien welke verplaatsingen van PFAS-houdende grond mogelijk zijn zonder PFAS-onderzoek. Door de Beleidsnota PFAS met de bijbehorende PFAS-toepassingskaart, vast te stellen, wordt het toepassen en ontgraven van PFAS-houdende grond binnen de provincie weer mogelijk op een milieuhygiënisch verantwoorde, duurzame en kosteneffectieve wijze. De beleidsregels gelden pas als de gemeenteraad ze heeft vastgesteld. Het uitgangspunt en motto van het opgestelde PFAS-beleid is: “Streng waar het moet

en soepel waar het kan”.

4

1. Leidraad voor het verplaatsen van PFAS-houdende grond Dit hoofdstuk is een leidraad voor de gebruiker om aan de hand van vraag en antwoord snel de weg te kunnen vinden naar de juiste hoofdstukken en paragrafen in deze nota. Voor wie is het PFAS-beleid bedoeld? Het beleid is opgesteld voor overheden en professionele marktpartijen (aannemers, grondreinigers) die in hun werk te maken hebben met het hergebruik van PFAS-houdende grond in de provincie Utrecht. Nadat het beleid door de gemeente is vastgesteld, kunnen de bijbehorende PFAS-kaarten worden gebruikt als bewijsmiddel voor het ontgraven en toepassen van PFAS-houdende grond. Geldt het beleid voor het gehele grondgebied van de provincie Utrecht? Nee. Het beleid is alleen van kracht in de gemeenten die de Beleidsnota-PFAS en de PFAS-kaarten hebben vastgesteld. Raadpleeg voor een actueel overzicht van de gemeenten die het PFAS-beleid hebben vastgesteld, de websites van de ODRU (www.odru.nl) of de RUD Utrecht (https://www.rudutrecht.nl/hettoepassen-van-pfas-houdende-grond). Hier is te vinden welke gemeenten PFAS-beleid hebben vastgesteld.

Kunnen gemeenten die de Beleidsnota PFAS niet hebben vastgesteld, wel de Ontgravingskaarten PFAS accepteren als bewijsmiddel? Ja, gemeenten die de Beleidsnota PFAS zelf niet hebben vastgesteld kunnen de Ontgravingskaarten PFAS hanteren als bewijsmiddel voor het toepassen van grond die afkomstig is van een andere gemeenten in de provincie Utrecht. Daarvoor is een collegebesluit nodig. De Ontgravingskaarten boven- en ondergrond zijn opgenomen in bijlagen 2A en 2B van deze Nota. Kan de beleidsnota PFAS zelfstandig worden gebruikt bij het bepalen van hergebruiksmogelijkheden van grond? Nee, de beleidsnota PFAS moet altijd worden gebruikt in samenhang met de nota bodembeheer voor stoffen uit het standaard stoffenpakket. Dit is toegelicht in paragraaf 5.4. Wat zijn de achtergrondgehalten van PFAS in de provincie Utrecht? De stofgroep PFAS is voor het opstellen van deze nota onderverdeeld in drie hoofdgroepen: PFOS, PFOA en PFAS Overig. De achtergrondgehalten van PFOS en PFAS Overig zijn in de provincie Utrecht niet hoger dan de landelijke achtergrondwaarden PFAS. Voor PFOA ligt dat anders. Door atmosferische depositie vanuit chemiebedrijf Chemours in Dordrecht komen in het zuidwestelijk deel van de provincie Utrecht (en buiten de provinciegrens), verhoogde gehalten aan PFOA voor in de boven- en in mindere mate ook in de ondergrond.

Dichter bij Chemours neemt het gemiddelde gehalte aan PFOA in de bodem toe. In de gemeente Lopik en het westelijk deel van de gemeente Vijfheerenlanden bestaat zelfs een kans van 1 op 20 dat het gehalte aan PFOA in een partij grond de maximale toepassingswaarde uit het THK 2020 (dat is 7 µg/kg) overschrijdt. De consequentie daarvan is dat grond afkomstig uit dit gebied altijd moet worden gekeurd voorafgaand aan toepassing op een andere locatie en bij een gemeten PFOA-gehalte groter dan 7 µg/kg, niet voor hergebruik in aanmerking komt. In de rest van de provincie ligt het gemiddelde gehalte aan PFOA onder deze maximale toepassingswaarde, die gebaseerd is op de risicogrenswaarde voor ecologie. Op basis van de bovenstaand geschetste verdeling van PFAS over de provincie Utrecht, zijn de volgende PFAS-zones onderscheiden. Binnen een zone zijn de gemeten PFAS-gehalten min of meer homogeen aanwezig in de bodem.

Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv)

Zone PFAS B1: Grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (westelijk deel) en Lopik. Zone PFAS B2: Grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel), Woerden en Utrecht (ten zuiden van de A12), Oudewater, Montfoort en IJsselstein. Zone PFAS B3: Grondgebied van de gemeente Woerden en Utrecht (ten noorden van de A12) en van de overige gemeenten in de provincie Utrecht

5

Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv)

Zone PFAS O1: Grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (westelijk deel). Zone PFAS O2: Grondgebied van de gemeente Vijfheerenlanden (oostelijk deel) en van de overige gemeenten in de provincie Utrecht, m.u.v. Lopik. De zone-indeling is op weergegeven in onderstaande figuren A (bovengrond) en B (ondergrond).

Figuur A: zone-indeling PFAS bovengrond (0,0-0,5 m-mv)

Figuur B: zone-indeling PFAS ondergrond (0,5-2,0 m-mv)

Waarom is de ondergrond van Lopik niet gezoneerd? In de ondergrond van de gemeente Lopik zijn afwijkende gehalten van één specifieke stof (6:2 FTS) gemeten die boven de maximale toepassingswaarde (3 µg/kg) liggen. In andere gemeenten komt 6:2 FTS niet in vergelijkbare gehalten voor. Omdat de verhoogde waarden afkomstig zijn uit één bodemonderzoek, lijkt sprake van een meetfout. De ondergrond in de gemeente Lopik is om die reden niet meegenomen in de ontgravingskaart van de BKK PFAS. Wat betekenen de verhoogd gemeten PFAS gehalten voor de toepassingsmogelijkheden van PFAS-houdende grond in de provincie Utrecht? Het antwoord op deze vraag is afhankelijk van de lokale situatie en kan dus per gemeente verschillen. Ten eerste is bepalend wat de toepassingseis is voor stoffen uit het standaard stoffenpakket. Deze is te vinden in toepassingskaart in de gemeentelijke Nota bodembeheer. Als een gemeente geen toepassingskaart heeft geldt de bodemfunctieklassenkaart. Tabel A laat de relatie zien tussen de toepassingseis voor stoffen uit het standaard stoffenpakket en de toepassingswaarden voor PFAS

6

Tabel A: relatie toepassingseis Nota bodembeheer en toepassingswaarde PFAS Toepassingseis op basis van gemeentelijke nota bodembeheer

Toepassingswaarde PFAS

Klasse AW2000

Horende bij Landbouw / Natuur

Klasse Wonen

Horende bij Wonen of Industrie

Klasse Industrie

Horende bij Wonen of Industrie

Ten tweede is bepalend of de toepassingslocatie een gevoelige gebruiksfunctie heeft zoals grondwaterbeschermingsgebieden, drinkwaterwingebieden en moes- en volkstuinen. Ten derde is bepalend of van de te hergebruiken partij grond, de gehalten PFAS zijn gemeten. Als dat niet zo is kan de BKK PFAS als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de grond worden gebruikt en is geen keuring op PFAS nodig. Raadpleeg de grondstromenmatrix (zie tabel 7 in hoofdstuk 7 en in onderstaande stroomschema’s) om vast te stellen of toepassing van grond is toegestaan. Zijn wel analyseresultaten van PFAS bekend dan zijn deze leidend voor het bepalen van de toepassingsmogelijkheden. Raadpleeg kaartbijlage 1 en 2 van de Beleidsnota PFAS om vast te stellen of toepassing van grond is toegestaan. Hieronder zijn de verschillende situaties geschetst in twee stoomschema’s. Onder elk stroomschema staat een verdere toelichting. Schema A: Toepassingsmogelijkheden PFAS-houdende grond bij een toepassingseis Wonen of Industrie voor stoffen uit het standaardpakket

7

Toelichting: • • •

Grond uit de zones B1 en O1 moet vóór hergebruik altijd worden onderzocht omdat er een reële kans is (1 op 20) dat de gehalten aan PFOA in de toe te passen partij boven de maximale toepassingswaarde uit het THK 2020 liggen (dat is 7 µg/kg). Voor hergebruik van grond uit de zones B2, B3 en O2 in gebieden met toepassingseis Wonen of Industrie, binnen de provincie Utrecht, is geen onderzoek op PFAS nodig. Als het gehalte PFAS van een te hergebruiken partij bekend is, is toepassing toegestaan als de gehalten zijn niet hoger dan de maximale toepassingswaarde voor de functie Wonen en Industrie uit het THK 2020 (dit is de zogeheten 3-7-3 norm, zie tabel 2 in hoofdstuk 3).

Schema B: Toepassingsmogelijkheden PFAS-houdende grond bij een toepassingseis Landbouw/Natuur voor stoffen uit het standaardpakket

Toelichting: •

8

Grond uit de zones B1 en O1 moet vóór hergebruik altijd worden onderzocht omdat er een reële kans is (1 op 20) dat de gehalten aan PFOA in de toe te passen partij boven de maximale toepassingswaarde uit het THK 2020 liggen (dat is 7 µg/kg).

• • • •

9

Bij een toepassingseis Landbouw/Natuur voor stoffen uit het standaardpakket is voor hergebruik van grond uit de zone B2 in de zones B1, B2 en O1 is geen onderzoek op PFAS nodig. Grond uit de zone B2 moet bij een voorgenomen toepassing in de zones B3 en O2 op PFAS worden onderzocht omdat de kans groot is dat de gehalten PFAS hoger zijn dan de toepassingseis voor Landbouw/Natuur. Bij een toepassingseis Landbouw/Natuur voor stoffen uit het standaardpakket is voor hergebruik van grond uit de zones B3 en O2 geen onderzoek op PFAS nodig. In het geval het de PFAS-gehalten een te toe te passen partij grond bekend is, dan zijn de toepassingseisen afhankelijk van de plaats van herkomst van de grond: o Voor ontgraven en toepassing van grond binnen een zone geldt de P95-waarde van de zone waar de grond wordt hergebruikt; o Voor toepassen van grond afkomstig van buiten de zone geldt de P80-waarde van de zone waar de grond wordt hergebruikt; o Voor toepassen van grond afkomstig van buiten de provinciegrens geldt de gemiddelde waarde van de zone waar de grond wordt hergebruikt. Deze werkwijze doet recht aan het principe van “stand-still op niveau van bodembeheergebied”.

2. Probleemstelling en doel van het PFAS-beleid 2.1 Hoe komt PFAS in het milieu? De stoffen die tot de PFAS-groep behoren, komen in het milieu door emissies uit fabrieken die de stoffen maken of gebruiken. Ook kan het in het milieu komen door gebruik van PFAS-houdende producten, zoals blusschuim, impregneermiddel voor textiel, smeermiddelen, of als PFAS-houdende producten bij het afval terecht komen. Door emissie in de lucht, directe besmetting, depositie via hemelwater en verspreiding via oppervlaktewater is de bodem in meer of mindere mate, afhankelijk van de afstand tot de bron, belast geraakt met PFAS. Op verschillende manieren komen mensen en dieren in aanraking met deze stoffen. Figuur 1 geeft hiervan een impressie.

Figuur 1: Verspreiding en blootstelling aan PFAS

2.2 Probleemstelling PFOA Door de verzamelde PFAS-data is inmiddels bekend dat in het zuidwestelijke deel van de provincie Utrecht verhoogde PFAS-gehalten in de bodem voorkomen. Het gaat dan om PFOA (dit is één van de stoffen uit de PFAS-groep), dat door het chemiebedrijf Chemours te Dordrecht door de lucht is verspreid. De gemeten gehalten PFOA in de bodem, overschrijden hierdoor in dit deel van de provincie Utrecht in veel gevallen de landelijk geldende achtergrondwaarde voor PFOA (1,9 µg/kg). Uit de data blijkt duidelijk dat de gemeten gehalten aan PFOA in de bovengrond afnemen naar mate de afstand tot Chemours groter wordt. Na een afstand van ca. 30 km is de invloed nauwelijks meer meetbaar. De verhoogd gemeten PFOA-gehalten maken dat hergebruik van gebiedseigen grond in het zuidwestelijk deel van de provincie Utrecht nu niet of maar zeer beperkt mogelijk is. Hieronder is het “probleemgebied PFOA” globaal aangegeven.

10

PFAS-onderzoek Een ander probleem, dat provincie-breed geldt, is dat grond nu nog steeds op PFAS onderzocht moet worden om te kunnen beoordelen of deze toegepast mag worden1. Dit werkt kostenverhogend en is onnodig, omdat we nu, op basis van de grote hoeveelheid verzamelde PFAS-gegevens, een goed beeld hebben van de PFAS-gehalten in de provincie Utrecht.

2.3 Doel van het PFAS-beleid Het eerste doel is het grondverzet mogelijk maken zonder dat elke partij grond eerst op PFAS onderzocht moet worden. Daarvoor hebben we een PFAS-ontgravingskaart opgesteld, die voldoet aan de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten. Hierdoor kan deze kaart voor PFAS, net als een bodemkwaliteitskaart voor stoffen uit het standaard stoffenpakket, als bewijsmiddel voor het toepassen van grond gebruikt worden. Dit betekent dat in de meeste gevallen onderzoek naar PFAS niet meer nodig zal zijn. De PFASontgravingskaart kan los van het in deze Nota beschreven beleid gebruikt worden als bewijsmiddel. De PFAS-ontgravingskaart is als kaartbijlage opgenomen in het rapport “Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht, als kaartbijlagen A (bovengrond) en B (ondergrond). In hoofdstuk 7 van deze nota is een grondstromenmatrix opgenomen. Hieruit is eenvoudig af te lezen welke toepassingen wel en welke niet mogelijk zijn met de PFAS-ontgravingskaart als bewijsmiddel. Het tweede doel is het oplossen van de knelpunten die er nu nog zijn bij hergebruik van gebiedseigen grond. Dat probleem speelt vooral in het zuidwestelijk deel van de provincie Utrecht, vanwege het verhoogde gehalte aan PFOA in de bodem daar. Dit probleem lossen we op door lokale normen vast te stellen voor PFOA.

Deze lokale normen worden in het Besluit bodemkwaliteit, dat de basis vormt voor dit beleid, Lokale Maximale Waarden (LMW) genoemd. Deze vervangen de landelijk geldende waarden. In het geval van PFAS staan die in het Tijdelijk Handelingskader PFAS (THK). In artikel 44 van de Regeling bodemkwaliteit is beschreven dat gemeente gebruik kan maken van deze beleidsvrijheid door het vaststellen van lokaal gebiedsspecifiek beleid. Door het beleid uit deze Nota vast te stellen wordt het toepassen van grond, eenvoudiger en goedkoper (doordat in veel gevallen PFAS-onderzoek niet meer nodig is) en wordt hergebruik van gebiedseigen PFAShoudende grond weer mogelijk gemaakt. Niet alleen binnen de gemeentegrenzen, maar binnen het hele grondgebied van de provincie Utrecht. De doelstellingen van het PFAS-beleid zijn hieronder samengevat: • Het mogelijk maken van grondverzet binnen de provincie Utrecht op basis van het stand-still principe met zo min mogelijk aanvullende analyses op PFAS, op een milieuhygiënisch verantwoorde wijze; • Vaststellen van eenduidige PFAS-beleidsregels voor het grondverzet in de hele provincie Utrecht; • Duidelijke en handhaafbare regels. Doelgroep De Beleidsnota PFAS is bedoeld voor overheden en professionele marktpartijen die in hun werk te maken hebben met grondverzet in de provincie Utrecht.

1

11

Een aantal gemeenten in de provincie Utrecht heeft eigen PFAS-beleid opgesteld, waardoor PFAS-onderzoek meestal niet meer nodig is. Maar dat geldt alleen voor hergebruik van grond binnen hun eigen gemeente

3. Landelijk geldende PFAS-normen 3.1 Milieurisico’s Er bestaan diverse lijsten met stoffen die een ernstig risico voor de volksgezondheid vormen wanneer zij in het milieu terechtkomen. Deze lijsten vloeien voort uit Europese verplichtingen en internationale afspraken. Het RIVM heeft deze lijsten samengevoegd in de verzameling (potentieel) Zeer Zorgwekkende Stoffen (ZZS). Denk bij ZZS aan mogelijke stofeigenschappen als: • giftig bij lage concentraties; • hopen op in het milieu; • niet of zeer moeilijk afbreekbaar; • kankerverwekkend; • het veroorzaken van erfelijke schade of schadelijk voor de voortplanting. Een aantal stoffen uit de stofgroep PFAS (PFOS, PFOA en GenX) behoren tot de (potentieel) Zeer Zorgwekkende Stoffen. Bij de gemiddelde hoeveelheid PFAS die doorgaans in de Nederlandse bodem wordt aangetroffen, zijn gezondheidsrisico's en directe ecologische risico's volgens het RIVM niet aan de orde. Het gezondheidsrisico van PFAS zit vooral in de eigenschap dat het niet afgebroken wordt. Als de verspreiding niet stopt komt er dus steeds meer in de lucht, het water en de bodem en op die manier ook in ons eten en in ons lichaam. Het stapelt zich op, en kan daarmee op termijn wel een volksgezondheidsrisico gaan vormen.

3.2 Risicogrenswaarden Het RIVM heeft in maart 2019 2 risicogrenswaarden afgeleid voor PFAS in grond. De risicogrenswaarden zijn gespecificeerd naar functieklasse en staan vermeld in tabel 1. Tabel 1: Risicogrenswaarden in µg/kg (RIVM, maart 2019)

Functieklasse/stof

PFOS

PFOA

GenX

Landbouw/Natuur

3

7

3

Wonen

18

89

54

Industrie

110

1.100

960

De risicogrenswaarden vormden de basis voor het stellen van voorlopige normen die de Staatsecretaris van Infrastructuur & Waterstaat (I&W) heeft vastgelegd in het Tijdelijk Handelingskader PFAS (verder THK) van 8 juli 2019. Het THK is nadien tweemaal aangepast, op 29 november 2019 en 2 juli 2020. Steeds zijn de PFAS-normen soepeler geworden. De meest recente normen (het THK spreekt van toepassingswaarden) voor grond en baggerspecie staan in tabel 2.

2

12

Overzicht van risicogrenswaarden voor PFOS, PFOA en GenX ten behoeve van een Tijdelijk Handelingskader PFAS voor het toepassen van grond en baggerspecie op of in de landbodem, RIVM, 4 maart 2019.

Tabel 2: Toepassingswaarden PFAS voor grond en baggerspecie in µg/kg (ministerie I&W, 2 juli 2020)

Bodemfunctieklasse/stof Landbouw/Natuur 1)

PFOS

PFOA

Overige PFAS

GenX

1,4

1,9

1,4

1,4

het gemeten achtergrondgehalte, maar ten hoogste 3

het gemeten achtergrondgehalte, maar ten hoogste 7

het gemeten achtergrondgehalte, maar ten hoogste 3

het gemeten achtergrondgehalte, maar ten hoogste 3

Wonen of Industrie 2)

3

7

3

3

Grootschalige bodemtoepassing

3

7

3

3

Toepassen in een grondwaterbeschermingsgebied

gebiedskwaliteit indien bekend

gebiedskwaliteit indien bekend

gebiedskwaliteit indien bekend

gebiedskwaliteit indien bekend

Landbouw/Natuur (met een gemeten achtergrondgehalte van: •

•

PFOS, GenX en overige PFAS > 1,4 PFOA >1,9

De toepassingseis geldt voor toepassing boven én onder grondwater De toepassingseis geldt alleen voor toepassing boven grondwater. Voor toepassing onder grondwater gelden de toepassingseisen behorende bij de functieklasse Landbouw/natuur. Voor gebieden met een hoge grondwaterstand geldt in plaats van ‘boven grondwaterniveau’: tot ten hoogste 1 meter onder het maaiveld. Indien de grond als gevolg van zetting op termijn in de verzadigde zone terechtkomt wordt de grond geacht boven grondwater te zijn toegepast. 1) 2)

De in tabel 2 aangegeven toepassingswaarden voor de bodemfunctie Landbouw/Natuur, zijn gelijk aan de nieuwe landelijke achtergrondwaarden, die zijn berekend door het RIVM, in gebieden die (relatief) onbelaste zijn wat PFAS betreft. In het THK 2020 zijn deze waarden door het Ministerie overgenomen als toepassingswaarde voor het toepassen van grond en baggerspecie voor de functies Landbouw/Natuur, zodat er bij het aanhouden van deze waarden geen verslechtering van de bodemkwaliteit op zal treden.

13

4. Reikwijdte van het PFAS-beleid Bevoegde gezag De gemeente is het bevoegde gezag voor het Besluit bodemkwaliteit. De Beleidsnota PFAS bevat beleidsregels voor de gemeenten binnen de provincie Utrecht, die nog geen eigen PFAS-beleid hebben vastgesteld, over hoe om te gaan met PFAS in relatie tot hergebruik van grond. Gemeenten die al PFASbeleid hebben vastgesteld kunnen er voor kiezen het in de onderhavige Nota beschreven PFAS-beleid op te nemen in hun eigen PFAS-beleid of hiernaar te verwijzen. Deze gemeenten kunnen er ook voor kiezen om alleen de opgestelde PFAS-ontgravingskaart, te accepteren als bewijsmiddel voor het toepassen van PFAS in hun gemeente als vervanging van een partijkeuring op PFAS. PFAS-stofgroepen Ter onderbouwing van het beleid zijn achtergrondgehalten voor PFAS bepaald aan de hand van een dataanalyse op basis van tot nu toe bekende onderzoeksresultaten naar de aanwezigheid van PFAS in de bodem van de provincie Utrecht. Het betreft de PFAS-stofgroepen: • PFOA; • PFOS; • PFAS overig. GenX komt in de provincie Utrecht niet in aantoonbare gehalten voor in de bodem (buiten bronlocaties). Bij het toepassen van grond is een keuring op GenX alleen nodig indien de toe te passen grond verdacht is voor deze stof.

4.1 Wat valt onder het PFAS-beleid? De Beleidsnota PFAS is bedoeld voor de toepassing van grond op de landbodem. Het in deze nota beschreven PFAS-beleid geldt alleen als er sprake is van: • een nuttige en functionele toepassing van grond en/of baggerspecie op de landbodem, zoals bedoeld is in art. 35 van het Besluit bodemkwaliteit; • toepassing en hergebruik van grond binnen het aangewezen bodembeheergebied (dit is het hele grondgebied binnen de provincie Utrecht); • grond afkomstig van buiten een PFAS-bronlocatie; • een toepassing van grond in de afdeklaag van een Grootschalige Bodemtoepassing (GBT); • een toepassing van grond in de bodemlagen van 0,0 – 0,5 meter minus maaiveld (mv-v) en 0,5 – 2,0 m-mv3.

4.2 Wat valt niet onder het PFAS-beleid? Het beschreven PFAS-beleid is niet van toepassing op de volgende situaties: • Het toepassen van schone grond, zoals bedoeld in art. 4.2.2. lid 4 en 5 van de Regeling bodemkwaliteit. Voor PFAS wordt hieronder verstaan grond die voldoet aan de landelijke achtergrondwaarden uit het THK 2020. De toepassingswaarde voor de functieklasse Landbouw/Natuur zijn in de onderstaande tabel weergegeven. Tabel 3: Toepassingswaarden functieklasse Landbouw/Natuur uit het THK 2020 (in µg/kg)

3

14

Functieklasse/stof

PFOS

PFOA

GenX

Overige PFAS

Landbouw/Natuur

1,4

1,9

1,4

1,4

In gebieden met een hoge grondwaterstand tot een diepte van maximaal 1 m onder het grondwaterniveau

Toelichting:

Schone grond is overal toepasbaar, mits de toepassing als nuttig en functioneel wordt aangemerkt, zoals bedoeld in art. 35 van het Besluit bodemkwaliteit. Op de PFAS-ontgravingskaart is te zien dat in een groot deel van de provincie Utrecht, met uitzondering van het zuidwestelijk deel, de gemiddelde gehalten aan PFAS onder de landelijke achtergrondwaarde PFAS liggen. •

Het toepassen van grond met gehalten die hoger zijn dan de risicogrenswaarden voor PFAS (zie tabel 2 van hoofdstuk 3). Deze zijn gelijk aan de toepassingswaarden die gelden voor de bodemfuncties Wonen/Industrie. Tabel 4: Toepassingswaarden functieklasse Wonen of Industrie uit het THK 2020 (in µg/kg)

15

Functieklasse/stof

PFOS

PFOA

GenX

Overige PFAS

Wonen of Industrie

3

7

3

3

•

Het toepassen van grond in de kern van een grootschalige bodemtoepassing (GBT). Hiervoor gelden de eisen uit het THK 2020. Dit zijn dezelfde eisen die gelden voor de functie Wonen of Industrie (3 – 7 – 3);

•

Het direct nat verspreiden van bagger op aangrenzende percelen. Hiervoor gelden de normen uit het THK 2020;

•

Het toepassen van grond in bodemlagen dieper dan 2,0 m-mv. Hiervoor gelden de landelijke achtergrondwaarden (1,4 – 1,9 – 1,4);

•

Het toepassen van grond onder het grondwaterniveau. Hiervoor gelden de landelijke achtergrondwaarden (1,4 – 1,9 – 1,4). Uitzondering daarop zijn gebieden met een hoge grondwaterstand. Daar geldt het in deze nota beschreven beleid tot 1 meter beneden de grondwaterspiegel. Dit is in lijn met het landelijk geldende THK 2020.

•

Het in deze nota uitgewerkte beleid voor het toepassen en hergebruiken van PFAS-houdende grond, geldt niet voor grond die afkomstig is van locaties die specifiek op PFAS verdacht zijn (PFASbronlocaties). Als grond ontgraven wordt op een PFAS-verdachte locatie, zal altijd eerst PFASonderzoek moeten worden uitgevoerd. Voor een beschrijvingen van PFAS-verdachte activiteiten, wordt verwezen naar hoofdstuk 8, onder Stap 1.

5. Randvoorwaarden en uitgangspunten van het PFAS-beleid Het Bbk stelt landelijke regels aan de hierboven beschreven handelingen met grond en baggerspecie. Dit wordt ook wel het generieke kader van het Bbk genoemd. In de Regeling bodemkwaliteit is door middel van Maximale Waarden (MW) per bodemfunctieklasse aangegeven waaraan grond en bagger kwalitatief moeten voldoen bij toepassing. Gemeenten hebben in artikel 44 van de Regeling bodemkwaliteit van de wetgever ook de mogelijkheid gekregen om van een aantal regels uit het generieke kader af te wijken en hiervoor lokale regels vast te stellen. Dit wordt het gebiedsspecifieke beleidskader genoemd. Gemeenten kiezen hier bijvoorbeeld voor als de regels uit het generieke kader niet passen bij de lokale bodemsituatie en/of de ambities van de gemeente. In het gebiedsspecifieke kader kunnen gemeenten Lokale Maximale Waarden (LMW) vaststellen, die de MW vervangen. Er is voor gekozen om het PFAS-beleid in deze nota uit te werken binnen het gebiedsspecifieke beleidskader van het Besluit bodemkwaliteit.

5.1 Randvoorwaarden Het Bbk geeft een aantal voorwaarden voor het vaststellen van gebiedsspecifiek beleid: • Bij grondverzet is er sprake van stand-still (geen achteruitgang van de chemische bodemkwaliteit) op gebiedsniveau binnen het bodembeheergebied. In dit geval omvat het bodembeheergebied de hele provincie Utrecht; • Een gemeente kan voor een bepaalde stof een Lokale Maximale Waarde (LMW) vaststellen. Een LMW is een waarde die de Maximale Waarden (MW) 4 uit het Generieke kader van de Regeling bodemkwaliteit vervangt; • Bij grondverzet mag niet een nieuw geval van ernstige bodemverontreiniging ontstaan. Concreet betekent dat voor PFAS dat de gekozen LMW onder de 3 – 7 – 3 moet liggen; • Bij het toepassen van grond mogen geen risico’s optreden voor mens en milieu; • Het voorgenomen beleid wordt afgestemd met overige lokale bodembeheerders in de regio, waaronder het bevoegd gezag Wet bodembescherming (provincie Utrecht), waterschappen en drinkwaterbedrijven. 5 Het in deze Nota beschreven beleid voldoet aan deze voorwaarden.

5.2 Uitgangspunten Stand-still principe Uitgangspunt van het PFAS-beleid is het stand-still principe. Dat houdt in dat de bodemkwaliteit binnen het gebied waarvoor het beleid geldt, per saldo niet verslechtert. Plaatselijke verslechteringen zijn alleen toegestaan als aangegeven wordt op welke manier, op welke plaatsen en bij welke toepassingen een verbetering nagestreefd wordt. Dit uitgangspunt maakt het mogelijk om in het zuidwestelijk deel van de provincie uit te gaan van de daadwerkelijk gemeten PFOA-gehalten en hergebruik van grond binnen dezelfde PFAS-zone mogelijk te maken door LMW vast te stellen. Zone-indeling Het grondgebied van de provincie Utrecht is ingedeeld in vijf PFAS-zones. Er zijn drie bovengrondzones en twee ondergrondzones gedefinieerd (zie resp. kaartbijlage 1 en 2). Binnen een PFAS-zone liggen de gemeten PFAS-gehalten in dezelfde orde van grootte. De zone-indeling is nader toegelicht in hoofdstuk 6.

4

16

Voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket zijn MW vastgesteld, maar voor PFAS niet. Daarom is voor PFAS ook nog geen officiële kwaliteitsklassenindeling bekend. In deze Beleidsnota worden de landelijke achtergrondwaarden en de hiervan afgeleide toepassingswaarden uit het THK van 2 juli 2020 als Maximale Waarden (MW) beschouwd voor PFAS. 5

Dit is gedaan door het concept van deze Nota eind 2020 ter consultatie naar deze partijen te sturen.

Lokaal maximale waarden In het zuidwestelijke deel van de provincie Utrecht hebben we Lokaal maximale waarden (LMW) bepaald die de landelijk geldende toepassingswaarden uit het THK 2020 vervangen. De reden is dat de gemeten PFAS-gehalten hier hoger zijn dan de landelijke achtergrondwaarden. LMW gelden alleen voor gebieden die ingedeeld zijn in de bodemfunctieklasse Landbouw/Natuur. In hoofdstuk 8, onder Stap 4 zijn de toepassingseisen voor PFAS aangegeven. Voor de bodemfunctieklassen Wonen en Industrie worden in het gebiedsspecifieke kader de toepassingseisen uit het THK 2020 overgenomen als toepassingseis. Als bovengrens zijn daarbij de risicogrenswaarde voor PFAS gehanteerd. In het THK 2020 is namelijk aangegeven dat het niet wenselijk is om bij het kiezen van een LMW de risicogrenswaarden voor PFAS te overschrijden LMW zijn vastgesteld: • voor de gehalten PFAS (specifiek PFOA) in zone rond chemiebedrijf Chemours te Dordrecht in het zuidwestelijke deel van de provincie Utrecht; • voor toepassing van grond: o binnen een bodemkwaliteitszone. Hiervoor is de P95-waarde van gehanteerd; o afkomstig uit een andere bodemkwaliteitszone binnen het bodembeheergebied. Hiervoor is de P80-waarde gehanteerd; o afkomstig van buiten het bodembeheergebied. Hiervoor is het gemiddelde gehalte gehanteerd.

Indeling bodemlagen Waar het THK 2020 uitgaat van toepassingsnormen voor de bodemlaag 0,0 – 1,0 m-mv geldt de Beleidsnota PFAS voor de bodemlagen 0,0 – 0,5 m-mv (=bovengrond) en 0,5 – 2,0 m-mv (=ondergrond) omdat dit aansluit op de laagindeling in de gemeentelijke nota’s bodembeheer (voor stoffen uit het standaard stoffenpakket) Overige uitgangspunten Bij het opgestelde beleid: • is rekening gehouden met de normstelling uit het THK 2020; • zijn niet per definitie de gemeentegrenzen, maar de gemeten PFAS-gehalten bepalend voor de begrenzing van PFAS-zones. Wel zijn de gemeentegrenzen of anderszins logische grenzen, zoveel mogelijk als zonegrens aangehouden; • is voor het bepalen van de lokale toepassingseisen aangesloten bij de systematiek die geldt voor stoffen uit het standaardstoffenpakket. Deze systematiek is in paragraaf 5.3 uitgewerkt. Als een gemeente geen nota bodembeheer heeft vastgesteld geldt de systematiek die gehanteerd wordt in het generieke kader. Dat houdt in dat de toepassingseis afhangt van de bodemfunctie van het ontvangende perceel. Dit is uitgewerkt in paragraaf 5.4.

5.3 Systematiek voor bepalen van toepassingseisen in het gebiedsspecifieke beleidskader In het gebiedsspecifiek beleid zijn de toepassingseisen gebaseerd op kwaliteit van de ontvangende bodem of, onder voorwaarden, op de functie. De geldende toepassingseis is (verplicht) vastgelegd op een zogeheten toepassingskaart. In de tabel hieronder is de systematiek die gebruikt wordt voor de stoffen uit het standaard stoffenpakket, vertaald naar de toepassingseis die voor PFAS geldt. Tabel 6: Systematiek toepassingseisen voor PFAS in het gebiedsspecifieke beleidskader, voor niet-gevoelige functies

17

Toepassingseis op basis van gemeentelijke nota bodembeheer

Toepassingswaarde PFAS

Klasse AW2000

Horende bij Landbouw / Natuur

Klasse Wonen

Horende bij Wonen of Industrie

Klasse Industrie

Horende bij Wonen of Industrie

5.4 Systematiek voor bepalen van toepassingseisen bij afwezigheid van een gemeentelijke nota bodembeheer met BKK Voor gemeenten die geen nota bodembeheer met BKK voor de overige stoffen uit het standaard stoffenpakket hebben vastgesteld, is alleen de bodemfunctie bekend, af te lezen van de Bodemfunctieklassenkaart, en zal de bodemkwaliteit van het ontvangende perceel eerst nog middels een bodemonderzoek moeten worden vastgesteld. Voor PFAS hoeft dat niet meer als deze gemeente de ontgravingskaarten (boven- en ondergrond) uit bijlagen A en B van de Bodemkwaliteitskaart PFAS door het college van burgemeester en wethouders laat vaststellen. Omdat deze kaarten voldoen aan de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten, mogen ze tevens als bewijsmiddel voor het toepassen van grond, voor wat betreft PFAS, gebruikt worden. Hierdoor is PFAS-onderzoek in de meeste gevallen overbodig.

18

6. PFAS-zones in de provincie Utrecht 6.1 Verzamelde PFAS-data Onderzoeksgegevens van PFAS uit de hele provincie, zijn ingevoerd in een database. Uit de resultaten van statistische bewerkingen zijn de achtergrondgehalten voor PFAS afgeleid, die zijn gebruikt voor het indelen van het grondgebied van de provincie Utrecht in PFAS-zones. De waarnemingspunten zijn goed ruimtelijk verdeeld over de provincie Utrecht. De kaart in figuur 2 geeft een overzicht van de beschikbare meetpunten en de gemeentegrenzen.

Figuur 2: Ruimtelijke verdeling waarnemingspunten

De ruimtelijke spreiding van de waarnemingspunten van de gebruikte PFAS-gegevens is ruim voldoende om een betrouwbaar beeld te geven van de (verschillen in) PFAS-concentraties binnen de provincie Utrecht. Een verantwoording van de totstandkoming van de PFAS-kaarten en de zone-indeling, is beschreven in het rapport “Bodemkwaliteitskaart PFAS provincie Utrecht”. Dit rapport is een losse bijlage bij de voorliggende Beleidsnota PFAS. Uit de data-analyse blijkt het volgende: PFAS stedelijk/landelijk gebied en bodemsoort • er is geen significant verschil aangetoond tussen gehalten PFAS in: o stedelijk en landelijk gebied o zandbodem en klei-/veenbodem PFOS en PFAS-overig • de gemiddelde gehalten PFOS en PFAS-overig in onder- en bovengrond liggen in de gehele provincie Utrecht onder de landelijke achtergrondwaarde uit het THK 2020. 19

PFOA • in een gebied met een straal van ca. 30 km rond het bedrijf Chemours te Dordrecht liggen de gemiddelde gehalten PFOA in de bovengrond gemiddeld hoger dan de toepassingswaarde voor de bodemfunctie Landbouw/Natuur (= landelijke achtergrondwaarden PFAS), maar onder de toepassingswaarde voor de bodemfuncties Wonen of Industrie. Binnen dit gebied ligt een zone (zone PFAS B1) waarbinnen de 95 percentielwaarde (P95) de risicogrenswaarde voor PFAS overschrijdt; • In de ondergrond van het westelijke deel van de gemeente Vijfheerenlanden liggen de gemiddelde gehalten boven de toepassingswaarde voor de bodemfuncties Landbouw/Natuur. De P95 overschrijdt ook hier de risicogrenswaarde voor PFAS; • In de boven en- ondergrond buiten een straal van ca. 30 km rond het bedrijf Chemours te Dordrecht liggen de gemiddelde gehalten aan PFOA onder de toepassingswaarde voor de bodemfunctie Landbouw/Natuur.

6.2 Onderscheiden PFAS-zones Op basis van deze conclusies zijn de volgende PFAS-zones gedefinieerd: Bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) PFAS B1: Vijfheerenlanden (westelijk deel) en Lopik. PFAS B2: Vijfheerenlanden (oostelijk deel), Woerden en Utrecht (ten zuiden van de A12), Oudewater, Montfoort en IJsselstein. PFAS B3: Woerden en Utrecht (ten noorden van de A12) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht Ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv) PFAS O1: Vijfheerenlanden (westelijk deel). PFAS O2: Vijfheerenlanden (oostelijk deel) en de overige gemeenten in de provincie Utrecht, m.u.v. Lopik. Voor PFAS-zone O1 zijn slechts 14 waarnemingen opgenomen in de dataset. Hiermee wordt formeel niet voldaan aan het minimaal vereiste van 30 waarnemingen dat nodig is om een gebied in te delen in een PFAS-zone. Desondanks is het deelgebied als aparte zone aangemerkt omdat het gemiddelde gehalte PFOA duidelijk hoger ligt dan in de aangrenzende PFAS-zones. De relatief geringe afstand tot chemiebedrijf Chemours te Dordrecht, de concentratie van hoge gehalten aan PFOA die in de bovengrond zijn gemeten, onderbouwen dat PFAS-zone O1 duidelijk afwijkt van de ondergrond elders in het bodembeheergebied. Het aanmerken van PFAS-zone O1 als aparte zone, maakt het mogelijk om hierin toch gebiedseigen PFAShoudende grond toe te kunnen passen. In hoofdstuk 7 is hieraan nadere invulling gegeven.

6.3 PFAS-kaarten Er zijn 2 PFAS-kaarten opgesteld, te weten: • PFAS-ontgravingskaart (zie kaartbijlagen A en B van het rapport “Bodemkwaliteitskaart PFAS in de provincie Utrecht” van datum 6-4-2021; • PFAS-toepassingskaart (zie kaartbijlagen 1 en 2 van deze Nota). PFAS-ontgravingskaart Deze kaart bestaat uit een kaartlaag voor de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en voor de ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv). Per onderscheiden PFAS-zone zijn de gemiddeld gemeten PFAS-gehalten weergegeven. Dit is tevens de ontgravingskwaliteit. Dit wordt zo genoemd, omdat het aangeeft welke kwaliteit je kunt verwachten als je in de betreffende PFAS-zone grond gaat ontgraven. Dit is de kaart die als bewijsmiddel gebruikt kan worden als je de grond elders in de provincie Utrecht weer gaat toepassen, mits de ontvangende gemeente deze kaart ook heeft vastgesteld of geaccepteerd. In paragraaf 7.1 is onder ad 1 in tabel 7 (grondstromenmatrix), met kleuren aangegeven welke verplaatsingen van PFAS-houdende grond tussen de onderscheiden PFAS-zones zijn toegestaan als je de PFAS-ontgravingskaart gebruikt als bewijsmiddel. Uiteraard geldt dit alleen voor de gemeenten die de PFAS-ontgravingskaart hebben 20

vastgesteld of hebben geaccepteerd. Gemeenten die het voorliggende PFAS-beleid niet vaststellen, kunnen wel nog de PFAS-ontgravingskaart accepteren als een geldig bewijsmiddel voor het toepassen van grond in hun gemeente. PFAS-toepassingskaart Deze kaart bestaat, net als de PFAS-ontgravingskaart, ook uit een kaartlaag voor de bovengrond (0,0 – 0,5 m-mv) en voor de ondergrond (0,5 – 2,0 m-mv). Op deze kaart zijn per onderscheiden PFAS-zone, de toepassingseisen voor PFAS vermeld. Toepassingseisen geven aan welke PFAS-gehalten er maximaal in de grond mogen zitten die in de betreffende zone toegepast wordt. Hierop wordt verder ingegaan in par. 7.1.

21

7. Gebiedsspecifiek PFAS-beleid in de provincie Utrecht Dit hoofdstuk beschrijft de gebiedsspecifieke kwaliteitseisen en voorwaarden bij het toepassen van PFAShoudende grond. De gebiedsspecifieke toepassingskaarten zijn opgenomen in kaartbijlage 1 (bovengrond) en 2 (ondergrond) van deze nota. Algemene aandachtspunten en voorwaarden: • Mochten de landelijk geldende toepassingswaarden worden aangepast, dan zijn die nieuwe toepassingswaarden bepalend voor de toepassing. Overschrijdt de P95 van de gebruikte meetgegevens dan de nieuwe toepassingswaarde dan kan de PFAS-ontgravingskaart niet meer gebruikt worden als bewijsmiddel er zal er alsnog de verplichting op een partijkeuring ontstaan; • Voor GenX, dat ook behoort tot de stofgroep PFAS, zijn geen gebiedsspecifieke toepassingseisen afgeleid. Bij het toepassen van grond is een keuring op GenX alleen nodig als de toe te passen grond verdacht is op deze stof; • Toepassingseisen voor vrijkomende en op landbodem toe te passen bagger worden gelijkgesteld aan die voor grond. In de praktijk van het grondverzet kunnen de volgende situaties onderscheiden worden: 1. Grondverzet binnen het bodembeheergebied met de PFAS-ontgravingskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond en ontvangende bodem; 2.

Grondverzet binnen een PFAS-zone van het bodembeheergebied met een partijkeuring als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond en de PFAS-ontgravingskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem; 3. Grondverzet tussen PFAS-zones binnen het bodembeheergebied met een partijkeuring als bewijsmiddel voor de kwaliteit van toe te passen grond en de PFAS-ontgravingskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem; 4. Toepassing van grond afkomstig van buiten het bodembeheergebied met de PFAS-ontgravingskaart als bewijsmiddel voor de kwaliteit van de ontvangende bodem; 5. Grondverzet in de ondergrond van de gemeente Lopik; 6. Toepassing van grond op gevoelige functie. Als gevoelige functies zijn in dit verband drinkwaterwingebieden, grondwaterbeschermingsgebieden en moestuinen aangemerkt.

Ad 1.

Grondverzet binnen het bodembeheergebied met de PFAS-ontgravingskaart als bewijsmiddel

In tabel 7, is het gebiedsspecifieke beleid vertaald naar een grondstromenmatrix. In gemeenten die de voorliggende beleidsnota met PFAS-ontgravingskaart hebben geaccepteerd, kunnen initiatiefnemers van grondverzet onder de in deze nota vermelde voorwaarden volgens deze matrix grond toepassen zonder aanvullend bewijsmiddel voor het gehalte PFAS in de toe te passen grond en in de ontvangende bodem.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Houten&id=43d31f80-e1bc-49b0-84eb-89c0535a81c9